(Door Martien Pennings)
___________________________________________________________________________________________________

Onderstaand stuk is het eerste deel van een essay van ongeveer 90 pagina’s, getiteld “AAN DE OBSCURANTISTEN” dat ik nooit publiceerde. Het opstel stamt uit mijn pre-internet-tijd, uit het jaar 2006 en ik geef het nu in 2013 alsnog prijs aan de digitale wereld.  

Hier deel 2 (islam), hier deel 3 (als een hoofddoek een Jodenster is, wat is dan een boerka?), hier deel 4 (Marokkanen), hier deel 5 (Economie) en hier deel 6 (Pim Fortuyn en Ayaan Hirsi Ali), hier deel 7 (Geert Mak), hier deel 8 (Abraham de Swaan) en Hier deel 9 (Marcel ten Hooven)

Ik had vergeten het te dateren en dat het in dat jaar geschreven was, moest ik afleiden uit deze zin die erin voorkwam:

“Intussen is, acht jaar na 1998, het vooruitzicht van burgeroorlog-achtige ontwikkelingen in Nederland reëler geworden.”

En pas bij herlezing komt de herinnering boven dat de tekst een rol had moeten spelen in de pogingen die ik van 2006 tot 2008 heb ondernomen om de PvdA-tanker héél langzaam van koers te laten veranderen. De bedoeling was ooit dat het door de PvdA-top zou worden gelezen. Op dat ogenblik had ik reden te veronderstellen dat zulks zou gaan lukken. Ik heb inmiddels alle illusie rond onze quasi-elite verloren, scheld ze de tiefus en hoop alleen nog op een Neurenberg 2.0 na de Grote Islamitische Oorlogen.

In een van de afleveringen van dit feuilleton rep ik op een gegeven moment van mijn “bewust provocerende stijl” vanwege de noodzaak de elite wakker te schudden. Ik wist, toen in 2006, natuurlijk zelf nog niet hoezeer ik verbaal zou radicaliseren en hoezeer de quasi-elite zou doordenderen op de weg richting afgrond.

Ik zal die 90 relatief brave pagina’s alsnog op deze site publiceren en wel in acht afleveringen. Telkens met deze inleiding en onder de titel “AAN DE OBSCURANTISTEN” gevolgd door de subtitel van het betreffende onderdeel.
_____________________________________________________________________________________________________

Met het aanvaarden, mede door de PvdA, van de boerka, de vrouwengevangenis van textiel, is in Nederland een morele grens overschreden. Het is het resultaat van een ondergronds wroeten dat de laatste tijd aan kracht wint. In de volgende pagina’s zullen vele voorbeelden van dat quasi-religieuze wroeten gegeven worden. Parallel daaraan is er in Nederland een toenemende druk om de toon van het debat zodanig te “matigen” dat het in feite dood bloedt. Op zich is de begrippen-tegenstelling “zelfmatiging versus zelfcensuur”, die binnen de PvdA gebruikt wordt om de discussie in een kader te zetten, wel bruikbaar. Het probleem is echter dat waar het islamo-fascisme aan de kaak gesteld moet worden, de kracht van de terminologie toch enigszins adequaat zal moeten zijn aan de ernst van de verschijnselen en aan de gekte die ermee collaboreert. Degene die zich in Nederland wil verzetten tegen een paternalistisch obscurantisme dat al gauw met het zuinige mondje en de bestraffende blik klaar staat, voelt zich gedrongen in de positie van Winston Smith in Orwell’s 1984: je bent een “mindunker” die niet wil meegaan in de schoonheid van de aanvaarding van het totalitaire.

In een recensie (Volkskrant 15-12-2000) van “De verwarde natie – Dwarse notities over immigratie” van H. J. Schoo, schrijft Gert J. Peelen:

In een scherpe schets legt Schoo de zenuwen bloot van het mechaniek van de taboeïsering; een sluipend proces van ontpolitisering, tegen de achtergrond waarvan een ontwrichtend vreemdelingenbeleid aan terechte kritiek en een zinnige, maatschappijbreed gevoerde discussie kon worden onttrokken. Hij hekelt in de eerste plaats de monopolisreing van de immigratiekwestie door wat hij de “morele specialisten van ‘gepassioneerd’ links” noemtr: PvdA-kader, GroenLinks en de laatste restjes georganiseerd Nederlands christendom. Schoo: “Hun moreel absolutisme schermt hen af van minimale eisen van intellectuele tucht.” Wie tegen immigratie is, is tegen immigranten en wie tegen immigranten is, is een racist. Dat is de simpele, maar doeltreffende debating-truc van deze monopolisten.

Er zal dus krachtig, en met krachtige taal, verzet geboden moeten worden tegen de steeds verstikkender wordende sfeer van onderdrukking van het debat. Bij het “”ter perse gaan” van de tekst die u nu in handen hebt, komt mij nog een noodkreet van Joshua Livestro onder ogen. Hij betoogt op 12 augustus 2006 in Letter & Geest dat wie in Nederland de islam ter discussie stelt een morele paria wordt. In datzelfde Letter & geest mogen we gelukkig de week daarop (19 augustus) toch kennis nemen van de prominente Frans islamdeskundige Anne-Marie Delcambre, die helder redenerend en krachtig onderbouwd aantoont dat, wanneer mensen spreken van “gematigde islam”, zulks geen islam kan zijn. Citerend uit koran en hadith toont zij aan dat de islam radicaal anti-humanistisch, agresssief  en totalitair is. Wie “gematigde moslim” wil  wezen, zegt zij, zal toch echt flink moeten gaan schrappen in die twee teksten. En mag zo iemand nog moslim heten? Volgens de koran zelf niet: zo iemand is een afvallige en moet gedood worden.

Wie denkt dat de discussie de laatste jaren werkelijk opengegooid is, vergist zich. Vooral in de kringen van nette burgers met nette banen zijn de codes nog precies dezelfden als 15 jaar geleden: opgetrokken wenkbrauwen en zuinig mondje als de grenzen van de politieke correctheid ook maar benaderd worden. Er staat nog steeds een dodelijk voltage op dat schrikdraad. De krachten van de morele politie zijn ongebroken en de obscurantisten hergroeperen zich.

Wij moesten maar eens poosje zwijgen over de islam, zeiden de samenstellers van een WRR-rapport dat inmiddels aan de kaak is gesteld als dwaas en collaborerend, vooral in zijn conclusies. Dat rapport is onderdeel van een censurerende atmosfeer, die zich langzaam over Nederland verbreidt. Het is net of er ergens in Nederland een ontembare hydraulische pomp staat, die een constante hersenspoelende druk op de Nederlandse bevolking uitoefent om ze de “multiculturele samenleving” en de islam door de strot te persen tegen al hun instincten in. Een pomp die hersenspoeling door de strot perst: vergeef me de beeldspraak, maar duidelijk lijkt-ie me niettemin. Ik zou tegen quasi-links willen zeggen: kijk, ik ben écht links en jullie zijn niks, hoogstens verdwaald, niet eens rechts. Ik claim de werkelijke traditie van links, de lessen uit de oorlog, het goede uit de revolutie van de jaren zestig en zeventig, het anti-racisme, de tolerantie en de solidariteit, nationaal en internationaal.

Men ziet in het bovenstaande dat de taal die ik wil hanteren niet erg gaat in de richting van zelfcensuur, noch van “zelfmatiging”. Ik wil mij hierbij aansluiten bij de Thomas Mann van het Interbellum, die zijn politieke omslag, namelijk van de verdediging van een nogal bloedige en wilde oer-opvatting van de Duitse “Kultur” naar een verdediging van de demokratische Weimar-Republiek, illustreerde met het beeld van een roeiboot: helt de boot te ver over naar links, zei hij, dan ga ik naar rechts hangen,  en vice versa. Ik heb in 1998, zoals ik hieronder zal verduidelijken, over de multicultuur een opstel geschreven in een bewust ingehouden stijl.

Daartegenover heeft het stuk dat u nu onder ogen hebt, een bewust provocerende stijl. Ten eerste omdat het voor een beperkte kring* bestemd is, maar ook omdat ik vind dat de ernst van de problemen stelselmatig verhuld wordt door collaborerend gehuichel.. Het is ook een daad van ridderlijkheid, deze provocerende stijl. Omdat ik weet dat de obscurantisten geen argumenten hebben, geef ik ze het enige wapen dat ze nog weten te hanteren: zeiken over de toon en de stijl van de tegenstander, terwijl ze intussen zelf de ogen sluiten voor materiële, concrete  terreur en onderdrukking.

De kracht waarmee ernstige problemen benoemd moeten worden, kan afnemen als wijze bestuurders maatregelen nemen om ze op te lossen. Maar als die bestuurders niet helemaal goed wijs zijn, geen maatregelen nemen en zelfs het benoemen van de problemen krachtig frustreren, sterker nog de benoemers van de problemen in een kwaad daglicht stellen, dan wordt het probleem onbeheersbaar.

Hier moet het woord “racisme” vallen. De Nederlandse quasi-elite van politiek en media, heeft een groot probleem met “racisme”, maar niet zozeer met het reëel bestaande racisme, zoals dat naar mijn indruk tegenwoordig vooral bestaat in niet-Westerse culturen, maar met het zoeken naar “racisten” in de eigen cultuur. Eind mei 2006 was er groot ophef in de media over een enquête waaruit zou blijken dat wel zo’n 10% van de Nederlanders zich “racist” noemt. Je lacht je dood. Waarschijnlijk hebben onderzoekers noch onderzochten een idee van het werkelijke racisme en antisemitisme, zoals dat bijvoorbeeld bloeit in heel Latijns Amerika en vooral de Arabische landen. “Klompendansen tegen racisme”, zei Jan Mulder jaren geleden al eens.

Dit racisme-gezeur  is een soort voorstadium van de heksenjacht, een “theologisch” probleem waarbij het erom gaat “het Kwaad” te localiseren, de goede mensen te scheiden van de slechte mensen. Nooit werd het beter in beeld gebracht dan in een tv-debat voorafgaande aan de laatste kamer-verkiezingen, waarin Femke Halsema  liet weten dat wie liever geen schoonmaakster met een hoofddoek wilde, discriminerend bezig was. Over het discriminerende van de hoofddoek zelf zei ze geen woord. Ook geen woord over het feit dat, bijvoorbeeld, de  Iraanse feministe Chadortt Djavan de hoofddoek met de Joden-ster vergelijkt. En terecht, zoals ik nog zal betogen. Maar het punt waarom het hier gaat: in diezelfde debatten zei de criminologe Halsema tegen Mat Herben: “U gaat hier etniciteit en criminaliteit toch niet aan elkaar koppelen?” “Ik probeer hier een probleem te schetsen”, antwoordde Herben. Maar hij begreep niet dat het Halsema daar helemaal niet om ging. Die was zichzelf aan het neerzetten als Goed Mens en doende het Kwaad uit drijven, ze was, kortom, bezig met het favoriete spelletje van alle kwart-intellectuelen in Nederland: “Wie is de racist?”

“Deskundigen” zeggen dat in elk mens een racist schuilt. Als dat zo is dan durf ik van mezelf te beweren dat ik dan toch een minder dan gemiddelde “racist” ben. Ik heb zelfs lang  in de illusie verkeerd dat het mij wezensvreemd was. Maar hoe dit ook zij: ik heb er genoeg van dat eenachtste-intellectuelen, die er nog niet aan zijn toegekomen de eigen inborst te onderzoeken, die alleen maar bezig zijn met zelf-manifestatie, voortdurend het debat onder de druk van dit verwijt aan de tegenstander zetten.

Breyten Breytenbach zat op zondag 21 mei 2006 in ”Boeken Etcetera” een programma van Wim Brands. Breytenbach zei iets dat me deed denken aan Thomas Mann, die rond de Eerste Wereldoorlog de literatuur kenmerkte als “der geistige Raum der Nation”. De Zuid-Afrikaanse schrijver sprak namelijk over de taal als de scheppende, ethische kern van een gemeenschap. In de taal, zei hij, kan alles nieuw gemaakt worden. Een beetje Hegeliaans-idealistisch klinkt dat, maar er zit heel veel in. Jammer: er zijn in de grote stadsbuurten waarin ik woon, tienduizenden komen wonen met wie ik via de taal het levende herscheppen van een gezamelijke ethiek niet kan beleven. Terwijl dat juist heel erg nodig zou zijn vanwege wat wel omschreven wordt als ”cultuurverschillen” tussen mij en die tienduizenden.

Heel erg nodig, want Breytenbach zei ook, over Zuid Afrika: ”Misschien is een bepaalde mate van autoritairisme wel onvermijdelijk in een land met zoveel verschillende culturen.”  Ja, grote cultuurverschillen binnen één staatsverband willen nog wel eens totalitaire tendensjes oproepen. Het is een zinnetje tussen de velen natuurlijk en je moet goed opletten wil je het eruit halen.

Breytenbach zei nog iets anders dat me opviel, namelijk dat hij  bang was dat in het ANC van het huidige Zuid-Afrika de Xosa en de Zoeloes van elkaar vervreemd zouden raken. Want Zoeloes, sprak Breytenbach, dat is toch wel een zeer krijgshaftig volk. Je zou bijna zeggen dat Breytenbach hier impliciet zegt te geloven in iets als “volksaard”. Dat kan echter niet, zo weten wij in Nederland. Na 1945 hebben wij met elkaar afgesproken dat zoiets niet bestaat.

De naïeve Francis Fukuyama heeft natuurlijk een foutje gemaakt met zijn “Einde van de Geschiedenis”, maar hij zei vorig jaar wel iets verstandigs, namelijk dat hij de resultaten van de tolerante genuanceerdheid die onze bestuurlijke elite in multicultibus aan de dag blijft leggen, niet geweldig vindt:

”Ik denk al een tijdje dat de Europeanen, de Nederlanders voorop, hun hoofd in het zand hebben gestoken. Het lijkt me inmiddels wel duidelijk dat het hele concept van de multiculturele samenleving een ernstige vergissing is geweest. Wat bereikt is, is niet zoiets als een liberale maatschappij, maar een verzameling van groepen die niet met elkaar praten, Je kunt dat niet een natie noemen, lijkt me.” (Volkskrant 17-09-05)

Maar wie weet is de burka hier de integrerende oplossing.  Jeroen Dijsselbloem denkt in elk geval van wel.

Over “de waarheid” kan je veel zeggen, bijvoorbeeld dat het soms goed is als sommige mensen hem vóór zich houden. Dat zagen we maar weer eens aan die columnist van een locaal krantje te Goeree Overflakkee. In mei 2006 ontving hij anonieme dreigbrieven van fundamentalistische christenen, ondertekend met “De Waarheid-zeggers”. Het is altijd weer eng, die mensen die zeggen dat ze een boek hebben waarin staat wat God wil en dat zij de enigen zijn die het goed lezen en er naar handelen. Maar een praktisch kenmerk van waarheid is toch wel het volgende: waarheid is niet vrijblijvend. Zoals de oude Sören Kierkegaard placht te zeggen: “Wie niet met de werkelijkheid wil vechten, krijgt met spoken te maken.”

Ik ken een vrouw die heel erg politiek correct is. Altijd PvdA gestemd. Van kritiek op de culturen die we hier de laatste decennia zo ruimhartig middels vrouwenhandel hebben laten ketting-immigreren wou ze nooit iets weten. Op een gegeven moment introduceerde ik haar op mijn sportschool en deed ze mee met een zogenaamde “circuit-training”. Een gemengd gezelschap –  autochtone, Turkse en Marokkaanse mannen, Surinaamse en autochtone vrouwen – dartelden over de vloer. Op een geven moment maakte een Turkse man een onhandige manoeuvre en botste tegen mijn politiek-correcte vrouwelijke kennis op. “Kijk uit, vieze Turk!”, riep ze.

Bij alles wat me heilig is, zweer ik u, lezer, dat het zo gebeurd is. En ik zweer ook dat het mij, ook in mijn meest onbewaakte momenten, niet had kúnnen gebeuren.

Mevrouw had dus een onderbuik, zonder zich daarvan bewust te zijn. Zo lopen er heel veel mensen rond en ik vind dat gevaarlijk. Je zou het niet moeten opschrijven, want het is te plat uitgedrukt, maar in het belang van de goede zaak moet het maar, want het is een beeld dat bijblijft: wie niet op zijn onderbuik let, eindigt met een volle broek.

Het schijnt mij toe dat de politiek ter linkerzijde de laatste tijd geleden heeft onder een vergelijkbaar syndroom, een aandoening die ik hedonistisch obscurantisme zou willen noemen: de neiging van een politieke klasse  van politiek-correcte fijne luiden die uit de “Europese Burgeroorlog van 1914 tot 1945″ (Samuel Huntington) vooral geleerd hebben fascisme te bewonderen zolang het maar exotisch is. Met een uitgestreken gezicht en een volautomatische verontwaardiging die altijd dezelfde richting op schiet. Het heeft niks met volwassen denken te maken. Het is het obscurantistisch hedonisme van leuke baan, leuk huis, leuke auto, leuk salaris, leuke partner, leuke gedachten in het hoofd en als toefje slagroom op het levens-taartje ook nog in de schijnwerpers als goed mens. Liefst op tv, natuurlijk.

In de afgelopen jaren is vooral Pim Fortuyn weggezet als een “volkse”, een “populistische” politicus bij uitstek. Dat was een vergissing. Vergeleken bij de bange collaborateurs van quasi-links was Pim Fortuyn een toonbeeld van grootburgerlijke moed. Dat mietje was de enige vent die we nog zo’n beetje hadden in Nederland, naast die andere aristokraat van de geest, Ayaan Hirsi Ali, die inmiddels is weggepest door dezelfde anti-intellectuelen. Geconfronteerd met de geniepige hetze van de quasi-linkse onderbuik (Zembla) sprak ze terecht van “de politiek-correcte terreur”.

Er is sprake van een merkwaardige pervertering in Nederland. Degenen die de geschiedenis van het Nazisme werkelijk verwerkt hebben, die weten dat deze zich op dit moment, via de Baath-ideologie, vooral in het islamofascisme van het Midden Oosten heeft genesteld, die weten dat de sexueel verknipte “völkische” tendenzen gezocht moeten worden in een terug-naar-de-oorsprong-islam, die met Jaques de Kadt beseffen dat je fascisme moet voorkomen en bestrijden door te kijken naar de werkelijke oorzaken ervan, worden de mond gesnoerd. De benoemers van het fascistische gevaar wordt fascisme en ”racisme” verweten.  Onwetend en verward volk vind je tegenwoordig vooral bij quasi-links.

In en achter dat obscurantisme vermoed ik bovendien iets dat mij nog dieper verontrust:  een verering voor het kwaad, die soms stiekem en cynisch schijnt, maar misschien ook de vereerders zelf niet eens bewust is. In dit quasi-linkse, rancuneuze gehets tegen de brengers van slechte nieuws zit iets van het allerdiepste “völkische” dat ik ken. Benoemen kan ik het niet, alleen illustreren met een christelijke oermythe. Als Pilatus om Jezus te redden tenslotte de gekende moordenaar Barrabas ten tonele voert en aan het volk vraagt wie er ter dood gebracht zal moeten worden, dan roept dat volk: “Kruisig Jezus! Laat Barrabas vrij!” Iets van die mentaliteit vermoed ik in de onvoorwaardelijke liefde van sommigen voor exotische vormen van fascisme. Het is als liefde vermomde haat

In zijn puur cynische vorm toonde zich dit quasi-links onverbloemd in een uitzending van Zembla van 1 juni 2006 (“Een levensgevaarlijke missie”)**. De verrader van Ayaan Hirsi Ali, eindredacteur Kees Driehuis, sprak zelf het commentaar bij een documentaire over Afghanistan,  met name over de provincie Uruzgan waar de Nederlandse militairen naar toe gaan. Het kwam Driehuis deze keer goed uit om alle gruwelen van het islamo-fascisme breed uit te meten. Op een genietende toon waar het leedvermaak vanaf droop, somde Driehuis alle factoren op waardoor de Nederlandse missie nooit aan iets opbouwends zou kunnen toekomen: de verdorvenheid van de in de beste sjeiks-traditie pedofiele en seksverslaafde ex-goeverneur “Jan”, die de feitelijke macht in handen bleef houden, de corruptie, genadeloosheid en de haat tegen het Westen. Bij al dat handenwrijvende verkneukelen, liet Driehuis geen moment merken dat het leed van de Afghanen hem ook maar een klein zakje interesseerde.

Dialectiek: misschien heeft ook zo’n uitzending van ”Zembla” zijn goede kant en gaan mensen inzien dat dit soort “links” helemaal niets meer te maken heeft met wat we vroeger onder “links” verstonden. Misschien helpt het wel bij de PvdA het besef te laten groeien dat vechtmissies soms ook gewoon nodig zijn om het Kwaad op de knieën te krijgen. De objectieve Weltgeist, zegt Hegel, werkt vaak dialectisch. In de woorden van Goethe: “Ich bin der Geist der stets verneint/ der das Böse will/ und das Gute schafft.” Zo is ook de onmenselijkheid van Verdonk’s invulling van onze asielwetten juist door het verraad van Driehuis en zijn “Zembla” aan de kaak gesteld. Danke, Weltgeist!

De spanning tussen zelfcensuur en zelfmatiging inzake de “multicultuur” ervaar ik zelf al dertig jaar. Dagelijks. Nog steeds en in jaarlijks toenemende mate.  Op 19 september 1998 publiceerde ik een opstel over de “multiculturele samenleving” in Letter & Geest. Het gaf niet zoveel discussie ondanks de prikkelende kop erboven: “Een gezond instinct voor eigen volk”. Ik hoop altijd maar dat Paul Scheffer er politieke moed uit geput heeft voor zijn  “Het multiculturele drama” van twee jaar later in de NRC, waar wél veel beroering door ontstond.

Ik haalde in mijn opstel van 1998 de schrijver Ian McEwan aan, die in zijn boek “Black Dogs” in een afgelegen streek in Frankrijk grote, zwarte, verscheurende honden laat optreden. Het zijn in de Franse bergen verwilderde nazaten van ooit door de Nazi’s  gebruikte moordhonden. Ze zijn symbolen van datgene dat volgens McEwan opnieuw over Europa zal komen. Ik gebruikte, in 1998, die honden via een taal-associatie om mijn verontrusting duidelijk te maken:

“De minister van grote-steden-beleid en integratie, Rogier van Boxtel, wil de discussie vooral ‘zakelijk’ houden (…). Mij lijkt dat, precies bij dit onderwerp, niet goed mogelijk en ook niet gewenst. En als het zakelijk moet, dan is het goed de zaken even op een rijtje te zetten. Dat we weten dat we het over hetzelfde hebben. We hebben het hier over cultuur, over mensen, en dus over verstand én gevoel, over het rationele én het irrationele. Want anders vrees ik dat ‘zakelijk’ de nieuwe dooddoener wordt waarmee de discussie over dit onderwerp onderdrukt zal worden.

Thomas Mann was iemand die met elke dendriet van zijn intellect de oergrond had gepeild vanwaaruit oorlog en fascisme in West-Europa groeiden. Hij die voor en in de Eerste Wereldoorlog zelf met verbaal vuur had gespeeld, waarschuwde later voor het ‘auf den Hund kommen’ van bepaalde ideeën. Wij vertalen dat met “aan lager wal geraken”, maar volgens mijn privé-etymologie wordt hier verwezen naar stof dat opwaait in uw huis, op de vacht van uw hond komt en aldus, voor ieder zichtbaar, de straat op wordt gedragen. De waarschuwing is duidelijk: wees onbevreesd in uw analyses en schuw de doortastende maatregelen niet, maar let in godsnaam op uw woorden, want zij zweven door de lucht en komen op de zwarte honden terecht. Ja, in zoverre mag de discussie wel zakelijk blijven.”

Aldus ikke in 1998.  Bovengenoemde doortastende maatregelen van wijze bestuurders bleven echter uit en we kregen de Fortuyn-revolutie, waarin de woorden harder werden. Fortuyn is mijn ogen de eerste die inzag dat hardere woorden nodig werden om de doorsnurkende “elites” wakker te schudden, juist omdat hij, net als ik,  Jaques de Kadt’s ”Het Fascisme en de Nieuwe Vrijheid”(het lievelingsboek van Joop den Uyl)  zo grondig had gelezen.Verre van een Mussolini was Fortuyn de anti-fascist bij uitstek. Dat had Dick Pels in “De geest van Pim” wel wat duidelijker mogen laten uitkomen. Nu, in  2006, is de restauratie van de intellectuele sfeer van vóór Fortuyn in volle gang. Ook Theo van Gogh is dood, Ayaan Hirsi Ali is Nederland uit gedreven en het spreken met meel in de mond  wordt weer de norm. Wouter Bos heeft zich uitgesproken voor het tolereren van het islamo–fascistische symbool bij uitstek: de boerka. (Waarom, vraag je je dan af , heeft hij steun verleend aan de militaire missie naar Afghanistan, “zodat de meisjes daar weer naar school kunnen”? )  Aldus komt steeds dichterbij waarvoor ik in de uitsmijter van mijn opstel van 1998 waarschuwde:

“Op donderdag 3 december 1998 liepen we door de Leidsestraat in Amsterdam, althans ik liep, want sinds mijn driejarige dochter de zitplaats op mijn nek heeft ontdekt, wandelt ze zelf nog weinig. Ze had haar rode hoedje op en neuriede. Het was een middag met lekker prikkelende winterlucht en ouderwetse sinterklaassfeer met al die winkelende mensen. Ik voelde mij Hollander. In een zijstraat kocht ik patat voor mijn kind in een tent met het opschrift ‘Vlaamse Friet’, waar een allochtoon achter de toonbank bleek te staan. Zelfs mijn Amsterdams-straatwijze oog  kon niet meteen inschatten waar ter wereld hij vandaan kwam, maar we begrepen elkaar zonder woorden. Gezond instinct, zeg ik altijd maar, herkent eigen volk meteen. De patat voor Elise was gratis. Verder lopend bedacht ik dat dit land, Nederland, een land vol onrechtvaardigheden en gektes is, maar niettemin het beste land ter wereld. Ik wil dat dat zo blijft, want mijn kind moet erin opgroeien.”

Nogmaals: uit de vergelijking van bovenstaande twee citaten uit hetzelfde stuk mag blijken dat ik iets begrijp van de spanning tussen zelfcensuur en zelfmatiging. Intussen is, acht jaar na 1998, het vooruitzicht van burgeroorlog-achtige ontwikkelingen in Nederland reëeler geworden. Wanneer er een aanslag in Nederland zou plaatsvinden, nóg waarschijnlijker geworden door onze aanwezigheid in Afghanistan, wanneer het noodzakelijk zal blijken het apokalyptische regime in Iran militair tot afzien van de atoombom te brengen, dan zijn de multiculturele rapen, die in Nederland en heel West-Europa zo al zo lang door obscurantistisch quasi-links gestoofd worden, eindelijk gaar.

Inmiddels ben ik allang niet meer de enige die de mogelijkheid van een burgeroorlog expliciet noemt.  David Rieff  (Volkskrant 24-08-05, overgenomen uit de NYT):

“Hoe te voorkomen dat de multiculturele werkelijkheid in Europa ontaardt in een oorlog van allen tegen allen? Dat is de uitdaging waar dit werelddeel voor staat. Alle andere problemen van Europa lijken daarbij in het niet te zinken.”

De quasi-linkse kant van de politiek heeft, met haar onvolwassen gedram over “racisme” haar eigen autochtone mensen in de steek gelaten. Stel, je was de afgelopen twee decennia een autochtone Nederlander, verbaal niet zo sterk en je had al die tijd, waarschijnlijk met een minimum-inkomen, in een achterstandswijk gewoond. Dan kon je je niet uiten. Als het je toch lukte werd je niet gehoord. En als “ze” dan al naar je luisterden werd je als “racist” weggezet. Want zo was het heel lang, en veel quasi-linkse academische kwasten denken nog steeds als volgt: de heffe des volks drukt de mislukking van hun leven nu eenmaal uit in verslaving aan alcohol, drugs en  tv-pulp, aan de RIAGG, voetbalvandalisme, Pim Fortuyn en vreemdelingen-haat. Al naar gelang, nietwaar? Behalve als de betreffende heffe des volks uit een exotisch land komt. Dan moet overal begrip voor opgebracht worden. Door wie vooral? Juist! Opnieuw vooral weer, uitsluitend eigenlijk, door die in Allochtonië wonende autochtone proleten. En ergens ontstaat daar een vulkaan, een stuwmeer, een veenbrand.

Twintig jaar geleden, kwam de buurvrouw, een gewone Nederlandse arbeidersvrouw, die altijd erg hulpvaardig was ten opzichte van de nieuwe Amsterdammer, ontdaan bij me en vertelde over de kleine Turkjes op de stoep die een mieren-nest met benzine hadden overgoten en aangestoken. “Dat zijn de joden, die mieren”, hadden ze gezegd. Laatst kwam ik haar weer eens tegen. Haar man was inmiddels overleden. Die kwam ‘s avonds toch ook altijd thuis met een smerige overall, zei ze, en ze hadden het niet breed. Wat haar achteraf het meeste stak was dat allochtone kinderen indertijd de outfit en de contributie voor de voetbalclub van de kinderen van de gemeente Amsterdam kregen.  Zij zelf ,met haar twee zoontjes, die ook op voetballen zaten,  kreeg niks.

Om het eens in Rawlsiaanse termen te zeggen, maar wel ietsje puntiger dan de PvdA-huisfilosoof John Rawls gedaan zou hebben: dit zijn de mensen, in de steek gelaten door quasi-links, die, toen ze zich langzamerhand begonnen te beklagen over de kwaliteit en de kwantiteit van de immigratie, het verwijt van “racisme” kregen van ten onrechte vet-betaalde en dik-wonende quasi-elites. die ook nog het geluk hadden te dom te zijn om te begrijpen dat hun maatschappelijke status en geweldige ik-gevoel op comfortabel zelfbedrog berustten.

Een jaar of vijftien geleden moest mijn slager op last van een inspecterende instantie ophouden met zijn winkel. De zaak voldeed niet meer aan de eisen des tijds en de man, een enthousiaste dertiger, had geen geld voor de grote investeringen die nodig waren. Ik vond het jammer, want hij was in mijn ogen een prima vakman. Schone winkel en altijd leuke aanbiedingen van lekkere dingen.

Toen hij eruit was, werd de zaak minimaal heringericht en kwam er een nieuwe slager in, een Turk ditmaal, die tevens groenten, fruit en kruidenierswaren verkocht. Het werd een rommelige winkel en de eigenlijke slagerij leek mij nu pas echt rijp voor een bezoek van controlerende ambtenaren. Ik heb er één keer een paar tomaten gekocht bij de Peetvader van het stel Turken dat met de nering verbonden scheen. Toen ik in de winkel stond, kwam hij nors uit de slagerij erachter, witte jas onder het bloed. Hij was een vijftiger met een vet hoedje op het hoofd en ook verder zag hij eruit als een doorsnee buikige veeboer, alleen was zijn uitstraling verontrustender. Hij beantwoordde mijn groet niet, maar bleef me onwelwillend aanstaren, behaarde handen zwaar rustend op toonbank. Boven zijn hoofd hing aan de muur een kromzwaard. Neen, ik verzin niks.

De autochtone ”armen” zijn door wat Ephimenco “linkse mutanten” noemt natuurlijk ook in de steek gelaten uit angst voor de agressieve reactie uit orthodox-allochtone kringen op elke kritiek, maar ook uit angst vooral om zelf voor “racistisch” versleten te worden. Het woord “racisme” zelf is zo langzamerhand onbruikbaar geworden en dezelfde weg gegaan als ”respect”. De gebruikers bestempelen zich door het lukrake gebruik ervan als geestelijk onvolwassenen. Over het echte racisme, waar ze blijkens hun opstelling geen notie van hebben, zal ik het verderop nog hebben.

Op 30 maart 1994 werd door Martin Schouten in de Volkskrant een 44-jarige politieman van Surinaamse afkomst geciteerd. De man had gezegd:

“(..) Arabieren steken je echt neer, je wordt eerst uitgeschakeld en dan beroven ze je. Die naffers, dat is een afkorting voor Noordafrikanen, hebben geen druppie gevoel voor hun medemens.”

De generalisatie is hier veel te grof, allicht: maar deze man heeft in zijn Amsterdamse straatpraktijk wel degelijk iets gezien wat elke doorsnee Nederlander die niet op zijn achterhoofd is gevallen al decennia ziet. Als ik in mijn Amsterdamse wijk rondloop denk ik nog vaker dan vroeger aan het ­motto dat de Joods-Amerikaanse schrijver Jerzy Kosinksi zijn boek “De geverfde vogel” meegaf, dat boek dat indringend handelt over de vraag: hoe racistisch, hoe dom en hoe wreed is de mens? Het zijn regels van Vladimir Majakovski:

“( . . .) en alleen God,
almachtig inderdaad,
wist: het zijn zoogdieren
uit verschillend zaad.”

“(…) aangezien humor overal anders is. Ik zat eens in een bus in Mexico, en die bus kwam in een kudde schapen terecht. De bus reed gewoon door en de buschauffeur probeerde zoveel mogelijk schapen te raken. Iedereen hing uit het raam om te zien of dit lukte. We hebben er minstens tien geraakt, krats, krats, krats. Elk getroffen schaap veroorzaakte grote hilariteit.”

Zo weet een willekeurig cohortje antropologen nog wel een paar verhaaltjes, denk ik. Boven-staande anecdote was ondertekend door Pierre Muysken (48) , hoogleraar Taalwetenschap aan de Universiteit Leiden.

Jaffe Vink, tot voor kort chef van het beschouwelijke zaterdagkatern van Trouw, Letter & Geest, schreef in 2001, nog vóór 11 september dus, zijn wanhoop van zich af over de “multiculturele maatschappij” in een pamflet getiteld: “Brief aan mijn dochter”. Maar de ondertitel luidde: ”Een tocht door het pandemonium van seks en geweld.” Zijn voornaamste verontrusting gold de manier waarop de islam met seks en geweld omging en omgaat. Maar hij verpakte het keurig: ook de taxichauffeurs-oorlog in Amsterdam werd genoemd. Zo doen we dat in debatten: het mag nóóit alleen over de islam gaan.

Ergens in juni 2006 was er een PvdA:-avond over “vrouwenrechten”. Het bleek die avond dat de verpakking zelfs heel wat dikker was dan het object van eigenlijke verontrusting, de islam. Het bleek vooral te moeten gaan over ”het glazen plafond” en zo, kortom om de uitlopers van het Joke-Kool-Smit-debat, om relatief zeer onschuldige, “Hollandse” zaken.

Jaffe Vink:  “(…) we voeren een dialoog met de islam, we gaan met het geweer op de schouder de wereld in om vrede te stichten, maar keren teleurgesteld terug uit een Balkandorp dat niet veel groter is dan Broek in Waterland, en we nemen de tijd om die teleurstelling te verwerken, we hadden er niet op gerekend dat de strijd daar anders wordt gevoerd, niet een beetje anders, maar echt anders (…) Hard geweld, daar zijn we niet op bedacht, want we worden zo in beslag genomen door onze goede bedoelingen en onze humanitaire zoetsappigheid, we zijn zo vervuld van onze parmantige denkbeelden over tolerantie en vrijheid, dat we blind zijn voor de ongenadige verschillen tussen culturen.” ( “Brief aan mijn dochter”, 80, 81)

Öner Hamarcu de nieuwe voorzitter van Mili Görüs, vanuit Duitsland in Nederland geparachuteerd ter vervanging van de als te westfreunlich ervaren Karaçer, gaat in Amsterdam-West het bewind voeren over die nieuwe grote moskee met die enorme minaret, die onder de progressieve moslim Karaçer  tot een brandpunt van multiculturele beschaving zou worden. Er is pas nog gedoe geweest om dat Christelijke kruis van een (1) meter hoog, dat herinnerde aan het verzet in de buurt tegen het wegvoeren van de Joden. Weet u dat niet meer? De moslims hadden geklaagd dat zo’n christelijke symbool zo dicht in de buurt van die minaret storend was. Die nieuwe voorzitter van Mili Görüs, Öner Hamarcu dus, zegt (Volkskrant 17 mei 2006) in antwoord op de vraag of hij blij is dat Hirsi Ali vertrekt:

“Ik heb persoonlijk helemaal niets tegen haar, maar ik denk wel dat de rust in de islamitische gemeenschap zal terugkeren, misschien wel in heel Nederland.”

Zo is dat. Als die veroorzaker van problemen verdwenen is, hebben niet alleen de moslims geen problemen meer, maar de rest van Nederland ook niet. Zou het niet zelfs tot rust op het wereldtoneel leiden? Fukuyama’s einde van de geschiedenis, maar dan omdat een enkele vrouw haar mond houdt?

_________________________________

* Dit zinnetje slaat op het feit dat het de  bedoeling was dat het gelezen zou worden door de top van de PvdA.

** Voor wie de domme cookie-terreur van de Publieke Omroepen moet omzeilen is hier de hele link: http://www.uitzendinggemist.nl/afleveringen/1137078

Advertenties