Screenshot_2

(Door: Martien Pennings)

Onderstaand stuk is het twaalfde en laatste deel van een essay van ongeveer 90 pagina’s, getiteld “AAN DE OBSCURANTISTEN” dat ik nooit publiceerde. Hier deel 1 (zelfmatiging en zelfcensuur), hier deel 2 (islam), hier deel 3 (als een hoofddoek een Jodenster is, wat is dan een boerka?), hier deel 4 (Marokkanen), hier deel 5 (Economie) en hier deel 6 (Pim Fortuyn en Ayaan Hirsi Ali), hier deel 7 (Geert Mak), hier deel 8 (Abraham de Swaan), en hier deel 9 (Marcel ten Hooven), hier deel 10 (Joël Vos) en hier deel 11 (Wouter Bos, Maxime Verhagen, Jeroen Dijsselbloem, Markha Valente, James Kennedy, Joris Luyendijk, Bregtje van der Haak en anderen).

Het essay stamt uit mijn pre-internet-tijd, uit het jaar 2006 en ik geef het nu in 2013 alsnog prijs aan de digitale wereld.  Ik had vergeten het geheel te dateren en dat het in dat jaar geschreven was, leidde ik in eerste instantie af uit deze zin die erin voorkwam:

“Intussen is, acht jaar na 1998, het vooruitzicht van burgeroorlog-achtige ontwikkelingen in Nederland reëler geworden.”

En pas bij herlezing kwam de herinnering boven dat de tekst een rol had moeten spelen in de pogingen die ik van 2006 tot 2008 heb ondernomen om de PvdA-tanker héél langzaam van koers te laten veranderen. De bedoeling was ooit dat het door de PvdA-top zou worden gelezen. Op dat ogenblik had ik reden te veronderstellen dat zulks zou gaan lukken. Ik heb inmiddels alle illusie rond onze quasi-elite verloren, scheld ze de tyfus en hoop alleen nog op een Neurenberg 2.0 na de Grote Islamitische Oorlogen.

In een van de afleveringen van dit feuilleton rep ik op een gegeven moment van mijn “bewust provocerende stijl” vanwege de noodzaak de elite wakker te schudden. Ik wist, toen in 2006, natuurlijk zelf nog niet hoezeer ik verbaal zou radicaliseren en hoezeer de quasi-elite zou door denderen op de weg richting afgrond.

Ik zal die 90 relatief brave pagina’s alsnog op deze site publiceren en wel in twaalf afleveringen. Telkens met deze inleiding en onder de titel “AAN DE OBSCURANTISTEN” gevolgd door de subtitel van het betreffende onderdeel.

De illustraties met onderschriften zijn ná 2006 toegevoegd, zoals u begrijpt, net als sommige links.
__________________________________________________________

Decennia geleden las ik een boek uit 1959 over het literair expressionisme in het Duitsland van de Weimar-republiek. De schrijver is Walter Sokel en het boek heet The Writer in Extremis. De schrijver in zijn extreme uitingen dus. Het boek behandelt een hele serie auteurs uit die cruciale periode van de Duitse geschiedenis, een geschiedenis die tenslotte Hitler en de Tweede Wereldoorlog zou opleveren. Sokel laat zien hoe de psychologische problematiek, de geestelijke nood van de eenzame creatievelingen, tot uiting komt in hun teksten en hoe je die teksten achteraf, in het licht van wat volgde,  het Nazisme en de wereldoorlog dus, kunt duiden. Sokel citeert en analyseert wat het schrijvershart beroert.

Screenshot_3                                                    Walter Sokel

En dat is veel: verlangen naar de revolutie, teleurstelling als die revolutie zich in explosies van geweld in de straten van Berlijn begint te voltrekken, doodsverlangen, seksuele sublimatie, creatieve roes, vlucht in en uit de kunst,  vitalisme, grootheidswaan, nederigheidswaan, verlangen naar verbondenheid, haat, liefde, wijsheid, dwaasheid: het passeert allemaal en Sokel probeert kwaliteit, stijl en inhoud van deze schrijvers te koppelen aan de politieke keuzes die ze later maken.

De diepste wijsheid die al die drama’s van al die kunstenmakers voor Sokel tenslotte opleveren is: neem de zorg voor een kind op je, doe iets nuttigs en als je zo nodig kunst moet maken, maak dan iets wat gewone mensen troost, stichting, ontroering en vermaak biedt. Sokel noemt als groot voorbeeld voor die tijd de opera’s van Verdi.

Screenshot_4

Een mooi Duits woord vind ik “tief”. Zo meditatief. “Kultur” klinkt ook lekker, vooral als Thomas Mann het polemisch hanteert. En dan is er het woord “völkisch”. Als ik de kans krijg om bij het kopen van een Volkskrant te zeggen “mag ik een Völkische?” zal ik het niet laten. Het is een mooier woord dan “populistisch”, dat mij altijd aan poppenkast doet denken. Politiek dictee: “De Jan Klaassen-marionet sprak het domme volk naar de mond.” Maar wie tegenwoordig het domme volk is, daar bestaat verwarring over.

De leerrijkste inkadering van wat “völkisch” is, heb ik ooit gevonden bij Armin Mohler (1920-2003), een grondlegger van het diepte-onderzoek naar de oorsprongen van de Nazi-ideologie: Die Konservative Revolution in Deutschland 1918-1932. Aan de bibliografie van dit proefschrift bleef Mohler in later jaren werken en het groeide uit tot het meest waardevolle deel ervan. De bibliografie registreert pamfletten en boeken van allerlei leipenisten die schreven vanuit hun verschillende gektes, maar die tenslotte alles bij elkaar het Nazisme opleverden. Het zijn antisemieten, reïncarnatiegelovigen, Astarte-vereerders, Freikörperkulturisten, homo-religieuzen, Germanistische Ariërs, Römisches-Reich Deutscher-Nation-ritselaars, terug-naar-de-natuur-flippo’s en natuurlijk Völkische.

De gedachte achter Mohler’s boek was om “wat wij van de aard van de mensen weten” (Thomas Mann) niet te verstikken onder de paardendeken van het anti-denken van een soort dat we tegenwoordig “politiek correct” zouden noemen, maar de confrontatie aan te gaan met de hersen-modder die tenslotte Auschwitz had geproduceerd.

Screenshot_5

Weimar, Nazisme en de psyche van de schrijver: dat leidt automatisch naar de Betrachtungen eines Unpolitischen van Thomas Mann. Zou verplichte lectuur moeten worden bij de studie “politicologie”. Maar dan moet het eerst wel vertaald worden, want wie leest er in Nederland nog Duits op dat niveau? De vertaling van de citaten die nog zullen volgen is dus van mij. Deze “Beschouwingen van een a-politiek man” vormen een polemiek, door Thomas geschreven tijdens de Eerste Wereldoorlog en in naam gericht tegen zijn broeder Heinrich Mann. Maar het is in feite een gevecht van Thomas Mann met zichzelf, met zijn alter ego, met zijn eigen donkere kanten, en hij werkt zich toe naar het inzicht, dat zijn eigen verdediging van de degelijke Duitse Kultur tegen de decadente Franse Zivilisation uiteindelijk een verdediging van de seksuele sublimatie is.

Screenshot_6Wat ik nu ga opschrijven kan op de geestelijk volwassen lezer overkomen als het opentrappen van wijd openstaande deuren. Maar geestelijk volwassenen, heb ik in de loop der jaren gemerkt, bestaan er weinig. En ze zijn afwezig onder onze linkse quasi-elite, de “68-ers” en hun kloons, de linkse Gutmenschen, onze Biedermänner en Biederfrauen, de zelfmanifestantjes die vooral erg gelukkig zijn in hun eigen hoofd en van daaruit een onbekommerde redelijkheid projecteren in een cultuur, de islam, die daar niks mee heeft.

Tsja, de grote Thomas Mann. Hij spreekt het niet expliciet uit, maar de Betrachtungen weerspiegelen de angst van de eenzame kunstenaar om de hand aan zichzelf te slaan. Masturberen, bedoel ik, maar die andere associatie, zelfmoord,  ligt er ook.

Ik zou, trouwens en tussen haakjes, wel eens een onderzoek willen zien naar de relatie tussen pornografie, masturbatie-problematiek en islamitische zelfmoord-commando’s. Het verband tussen Westerse porno en de ontwikkeling van de paradijsvoorstellingen in de moslimcultuur, met name bij de moderne jonge moslims, kan dan meteen meegenomen worden. Het antisemitisme hebben ze, zeggen de politiek-correcten, tenslotte ook vanuit West-Europa pas goed geleerd. De terroristen van nine-eleven schijnen op hun hotelkamer de avond voor de aanslag porno te hebben gekeken.

Ik zag ergens begin 2006 op de tv een Amerikaanse opleider van Iraakse leger-rekruten die een Iraakse knaap bestraft door naast hem zittend in pornoboekjes te gaan zitten kijken. Hij dringt de plaatjes aan die jongen op. Die blijft zo strak voor zich uit kijken alsof de duivel zelf naast hem zit. Dat beeld zou je in gedachten moeten houden bij het lezen van het onderstaande.

Screenshot_7Thomas Mann, begin veertig, kosmopolitisch schrijver die niettemin dol is op speciaal de Duitse Kultur, ontdekt vlak na 1900 hoe belangrijk seksualiteit is. Neen, beter: hij begint te durven dat belang, aanvankelijk impliciet, te benoemen. Raar eigenlijk, want elke puber weet natuurlijk welke een kracht de seksualiteit vertegenwoordigt. 

De ruzie tussen Thomas Mann en Heinrich Mann was ontstaan omdat Thomas ter viering, jawel, van het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog een romantisch verhaal had geschreven over Frederik de Grote als oorlogsvorst. Thomas verklaart de volgehouden oorlogszucht van ”de grote Koning”, die hij een “vrouwenhater” noemt, uit diens seksuele onthouding. Sprekend bijvoorbeeld over de seksuele moraal welke Frederik de Grote aan zijn officieren oplegde, schrijft Thomas Mann:

“De heren, zei hij, moesten hun geluk in de sabel vinden en niet in de — .  In de sabel dus. In het jaar 1778 was van de vier-en-zeventig officieren van een dragonderregiment er niet eentje getrouwd.”

Alleen degene die deze doodgewone essentie begrijpt van het Frederik-opstel, kan de rest van de Betrachtungen begrijpen. In de navolgende passage van de Betrachtungen spreekt Thomas Mann, nog geen vijf-en-veertig, over zichzelf als jongeling

“Al vroeg had de verering voor Schopenhauers gelijkstellling van moed en geduld, had de liefde voor het ‘en toch’ of ( . . .) voor het ethos van het ‘volhouden’ mij gevoerd voor het standbeeld van die angstwekkende en populaire koning, wiens daden en lijden ( . . .).  Ik was geestdriftig ( . . .) geënthousiasmeerd van geschiedenis, van psychologisch herkennen — en van oneindige sympathie.”

Kort na het uitbreken van de, voor althans de thuisblijvers, dan nog “fröhliche Krieg” roept Mann:

“Wat de dichters enthousiasmeerde, was de oorlog op zich, als kwelling, als zedelijke nood.”

Hij noemt de oorlog een “bevrijding” en “zedelijke reiniging”.

Niet alleen de literatuur, de kunst in zijn algemeenheid is een vorm van oorlog:

“Men heeft de kunst geëerd  door haar verwant te verklaren aan de religie en de geslachtsliefde. Men mag haar nog een andere elementaire en fundamentele macht van het leven terzijde stellen ( . . .), ik bedoel de oorlog.”

Mocht het progressieve en humane paradijs van broeder Heinrich, geënt op de decadente Franse Zivilisation, ooit nog aanbreken, dan zal met verstoring rekening gehouden moeten worden door één helse factor, te weten . . . . . de kunst! . . . . :

“De kunst zal nog leven en een element van onzekerheid vormen, de mogelijkheid, denkbaarheid van een terugval bewaren. Zij zal spreken van hartstocht en onverstand, hartstocht en onverstand uitbeelden, cultiveren en bejubelen. Oergedachten, oerdriften in ere houden, levend houden of met grote kracht weer tot leven wekken, de gedachte en de drift van de oorlog bijvoorbeeld.”

Vooral muziek, en met name die van Wagner, is voor Thomas Mann in heftige ontroeringen gesublimeerde seksualiteit. Op later leeftijd zou Mann de “verstrikking in de muziek” zelfs aanwijzen als de gevaarlijkste vorm van het demonische en doodsverbondene in de “Duitse geest”. Met Wagner deelt hij de opvatting dat “nood het hoogste scheppende pathos” is. Thomas Mann had ook grote bewondering voor het vermogen tot sublimatie bij Nietzsche, die hij “de fanatiekste asceet van de wereldgeschiedenis” noemt. En van een aldus gedefinieerde Nietzsche ziet Mann dat diens verhouding tot Wagner, ondanks alle kritiek die Nietzsche later had op Wagner,  “heftigste liefde” was gebleven, ja, een liefde “tot in de paralyse”.

Enfin, hoe duidelijk wil je het hebben? Wagners muziek werd voor hem, Thomas Mann “MOREEL (…) tot niets ontziende overgave aan het schadelijke en verterende”. (De hoofdletters zijn van Mann zelf.)

Men moet, zo meent hij, Wagners muziek doorleefd hebben om iets te kunnen begrijpen van de “kwellende problematiek van het Duitse wezen”. Je vraagt je af wat  het Duitse wezen toch zo zou kunnen hinderen? Een steentje in de schoen misschien?

Hij heeft met Wagner gemeen, zegt Mann, het “zinnelijke-bovenzinnelijke liefdes-verlangen” benevens een ascetische zondigheid in wereldse zin”. Hij geeft toe dat Wagners muziek voor hem tot “bron van patriottische gevoelens” werd in de periode vlak voor de Eerste Wereldoorlog.

Lees hoe Mann zichzelf beschrijft in de derde persoon, terugblikkend naar het jaar 1894. Hij staat als jonge man, negentien of twintig jaar oud, in Italië tussen het volk en woont een openluchtconcert bij. Ook Wagners muziek wordt vertolkt. Hij stond daar

”( . . .) ingesloten in het banaal-genietende gewemel van de internationale élégance ( . . .) onder een dikblauwe hemel, die hem onophoudelijk op zijn zenuwen werkte, onder palmen die hij verachtte, en ontving, slap in zijn knieën van geestdrift, de romantische boodschap van de Lohengrin-ouverture.”

Een deel van het internationale publiek gaf luidkeels en door de muziek heen blijk van afkeer, terwijl een ander deel bijval betuigt:

“Maar nooit zal ik vergeten, hoe onder Evvivas en Abassos het Nothung-motiv ten tweede male opklonk (…) en hoe op zijn hoogtepunt (…) een triomfgehuil losbrak en de geschokte oppositie onweerstaanbaar tot een verward zwijgen bracht. (…) Hij schreeuwde niet mee omdat zijn keel dichtgesnoerd zat. (…) zijn opgeheven gezicht glimlachte door zijn bleekheid heen, en zijn hart klopte in onstuimige trots, in ziekelijk jeugdige ontroering … In trots waarop? In liefde tot wat?”

En expliciet legt hij vervolgens de relatie tussen zijn emoties van 1894 en die van 1914:

“Wel mogelijk dat hij (…) twintig jaar later, in Augustus 1914, dacht aan de nerveuze tranen die eens, bij de overwinning van het Nothung-motiv, langzaam zijn ogen vullend, hem over het koude gezicht waren gelopen ( . . .).”

Seks en geweld. Seks en oorlog. Seks en pornografie. Seks en zelfmoord-commando’s. Seks, drugs, pornografie en rock ‘n roll. Kinderlijke combinaties allemaal. Zó voor de hand liggend. Flauw hoor. Hier, nog een paar, ook zo simpel: seks en demografie. Seks en expansieve oorlogszucht. Seks en slavernij. Seks en racisme jegens vouwen. Seks en islam. Maar onze linkse quasi-elite, die toch inmiddels door alle seksuele revoluties schijnt te zijn heengegaan, heeft geen idee. Misschien zijn onze linkse vrienden veel klaarkomen plus het weigeren harde realiteiten onder ogen te zien, teveel als een Mensenrecht gaan beschouwen.

Als bij Thomas Mann, nog tijdens de Weimarrepubliek, de ogen zijn opengegaan voor het karakter van zijn eigen ziekelijke, doodsverbonden Schwärmerei, zegt hij:

“Het wil mij toeschijnen dat alle intellectuelen die in de laatste jaren slachtoffer zijn geworden van de modeziekte van de vergoding van het irrationele, een medeschuld dragen aan de triomf van de geestloosheid in de politieke massabewegingen, want zij hebben ertoe bijgedragen, het de leiders van deze beweging te vergemakkelijken een openlijk beroep te doen op irrationele motieven.”

In 2006 moet ik bij deze passage natuurlijk vooral denken aan de vergoelijking door Westers quasi-links van de reëel bestaande islam, waarin precies dit irrationalisme tegenwoordig zo’n beetje zijn thuisbasis heeft gevonden. Maar we hebben het nu even over Thomas Mann en zijn groeiende zelfinzicht, dat hij verkregen had omdat hij zelf zijn aandeel erin had gehad. Alvorens Thomas erachter kwam wat voor on-romantische slachtpartij WO I bleek te zijn, had hij in het kader van wat hij toen nog zag als Duitse waarden en normen het volgende geschreven:

“Kultur is geslotenheid, stijl, vorm, houding smaak; is een bepaalde organisatie van de wereld, al is het allemaal nog zo avontuurlijk, koddig, wild, bloedig en verschrikkelijk, Kultur kan orakels, magie, pederastie  ( . . .) mensenoffers, orgiastische cultusvormen, inquisitie, autodafé’s, vitusdans, heksenprocessen, bloei van de gifmoord en de meest bonte gruwelen omvatten.”

Maar in de jaren vlak voor de opkomst van Hitler, kwam hij zijn eigen ideeën in nauwelijks “gevulgariseerde” vorm tegen in “völkische” propaganda voor een bewust irrationalisme in de praktijk. In zijn opstel met de titel “De wedergeboorte van het fatsoen” citeert Mann zo’n voorvechter van dit irrationalisme-van-de-daad, een zekere Ibel:

“Keren wij terug naar de duisternis van vroeger, naar het patriarchale knechtsleven, naar de folter, naar de Joden- en heksenverbranding, want Verlichting, mensenrechten, humaniteit en vooruitgang waren niets als verkrampte mildheid en rationalistische zonde tegen de natuurlijke wetten van het leven.”

Voor Thomas Mann waren dit soort stemmen de reden waarom hij zich achter de Republiek van Weimar stelde en die Republiek ging verdedigen tegen het in de jaren 1930 steeds sterker wordende Duitse irrationalisme dat hij, nogmaals,  zo goed herkende omdat hij er in zichzelf naar gegraven had : “Ich habe das Kommende früh gespürt. . .”

Screenshot_8               Thomas Mann (links) en Heinrich Mann: ouder geworden en verzoend

Bovenstaande uiteenzetting over “politicologie” voor geestelijk volwassenen leidt mij onweerstaanbaar naar de door mij al eerder beschreven hoogleraar James Kennedy, die op mijn beeldbuis verschijnt, in zijn protestants-christelijke pakje door de grote stad wandelt en onder het opzetten van zijn braafste gezicht een muurschildering van een dame met een paar blote borsten kapittelt. We moesten de boerka maar eens gaan tolereren, zegt Kennedy, en de PvdA, inclusief Wouter Bos, zegt het hem na. We zijn hier niet alleen ver verwijderd van Athene, maar ook van Rome en naderen het moderne Teheran waar de waanzin die mensen aankleeft bedwongen moet worden door vrouwen te behandelen als tegen stof af te dekken meubelstukken. Hoe goed dat bedwingen van die waanzin lukt, lezen we overigens dagelijks in de krant. De gektes, wreedheden en paranoia’s die Thomas Mann en zijn vulgarisator opnoemen, bloeien allemaal in allerlei vormen welig in de islamitische wereld. Met de aanvaarding van de boerka in het straatbeeld geven hypocriete christenen blijk van hun levensangst, misschien ook van een stiekem, morbide verlangen naar het gruwelijke en van hun voorkeur voor de dood boven het leven.

Een keer met de buurvrouw vreemd gaan. Dat is er in de islamiserende  omgeving voor de gewone burger steeds minder bij. Is dat erg? Ja, dat is erg: een enigszins vrije seksuele moraal is een uitlaatklep die veel ruzie kan veroorzaken en veel oorlog voorkomen. Als zo’n ruzie tenminste niet op zijn moslims, via ”eerwraak” opgelost wordt. Wel eens opgelet waar het in soaps over gaat? De Engelse schrijver die op de opmerking dat zijn boeken uitsluitend over relaties gaan, geeft als antwoord: “What else is there”? Wel eens opgemerkt wat mannen doen zo gauw ze machtig zijn, of  ze nou Kennedy, Simenon, Mao, Soekarno, Mitterand, Idi Amin, of Luther King heten? Net als aan sublimatie, zit er aan vrije seksuele moraal een grens, dat hebben de uitwassen van de “revolutie van de jaren zestig” ons wel geleerd. Maar het andere, fascistische uiterste, zijn de boerka en de nikaab. Daar komt oorlog van.

“Je zou bijna moslim worden” schreef Geert Mak na de aanblik van een commerciële kerstboom op de Dam die hem niet beviel. Er blijken steeds meer Nederlanders te zijn, die het metterdaad doen. Wat? Moslim worden. En het zijn vooral vrouwen. De Volkskrant (17-09-05) had een interview met een aantal van hen. Bij lezing kwam mij Erich Fromm en zijn “Angst voor de vrijheid” in gedachten. In Fromms analyse van de psychologische oergrond van het succes van Hitler kwam hij uit bij de stelling: de bange kleine mens in de grote wereld klampt zich vast aan groep en ideologie. Een van de dames (op de Volkskrant-foto alle  in zware hoofddoeken dan wel zwarte nikaab):

“Ik ben uiteindelijk teruggekeerd naar de islam. Die geeft zoveel duidelijkheid. Op elke vraag is er een helder antwoord.”

De term ”overgave aan Allah” valt een aantal keren. De geïnterviewde mannen roemen “de onderlinge saamhorigheid, de broederschap”. De vrouwen zijn vooral blij met de duidelijke rolverdeling van man en vrouw in de islam en vooral met het ”natuurlijke” van de eigen vrouwenrol: huis en kinderen. “In de islam is veel meer respect voor het opvoeden van kinderen.”  Het geloof in het paradijselijke hiernamaals is groot en hoe prominent je plek daar in zal zijn hangt af van de mate waarin je een goede moslima bent op aarde. Hoe stricter je volgens het geloof leeft, hoe meer “punten” je verdient voor het paradijs. Ze vertonen allemaal een toenemende afkeer van de Nederlandse samenleving.

“Gruwen van je land” staat er boven het artikel.

Een van de Nederlandse bekeerlingen leeft in lichte verwarring over een passage in een boekje uitgegeven door de inmiddels welbekende Tawheed-moskee in Amsterdam, ook te koop in de As Soennah te Breda:

“Daarin staat dat moslims geen genegenheid mogen koesteren voor christenen, Joden en andersdenkenden.”

Het huwelijk van de profeet met een negenjarig en de leeftijd waarop in de meeste moslim-landen kleine meisjes gebruiksklaar zijn voor de volwassen moslimman komt hier niet aan de orde. Een van de dames stelt Nederland als het bij uitstek decadente land aan de kaak en ze wil naar een moslimland verhuizen ter bescherming van haar kinderen.

“Met 9 jaar is verkering al heel gewoon [in Nederland, bedoelt mevrouw]. Hennie Huisman vraagt op tv een prulletje van 6 of zij al verkering heeft.”

Natuurlijk bedoelde Huisman inderdaad te vragen of de zesjarige al genaaid was door een volwassen kerel. Dat doen ze in de islam beter: als meisjes daar op die leeftijd uitgehuwelijkt worden, dan luidt het advies: tot een jaar of negen alleen tussen de beentjes droogneuken, en daarna pas vaginaal gaan penetreren.

Als de islam er in slaagt nog meer dan nu te worden tot “een voertuig van maatschappelijk protest” – een term van Karin van Nieuwkerk, Radboud-universiteit, die onderzoek heeft gedaan naar de “nieuwe moslima’s” – kunnen we nog veel meer van deze dieptewaanzin beleven. Geert Mak zal blij zijn. Geen commerciële kerstbomen meer. Maar ook geen gewone.

Screenshot_9

Wat types als James Kennedy en Jeroen Dijsselbloem willen, is ruim baan geven aan deze ”angst voor de vrijheid”. En als we niet heel goed oppassen krijgt Ayaan gelijk en worden we op een dag wakker in een islamitische theokratie. Wat zei Gerrit Kromrij reeds jaren geleden ook alweer? “Op een morgen worden we wakker en dan heten we allemaal Ali.”

Dezer dagen lees ik veel over een nieuw boek van Madeleine Albright, “De macht en de almacht: over Amerika, God en de toestand in de wereld”. Wat ik eruit oppik is dat ze vooral zegt dat we wat milder tegenover de islam moeten gaan staan, want dat anders  . . . . Dat is dus, opnieuw, toegeven aan precies die dreiging die uit die wereld altijd naar het Westen toekomt, vanuit de dictaturen en vanuit radicale immigranten alhier.

In Vrij Nederland (31-05-06) spreekt Václav Havel over de nieuwe vormen van terreur op Cuba:

“De mensheid zal net zolang de prijs voor het communisme blijven betalen tot we er met alle politieke verantwoordelijkheid en beslistheid tegen in opstand leren komen.”

Idem dito, zou ik zeggen voor het islamo-fascisme, dat grotendeels samenvalt met de reëel bestaande islam. Nee, Albright is bij nader inzien niet erg bright. Als je zo hoog in de diplomatie hebt gezeten en je hebt het ware karakter van de islam niet ontdekt, ben je gewoon erg dom.

Screenshot_10Ephimenco (Trouw 03-06-06) heeft een ideetje voor de PvdA, namelijk een partij te worden “die het verkwanselen van de vitale fundamenten en beginselen tot staan zal brengen”.

Hoe kom je erop! Ophouden met het weggooien van de essenties van je cultuur. Het moet niet gekker worden. Dat daar bij de PvdA niemand eerder aan gedacht heeft.  Maar serieus: de partij heeft er de strategische positie voor om juist de allochtonen en afstammelingen van allochtonen daarin mee te trekken. Maar voorlopig ziet het ernaar uit dat Ephimenco gelijk heeft en dat het nodig zal zijn een echte linkse partij op te richten buiten wat er nu aan quasi-links is: SP, Groen Links en PvdA.

Ephimenco:

“Wanneer wordt links wakker? Wanneer gaan democraten in hart en nieren eindelijk weglopen bij al die gemuteerde clubjes ( . . .).”

Ja, dat zou wel wat wezen, als er binnen de PvdA een paar leiders geestelijk volwassen zouden worden en er echte discussie zou ontstaan. Dat zou het begin van verandering kunnen zijn. Maar de vraag is of de quasi-linkse bangerdjes in de politieke slangenkuiltjes zelfs maar de moed opbrengen voor een echt gesprek, laat staan de moed voor verandering.

De menselijk hersens begrijpen zichzelf misschien niet zo goed, maar de mijne hebben ooit besloten dat ik wil leven en overleven en dat het daartoe handig is iets van de wereld om mij heen te snappen. Mijn overlevingsstrategie is altijd geweest: ten eerste goed opletten op weg naar school en kantoor en ook in café’s, huizen, zwembaden, pretparken, bioscopen, wachtkamers van ziekenhuizen, vliegtuigen en, enfin, overal eigenlijk; ten tweede de kranten goed lezen en ook boeken, vooral boeken over de geschiedenis van de mensen.  Daar word je lang niet zo gelukkig van als een koe in de wei of als een lid van de quasi-linkse kerk, dus de vraag is of ik eigenlijk niet ook zo zou moeten worden als die blonde Nederlandse dame die ik in juli 2006 in een tv-reportage zag. Ze had gekozen voor een huwelijk met een Arabier en was vlak voor de dagen dat Israël begon aan de aanval op Hezbollah naar Libanon getrokken met haar man. Ze leek mij de vleesgeworden multiculturaliteit, maar  haar naïeve optimisme, dat ze inderdaad ook wat kleine-meisjesachtig uitdroeg, had nu een knauw gekregen. Ze klonk klaaglijk, gekwetst in haar mooiste gevoelens, toen ze over Libanon zei:

“Zo’n land waar de mensen het léúk vinden als er andere mensen komen wonen.”

Ja, Arafat en zijn Pal-maffiosi  zijn er begin jaren 1970 komen “wonen” en toen was het gedaan met Beiroet als Parijs van het Midden-Oosten. Maar hoe dom moet je zijn om over Libanon anno 2006 dát te zeggen?

In mij persoonlijk is iets aan het groeien dat tegelijk berusting is en de aanvaarding dat een burgeroorlog tenslotte onvermijdelijk en ook een bevrijding zou kunnen zijn. Mijn geest wordt moe van het voortdurende verzet plegen tegen obscurantisten bij wie de islamofilie, de Israëlhaat en de afkeer van de vrijheid een soort drammende tweede natuur is geworden. Het is alsof die zeurende, onderhuidse rancune tegen de eigen cultuur net zo natuurlijk voor ze is als ademen. Ik word door dit al decennia durende aanstootgevende gezwets van een flink stuk levensvreugde beroofd. Wat zich in alle media presenteert als mijn cultuur is mij vijandig geworden. Het is alsof er iets voortdurend knaagt, dat niet zal ophouden en mij tenslotte de keus zal laten tussen mij van pure vermoeidheid overgeven dan wel – letterlijk! – de wapens opnemen.

Maar daar is dan mijn tienjarige nichtje, wier diepste wens is “dat ik maar nooit een oorlog zal hoeven meemaken”. De enige weg is daarom voorlopig de politiek en de poging de onverantwoordelijke obscurantisten weg te krijgen. Als dat niet lukt komt er een islamitische overheersing, dan wel een Europese burgeroorlog en misschien beide.
_____________________________________________
Link naar dit stuk bij E. J. Bron

Advertenties