Ga vooral bovenstaand filmpje zien en hoor wat deze bontkraagjes zeggen. Dit zijn moordenaars zo gauw ze de kans krijgen. Die hebben de islam niet eens expliciet nodig, want die hebben ze in hun bloed. Vandaag, op de dag van de kroningsplechtigheid en de abdicatie van Beatrix, roepen we het Haar nog even achterna: “Dank u wel Majesteit!”

(Door: Martien Pennings)

__________________________________________________________

Onderstaand stuk is het vierde deel – (hier het derde deel) – van een essay van ongeveer 90 pagina’s, getiteld “AAN DE OBSCURANTISTEN” dat ik nooit publiceerde. Het opstel stamt uit mijn pre-internet-tijd, uit het jaar 2006 en ik geef het nu in 2013 alsnog prijs aan de digitale wereld.  Ik had vergeten het te dateren en dat het in dat jaar geschreven was, moest ik afleiden uit deze zin die erin voorkwam:

“Intussen is, acht jaar na 1998, het vooruitzicht van burgeroorlog-achtige ontwikkelingen in Nederland reëler geworden.”

En pas bij herlezing komt de herinnering boven dat de tekst een rol had moeten spelen in de pogingen die ik van 2006 tot 2008 heb ondernomen om de PvdA-tanker héél langzaam van koers te laten veranderen. De bedoeling was ooit dat het door de PvdA-top zou worden gelezen. Op dat ogenblik had ik reden te veronderstellen dat zulks zou gaan lukken. Ik heb inmiddels alle illusie rond onze quasi-elite verloren, scheld ze de tyfus en hoop alleen nog op een Neurenberg 2.0 na de Grote Islamitische Oorlogen.

In een van de afleveringen van dit feuilleton rep ik op een gegeven moment van mijn “bewust provocerende stijl” vanwege de noodzaak de elite wakker te schudden. Ik wist, toen in 2006, natuurlijk zelf nog niet hoezeer ik verbaal zou radicaliseren en hoezeer de quasi-elite zou doordenderen op de weg richting afgrond.

Ik zal die 90 relatief brave pagina’s alsnog op deze site publiceren en wel in acht afleveringen. Telkens met deze inleiding en onder de titel “AAN DE OBSCURANTISTEN” gevolgd door de subtitel van het betreffende onderdeel.
_________________________________________________________

Screenshot_55

Deze moet je bekijken vanaf 2:26. Een kankermongool met een half openstaande reet, die daarom waarschijnlijk democraat is en vast geen sharia. De haat spat eraf. Als deze heren de kans krijgen, verkrachten ze deze dame zonder pardon. Of ze haar vervolgens vermoorden of als slavin wegvoeren, hangt af van de omstandigheden.

________________________________________________________________

Een lange, cruciale passage uit “Brief aan mijn dochter” van Jaffe Vink gaat over Marokkanen in Nederland. Ik citeer:

“In zijn proefschrift Ieder voor zich schetst de antropoloog Frank van Gemert langs wrange lijnen het verband tussen criminaliteit en cultuur. Verreweg de meeste Marokkanen in Nederland zijn afkomstig uit het gebied aan de noordzijde van het Rifgebergte (…). Van Gemert karakteriseert de cultuur van de Berbers uit de Rif als een wantrouwige en gewelddadige cultuur. De Rif was een onvruchtbaar en arm gebied. De eer van de man speelde een overheersende rol, wraak was wijd verbreid, de bloedvetes werden met wapens uitgevochten en kostten velen het leven. Er was geen centraal gezag; de moorden werden met een boete afgedaan. Dorpen bestonden er nauwelijks, er waren geen gemeenschappen, de huizen hadden hoge muren met geschutskoepels, niet om een verre vijand op afstand te houden, maar om de naasten te bestoken. Het was een cultuur met een diepgeworteld wantrouwen, een grote onderlinge verdeeldheid en veel geweld.

Volgens Van Gemert bestaan er heldere gelijkenissen tussen het gedrag van de Berbers in de Rif, het gedrag van de eerste generatie gastarbeiders en het gedrag van hun zonen. ‘In de competetieve Marokkaanse gemeenschap duiken jaloezie, dreigend gezichtsverlies en wantrouwen steeds op. In de Rif, maar ook in Rotterdam Zuid, kunnen gemakkelijk ontvlambare situaties ontstaan.’ De aard en de omvang van de criminaliteit van de zonen in Nederland kan slechts begrepen worden vanuit deze Riffijnse cultuur.

Het belang van deze conclusie kan niet onderschat worden. Zij wijst namelijk op de traagheid en hardnekkigheid van de kern van een cultuur. Dat is een opmerkelijke visie omdat ze haaks staat op de heersende dynamische opvatting die ervan uitgaat dat culturen onderhevig zijn aan voortdurende verandering. En deze visie is ook opmerkelijk omdat Van Gemert zich niet laat opjutten door het alomtegenwoordige idee dat culturen zich heterogeen en pluriform ontwikkelen zodat er tenslotte niets eenduidigs meer gezegd kan worden. (…)

[Dat] is heel wat anders dan het gezwatel over het behoud van de eigen cultuur – dat gezwatel is even kolderiek als een pleidooi voor het behoud van de cultuur van de Groningse turfstekers. (…) Het biedt evenmin soelaas de Rif in verband te brengen met de glorie van de Arabische cultuur en te betogen dat Averroës een belangrijk filosoof is geweest, want dat is hetzelfde als de verdediging van de veenkolonieën met een beroep op Erasmus. Nee, de Riffijnse cultuur van wantrouwen en geweld fleurt  het straatleven hier niet op.

Een walm van naastenliefde en solidariteit heeft decennialang over ons land gelegen en heeft ons het zicht op de realiteit ontnomen. En zie, daar komen de christenen weer aan met hun soeppannetjes en daar komen de socialistische theemutsen weer aan met hun multiculturele rimram.”

Tot zover Jaffe Vink  naar aanleiding van Van Gemert.

Als het over – (Een gedeelte van! Er zijn ook goeie!) – onze Rif-Marokkanen gaat, dan is er, ben ik bang, slechts een enkele remedie voor de naïviteit: een paar jaar ervaring opdoen hetzij als agent in bepaalde wijken van grote steden, of als treinconducteur op bepaalde lijnen, als taxichauffeur, slotenmaker, ambulance-medewerker, receptioniste, onderwijzer(-es) in bepaalde wijken van de grote stad. Je hoeft maar een keer een paar agressieve Marokkanen van dat slag voor je neus gehad te hebben om te weten wat ik bedoel.  Het is alweer bijna 13 volle jaren geleden dat ik schreef ( Letter & Geest, 04-09-1993):

“Stephan Sanders, de homofiele huisneger van de Volkskrant, werd vorig jaar, wellicht vanwege zijn geaardheid, in elkaar geslagen door Marokkanen. Je zag hem nog lang daarna in een aantal van zijn columns worstelen met zijn progressieve identiteit. Hij was zijn linkse onschuld kwijt geraakt, zei hij.”

Youssef Azghari kwam op zesjarige leeftijd vanuit Marokko naar Nederland. Hij is Trouw-columnist en in zijn column van 3 januari 2006 wenste hij de Nederlanders voor het nieuwe jaar behoud van weldadige naïviteit:

“Het meest bijzondere wat mij als kind hier opviel was het vertrouwen dat veel Nederlanders in de ander stelden. Als overlevingstactiek leerde ik al vroeg om buiten mijn familie niemand te vertrouwen. De gewoonte om de vreemdeling te wantrouwen leerde ik hier af.”

En ik heb die gewoonte inmiddels aangeleerd.

Er is over Rif-Marokkanen inmiddels, zou je zeggen, genoeg geschreven in Nederland om de ogen van ook de meest fervente obscurantist, vertoevende in de meest verwende wijken en de hoogstopgeleide werkomgevingen ervan te overtuigen dat er een probleem is. Maar wie op zondag 28 mei 2006 naar Buitenhof keek, kon zien dat er een groep quasi-intellectuelen blijft die hardnekkig hun roze bril verdedigen en daarbij de haat niet schuwen tegen degenen die de problemen benoemen. Daar zat Kristien Hemmerechts tegenover Marion van San, criminologe en schrijfster van, bijvoorbeeld, “Stelen & Steken. Delinquent gedrag van Curacaose jongens in Nederland”. Marion van San staat in mijn herinnering gegrift als de jonge vrouw die in 2001 op de Belgische televisie als raciste te kijk werd gezet omdat ze een met cijfers onderbouwde studie had gepubliceerd over de buitenproportionele criminaliteit (omvang plus ernst) van Marokkanen in België. In Buitenhof herinnerde ze eraan dat indertijd haar studies werden ontkend, genegeerd en in een la verdwenen. Ze poneerde herhaaldelijk dat er in België nooit een “zakelijke discussie” mogelijk was geweest over dit onderwerp en dat zulks mede tot de bloei van het Vlaams Blok had geleid.

Voor het niveau van denken en argumenteren dat de “anti-racisten” meestal hanteren was Hemmerechts in deze discussie illustratief:

“Als je ziet dat Poolse vrouwen in België meestal in de huishoudelijke schoonmaak terecht komen, dan ga je toch niet zeggen dat die vrouwen een voorkeur hebben voor schoonmaken en dat in verband brengen met hun etniciteit of geloof.”

Dat  zei Hemmerechts. Van San was te verbouwereerd om erop te wijzen dat schoonmaken iets anders is dan misdaden plegen en dat de Polen, met een vergelijkbare sociaal-economische achterstand, relatief veel minder met de politie in aanraking komen. Op een gegeven moment voelde Van San zich genoodzaakt de discusieleider ( Peter van Ingen) toe te voegen:

“Maar zie nou toch eens hoe zij mij aankijkt!” De haat spatte er bij Hemmerechts inderdaad vanaf. Of was het intense woede om illusies die haar afgenomen dreigden te worden? Om de mogelijkheid dat ze haar jaren gekoesterde denkbeelden moest bijstellen?  De quasi-intellectuele kleinburger laat zich niet ongestraft zijn gemoedsrust afnemen. Het werd er niet beter op toen Van San had opgemerkt dat ze toevallig (of niet toevallig?) wist dat Hemmerechts in een “rijke buurt” van Brussel woonde. Hemmerechts voelde zich te pakken genomen, protesteerde, maar het was uitermate relevant.

Ook Nederland, door Van San genoemd als voorbeeld van een land dat relatief open omging met de feiten rond immigratie, bleek onder de pet niet helemaal vrij van sub-rosa-activiteiten. In een noot van zijn boekje (noot 5, pagina 95) meldt Jaffe Vink:

“In december 2000 blokkeert het ministerie van Binnenlandse Zaken publicatie van het rapport, omdat het politiek gevoelig is en stigmatiserend zou zijn. Uit het rapport – waarvan Trouw een exemplaar heeft – blijkt een relatief hoge criminaliteit onder asielzoekers. Mensen uit asielzoekersregio’s in Afrika, het voormalig Joegoslavië en het Midden-Oosten zijn sterk oververtegenwoordigd.”

Voor de goede orde, nogmaals en ten overvloede wellicht: ik haat het beleid van minister Rita Verdonk. Ik vind het grof en onmenselijk. Ik heb indertijd de plannen van Fortuyn gesteund voor een eenmalig pardon, mits vervolgens het beleid zou worden: opvang in de regio.

Ik woon nu dertig jaar in Amsterdam, in wijken waar de problemen met vooral Marokkanen zich geconcentreerd voor­doen. En als er iets is, waarover nagenoeg elke autochtoon die ik spreek het eens is, dan is het wel dat de agressie van vele jonge Marokkanen een dimensie heeft die angstaanjagender is dan wat wij hier in onze autochtone cultuur gewend zijn. En dan heb ik het niet alleen over de taxi-cha­uf­feur en de marktkoopman, maar ook over de vrouw van midden vijftig die altijd Groen-Links heeft gestemd. In veel van deze knapen ontbreekt elke vorm van fatsoen, hun naakte brutaliteit is gespeend van elke beschavingsfloers. Als ik mijn eigen intuïtie mag volgen, en dat doe ik, want ik wil overleven, dan schat ik vele van deze knapen in als structurele moordenaars. Daarmee bedoel ik dat ze niet, zoals alle mensen, onder bepaalde omstandigheden in staat zijn tot moord, maar dat ze dat ze er altijd wel zin in hebben en er ook op elk gewenst moment toe in staat zijn. Deze groep Marokkanen wordt volgens mij alleen tegengehouden door angst voor de gevangenis, niet door een geweten.

Ex politie-commissaries Joop van Riessen* zei ooit: “Als je kijkt naar de oorlog in voormalig Joegoslavië, dan zou je bijna zeggen: het geweld zit in hun genen. Het gemak waarmee jij je pen vasthoudt, daarmee schieten zij hun uzi-pistool leeg.” Zou dat nou komen, vraagt een argeloos mens als ik zich dan af, omdat die volkeren zich daar altijd al zo agressief hebben gedragen tegen die arme Turken? En waarom deden ze dat?

Genetisch? Elke ervaren crèche-medewerkster zal u op de vraag ”nurture or nature” antwoorden dat elk kind van een half jaar oud al duidelijk een eigen karakter heeft, dat het blijkbaar bij de geboorte heeft meegekregen. Voorts is het Darwinistisch gezien niet ondenkbaar dat mensen die generaties lang een bepaalde cultuur ondergaan, daar via genetische mutaties op reageren. Al blijft de vraag natuurlijk of ze niet, door hun genetische aanleg, die natúúrlijk – Allicht! Stel je voor!! — ooit werd veroorzaakt door sociaal-economische omstandigheden, in de aanvang juist hun cultuur zo schiepen als ze deden.  Je weet het niet. Van Joden zeg ik wel eens in vertrouwd gezelschap: “Die rot-Joden: ze hebben óf geld óf talent. En vaak allebei.” Dus bij Joden denk ik wel eens dat het aangeboren is, maar dan schijnt het wel te mogen.

Je zou de eigenschappen van het Joodse volk aldus, behalve uit hun tradities van persoonlijke verantwoordelijkheid en alsmaar kritische vragen stellen, kunnen verklaren uit een eeuwenlang leven in de diaspora. Dat zou sporen met verklaringen die je wel hoort van Afrika-kenners: de stamcultuur, waarin alles met iedereen gedeeld moet worden en uitzonderlijkheid niet geduld wordt, staat de economische ontwikkeling in de weg. Misschien zijn de Joden, zo gezien, dan toch nog verantwoordelijk voor het ontstaan van het kapitalisme en had de Nazistische rancuneleer toch nog gelijk met dat gescheld over “Joodse plutocraten”. Het zou zelfs een verklaring geven voor het bestaan van de arme “getto-Jood”; die waren in “Afrikaanse” stamverbanden blijven hangen. Ik wil maar zeggen: het blijft een avontuurlijk gebied, de genetica, ook buiten het laboratorium. Maar laten we afspreken dat er sprake kan zijn van oorzaken in gedrag, die je misschien, als je het nou eens mooi vlak langs het“racistische” heen wilt formuleren, evolutionair-sociaal-cultureel bepaald zou kunnen noemen.

Hoeveel schade gaat deze Marokkaanse jeugd in de toekomst de Nederlandse samenleving nog toebrengen? En hoeveel schade hebben ze al aangericht? Hoeveel verdriet veroorzaakt? De leraren die hen les moeten geven, knappen bij bosjes af. Hoe zou de taak van leraren er ueberhaupt hebben uitgezien als we niet de laatste twintig, dertig jaar die gigantische toestroom hadden gehad vanuit Marokko, Turkije, Suriname, de Antillen? Hoe zou trouwens de hele samenleving er dan uit hebben gezien? Hoe zouden we in het openbaar vervoer hebben gezeten? Wat rustiger misschien? De Movement van de jaren zestig en zeventig was er een van woede (om Vietnam), maar ook  van hoop. Er was een kennisexplosie, een democratisering van alle discussies, ook via de televisie, over morele, maatschappelijke, politieke kwesties. Deze maatschappij was, dertig jaar geleden, toe aan een bevrijding van oude codes die in goede banen had moeten worden geleid. Ik durf de stelling aan dat zulks niet gelukt is vanwege de energie en de kosten die de toevloed van allochtone barbaren met zich heeft meegebracht. Alleen al het behoorlijk spreken van Nederlands, de minimumeis voor werkelijke communicatie – daarnaast heb je ook nog wat analytisch en moreel vermogen nodig – alleen al aan die minimumeis werd niet voldaan. Met Hafid Bouazza kan ik communiceren, maar voor een uitwisseling met negen-tiende van wat hier de laatste decennia naar binnen is gekomen ontbreekt toch elk moreel en intellectueel kader?  Nog afgezien van de taalbarrière.

We citeren nog maar eens uit Trouw.  Een boekbespreking van ‘Een verhaal uit de stad Damsko’ (geschreven door de 27-jarige Hassan Bahara) , waarin volgens de recensent ‘een deprimerend beeld van allochtone scholieren in de grote stad’ wordt geschetst. De recensent geeft een fragment uit het boek:

Een echtpaar dat voor hen in de rij staat draait zich om en de vrouw glimlacht onzeker naar Kamal.

‘Komen jullie ook voor de film’, vraagt ze.‘
Wat’ zegt Kamal. ‘Wat? Natuurlijk komen we ook voor de film. Dit is toch een bioscoop. Dacht je dat we voor een stripshow kwamen of zo? Wat is dat nou voor een vraag?’
De man begint ook te glimlachen en hij wil net wat zeggen, maar Kamal is hem voor
‘’Wat lach je, stomme tatta? Kijk voor je. Ik lach niet met je. Het is fokking slachtdag vandaag, ouwe. Dus fok niet met me.’
Het echtpaar kijkt weer voor zich en de andere bezoekers smoezen wat met elkaar, kijken om en schudden hun hoofd.

Tot in elke vezel herkenbaar, deze scène. Tientallen van deze “kleine” brutaliseringen door Marokkanen moeten er per dag, in elke stad in Nederland, gepleegd worden. Maar als er een keer een paar Marokkanen vermoord worden na zo‘n brutalisering, zal het zeker in alle media “racistisch” heten. En vermoord? Is dat niet wat overdreven, mijnheer. Neen, dat is niet overdreven,  want de kenner van de jeugdige Marokkaan van dit type weet dat ze in staat zijn in twee seconden al het bloed onder je nagels vandaan te halen. Je kunt erop wachten tot een autochtoon, die één keer iets teveel van deze knapen moet opvreten, op een gegeven moment totaal, maar dan ook totaal door het lint gaat en met blote handen een slachting aanricht. Ik zou die autochtoon kunnen zijn.

Misschien moet ik eens een echt verhaal van vreemdelingenhaat uit mijn eigen psychische kelder vertellen. Het is een verhaal dat alleen begrijpelijk is, als de lezer beseft dat ik van incidenten als het onderstaande er wel honderd  heb meegemaakt en dat ik honderd mensen ken die er ook honderd kunnen vertellen. Het zijn anekdotes uit de oceaan van Paul Scheffer.

Het was afgelopen zomer, precies in de dagen dat de wijze VVD’er Hans Dijkstal niet alleen het integratievignet van Rita Verdonk vergeleek met de Jodenster – (Een Jodenster  lezer, betekent, zoals u weet, eindstation gaskamer of  mitraillering op de rand van het zelf gegraven massagraf) – maar verder ook globaal alle kritiek hekelde op de islam en op allochtone medehumanisten. Ik had die zomermiddag mijn nichtje van 6 jaar uit school gehaald en arriveerde op het speelpleintje voor mijn huis in Amsterdam. Daar zag ik buurvrouw T., een vrouw van in de vijftig, die zoals gewoonlijk een paar buurtkinderen onder haar hoede had. Dat doet ze gratis en voor niks, op die kinderen passen, want ze behoort tot een bepaald soort fatsoenlijke doodgewone Amsterdammers dat vroeger het merg van de buurten vormde. Het merg zijn ze nog, maar de bottenstructuur is verdwenen. Ze drijven los, zeg maar, en dat gevoel hebben die mensen zelf ook. Ze willen eigenlijk weg uit de buurt waar ze al veertig jaar wonen.

Bij mijn aankomst zag ik al dat het mis was. Drie mij vaag bekende Marokkanen van een jaar of zeventien zaten op de betonnen zit-speel-elementen, een soort paddestoelen,  vlakbij het glijbaantje. Ze hadden de bekende uitstraling. “Wat is het probleem, T.?”, vroeg ik. “Nou”, antwoordde T., “Die drie daar zaten boven op het glijbaantje terwijl die kinderen erop willen spelen. Ik had ze al een paar keer beleefd gevraagd of ze eraf wilden gaan, maar dat deden ze niet. Toen ben ik voor hun neus gaan staan en heb ik ze gevraagd of ze doof zijn. En toen kreeg ik een grote bek.”

Ik keek eens in de richting van het schorem, maar mijn nichtje stond al angstig aan mijn mouw te trekken en dus ging ik, na een blik van verstandhouding met T., maar naar boven, naar mijn etage. Vanuit driehoog keek ik op het speelpleintje neer. De drie zaten nog steeds op de betonnen paddestoelen, provocerend met hun mobieltjes in de weer, ongetwijfeld stamgenoten aan het bellen, omdat ze wisten wat ze gingen doen. En dat was het volgende. Eentje zat met zijn armspieren te rollen, maar een van de anderen kon vanaf zijn zitplaats met één hand bij de tegen het hek geparkeerde fietsen. Hij greep, zo zag ik van boven, het stuur van een  fiets met kinderzitje, een fraaie nieuwe fiets, en begon die fiets naar zich toe te halen en weer terug tegen het hek te laten vallen. Op een gegeven moment viel de fiets zijn kant op, kletterend op de grond. Hij liet hem liggen en ging opnieuw met zijn mobieltje in de weer.. Ik voelde, daar boven bij mijn raam, een opkomende misselijkheid en stond voor de keus. Als ik aan mijn impuls zou toegeven stormde ik nu drie trappen af naar beneden, greep ik een van de drie en ramde ik zijn kop tussen het hekwerk waartegen de fietsen stonden. Ik wist dat, als ik aan mijn gal-aanval toegaf, ik het gajes ging vermoorden. De hersens van de eerste zouden van het hek  gespat hebben. Terwijl ik naar de gootsteen moest omdat ik werkelijk begon te braken, fantaseerde ik hoe ik een tweede tot op de nabijgelegen markt zou achtervolgen, hem tussen het publiek zou grijpen en vervolgens ook zijn hersens over het asfalt zou uitsmeren.

Later, enigszins bekomen,  realiseerde ik me dat ik twee van de drie een paar dagen eerder al eens druk pratend vanuit datzelfde raam beneden voorbij had zien komen – de overbekende motoriek –  en toen een flard van een zin had opgevangen: “(…) weet je, dus die Jood die doet zó, dus ik slá die kankerjood (…).”

Een paar dagen later  vertelde ik aan buurvrouw T. hoe ik daarboven had staan kokhalzen van razernij. Ze zei: ”Maar goed dan dat ik je toen niet heb verteld wat die twee eigenlijk hebben lopen schelden.” Wat dan? “Smerige hoer natuurlijk”. Ach ja, allicht, de standaardvuiligheid die onze vrouwen vaak toegesist krijgen van Marokkaans tuig. Ik denk wel eens dat je, voor je iets begrijpt van de haat die mij beving, eerst een paar agressieve Marokkanen voor je neus gehad moet hebben, met die nog nooit door een cabaretier publiekelijk geïmiteerde motoriek, met dat  totale ontbreken van elke beschavingsfloers in de blik, met die combinatie van sis-, lal- en keel-klanken in hun schelden.

Herfst 2004. Mijn nichtje is zes en ik doe mijn plicht weer eens als liefhebbende oom. We doen St. Maarten in de Amsterdamse Watergraafsmeer. Dat is een heel nette buurt, het wordt wel het Amsterdam-Zuid van Amsterdam-Oost genoemd. Na afloop fiets ik naar huis met haar, zes jaar dus, achterop. Nog in de Watergraafsmeer worden we bekogeld door een groep Marokkaanse knapen. Ik denk dat het kastanjes zijn die ik tegen mijn hoofd voel, maar het is snoep, dat ze natuurlijk hebben geroofd van kinderen. Wie de portee van deze kleine gebeurtenis werkelijk vat, hoeft niet eens meer zo heel veel persoonlijk mee te maken met dit soort “jongens”.

Ik heb me heel lang tegen de stem van mijn eigen intuïtie verzet. Pas de afgelopen paar jaar ben ik definitief ervan overtuigd geraakt dat het met de multiculturele maatschappij in elk geval de komende honderd jaar niks zal worden. Het symbolisch breekpunt waren voor mij de twee Marokkaanse meisjes in de bakkerswinkel op de hoek van de markt. Ik heb in de afgelopen twintig jaar in winkels en bij kassa’s veel Marokkaanse meisjes leren kennen die redelijk open en vriendelijk waren, dan plotseling een periode van bedruktheid doormaakten, om dan van de ene op de andere dag verdwenen te zijn. Deze twee waren zusjes, beide begin twintig, zonder hoofddoek en uitstekend Nederlands sprekend. Voor mijn nichtje kocht ik daar wekelijks een appelflap. En dan sprak ik wel eens met de meisjes. Soms was er maar een, vaak stonden ze met z’n tweeën. Die gesprekjes waren vaak niet oppervlakkig en gingen meestal wel ergens over, want dat heb je al gauw met mij. Dan was het niet zozeer opvallend hoe schichtig ze werden als er andere Marokkanen binnen kwamen, die algemene sociale terreur binnen de Marokkaanse gemeenschap kende ik wel, maar ook als we alleen in de winkel waren, flitste hun blik regelmatig naar de deur schuin achter hen, die toegang gaf tot de eigenlijke bakkerij. Daaruit kon je soms een van hun broers verse waar naar binnen zien brengen en in de schappen leggen. Er ging onechte, geforceerde vriendelijkheid van die twee machootjes uit, met vlak onder de huid  een afkeer, minachting en wantrouwen die ze niet konden verbergen. Mijn nichtje voelde het ook.

Mij verwonderde het niet, vooral niet gehoord hebbend het verhaal van de Surinaamse marktvrouw. Ze verkoopt al jaren, even verderop, exotische etenswaar vanuit een verrijdbare kraam, eigenlijk een omgebouwde oude caravan. Dat ding parkeerde ze al jaren op een bepaalde geschikte plek voor de bakkerij. Ik bedoel: ook in de tijd toen het nog geen bakkerij was. Want in de loop van twintig jaar heb ik in dat pand toch wel tien ondernemingen van allerlei soort zien passeren. Die verrijdbare kraam was nooit een probleem, want die werd pas voor de winkel geparkeerd als de markt afgelopen was, de tijd dus dat ook de winkels ongeveer sluiten. Bovendien zit er een flink stuk stoep tussen.

Maar de oudste Marokkaanse broer, vertelde de marktvrouw, die ik als erg christelijk en goedaardig ken, had meteen problemen gemaakt en toen ze met hem in discussie was gegaan, had hij al gauw bedreigingen geuit en het bekende gebaar langs de keel gemaakt. Toen ze het me vertelde, hadden de Surinaamse en ik even een heel kort gesprekje over de ellende die de migratie van de laatste twintig jaar over Nederland heeft gebracht. Dat merken quasi-linkse kwanten uit de betere buurten misschien niet zo, maar gewone mensen hebben op dat punt aan steeds minder woorden genoeg.

Ze hebben het ongeveer een jaar uitgehouden, de twee bakkersmeisjes. Toen had de oudste ineens een hoofddoek om en een paar maanden later bezweek de tweede onder de sociale terreur en onder de druk van de broers. Sinds die tijd kom ik er niet meer. Inmiddels zijn ze beiden uitgehuwelijkt.

Á propos keelafsnijdgebaren: ik vertelde de Surinaamse marktvrouw hoe ik een dag na de moord op Fortuyn gebruik maakte van de trein op de lijn Amsterdam-Centraal naar Hoofddorp­. Tussen Sloterdijk en Schiphol kwamen ze  met drie man het treinstel der eerste klasse inlopen. Er ging een gewetenloze dreiging uit van deze jonge Marokkanen. Met brute onbeschoftheid monsterden ze openlijk mij, de moeder van mijn nichtje en kind op mogelijke buit. Hun ogen gingen langs onze kleding en het bagagerek. Een man schuin achter ons zittend die terugkeek werd ingesloten door de drie en grof gebrutaliseerd. Terwijl hij tegenover hen stond, liep ik het gangpad in, stelde mij achter de man op en keek over zijn schouder in hun gezicht. Ze maakten een schatting en liepen door. Als ik er niet gestaan had, zou de man klappen hebben opgelopen of erger. De conductrice vertelde later dat ze vaak al bij het begin van de rit bedreigd werd met keel-afsnijd-gebaren om te voorkomen dat ze via de intercom de passagiers durfde te waarschuwen voor de rovers. Ineens weet je het: je wordt trein-conducteur! Bij de “Familie Spoor”! Weet u nog? De tijd van de affiches op het station waarop een afbeelding van naast een prullenbak  liggende troep, met daaronder de tekst: “De conducteur is niet boos, maar verdrietig.” Ach ja, de “ludieke” linkse maatschappij. O tempora, o mores!

Inmiddels hebben we op woensdagavond 4 januari 2006 vernomen hoe Marokkanen op nieuwjaarsochtend in Zuid-Frankrijk een hele trein urenlang geterroriseerd hebben. De “linkse” censuur, de “es-ist nicht-wahr”-lobby was in Frankrijk weer uiterst actief geweest om uit het nieuws te houden dat het Marokkanen waren. In Nederland horen we het trouwens ook niet als het toch weer Marokkanen blijken te zijn die een Hollandse jongen hebben doodgeslagen.  Toch geen bezwaar tegen de term “Hollandse jongen”, hoop ik, geachte lezer (m/v)?

Nu we toch in Frankrijk zijn: (Volkskrant, 6 october 2003: “(…) tegen welke krachten de meisjes en vrouwen moeten opboksen bleek in maart, toen ‘Nono’ met de politie een reconstructie uitvoerde op de vuilstortplaats waar hij Sohane met benzine had overgoten. Tientallen jongens uit de buurt applaudiseerden voor hem – in hun ogen heeft Sohane ‘er om gevraagd’. Ook collecteerden zij om Nono’s verdediging te betalen.”

Dat tuig is tot in het merg verrot, en ze lopen hier ook met bosjes rond. “Zouf! Zouf Habibi”(2004) was een film die op zichzelf ook weer een poging was tot Verharmlosung van de gewelddadige en brutaliserende “cultuur” van Marokkaanse “jongens”. In werkelijkheid zijn ze veel angstaanjagender. Zelfs die scène waarin een Marokkaanse broer zijn zusje in elkaar slaat is veel te onschuldig. Maar de “jongens” in de zaal juichten bij die scène. Je verwondert je dat het de krant haalde.

Op die hoek waar die Marokkaanse bakkerij en de marktkraam van de Surinaamse zich bevinden, vond in diezelfde tijd een memorabel incident plaats. De bovenburen van mijn nichtje zouden bezoek krijgen.  Hij is een Kroaat van eind dertig en hij lijkt in uiterlijk en uitstraling het meest op Jezus, of, als je zijn brilletje meerekent, op John Lennon. Hij is de positieve zachtmoedigheid zelve en dus in 1993 weggevlucht van die oorlog in zijn vaderland, het toenmalige Joegoslavië­. Maar pas in het Nederland van 1996 kreeg hij echt en letterlijk het mes op de keel. Zomaar, omdat hij verkeerd had gekeken naar de zin van een paar jonge Marokkanen. Het was midden op een doordeweekse dag op de drukke markt. Hij vluchtte een Etos in om hulp. Hij vertelde mij het verhaal zonder de daders etnisch te benoemen en was verwonderd toen ik met grote vanzelfsprekendheid zei: “Dat moeten Marokkanen geweest zijn.” Hij wist nog niet dat, toen al,  in 1996, in de buurt waar hij nu woonde die conclusie al vrij automatisch en op voorhand getrokken werd door de autochtone bevolking.

Zijn blonde en aantrekkelijke Nederlandse vriendin is in Amsterdamse trams al herhaaldelijk grof lastiggevallen en eenmaal mishandeld door Marokkaanse jongeren. Zoals vele van haar vriendinnen, past ze sinds enige jaren haar leefwijze aan onder de terreur van Marokkanen. Dat wil zeggen: geen enkele aanstoot geven in kleding of gedrag. Op dat punt hebben ze de heerschappij op straat allang. Ook vrouwen begeleidende mannen houden zich gedeisd. Van homo’s kennen we het verhaal.

Maar ik zou het hebben over een gedenkwaardig incident op die hoek vlak bij die bakkerij. Bovengenoemd stel, de Kroatische Jezus en zijn blonde vriendin, kregen een vrouw van buiten de stad op bezoek die we Renate zullen noemen. Ze moest in haar oeroude Fiatje Panda de drukke zaterdagse markt kruisen. Vanaf de andere kant probeerde een andere auto hetzelfde. Het Pandaatje was op een gegeven moment verreweg het verst gevorderd en kon met geen mogelijkheid meer terug. De tegenstrevende auto was nog niet eens op het kruispunt en kon gemakkelijk terug. Maar de inzittende jonge man, die een Arabisch type leek en dat misschien ook wel was omdat er een zwaar behoofddoekte oudere vrouw naast hem zat, wellicht zijn moeder, bleek niet van plan ook maar een duimbreed toe te geven. Zodat Renate woedend haar Pandaatje uitkwam en het Arabische type een grote bek gaf. Dat had ze niet moeten doen. Hij kwam eruit en sloeg haar een paar maal met de vuist in het gezicht onder het roepen van “hoer!­”. Ook de behoofddoekte oudere dame naast hem was krachtig met het woord “hoer” in de weer. De omgeving deed niks en ik kan dat wel begrijpen, want iedereen weet dat wanneer je een Marokkaan aanpakt, je standaard een mes voor je neus krijgt en waarschijnlijk nog een paar messen van degenen die zich zijn bloedbroeders voelen. Op een plek als die betreffende markt zijn Marokkaanse stamverwanten nooit ver uit de buurt  En anders zijn de mobieltjes snel getrokken en stamleden meteen ter plaatse.

Inmiddels is het niet meer standaard, heb ik gemerkt, dat er op dit punt van een dergelijk verhaal een discussie over geweld in de publieke ruimte volgt met de standaard domkop die over de eigen verantwoordelijkheid van het publiek begint te zeveren. Inmiddels is het iedereen duidelijk dat dit soort Marokkanen een andere soort zijn. (Ja die laatste formulering is bewust dubbelop.)

Een andere soort, maar welke soort?  Te beantwoorden, onder andere, aan de hand van de vraag wat voor mentaliteit je hebt als je onder die omstandigheden een vrouw als Renate met de vuist in het gezicht slaat. Renate is een kleine vrouw met een duidelijke hazelip, vooral als ze scheldend praat. Een vrouw bovendien bij wie het alleenstaande moederschap, het minimum-inkomen en de schoonmaakadresjes niet in de koude kleren zijn gaan zitten.

“Veel Marokkaanse mannen minachten blanke Nederlanders – een vorm van racisme die niet zo bekend is, omdat blanken dikwijls denken dat racisme is voorbehouden aan blanken. Maar dat is niet zo. Vrouwen, ook de Nederlandse, hebben meer verbeelding. Ik verzet me tegen de opvatting dat alleen vrouwen die gesluierd of met hoofddoek over straat gaan, respectabel zijn. Voor dat soort intolerant, agressief machismo wil ik geen begrip hebben. Een kort rokje is geen uiting van seksualiteit, maar vertoon van schoonheid. Waar het veel Marokkaanse jongeren hier aan ontbreekt, is empathie. Als je deel uitmaakt van de vierde generatie, moet je tot je laten doordringen dat vrouwen zich hier anders kleden en anders denken dan je gewend bent. Als je emigreert, verander je ook mentaal. Het is toch raar, dat alles verandert, behalve de positie van de vrouw.”

Als je het bovenstaande als blanke Hollander voor 11 september 2001 had opgeschreven, dan was heel quasi-links Nederland over je heen gevallen. Gelukkig zijn het woorden van 17 oktober 2003 en nog wel van de “Marokkaan” Hafid Bouazza. Hij is  in bovengenoemd interview – “Zonder gemengde huwelijken gaat het niet” – overigens nog veel te optimistisch.  In Ruanda-Burundi en ook in Bosnië was er veel intermarriage voordat het moorden tussen Hutu’s en Tutsi’s, tussen Serviërs en moslims begon. Zover zijn we in West-Europa dus ten eerste nog lang niet en ten tweede blijkt zelfs dat dus niet te helpen.

Ik was bij de eerste Theo van Gogh-herdenking, 2 november 2004. Bij een kleine discussie na afloop zei iemand tegen me:”Dus jij laat je door angst leiden?” Ik antwoordde hem wat ik ook mijn kleine nichtje vertel over angst, namelijk dat de platgereden duiven die je in Amsterdam ziet, zijn begonnen met niet meer bang te zijn voor lopende mensen, toen niet meer bang waren voor fietsers en tenslotte niet meer voor auto’s. En tenslotte zijn ze niet meer bang omdat ze platgereden zijn. Een kikker moet je trouwens ook langzaam koken. Gewoon lauw beginnen en de temperatuur langzaam opvoeren, dan springt-ie niet uit de pan. En dat is wat er aan het gebeuren is. Kijk naar de gigantische moskee die gaat verrijzen in de Amsterdamse Baarsjes. Over tien jaar zal de bouw daarvan als een mijlpaal op de weg naar de burgeroorlog gezien worden, reeds uitgebroken of nog niet helemaal. Maar intussen lees ik pleidooien voor leuk gekleurde boerka’s in ingezonden-brieven-rubrieken, vooral ondertekend door dames met Nederlandse namen.

Duiven. Mag ik even vrij associëren? Ja allicht, dat doe ik al de hele tijd. Laatst zag ik vlak bij mijn huis op het plein twee Marokkaans jongetjes naar een troep duiven toe hollen. Een autochtone moeder met baby in de wagen keek vertederd toe. Mijn blik was bij voorbaat wantrouwend. En ja hoor: de duiven werden gewelddadig schoppend, opgejaagd. Ik zag het gezicht van de Nederlandse moeder betrekken. Ze durfde of wilde geen blik van verstandhouding met mij te wisselen. De begeleidende hoofddoek op de bank bleef een onbewogen kop houden en keek strak voor zich uit. Ik vroeg me weglopend af hoe verontrustend het is dat ik ongeveer dit gevoel had: ja het klopt, want dat volk deugt voor het grootste deel niet, want ik ken die motoriek van die jongetjes.

Het deed me denken aan een gesprekje dat ik had bij een Albert Heijn in een Amsterdamse volksbuurt die nogal in het nieuws is geweest vanwege de eigenaar en zijn bedrijfsleider die een gewelddadige Marokkaanse dief zodanig arresteerden dat tenslotte prins Bernard eraan te pas moest komen. Ik ken die twee mannen goed: dat zijn geen watjes en geen lelieblankjes, maar karakterologisch is er, wat mij betreft, weinig fout aan ze. We zaten op een zomeravond voor de winkel – ze zijn tot negen uur open – en er kwamen twee Marokkaantjes van een jaar of acht op fietsjes op het trottoir aanrauzen. Ze flikkerden die fietsjes midden op de stoep voor de winkeldeur neer en renden naar binnen. Jongetjes die geld hadden gekregen om snoep te kopen, zoveel was duidelijk. We keken elkaar aan, de winkeleigenaar, zijn Surinaamse jonge vrouw en ik. En ik zei: “Wij waren vroeger misschien ook rauwe jongetjes, maar deze soort beweegt op een manier die mij verontrust.” De Surinaamse (ze heeft een HBO-opleiding en zit in het maatschappelijk werk) knikte peinzend-instemmend en zei: “Het is erger. Er is iets goed fout met het grootste deel van dat hele volk.”

Je mag niet generaliseren, zeggen “we”, maar ik wist op dat moment niet op welke grond ik haar moest tegenspreken.  En inmiddels, juni 2006, ben ik alweer twee keer getuige geweest van openlijke bedreigingen door Marokkanen in die winkel.
________________________________________________________________

TOEVOEGING  2013: Op het moment van afsluiten van bovenstaand hoofdstuk van mijn essay in 2006 , was ik blijkbaar nog niet gestoten op een column in “de Groene” van 13 oktober 2006 van Kees Beekmans.  Maar ik vind dat het zeer verontrustende element  van de hele islamitische en dus ook Marokkaanse “cultuur” dat hij aansnijdt ook hier vermelding moet krijgen. Beekmans  was vroeger Volkskrant-journalist, maar raakte dermate bewogen door het gruwelijke lot van de allochtone jeugd in Nederland dat hij leraar werd op een VMBO. Vervolgens ging hij in Marokko wonen en trouwde een Marokkaanse vrouw. Bepaald geen bevooroordeelde “racist” dus, deze Beekmans.

Hij schreef:

“Het is beter met Marokkanen geen gesprek over Joden te beginnen, want de doorsnee Marokkaan moet niets van Joden hebben. Ik ben een paar keer tegen wil en dank in zo’n gesprek verzeild geraakt en dan zie je iemand van wie je dacht dat-ie een redelijk man was veranderen in een paranoïde krankzinnige. In Israël eten de Joden Palestijnse baby’s! Ze hebben Jezus (Issa) verraden want ze hebben gekozen voor de weg van de sjeitan, de duivel. Bush doet alles wat de Joden zeggen. Et cetera.”

Wat dit illustreert is het grote feit waar ik ook al regelmatig tegenaan ben gelopen: wanneer je praat met een Marokkaan of Turk die niet zeer duidelijk een afvallige moslim is en dit zeer duidelijk laat blijken, kom je op een gegeven moment in de discussie op een snoeiharde kern van irrationalisme, gewelddadigheid en Jodenhaat.
___________________________

* Diezelfde Joop van Riessen zou een jaar later bij Pauw & Witteman zeggen dat Wilders maar eens gemold moest worden en dat al wie op hem stemde eigenlijk niet in Nederland thuis hoorde, “in die prachtige multiculturele samenleving die we met zijn allen aan het opbouwen zijn”.
________________
Link naar dit stuk bij E. J. Bron

Advertenties