*************************************************************

Onderstaande tekst is uit 2008 (!) en een reactie op een toespraak door Ahmed Marcouch, getiteld “Mijn vader kwam te voet”, op een bijeenkomst van de Banning Werkgemeenschap van de PvdA op 22 november 2008. De speech staat afgedrukt op waterlandstichting.nl.

De tekst is door mij misschien voor het eerst gepubliceerd op het toenmalige “Vrije Volk” onder mijn pseudoniem “Kassander”. Ik weet het gewoon niet meer. Want misschien ook is deze tekst alleen maar intern in de PvdA in discussie geweest en in elk geval niet erg intensief. Het is namelijk nogal een intellectueel hoogstandje en een forse lap tekst bovendien. En aan echt diepgravend debat deden en doen ze niet in de PvdA.

Ik (her-?)publiceer de tekst nu op 10 juli 2017 naar aanleiding van de omstreden voordracht van Ahmed Marcouch als burgemeester van Arnhem.

De kern van de tekst bestaat uit de vraag waarom iemand als Marcouch allerlei humane en progresieve principes zegt te koesteren en tegelijk zoveel mogelijk rechten en voorrechten voor de islam wil bevechten, een totalitaire ideologie die nooit verenigbaar zal zijn met zijn eigen verklaarde principes. In deze tekst van 2008 beantwoord ik die vraag niet, maar anno 2017 zou ik zeggen: angst, want Marcouch wéét dat hij een “geloof” aanhangt dat afvalligen gruwelijk straft en tegelijk hoopt hij zijn geloofsgenoten mee te nemen in zijn progressiviteit.

Ik ben niet geneigd zijn progressiviteit als pure misleiding op te vatten, als “taqiyya”, als een tactiek om de Nederlandse maatschappij te infiltreren, om bij succes zijn masker te laten vallen. Maar anderzijds: is iemand die ooit een nazi als al-Qaradawi tot leidsman heeft gehad, ooit nog helemaal te vertrouwen? Marcouch blijft een raadsel.

*************************************************************

Ik (63) ben historicus en heb decennia gedacht dat je daarvan niet anders gaat kijken dan gewone mensen. Maar dat blijkt tegen te vallen, merk ik steeds meer. De blik over de eeuwen, bij de islam meer nodig dan bij welk onderwerp ook, komt mij doorgaans op bevreemde blikken en irritatie te staan. Het referentiekader beperkt zich veelal tot Nederland sinds ongeveer 1960.

Ik citeer een historicus uit 1938:

“Het heeft mij altijd mogelijk geschenen en zelfs waarschijnlijk dat er een wederopstanding van de islam zou komen en dat onze zonen of kleinzonen de hernieuwing zouden zien van die enorme worsteling tussen de christelijke cultuur en datgene wat al duizend jaar haar grootste tegenstander is geweest. De suggestie dat de islam weer zou kunnen opstaan klinkt als fantasie, maar dat komt omdat de mensen altijd sterk worden beïnvloed door het directe verleden – men zou kunnen zeggen dat ze erdoor verblind zijn (. . .). Maar nog niet zo lang geleden, minder dan honderd jaar voor de [Amerikaanse] Declaration of Independence (. . .) werd Wenen bijna ingenomen [door de moslims] en slechts gered door een christelijk leger onder bevel van de koning van Polen, op een dag die onder de meest beroemde van de geschiedenis zou moeten zijn: 11 september 1683.”  [Uit “The Great Heresies”  (1938) van de Britse geschiedkundige Hilaire Belloc.]

Er zijn islam-watchers, waaronder Robert Spencer en Hans Jansen, die ervan overtuigd zijn dat de aanslagen van 11 september 2001 niet toevallig op die datum plaats vonden. Mogelijk. Persoonlijk denk ik dat het óók een straf van God was voor de regering Bush, die bij zijn aantreden verkondigde dat massamoord een paar straten verder in de global village  niet onder Amerika’’s verantwoordelijkheid viel: “We are not the global nine-eleven.” Dixit Condoleeza Rice ergens in 2000. Dat pakte anders uit.  (911,  zo weet men, is het 112-alarm-nummer in de VS).

Maar we zouden het over Marcouch hebben. De PvdA-wethouder is nogal omstreden en er moeten ontelbare pogingen zijn ondernomen om Hem te duiden. Dat is inderdaad het moeilijkste deel van mijn verhaal en ik zal het tot het einde van dit betoog bewaren. Eerst maar eens de toespraak van Marcouch.

Het is de vierde keer in de geschiedenis, zegt Marcouch, dat we in Nederland geconfronteerd worden met de vraag  hoe we met een religie om moeten gaan.  In deze zin zit een raar haakje: “een” religie? Confrontatie van een gemeenschap met een vreemde religie moet Marcouch wel bedoelen, want met de vraag hoe zich te verhouden tot religie tout court worstelt de hele mensheid al vele duizenden jaren.

Uit de historische twisten en bloedige oorlogen waartoe, blijkens de geschiedenis en de actuele werkelijkheid, “religie” per definitie blijkt te leiden, haalt Marcouch vier momenten.

Als  eerste de Reformatie. Dat is inderdaad een vrij onontkoombare keuze, maar toch niet zo handig voor het betoog van Marcouch, die erop uit is de aan het Westen wezensvreemde islam legitimatie te verschaffen in Nederland. Want de Reformatie was natuurlijk een volstrekt intern-christelijke strijd. Het protestantisme was niet “een” religie, niet een vréémde religie.  De protestanten kenden die katholieken heel erg goed, ze waren zelf katholiek geweest. De Reformatie was voorts de verdere ontwikkeling van de Inherente Redelijkheid van het christendom in het kader van de pre-Verlichting, een ontwikkeling die samenhing met het ontstaan van de modern-burgerlijke maatschappij. Een wezenskenmerk van de islam is echter, op gelijk niveau met de gewelddadigheid, niet de Rede maar het irrationalisme. Allah is vol willekeur en daarom vinden moslims in het algemeen redelijk onderzoek der dingen verloren moeite, als ze het al geen blasfemie vinden. Apathisch-fatalistisch, ja, wát u zegt.

Wie in de tijd van de Reformatie aan ter zake belezenen als Erasmus de stelling van Marcouch had voorgelegd – “Joden, Christenen en Moslims geloven alle drie in dezelfde God. De god van Abraham.”  – zou aangekeken zijn alsof hij uit het dolhuis was ontsnapt.  Marcouch is blijkbaar in de leer gegaan bij ex-non Karin Armstrong, die door arabist Hans Jansen getypeerd wordt als “de moeder-overste van de zelf-islamiseerders”. Zij verspreidt in haar nep-wetenschappelijke geschriften de stelling dat de “drie grote monotheïsmen” alle drie op Abraham terug gaan. Het enige “Abrahamitische” echter dat ze gemeen hebben, is dat de naam Abraham in de officiële teksten genoemd wordt. Er valt een encyclopedie te vullen  met citaten en feiten die bewijzen dat een essentie van de islam – ontstaan in de 7e eeuw na Christus  – nu juist bestaat in de minachting en de vijandschap jegens het jodendom en het christendom.

Marcouch gebruikt de Reformatie en de Nederlandse Opstand (1568 – 1648) tegen het Spaanse bewind  om zich, bij zijn pleidooi voor een islamitische zuil in Nederland, te kunnen beroepen op de Nederlandse tolerantie en godsdienstvrijheid.  Dat is merkwaardig, want de historische en actuele islam kenmerkt zich nu juist door eenzelfde mentaliteit als waartegen Willem van Oranje zich verzette, die van een bloeddorstig en wreed dogmatisme.

Dat het Marcouch om een legitimatie voor een Islamitische Zuil te doen is, blijkt ook uit de keuze van zijn tweede voorbeeld: de katholieke emancipatie in de 19e eeuw. Marcouch gaat er  opnieuw aan voorbij dat het hier gaat om een intern-christelijke kwestie binnen de Evolutie van de Rede als Historisch Proces. De  christelijke traditie kent zijn obscurantistische en bloeddorstige kant, maar is, anders dan de islam, uiteindelijk theoretisch gegrondvest op Liefde en Rede. De onvergelijkbaarheid van Jezus en Mohammed – die een psychopaat, een tiran en een massamoordenaar was – blijkt ook uit de evolutie van beide godsdiensten. De islam is 14 eeuwen terreur, racisme en achterlijkheid, maar in het christendom zit de Rede zo diep  ingebakken dat de Verlichting zelfs niet denkbaar is zonder christendom.

De derde plek in de geschiedenis waar Marcouch een Nederlandse confrontatie meent te zien “met de vraag hoe we met een religie om moeten gaan” is de Nederlandse houding ten aanzien van de Jodenvervolging tijdens de bezetting van 1940-1945. Het antisemitisme, het nazisme en de Tweede Wereldoorlog hebben inderdaad in een zeer brede zin met ideologie en dus met “religie” van doen, maar de keuze van Marcouch lijkt hier opnieuw voort te komen uit zijn behoefte de islam positief te positioneren, dit keer als filo-semitisch en in elk geval niet antisemitisch. Dat is natuurlijk een onmogelijke opgave, want de islam heeft vanaf de 7e eeuw, vanaf zijn ontstaan, met name in de persoon van de profeet zelf, een traditie van intense en bloeddorstige Jodenhaat. Er is in de Tweede Wereldoorlog, met name in verband met het ontstaan van Israël, diepe verwantschap gebleken tussen het islamitisch antisemitisme en dat van de nazi’s, vooral in de persoon van de Grootmoefti van Jeruzalem. De hele islamitische wereld druipt op dit moment van het meest vulgaire en agressieve antisemitisme. Ook in de migrantengemeenschappen, met name de Marokkaanse, in West-Europa, is Jodenhaat en Israël-haat de regel. Misschien had Marcouch het dáárover moeten hebben in plaats van wel erg globaal te spreken over de historisch uiterst ingewikkelde kwestie van Neêrlands schuld en heldendom bij de vervolging van de Joden.

De vierde keer dat we hier in Nederland volgens Marcouch de confrontatie aan moeten “met de vraag hoe we met een religie om moeten gaan” is heden ten dage met de islam. Hij vertelt nog maar eens het sprookje van de “Abrahamitische” godsdienst die de islam zou zijn. Het is, zegt Marcouch,  een “doodgewone godsdienst” en een “geloof van gewone mensen”.  Maar die gewone mensen zijn, zoals altijd met moslims, in de ogen van Marcouch toch wel weer slachtoffer: “De moslims en hun beschaving verkeren in nood.”  De islam, wil Marcouch ons wijs maken, is niet die al 14 eeuwen oude vijand van het Christelijke Westen, waarvan die islam duizend jaar dat Westen effectief heeft bedreigd, maar een geloof van doodgewone collega-Abrahamieten, alledaagse sullen die “de moderniteit te lang uitgesteld” hebben.

Veertien eeuwen is inderdaad vrij lang en het gaat niet om “uitstellen” van die moderniteit, zoals Marcouch poeslief beweert, maar om een in de islam ingebakken haat tegen die moderniteit, als product van de joods-christelijke traditie. De enige uitzondering is geweest de korte periode van dekoloniserend seculier nationalisme bij een “voorhoede” van Midden-Oosterse revolutionairen die zich vaak op een ideologie beriepen net zo totalitair als het islamisme, namelijk het communisme, een periode die bovendien slechts ongeveer veertig jaar heeft geduurd, van de jaren 1930 tot in de jaren 1970.  Na dit zeer korte intermezzo heeft de inherent totalitaire islam zijn eeuwenoude rechten hernomen.

Niettemin is Marcouch hartstikke optimistisch. Met grote stelligheid poneert hij herhaaldelijk zijn rotsvaste geloof dat de islam zal moderniseren. Waarop dat optimisme gebaseerd is, behalve op zijn hoogstpersoonlijke positieve speculaties en geruststellingen, vernemen we niet.  Dat zou nodig zijn, want  er is voorlopig in de geschiedenis en de actuele werkelijkheid van de islam niets dat het optimisme van Marcouch ondersteunt. Integendeel: er is een vracht aan academische literatuur die erop wijst dat de islam nog nooit ergens in vrede en gelijkwaardigheid  met andersdenkenden heeft kunnen samenleven. Het bekendste voorbeeld is Samuel Huntington met zijn “Clash of Civilizations”, die spreekt van “Islam’s bloody borders”. Ook de actualiteit laat zien dat overal ter wereld het drammen, dreigen en het geweld van moslims toeneemt met hun percentage in de bevolking.

In het kader van zijn optimisme schetst Marcouch als basis van de islam twee grondregels die overal ter wereld de verbazing van islam-watchers zullen wekken. Marcouch:   “Een godsdienst die als eerste gebod kent: denk zelfstandig! en als tweede: werk aan de gerechtigheid! hoeft de confrontatie met de moderne tijd niet te schuwen.” Dit is echt hele erge onzin. Als er iets kenmerkend is voor de islam, behalve gewelddadigheid, irrationalisme, superioriteitsdenken en racisme, dan is het wel het dogmatisme. Zelf denken is er in de islam niet bij, dat bewijst wel  de lange lijst van uitgestotenen en vermoorden die dat geprobeerd hebben  — en die door de islam-apologeten dan naar voren gehaald worden als bewijs van tolerantie van de islam: alsof je Solsjenytzin laat getuigen van de tolerantie van het communisme. Niet alleen definieert het heilige oergeschrift van de islam, de Koran, zichzelf als het eeuwige en onveranderlijk woord van Allah Himself, op die Koran (en de Hadith: gezegden en daden van Mohammed) is een eeuwenoude traditie van “interpretatie” gebouwd, geheel versteend binnen minuscule marges van de wrede leer.

De “gerechtigheid”, die Marcouch als tweede eigenschap aan de islam toeschrijft, geldt in alle gezaghebbende islamitische geschriften slechts voor de gelovigen. In deze geschriften worden de moslims opgeroepen, ja zelfs verplicht, om de ongelovigen te onderwerpen en hen te vermoorden dan wel minstens tot vernederde tweederangs burgers (dhimmi’s)  te  maken.  En voor zover Marcouch hier bedoelt te wijzen op het charitas-element in de islam, het wees-goed-voor-de-armen: dat is de truc van elke totalitaire ideologie om ooit aan de macht te komen, van jakobinisme tot communisme tot nazisme.

Marcouch rekent mij  ongetwijfeld tot de “angstaanjagers”. Hij zegt: “De angstaanjagers waarschuwen  voor een islamisering van Nederland. Daarbij past slechts een meewarige glimlach.”  Hier doet Marcouch denken aan de hilarische inspecteur Frank in “The Naked Gun”, en wel in de scène waarin hij een verbijsterde menigte staat toe te schreeuwen: “Doorlopen mensen! Er is hier niets te zien!”  De menigte ziet inmiddels over Franks schouders het tafereel waar de topinspecteur met zijn rug naar toe staat: een ontploffend gebouwencomplex. Mijn verhaal wordt eentonig zei Eduard Douwes Dekker en ik zeg het hem na. Hoe tover je in godsnaam een ”meewarige glimlach” op het gelaat als mensen tegenwoordig bang zijn voor de islam? En dat zijn dan nog mensen die doorgaans alleen de actuele wereldwijde terreur van de islam zien en niet op de hoogte zijn van die 14 eeuwen insgelijke geschiedenis.

Of moslims een minderheid blijven, zoals Marcouch stellig beweert, betwijfel ik. Dit gaat over statistieken, die door sommigen de overtreffende trap van leugens werden genoemd al vóór dat de West-Europese overheden het tot hun taak begonnen te rekenen de eigen burgers een rad voor ogen te draaien inzake de drie I’s (Immigratie, Integratie, Islam). Ik kan me nog herinneren hoe in de jaren 1990 telkenjare de misdaad in het NOS-journaal alwéér met een paar delen van een procent was gedaald, tot  het bij de burger begon door te dringen dat de misdaadcijfers sinds de jaren zeventig met tientallen procenten omhoog waren gesprongen, dat die explosie bijna uitsluitend aan immigranten was te danken en dat die “daling” waarvan het Staatsjournaal jaar in jaar uit gewag maakte te danken was aan aangiftemoeheid bij de burger en aangiftesabotage bij de politie. Bovendien: ook als minderheidsgodsdienst heeft de islam bewezen overal ter wereld voor problemen te zorgen. En als de “fundamentalisten” — (tussen aanhalingstekens, want een moslim is per definitie een fundamentalist) – dan al een minderheid zijn: overal, zowel in islamitische landen als in Westerse landen bepalen zij de agenda en zetten zij de toon. De”fundamentalisten” in de islam hebben niet de beste papieren in hun geloof, maar de enige. De islam is per eigen definitie onveranderbaar fundamentalistisch. Het is de kern van dit geloof. Als Marcouch meent wat hij zegt – over het toestaan van afvalligheid bijvoorbeeld – dan is hij al geen moslim meer. Er is slechts één vorm van liberale islam denkbaar: géén islam. Je kunt dat dan een “cultuur-islam” noemen, maar bij geen enkele definitie van de 14 eeuwen oude mainstream is dat dan nog islam.

We weten inderdaad niet, we kunnen het Marcouch nazeggen, wat de Nederlandse moslims bezielt. Wat we wel weten, is dat we ze weinig de wereldwijde terreur horen kritiseren die in naam van hun geloof wordt gepleegd. Dat Marcouch dit wel doet, siert hem, al weigert hij te zien dat de terreur inherent aan zijn geloof is.  Maar al die anderen? Zijn ze het ermee eens? Of hebben ze geen notie van het feit dat islam, in theorie en praktijk, historisch en actueel, wereldwijd staat voor geloof in een wrede, agressieve, redeloze god en profeet, die samen slechts oceanen van bloed en achterlijkheid hebben geproduceerd? Want zeg nou zelf: als je dat eenmaal hebt ingezien, dan wil je toch geen moslim meer wezen?

Marcouch wil dat de moslims emanciperen? Dan is hij van harte uitgenodigd om eens net zo zelfkritisch te worden op de mohammedaanse geschiedenis als “wij” in het Westen altijd op onszelf zijn geweest. In het Westen hebben vanaf de jaren 1970 vooral de postmoderne, “postnationale”, cultuurrelativistische, quasi-kosmopolitische, islamofiele, crypto-totalitaire, hedonistische, narcistische, zelfmanifesterende policor-kwallen dermate veel as op het eigen hoofd gestrooid dat hun oogjes ervan dicht zijn gaan zitten. Ze hebben dermate het zicht verloren op de Grote Waarden van hun eigen traditie, dat ze van hun eigen gezond niet meer weten. Welnu, die mate van zelfkritiek zouden alle moslims ter wereld eens op zichzelf moeten toepassen. Misschien om te ontdekken dat ze van hun eigen ziekte nooit geweten hebben. Kennis nemen van verleden en heden van de islam, van theorie en praktijk, kan tot geen enkele andere conclusie leiden dan dat een fatsoenlijk mens géén moslim kan zijn.

Natuurlijk zijn er onwetende, wat minder tot fervent intellectualisme geneigde moslims – (Ja, die héb je!) –  brave borsten die in alle goeïgheid denken dat islam vrede betekent. Maar zo had je zelfs onder Stalin nog braverds die volhielden dat het communisme een prachtsysteem was. Sterker nog, je had communistische gelovigen die, in de strafkampen geflikkerd door hun eigen Messias, meenden dat het wel aan henzelf moest liggen. Want hoe kon “de partij” het nou fout hebben? Zo heb je zelfs idealistische en goedbedoelende nazi’s gehad. “Es ist nicht wahr!” gevolgd  door “Unser Führer weiß das nicht!“ en afgesloten met “Wir haben es nicht gewusst!“.

Maar het historisch eindoordeel over alle drie systemen, communisme, nazisme en islam moet op grond van de feiten vernietigend zijn.  

In het kader van zijn streven een islamitische zuil in Nederland te bestendigen vergeet Marcouch, zoals gezegd, dat de vroegere zuilen (dixit de oer-onderzoeker van het Zuilenstelsel, Arendt Lijphart) wél één enkel dak droegen, namelijk die van een verlicht christendom, waar óók de sociaal-democratie zich toe bekende, niet altijd in retoriek, maar zeker wel in de praktijk. Om die bestendiging van een islamzuil te legitimeren, hamert Marcouch heftig op de rechten van de islam in Nederland in het kader van de vrijheid van godsdienst. Hij noemt het een individuele vrijheid, maar zijn accent ligt toch in deze speech op de vrijheid van datzelfde individu zich aan te sluiten bij een geloofsgemeenschap en zich ervoor in te zetten. En een geloofsgemeenschap heeft, al zegt Marcouch dat er niet bij, geloofsbaasjes die namens de kudde spreken en die bij elkaar houden. Dáár wilden wij — erfgenamen van de naoorlogse verworvenheden, ons bewust van de eeuwen van lijden die nodig waren om het Atlantic Charter te inspireren en ten slotte de mensenrechten – dáár wilden wij seculieren nou precies vanaf en voorzeker als het betreft een totalitaire en antihumane ideologie  als de islam, die wereldwijd bovendien een strategische bedreiging vormt voor het Westen en met name voor West-Europa. Marcouch mag zich uitputten in verzekeringen dat hij een “liberale” islam nastreeft, maar hij is slechts een eenling, wiens hoffelijke buigingen naar het Westen heel persoonlijk zijn en niets zeggen over de mentaliteit in moslimgemeenschappen at large in het Westen.

De ‘vrijheid van godsdienst” is dé crux, hét draaipunt in het verhaal van Marcouch. Daarom zal ik proberen over dat begrip een fundamenteel betoogje te houden. (Onder dankzegging aan Paul Frentrop, “Vrijwaring van Godsdienst”, HP/De Tijd, december 2007.)

De “Wet op de Kerkgenootschappen” van 1853 zegt: “Aan alle kerkgenootschappen is en blijft de volkomen vrijheid verzekerd alles wat hunnen godsdienst en de uitoefening daarvan in hunnen eigen boezem betreft, te regelen (…)”· De sleutelformulering lijkt hier “in hunnen eigen boezem”. Dat betekent dus dat, als een georganiseerd geloof buiten die “eigen boezem” maatschappelijk actief is, de overheid wél wat over dat geloof te zeggen krijgt. Dat lijkt het geval bij alle activiteiten die “maatschappelijker” zijn dan rituelen in een kerk of moskee. Waarvan de deuren volgens onze wetgeving bovendien zelfs open dienen te staan tijdens het eerbetoon aan de Onzichtbare Vriend. Die “Wet op de Kerkgenootschappen” van 1853 was een reactie op eeuwen protestantse staatsgodsdienst en onderdrukking van katholicisme.  Dat was dus een heel pragmatische wet, bedoeld om een einde te maken aan discriminatie van katholieken, niet bedoeld om godsdienst en godsdienstige mensen in het algemeen een bijzondere status te geven, dan wel om gelovigen te vrijwaren van kritiek.

Maar deze wet waarop Marcouch claim berust, is in Nederland, sinds hij in 1853 werd aangenomen, in toenemende mate verkeerd begrepen en misbruikt is. In weerwil van de geest ervan, is op grond van dit artikel uit 1853 toch de verkeerde overtuiging gegroeid dat religie zich met politiek mag bemoeien, dat religieuze overtuigingen extra rechten hebben, ja zelfs dat religieuze overtuigingen buiten en boven de wet staan. Terwijl het omgekeerde de praktijk had moeten worden, namelijk géén politieke machtsuitoefening op grond van religie en wél bemoeienis van de politiek met religieus-maatschappelijke activiteiten. Marcouch wil deze lijn van misbruik via de islam voortzetten. De verkeerd begrepen  “Vrijheid van Godsdienst” wordt met name door de islam geïnterpreteerd als zoveel mogelijk maatschappelijke ruimte innemen, met zoveel mogelijk symbolen in die ruimte aanwezig zijn, speciale rechten en behandelingen eisen.  “De vrijheid van godsdienst”, zegt Marcouch,  geeft de moslim het recht “openlijk van zijn geloof kond te doen, in woord,  gebaar, ornament.”

Ja, vooral op dat “ornament” is Marcouch dol.  Natuurlijk is hier de hoofddoek bedoeld. Dat hangt samen met dat ene punt, waarop moslims nooit zullen toegeven, namelijk de afhankelijkheid van de vrouw. We herinneren ons dat Marcouch heftig heeft verdedigd dat het mogelijk moest zijn voor vrouwen met hoofddoek bij de politie te dienen. Waarom? Kan een geëmancipeerde moslima niet zónder hoofddoek dienen? Of wil Marcouch de “fundamentalisten” in de kaart spelen die iedere hoofddoek definiëren als ‘een vlag geplant in vijandelijk gebied’? Hoe rijmt hij deze rare wens met de rest van zijn liberaal-islamitische agenda?

Deze “Vrijheid van Godsdienst” zou uit de Grondwet moeten worden geschrapt. Want godsdienst is niks anders dan een mening over God. En de vrijheid-van-een-mening-over-God, dus de vrijheid om voor een eigen overtuiging uit te komen, wordt gedekt door de Vrijheid van Meningsuiting. De Nederlandse rechtsstaat met zijn vrijheid van meningsuiting, vergadering en vereniging plus de Mensenrechten in algemene zin zijn voldoende waarborg.

In dit misbruik van de wet op de vrijheid van Godsdienst spelen nog een paar andere wetten een rol. Allereerst is daar het artikel 1 van de Grondwet, althans het verkeerd begrépen Artikel 1: “Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.” Dit artikel  1 heeft niets met het verbieden van kritiek te maken.  Maar totdat Eddy Terstall cs in herfst 2006 in zijn pamflet over de Vrijheid van Meningsuiting  het bovenstaande uitlegde, werd door het hele politieke spectrum het Artikel 1 wel aldus verkeerd begrepen.  Dat verkeerde begrip en het misbruik van Artikel 1 om het debat te smoren was ook de reden dat Pim Fortuyn voorstelde het te schrappen.

Dit artikel 1 is niet alleen verkeerd begrepen in die zin dat men dacht dat het kon dienen om relevante kritiek op godsdiensten en ideologieën taboe te verklaren, maar óók verkeerd begrepen is de nevenschikking in dit artikel van aangeboren zaken als enerzijds ras en geslacht  (je zou er seksuele geaardheid aan moeten toevoegen) en anderzijds niet-aangeboren zaken als godsdienst en levensovertuiging. In dit artikel 1 is die nevenschikking terecht, omdat het nu eenmaal een opsomming betreft van gronden waarop mensen plegen te discrimineren. Echter, dat in artikel 137c van het Wetboek van Strafrecht deze zaken eveneens nevenschikkend staan vermeld,  is onterecht.  Het kritiseren (“beledigen”) van iemand vanwege zijn ras, geslacht of seksuele geaardheid is héél iets anders dan kritiek leveren (“beledigen”) op grond van iemand mening over God-maatschappij-politiek. Het artikel 137c is onlangs door Hirsch Ballin aangescherpt zodanig dat het geschikt wordt voor querulanten om in volstrekte willekeur alles en iedereen aan te klagen door wie zij zich gekrenkt voelen in hun “diepste gevoelens”.  Artikel 1 wordt aldus via 137c alsnog geperverteerd, gemaakt tot een wet geschikt om debat te smoren. En Marcouch loopt gevaar daarin mee te gaan als hij stelt dat geloof iets is dat toch wel héél diep zit. Marcouch: ”Voor de oprecht gelovige is zijn geloof de kern van zijn identiteit.  Daarom luisteren geloofskwesties zo nauw. Als iemand het idee heeft dat zijn godsdienst niet serieus wordt genomen, wordt achtergesteld en ongelijk wordt behandeld, als achterlijk wordt beschouwd en wordt gewantrouwd dan belemmert dat niet alleen zijn godsdienstigheid. Hij voelt zich erdoor  vernederd. Hij voelt zich in zijn eigenwaarde aangetast.”

Het zal duidelijk zijn: hier wordt respect gevraagd. Neen, respect geëist! “Het diepste wat mensen beweegt” — zoals Hans van den Broek, of Hirsch Ballin, of Rouvoet zouden zeggen — is hier in het geding. Maar op grond waarvan wil de islam – in Gods naam, zou ik bijna zeggen – dat respect dan opeisen? Er is in dat geloof niets positiefs, niets dat de mensheid verder gebracht heeft, integendeel. Het is een gruwelijke vaststelling, maar het is echt niet anders. En misschien is de botheid van deze waarheid wel de oorzaak dat hij zo langzaam doordringt.

Marcouch meent dat de islampolitiek in Nederland uit zes (6) elementen zou moeten bestaan. Ik ga ze stuk voor stuk langs.

1) Marcouch wil allereerst de “volmondige erkenning van de gelijkwaardigheid van de islam en de rechten van de islam door het politieke gezag”. Hij wil dat niet alleen “volmondig” maar ook “regelmatig en met verve”. Het antwoord moet eentonig klinken: op grond waarvan dan?

2) Hier, bij dit punt, stelt Marcouch zich buiten elke bekende mainstream van de islam. Als Marcouch dit meent, kan hij zich geen moslim meer noemen. Hier wordt de sharia afgezworen en het gezag van een seculiere overheid over moslims erkend. Zóver kan de “taqiyya” —  het door de Koran aan de moslims opgedragen liegen tegen de ongelovigen om hen te misleiden — toch niet gaan? Ik citeer Marcouch: “De kern van de scheiding van kerk en staat is dat een geloofsgemeenschap het monopolie op geweld, wetgeving en straf aan de staat laat. De overheid moet iedere gewelddaad of –dreiging die in naam van of onder de dekmantel van de islam wordt gepleegd, streng vervolgen. Dat geldt voor terreur, maar ook voor geweld jegens afvalligen, voor eerwraak, voor vrouwenmishandeling, voor vrouwenbesnijdenis, voor afgedwongen huwelijken, voor geweld tegen homo’s en lesbiennes.  De overheid moet daarbij op de volledige medewerking van de moslimgemeenschappen kunnen rekenen.”

3) Marcouch: “Wat de godsdienstvrijheid een moderne samenleving waard is toont zich altijd in de omgang met de orthodoxe gelovige.” Is het waarachtig? En het maakt verder dan niets uit wát die orthodoxiet gelooft? Voorts: als orthodoxe islamieten in Nederland iets ten deel valt, dan is het wel precies dat wat Marcouch hier eist, namelijk oeverloze tolerantie.

4) Punt 4 is in de speech van Marcouch een herhaling van punt twee.

5) Hier roept Marcouch op tot fors debat over de islam. Dus precies wat hij in deze tekst krijgt. Ik hoop dat hij er blij mee is. Hij wil, zegt hij,  het debat uit de “achterkamertjes“ halen en op publieke fora brengen. Mijn idee! “Islamitisch theologisch onderzoek” roept Marcouch, “moet een plaats krijgen aan de universiteiten,” Maar het grappige is nu juist dat in Leiden, de universiteit van Snouck Hurgronje, waar al vanaf de 17e eeuw op waarachtig onafhankelijke wijze onderzoek werd gedaan naar de islam, de laatste decennia het islamofilisme heeft toegeslagen. Aan de universiteit Leiden worden álle godsdiensten neutraal en wetenschappelijk bestudeerd, behalve één, de islam natuurlijk weer, die heeft gewoon een “predikantenopleiding”, een afdeling propaganda dus. Waarom? Uit een mengeling van betuttel-racisme en angst waarschijnlijk.

(6)  Hier en nog eens aan het einde van zijn speech roept Marcouch de overheid en vooral de PvdA op te vechten voor die ”rechten van de  moslims”. Hij wil zelfs compenserende maatregelen op de arbeidsmarkt voor moslims omdat ze op grond van hun geloof van “achterstelling” te lijden zouden hebben Nu las ik inderdaad bij Ruud Koopmans zeer recent ( NRC van 19 november 2008) het volgende: “De Wet Samen, die beoogde de arbeidsmarktparticipatie van allochtonen in het bedrijfsleven door verplichte voortgangsrapportages te vergroten, is niet verlengd.”  Terecht zou ik zeggen, want als we moslims blijven privilegeren op de arbeidsmarkt en tegelijk aan de huwelijksmigratie geen halt toeroepen, hebben we het perfecte perpetuum mobile van immigratie uit moslimlanden uitgevonden. Voorts is er her en der nog wel degelijk sprake van idiote voortrekkerij (“positieve discriminatie”), bijvoorbeeld in de hogere echelons van de politie, waar zoals Koopmans meldt “een frisse blik” unverfroren direct geassocieerd wordt met allochtoon-zijn en boven vakkennis wordt gesteld. Tenslotte heeft Koopmans in zijn stuk nog eens uitgelegd wat een industrie aan allochtonengeknuffel er in Nederland nog steeds bestaat. Marcouch beroept zich hier overigens op de juiste manier op artikel 1 van de grondwet, namelijk om te betogen dat maatschappelijke achterstelling op grond van godsdienst verboden is. Marcouch geeft er  hier gelukkig geen enkele blijk van, integendeel,  te lijden aan het misverstand dat dit artikel iets met de Vrijheid van Meningsuiting te maken zou hebben en dat het gebruikt zou kunnen worden om het maatschappelijk debat te smoren.  Maar zoals gezegd, met een bijna genetisch gedefinieerde religieuze identiteit, zoals bij Marcouch (en Hirsch Ballin), kom je met  137c ook een heel eind.

De persoon van Marcouch is mij een raadsel.  Hij spreekt zich uit tegen veel wat de islam kenmerkt: tégen antisemitisme, geweld, extremisme, totalitarisme, vrouwenmishandeling, vrouwenbesnijdenis, afgedwongen huwelijken, eerwraak, discriminatie van homo’s en lesbiennes. Tegelijk spreekt hij zich uit vóór een open debat over de islam, een liberale islam, een vernederlandste islam, de westerse democratie, bescherming van moslimafvalligen.  Ik meen te weten dat Marcouch ooit gezegd heeft dat moslims wrede soera’s uit de Koran mogen negeren omdat ze indruisen tegen het verstand dat God de mens immers heeft mee gegeven om een moreel oordeel te kunnen vellen.  Bijna elk punt op zich, en voorzeker alles bij elkaar, is voldoende om van Marcouch te verklaren dat hij in geen enkele gangbare definitie nog moslim is.  Wat hij aanhangt is blijkbaar een verlicht soort humanisme dat ik op geen enkele manier meer met de islam in verband kan brengen. Maar waarom wil Marcouch dan tóch een geloof verbreiden waar blijkbaar zóveel achterlijks en wreeds uit weg geschrapt moet worden? Hoe kan hij met droge ogen in deze lezing spreken van de islam als de godsdienst die  “als een onverwacht geschenk door  Marokkaanse en Turkse gastarbeiders ( . . . ) het land is binnengesmokkeld”? Een geschenk! Godallemachtig!

Wie aanhangt wat Marcouch zegt aan te hangen kan niet anders besluiten dan dat de islam, en zeker de bewust orthodoxe,  eigenlijk wegens schending van fundamentele mensenrechten verboden zou moeten worden. Het is een raadsel waarom zo iemand hevig bepleit dat politievrouwen het meest gangbare symbool van het racisme tégen en hersenspoeling ván de vrouw in de islam moeten kunnen dragen, namelijk de hoofddoek. Des te wonderlijker is ook in dat licht zijn pleidooi voor islamles op openbare scholen. Marcouch zal immers niet bedoelen dat er kritisch, godsdienstwetenschappelijk, objectief en vergelijkend over de islam  en andere godsdiensten gesproken zal worden op die scholen, want dat zou het einde van menige ontkiemende liefde voor Allah en zijn prachtprofeet zijn.  Hij bepleit dus een privilege voor de islam dat geen enkele andere godsdienst heeft. Dát is, voorwaar, weer helemaal in de traditie van de islam zoals we die hebben leren kennen.

Misschien ligt één sleutel tot Marcouch wel in de volgende passage uit “Zelf Koranlezen” (p. 43) van arabist Hans Jansen: “Nederlandse politici van islamitische afkomst die zich in Nederlandse kranten uitgebreid laten fotograferen met een goed herkenbare luxe editie van de Korancommentaren van Sayyid Qutb op schoot, geven daarmee een signaal af aan moslims, dat de meeste buitenstaanders zal ontgaan.” Jansen zegt het niet, maar die politicus is Ahmed Marcouch.  Mijn vermoeden is overigens dat Marcouch niet geïnspireerd is, althans niet langer, door de antiwesterse en terroristische kant van Qutb (1906 -1966), maar door zijn preutse. Qutb is de man die tijdens een kort verblijf in Amerika geschokt raakte door de vrije omgang der geslachten met elkaar. Maar als Marcouch vooral een fatsoensrakker is, dan  ik zou hem willen adviseren daarvoor niet een hele islam in het geweer te brengen.

Misschien ligt het nog dieper, en wel in de solidariteit van  Marcouch met zichzelf. Dat klinkt cryptisch, maar ik bedoel het volgende. Marcouch heeft, sinds hij als tienjarige naar Nederland kwam, een forse ontwikkeling doorgemaakt. Hij begon, zo weet ik, met een opvatting over de Westerse maatschappij als welvarend en technologisch van hoog niveau, maar die niettemin, zo meende hij toen, decadent was en niet te redden van Allah’s hel. Vervolgens is hij vermoedelijk gaan inzien dat de humaniteit en redelijkheid van het “geloofssysteem” van het Westen nu precies de motors zijn achter dit materiële succes. Parallel daaraan is hij, denk ik, zijn eigen ideologie kritisch tegen het licht gaan houden. Ik kan me voorstellen dat hij nu, geconfronteerd met de rancune van Marokkanen die nog niet zo ver zijn als hij, die – om een woord te gebruiken dat de islam graag gebruikt voor de “ongelovigen – nog in “jahiliya” (onwetendheid) verkeren, de neiging heeft ze te vergoeilijken en te hopen dat ze met de tijd wel tot Verlichting zullen komen. Marcouch zit in een onmogelijke spagaat, maar ook hij zal, net als de PvdA en net als heel Nederland en net als het hele Westen niet onder de uiteindelijke confrontatie met de islam uitkomen en vooral niet uitkomen onder de Grote Erkenning: de islam heeft niets positiefs. Niets.

De hamvraag luidt natuurlijk: wat te doen? Allereerst moeten we degenen die geacht worden de westerse wereld te leiden  blijven vragen 1400 jaar islam eindelijk eens onder ogen te gaan zien. Voorlopig horen we van partijleider Bos alleen maar “de islam is hier om te blijven” en dat hij wel voelt voor koranonderwijs op basisscholen, waarbij die scholen externe figuren zullen aantrekken om die islamlessen te geven. Wie dat in de praktijk zullen zijn laat zich vrezen.

De westerse geest is vooral in zijn elite ontspoord. We moeten terug naar dat proces dat ik een Jezuïtische hoogleraar middeleeuwse geschiedenis, A. G. Weiler, eens hoorde definiëren als  “de Rede, opgevat als de Ontvouwing van Gods Geest in de Geschiedenis”, dus aan die joods-christelijke traditie die, gewassen door de Verlichting, na veel lijden is uitgemond in de Universele verklaring van de Rechten van de Mens en die we hier in het Westen althans probéren na te leven.  Dat betekent in concreto: ophouden met subsidies aan godsdienstige clubs met pre-Verlichtingsidealen. “Omdat mijn God dat wil” is (Kuitert) géén argument in deze maatschappij.  De blasfemiewetten in de gedaante van 137c alsnog ongedaan maken, de misbruikte “godsdienstvrijheid”  uit de wet schrappen en onder de Vrijheid van Meningsuiting laten vallen.

Ten slotte nog eens het onderwijs. Want Marcouch laat het punt hier in deze speech dan wel rusten, het onderwijs speelt een essentiële rol in de “godsdienstkwestie”, al 150 jaar lang. En Marcouch heeft het opnieuw op de agenda gezet met zijn lobby voor islamonderwijs op Openbare Scholen.  Het zou een grote vergissing zijn als de PvdA daarin meegaat. De PvdA (en de VVD) moeten juist erkennen dat de onderwijspacificatie van 1917 een vergissing was:  in ruil voor  de christelijke concessie dat het  algemeen mannenkiesrecht  werd ingevoerd – en twee jaar later vrouwenkiesrecht  –  werd het bijzondere (religieuze) onderwijs grondwettelijk gelijkgesteld aan het openbare.  Maar bijzonder onderwijs heeft nooit de voorkeur gehad van sociaal-democraten noch liberalen.  Dat hebben ze zichzelf achteraf wijs gemaakt. We zouden moeten ophouden met het subsidiëren van scholen op godsdienstige grondslag. Wie zijn kinderen wil hersenspoelen, doet dat maar achter de voordeur. Je zou een kind ook dáár willen beschermen tegen indoctrinatie, maar dan lopen we het gevaar zelf in totalitair vaarwater te raken.  Wat we wel kunnen: voor alle kinderen zijn wat Alice Miller een “helpende getuige” noemt. Kinderen die getraumatiseerd worden door hun opvoeders, komen er veel beter uit als ze in hun omgeving  ooit een vertrouweling hebben gehad die hen vertelde dat het niet gewoon of rechtvaardig was wat hen overkwam. Dat kunnen we als maatschappij mutatis mutandis doen op de Openbare School, waar kinderen kennis maken met alle “religies”, zelfs met de islam,  en verder met alle manieren waarop  mensen tegen het levensraadsel aankijken. Dat zou helpen om van kinderen die thuis gehersenspoeld worden, of onderhevig zijn aan de islamitische variant van de “zwarte pedagogie” die in West-Europa een belangrijke factor was in het ontstaan van twee grote oorlogen (1914 -1945), toch nog geestelijk gezonde en weerbare wereldburgers te maken.  Meer islam, zoals Marcouch wil, is nergens goed en overal slecht voor.

KASSANDER

26-11-08

PS: Carel Brendel wijst mij op een onderliggende bedoeling bij Marcouch om de Jodenvervolging ter sprake te brengen. Daarmee wil hij suggereren dat de moslims de Joden van deze tijd zijn. In de lijn dus van verdwaalde geesten als Jacques Wallage, Ed van Thijn, Job Cohen, Hedy d’Ancona (allen PvdA!) en consorten. Brendel: “De Joden werden niet vervolgd vanwege hun geloof, maar vanwege hun afkomst. Een groot aantal slachtoffers van Auschwitz en Sobibor heeft nooit een synagoge betreden.”

MARCOUCH MET HOLLANDSE BOERE-BOEVE-PETPET

Slinks kijkende Marcouch met Europese boere-boeve-pet

_______________________

 

Advertenties