Het lezen van Martin Bosma’s “Élite van de Valse Munters” is een gemengd genoegen. Het boek is verbijsterend goed, maar ik, die dacht iets te weten van het minkukeldom der linkse zelfmanifestanten, val toch nog weer telkens van verbazing uit mijn stoel: zóóó dom, zóóó geestelijk corrupt, zóóó pervers? Als vanzelf ga je dan nadenken over je persoonlijke ervaringen met de linkse Gutmensch, en ik kwam op Lolle Nauta en Frits van Exter.

Anno Domini 1994 kreeg ik van de redactie van Letter & Geest (Trouw) opdracht een interview te maken met Lolle Nauta, hoogleraar filosofie te Groningen, die met emeritaat zou gaan. Toen ik na twee uur treinen zijn kamer te Groningen had be­reikt, wilde Nauta, die ooit nog aan een PvdA-beginselprogramma had meegeschreven, eerst iets over mijn persoontje weten. Dus vertelde ik hem kort mijn levensloop, die hem, een ouwe sociaal-democraat, heftig had moeten ontroeren.

Ga maar na: 1945 geboren, metselaarsgezin, van de mulo ge­trapt, grote vaart, bouwvakker, kantoorklerk, via schriftelijke cursussen de mulo en het gymnasium (staatsexamens!), universiteit, weer loswerkman, weer universiteit, op 44-jarige leeftijd (1989) eindelijk afgestu­deerd, academisch prijsje, op eigen initiatief en kracht pagina-grote opstellen over zware onderwerpen in Letter & Geest van Trouw, sociaal altijd marginaal geweest en nu, vijftig jaar oud, deze interview-op­dracht met Nauta. Als dát geen ge­schiedenis van proletarisch emancipatie is dan weet ik het niet meer. Misschien, dacht ik, zat er wel een redacteurschap bij Trouw in, als het interview met arbeidersvriend Nauta goed zou lukken.

Ik had mij degelijk voorbereid en Nauta’s saaie boeken allemaal gelezen, maar vond dat er eerst iets anders aan de orde moest komen, namelijk Ruanda, want juist in die dagen schreef Els de Temmerman in de Volks­krant haar verhalen over de beestachtige moordpartijen daar­. Omdat De Temmerman min of meer de enige goede bron was in die burgeroorlog op dat moment, was haar naam in alle media tegenwoordig. Nu nog staat mij de passage bij van het achtjarige kind dat riep ‘Ik zal nooit meer Tutsi zijn!’ voor het afgeslacht werd.

Nauta had ooit nog een paar jaar, met behoud van Westers academisch salaris neem ik aan, ergens in Afrika de honger naar kennis gedempt door daar als ontwikkelingshulp filosofie te gaan doceren.  Mijn openingsvraag  luidde dus, of hij de stukken van Els de Temmerman kende. En ik hield er onderwijl een omhoog. Zijn antwoord luidde tot mijn verbazing: nee. Hij kreeg plotseling iets afwerends, wantrouwends  en tegelijk betrapts. Zo ongeveer als feministes kijken als je iets kritisch’ zegt over de islam. En net zoals je bij die feministes vermoedt dat ze niks over de islam weten en vooral niet willen weten, kreeg ik ook bij Nauta  pertinent de indruk dat die hele oorlog langs hem heen was gegaan. Het was niet tot zijn filosofische wereld doorgedrongen en hij nam het me kwalijk dat ik hem erin betrok.

Dat was nog tot daar aan toe, maar toen wij in een discussie verzeild raakten over de merites van humanitair ingrijpen in misdadigerstaten, kwam de wijsgeer niet verder dan de stelling dat ik, zijn interviewer “iets moest le­ren” (zo zei hij het herhaaldelijk), namelijk dat er in de wereld nu eenmaal gepacificeerde en niet-gepacificeerde gebieden bestonden en dat je daaraan ver­schillende maatstaven moest aanleggen. Nu had ik toevallig even eerder een artikel gepubliceerd onder de titel ”Rekolonisatie met de rechten van de mens in de hand?” (Trouw 23-12-1993). De toen nog weinig gehoorde centrale stelling daarin luidde:

“Wie wil dat de dief van zijn autoradio vervolgd wordt, moet ook niet toestaan dat twee straten verder in de global village gemoord en gemarteld wordt.”

Ik hield de mensenvriend deze stelling voor, maar kreeg niks méér uit deze public intellectual dan dat er nou eenmaal onder­scheid in de wereld was. Het standpunt dat de SP van Jan Marijnissen, Harry van Bommel en Emile Roemer nu nóg heeft.

Na krap anderhalf uur praten, waarvan een half uur was heengegaan met mijn cv,  kondigde de hooggeleerde met mandarinale vanzelfsprekendheid aan dat het interview was afgelopen.

Hij zat in een lage leunstoel, benen over elkaar geslagen, hoofd in de nek, vingertoppen tegen elkaar, de blik nogal veel gericht op het plafond. Hij bleek op diezelfde dag nóg twee interviews gepland te hebben. Daarvoor was ik dus van Amsterdam naar Groningen ge­treind.

We waren blijven hangen in de kwestie “humanitaire interventie”. Omdat hij me alsmaar niet kon uitleggen waarom mensen in zijn “niet-gepacificeerde gebieden” met minder mensenrechten genoegen zouden moeten nemen. Afgezien daarvan: deze “filosoof” verkeerde in de veronderstelling dat ik aan één uurtje inhoudelijk praten met hem genoeg zou hebben om een hele pagina te vullen in een be­schouwend zaterdagkatern (Letter & Geest) dat het algemene niveau van Trouw indertijd fors ontsteeg. Het zei tegelijk iets over zijn megalomanie en zijn gebrek aan klasse. We spraken evenwel af dat er nog een vervolggesprek zou komen.

Maar wie schetst mijn verbazing – ik zelf  in elk geval niet! – toen een paar uur later bleek dat de socialistische mensen­vriend reeds achter mijn rug om de redactie van Letter & Geest had gebeld (Jaffe Vink en indertijd nog Jaap de Berg) om ze te vertellen dat hij mij een slecht interviewer vond en dat hij mij niet meer wilde zien.  Nu hadden ze mij op de krant inderdaad altijd al voor een brekebeen in het genre interview gehouden, maar dat was omdat ze vonden dat ik voortdurend té integer omging met mijn klantjes. Een door mij gemaakt interview werd pas gepubliceerd als de ge­ïnterviewde voor de tekst had getekend. Dat kostte nog wel eens een lekker quootje. De klacht van Nauta was echter geheel nieuw.

Ik heb de vetbetaalde solidariteitsspecialist – Afrika! Het proletariaat! – nog gebeld met de vraag wat hij zelf nou dacht dat hij geflikt had. Het enige wat ik mij van zijn kant van dat telefoongesprek herinner is zijn uitroep: “Met lood in mijn schoenen! Met lood in mijn schoenen ben ik na dat interview naar huis gegaan!” Ach ja, dat kan ook niet anders als je altijd een hoge dunk hebt gehad van jezelf en je komt er in een uurtje discussie achter dat je op essentiële punten niks te melden hebt. Het enige wat ik achteraf voor Nauta als verontschuldiging kan bedenken:  mijn standpunt over humanitaire interventie in die tijd,  midden jaren negentig, was ook wel een beetje erg voorlijk. Dat heb ik wel meer en dat blijkt telkens weer lastig en géén geheide formule voor maatschappelijk succes.

 

EXTER FRITS VAN

Nog meer linkse hufterigheid.  In 1998 werd Frits van Exter hoofdredacteur van Trouw en in december van datzelfde jaar 1998 publiceerde ik in Letter & Geest een essay onder de titel “Een Gezond Instinct voor Eigen Volk”. Dat bracht mij niet de roem die Paul Scheffer met zijn twee jaar latere essay “Het Multiculturele Drama” toeviel. Ik weet niet of dat aan een verschil in kwaliteit van de twee essays lag, maar het scheelde wel dat Scheffers stuk verscheen in het secte-blaadje waar ze het communisme voor de islam hadden ingeruild: de NRC. Wat een tumult! Maar ik troost mij met de gedachte dat ik misschien een wegbereider ben geweest en dat Scheffer mede door mijn stuk van twee jaar eerder de moed heeft gevonden zijn stuk te publiceren. Een heel klein beetje roem bracht mijn opstel me intussen toch wel: ik ben er geen hoogleraar van geworden, zoals Scheffer, maar ik werd in die tijd wel eens uitgenodigd door bijvoorbeeld een regionale christelijke vereniging om mijn licht te laten schijnen over de integratieproblematiek.

Plotseling kreeg ik een brief van Frits van Exter waarin twee of drie arrogante regels stonden, met de volgende strekking: of ik wilde ophouden met mij voor Trouw-journalist uit geven. Ja, ik maak een abrupte wending, maar het viel indertijd op dezelfde manier zó koud uit de lucht op mijn dak. Wat bleek? Omdat ik nogal eens in Letter & Geest publiceerde, had een van die regionale christelijke verenigingen aangenomen dat ik Trouw-journalist was en mij als zodanig aangekondigd. Ik had dat natuurlijk niet eens opgemerkt.

Ik belde van Exter en vertelde hoe het zat. Die arrogante regels in het briefje werden nog overtroffen. Er kon geen excuus af. Ik kan me nog woordelijk herinneren hoe hij het gesprek bazig afmaakte: “Nou dan hebben wij dus geen probleem.”

Dit hufterige gedrag verraadt een gebrek aan innerlijke beschaving. Waarschijnlijk was mijnheer Van Exter niet bijzonder verguld met de ideologische richting van de artikelen die ik schreef, maar het punt is dit: ik was niet machtig of belangrijk en hij vond dat hij mij daarom vrijelijk mocht schofferen. Als ik voor hem van belang was geweest, dan had hij de telefoon even gepakt en gevraagd hoe het zat. Maar ik was de moeite niet. Frits van Exter heeft later nog eens een stuk van me geblokkeerd dat al door Jaffe Vink geaccepteerd was. De titel luidde “Baas op eigen Hoofd”. Het ging over de hoofddoek en het was, als je het nu terugleest, een relatief braaf stuk. Tegenwoordig is Frits van Exter hoofdredacteur van Vrij Nederland, een blad dat ik al jaren niet meer inkijk.

Maar Pennings! Dat woord moet jij nodig in de mond nemen: innerlijke beschaving! Als je zelf scheldstukken produceert waarvan de krokodillen geen vlees lusten.

Als Odysseus zich vermomd als vieze varkenshoeder bij zijn eigen hereboerderij meldt, dan ontvangt zijn zoon Telemachus – die hem niet herkent – hem met alle vriendelijkheid en beleefdheid. Later zegt Odysseus, als hij zich bekend heeft gemaakt, dat hij de echte koningszoon had herkend in de manier waarop hij de varkenshoeder behandelde. Diezelfde Odysseus echter, roeide met  behulp van diezelfde zoon het hele zootje “prinsen” (hereboerenzonen) uit dat zijn vrouw Penelope had belaagd, zijn eiland Ithaca had lopen uitvreten en een cultuur van barbarij in zijn huis had gebracht. De lijken van de vrijers stapelen zich op in die paleizige boerenhoeve van Odysseus op Ithaca!

“En Odysseus op zijn beurt keek rond in zijn woning, of hij geen vrijers meer vond, die zich hadden verborgen om alsnog te ontspringen aan de dans van de dood. Zij lagen opeen op de vloer in stof, vuil en bloed. Zoals vissen uit het zilte water getrokken met hun netten, door de mazen waarvan er géén kan ontsnappen, met open bek op het strand te hoop liggen, zo lagen daar de vrijers.”

Zie: ik ben van de Joods-Christelijk-Verlichte beschaving al heb ik een klassieke opleiding. Ik ga niet lopen moorden, al heb ik er vaak intense zin in. Ik volsta met de verraderlijke vijand de tyfus te schelden. Maar je zal mij nóóit betrappen op arrogantie jegens de varkenshoeder.

_________________________

Link naar oorspronkelijk stuk op Artikel 7

Advertenties