Mijn artikel “Inzake Incest” verscheen oorspronkelijk in Letter & Geest (Trouw) van zaterdag 29 januari 1994. Ik zet het on-line omdat er in het het Trouw-archief geen on-line versie is te vinden. Hier is wel een gefoto-copiëerde versie.

Aanleiding is het artikel “De Vloek van het CDA”, een uitbarsting over homosueeltjes-in-de-knop-gebroken.  In de comments onder dat stuk ontstond een heftige discussie over pedofilie, waarin ik het genuanceerde standpunt verdedigde – (Oei! Dát gaat Stan van Houcke citeren: Pennings:  “genuanceerd” standpunt over pedofilie!) – dat er erger dingen op de wereld zijn dan pedofilie, zoals bijvoorbeeld islamitische pedofilie. Neem alleen al de uithuwelijking op veel te jonge leeftijd aan een vreemde ouwe kerel, het te jong kinderen krijgen waardoor de moedertjes incontinent worden. Of bijvoorbeeld het dorpsoudstenrecht op alle jonge meisje in Iran, waarover ik iets zei in “Farah Karimi legt de islamitische cultuur uit“.

Er zijn dus erger dingen dan pedofilie, en voorts betwijfel ik of in alle gevallen kinderen dermate beschadigd raken dat het de moorddadige mestkar-mentaliteit jegens pedofielen rechtvaardigt. In elk geval denk ik, als de hysterie rond pedofilie wat minder zou zijn, het een paar door pedofielen vermoorde kinderen per jaar zou kunnen schelen. Dat zou toch waarlijk winst zijn.  En dan nu het artikel “Inzake Incest” zoals het oorspronkelijk in 1994 verscheen:

INZAKE INCEST

In de Eper incestzaak werden slachtoffers verdacht en daders slachtoffers. Het bagatelliseren en verontschuldigen van incest komt in Nederland nog steeds voor: “Moeders wordt bijvoorbeeld verweten dood te zijn gegaan, te veel ziek te zijn geweest of te veel psychische problemen te hebben gehad, te veel zwanger te zijn geweest of te uithuizig, te dominant, seksueel te actief of te passief.” Ondanks nieuw verschenen rapporten en proefschriften blijft nog steeds het beste en het beste leesbaar: Jose Rijnaarts, Dochters van Lot, 1987, uitgeverij Maarten Muntinga (Rainbow Pocket), ISBN 9067660728.

Een media-dominee meldde in de jaren zeventig terug te zijn gekomen van de achterhaalde gedachte dat pedofilie schadelijk zou zijn voor kinderen. “Nu zeg ik: hoe kan een oprechte vriendschap tussen een kind en een oudere schadelijk zijn?” Ook inzake incest was hij gerijpt: “Het is een beeldenstorm. Je stelde je altijd iets voor van vaders die hun dochters verkrachten. Tirannen. Maar dat beeld blijkt niet te kloppen. Eigenlijk ben ik al verder dan die beeldenstorm. Ik weet voor mezelf dat ik nog fout zit. Dat ik vastloop met mijn vroegere totale afwijzing van incest. Ik luister naar de verhalen. Die boezemen me niet alleen afkeer in.”

Dominee stond bepaald niet alleen. Zelf herinner ik mij uit het begin van de jaren zeventig een ontmoeting met een kunstschilder in een trendy Amsterdams café. Hij was een dertiger, droeg een kleurige halsdoek en bood mij, toen hij zag dat ik een ordinair vieuxtje dronk, echte Franse cognac aan. Enthousiast vertelde hij over zijn tienjarige dochtertje, waarmee hij zo heerlijk kon vrijen. “Van haar,” zei hij, wijzend op zijn twintigjarige vriendin, “mag ik d’r nog niet neuken. Maar dat komt ook nog wel.” Ik moet bekennen dat ik toen een beetje samenzweerderig met hem mee grijnsde. Ook ik vond het allemaal evenmin erg: ik heb geen trauma’s overgehouden aan die jongeman, die mij als kind aan de waterkant onder het vissen leerde hoe ik hem moest aftrekken. Schamen hoef ik me niet, want nog in 1983 was er in Utrecht een congres, georganiseerd door deskundigen, met als werktitel “Incest. Gewaagde Relatie of Uitbuiting?”

Eind 1992 konden we in de kranten vernemen dat ene Joop W. terecht stond vanwege incest met zijn dochters, die hem hadden aangeklaagd. In de jaren zestig en zeventig was hij uitgever van de seksbladen Chick en Lolita en meende via de propaganda van ‘gezins-seks’ de traditie van Provo voort te zetten. Zij die rond 1980 begonnen met pogingen aan te tonen hoe ernstig en hoe wijdverbreid incest was, hadden dus, behalve tegen de normale afkeer van de waarheid, ook op te boksen tegen de verplichte seksuele vrijheid.

Maar niet alleen kleurig-vulgaire, ook duisterder types maakten zich aan incest schuldig. Ik sprak vier jaar geleden een oudere vroedvrouw die lang had gewerkt in een streek waar een zwaar soort protestantisme overheerst. Het was haar meermalen gebleken dat vrouwen daar in het kraambed wanhopig reageerden op het bericht dat het een dochtertje was. Want ze wisten al dat het voorbestemd was om door vader, eventueel met een beroep op de Bijbel, misbruikt te worden.

Incest wordt nog steeds voor meer dan 90% gepleegd door mannen. Onderzoekster Nel Draijer houdt het erop dat een op de drie vrouwen ooit te maken krijgt met min of meer ernstige opgedrongen intimiteiten en dat een op de dertig regelrecht incestslachtoffer is. Behalve vaders scoren ook stiefvaders, broers, ooms en opa’s hoog als incestplegers. Wat daarbij opvalt, is het onvermogen van veruit de meeste daders tot berouw; als ze de kans krijgen, doen ze het weer. Die ongevoeligheid is jammer, want voor de meeste slachtoffers is er geen grotere troost denkbaar dan een pleger, de vader vaak, die naar het kind toekomt met werkelijk berouw.

De laatste tijd komt iets meer van incest die gepleegd is door vrouwen boven water, maar er zijn nog geen betrouwbare cijfers. Wel wordt nog steeds geprobeerd vrouwen de schuld van incest te geven. De Australische psychiater Anne Banning slaagde erin het feminisme verantwoordelijk te stellen voor incest door vaders. “Feminisme”, zei Banning, “streeft naar meer macht voor vrouwen. Onzekere, emotioneel zwakkere mannen zullen daarom eerder uitwijken naar jongere en zwakkere partners, dus vooral kinderen.” Hadden die wijven maar niet zo dominant moeten worden, vindt Banning blijkbaar. Banning ging nog verder: sommige feministische vrouwen zijn misschien wel in hun machtsstreven gefrustreerd en misbruiken daarom jongetjes. Incest als gevolg van vrouwenemancipatie, derhalve.

De beschuldigingen tegen vrouwen kan men onderscheiden in die tegen de moeder en die tegen de dochter. Ze komen van de daders. Moeders wordt bijvoorbeeld verweten dood te zijn gegaan, te veel ziek te zijn geweest of te veel psychische problemen te hebben gehad, te veel zwanger te zijn geweest of te uithuizig, te dominant, seksueel te actief of te passief. Allemaal verontschuldigingen voor vader om zijn dochter te misbruiken. Ook worden moeders ervan beschuldigd ‘onbewust’ af te willen van hun verantwoordelijkheid van echtgenote en hun dochters naar voren te schuiven om die taak over te nemen, zodat ze zelf weer kind kunnen worden.

De dochter wordt vaak voorgesteld als een intrigante, die bewust bezig was moeder van haar plaats te verdringen en papa’s seksuele gunsten te verwerven. We spreken dan van kinderen tussen vier en veertien jaar! De werkelijkheid is dat deze kinderen, vanaf hun prilste jeugd door vader ‘medeplichtig’ gemaakt zijn. Hij speelt op schuldgevoel en angst voor het uiteenvallen van het gezin. Met succes, want het komt voor dat zo’n kind allerlei taken van de moeder overneemt.

De meisjes wordt wel aangewreven dat ze uit hebzucht vader verleid hebben, om de cadeautjes. Hier wordt het slachtoffer dus tot een gewone hoer gemaakt. En inderdaad worden deze getraumatiseerde vrouwen vaak hoer, met name heroïnehoer. Omdat ze zichzelf waardeloos vinden, vol schuldcomplexen zitten of, van huis weggelopen, naar de meest voor de hand liggende manier grijpen om geld te verdienen en onderdak te hebben. Maar het is de vader die hen langzaam en berekenend in een web van medeplichtigheid probeert te spinnen, onder andere door zijn seksuele misbruik vergezeld te doen gaan van cadeautjes.

Ook wordt wel beweerd dat de dochter uit ‘narcisme’ of vanuit een minderwaardigheidscomplex haar seksuele gunsten aan papa schenkt: uitgelokte incest om aandacht te krijgen. Het allerbontste maken degenen het die de dochter een machtspositie toedenken, omdat zij de vader zou kunnen chanteren. Het is echter altijd omgekeerd. De slachtoffers (en soms de moeders) houden het misbruik geheim omdat ze zich niet schuldig willen voelen aan het veroorzaken van schande en ongeluk in het huisgezin. Ze willen voorkomen dat vader in de gevangenis komt of ontslagen wordt, dat moeder het te weten komt of het gezin uiteen valt. Dat is ook precies waarmee de incestueuze vader dreigt als slachtoffers naar buiten willen treden.

Naast het feitelijke misbruik is het vooral die beklemmende ‘medeplichtigheid’ waardoor zo’n hummeltje – want dat is het vaak nog als de incest begint – getraumatiseerd raakt. Voor kleine kinderen zijn de ouders de hele wereld. Alles wat ze menen te weten, al hun houvast heeft zijn oorsprong in die ouders. De incestueuze vader maakt daarvan gebruik. Als het kind nog zeer jong is, wordt begonnen met strelingen, ompraten, dreigen en belonen. Al gauw voelt het kind zich schuldig en medeplichtig. Het meisje kan dan alleen nog op allerlei manieren aangeven dat ze eigenlijk niet wil. Ze houdt zich slapend als papa naar haar bedje toekomt, stopt zich extra stevig in, vermijdt het dragen van ‘verleidelijke’ kleding, probeert ontluikende vrouwelijke vormen te verhullen. Als ze in de puberteit komt, haat ze haar vader meestal. Het duurt dan nog jaren voor ze dat aan zichzelf of een psychotherapeut durft te bekennen.

Twee argumenten zijn de Lolita-lobby de laatste tijd uit handen geslagen. Ten eerste is nu duidelijk dat het seksueel wervende gedrag van jonge incestslachtoffers een gevolg is van de incest, niet een oorzaak. Hier heeft de Freudiaanse kletskoek, geheten Oedipuscomplex, het zogenaamde seksuele verlangen van kinderen naar hun ouders, een fatale rol gespeeld. Freud zelf geloofde trouwens oorspronkelijk in de echtheid van de verhalen over seksueel misbruik in de kindertijd van zijn vrouwelijke cliënten uit de Weense bourgeoisie. Uit angst om die bourgeoisie de waarheid te vertellen draaide hij zijn bevindingen om en gaf de kinderen de schuld in plaats van de vaders.

Ten tweede is de ‘emotionele onbewogenheid’ waarmee incestslachtoffers aanvankelijk hun verhaal meestal vertellen, geen bewijs voor hun kille verdorvenheid en berekenende hoerenmentaliteit. De psychiatrie heeft geleerd deze schijnbare koelte te benoemen als dissociatie, dat is ‘losmaking’: een slachtoffer ‘verlaat’ geestelijk de plaats van marteling of verkrachting op het moment dat het gebeurt. Bij het vertellen van het verhaal, later, komt diezelfde afstandelijkheid uit zelfbescherming dan weer naar voren. In de ernstigste gevallen kan dit ‘dissocieren’ leiden tot de zogenaamde ‘multiple (meervoudige) persoonlijkheid’. Zo’n deelpersoonlijkheid heeft dan de verkrachting meegemaakt, maar het slachtoffer ‘zelf’ zogenaamd niet.

Er is terecht geschreven over de hysterische overdrijvingen en onterechte beschuldigingen inzake incest en kindermisbruik. Maar dergelijke uitwassen rechtvaardigen niet dat de slachtoffers van incest uit het zicht verdwijnen. Ook niet die van de ‘gewone’ incest door een paaiende vader. Niet alle gevallen zijn zo wreedaardig als dat in Epe. Ook bij de ‘liefdevolle’ incest duurt het verwerkingsproces jaren en wordt het slachtoffer veel, zo niet alle, levensvreugde ontnomen.

Tot ver in de volwassenheid en voor sommigen levenslang blijven de gevolgen van incest voelbaar. Geluk in relaties bijvoorbeeld is iets dat door een incestslachtoffer vaak zwaar bevochten moet worden. Haar partner zal rekening moeten houden met buien van wantrouwen, afwijzing, kilte, intens verdriet, hysterie, vervreemding, minderwaardigheidsgevoelens, zelfverminking, zelfmoord. Het seksuele leven, toch een bron van geluk voor de moderne mens, is meestal moeizaam. In Nederland lopen nogal wat redders in nood rond, partners die hun deel krijgen van het lijden dat hun seksegenoten hebben aangericht.

Zo’n dader, zo’n vader, wat is dat nou voor een vent? Dat weet de wetenschap niet. In de 19e eeuw ontstonden de eerste geleerde verklaringen. Men wees op ongewoon sterke geslachtsdrift of ongewoon zwakke intelligentie bij de daders. Men wees op het sociale milieu: armoede, te kleine behuizing, drankmisbruik en morele afstomping. Incest werd toen gezien als een onderdeel van een algemener crimineel patroon bij de dader.

Maar deze verklaringen waren gebaseerd op onderzoek bij incestplegers die in de gevangenis terecht waren gekomen. Logisch dat men hier inderdaad de laagste sociale lagen en de zwaarste gevallen aantrof. Het gewone en ‘gezonde’ burgergezin bleef buiten schot en men was er dan ook ver vandaan om in de ongelijke machtsstructuur van het gezin de belangrijkste oorzaak van incest te zoeken. Afgezien van de slordigheid, is het toeval dat de Eper incest in lagere milieus speelt.

In moderner onderzoek baseert men zich niet alleen op gegevens van gevangenen. Tegenwoordig worden ook psychotherapeuten gehoord die buiten justitieel verband hulp verlenen aan daders en slachtoffers. En onder de invloed van het feminisme en de algemenere openheid in seksuele zaken sinds de jaren zestig, treden vooral de slachtoffers steeds meer met hun verhaal naar buiten. Dan blijkt dat de dader net zo goed voorkomt in hogere milieus en doorsnee-gezinnen en dat hij niet zelden een naar de buitenwereld aimabele en in zijn beroep succesvolle figuur is. Het kan, als u het zelf niet bent, uw buurman zijn.
___________________________

Link naar dit stuk op AmsterdamPost

Advertenties