Roma

Een stuk van “Filantroop” onder de titel “We behandelen de Roma niet goed!” inspireerde mij om een paar persoonlijk herinneringen neer te schrijven inzake de principieel mobiele medemens.

Een Gelders dorp, ergens jaren 1950. Ik ben een kind en een volwassene vertelt van een dansfeest dat in het dorp is geweest. Er waren d’r ook van het woonwagenkamp. Die ene vent had uitdagend rondkijkend met zijn vrouw zogenaamd gedanst, terwijl hij één hand op haar schouder had en de andere vol in haar kruis.

Dat zal niet verzonnen geweest zijn. Het klopt met mijn eigen ervaringen. Midden jaren 1960. Een groot terras op een zondagmorgen in Nijmegen. Een uur of elf, het is nog niet zo druk. Een groep woonwagenbewoners gaat zitten op een meter of tien afstand van mij. Ze beginnen zeer luid opmerkingen te maken. Het gaat maar door, ze houden niet op. Ik heb verdrongen wat ze zeiden. Het is misschien op het moment zelf niet eens tot me doorgedrongen. De stemmen zijn dermate grof, brutaliserend en schreeuwend dat mijn maag samentrekt. Ja zeker, dat herinner ik mij.  Oh ja: hoe weet ik dat het kampers waren? Ik vroeg bij het weggaan aan iemand aan een ander tafeltje wat dat voor volk was. Hij keek me spottend aan. “Die zijn van ‘t kamp.”

Midden jaren 1970 in Zuid-Frankrijk. Mijn vriendin en ik fietsen met bepakking van camping naar camping. We komen aan op een camping waar alleen een rij woonwagens staat. Vreemd. Maar we zijn moe. We gaan staan aan dezelfde kant als de woonwagens. We laten ongeveer dertig meter tussenruimte. Dat blijkt niet genoeg. Als we aanstalten maken ons tentje op te zetten, begint er keiharde muziek uit de dichtstbijzijnde woonwagen te klinken. Een zigeunerin-achtige komt naar ons toe en begint emmers water leeg te gooien, zodanig dat het water op vijf meter van ons vandaan neerkomt.

We begrijpen de boodschap. We gaan aan de overkant staan en heel ver weg van elke woonwagen. We beginnen ons tentje op te zetten. Een stuk of tien kinderen beginnen rond ons te zwermen. Maar dan héél dichtbij. Ze gaan op je huid zitten.  Ze raken je van alle kanten. Als een zakkenrollersbende die iemand insluit en een slachtoffer doldraait. We hebben meer werk onze spullen in het oog te houden dan met het opzetten van het tentje. En maar kleppen en zogenaamd leergierig afleidende en zinloze vragen stellen in het Frans. “Monsier, monsieur! Quest-ce-que c’est?” Dat is een fietstas, jongen. Daarom hangt-ie ook aan een fiets.

We hebben nooit een hamer bij ons omdat zo’n ding veel gewicht toevoegt aan je bagage als je fietst. Om de haringen van de tent in de grond te meppen, vragen we altijd een hamer te leen bij auto-bezitters. Ook nu. Ik loop naar de overkant waar twee heren staan te praten. Ik vraag of ik een marteau mag prêter. Vorsende en dominante blikken. Ze vertellen zonder aanleiding dat ze met al die wagens naar een groot religieus festival zijn geweest. Later, weer thuis, zal ik in een Vrij Nederland inderdaad een verslag vinden van die religieuze hype onder woonwagenbewoners in dat jaar. De mededeling over het religieuze festival is inleiding om mij dwingend naar mijn standpunt over religie te vragen. “C’est bon, la religion, n’est-ce pas?” Hij heeft de gevraagde hamer in zijn hand en ik ga hem niet krijgen als het antwoord verkeerd is. Toch waag ik het erop. “Parfois.” Soms. Ik krijg de hamer toch. De steel blijkt flink los te zitten.

Als we de tent hebben opgezet, nemen we de omgeving iets beter in ogenschouw. Er daalt een dikke zigeuner met een snor het trapje van zijn woonwagen af. Volle vuilniszak in de hand. Hij zet de zak op de grond en stapt in een ouwe Peugeot. Hij rijdt langs de zak, grijpt hem met zijn linkerhand door het opengedraaide portierraam en rijdt naar de vuilcontainers midden op het terrein. De afstand tussen zijn woonwagen en de vuilcontainers bedraagt nooit meer dan 40 meter. Hij komt niet uit zijn auto, maar zwiert de zak al rijdende in de richting van de containers. Ik zie dat er nogal wat zakken, ook half open en kapot, in de buurt van die containers liggen.

De volgende morgen willen we zo snel mogelijk weer weg. Ik ga naar de toiletgebouwen. Er zijn verse vernielingen aangericht, dat kan ik zien aan het houtwerk dat op de breek- en scheurplekken nog niet verkleurd is. In de toilet-ruimte staan drie kerels. De testosteron hangt zwaar in de ruimte. Ik ken die lucht, het is dezelfde lucht als hangt in een kleedkamer waar een bokser wordt klaargemaakt voor een belangrijke wedstrijd. Die ene snor is net klaar met scheren. Zware baard, dat zie je. Hij draait zich weg van de spiegel en gaat met zijn onderrug geleund tegen de wasbak aan staan, al pratend met zijn kompanen. Hij haalt de scheerkop van zijn scheerapparaat en begint, lichtjes achterwaarts, zonder te kijken, het scheerapparaat tegen de rand van de wasbak uit te kloppen. Ik bedoel: hij doet dat zorgvuldig aan de verkeerde kant van de rand van de wasbak. De kwak baardhaar valt op de vloer.

Als we weggaan vraag ik aan de oudere dame die de camping beheert, hoe ze de woonwagen-humanisten ervaart. Ze kijkt eerst schichtig om zich heen, durft dan wanhopig te kijken en te zeggen: “C’est affreux! Ce sont des animaux!”(Het is verschrikkelijk! Het zijn beesten!) En dan kruipt ze weer in haar schulp, maakt afwerend gebaren met haar hand. Laat maar. Vraag niet verder. Ik ben bang.

Amsterdam . Ergens eind jaren 1980 of begin jaren 1990. Op de dijk langs het kanaal zijn eerst illegaal woonwagens neergezet. Vervolgens wordt het na een paar jaar natuurlijk gelegaliseerd. Goeie plek voor misdaad. Het is een stille, afgelegen plek waarop alleen overdag wandelaars, fietsers en hardlopers te vinden zijn. Nauwelijks ander verkeer. Bovenlangs het terrein loopt hoog een snelweg. De helling van het talud van de snelweg is, schat ik, 40 meter lang en glooit mooi. Als je op die plek even langs de snelweg op de vluchtstrook gaat staan, kan je mooi allerlei spullen van dat talud laten afrollen richting het kamp. Omhoog brengen is ook niet zo’n probleem. Ik zei het al: mooie glooiing. Over water kan er ook van alles aan- en afgevoerd worden.  Als je ’s nachts aanlegt, is er alleen het dijkweggetje tussen jou en het kamp.

Iedere keer als ik hardlopend langs kwam, zag ik die elektriciteitskast op het kamp open staan. Als het waaide wapperde het metalen deurtje in de wind. De kampers hadden blijkbaar zo weinig vrees voor de speurzin van de politie, dat ze niet eens moeite hadden gedaan het aftappen te verbergen. Ach, misschien ben ik wel onterecht wantrouwend geworden door die Haagse vriendin die me vertelde dat ze door omstandigheden een aantal Haagse woonwagenbewoners beter had leren kennen. Een enkel detail herinner ik me: de extreem dure auto’s, zei ze, zijn standaard, maar ze was eens binnen geweest in een wagen waarin het sanitair voorzien was van massief gouden kranen.

Ik heb eens een keer ’n postende politie-auto aangetroffen vlakbij de inrit van het kleine kamp daar aan de dijk. Ik tikte op het portier-raampje. De oudere agent draaide het naar beneden. Ik vroeg of hij misschien wist waarom die kampbewoners toch zo’n voorkeur hadden voor dure Mercedesen en BWM’s. Hij keek me gelaten en vermoeid aan. “Ik denk dat ze een speciaal adresje weten.” Ik zei dat de misdaad op dat kampje welig moest tieren en ik wees op de strategische ligging met die snelweg daarboven plus de mogelijkheid tot vervoer-over-water. Hij knikte. “Wij zouden wel eens een keer onverwacht naar binnen willen, maar de PvdA vindt dat niet goed.” Hij zei inderdaad PvdA, niet “de politiek” of “de gemeenteraad” of zo.

Af en toe zag je op die dijk een foute auto veel te hard rijden. Een van die keren trof ik aan het einde van de dijk de zojuist met 130 langs me gescheurde Peugeot 404. Hij was bezig te keren. Ik vroeg hem of hij aan het proberen was voetgangers te vermoorden. Het antwoord bracht me terug in Nijmegen op dat terras. Totaal uitzinnig begon de kleurrijke medemens me alle ziektes toe te wensen en uit te leggen dat als ik ook nog maar één keer mijn bek open deed hij mij ging vermoorden.

Ik moet nog ergens in een grote doos vol krantenknipsels een bericht hebben liggen uit het papieren tijdperk, waarin een kenner van het woonwagenvolk, een katholieke priester, uitlegt dat kampers wel degelijk voor 95 % crimineel zijn. Ik denk dat die 5 % dan uit baby’s en demente bejaarden moeten bestaan. En uit de familie van Rafaël van der Vaart, natuurlijk. Want je hebt overal goeien. Tegenwoordig hebben we het over “Roma”, maar het is allemaal één pot nat. Wat ook hetzelfde is gebleven. Je mag het niet zeggen. Ik heb het knipsel dan ook bewaard omdat het zo uitzonderlijk was.

Er staan een paar mooie schema’s on-line waar het postmoderne gedachtegoed structureel benaderd wordt. En inderdaad: academische aanvallen op de taal van gewone mensen en op de taal van het gezond verstand (“gesundes Volksempfinfen!” Oei!) heeft geresulteerd in de postmoderne anti-rede en het anti-realisme, kortom de Stalinistische ontkenning van de werkelijkheid in het politiek “correcte” “denken”, waarin alle culturen gelijkelijk respect verdienen. Behalve de burgerlijk-Westerse natuurlijk, die is uniek slecht.

Filantroop vat terecht de mening van “mensenrechtenmaniakken als Cecilia Malmström van de EU en Thomas Hammarberg van de Raad van Europa” aldus samen:

“Iedereen die naar een vreemd land trekt om er zijn eigen folklore aan de plaatselijke bevolking op te dringen en voor wanorde en criminaliteit zorgt, moet daarin volledig z’n gangetje kunnen gaan.”

Daar zal ook niks aan veranderen zolang de elite er geen last van heeft, op het morele krukje kan blijven staan, forse salarissen verdient en prettig woont. Tenzij “het volk” in opstand komt, natuurlijk. Maar het gros is nog te dom om te gaan stemmen en als ze wel stemmen, doen  ze dat op partijen die op dezelfde weg voortgaan: richting een materieel en cultureel failliet Europa, richting een totalitair en geïslamiseerd Europa.

Oh ja, dat meldpunt voor “overlast door Oost-Europeanen” van de PVV. Dat is realistisch en een antwoord op een nep-elite die zich steeds meer als een bezettende macht tegenover zijn eigen bevolking gedraagt, zijn bevolking heeft onderworpen aan grootschalige bevolkingsexperimenten alsof mensen ratten zijn en een high-trust maatschappij heeft veranderd in angstige, zure, agressieve en desintegrerende samenleving, met name in de steden.

Het ergste is: ze gaan dóór en willen hun historische ongelijk niet bekennen, niet qua islam, niet qua multikul, niet qua Israël niet qua het Eurabië-project, en niet qua klimaat-hoax.  En ook niet qua “Oost-Europeanen” dus.  De laatste dagen wordt duidelijk dat de extreem groeiende misdaad door Oost-Europeanen door onze overheid al tien jaar bewust onder de pet wordt gehouden.

UPDATE 5 DECEMBER 2014:
Lees “Onderzoeksrapport: woonwagenkamp is = maffia

Lees: “Fiscus wijkt al decennia voor geweld

“In Nederlandse woonwagenkampen wordt al tientallen jaren geen belasting geïnd. De overheid heeft die fiscale vrijstaten willens en wetens laten ontstaan. Alleen consequent en streng optreden kan het gezag van gemeenten herstellen.”

UPDATE 29 JULI 2017:

Gents appartement gekraakt toen bewoners op vakantie waren

“Vier Portugese bouwvakkers die een appartement huurden aan de Gentse Rooigemlaan, stelden na een vakantie in januari vast dat hun woonst gekraakt was door Roma. Pas deze maand konden de krakers na een beslissing van de vrederechter uitgezet worden.

‘Het was een nachtmerrie. Alles lag vol vuile luiers en smurrie’, zegt Rudi Craeymeersch, eigenaar van het appartement in de Rooigemlaan dat zes maanden lang gekraakt werd.

Nadat de vrederechter begin juli besliste dat de krakers moesten vertrekken, trof hij er een stort aan. Overal slingerde vuilnis rond. Plinten waren verdwenen, net als deurklinken en sloten. Het vals plafond in de gang was vernield.

Het appartement was sinds begin 2016 met een geregistreerd contract verhuurd aan vier Portugese bouwvakkers, via Link2Europe, een bedrijf dat personeel binnen Europa rekruteert. Toen ze eind januari na een vakantie in Portugal terugkeerden naar Gent, bleken de sloten van hun appartement veranderd.”

_______________________________

Link naar dit artikel op AmsterdamPost

Advertenties