Balkons amsterdam oost

Toen ik een citaat wilde linken uit een artikel van mij in Trouw van zaterdag 4 september 1993, merkte ik dat het Trouw-archief voor dat jaar niet gedigitaliseerd is. Omdat het copyright bij mij berust en om die lezers die denken dat ik alléén maar low-brow scheldstukjes op obscure zwarte-laarzen-websites kan schrijven, hierbij mijn stuk uit Letter & Geest, uit een tijd toen er in de mainstream-media nog wel eens hoekje voor de echte avant-garde overbleef. Ja, dat was Letter & Geest toen.

Update 25 april 2018: inmiddels heb ik Depher ontdekt  www.delpher.nlwww.delpher.nl
en het stuk in foto-copie gevonden

HIER IS HET STUK ZOALS HET TOEN VERSCHEEN IN TROUW:

Je kunt toch niet zeggen dat er geen hoop is?

“Je moet aan de strijd tegen racisme, oorlog en armoede deelgenomen hebben om er iets zinnigs over te kunnen zeggen. Wil je iets over het leven in volkswijken met buitenlanders beweren, ga er dan eerst een paar jaar wonen (misschien veertig) en dan zien we wel of je iets spiritueels te melden hebt.”

Dit schreef, op 22 juni, Theo de Boer in Letter & Geest. Bij zijn artikel was een foto afgedrukt van een stuk van zo’n volkswijk. Mijn huis is er net niet op zichtbaar.

Ik woon pas twintig jaar, geen veertig, in dergelijke wijken. Maar er staat tegenover dat ik daar lang als de anti-racistische bonte hond bekend stond. Dus misschien mag ik toch proberen iets geestrijks over het probleem te melden.

Al acht ik mij, met de heer J. W. von Goethe, in aanleg tot alle slechts in staat, racisme kan ik in mijzelf niet terugvinden. Iedere keer weer verbaas ik mezelf door automatisch het individu in de allochtone medemens te willen ontdekken. En gelukkig is ook om mij heen het echte racisme, het ouwerwetse biologische van voor de oorlog, nauwelijks nog manifest.

Vooroordelen vormen zich maar al te gemakkelijk en tegen onze redelijkheid in. Een vrouwelijke kennis van me voelde jarenlang wrok als ze een Limburgs accent hoorde. Dat kwam doordat haar exechtgenoot niet alleen een tiran maar ook een Limburger was geweest. Een andere dame schiet in de stress alleen al wanneer ze een Arabische taalvariant hoort spreken. Ze is namelijk in de gang van haar eigen woning in elkaar gekaratetrapt door een drietal Marokkaanse jongelingen.

Stephan Sanders, de homofiele huisneger van de Volkskrant, werd vorig jaar, wellicht vanwege zijn geaardheid, in elkaar geslagen door Marokkanen. Je zag hem nog lang daarna in een aantal van zijn columns worstelen met zijn progressieve identiteit. Hij was zijn linkse onschuld kwijt geraakt, zei hij.

Een dergelijke ontknaping heeft ook bij mij plaatsgehad. Dat wil zeggen: ik moet mij steeds meer bewust verzetten tegen de vorming in mijn geest van ‘culturele’ vooroordelen, die gevoed worden door indrukken vanuit de media, vanuit gesprekken met mijn mede-autochtonen en vanuit mijn ‘straatbeleving’. Sprekende voorbeelden uit die laatste categorie zal ik achterwege laten, want anders krijgt u alsnog de indruk dat ik een racist ben.

Toch zijn die straatimpressies van belang, omdat ze in een grootsteedse volkswijk anders zijn dan in een gepoetste buitenwijk. Men kan nog afzien van het feit dat je in zo’n volkswijk als autochtoon met meer dan 50 procent van de mensen die daar rondlopen, weinig tot geen affiniteit hebt, maar zwaarwegender is het gegeven dat de criminaliteit onder bepaalde groepen allochtonen vier maal zo groot is als op grond van hun aandeel in de bevolking normaal zou zijn.

Dit gegeven heeft in die wijken niet alleen gevolgen voor het aantal inbraken in je huis of het aantal voorwielen dat uit je fiets wordt gestolen, maar komt ook tot uitdrukking in het straatbeeld. Als je in zo’n wijk iemand tegenkomt van wie je straatwijze oog vermoedt dat hij niet koosjer is, is de kans groot dat zo iemand een allochtoon is. Wanneer je daar een extreem automobiel signaleert – het aantal groeit de laatste paar jaar opvallend – met de bijbehorende overduidelijke crimineel achter het stuur, is de betreffende patser in weinig gevallen een autochtoon stuk tuig.

In een dergelijke omgeving vrij te blijven van vooroordelen, vind ik moeilijk. Nog sterker: ik moet bekennen dat ik zo langzamerhand in staat zou zijn een pamflet te schrijven over minderheden waar uw oortjes, en de mijne, van zouden gaan gloeien. Dus vraag ik mij wel eens bezorgd af, hoe het er uitziet in het hoofd van mijn buurman, die immers veel minder humaan en geleerd is dan ik en bovendien een ander dagblad leest.

Je zou natuurlijk kunnen gaan verhuizen, maar die optie staat alleen open voor mensen uit de hogere inkomensgroepen: degenen die in alle opzichten het minst weerbaar zijn, moeten de lasten dragen van het vreemdelingenbeleid dat bewoners van rijkeluisgetto’s uitstippelen. Het gaat hier om mensen met weinig scholing en intellectuele bagage. Die werkloos zijn of laag betaalde arbeid hebben. Deze mensen wonen, net als ik, in verpauperde buurten in gehorige rothuizen, waar je elke scheet van je bovenbuurman hoort. Dit is de sociale sector waar elk moment links van je, rechts van je, onder je, boven je, tegenover je, achter je, een gek, junk, geluidsterrorist of anderszins minder geintegreerde kan komen wonen. En ook komt te wonen.

Soms verdenk ik mijzelf ervan dat ik bezorgd ben. Maar dan pak ik een spiegel en kijk ik mijzelf eens argwanend en misprijzend aan. Automatisch komt me dan altijd Hans van Mierlo in gedachten, zoals hij in 1966 met ernstig gelaat door Amsterdam wandelde en een tv-interviewer voorhield dat hij ‘bezorgd’ was om de Nederlandse democratie. Toen hij later nog beroemder was geworden, kon men Hans vaak in hoofdstedelijke cafes treffen, waar hij omringd door veel vrouwelijk schoon en vele glazen bier zijn zorgen opzij probeerde te zetten.

U begrijpt dat ik nauwelijks nog met goed fatsoen bezorgd durf te zijn. Maar ik ben het en mijn bezorgdheid groeit als ik het Nederlandse ‘minderhedenbeleid’ zie. Dat wordt gekenmerkt door kwezelachtig gepreek over tolerantie en een misdadig gebrek aan daadkracht, waardoor de groei van intolerantie bevorderd wordt. Misdadig ook tegenover de vele allochtonen van allerlei denominatie die goedwillend zijn en zich schamen voor de grote aantallen van hun oorsprongsgenoten die door onze overheid de misdaad ingeholpen worden.

Neem bij voorbeeld Hans Entzinger, adviseur van D66, die de talenten van allochtonen wil ‘aanboren’. Welke boor hij denkt te gebruiken, vertelt de hooggeleerde goudzoeker er ook bij: een stringenter voorkeursbeleid voor allochtonen op de arbeidsmarkt. Beleidsadviseurs als hij zijn zich er klaarblijkelijk niet van bewust dat zich in onze postindustriele maatschappij een schaarbeweging voordoet: het soort werk dat verse immigranten in steeds grotere mate nodig hebben, komt steeds minder beschikbaar. In die omstandigheden is tegen de tegenwoordige instroom – conservatief geschat 60 000 per jaar – en aanwas van immigranten geen enkel voorkeursbeleid of banenscheppingsplan opgewassen. Een simpel feit dat door de cijfers jaar na jaar bevestigd wordt.

Op donderdag 8 juni verscheen minister Jan Pronk in een Ikon-uitzending op tv. Hij vond, net als Entzinger, dat wij veel meer de positieve aspecten van de migratie moesten zien. Migranten waren, zei hij, niet een probleem, maar een goudmijn. Ook Pronk wilde hun talenten ‘aanboren’. Reeds had de immigratie ons land veel dynamischer en kleurrijker gemaakt, zei hij met een hartstocht die in een genante tegenstelling stond met de uitgebluste indruk die hij maakte.

De orerende bewindsman bracht mijn gedachten terug naar de oerbron van de kleurrijke dynamiek in Nederland: de Bijlmer. In juni werden een wethouder en een directeur van een Amsterdamse woningcorporatie vrijgesproken van een aanklacht wegens racisme. Wat hadden ze gezegd? Dit: ‘Het stigma zwart, werkloos en crimineel klopt in de Bijlmer.’ Je vraagt je af, als je zoiets leest, of er in Nederland nog een tijd komt dat je niet meer mag zeggen ‘het regent’ als het regent.

Waar intussen het optimisme van mensen als Pronk en Entzinger op gebaseerd is, weet geen mens. Zelfs als alle onterecht optimistische plannen om de werkgelegenheid onder allochtonen te bevorderen werkelijkheid worden, dan nog blijft gelden: juist een werkelijk succesvol arbeidsmarktbeleid voor allochtonen, produceert in combinatie met vrije partnerkeuze voor allochtonen een perpetuum mobile, waaraan per definitie geen eind is. De landen waar allochtonen vandaan komen, raken namelijk voorlopig niet leeggeemigreerd, want hebben alle structureel een enorm geboortenoverschot.

Bovendien vraag ik mij af, hoe wijd verbreid onder Turken en Marokkanen de praktijk is van het sluiten van uithuwelijkings-overeenkomsten, waarbij de overkomende partner uit het thuisland een vergoeding betaalt voor het verkrijgen van de Nederlandse verblijfsvergunning die het huwelijk hem of haar oplevert. Is het ruimte maken voor echt politiek vervolgden niet te verkiezen boven die combinatie van vrouwen- en verblijfsvergunningenhandel?

Kan je zoiets als het bovenstaande zeggen? Neen, in Nederland mag je over deze kwestie al heel lang niets meer zeggen dat enig hout snijdt. Met een verwijzing naar Hitler, Moln en Solingen smoren politieke en journalistieke mandarijnen elk kritisch geluid. Hun schuldgevoelens nemen toe naarmate de discrepantie tussen hun eigen behaaglijke geborgenheid en het lijden van het grootste deel van de mensheid zichtbaarder wordt. Hun humanitaire bevlogenheid neemt toe, naarmate in de wereld als geheel elke morele machtsuitoefening schijnt te verdwijnen en ook de Nederlandse overheid steeds meer faalt om grote aantallen burgers een minimum aan welzijn en veiligheid te bieden. Ze zullen net zolang blijven smoren totdat extremisten van de geheel andere kant de publiciteit kunnen overnemen.

Gemakkelijke moralisten die Aad Kosto – want dat is toch maar een Hollander – zo vanzelfsprekend beschadigen, zouden zich eens moeten afvragen wat de rekenkundige consequenties zijn van wat zij voorstaan. Kosto’s ambtenaren kunnen redelijk angstaanjagende extrapolaties naar de toekomst voorleggen van de gevolgen van wat zij ketting-immigratie en het multiplier-effect noemen. Namelijk een tot ver in de volgende eeuw doorgaande stroom van Turken en Marokkanen, die hier rechtstreeks de bijstand en de groeiende getto’s ingaan.

Zoals het probleem nu in Nederland erbij ligt, zelfs al komt er geen enkele allochtoon meer bij, is het al onoplosbaar. Of er zou in Nederland een epidemie van rationaliteit, solidariteit, ecologisch bewustzijn en zelfbeheersing moeten uitbreken.

Dat de wereld beter te ordenen valt, is al helemaal een illusie geworden. Toch roepen sommigen nog: geef het ze daar, dan hoeven ze het niet hier te komen halen. Jan Pronk zelf roept het af en toe nog. Gelooft hij het zelf? Het was begin jaren zeventig al geen reele optie meer en nu voorspellen deskundigen die ik geloof (zie bijvoorbeeld de Wageningse afscheidsrede van professor E. Adema van april 1992) dat er juist door en ondanks mondiale economische groei rampen te gebeuren staan: tekorten aan voedsel, water, huisvesting; ziekten, plagen milieurampen, op drift raken van de wereldbevolking, oorlogen.

Ter bevordering van al deze verschijnselen onderhouden wij met alle Derde-Wereldlanden handelsbetrekkingen die hun economieën kansloos laten en subsidiëren wij hun vooral daardoor bloeiende misdadige regimes.

We zijn, als Europa, als Atlantische wereld, niet eens in staat geweest in ex- Joegoslavië openlijke genocide te stoppen. We zijn, als Nederland, niet eens bij machte een einde te maken aan de gore en mensenvernielende corruptie in onze eigen voormalige Rijksdelen Overzee, inclusief Suriname.

Een tijd lang ging de discussie vooral over de vraag of Nederland al dan niet ‘vol’ is. Een subjectieve kwestie: wie meent dat de mens in een met wat groen omgeven stenen huis met een eigen dak moet wonen, zal eerder geneigd zijn dit land vol te verklaren dan degene die gestapelde betonnen dozen aan galmgalerijen al heel mooi vindt als menselijke huisvesting. Wie ziet hoe niet alleen in de steden en op de snelwegen, maar ook voor elk loket en bij elke maatschappelijke voorziening de files gelijk met de openbare agressie groeien, hoe bepaalde delen van de Nederlandse grote steden steeds meer chaotische en overbevolkte getto’s met Derde-Wereldachtige allures worden, zal zeggen: beetje vol toch wel, ja. Naar die getto’s zal zich overigens ook de stroom van blijvend werkloze immigranten richten. Wie echter reeds woont in bovengenoemd stenen huis aan een rustig woonerf in een betere buitenwijk vind al dat gepraat over een vol Nederland wellicht racistisch. Persoonlijk ervoer ik Amsterdam-Oost in de mens- en auto-arme vakantieperiode als een letterlijke verademing.

Zoals gezegd: een subjectieve kwestie. Maar mijn instincten – om eens een vooroorlogs woord te gebruiken – zeggen mij in elk geval dat, wanneer de Nederlandse culturele en bestuurlijke elite doorgaat met het combineren van verbaal ‘antiracisme’ met praktische bevordering van het tegendeel, er in Nederland ongelukken te gebeuren staan nog voor de mondiale crisis echt alle beleid overbodig zal maken.

Bij mij om de hoek is de Vrolikstraat. Daar is een Turks meisje vermoord door een geflipte buurtbewoner. Een buurtbijeenkomst over de kwestie een paar weken later, liep bijna uit de hand. “Het is hier geen Joegoslavie!”, riep de voorzitster. Neen, nog niet. Maar het is wel te creeren natuurlijk. En dan zijn we tenslotte toch nog op weg naar one world. Maar geen betere. Ik verdedig niet de reddingsboot-ideologie: op de lange termijn is er geen redding meer, niet binnen en niet buiten de boot. De geschiedenis van de mensheid geeft geen enkele aanleiding te vermoeden dat zij in staat is de mate van zelfbeheersing en fatsoen op te brengen die nodig is voor de redding van deze aarde en van de menselijke soort.

In 1963 verscheen in de New Yorker onder de titel Letter from a Region in My Mind het verbazingwekkend moedige relaas van de in 1987 overleden James Baldwin, ook al een homofiele neger, over zijn geestelijk gevecht met zijn eigen ‘racisme’. Ik las het al jaren geleden geboeid en bij het beeindigen van dit artikel kwam Baldwins pamflet, al of niet toevallig, weer op mijn tafel terecht. Hij gaf het dit motto mee:

God gave Noah the rainbow sign

No more water, the fire next time!

In de jaren tachtig gaf Baldwin les in creatief schrijven aan jonge mensen. Zelf had hij toen nog weinig optimisme over. Hoe hij dat hanteerde in zijn lessen, vroeg een interviewer hem.‘You cannot tell these children there is no hope’, zei Baldwin gelaten. Hoe zou hij daar anno 1993 over gedacht hebben?
_________________________

Link naar dit artikel op AmsterdamPost

Advertenties