________________________________________________________________

Deze tekst (30 A-viertjes) van mij komt uit een nóg veel langer essay van mij (75 A-viertjes) getiteld “Nazisme, Islam, Israël: de islam is een nazisme avant, pendant et après la lettre” uit oktober 2010: hier te vinden en ook hier en een verkorte versie hier. Deze tekst over Berman staat in het genoemde lange essay over twee delen verspreid, maar omdat ik soms aan het geheel van wat ik daar over Berman heb gezegd wil refereren, heb ik dat nu apart, onder een aparte titel gepubliceerd. _________________________________________________________________

Volgens Paul Berman is Theo van Gogh op 2 november 2004 eigenlijk door de nazi’s vermoord. Berman brengt de  “Open brief aan Ayaan Hirsi Ali” van moordenaar Mohammed Bouyeri ter sprake, de brief dus die Bouyeri met een slagersmes in de borst van de afgeslachte Theo van Gogh vast stak. Berman:

“[De brief] was een product  van de politieke traditie die de wereld binnenkwam met Haj Amin al-Huseini, de moefti van Jeruzalem en met de Duitse radio-uitzendingen en propaganda in de Arabische taal van de jaren 1940 – de traditie van een genazificeerde islam die tenslotte tegenwoordig door een onbepaald aantal mensen wordt gepromoot, niet alleen in de terroristische marges van de islamistische beweging.” [mijn cursivering]

Van de 299 pagina’s van Paul Bermans boek “The Flight of the Intellectuals” (2010) waaruit dit citaat komt, heb ik veel geleerd. De internationale discussie over de islam zoals die in de Atlantische wereld gevoerd is, wordt uitstekend in kaart gebracht. Wie een ultieme en vernietigende analyse van Tariq Ramadan zoekt, vindt hem hier. Nou ja, ultiem . . . er is één aspect van Tariq Ramadan dat ontbreekt in de analyse van Berman, namelijk zijn kwaliteit van moreel corrupte nep-historicus. Voor die vernietigend analyse moet je bij Machteld Allan zijn.

Óók destructief: de perverse wijze waarop Ayaan Hirsi Ali steeds is vergeleken met Tariq Ramadan, vooral door Ian Buruma en Timothy Garton Ash. In die vergelijking kwam de bedrieger en krypto-fundamentalist Ramadan steeds als de intellectueel-moreel betere uit de bus tegenover de integere en verlichte liberaal Hirsi Ali. Het intellectueel-morele falen van Ash en Buruma wordt door Berman dermate subtiel-vernietigend beschreven dat ik niet zo goed begrijp waarom die twee nog geen zelfmoord hebben gepleegd of in een klooster zijn gegaan. Te weinig intellect en moraal misschien om ten volle te begrijpen hoezeer ze bij de enkels zijn afgekapt en hun kleinzieligheid is aangetoond?

Sinds jaar en dag publiceert Berman in de “New Republic”, waarin ook zijn essay “Who’s Afraid of Tariq Ramadan” (2007) verscheen. (Een essay met die naam komt in de “Flight of the Intellectuals” overigens niet voor: daar vindt de filering van Ramadan completer plaats en verspreid over de verschillende essays). Berman is wat ze noemen een “New-York intellectual”. Berman woont in New-York, maar je kan “New-York intellectual” zijn zonder in New-York te wonen, het is een soortnaam zoals de Amsterdamse “Canal-Girdle-Intellectual” (Koefnoen). Hij heeft nogal wat naam als politiek filosoof en moralist, met een respectabel aantal boeken op zijn naam.

Zijn “Power and the Idealists” (2005) heb ik ooit zeer aandachtig en met vrucht gelezen. Dat ging over “interventionisme” in misdadigerstaten, dus over moraal en buitenlandse politiek, een kwestie die al minstens vanaf 1993 mijn bijzondere aandacht had. In Trouw schreef ik in dat jaar een stuk onder de titel “Rekolonisatie met de Rechten van de Mens in de hand”. Bermans “Power and the Idealists”  plaatste die kwestie van dat “interventionisme”, in de context van het nazisme, van het “nie wieder!”,“Vietnam” en “de generatie van 1968”. Dat is mijn generatie dus: ik ben van 1945. Precies op dat cruciale punt echter, de vraag waar het nazisme op dit moment leeft, maakt Berman mijns inziens een kapitale intellectueel-morele fout. Hij maakt zich namelijk schuldig aan wat ik noem betuttelracisme (de term is van filmmaker Eddy Terstall) en onder invloed daarvan meent hij vervolgens een onschuldige islam waar te nemen die pas door nazi-invloeden “slecht” is geworden. Voor dat betuttelracisme waarschuwt hij overigens zelf zijn hele essaybundel door.

Berman legt bijvoorbeeld omstandig uit hoe in 1983 door Pascal Bruckner voor het eerst werd  beschreven hoe de  Westerse “linkse” en “progressieve”elite zich belachelijk maakte door op allerlei groteske manieren in de valkuil van dat “betuttelracisme” te donderen. De (Engelse) titel van Bruckners boek is alles zeggend: “The Tears of the White man: Compassion as Contempt”. Desondanks bezondigt Berman zich dus aan dat patriarchale racisme, dat “racisme van de antiracisten” (Bruckner) en wel op dat zeer cruciale punt van de relatie tussen nazisme en islam. Berman slaagt er alsmaar niet in de exotische cultuur van de islam tot Collectief  Zelfstandig Groot Kwaad in staat te achten.  En dat toch na het optreden van exoten als de Hunnen en de Vandalen, de Chinese communisten, de Rode Khmer, het Algerijnse FIS, de Hutu’s en de de Tutsi’s, de Janjaweed en, ja . . . 1400 jaar geschiedenis van de islam, theorie en praktijk.

Er zijn er meer die in dezelfde valkuil van het betuttelracisme lazeren. En niet de eersten de besten. Zo bijvoorbeeld de auteurs van een baanbrekende studie: Klaus-Michaël Mallmann en Martin Cüppers, “Halbmond und Hakenkreuz: das Dritte Reich, die Araber und Palästina“ (2007). Voor de auteur van “Nazi Propaganda for the Arab World” (2009), Jeffrey Herf, geldt hetzelfde.  Beide boeken zijn door Berman gelezen – en ik kan het me bijna niet voorstellen, omdat Berman altijd zeer kritisch is en zich vooral aan grote namen niks gelegen laat liggen -maar  misschien heeft ontzag voor het oordeel van deze specialisten toch meegespeeld in zijn karakterisering van de relatie islam-nazisme.

In zijn “Flight of the intellectuals” neemt Berman een essay op dat getiteld  is “The Cairo Embassy Files”. Die titel slaat op de bronnen die gebruikt zijn door Jeffrey Herf in dat genoemde boek “Nazi Propaganda for the Arab World”. Die bronnen zijn de transscripties die op de Amerikaanse ambassade in Cairo gemaakt werden van de nazi-propaganda die van 1940 tot 1945 per radio onophoudelijk op alle Arabische landen in het Midden-Oosten werd losgelaten. In dat essay, “The Cairo Embassy Files”, wenst Berman een mogelijk oorspronkelijk “nazistisch” karakter van de islam niet te overwegen. Hij wil vasthouden aan een eenzijdige christelijke, Europese, Westerse schuld. Een relatief onschuldige islam is gecorrumpeerd door de nazi-propaganda. Voor Berman dateert de ontsporing van de islam pas van Hassan al-Banna (dood 1946) en Sayyid Qutb (dood 1966).

Je proeft Bermans insteek al meteen scherp in zijn demonisering van de Kruisvaarders die “in hun ijver een heel kwart van de Joodse bevolking van Noord Europa afslachtten, zelfs nog voor ze verder trokken om nog meer Joden en moslims te vermoorden in Jeruzalem”. Terwijl het hier toch echt gaat om een extreme gebeurtenis tijdens de Eerste Kruistocht, veroordeeld door een flink deel van de kerkelijke hiërarchie, voert Berman dit als dé essentie van dé Kruistochten op. Berman noemt niet Rodney Stark, “God’s Battalions: The Case for the Crusades” (2009), een baanbrekend boek dat een paradigmawisseling zou kunnen inleiden en een hele reeks zelfbeschuldigende lectuur over dat onderwerp overbodig kan maken. Stark maakt namelijk duidelijk dat de Kruisvaarders gedreven werden door woede en verontwaardiging over de terreur die de islam pleegde vanaf de 7e eeuw, toen de Mohammedanen in een oceaan van bloed het grootste deel van de toen bekende wereld onderwierpen.

In 732 n. Chr. stonden de hormoongedreven hordes van Mohammed niet alleen tot in Afghanistan, maar ook tot in Zuid-Frankrijk. Bij Poitiers werden ze door Karel Martel, God zij dank, verslagen. Toen paus Urbanus II in 1095 in een weiland in het Franse Clermont opriep tot de eerste Kruistocht, hadden die islamitische hordes al vier eeuwen lang bloedige en slavenhalende raids uitgevoerd, de onderbuik van Europa in. Eeuwenlang hadden ze vreedzame pelgrims die “het land van Jezus”, Palestina, wilden bezoeken geterroriseerd en tot slaven gemaakt,  hadden ze heiligdommen vernield, gemoord en verkracht. Ze hadden, ik herinner er nog maar even aan, precies gedaan wat de islamitische “heilige boeken” voorschrijven. De Kruistochten hebben de Kruisvaarders hun persoonlijke fortuinen en de toenmalige West-Europese economieën schatten gekost. De Kruisvaarders zelf betaalden niet alleen met hun geld en goederen, maar bovendien met gruwelijke ontberingen, angst, gevaar en vaak met hun leven. Wie de voorgeschiedenis van de Kruistochten uitgebreid wil lezen en geen zin heeft in een oceaan aan voetnoten,  moet Paul Fregosi ter hand nemen: “Jihad” (1998). Wie in zéér kort en zeer krachtig bestek iets wil weten van 1000 jaar (tot 1683 toen de Turken de laatste keer voor Wenen stonden) van de bloedige en slavenhalende raids de onderbuik van Europa in, kan terecht bij “De Kracht van de Rede” van Oriana Fallaci (2005) op de pagina’s 43-60, die zich trouwens grotendeels op Fregosi baseert zonder hem te noemen.

Je proeft Bermans insteek eveneens scherp in de manier waarop hij kijkt naar de Joodse immigratie vanaf het einde van de 19e eeuw naar Palestina: het Zionisme. Aanvankelijk, aldus Berman, was de Zionistische onderneming klein en bescheiden, maar toen Hitler aan de macht kwam “openden de sluizen tenslotte en een Joodse vloed stortte zich uit in zuidelijke richting in Palestina”. Berman meent dat “de Arabieren alle reden voor paniek” hadden. Hij betitelt de “grieven van de Arabieren tegen de Joden in Palestina” als “authentiek” en “zichtbaar in het echte leven”. Hij geeft anderzijds wel zijdelings toe dat er een mogelijkheid lag voor “toekomstig leven van wederzijds profijt” voor Palestijnse Arabieren en Joden. Maar hij werkt dat niet uit. De vraag is natuurlijk wat voor uit het leven gegrepen, authentieke grieven en zelfs redenen voor paniek  die Palestijnse Arabieren gehad kunnen hebben tegen een immigratie die sinds 1882 een ongekende dynamiek en welvaart naar Palestina bracht. Want dat was wat er gebeurde. De gedetailleerde en baanbrekende studie van Efraim Karsh, “Palestine Betrayed” (2010) – die wat mij betreft ook een paradigmawisseling zou behoren in te leiden –  citeert bijvoorbeeld de Peel-commissie van 1937 ter zake. In een land dat eeuwen een desolate uithoek was geweest namen levensverwachting en bestaanszekerheid sinds die tijd voortdurend  toe.

Een punt dat Berman evenmin ter sprake brengt is dat door de dynamiek weer vele Arabische immigranten werden aangetrokken. Er is zeer veel discussie over de vraag hoe groot die, vooral informele “illegale” en dus ongeregistreerde immigratie van Arabieren naar Palestina vanuit de omringende Arabische landen is geweest. Fred M. Gotthheil komt in de Middle East Quarterly  (2003) tot de conclusie dat met grote waarschijnlijkheid moet worden aangenomen dat die immigratie omvangrijk is geweest en wel op grond van “het universeel erkende verband ( . . .) tussen regionale economische kwaliteitsverschillen en migratie-impulsen.” Het zou wel eens kunnen zijn dat veel van degenen die nu doorgaan voor afstammelingen van “Palestijnen”, voorouders hadden die pas in de jaren 1920 en1930 naar Palestina waren gekomen,  later dus dan vele Joden. Die voorouders waren dus minder “Palestijn” dan die betreffende Joden.

Berman geeft geen blijk het bovengenoemde boek van Efraim Karsh,”Palestine Betrayed”, te kennen. Anders had hij zeer grondig gedocumenteerd kennis kunnen nemen van het feit dat de Joodse gemeenschap (het latere Israël), altijd, vanaf het allereerste begin in de jaren 1920, zowel ideologisch als geografisch het “inclusieve denken” heeft gepraktiseerd: men was altijd, nu al negentig jaar lang, bereid om de Palestijnse Arabieren op basis van totale gelijkwaardigheid mee te laten delen in de door de Joden gegenereerde dynamiek en welvaart. Men nam genoegen met steeds minder gebied. Slechts gedwongen door de anti-Joodse terreur die door de Palestijns-Arabische “elite”, en met name door de moefti van Jeruzalem, doelbewust  werd opgeroepen – via terreur tegen de eigen bevolking! –  hebben de Joden in 1937 (Peel-commissie) toegestemd in een splitsing van het Mandaatgebied en genoegen genomen met een zeer klein deel ervan. De eerste kans op een “eigen staat” voor de Palestijnen wordt vaak op 1948 gedateerd, maar in feite deed die kans zich 11 jaar eerder voor, in 1937.

Over de vluchtelingen over wie nooit gesproken wordt, spreekt ook Berman niet: Israël, op nog geen 10% van het Mandaatgebied, zonder oliegeld en met onvergelijkbaar veel minder VN-subsidie, heeft iets volbracht wat nauwelijks bekend is bij het grote publiek: Israël heeft 850.000 Joodse vluchtelingen, verdreven uit Arabische landen vlak na 1948, naadloos en soepel geïntegreerd. Dan zijn er dus 100.000 meer dan er ooit “Palestijnse vluchtelingen” waren. Israël had geen behoefte de haat in stand te houden. Israël heeft altijd vrede gewild. Wim Kortenoeven, in zijn “De Kern van de Zaak” komt overigens op “niet meer dan 650.000 ”Palestijnse” vluchtelingen en Efraim Karsh, in “Palestine Betrayed” komt op grond van recent eigen onderzoek op maximaal 609.000 uit.  Dat maakt het verschil nog groter.

Evenmin gaat Berman in op de achtergrond van het Zionisme. Waarom wilden de Joden per se een nationaal tehuis in Palestina? Toen de pas geïslamiseerde Arabieren, met hun nieuw verworven expansionistische ideologie, de islam, in de 7e eeuw A.D. Palestina onder het kromzwaard brachten, leefden de Joden er al millennia. Toegegeven, er woonden in de 19e eeuw in Palestina nog slechts enkele honderdduizenden Joden, want na de diaspora waren ze een minderheid in eigen land geworden, omdat de Romeinen de Joden in 70 A.D grotendeels hadden verdreven en hun tempel vernietigd. Na dat noodlottige jaar 70 A.D. volgde een diaspora over Europa en het Midden-Oosten van zo’n 1800 jaar, waarin de Joden overal voornamelijk werden gediscrimineerd, regelmatig lijdend onder pogroms, waaronder natuurlijk de gruwelijkste van alle pogroms, de Holocaust. Al die achttien eeuwen is het verlangen naar de terugkeer naar het Joodse Heilig Land steeds sterker met de Joodse godsdienstige rituelen versmolten geraakt: “Volgend jaar in Jeruzalem!”, luidt de meest bekende heilwens van de Joden bij feestelijke gelegenheden. De Joden hadden dus zéér goede redenen om aan een veilig bestaan op juist dát stuk land, Palestina, de voorkeur te geven. Zij keerden terug naar een landstreek waar ze een verleden van misschien wel 4000 jaar, maar historisch bewijsbaar dik 3000 jaar hadden liggen.

Berman wekt de indruk dat de islamitische terreur tegen de Joden (en Engelsen) in Palestina vanaf de jaren 1920 niet in het kader gezien moet worden van een Huntingtoniaanse “Botsing der beschavingen” tussen islam en Joods-christelijke wereld. Hij zegt: “Zelfs toen, in de late jaren 1930, bleef het conflict in Palestina de eigenaardigheden weerspiegelen van een locale veldslag ( . . .).”  Locale veldslag! Terwijl vanaf 1920 de moefti van Jeruzalem, teneinde de Joden te verdrijven, een beroep deed op de islam, de godsdienst met de totalitaire wereldpretentie en het Pan-Arabisme, toch ook waarachtig geen “lokale” ideologie.

In de door Berman uitgebreid aangehaalde studie van Klaus-Michaël Mallmann en Martin Cüppers “Halbmond und Hakenkreuz” (2006), wordt niet alleen de concrete geschiedenis van de relatie tussen nazisme en islam verteld, maar ik heb ook zelden zo’n helder verhaal gelezen over de cruciale jaren 1920 tot 1940 in Palestina. Dat verhaal staat in het eerste hoofdstuk van “Halbmond und Hakenkreuz” en ik heb een samenvatting gemaakt van dat hoofdstuk onder de titel “ Arabieren en Derde Rijk in Israël”. Dat heb ik gedaan omdat dit soort teksten anders alleen maar beschikbaar komt voor mensen die vreemde talen machtig zijn. Op een subsidie op een vertaling –commercieel kan dat nooit interessant genoeg zijn – hoef je natuurlijk niet te rekenen. In het politieke klimaat van multikul zoals dat al decennia heerst –  en dat geleid heeft tot het onvoorstelbare, namelijk steeds meer tolerantie voor islamitisch geïnspireerde Jodenhaat in West-Europa –  komen uitsluitend pro-“Palestijnse” en “anti-Zionistische” producties voor subsidie in aanmerking, of het nu een tv-documentaire of tekst is.

In dat eerste hoofdstuk van “Halbmond und Hakenkreuz” wordt een van de eerste agitatie-successen van de moefti vermeld:

“Startpunt was Jaffa, waar het gepeupel op 1 mei 1921 Joodse winkels en instellingen aanviel; doel was in het bijzonder een immigranten-opvangcentrum, waarin zowel mannen als vrouwen logeerden en vandaar als poel der zonden werd beschouwd. De Arabische politiemannen keken toe, terwijl men zelfs kinderen doodde en menig slachtoffer de schedel spleet.” [mijn cursivering]

In de dagen tot 7 mei 1921 werden 47 Joden en 48 Arabieren gedood. (Arabieren werden steeds bijna zonder uitzondering gedood vanwege of onder het plegen van terreurdaden door Britse politie-agenten of militairen.)  De Joden ontvluchtten nu Jaffa, naar een voorstad van Jaffa, Tel-Aviv. Vervolgens kreeg Tel-Aviv in dat jaar 1921 autonomie van de Britse mandaatsmacht. Daarna was het relatief rustig tot 1929, met 133 doden.

Januari 1935 gaf de moefti, die het oppergezag in religieuze zaken in Palestina bezat, een “fatwa”  uit. Hij beriep zich op de koran en dreigde met het weigeren van een islamitische begrafenis voor wie land aan Joden verkocht. Kort daarop volgde de stichting van een soort toezichtsorgaan van islamitische “rechtsgeleerden”, de “Centrale Raad ter bevordering van het Goede en de verhindering van het Verwerpelijke”. (Soortgelijke instellingen floreren nog steeds in alle moderne islamitische staten.) Ook hier werkte de islam, behalve via terreur, met het opeisen van de openbare ruimte, via symbolen. Niet alleen moest die Raad op de landverkopen letten, maar ook op islamitische kleding, ongeoorloofd samenzijn van mannen en vrouwen, alsook literatuur, film en theater censureren. In augustus 1938 werd, door  moordaanslagen op degenen die niet capituleerden, afgedwongen dat Arabische mannen een bepaald soort hoofdbekleding gingen dragen, waarmee ze zich, althans uiterlijk, publiekelijk achter de fanatici schaarden, en dat ook vrouwen zich op specifiek voorgeschreven wijze moesten kleden. Streng islamitisch uiteraard en liefst als tegen stof afgedekte meubelstukken.

De door de Arabische “elite” als “verraders“ gedefiniëerden werden vermoord en zij die nog een laatste kans kregen werden bedreigd en gedwongen extreme bedragen te betalen aan “de opstand” of, wanneer ze voor de Engelse Mandaatsmacht werkten, als spion actief te worden. Een identiteitspas aannemen van de Engelse Mandaatsmacht was al een teken van verraad. Vooral de meer welvarende gematigden vluchtten in drommen, waardoor het overwicht van de fanatici weer toenam. Zo was de keuze voor de gematigden drieledig: meedoen annex betalen, vluchten dan wel vermoord worden. In Palestina reizende nazi’s zagen tot hun vreugde hoe de sharia-volksrechtbanken steeds openlijker opereerden en “in alle zaken van de nationale strijd en de nationale eer recht spreken”. Door deze “massieve, naar binnen gerichte terreur” werd de Arabische moslimgemeenschap een parallelmaatschappij, losgekoppeld van de Mandaatsmacht en van de Joodse gemeenschappen. De Jodenhaat en de terreur culmineerden in de zogenaamde “Arabische Opstand” van 1936 tot 1939.

Jeffrey Herf – van het door Berman bewonderde “Nazi Propaganda for the Arab World” – heeft wel gelijk als hij over de moefti zegt dat het verhaal van de nazi-propaganda in de Arabische wereld “heel wat meer was dan een interessant hoofdstuk in de biografie van één man”, want de moefti stond niet alleen het “Pan-Arabisme” ten dienste, maar ook de gehele leer en traditie van de islam. Efraim Karsh zegt het in “Palestine Betrayed” zo:

“Teneinde de Joden uit Palestina te verdrijven gebruikte de moefti het immens ontvlambare potentieel van de islam, dat meer dan een millennium de kern van de sociale en politieke orde van het Midden-Oosten had uitgemaakt en zijn diepe anti-Joodse sentiment. De woede van de Profeet Mohammed weerspiegelend over de verwerping van zijn religieuze boodschap door de Joodse gemeenschap [in Medina], wemelen de koran en de latere biografische overleveringen van de negatieve beschrijvingen van de Joden. In deze werken worden zij geportretteerd als bedrieglijk, kwaadaardig en verraderlijk volk, die in hun onstilbare lust tot overheersing met plezier een bondgenoot zouden verraden en een niet-Jood zouden bezwendelen, die knoeiden met de Heilige Schriften, de heilige boodschap van Allah versmaadden, en zowel Zijn boodschapper Mohammed hadden vervolgd alsook Jezus van Nazareth en andere eerdere profeten. Voor deze trouweloosheid zouden zij een reeks van vergeldingen moeten ondergaan, zowel in het hiernamaals, als ze zouden branden in de Hel, en hier op aarde waar zij terecht waren veroordeeld tot een bestaan van verworpenheid en vernedering. “ [mijn vertaling en cursivering]

Ja, dat “immens ontvlambare potentieel van de islam”. Mooie formulering van Karsh. Hij spreekt niet van een van de islam onderscheidbaar “islamisme”. Dat woord “potentieel” geeft  mooi aan wat anderen omschrijven als “het islamisme zit in de islam als het kuiken in het ei”.

Inderdaad: in tegenstelling namelijk tot wat politiek “correcte” multikulklutsers geloven, is er maar één islam, een extremistische dan wel fundamentalistische. Ook Berman spreekt steeds van “islamisten”, maar dit onderscheid is zinloos. Het is een wijd verbreid misverstand, zelfs onder deskundigen. Zo maakt de sympathieke Bassam Tibi in zijn “Der Neue Totalitarismus: ‘Heiliger Krieg’ und Westliche Sicherheit”(2004) niet alleen onderscheid tussen islam en “islamisme”, maar ziet zelfs in dat “islamisme” nog weer een gewelddadige onderafdeling die hij “jihadisten” noemt.

Paul Berman citeert Bassam Tibi: “In mijn onderzoek ben ik tot de conclusie gekomen dat al-Banna de geestelijke en politieke bron is van Jihadistisch islamisme, dat het totalitarisme vertegenwoordigt in zijn laatste manifestatie.” Uit mijn cursivering blijkt dat ook bij Tibi die gedachte leeft (net als bij Ian Buruma, Matthias Küntzel en Berman zelf) dat  het totalitaire pas in de islam sloop onder invloed van “verstedelijking”en “Westerse modernisering” in het Midden-Oosten.  Maar ik denk dat het veel eenvoudiger is: dat de islam altijd al totalitair was op een heel vanzelfsprekende manier. En dat die sinds begin 20ste eeuw oprukkende “Westerse modernisering” types als al-Banna (maar ook Sayyid Qutb en niet te vergeten de moefti van Jeruzalem al-Husseini) prikkelde om dat inherente totalitarisme opnieuw te expliciteren.

Als Berman een roman van Boualem Sansal ter sprake brengt, zegt hij: “Zij reageren met morele geschoktheid. En met politieke geschoktheid: de alarmerende erkenning dat nazisme en islamisme iets gemeen hebben, te weten een hartstocht voor irrationele en ideologische haat dat vroeg of laat tot massaslachtingen leidt.” [mijn cursivering]

Daar is het weer. Heeft alleen het “islamisme” of de hele islam “iets gemeen” met het nazisme? Je kunt over de kwestie islamisme-islam eindeloos zeuren en de deskundigen die elkaar tegenspreken tegenover elkaar zetten. Hetzelfde geldt voor de vraag of “historisering” en vervolgens relativering en democratisering van de islam mogelijk is. “Historisering” is zeker mogelijk. Sterker nog, dat is al gedaan, bijvoorbeeld in “De omstreden bronnen van de islam” (2009) van Eildert Mulder en Thomas Milo. En dan blijkt dat de islam een verzameling onhoudbare sprookjes is, maar het zijn wel irrationalistische, bloeddorstige, agressieve, plat-triviale, anti-humane en totalitaire sprookjes waarin vele miljoenen fanatiek geloven. Dus als je klaar bent met “historiseren”, wat hou je dan over van de islam om in een redelijke, humane, rechtstatelijke democratie te laten functioneren? Of zelfs maar als hoogstprivaat stukje spiritualiteit? Ik weet van een cabaretier die ooit eens tijdens een etentje aan Wouter Bos gevraagd heeft wat er positief is aan de islam. Bos begon langdurig te grijnzen, maar het antwoord moet nog steeds komen. En niet alleen van Wouter Bos, maar van de hele multikulklutsende Westerse “elite”. Misschien moeten ze het eens aan een imam gaan vragen. Die schijnen het te weten.

In tegenstelling tot wat Berman en geestverwanten denken  –  inclusief, met alle respect, Bassam Tibi –  hebben “islamisten” en “salafisten” in de islam niet alleen de beste papieren, ze hebben de enige. In de islam zijn niet alleen de agressieve en haatdragende papieren veruit in de meerderheid, ze geven ook tenslotte altijd de doorslag. De koran verbergt namelijk een geheim, dat tot voor kort alleen aan islamitische gezagsdragers en aan islamologen bekend was: de relatief “milde” soera’s (verzen) uit de koran worden alle “overruled”, geabrogeerd, teniet gedaan door de agressieve en haatdragende soera’s. De Koran heeft niet alleen een irrationele inhoud, maar ook een irrationele structuur, want de soera’s zijn niet chronologisch geordend, maar naar lengte. Ibn Warraq zegt in “Weg uit de islam”: “Het abrogatiebeginsel werd in elkaar geflanst als oplossing voor de vele tegenstrijdigheden in de Koran.” Slechts specialisten weten welke soera eerder of later door de engel Gabriël namens Allah aan Mohammed ingefluisterd is. En juist dat eerder of later is van beslissend belang, omdat de soera’s die eerder zijn “neergezonden”, zoals de moslims dat noemen, bijna uitsluitend uit de tijd stammen dat de mythische Mohammed nog in Mekka verbleef en zich nog wat gedeisd moest houden. De agressief-haatdragende soera’s daarentegen stammen bijna uitsluitend uit de tijd na de “hidzjra” (de verbanning van Mohammed uit Mekka) toen de “Profeet” in Medina verbleef. Naarmate Mohammed in Medina meer macht verwierf werden de soera’s openlijker agressief en moorddadig, vooral tegen de Joden die iets te geletterd waren om de platte praatjes van Mohammed te geloven. Kortom: alle deskundigen weten dat de soms relatief milde Mekkaanse verzen door de bijna altijd agressief-haatdragende Medinese soera’s worden geabrogeerd.

Je kunt hier, zoals gezegd, eindeloos over zeuren en de deskundigen die elkaar tegenspreken tegenover elkaar zetten. Ik zal in dit opstel proberen aan te tonen dat de hele islam, theorie en praktijk, altijd totalitair is geweest en van alle totalitairismen het meest verwant aan het nazisme. In Letter & Geest van het dagblad Trouw van 18 augustus 2006 wordt de Franse juriste en arabiste Annemarie Delcambre aldus opgevoerd en geciteerd: “Zijn er twee islams, de een oorlogszuchtig en de ander tolerant en vredelievend? Volgens Delcambre is dit een westers verzinsel om de onaangename waarheid niet onder ogen te hoeven zien: “Tussen islam en islamisme bestaat alleen een gradueel verschil. Het islamisme zit in de islam als het kuiken in het ei.” Er is geen goede en slechte islam, zoals er ook geen gematigde of ongematigde islam bestaat. In stricte zin kunnen gematigde moslims niet bestaan, want de leer verklaart zichzelf inherent onveranderlijk en die leer is niet gematigd. Het gezegde van Bernard Lewis “Er bestaan gematigde moslims, maar de islam is niet gematigd” is in feite een contradictio in terminis. Maar voorzover “gematigde moslims” in het echte leven toch blijken rond te lopen, zijn het degenen die de essentie van hun geloof, de onveranderlijkheid, plus het grootste deel van de inhoud van hun geloof links laten liggen. Mij lijkt dat je dan beter dat hele geloof van je af kan werpen. Tariq Ramadan op zijn officiële website: “Er is slechts een islam, heeft hij [Ramadan] gezegd, maar cultureel kan het Afrikaans, Aziatisch, Europees, of Amerikaans zijn.” Nadat president Obama van de VS had gezegd dat Turkije de gematigde islam vertegenwoordigt en zijn minister van BZ Hillary Clinton dat Turkije een seculiere democratie is, zei Erdogan in een openbare speech in 2009 aan  het Oxford Centre for Islamic Studies: “Het is onacceptabel voor ons om akkoord  te gaan met zo’n definitie. Turkije is nooit een land geweest dat zo’n concept vertegenwoordigde. Bovendien kan de islam niet geclassificeerd worden als gematigd of niet.” Hij waarschuwde ook tegen een “kwaadaardige en beledigende benadering van de gevoelig kwesties in de islamitische wereld door zich te verschuilen achter bepaalde democratische vrijheden zoals vrijheid van meningsuiting”. In ”islamofobie” zag hij een groot kwaad, zo bleek uit zijn woorden

Als het onderscheid tussen islam en islamisme fictie is, wordt het des te meer van belang dat men beseft dat in de islam de verplichting geldt om altijd te proberen de ongelovigen met alle middelen te onderwerpen, vooral ook door list en bedrog. Dit beginsel heet “taqiyya” en wie met taqiyya noch abrogatie bekend is, kan door de propagandisten van de islam alles wijs gemaakt worden. Bijvoorbeeld dat de islam een “geloof van de vrede” is. De islam kan soms “slapend” schijnen, maar elke volksmenner met werkelijke kennis van de teksten,  kan elk moment de ware aard van deze ideologie te voorschijn roepen. Het bovenstaande vindt men uitgelegd in Michael Mannheimer “Het Opheffingsprincipe in de Koran”. Of zie Raymond Ibrahim, “Islam, Oorlog en Misleiding: het concept taqiyya”. Nog recenter van Ibrahim: “How Taqiyya Alters Islam’s Rules of War”. In ruimer verband wees Ibrahim er nog eens op dat leugenachtigheid de hele islamitische cultuur ook intern doortrekt. Liegen in dienst van de islam tegen ongelovigen is al helemaal een een goede daad, een daad van altruïsme, omdat onder de islam iedereen gelukkig zal zijn.

Een verwant, maar veel minder bekend begrip is “taysir”: ”de gemakkelijke weg”. In feite betekent het ongeveer hetzelfde als taqiyya. Als het de moslim te moeilijk lijkt om openlijk voor de verbreiding van het geloof op te komen, mag hij veinzen. Als hij het einddoel maar niet uit het oog verliest: wereldwijd de sharia invoeren! Zie Raymond Ibrahim (23 juli 2010), “Top Muslim Cleric Qaradawi Urges Western Muslims to ‘Liberalize’: Outwardly, Anyway”. Al Qaradawi is overigens de man die te zien is in een filmpje op YouTube, waarin hij meldt dat hij nog graag voor zijn dood als laatste daad at random Joden zou neermaaien, al was het in een rolstoel. Ook Berman verwijst naar dat filmpje.

Terug naar Paul Berman. Ik  ga een eentonig liedje zingen, waarin het refrein luidt dat Berman er alles aan gelegen is de Jodenhaat als iets oorspronkelijk christelijks en Westers neer te zetten. Als hij spreekt over de “Protocollen van de Wijzen van Zion” die rond 1900 door de tsaristische geheime politie werden samengesteld om de Joden van alles de schuld te kunnen geven, dan vergeet Berman niet te vermelden dat de Protocollen waren gebaseerd op “een slimme Franse hoax uit de jaren 1860 – wat de Protocollen maakte tot het zoveelste literaire product van de bandeloze Parijse verbeelding van de moderne tijd”.  En zowel het rijp maken van de geesten in de Arabische wereld voor het antisemitisme alsook de verspreiding van de Protocollen was volgens Berman het werk van christenen:

“Gedurende de eeuw waarin de nazi’s aan de macht kwamen, waren sommige van de Europese vormen van bijgeloof zichtbaar beginnen te bloeien in de Arabische wereld – in een paar christelijke hoeken van de Levant om mee te beginnen. In het midden van de 19e eeuw in Syrië, onder de Franse koloniale auspiciën, begonnen Cappucijner monniken met het verspreiden van de oude Europese volkse sprookjes over duivelse Joden en rituele moord. De christenen van Syrië waren de eersten om de Protocollen te presenteren in een Arabische vertaling. Vervolgens vonden de volkse sprookjes hun weg naar moslim-kringen – een noodlottige ontwikkeling. In 1938 circuleerden  de Protocollen en Mein Kampf al in Arabische vertaling op een Palestijnse solidariteitsconferentie in Cairo —  duidelijk aantonend dat oude Europese bijgeloven, netjes bij de tijd gebracht, een welkome ontvangst konden krijgen onder ontwikkelde Arabische en islamitische lezers en niet alleen onder de christelijke minderheid. De nazi’s moeten zeer vergenoegd geweest zijn.” [Mijn cursivering]

Berman geeft geen bron voor zijn suggestie dat het vooral de slechte christenen zijn geweest die de Arabische moslims verleid hebben met antisemitische pornografie en het  is natuurlijk ook donderdaverende onzin: de eigen traditie van Jodenhaat is in de islam enorm. Er zullen best ook christenen geweest zijn die in het Midden Oosten het verkeerde voorbeeld hebben gegeven, maar het gaat om vrij geïsoleerde historische “feiten”, die al dan niet weerlegd of bevestigd kunnen worden. Veel erger dan die foute christenen in het verre verleden vind ik de extreme wil van Berman om de islam zoveel mogelijk schoon te praten en het christendom de schuld aan de islamitische Jodenhaat in de schoenen te schuiven:

“[De nazi’s] moesten de massa van het Arabische moslimpubliek overtuigen dat Europese en christelijke vormen van bijgeloof gezien moesten worden als authentiek Midden Oosters en islamitisch. En voor allebei deze ideologisch uitdagende zaken, wendden de nazileiders zich voor praktische tips en praktische hulp tot dezelfde capabele en energieke persoon (  . . .) en die begiftigd was met een ziel die de nazi’s konden herkennen als sympathiek en broederlijk ( . . .) de Grootmoefti van Jeruzalem, Haj Amin al-Husseini ( . . .). “ [Mijn cursivering]

Kijk-kijk: is er dan géén sprake van een “ziel”van de islam, bijvoorbeeld een antihumaan-totalitaire en vanouds Jodenhatende ziel? Zou Berman dat te “essentialistisch” vinden? Het gaat slechts om de “ziel”van die ene stoute moslim, de moefti?  Inderdaad vind Berman echt dat de slechtheid in de ziel van de islam-als-geloof er uitsluitend in gebracht is door de christenen. Want als Herf in zijn boek zegt dat het nazisme een “fusie” aanging met de islam, daarbij erkennend dat er elementen waren waarmee “gefuseerd” kon worden, wil Berman graag een uiterst subtiel onderscheid aanbrengen. Hij zou liever spreken van een “mengelmoes: een beetje van dat en een beetje van dit, in slimme combinatie”. Zo maakt Berman, op nogal essentialistische wijze, de nazi-gifmenger, en daarmee de christelijke cultuur, toch weer de enige bron van kwaad. Want in deze visie kunnen de elementen uit de islam onschuldig zijn en pas geselecteerd-plus-in-combinatie-met-nazisme tot iets slechts worden.

Berman heeft het wel meer over “ziel”. Hij zegt: “Hier was de misdaad waartegen Abdelwahab Meddeb en zovele andere moslimliberalen, de antifascisten, hebben geprotesteerd vanuit de diepten van hun ziel.” Dat zijn dus de moderne, witte, individuele moslim-zielen van de islam. En tegen welke misdaad protesteren ze? Nou,  ik ken Meddeb niet, maar als we afgaan op wat Berman van hem zegt – “Meddeb is ook een voorvechter van de islam” – dan zal het protest, zoals gewoonlijk, niet tegen 1400 jaar reëel bestaan hebbende islam wezen, bloeddorst-theorie en terreur-praktijk, maar tegen de misdaad van de besmeuring van het “geloof van de vrede”. En door wie? Wel, natuurlijk door die andere  individuele “ziel”, die zwárte ziel, die ziel van Amin al-Husseini, die de collectieve witte “ziel” van de islam ontheiligd  heeft door de “helse en smerige vermenging van islam en nazisme”. Hierdoor zijn “de grotere islamitische principes van tolerantie en beleefdheid” en de  “islam van groothartigheid en beschaving” gecorrumpeerd. Berman is inderdaad vastbesloten er een kwestie van individuele “zielen” van te maken waar het de islam betreft: de islam als ideologie blijft buiten schot. Nou, “buiten schot”, nee: Berman loopt her en der de islam gewoon  te verheerlijken zoals men ziet. Maar hij had misschien wél even moeten vertellen waar die islam van de groothartigheid, de tolerantie, de beleefdheid en de beschaving te vinden is geweest. En dan zonder met de uitgekauwde en inmiddels uitgebreid weerlegde mythe van “el-Andaloes” te komen.

Bermans  opvatting dat de stralingsbron van het Kwaad uitsluitend  in Europa lag en de islam onschuldig was, wordt rechtsreeks uitgesproken, maar ook  indirecter en subtieler gesuggereerd. Maar het is net zo onmiskenbaar. Hij vergelijkt bijvoorbeeld de  politiek van de nazi’s in het Midden Oosten met de “Revolutionierungspolitik” zoals die door Lenin werd bedreven met op de achtergrond het Duitse opperbevel in WO I, die Lenin in een gepantserde trein naar Rusland stuurde om de revolutie te prediken en de Russische oorlogsinspanning te saboteren. Berman is de term “Revolutionierungspolitiek” tegengekomen in een boek met de titel “The Mind of Jihad” (Laurent Murawiec, 20008), maar desondanks komt het niet in hem op de vergelijking te maken met de stroom dollars richting Westen van de moderne oliesjeiks uit Saoedie Arabië en de Golfstaten teneinde Wahabistische imams en moskeeën in de Westers steden te financieren.  De term “Revolutionierungspolitiek” blijft gereserveerd voor het wroeten van de nazi’s in het Midden Oosten: de nazi-bombast, zegt Berman, “straalde krachtig naar buiten” (“beaming outward”) als een “getuigenis van de kracht van propaganda” en niet, zoals je toch ook zou kunnen vermoeden, van de verwantschap tussen nazisme en islam.

Maar de pervertering gaat bij Berman verder. Hij gebruikt de term “getuigenis van de kracht van propaganda” specifiek voor het injecteren van Jodenhaat door de nazi’s in een blijkbaar relatief puur en rein lichaam van de islam. Maar niet alleen schrijft hij de algemene Jodenhaat van de Arabische wereld aan de nazi-propaganda toe, hij bestaat het om de Jodenhaat van de reeds genoemd moderne, hedendaagse sheik al-Qaradawi, die doorgaat voor een groot en “gematigd” geestelijk leider in de islamitische wereld, toe te schrijven aan . . . . de nazi-propaganda van de jaren 1940-1945!.

“( . . .) wat opnieuw suggereert, dat, toen in de jaren 1940, toen Qaradawi een jonge man was, iets in de moefti’s retoriek en in de Arabisch-talige nazi-propaganda in bredere zin krachtig genoeg resoneerde om een blijvende echo achter te laten.”

Ik geloofde  pas dat ik het bij Berman echt gelezen had, toen ik het citaat vertaald had en opgetyped. Ook hier is dus een “ziel” tot slachtoffer geworden van de nazi’s, net als de ziel van Theo van Gogh, maar toch anders. We hebben het hier over de al-Qaradawi van het beruchte YouTube filmpje waarvan Berman zelf melding maakt en waarin de sheik zich begerig toont naar het willekeurige afslachten van Joden. We hebben het over de al-Qaradawi van wie Berman zelf meldt dat we hier te maken hebben met iemand die een “enorm bewonderde figuur is voor Tariq Ramadan” (en in Nederland door Ahmed Marcouch), de auteur van “Islamic Education and Hassan al-Banna”, die “al enige malen aangeboden heeft gekregen het ambt van ( . . .) Hoogste Leider van de Moslimbroederschap” en die desondanks doorgaat voor “gematigd”.  Hier is, kortom, een alumnus van de al-Azhar-universiteit van Cairo, een islamitische geestelijke van het hoogste niveau, die geacht mag worden de islamitische schriftelijke traditie tot in de puntjes te beheersen. Maar een eigen “ziel” wordt hem door Berman niet toegedicht. De welvarende sheik is alleen maar een misleide, een vroeg en tegelijk laat geestelijk slachtoffer van de nazi’s, zoals Theo van Gogh een lichamelijk slachtoffer was.

Merkwaardig, want hier spreekt Berman zichzelf tegen. Bij Amin el-Husseini, de moefti van Jeruzalem, was blijkbaar bij grote uitzondering een eigen, autonoom zwarte “ziel” wél aanwezig. Waarom niet ook een uitzondering voor al-Qaradawi gemaakt? Berman vindt al-Qaradawi “monsterlijk”. Dat zal toch niet te maken hebben met het rossige uiterlijk en de blauwe ogen van de moefti? Dus dat de moefti eigenlijk een blanke was en dus superieur en tot Zelfstandig Groot Kwaad in staat? Ach nee, zover zal Berman toch niet gaan? Maar racisme is het hoe dan ook van Berman. Minimaal het betuttel-racisme dat “links” als een Pavlov-reactie produceert als er verantwoordelijkheid gelegd dreigt te worden bij exoten.

Mallmann en Cüppers (“Habmond und Hakenkreuz”) volgend, vertelt Berman van de plannen die er bestonden voor een “Endlösung” in het Midden Oosten. Mobiele vergassings-installaties, reeds uitgeprobeerd in Oost-Europa, waren bestemd om eerst in Egypte en vervolgens in Palestina te worden ingezet. Deze mobiele vergassinginstallaties stonden lente 1942 klaar om verscheept te worden naar Egypte. Een “Einsatzkommando” onder SS-er Walther Rauff  had tot taak om, als Rommel in de zomer van 1942 er in zou slagen door de Engelse tank-linies te breken, de Jodenmoord systematisch op te zetten: in Egypte, Palestina en Syrië.  Het “Einsatzkommando” telde slechts 24 man, maar de praktijk in Oost-Europa had geleerd dat zo’n eenheid snel uitgebreid kon worden als het “werk” eenmaal begonnen was en dat er bovendien al vlug willige massamoordenaars onder de locale bevolking gevonden werden.  Echter: zowel in Rusland (Stalingrad) als in Egypte (el-Alamein) leden de nazi-legers rond november 1942 beslissende nederlagen. Het werd het keerpunt in de Tweede Wereldoorlog. De geplande Holocaust voor het Midden-Oosten was afgewend.  Voorlopig althans, want de genocidale aanvallen op Israël van 1948, 1967 en 1973 zouden nog volgen. En president Ahmedinejahd van Iran werkt in onze dagen aan een Holocaust-als-Nucleaire- Apocalyps.

De radio-oproepen van de moefti waren, volgens Berman:

“( . . .) de stem van de SS, op walgelijke wijze vertaald in de geest van de islamitische heilige teksten, die de Arabische bevolking moest voorbereiden om deel te nemen aan de campagne die Rauff en zijn Einsaztgruppe Ägypten al van plan waren te voeren.” [mijn cursivering]

Berman spreekt van “heilige teksten”, zonder kwalificatie. En er was géén authentieke islam-stem die het kwaad predikte. Dat was een SS-stem!  Volgens Berman was het ook erg moeilijk om in de islam aanknopingspunten voor de nazi-ideologie te vinden:

“[Nazi]-Geleerden vlooiden de Koran door op zoek naar pasages die geïnterpreteerd zouden kunnen worden als pro-Hitler, in de hoop om, zoals de kaiser voor hem, de führer te kunnen presenteren als de vervulling van Koranische profetieën. Verzen uit de Koran werden gekoppeld aan ‘Mein Kampf’ en de resultaten werden uitgestraald over de kortegolfzenders naar het Midden Oosten.” [mijn cursivering]

Merk op dat Berman de zelfstandige Duitse naamwoorden Kaiser en Führer met een kleine letter schrijft en Koran met een hoofdletter. Het ontbreekt er nog net aan dat hij, als Obama in zijn Cairo-speech spreekt van de “Heilige Koran”. Of neen, dat ontbreekt er niet aan: de “heilige teksten” waarvan Berman repte, daarmee zal toch ook zeker de Koran bedoeld zijn. Berman bereikt zelfs een zekere woestheid in het claimen dat de nazi’s eenzijdig een onschuldige islam hebben bedorven:

“De nazi’s zelf voelden klaarblijkelijk de kracht van hun propaganda. Ze vroegen zich af hoe ver ze konden gaan. Konden ze nóg wildere claims maken aangaande nazisme en islam en ermee blijven wegkomen? Wat als ( . . .) Hitler nou eens een nieuwe goddelijke openbaring had gekregen, zoals de profeten uit vroeger tijden? Kon Hitler niet gepresenteerd worden als een nieuwe profeet, Mohammed overtreffend ( . . .). Als ze nou eens Hitler aan de Shia van Iran voorstelden als een Sjiïtische Mahdi? Hitler de Twaalfde Imam?” [Mijn cursivering]

Al lezende ben ik langzaam steeds meer gaan twijfelen aan het vermogen tot . . . eh . . . introspectieve zelfanalyse van New-York-top-intellectual Berman. Anderen, althans andermans teksten weet hij aardig te analyseren, maar iemand die tot in het krankzinnige eenzijdig de invloed van het nazisme op de islam benadrukt en niettemin ergens op de helft van zijn essaybundel het volgende schrijft, heeft toch een probleempje met  . . . eh . . .  zelfobjectivering: “Of zal iemand beweren dat ik, in mijn presentatie van deze ontwikkelingen in het Midden Oosten,  te veel maak van de nazi-bijdrage? Ik wil niet toegeven aan de verleiding van een één-oorzaak-verklaring, en het allerminste aan verklaringen die factoren van buiten de regio benadrukken.”

Ik weet het niet zeker, het is een speculatie, maar het lijkt alsof Berman toen hij eenmaal zijn insteek voor zijn opstel (The Cairo Embassy Files) had gekozen en al een flink eind schrijvend op weg was, is gestoten op het werk van Mathias Küntzel (“Djihad und Judenhaß. Über den neuen antijüdischen Krieg”, 2002) en vooral op dat van Andrew Bostom.

De laatste, Bostom, is de man die de expansieve oorlogszucht en de Jodenhaat in de islam vanaf de tijden van Mohammed tot in onze dagen als geen ander heeft vastgelegd in zijn hoofdwerken “Legacy of Jihad: Islamic Holy War and the Fate of the Non-Muslims” (2005) en “Legacy of Islamic Antisemitism: From Sacred Texts to Solemn History” (2008). Want midden in zijn opstel brengt Berman een nuancerende vraag aan, die hem desondanks niet tot nuancering van de strekking van zijn opstel heeft gebracht. Eerst stelt Berman vast dat de moefti “niet droomde van een soort post-islam, in de stijl van het Baathisme” en dat de moefti “trouw aan zijn islamistische gezichtspunt” bleef en dat de moefti vond dat de islam“zichzelf voldoende” was, een “religie perfect in zichzelf en die geen bijkomende programmapunten nodig had van de nazi’s of van iemand anders”-  maar dat de mufti desondanks van mening was dat “de islam, in zijn perfectie, parallel liep met het nazisme ( . . ) hetgeen betekende dat, in de mufti’s inschatting, vrome moslims en militante nazi’s natuurlijke bondgenoten waren en dat een door de nazi’s gesponsorde jihad een goed idee was.”

En vervolgens komt dan die prangende nuancerende vraag die de Berman van dit opstel nauwelijks islamkritischer heeft gemaakt en evenmin coulanter tegenover de Joods-christelijke beschaving:

“De hele discussie over gedeelde waarden [tussen nazisme en islam] roept een vraag op die ik het beste maar rechtstreeks kan beantwoorden. De Groot-Moefti van Jeruzalem – was hij iets op het spoor?”

Goeie vraag! En doe vooral eens rechtstreeks beantwoorden! Was de moefti iets op het spoor, was hij “on to something”, zoals Berman vraagt? Zou toch kunnen? Op het spoor van bijna 1400 jaar Mohammedaanse Jihad en Mohammedaanse Jodenhaat misschien, theorie en praktijk? Zoals vooral gedocumenteerd door Andrew Bostom?  Jihad en Jodenhaat. Jodenhaat en Jihad. Jawel. Dat vat 1400 jaar islam heel behoorlijk samen.

Als men, zoals Berman, een opstel schrijft over het verband tussen nazisme en islam, dan zou hij met het werk van Andrew Bostom moeten beginnen. En als men, zoals Berman, de these verdedigt dat de islam door het nazisme bezoedeld en geperveerterd is, dan lijkt het mij geboden om eerst die twee boeken van Bostom te weerleggen. En bovendien kennis te nemen van een polemiek die hij voerde met Matthias Küntzel

We beginnen met die polemiek van Bostom met Küntzel. De verdiensten van Küntzel worden door Andrew Bostom erkend, maar volgens Bostom gaf Küntzel blijk van een enorme lacune in zijn historische kennis van Jihad en Jodenhaat in de islam. In een dertig pagina’s tellende polemiek met Küntzel onder de titel “Brothers of Invention” (en met name in de paragraaf  “Islam, Totalitarianism, and Nazism”) concludeert Bostom dat Küntzels voorstelling van zowel Jihad als islamitische Jodenhaat “slechts schimmen van deze fenomenen” zijn, kunstmatig geconstrueerde abstracties, niet geworteld in de geschiedenis van de islam. Het aandeel “nazisme” in Jihad en Jodenhaat wordt volgens Bostom door Küntzel veel te groot gemaakt en het eigen aandeel van de islam veel te klein. Er wordt, volgens Bostom, “een excessief groot brok nazisme” door Küntzel in zowel Jihad als Jodenhaat gestopt. Bovendien, zo meent Bostom, doet Küntzel het voorkomen alsof beide, Jihad en Jodenhaat,  pas onder druk van het Westerse imperialisme in de 19e eeuw door de Moslim-broederschap, Sayyid Qutb en Hassan al-Banna, zijn “uitgevonden”.  Berman, die blijk geeft ook Küntzel te kennen, is blijkbaar ook door Küntzel beïnvloed, niet alleen door Mallmann/Cüppers en Jeffrey Herf.

De vraag of de islam een nazisme avant la lettre genoemd mag worden – het pendant en après zijn zeer gemakkelijk te bewijzen – komt grotendeels neer op de vraag of het nazisme iets nieuws toevoegde aan de islamitische leer. Dat de Jood als almachtig werd voorgesteld, was misschien een vernieuwing die de nazi’s inbrachten, maar was en is dat doorslaggevend voor de wil tot massamoord onder vele Arabieren op de Joden? Bat Ye’or, ook niet de eerste de beste in islamibus, meent van niet: “op het niveau van de leer, is de nazi-invloed secundair aan de islamitische basis”. En dat blijkt inderdaad uit de vooral door Bostom beschreven theoretische en praktische Jodenhaat vanaf de oorsprong, door alle eeuwen en overal waar de islam zich bevond. Dat blijkt uit het feit dat de pogroms in Palestina van de 19e eeuw en die van 1921 en 1929,  net zo min als de “Arabische Opstand” van 1936 – 1939 nog niet aan nazi-propaganda  geweten konden worden. Dat blijkt uit het gemak waarmee de nazi-Jodenhaat in de eigen Jodenhaat-traditie van de islam opgenomen kon worden. Je kunt wel alle nadruk op de kiemkracht van het nazi-zaad leggen, maar was het niet eerder de vruchtbaarheid van de bodem?

Bostom heeft overvloedig, met een oceaan aan documentatie, aangetoond dat dé twee bepalende essenties van het nazisme de Jodenhaat en de oorlogszucht óók inherent zijn aan 1400 jaar islam, theorie en praktijk. Maar ik heb de indruk dat Berman de betekenis van Bostom niet goed tot zich heeft laten doordringen, laat staan dat hij er serieus op in gaat. Hij noemt niet Bostoms “Legacy of Jihad”, alleen zijn “Legacy of Antisemitism”, wat hij kwalificeert als een “vette anthologie” met een “voorwoord van de formidabel erudiete geleerde Ibn Warraq”. Ja, vet is Bostoms “anthologie” zeker, met 766 pagina’s die vier keer zoveel woorden bevatten als de pagina’s van Bermans “Flight of the Intellectuals”. En Ibn Warraq is niet alleen “formidabel erudiet”, maar hij heeft met al die eruditie ook een fors essay geschreven waarin Warraq, voorzover dat nog nodig was, aantoont dat de islam een totalitair systeem is, vergelijkbaar met communisme, fascisme en nazisme.

Bovengenoemde twee boeken van Bostom zijn niet zo maar boeken, zelf niet zomaar “vette anthologieën”. Flapteksten zijn altijd jubelend. Maar als Steven T. Katz, de directeur van het “Elie Wiesel Institute for Judaic Studies (Boston University) op de flap van “Legacy of Antisemitism” zegt dat we hier te maken hebben met (we doen even Engels, for authenticity’s sake) “a groundbreaking event of major scholarly, cultural and political significance” dan zegt deze Katz niks te veel. Ayaan Hirsi Ali, Martin Gilbert, Victor David Hanson en Martin Peretz voegen zich in het koor van de flaptekstloftuitingen.  Maar op de een of andere manier schijnt het alsmaar niet door te dringen wat dit boek, wat beide boeken van Bostom betekenen. Ook bij Berman niet. Zijn ze gewoon te dik? Je kunt voorlopig overigens volstaan met het samenvattende overzicht geheten “Islamic Antisemitism: A Survey of Its Theological-Juridical Origins and Historical Manifestations.” Dat zijn de pagina’s 31 tot en met 205. Hou er wel rekening mee dat dat er ongeveer 1000 woorden op een pagina staan. Voor “The Legacy of Jihad” geldt iets dergelijks. Een goed overzicht krijgt men als men leest “Jihad Conquests and the Impostion of Dhimmitude – A Survey” op de pagina’s 24  tot 124.  Hier tellen de pagina’s overigens slechts de reguliere 500 woorden.

Ik kan, geloof ik, toch het beste de auteur zelf laten beschrijven wat het vroegste boek  (“The Legacy of Jihad) behelst. Hier is de samenvatting van dat boek door de schrijver zelf:

“The Legacy of Jihad ( . . .) bevat theologische en juridische teksten, ooggetuigenverslagen van historische gebeurtenissen door zowel moslims als niet-moslims, kroniekschrijvers naast essays door vooraanstaande geleerden die analyses geven van de jihad-oorlog en van de regels van overheersing die werden opgelegd aan niet-moslim-volken die onderworpen waren in die jihad-campagnes. “The Legacy of Jihad” onthult hoe een millennium lang over drie continenten – Azië, Afrika en Europa – niet moslims werden overwonnen middels Jihad-oorlogen, onder dwang vaste tribuut-betalers werden (dhimmi’s in het Arabisch)  met als alternatief afgeslacht te worden. Onder het religieuze dhimmi-kaste-systeem, waren niet-moslims onderworpen aan wettelijke en financiële onderdrukking, alsook aan sociale uitsluiting. Omvangrijk primair en secundair bronnenmateriaal, veel ervan hier voor het eerst vertaald in het Engels, wordt gepresenteerd en maakt duidelijk dat jihad-veroverigen zeer wrede imperialistische rooftochten waren, waardoor golven van moslims werden geprikkeld uitgestrekte stukken land te onteigenen en miljoenen autochtonen te onderdrukken. Tenslotte onderzoekt het boek hoe de Jihad-oorlog, als een permanent en uniek-islamitisch instituut, in laatste instantie tot op de dag van vandaag de verhoudingen regelt van moslims met niet-moslims. “

Dat is één kenmerk waarin de islam – en dus niet het ”islamisme”! – overeen komt met het nazisme:  in de oorlogszucht, de gewelddadige expansiedrang, met het “bijkomende” verschijnsel van het in slavernij brengen van “Untermenschen”. Maar hét onderscheidende kenmerk waarin het nazisme genetisch zit vastgeklonken aan de islam is de Jodenhaat.

En dat kenmerk wordt behandeld in Bostoms “Legacy of Islamic Antisemitism” (2008). Ibn Warraq zegt in het voorwoord van dat boek:

“Gedurende de laatste vijftien jaar hebben bepaalde Westerse geleerden geprobeerd te beargumenteren dat, ten eerste, islamitisch antisemitisme, dat wil zeggen haat tegen Joden, slechts een recent verschijnsel is, geleerd van de nazi’s gedurende en na de jaren 1940, en dat, ten tweede Joden eeuwenlang veilig leefden onder moslim-heerschappij, speciaal gedurende de Gouden Eeuw van moslim-Spanje. Beide beweringen worden niet gesteund door het bewijsmateriaal.” [mijn cursivering]

Die laatste zin lijkt mij het understatement van het millennium: “niet gesteund door het bewijsmateriaal”. De bronnenbasis van dit boek, net als van “Legacy of Jihad”, is overdonderend. In dit boek valt, bijvoorbeeld, zéér zwaar gedocumenteerd te lezen hoe vanaf het jaar Onzes Here 638, waarin de Arabieren Palestina bloedig onder het kromzwaard brachten, tot op de dag van vandaag de terreur tegen de Joden van de kant van de islamitische Arabieren niet aflatend is geweest. Dat is dus gedurende bijna 1400 jaar. Die islamitische Jodenhaat – en niet alleen voor Palestina, voor elk gebied waar de islam in 1000 jaar Jihad zijn vernietigende voet zette! –  wordt door Bostom gedocumenteerd via de primaire “heilige geschriften” van de islam zelf, van Koran tot hadith tot sira en verder de hele canonieke interpretatieleer van de ”grote denkers” van het Mohammedanisme, van de wellicht slechts mythische Profeet zelf (plm. 570- 632) tot al-Maududi (1903-1979). Die islamitische Jodenhaat wordt door Bostom óók gedocumenteerd middels een vracht literatuur die op primaire bronnen steunt. Het maakte niet veel uit of het de Arabieren waren of de Turken die de terreur uitoefenden. In 1356, met de inname van het schiereiland Gallipolis, beginnen de Turken de Arabieren als islamitische heersers af te lossen en begint het Ottomaanse Rijk “dat van Europa zijn favoriete slagveld zou maken” (Oriana Fallaci) op te komen. Als definitieve aflossing van de wacht – Turken ipv Arabieren – geldt in het algemeen de val van Constantinopel in 1453, dat voortaan Istanboel zou heten.

Welke vorm had die bijna 1400 jaar niet aflatende terreur onder de islam? Die terreur had deze vorm: haat jegens Joden, massamoord op Joden, “gewone” moord op Joden, marteling van Joden, het laten betalen door Joden van dermate uitzinnige speciale belastingen dat Joden van uitputting vanzelf crepeerden, plus in het algemeen dagelijkse intense vernedering van Joden. Zelfs van deze lezer, gehard in het kennis nemen van de Jodenhaat in de islamitische wereld, maakte zich bij het lezen van Bostom telkens weer een zekere misselijkheid meester. Hier kreeg de uitdrukking “ad nauseam” een letterlijke betekenis. Wie een “academische“ discussie zou willen aangaan over de vraag of het Mohammedanisme wel een “Hitlerisme avant la lettre” genoemd zou mogen worden, zou na lezing van Bostoms boek die neiging wellicht kwijt kunnen raken.

Ik moet misschien toch maar eens gewoon twee voorbeelden geven van de documentatie van Bostoms “Islamic Antisemitism”:

[juni/juli 1834] “De Arabieren slachtten de Joden af die Safed [in het noorden van het huidige Israël] niet konden ontvluchten. Velen, die zich verborgen hadden in grotten en op begraafplaatsen werden opgespoord door de vandalen en gedood in hun schuilplaatsen . . . Zij toonden geen medelijden tegenover de ouderen of de jongeren, kinderen of zwangere vrouwen. Zij verbrandden Torah-rollen en verscheurden heilige boeken, verscheurden gebedssjaals en phylacteries . . . De relschoppers martelden vrouwen en kinderen in de synagoges en ‘onteerden’ christenvrouwen voor de ogen van hun echtgenoten en kinderen. Degenen die hun vrouwen en kinderen dapper probeerden te verdedigen werden vermoord door de bandieten.”

Wie, ondanks het feit dat alle bronnen hetzelfde verhaal vertellen, deze bron niet gelooft (Malachi, “Studies in the History of the Old Yishuv”) zou het bovenstaande in het licht kunnen zien van wat twee Schotse priesters schreven die datzelfde Safed vijf jaar later  in 1839 bezochten:

“Wij waren onder de indruk van het melancholieke karakter van de Joden in Jeruzalem. De beschamende goedkoopte van hun kleding, hun bleke gezichten en de timide uitdrukking ( . . .) We kwamen tot de bevinding dat al de Joden hier [in Safed] in een staat van grote verontrusting leven ( . . . ) de Bedoeïnen dreigden elke dag de stad aan te vallen en te plunderen ( . . . ) We zagen hoe arm gekleed de meeste Joden schenen te zijn. ( . . .) De diepe angst kon gemakkelijk afgelezen worden alleen al van de uitdrukking op hun gezichten ( . . . ). En dat alles in hun eigen land.” (Bonar en McCheyne, “A Narrative of a Mission of Inquiry to the Jews from the Church of Scotland in 1839”)

“In Europa,  en tot op zekere hoogte in de VS, worden we geconfronteerd met een klasse van intellectuelen of pseudo-intellectuelen die het nu in academia, de kerk, vele staatsinstellingen en grote delen van de pers zo’n beetje compleet voor het zeggen hebben en die van mening zijn dat Europa als beschaving en cultuur waardeloos is. Dat al wat wij onderwezen kregen toen ik naar school ging racistisch is, kapitalistisch, imperialistisch, xenofoob, onderdrukkend en neerbuigend jegens andere delen van de wereld en de grote meerderheid van de mensheid. Deze dagen claimen onze elites dat alle kwaad in de wereld voortkomt uit de verderfelijke invloed en machinaties van het Westen en zijn lakeien in het buitenland. Slechts een paar dagen geleden hoorde ik op radio Denemarken, die een van de grotere verspreiders is van deze anti-Westerse ideologie, dat Israël de schuld is van het feit dat Palestijnse mannen hun vrouw slaan. Het moet een geweldig feest zijn geweest om een vrouw te zijn in die contreien vóór 1948. Maar dit is wat we nu onderwezen krijgen in onze instellingen van hoger onderwijs, in de kerken en in de pers: het Westen is waardeloos en hoe eerder wij vervangen worden door een ras van nobele wilden des te beter.”

Dit zijn woorden die Lars Hedegaard uitsprak op 8 maart 2008 in Kopenhagen bij de uitreiking aan Ibn Warraq van de “Free Press Award”. ( . . .) Van Ibn Warraq zelf komt overigens een rake typering van de linkse politieke hedonist: “Teneinde deze psychologische spanning (of dissonantie) te elimineren, ontkent Links elementaire feiten of herinterpreteert ze zodanig dat ze consistent gemaakt worden met diep gekoesterde overtuigingen.”

Ik stelde hierboven vast, dat Berman het werk van Andrew Bostom niet goed tot zich heeft laten doordringen, dat hij niet beseft wat dit werk allemaal bewijst, laat staan dat hij er serieus op in gaat. Een verdere aanwijzing dat hij Bostom niet op waarde schat, is de vergelijking die Berman maakt tussen het werk van Bostom en dat van Mark Cohen: “Under Crescent and Cross: The Jews in the Middle Ages” (2008). Cohens algemene conclusie in dit boek luidt als volgt: “De Joden van de islam ervoeren geen fysiek geweld op een schaal die ook maar in de verte het Joodse lijden in het Westerse christendom benaderde.” Bostom zelf heeft op Amazon.com een kritiek op Cohen geschreven onder de veelzeggende titel: “Intractable flawed, meaningless analysis”, wat ik vertaal als “moedwillige onvolledigheid en betekenisloze analyse”.

Onder die titel zet Bostom uiteen dat Mark Cohen noch naar plaats noch naar tijd een geldige vergelijking maakt tussen islam en christendom. Niet naar tijd: hij vergelijkt slechts de periode  640 – 1240. Niet naar plaats: Mark Cohen vergelijkt (behandeling van Joden ) in het Noord-Westelijk Europese christendom niet met (behandeling van Joden) onder de islam in de Arabische landen, Noord-Afrika en de Sahara. Dat zou, stelt Bostom, een heel ander plaatje hebben opgeleverd dan de vergelijking die Cohen wél maakt, namelijk die tussen(de behandeling van Joden) in het door de islam veroverde Byzantijnse keizerrijk, een gebied met een rijke en tolerante cultuur, met een inherent religieus en etnisch puralisme dat de islam niet per direct heeft weten te vernietigen. Voorts, meent Bostom, laat Mark Cohen de meest positieve Noord-West-Europese ervaring van de Joden onder de christenen in die periode (640-1240) erbuiten, namelijk die in Polen. De kritiek van Bostom is nog veel gedetailleerder en nogal vernietigend, maar dit volstaat wel om vast te stellen dat Berman in geen geval Mark Cohens algemene conclusie serieus zou moeten nemen.

En hoe kwam dat verschil in lijden volgens Mark Cohen? Door het “ontbreken van het irrationele element van Joods-satanische vijandigheid”, zegt Cohen.  Niet alleen is de stelling zelf onzinnig – “Het Joodse lijden in het christendom was veel groter dan onder de islam” – ook deze reden die ervoor gegeven wordt is  in strijd met de feiten. Want dat “satanische”, dat“irrationele element” zou in twee delen uiteen moeten vallen, maar noch Cohen noch Berman maken dat onderscheid.

In de eerste plaats bestaat dat “irrationele” uit de beschuldiging van godsmoord door de Joden en in de tweede plaats uit het sataniseren van de Joden op grond daarvan. Maar het “irrationele element” van de godsmoord bestaat wel degelijk in de islam, namelijk in een poging tot profetenmoord. Allah komt als kille willekeursabstractie natuurlijk niet in aanmerking vermoord te worden, maar wel Mohammed en van pogingen de Profeet te vermoorden zijn de Joden gedurende de hele geschiedenis van de islam beschuldigd. De Profeet is voor de moslims qua “gevoelswaarde” het equivalent van Jezus, de zoon van God,  . Op grond van die “poging tot profetenmoord” zijn de Joden wel degelijk door de islam gesataniseerd.

Maar er is meer! In het Midden-Oosten bestond al vanaf de derde eeuw vóór Christus en dus tien eeuwen vóór Mohammed een eigen traditie van demonisering van de Joden die in Egypte ontstond. Die traditie had niks met godsmoord, christendom of  islam, te maken, maar met rancune.  (Overigens heeft de islam, net als het nazisme, álles met rancune te maken. Misschien had Menno ter Braak toch meer gelijk dan we wel eens denken.)

Pieter van der Horst, hoogleraar Judaica, beschreef in 2006 hoe die demonisering van de Joden  in Egypte begon, bij de priester Manetho. Deze Manetho schreef rond de derde eeuw vóór Christus in Alexandrië, dus lang voordat er christelijk bijgeloof kon zijn ontstaan. Manetho reageerde, volgens Van der Horst, op het verschijnen van de vertaling van een deel van de Tora, waaronder het boek Exodus, waarin de Egyptenaren niet zo’n fraaie rol vervullen. Hier, in de derde eeuw vóór Christus in Egypte, begint dus volgens Van der Horst een eigen Midden-Oosterse traditie van Jodenhaat, pre-christelijk en pre-islamitisch. Van der Horst:

“Toch is dit nog maar het begin van een proces van demonisering van het Joodse volk dat in de eeuwen daarna hoe langer hoe grimmiger vormen zal aannemen. Het meest in het oog vallende is daarbij dat er sprake is van een proces van generalisering waarin de afkeer van Egypte en zijn goden wordt verbreed tot haat tegen de mensheid in het algemeen en ontkenning van de godenwereld. Kortom, het Joodse volk krijgt als wezenskenmerken opgeplakt: misantropie en atheïsme.”

In de eerste eeuw na christus, vertelt Van der Horst,  wordt er namelijk een nieuw element aan de Jodenhaat toegevoegd – Joden zijn kannibalen – en wel door de priester Apion, óók een Egyptenaar, die werkte in Alexandrië. Apions lastercampagne, zegt Van der Horst, heeft “vrijwel zeker ( . . .) bijgedragen aan de grote uitbarsting van fysiek geweld tegen de Joden in Alexandrië (in 38 n.C.), waarmee de eerste pogrom in de geschiedenis een feit werd.”  In Egypte, bij Manetho en Apion, ligt dus een van de oorsprongen, zo niet dé oorsprong, van een beeld van de Joden als Untermenschen. Van der Horst:

“Als kannibalen zijn ze in feite wetteloos, primitief, immoreel, gewelddadig, en conspiratoir. Ik wijs er nadrukkelijk op dat deze extreme vorm van defamering, voortkomend uit een intense Jodenhaat, er al was vóórdat het christendom ontstond en lang voordat er racistische theorieën over de inferioriteit van de Joden werden ontwikkeld.” [Mijn cursivering]

Misschien had Paul Berman deze oeroude traditie van Jodenhaat beter aangeroepen, plus die van de islam die daarop kon voortbouwen, toen hij schreef dat “de Joden van Alexandrië  niet dwaas waren om in reactie op Rommels opmars te vluchten voor hun leven.” Maar Bermans verhaal is eentonig, want zijn volgende zin luidt: “Maar nu kennen we de exacte zinnen die naar buiten richting Arabische wereld uitstraalden op de kortegolf zenders.” Jaja: alles Duits en christelijk, niks eigen voorchristelijks, Egyptisch’ of islamitisch’.

Het verhaal van de oorsprong van de Jodenhaat haal ik uit de afscheidsrede van Pieter van der Horst uit 2006. In feite ging deze oratie over de historische incorporatie van het nazi-antisemitisme in de eigen Jodenhaat-traditie van de islam, zoals die met name tot uiting komt in het “Palestinisme”. Deze rede werd – in een  aanval op een fundament van de Westerse Beschaving, namelijk het Vrije Academische Woord – gecensureerd door de toenmalige magnifieke rector van de Universiteit Utrecht, Willem Hendrik Gispen. Het gedeelte dat niet uitgesproken mocht worden was precies het gedeelte waarin de koppeling van deze “kannibalen-mythe” via het nazisme naar de huidige islam en vooral het “Palestinisme” werd gelegd. De rede is in zijn geheel, inclusief het gecensureerde gedeelte, uitgegeven door het CIDI (Centrum Informatie en Documentatie Israël in Den Haag) bij de uitgeverij Aspekt onder de titel “De Mythe van het Joods Kannibalisme”. In Trouw verscheen een artikel van Van der Horst over de kwestie.

Kortom: er is wél sprake van een equivalent van godsmoord (profetenmoord) in de islam en de oergrond van de Jodenhaat moeten we in Egypte zoeken, drie eeuwen voor christus (het jaar nul) in het cultuurgebied dat later (7e eeuw) Mohammedaans werd. Ik vermeldde al dat Mark Cohens stelling dat er veel minder geweld tegen Joden in het christendom dan in de islam is geweest op geheel niets berust en door de documentatie van Bostom wordt gelogenstraft. Nu zien we dat de “verklaring” voor die “stelling”ook onzin is, namelijk dat er geen “irrationeel element” in de islamitiscche Jodenhaat zou schuilen. Want er is a) wél sprake van een equivalent van godsmoord in de islam, namelijk poging tot profetenmoord en er is b) wél een satanisering van de Joden die daarop voortbouwt en er is c) bovendien een geheel eigen lijn van demonisering (Kannibalisme) die in Egypte in de derde eeuw voor Christus begint.

Bermans perverteringen zijn soms tegelijk direct-grof en subtiel-kronkelend:

“Soms hadden de  radio-uitzendingen van de moefti een oprecht conventionele islamitische klank. In een van de transscripties van de State Department archieven die Herf heeft opgedoken, verzekert de moefti zijn Arabische gehoor, ‘Houd in gedachten dat jullie nooit in de geschiedenis hebben gestreden met de Joden zonder dat de Joden de verliezer waren’ — en dit advies weerspiegelde een traditioneel islamitisch zelfvertrouwen: precies die karaktertrek die aan het vroege christendom in het algemeen ontbrak, gegeven de christelijke vrees voor de Joodse godsmoord.” [mijn cursivering]

Je zou er bijna overheen lezen, maar hier gebeurt iets fundamenteels. De moorddadige terreur, de minachting, het vernederen, het in armoede storten, het excessieve uitbuiten van Joden tot de uitputting, de waarlijk nazistische Uebermenschen-attitude die de islam bijna 1400 jaar lang bijna overal heeft gekenmerkt wordt hier gedefinieerd als “traditioneel islamitisch zelfvertrouwen”. Tegelijk verklaart Berman dat ontbreken van dit “zelfvertrouwen” bij de vroege christenen uit de “vrees voor de Joodse godsmoord”. Vrees? Maar dat was nou toch juist altijd een overheersend “positief” motief voor de christelijke haat bij pogroms en niet “vrees”? Maar ik vrees dat ik begrijp waarom Berman deze idiote kronkel hier maakt: hij wil nog eens zijdelings benadrukken dat in de islam de “vijandigheid jegens de Joden niet-theologisch” is, niet op godsmoord is gebaseerd. De stelling dus die ik hierboven heb weerlegd.

In de inleiding van zijn boek “Under Crescent and Cross”haalt ook Mark Cohen nog eens deze volstrekt achterhaalde bewering van Bernard Lewis aan: “In de islamitische maatschappij is vijandigheid jegens de Joden niet-theologisch”. We weten nu waar dat op slaat: de “godsmoord” die wel degelijk als “profetenmoord” in de islam opgeld doet. Ik zal bij uitzondering even de pagina’s noemen waar Bostom begint aan een systematische destructie van de ronduit ongeïnformeerde en naïeve stelling van Lewis/Cohen, namelijk in “Islamic Antisemitism” op  pagina 164 rechterkolom. Ondersteunend bewijsmateriaal  op de pagina’s 34 tot 56 (antisemitisme in de Koran) en door de beschrijving van “Antisemitisme in de Hadith en de Vroege Biografieën van Mohammed” (pagina’s 56 tot 76).

Niettemin vraagt Berman retorisch of Andrew Bostom gelijk heeft of Mark Cohen. Maar zijn antwoord is wel duidelijk. Cohen! Luister maar:

“Maar als Mark Cohen gelijk heeft, dan was de moefti bezig met een fundamenteel perverse en onnatuurlijke poging de islam in een nieuwe richting te buigen. De moefti waagde een poging. Hij en zijn collega’s zochten ijverig in de Koran en de heilige geschriften naar bruikbare vijandige opmerkingen, en zij vonden ze, zelfs als deze passages ( . . .) van  de bodem van het vat van de islam geschraapt moesten worden. En door de meest woeste passages uit  de geheiligde literatuur te benadrukken vonden de moefti en zijn collega’s een manier de nazi-theorie over de diabolische Jood opnieuw uit te drukken in een taal van pure islam.” [mijn cursivering]

Dit is een buitensporige, waanzinnige conclusie. Want zoals hierboven is aangetoond heeft Mark Cohen géén gelijk. Cohen doet iets wat de Westerse wereld al te veel gedaan heeft: zichzelf beschuldigen. Cohen herkauwt nog eens wat we nou inmiddels wel weten: het is héél, héél erg geweest met de christelijke Jodenhaat. Trouwens ook met de godsdienstoorlogen van de 16e en 17e eeuw, het industriële kapitalisme, het imperialisme-kolonialisme, de moord op autochtonen van Latijns-Amerika vanaf de 16e eeuw, de moord op de indianen van Noord –Amerika vanaf de 17e eeuw, de Grote Europese Zelfverscheuring van 1914-1945 met die wapenstilstand tussen 1918 en 1939 en de Holocaust, Vietnam . . . . .

Maar dat wéten we nu wel een keertje. Het gewetensonderzoek is wel klaar, té klaar, want doorgeschoten in een verlammende zelfbeschuldiging, waarvan het mooipraten van het Mohammedanisme een belangrijk aspect is. De islam is echter een doodsvijand die naar de woorden van Samuel Huntington vele malen gevaarlijker is dan het communisme ooit was.  Berman blijft echter liever  kritisch op Amerika: “Maar er is altijd iets verkeerd geweest met Amerika ( . . .).  De verkiezing [van Obama] pas geleden is de eerste grote gebeurtenis in de Amerikaanse geschiedenis die opgetekend kan worden zonder een sterretje.” Een kritische noot, bedoelt Berman met “sterretje”. Amerika heeft eindelijk iets puurs en goeds kunnen doen: Obama kiezen!

Hier wordt de mentaliteit van “links” in optima forma door Berman verpersoonlijkt. Ik noem dat de mentaliteit van het politieke hedonisme. Of in Bermans woorden, die ik beter onvertaald laat, “a feel-good excercise for soft-heads”. Men is de betere mens, barmhartiger, genuanceerder, moreel verfijnder. Men staat op een moreel krukje en verheft zich boven de eigen maatschappij, ook als dat ten koste gaat van de beste tradities in die maatschappij en het schoonpraten van een doodsvijand van die maatschappij, namelijk een bewezen totalitaire en antihumane ideologie, de islam, die wat mij betreft allang voor Hitler een Hitlerisme avant la lettre was, namelijk een Mohammedanisme.

In ongetelde golven van agressie hebben de hordes onder het vaandel van de islam tussen 622 en 1683  –  eerst onder de Arabieren en daarna onder de Turken – Europa overspoeld.  Tot 1683 heeft Europa zich alleen maar verdedigd tegen die hordes hormoongedreven moslims die niks anders brachten dan massamoord, verkrachting, roof en marteling. Degenen die ze te bruikbaar of seksueel te aantrekkelijk vonden om te vermoorden, voerden ze in slavernij weg. Moreel was het christelijke Europa altijd al superieur aan de islam. Jezus is echt een ander soort profeet dan Mohammed. En anders dan de islam, die irrationalistische haat als wezenskenmerk heeft, is het christendom in zijn kern gebouwd op de Liefde en de Rede. Na 1683 neemt Europa door de Verlichting niet alleen op moreel, maar ook op technisch gebied een definitieve voorsprong op de islam. En daarna werd Europa “kolonialistisch” en “imperialistisch”, jazeker! En het kolonialisme had zeer zwarte kanten, maar ook lichte en verlichte. Het parasitaire kolonialisme van de islam heeft nooit ergens iets ander gebracht dan gruwelijke terreur en heeft de creatieve prestaties die overwonnen volken ondanks de onderdrukking nog leverden, lang leugenachtig kunnen claimen voor zichzelf, geholpen door sprookjesvertellers in het Westen. Het Westen bracht na 1683 vooruitgang op economisch, technisch, organisatorisch, medisch en tenslotte ook op humanitair gebied. In de geschiedenis van het Westers kolonialisme gaan uitbuiting en winstbejag rond 1870 langzaam over in wat wij nu “ontwikkelingshulp” noemen.  En dat was mogelijk omdat het christendom, hoe verborgen het soms ook bleef onder het onrecht dat Westerse machthebbers hebben aangericht, altijd weer kon teruggrijpen op zijn kern: de Liefde en de Rede. In de islam zal men vergeefs naar zo’n kern zoeken. Slavernij in de islam was er eerder en wreder dan in het christendom en is nooit verdwenen. Zie Saoedie-Arabië, zie Soedan. Dat komt omdat in het christendom een humaan-individualistische gelijkheids-impuls is te vinden om die slavernij af te schaffen. In de islamitische teksten is slavernij vanzelfsprekend. In de islam is niets positiefs te vinden. Daarom is de islam ook onhervormbaar, want er bestaat nergens een fatsoenlijk element in de islam rond hetwelk een hervorming zou kunnen clusteren.

Berman vermag dat onderscheid tussen islam en christendom in het geheel niet waar te nemen. Integendeel, hij ziet meer zeer vage en uitgestrekte wateren die ongeveer hetzelfde zijn:

“De islam is net zo uitgestrekt en vloeibaar als de oceaan, net als het christendom, de golven rollen voorbij als eeuwen en secten en ketterijen dobberen temidden van de golven en elke provincie of land volgde een eigen geschiedenis, en ik vraag me af hoe iemand – wie dan ook, maakt niet uit hoe goed ingevoerd in oude manuscripten – tot een algemene kijk zou kunnen komen over deze onderwerpen.”

Vreemd. Berman komt namelijk, terwijl hij verre van “ingevoerd in oude manuscripten” is, zelf in een opstel van 45 pagina’s tot de “algemene kijk” dat het nazisme, wortelend in het christendom, de relatief reine islam heeft gecorrumpeerd. En voorts: wat een afschuwelijke kletskoek! Misschien is het omgekeerd. Misschien is er geen volume aan bewijsvoering die de “algemene kijk”, te weten de hardnekkige ontkenning van de werkelijkheid rond het Mohammedanisme bij politiek “correct” links kan doorbreken. Want als je Bostoms “Legacy of  Islamic Antisemitisme” in handen hebt gehad, waarvan je opzichtig zegt, zoals Berman doet, dat je een bepaald gegeven hebt gevonden in de voetnoten en er zijn je toch nog twee fundamentele zaken ontgaan — namelijk het verpletterende bronnenbestand van dat boek en het feit dat er een net zo’n volumineuze voorganger was, namelijk “Legacy of Jihad”met ook heel véél voetnoten — dan is er echt iets mis met je toegankelijkheid voor nieuwe informatie.

Zoals de Arabist en islamograaf Hans Jansen op de website “Hoeiboei” op 12 september 2010 uitlegde:

Sinds 11 september 2001 hebben er volgens www.thereligionofpeace.com meer dan zestienduizend aanslagen plaats gevonden, waarbij de omstanders steeds weer met jaloersmakende hardnekkigheid willen blijven geloven dat deze aanslagen los van elkaar staan en niets met elkaar te maken hebben.”

Jansen had er aan toe kunnen voegen dat de reeksen van culturele incidenten, waarbij het altijd weer gaat om “belediging van de islam” en de reeksen mensen die ondergedoken zitten of met zware bewaking door het leven moeten vanwege kritiek op de islam, bij politiek- “correct” links ook al geen neiging opwekken om de puntjes via lijntjes te verbinden. Die feitenresistentie van fout links als het om de islam gaat, neemt bij Berman pathologische vormen aan. In een interview van maart 2009 zegt hij:

“Het Hamas Charter is vol wilde taal – niet alleen dat over het doden van de Joden, maar er is ook het aanroepen van de Protocollen van de Wijzen van Zion en van een antisemitische theorie van de geschiedenis. Maar misschien moet dat allemaal gezien worden als een overdreven kreet van pijn – een uitdrukking van machteloosheid. Misschien is er een soort van pathetisch slachtofferschap en lijden in de ideeën van Hamas en niet veel meer.” [mijn cursivering]

Het is bij de wilde beesten af. Hoe feitenresistent kan je zijn? Het is bij Berman inderdaad iets wat boven feitenresistentie uitgaat, namelijk pathologie. Hij schrijft zelf over Hamas als “ ’s werelds beroemdste hogepriesters van de cultus van de zelfmoordaanslagen – een organisatie bekend om zijn aannslagen op willekeurige mensenmenigtes in pizzatenten en disco’s ( . . .).” Dus hij wéét dat je alleen maar “Hamas” hoeft in te tikken op YouTube om een idee te krijgen van de moorddadige wreedheid waarmee ze ook hun “broeders” van de PLO hebben afgeslacht. Dus als Berman denkt dat het wel mee gaat vallen als er Joden in hun handen vallen, dan is hij ronduit geschift. Mijn verstand staat hier verder stil, mijn vocacbulaire is op en ik word alleen nog maar razend. Ook bij mij heeft de Cultuur van de Rede zijn limieten. Maar het Politieke Hedonisme – dat zowel omvat het poseren als Gutmensch alsook het ontkennen van harde waarheden – is schijnbaar grenzenloos.

Tot in de volle idiotie gaat Bermans politieke“correctheid”. Hij citeert een van de moefti’s radio-uitspraken waarin de moefti waarschuwt voor de expansie van de Joden vanuit Palestina tot helemaal langs de kust van Noord-Afrika tot aan Marokko:

“Amerika, dat nu de Joodse vlag draagt, wil een tweede Joods thuisland scheppen in de islamitische Maghreb en in Noord-Afrika, een thuisland waarin de Joden die uit Europa zijn verdreven en een deel van de Joden en negers van Noord-Amerika een schuilplaats zouden vinden.”

Waarop Berman: “De opmerking over de negers van Noord-Amerika schijnt een beetje raadselachtig, moet ik zeggen. Maar waarom zou het ons raadselachtiger moeten voorkomen dan wat-dan-ook in de moefti’s theorie?”

Mij is meer een raadsel hoe Berman deze huichelarij durft te debiteren. Alsof  het racisme van de moefti niet met de islam samenhangt. Berman weet heel goed – móét weten! – dat de moefti hier het racisme bespeelt van Arabieren en Berbers jegens zwarten, van een cultuur die een geschiedenis heeft van zwarten in slavernij brengen die vele malen wreder is dan die van de “blanken”, die veel volumineuzer is geweest en ook veel langer geduurd heeft. Die in feite niet afgelopen is en dan doel ik niet eens op de moderne slavernij van voornamelijk Philippino’s in Saoedie-Arabië en de Golfstaten, maar op Soedan, waar tot op dit moment van schrijven (2010) voortdurende genocide door Arabieren gerechtvaardigd wordt met de islam (theocratisch racisme), maar in welke genocide ook een sterke etnisch-racistische component zit: het gaat hier om “negers”.

Maar om terug te komen op de inherente Jodenhaat in de islam, die dus echt niet alleen in de “ziel” van de moefti bestond: ondanks de vermeende almacht van de Joden schilderde de nazislam-propaganda de Joden als een inferieur ras, die krankzinnige rituele wreedheden bedreven. Die nazislam-propaganda sloot zo precies aan bij de opvatting van de Jood als inferieure Untermensch in het hele islamitische Midden-Oosten. Dat beeld was al sinds de dagen van Mohammed, dus tijdens WO II al zo’n 1300 jaar, volstrekt gangbaar. Een Jood gold als een soort dier, met soms niet onaanzienlijke talenten, waarvan door de Mohammedaanse Uebermensch gebruik gemaakt kon worden, maar in elk geval diende de Jood uitgebuit en vernederd te worden. De Jood werd niet als gevaarlijk gezien, wel als verraderlijk, maar niet in die zin dat de “oemma”, de wereld van de gelovigen, als zodanig van de soort iets te vrezen had. De Profeet had immers middels een paar massamoorden ook vrij gemakkelijk met de Joden in Medina afgerekend.

Als vanaf Mohammed niet het beeld ontstaan zou zijn van de Jood als uit te buiten maar ongevaarlijke Untermensch – een beeld dat in de praktijk ook constant  bevestigd werd – welke vorm zou de Jodenhaat dan aangenomen hebben in het Midden-Oosten? Misschien toch een vorm van bijgeloof met als oergrond de kannibalisme-mythe van Apion? Met andere woorden: voor Jodenhaat is het niet nodig, zoals Mark Cohen en in zijn spoor Berman menen, dat er almachtsmythes en bloedsprookjes de ronde doen: veertien eeuwen islamitische terreur tegen Joden bewijzen het.

Niettemin zou je kunnen zeggen dat de islamitische Jodenhaat  op één punt verrijkt werd door het nazisme: de Jood gold voortaan wel degelijk veel meer als onbetrouwbaar, niet alleen als inferieur, maar tegelijk als “superieur”, niet alleen als minderwaardig, maar ook veel meer als “almachtig”. Kortom: de Jood werd het tegelijk verachtelijke en satanische genie dat achter alle kwaad stak.

Berman heeft uit Jeffrey Herfs boek zeer  pregnante citaten van de moefti’s radiotoespraken gehaald. Zoals deze:

“Moeten we niet de tijd vervloeken die dit lage ras de gelegenheid heeft gegeven hun begeerten te realiseren via landen als Engeland, Amerika en Rusland? De Joden hebben deze oorlog veroorzaakt in het belang van het Zionisme. De Joden zijn verantwoordelijk voor het bloed dat vergoten is. ( . . .) De wereld zal nooit vrede kennen tot het Joodse ras is uitgeroeid ( . . .) . De Joden zijn ziektekiemen die alle ellende in de wereld hebben veroorzaakt.”

Of deze: “Arabieren van Syrië, Irak en Palestina, waarop wachten jullie? De Joden zijn van plan jullie vrouwen te verkrachten, jullie kinderen te vermoorden en jullie zelf te vernietigen.”

Of deze: “Vermoord de Joden, verbrand hun eigendommen, vernietig hun winkels, roei uit deze laaghartige supporters van het Britse imperialisme. Jullie enige hoop op redding ligt in de uitroeiing van de Joden voordat de Joden jullie uitroeien.”

Nu moet Berman toch behoorlijk kennis hebben genomen van de geschiedenis van de islam van de laatste 80 jaar, want hij heeft een boekje geschreven “Terror and Liberalism”, dat de geschiedenis van het Midden Oosten oppikt bij het ontstaan van dat dialectische mengsel van islam en marxisme dat de naam “Baath”  heeft gekregen. Hij heeft één boek van Bostom althans gezien en Mallmann en Cüpers ook. Herf  heeft hij blijkbaar daadwerkelijk helemaal gelezen. Dat zou toch de ogen moeten openen voor de verpletterende bewijzen die Bostom aanvoert voor het karakter van “nazisme avant la lettre” van de islam?  Berman zegt  ergens: “Tariq Ramadan blijft een man die niet kan zien dat een monsterlijk figuur als Yusuf al-Qaradawi een monsterlijke figuur is.” Maar voor Berman hoop ik waarachtig dat hij niet blind blijft voor het feit dat een monsterlijke ideologie als de islam een monsterlijke ideologie is. Maar ik vrees met grote vreze. Ten eerste  omdat Berman misschien als denker toch overschat wordt. Berman is bijvoorbeeld iemand die van mening is dat een “subtiele buitenlandse politiek” van Amerika in het Midden- Oosten zal helpen de moslimziel te winnen voor de “progressieve zaak”.  Een Homerisch gelach dondert van de Olympus van de deskundigen die écht iets weten van het Midden-Oosten. “Subtiliteit”! Ja, daar zijn de  bazen in Saoedie-Arabië, Syrië, Egypte, Irak en Iran erg van onder de indruk. En ook van Redelijkheid en Rechtvaardigheid en Vrijheid.

Advertenties