Deze maand juni 2012 heeft Israël na 45 jaar notulen vrijgegeven van interne besprekingen gevoerd door het Israëlische kabinet meteen na de juni-oorlog van 1967 aangaande Gaza, “de Westbank” (Samaria-Judea), de Golan-hoogte en de Sinaï.

Ik baseer me op een leesverslag van die 200 pagina’s notulen door Yaacov Lozowick en een stuk naar aanleiding van dat leesverslag door Elder of Ziyon. De deelnemers aan de discussie die Lozowick noemt zijn: Moshe Dayan (52), Yigal Allon (49), Golda Meïr (69), Eliyahu Sasson (65), Menachem Begin (54), Ya’acov Shimshon Shapira (65), Levi Eshkol (72).

De besprekingen werden onder grote druk gevoerd, want direct na de juni-oorlog van 1967 was er veel beweging op het internationale diplomatieke front inzake de nieuw ontstane toestand en Abba Eban, de minister van Buitenlandse zaken van Israël, moest richtlijnen hebben. De Engelse BBC was al meteen begonnen de zogenaamde harde maatregelen van Israël in Jeruzalem te kritiseren. (Ik persoonlijk zou daaraan willen toevoegen: vasthoudend dus aan een Engelse traditie van verraad aan de Joden die loopt vanaf de jaren van het mandaat, vanaf 1922 dus, tot aan dit jaar 2012.)

De meeste leidende Israëli’s dachten dat Israël binnen een paar maanden een goeie vredesregeling met de Arabische landen zou hebben, dat het probleem met de vluchtelingen van 1948 opgelost zou zijn en Israël terug zou zijn achter de oude bestandslijn van voor 1967. Lozowick zegt niets over een Israëlische eis van veiligheidsgebieden vlak tegen de bestandslijn van 1948, de zogenaamde “Groene Lijn”.

Lozowick schrijft voorts  twee merkwaardige zinnen in zijn verslag:

“Zij [de leidende Israëli’s] aanvaardden impliciet dat er geen land ontnomen kon worden aan soevereine naties door een daad van oorlog. Dus zij accepteerden allen dat de Egyptische Sinaï en de Syrische Golan tenslotte teruggegeven zouden worden aan hun eigenaars.”

Dat is ten eerste merkwaardig, omdat het internationale recht toestaat wél land te nemen van een vijand die een aanvalsoorlog heeft gepleegd. Ten tweede is dat opmerkenswaardig, omdat blijkbaar Gaza en Samaria-Judea  (“de Westbank”) terecht werden gezien als rechtmatig vestigingsgebied voor de Joden.

De deelnemers met de meeste ervaring met de Arabische cultuur, Eliyahu Sasson en Menachem Begin, beseften meteen dat de Arabische landen Israël nooit zouden erkennen en geen vrede zouden sluiten. Demilitarisering van de Sinaï en de Golan plus garantie voor ongehinderde Israëlische scheepvaart in de Straat van Tiran was voor deze kenners van de Arabische mentaliteit het hoogst haalbare.

Gaza en Samaria-Judea waren evenwel een heel ander zaak dan Golan en Sinaï. In 1967 werd door de hele wereld, inclusief de VN, nog heel anders tegen het conflict aangekeken dan nu. Lozowick zegt:

“Ergens in de jaren 1980 begon de algemene visie op het conflict te veranderen. Het werd niet langer gezien als de Arabische afwijzing van een Joodse Staat, maar begrepen als een conflict tussen Israël en de Palestijnen ( . . .).”

Iemand zou voor Nederland eens via een krantenonderzoek moeten nagaan hoe en over welke periode die visie ingang heeft gevonden dat er een “Palestijns volk” bestond dat door Israël van zijn rechten zou zijn beroofd. Ik vermoed dat zo’n onderzoeker zal vinden dat al veel eerder dan begin jaren 1980, namelijk begin jaren 1970, de linkse propagandamachine zijn werk al had gedaan en de leugens en desinformatie rond de “Palestijnse” vluchtelingen al wijdverbreid waren in de media, ook in de rest van Europa.

Dus in 1967, toen er nog geen “Palestijns volk” was uitgevonden***, was het voor de toenmalige Israëlische leiders vanzelfsprekend dat ze minstens zoveel recht hadden op Gaza als Egypte en minstens zoveel recht op Samaria-Judea als Jordanië. Israël had de gebieden nu ook nog eens veroverd in een defensieve oorlog. Er kwam nóg een overweging bij om Samaria-Judea niet terug te geven aan Jordanië. Want een vredesverdrag gesloten met koning Hoessein kon wel eens van weinig waarde blijken als Hoessein van de troon werd verdreven en die kans achtten de Israëlische leiders in 1967 niet gering.

Veel deelnemers aan de discussie vonden dat er (a) in elk geval Israëlische troepen aan de oevers van de rivier de Jordaan gestationeerd moesten zijn, gezien de ervaring van 1948 en 1967 en (b) dat eventuele Israëlische burgerrechten voor Arabieren in Samaria-Judea gepaard moest gaan met Israëlische controle over die Arabieren.

Menachem Begin was de enige die heel Samaria-Judea bij Israël wilde trekken, maar hij had eigenlijk geen idee hoe de locale Arabieren in het gareel te houden.

Met die controle-eis in gedachten wilden sommigen een opsplitsing van Samaria-Judea: de weinig volkrijke Jordaanvallei annexeren en de Arabieren daar tot Israëli’s promoveren, terwijl dan de volkrijke berggebieden naar Jordanië terug zouden gaan dan wel naar locale Arabische machthebbers. Die Arabieren in Samaria-Judea werden dus nog géén “Palestijnen”genoemd. (Deze variant uit 1967 heet tegenwoordig trouwens “de twee-staten-oplossing”.)

Yigal Allon voegde aan de gedachte om de Jordaanvallei te annexeren en “de rest” aan Hoessein van Jordanië dan wel locale machthebbers terug te geven nog een ideetje toe: waarom maken we niet wat uitzonderingen in die bergachtige gebieden waar we nederzettingen maken? Bijvoorbeeld bij plaatsen die voor ons historisch belangrijk zijn, zoals Hebron.

Levi Eshkol schijnt opgemerkt  te hebben naar aanleiding van dit ruitjespatroon in Samaria-Judea: “Jullie realiseren je toch wel dat je schaak aan het spelen met jezelf als stukken?”

Over Jeruzalem was er onder de kabinetsleden geen enkel meningsverschil. Van orthodox tot atheïst vond men dat Jeruzalem ongedeeld in Joodse handen moest blijven.

Wat betreft Gaza: niemand dacht aan het door Egypte tot 1967 bezette gebied als “Egyptisch”. Niemand, ook in de Verenigde Naties, zag het als onderdeel van een toekomstige “Palestijnse” staat, want er was nog geen “Palestijns volk” uitgevonden. Het was vanzelfsprekend dat het bij Israël werd getrokken. Sommigen vonden dat de Gazaanse Arabieren Israëlische burgers moesten worden, maar anderen dachten dat de Gazanen misschien naar de West-Bank konden verhuizen en dat dan na een algemene vredesovereenkomst de Libanezen wellicht bereid zouden zijn een pijpleiding voor water aan te leggen naar dat gebied.

Enfin, illusies over een Arabische bereidheid tot vrede genoeg, behalve dus, nogmaals, bij kenners van de Arabische mentaliteit als Eliyahu Sasson en Menachem Begin. Maar het hele denkie-denkie-kader van 95 procent van het toenmalige Israëlische kabinet kon op de schroothoop, toen al in de herfst van 1967 de Arabische landen te Khartoem besloten tot het driemaal nee – tegen onderhandelingen, vrede en erkenning – en Israël gedwongen werd het bestuur over Samaria-Judea over te nemen.

_________________________

*** Over dat uitvinden van “het Palestijnse volk” heb ik eerder geschreven:

Als er ooit Palestijnen hebben bestaan dan waren het natuurlijk de Joden, maar de gecoördineerde Arabisch-linkse propaganda is er in geslaagd om sinds 1967 dat etiket, “Palestijnen”, te plakken op die vluchtelingen die door de Arabische landen en de UNRWA zorgvuldig in hun vluchtelingenstatus zijn gehouden om als propagandawapen tegen Israël ingezet te kunnen worden.

Die naam “Palestijnen” is tegelijk met de namen “Arafat” en “PLO” in het collectieve bewustzijn van het Westen gegrift.  De Palestinian Liberation Organisation werd in 1964 opgericht en was een voortzetting van de “Palestijnse” guerrillabeweging Fatah, die aanslagen in Israël pleegde. Het openlijk in het Handvest van de PLO gestelde doel was Israël te vernietigen en “de Joden de zee in te drijven”. De bijkomende “bevrijdingsideologie” kwam uit het Sovjetkamp en moet gezien worden in het kader van de Koude Oorlog. Arafat had in 1964 zijn vertrouweling Abu Jihad naar Noord-Vietnam gestuurd om te leren hoe Ho Chi Minh zijn “bevrijdingsstrijd” voerde. Fatah vertaalde toen al, dus vóór 1964, de revolutionaire handboeken van generaal Giap, van Mao en Che Guevarra, van wie we inmiddels toch wel allemaal kunnen weten dat het massamoordenaars waren, inclusief de Jezus van de guerrilla.

Giap schreef aan Arafat: “Stop met praten over de vernietiging van Israël en noem voortaan je terreuroorlog een worsteling om mensenrechten, dan zal het Amerikaanse volk uit je hand eten.” Vanaf 1967 zou steeds meer blijken hoezeer Giap gelijk had. Arafat, die door de Sovjets werd gezien als een bruikbare pion in de Koude Oorlog tegen het Westen, werd door de Russische KGB in de leer gedaan bij “het genie van de Karpaten”, Nicolai Ceauçescu, dictator van Roemenië. Vanaf midden jaren 1960 waren Arafat en zijn entourage meermalen te gast bij deze moordenaar en megalomane krankzinnige.

Let op, want dit is essentieel: de bedoeling van zowel Fatah als de organisatie die in 1964 Fatah opvolgde, de PLO, was de vernietiging van Israël. Toen waren er dus nog géén “bezette gebieden”, niet in Gaza en niet op “de Westbank” (Samaria-Judea), toen werden de “Palestijnen” nog geterroriseerd en rechteloos gehouden door Egypte (Gaza) en Jordanië (Samaria-Judea) en toch moesten de “Palestijnen” al bevrijd worden.  Maar niet van hun Egyptische en Jordaanse onderdrukkers . . . . . nee, van Israël! Het ging dus “gewoon” vanaf het begin om de vernietiging van Israël en dat is nooit meer veranderd.

______________________________

Link naar dit artikel bij E. J. Bron