Etienne Vermeersch

Etienne Vermeersch

(Door: Etienne Vermeersch)

Onderstaand leest u het antwoord van professor Etienne Vermeersch op het artikel van Martien Pennings, genaamd “Het tomeloze liegen van Etienne Vermeersch inzake Israël”. Vermeersch gaat hieronder eerst in op deel 1 van het artikel. Over enkele dagen volgt zijn antwoord op deel 2. Ter opfrissing hier nog even de link naar deel 1 van het artikel van Martien Pennings: https://ejbron.wordpress.com/2012/06/29/het-tomeloze-liegen-van-etienne vermeerschinzake-israel-1/

1. Op de site van E.J. Bron verschenen twee artikels van M. Pennings met de titel: “Het tomeloze liegen van Etienne Vermeersch inzake Israël (1 en (2).” Vanuit diverse hoeken werd mij aangeraden daar niet op te antwoorden: men zei me dat M. Pennings een fanaticus is waaraan men geen woorden vuil maakt. Bij een eerste overzicht kreeg ik de indruk dat daar heel wat waarheid in schuilt. De twee artikels staan immers vol met scheldwoorden, waaronder:  “anti-zionist, potsierlijk, gezwatel van een gek, onbenul, gevaarlijk en hatelijk gezwets, Israëlhater, Israëlbasher, puur bedrog, kwaadaardige Jodenhaat, liefdeloos, hatelijk, psychoot, antisemiet, domkop, abjecte vertogen…”. Als rationeel mens ontgaat het me waarin de bewijskracht van dergelijke uitingen bestaat: bij een twistgesprek kunnen beide partijen die vrijblijvend op elkaar afvuren; daarmee komen de betogen geen stap verder. Ik ben echter een verdraagzaam mens en ik gun ieder mens zijn pleziertje, zeker als zijn hormonen daarmee in evenwicht raken. Ik ben echter ook een onverbeterlijke optimist in zake discussies; ik geloof dat een ernstige argumentatie uiteindelijk de bovenhand kan halen, zelfs zonder ongefundeerde beledigingen. Ikzelf heb voor deze vorm van communicatie overigens geen aanleg. Ik formuleer dus toch een antwoord. Dat zal zich evident beperken tot deel (2), want hoe kan ik aantonen dat ik geen ‘liefdeloze, hatelijke, psychoot, gek, onbenul en domkop’ ben?  Ik blijf ervan overtuigd dat ook iemand als Martien Pennings (MP) tot inkeer kan komen.

2.  MP heeft het, zowel in de titel als in de rest van zijn teksten over mijn ‘tomeloze liegen’. Ik weet niet of hij van Dale kent; in elk geval deel ik hem mede dat die ‘liegen’ definieert als ‘bewust (over iets) onwaarheid spreken’. Om mij daarvan te beschuldigen, moet hij dus aantonen (a) dat mijn uitspraken onwaar zijn en (b) dat ik mij van die onwaarheid bewust ben. Vooreerst is het mogelijk dat er in mijn tekst onjuistheden voorkomen die het gevolg zijn van een fout geheugen of van het te goeder trouw overnemen van de stelling van een andere persoon. In die gevallen is er geen sprake van ‘liegen’. MP heeft bovendien een vrij naïeve opvatting over wat ‘waarheid’ is. Er zijn namelijk discussies mogelijk over feiten (bvb. “staat die bewering inderdaad in dit boek?”), maar ook discussies over attitudes. (bvb. “In mijn optiek mag een moderne staat niet de staat zijn van een godsdienst (‘islamitische republiek’)”. Zo’n opvatting is niet waar of vals, maar wordt positief of negatief geëvalueerd en het type van argumentatie op dit terrein moet vooral naar normen en waarden verwijzen en eensgezindheid op dit vlak is niet altijd te bereiken. Er is echter een derde probleem dat vooral in de hier besproken materies aan de orde komt. Over veel feitenkwesties (bvb. “Hoeveel Joden leefden er in Galilea in die of die eeuw?”) zijn de meningen bij de diverse auteurs nogal verdeeld. Zelfs over de vraag welke auteurs de meest gezaghebbende zijn, ligt het antwoord niet altijd voor de hand. Het feit dat A naar een auteur verwijst die B waardeloos vindt, bewijst niet dat A liegt of een ‘dommerik’ is. De discussies die bij E.J. Bron op de stukken van MP volgden, tonen dit voldoende aan. Ikzelf zal dus MP alleen dan een leugenaar noemen, als hij mij uitspraken of denkbeelden toeschrijft die ik nooit geschreven of uitgesproken heb.

3. MP, die mij voor zover ik weet niet kent, noemt mij, aanvankelijk aarzelend, maar daarna kordaat, een ‘antisemiet’ en een ‘Israëlhater’. Volgens van Dale is een ‘antisemiet’ iemand met antisemitische denkbeelden en ‘antisemitisme’  is ‘racisme gericht tegen de joden’ ‘syn. Jodenhaat’. Welnu, mijn hele leven lang heb ik voor, in totaal, meer dan 40.000 studenten mijn afschuw voor racisme in het algemeen en voor antisemitisme in het bijzonder uitgesproken. In een recent boekje (De Multiculturele Samenleving, uitg. Luster), schrijf ik het volgende: “Onder alle nefaste opdelingen van mensen in groepen is het racisme wel de meest absurde en de meest verderfelijke.  De persoonseigenschappen van een mens: aanlegfactoren, karakter, vaardigheden, sociale kwaliteiten, enz.  zijn volstrekt niet bepaald door biologische factoren die ze, op grond van afstamming met een groep gemeen zouden hebben.  Door deze wetenschappelijk onomstootbare vaststelling wordt het racisme zowel intellectueel als ethisch complete nonsens.”  In verband met ‘Jodenhaat’ daag ik MP uit in één van mijn publicaties (samen een paar duizend bladzijden) een zinsnede te vinden die op haat of zelfs maar koelheid tegenover Joden zou wijzen.

Omdat deze aantijging zo schandelijk is (en dit is geen ‘scheldwoord’: zo’n lasterlijke beschuldiging verdient deze kwalificatie) moet ik hier iets dieper op mijn persoonlijk verleden ingaan; hoewel ik dat met tegenzin doe: mijn persoontje is niet zo belangrijk.

De eerste Joden die ik heb ontmoet, waren dat niet volwaardig: alleen hun vader was Jood. J. en A. B. (een typisch Joodse naam) waren van mijn dorp, maar ik heb ze pas goed leren kennen en waarderen aan de universiteit. A. is overleden, maar J. is nog altijd een vriend. Mijn tweede contact met het Judaïsme en Israël gebeurde via mijn leermeester Leo Apostel. Leo had tijdens de oorlog zijn beste (Joodse) vrienden weten wegvoeren, voor altijd. Sindsdien voelde hij zich intens met de Joden en met Israël verbonden. Ik ben hem, zij het minder emotioneel, in die houding gevolgd. Leo was de voornaamste leerling van Chaïm Perelman, een man die ik ook waardeerde. Zijn vrouw, die wist dat ik de eerste leerling van Leo was, vond dat ik dus de intellectuele kleinzoon van haar man was.

Ik heb dan ook in 1967 een petitie van Perelman ondertekend om Israël te steunen. Overigens was ik al een hele tijd gefascineerd door het experiment met de kibbutzim. Intussen had ik al een aantal andere Joden leren kennen, waaronder een vrouw die tijdens de oorlog als kind ondergedoken was en waarmee ik sinds ca 50 jaar een warme relatie heb. Aan de universiteit werden geregeld Joden voor gastcolleges uitgenodigd, Amerikaanse, maar vooral Israëlische. Ook na Leo Apostel hebben we die traditie voortgezet. De laatste die ik mij herinner heette Kasher: het merkwaardige was dat hij niet in God geloofde, maar volkomen kosher leefde. Na de moord op 11 Israëli’s tijdens de Olympische Spelen van München heb ik in een debat op de Vlaamse TV mijn afschuw voor deze misdaad uitgedrukt. Intussen had ik op een Antropologisch Congres in Chicago twee Amerikaanse Joden leren kennen: de ene werkte op het State Department, de andere was directeur van het Children’s Museum van New York. We waren voortdurend samen omdat ze met mij graag Duits spraken.

Ik was verbluft toen ik de man van het State Department hoorde zeggen dat het Israëlisch-Palestijns probleem onoplosbaar was. Mijn nadenken over Israël is stilaan veranderd na de overwinning van Likud in 1977. Leo Apostel vond dat dit op puur sociale motieven gebaseerd was; uit mijn lectuur kreeg ik de indruk dat er ook een hardere politiek tegenover de Palestijnen zou gevoerd worden.

In die periode kreeg ook Gush Emunim meer invloed en kwamen de “settlements” op de West Bank aan de orde.  Ik vond toen meer en meer dat er dringend werk moest gemaakt worden van de “land for peace” gedachte.

Toen de vernietiging van Israël geschrapt werd uit het PLO-charter (de juiste datum ben ik vergeten, maar ik zie Arafat nog zeggen op de TV dat dit artikel ‘caduc’ was)  vond ik  – terecht of ten onrechte –  dat Begin weigerde met Arafat te praten omdat hij een ‘terrorist’ was. Deze afwijzing van Arafat en dus zijn gebrek aan resultaten, leidde stilaan tot de groeiende invloed van Hamas en Jihad:  de grootse (tactische) fout die de Israëli’s ooit gemaakt hebben.

Om een lang verhaal kort te maken. Vrij snel na de eerste Golfoorlog (die ik publiek goedkeurde, de tweede keurde ik af) vond er in Gent een colloquium plaats tussen  progressieve Israëli’s en Palestijnen.. Van Israëlische zijde was daar o.m. een gepensioneerde generaal bij en van Palestijnse zijde de intussen overleden dr. Shafi. Het (vrij delicate) voorzitterschap van de vergaderingen werd door mij waargenomen. Ik deed dat op verzoek van Julien Klener, mijn collega Hebreeuws, die mij en mijn opvattingen al lang kende. JK werd in 2000 voorzitter van het Centraal Israëlitisch Consistorie van België. Volgens MP heeft die dus slechte vrienden.

Ten slotte nog, op het zuiver persoonlijke vlak. Sinds vorig jaar voer ik een E-mail correspondentie met een Joodse vrouw die een moeilijk leven achter de rug heeft. Ze heeft via mijn website contact gezocht, om mijn hulp te vragen. Ze is met vertraging aan haar studies begonnen, en het hele jaar door heb ik haar raad en moed gegeven en ook begeleiding bij haar studiewerkjes. Na haar welslagen in het examen schreef ze me: “Geachte Professor Vermeersch, U bent een heel erg goede persoon. Ik ben U heel erg dankbaar.”

Dat raakt mij alles samen, MP, meer dan uw verdachtmaking van Jodenhaat.

Overigens hoop ik dat u zelf geen Jood bent, want alle Joden die ik tot nu toe gekend heb, waren hoogstaande en beminnelijke mensen. Dat zou dus een afknapper worden.

In mijn volgende tekst komt de bespreking van uw deel (2).

___________________

Advertenties