Etienne Vermeersch

Etienne Vermeersch

(Door: Etienne Vermeersch)

Onderstaand leest u het antwoord van professor Etienne Vermeersch op het artikel van Martien Pennings, genaamd “Het tomeloze liegen van Etienne Vermeersch inzake Israël”. Vermeersch gaat hieronder in op deel 2 van het artikel. Ter opfrissing hier nog even de link naar deel 2 van het artikel van Martien Pennings: https://ejbron.wordpress.com/2012/07/07/het-tomeloze-liegen-van-etienne-vermeersch-inzake-israel-2/

0.1.  In hetgeen volgt zal ik pogen de stellingnamen van MP eerder indirect te bespreken. In plaats van punt voor punt zijn uiteenzetting te bekritiseren, zal ik vooral zijn globale standpunten aanvechten. Ik zal hierbij pogen samenhangende betogen te houden, met de bedoeling duidelijk te maken welke motivering ik voor mijn inzichten heb. Daaruit zal blijken dat ik op allerlei uiteenzettingen van MP niet hoef in te gaan, omdat ze vanwege mijn totaalvisie niet relevant zijn. Men moge het mij vergeven dat ik slechts uitzonderlijk op scheldwoorden en beledigingen antwoord.

0.2. Op het vlak van efficiënte communicatie valt er tegen de wijze waarop ik het interview (in Knack) heb gestart, zeker iets in te brengen. Wie geneigd is, voortgaande op de inleiding van een betoog, zelf onmiddellijk conclusies te trekken over het standpunt van de auteur, kan hierdoor vanaf het begin op het verkeerde spoor zitten. Dat is hier vermoedelijk bij een aantal mensen gebeurd.

1. Daarom wil ik nu starten met wat volgens mij de ideale oplossing zou zijn voor het Israëlisch-Palestijns probleem (oplossing die ik ongeveer halfweg het interview naar voren had gebracht).

1.1. De Palestijnen en de Arabische wereld moeten het bestaansrecht van de huidige staat Israël aanvaarden, binnen de grenzen van vóór de Zesdaagse Veldtocht (5/6/67) en afzien van alle officiële verklaringen, propaganda en alle geweld, gericht op het ongedaan maken van die situatie. De Golan hoogte wordt aan Syrië teruggegeven en binnen de Westbank en Gaza wordt een volwaardige Palestijnse staat opgericht. West-Jeruzalem behoort daarbij tot Israël, Oost-Jeruzalem tot de Palestijnse staat. Beide staten kunnen hun deel van Jeruzalem als hoofdstad kiezen.  De Oude Stad, met de diverse heiligdommen van de drie godsdiensten, krijgt een eigen bestuur, democratisch gekozen, maar onderworpen aan bijzondere voorwaarden (en een internationale controle-instantie) die de integriteit van de ‘heilige plaatsen’ en de toegang (ook voor buitenlanders) moet garanderen. De Israëlische nederzettingen op de Westbank zullen onbeschadigd door de Israëli’s verlaten worden, behalve door degenen die zich als Palestijnse staatsburgers laten opnemen  – met de rechten en plichten van de andere Palestijnen -. Hiertoe moet een redelijke termijn (5 a 10 jaar) voorzien worden. Voor Oost- en West-Jeruzalem moet een bijzondere regeling gelden, waarbij – inzake de ‘nederzettingen’ –  een duidelijke Palestijnse meerderheid in Oost-Jeruzalem gegarandeerd wordt.

Beide staten moeten onder alle burgers een volstrekte gelijkheid realiseren, waarbij het al dan niet behoren tot een etnische of godsdienstige groep geen enkel wettelijk voor- of nadeel tot gevolg mag hebben. In beide staten moeten de rechten en plichten van de burgers stroken met die van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, gepreciseerd zoals in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (met eventueel een mogelijkheid van verhaal bij het Europees Hof). In Israël moet de Wet op de Terugkeer na een periode van 10 jaar worden opgeheven. Binnen een periode van 10 jaar kunnen de Palestijnen die zich buiten de grenzen van beide staten bevinden, terugkeren, hetzij naar Israël  – een beperkt contingent, volgens zekere criteria –  hetzij naar de Palestijnse staat. Voor die laatste groep moet, als stimulans, een substantiële terugkeerpremie voorzien worden, betaald door de internationale gemeenschap.

Dit voorstel strookt in grote lijnen (behalve de Wet op de Terugkeer, waarover verder) met resoluties 242 en 338 van de Veiligheidsraad, die unaniem werden goedgekeurd. Het is dus volstrekt duidelijk dat ik het bestaansrecht van de staat Israël erken.

1.2. Waarom begon mijn interview dan met de verwijzing naar het oorspronkelijk onrecht waarmee het ontstaan van Israël gepaard ging?

De kern van mijn gedachtegang ligt hierin. (a) Er hebben zich, onder de invloed van de Zionistische beweging, een aantal gebeurtenissen voorgedaan die de Palestijnen terecht als onrechtvaardig ervaren hebben. (b) Nochtans kunnen de gevolgen van een oorspronkelijk onrecht zich na enkele generaties zo diep hebben ingeworteld, dat alleen een pragmatische oplossing haalbaar is. (c)  Zo’n pragmatische oplossing houdt in dat men het onrecht niet volledig ongedaan kan maken, maar dat men een regeling treft die voor zoveel mogelijk betrokkenen de minst pijnlijke is. In deze context moeten we bvb. de vrede in het Midden-Oosten als een hoger goed beschouwen, dan het restloos herstellen van de oorspronkelijke toestand.

Desalniettemin kan het erkennen van dat oorspronkelijk onrecht door de Israëli’s, zowel voor henzelf als voor de Palestijnen de aanvaarding van de vredesvoorwaarden aannemelijker maken.

2.  Om dit betoog over ‘onrecht’ te staven, moet men de relaties tussen mensen en tussen groepen van mensen onderzoeken binnen een tijdspanne die redelijk is.

2.1. Als ik vandaag van iemand iets steel, mag die dat uiteraard een onrechtmatige daad noemen en zijn eigendom met alle wettelijke middelen terugeisen. Als ik intussen naar het buitenland gevlucht ben, kunnen zijn kinderen dat eventueel na mijn dood van mijn erfgenamen terugeisen. Maar stel dat na vijf generaties onze achter-achterkleinkinderen elkaar ontmoeten, bestaat er dan nog een wettelijk of zelfs een moreel recht om dat goed terug te eisen? Ik vrees van niet; en, in elk geval na tien generaties, heeft zo’n eis geen enkele zin meer. Niet alleen om wettelijke of praktische redenen, maar ook omdat de notie ‘nakomeling’ niet meer echt toepasselijk is. De afstammelingen van beide partijen hebben na tien generaties slechts een minieme fractie van het genetisch materiaal met de stamvaders gemeen en ook socio-cultureel kunnen ze verregaand geëvolueerd zijn.

2.2. Over volkeren en groepen kan men een analoge bedenking maken. In de 17de eeuw heeft Lodewijk XIV Frans-Vlaanderen bij Frankrijk ingelijfd. Dat was, tegenover de bewoners, een onrechtmatige daad en de latere verfransing ervan, was dit eveneens. Geeft dit aan België of Vlaanderen het recht dit gebied nu terug te eisen? Uiteraard niet. De verovering door de blanken, van uitgestrekte gebieden in Amerika, die door Indianen bewoond werden, ging gepaard met onrecht en zelfs met gruwelijke misdaden. Is het billijk dat de blanke Amerikanen dit erkennen? Zeker: de nakomelingen lijden immers nog altijd onder de gevolgen van het onrecht dat hun voorouders moesten ondergaan. Volgt daaruit dat de blanken eruit moeten en dat ze het gebied aan de Indianen moeten teruggeven? Natuurlijk niet:  zoals hierboven vermeld, verdwijnen na verloop van tijd de strikt juridische rechten  – behalve wanneer die uitdrukkelijk als blijvend vastgelegd werden, zoals de rechten op de reservaten  (reserve of reservation) –  Wanneer groepen Indianen grotere gebieden zouden eisen, op grond van hun ‘historische’ rechten, zou men daaraan geen gevolg geven, ook de internationale instanties niet.

3.1. Het Zionistisch project om, vanaf ca 1880, opeenvolgend steeds grotere aantallen Joden te laten immigreren in Palestina, waar het grootste deel van de bevolking Arabisch sprak en hetzij moslim, hetzij christen was  – met een Joodse minderheid – heeft zonder enige twijfel veel psychisch en fysiek lijden bij deze bevolking veroorzaakt. Dat gebeurde tegen de wens in van een meerderheid van die bevolking, maar ze beschikten noch politiek noch financieel over de middelen om zich daartegen te verzetten. Dat was dus een fundamenteel onrechtvaardig gebeuren. Aangezien deze ‘Arabieren’ daar reeds meerdere generaties leefden, waren zij, volgens de hierboven vermelde criteria (2.1, 2.2) de legitieme bewoners van dit land en verwijzingen naar toestanden die eventueel vele eeuwen geleden anders waren, hebben noch wettelijk, noch moreel enige legitimiteit.

3.2. Om dit nog verder ethisch te onderbouwen verwijs ik naar een formulering van de kategorische imperatief van Kant: “handel zo dat je kunt wensen dat de richtsnoer van jouw handelen door alle mensen als richtsnoer genomen wordt”.

Hieruit volgt bvb. dat stelen, onwettig verwonden of doden, bedriegen, enz. immoreel zijn.

Stel nu dat men tot norm verheft dat groepen van mensen waarvan de voorouders ongetwijfeld afkomstig zijn uit een ander gebied, het onbeperkt recht hebben om zich terug in dat gebied te vestigen, dan blijkt onmiddellijk dat zo’n universeel principe tot onhoudbare toestanden zou leiden. De zwarten in de VS, vooral degenen die zeer zwart zijn, zijn zeker afkomstig uit Afrika en hun voorouders zijn daar bovendien onder dwang weggevoerd. Volgt daaruit dat zij nu het recht hebben om in groten getale hun plaats in Afrika op te eisen?  Neen!

De rechten van degenen die daar nu wonen zouden daardoor immers drastisch in het gedrang kunnen komen; alleen al vanwege de financiële, technologische en wetenschappelijke voorsprong van de Amerikaanse zwarten.

3.3. Welnu, in verband met het Zionistisch project werd voortdurend als legitimatie ervan gewezen op de ‘historische’ rechten van het Joodse volk (bvb. ook bij de Onafhankelijkheidsverklaring van Israël: “by virtue of the natural and historic right of the Jewish people…). Zoals hierboven werd aangetoond kan zo’n verwijzing naar ‘historische’ rechten niet als universele richtsnoer gelden, en is dus strijdig met de kategorische imperatief van Kant.

4.1.  Er zijn echter nog heel wat andere vraagtekens te plaatsen bij dit ‘historisch’ recht’.

(a) Had de plaatselijke bevolking dan helemaal geen recht op het land dat hun voorouders al heel lang bewoonden?  Zo ja, volgens welke criteria heeft het ene recht voorrang op het andere?

(b) Stel dat het Joodse volk in de loop der eeuwen een omvang van ca 100 miljoen bereikt had, bleef dat recht dan gelden, ook al was dit land veel te klein om die op te nemen?  En als dit recht slechts voor een gedeelte onder hen gold, volgens welke criteria moest men die dan kiezen?

4.2. Vanuit een historisch oogpunt kunnen we ook nog de volgende bedenkingen naar voren brengen..

(a) Het rijk van David en Salomon, dat als prototype moet gelden van het ‘Groot Israël’ van Gush Emunim en Likud, heeft zeer waarschijnlijk nooit bestaan (zie het Israëlisch archeologisch onderzoek: bvb. Filkenstein en Silbermann, David and Salomon p. 58: “It would be a mistake to assume that the people of the southern hill country had a single, uniformly defined national identity at the time of David”, p 95: “The evidence clearly suggests that tenth-century Jerusalem was a small highland village that controlled a sparsely settled hinterland.” ).

In feite heeft er sinds de eerste helft van de 9de eeuw een machtig rijk ‘Israël’ bestaan, dat we ook het ‘Noordrijk’ noemen. Daarnaast bestond er een onbelangrijk rijkje ‘Judah’. Bij de verovering van het Noordrijk door de Assyriërs (722) werd Judah ongemoeid gelaten. De inwoners van Israël werden weggevoerd, maar sommigen konden blijkbaar naar Judah vluchten, dat van dan af aan een ware ‘boom’ kende.  In elk geval zijn dan “the lost tribes of Israel” verdwenen en het Noordrijk kende meerdere eeuwen lang geen Israëlitische bevolking meer. Die toestand bleef grotendeels zo voor Samaria, maar Galilea kreeg vanaf de 2de eeuw v.C. een gedeeltelijk joodse bevolking. In feite is dus alleen Judea tot de 2de eeuw n.C. continu door Joden bevolkt geweest. Na de opstand tegen Hadrianus werden heel veel Joden gedood of als slaaf verkocht, werd Jeruzalem, onder een nieuwe naam, voor Joden ontoegankelijk en werd besnijdenis in Palestina verboden.

Het zou echter een misvatting zijn te denken dat de meeste nu levende Joden van die laatste bewoners van Judea afstammen. In feite waren reeds in de 3de eeuw v.C. grote aantallen Joden vrijwillig uitgeweken, zodat in Egypte reeds rond 200 v.C. een Griekse vertaling van de bijbel ontstond. Bij het begin van onze jaartelling woonden veel meer Joden buiten Palestina dan erin.

(b)  Men mag aannemen dat, doorheen de hele geschiedenis sinds de 2de eeuw n.C., wel een aantal Joden in Judea en Galilea gewoond hebben, maar vanaf de vierde eeuw woonden daar vooral ook Christenen (en Samaritanen). Die bevolking werd in 638 onder Arabisch bestuur gebracht en langzamerhand werden die ‘gearabiseerd’ en ‘geïslamiseerd’ (hoewel sommigen Jood of Christen bleven). Het zijn vooral de nakomelingen van die bevolking die daar in de 19de eeuw nog leefden. (De echte Arabieren, en later de Kruisvaarders en de Turken, vormden slechts een besturende en militaire bovenlaag).

(c) In het Romeinse Rijk waren heel wat ‘Joden’ eigenlijk ‘proselyten’: heidenen die zich tot het Jodendom hadden bekeerd. Die hadden dus geen enkele relatie met Palestina. In de loop der eeuwen hebben vooral de Joden van het Romeinse Rijk zich over Noord-Afrika en Europa verspreid en vermoedelijk zijn er dan nog wat bijgekomen via afstamming van een Joodse moeder en een niet-Joodse vader. Een extreem voorbeeld van niet-genetisch bepaalde Joden, zijn de Falasha’s, die zwart zijn en dus moeilijk biologisch van de oorspronkelijke Joden kunnen afstammen.

Kortom, men kan niet zondermeer zeggen dat ‘de Joden’ als geheel afstammen van mensen die ooit in Palestina gewoond hebben en de meerderheid van degenen voor wie dit wel geldt, stammen af van mensen die dit land vrijwillig verlaten hebben.

(d) Uiteraard kan men ook Jood worden door zich tot de Joodse godsdienst te bekeren, maar, rekening houdend met het principe van Kant, kan men zich afvragen of het een universeel houdbare regel is dat mensen die tot een bepaalde godsdienst toetreden, daardoor automatisch het recht verkrijgen om zonder restrictie in een bepaald land in te kunnen wijken.

(e) Maar we kunnen al die complexiteiten buiten beschouwing laten. Zelfs al zouden alle Joden rechtstreeks afstammen van mensen die daar ca 2000 jaar geleden gewoond hebben, dan nog zouden die mensen geen recht hebben dat opweegt tegen de rechten van hen die daar sinds de laatste eeuwen wonen. (1.2, 2.2, 3.2)

5.1. Bij mijn betoog (in het interview) over dat onrecht, meent MP te mogen stellen dat de essentie van mijn betoog is: “de roofzuchtige Jood heeft geen recht op een eigen grondgebied”.

Dat “roofzuchtige” is een schandelijke belediging want geen enkel aspect van mijn betoog suggereert zoiets. Bovendien heeft elke Jood zoals ieder mens het recht op het grondgebied te wonen waar zijn ouders als burger leefden, of waar hij een naturalisatie verkregen heeft.

5.2. Hoewel ik niet te pedant wil zijn, moet ik er toch aan herinneren dat het Arabisch bestuur van Palestina een tijd onderbroken werd door de Kruisvaarders en nog later door Turken (Ottomaanse rijk); de ‘Arabische’ grootgrondbezitters in de 19de eeuw waren vermoedelijk meestal Turken.

Dat de ingeweken Joden positieve realisaties in Israël tot stand brachten is evident; dat deden de Fransen in Algerije en in andere kolonies ook. Toch bleef de plaatselijke bevolking ook daar die kolonisatie als onrecht ervaren.

5.3. De Balfour-verklaring en de bevestiging door de Volkenbond (gedomineerd door koloniserende mogendheden), verandert niets aan het ethisch karakter van het onrecht en ook juridisch kon die Volkenbond die Verklaring niet rechtsgeldig maken. Op welke gronden overigens? De ware betrokkenen werden nooit geraadpleegd: de opstanden van de Palestijnen, reeds voor 1948, bevestigen hoe sterk hun afkeer van de invasie van hun land was.

Overigens had ook de UNO een dergelijk recht niet  – grote delen van de wereld waren nog kolonies en waren dus geen lid – . En zelfs de huidige VN (die MP de ‘Verenigde Nazi’s’ noemt) zou om ethische redenen dit recht niet hebben.

Wel gaat er van resoluties die eenparig genomen worden (zoals R 242 en 238) een belangrijk moreel gezag uit; waarbij men overweldigende argumenten moet aanbrengen om ze naast zich neer te leggen. Ik heb die argumenten nog niet gezien.

5.3. Het hele historisch betoog van MP is dus irrelevant tegenover het ethische aspect van de zaak.

(a) Dit is niet onmiddellijk duidelijk omdat hij het altijd over ‘de Joden’ en ‘de Arabieren’ heeft. ‘De Arabieren’ hebben volgens hem in het verleden ‘de Joden’ meer onrecht aangedaan dan wat nu in Palestina gebeurd is.

Ik moet het herhalen: een ethische beoordeling van handelingen van individuen en groepen moet binnen een redelijke tijdspanne beschouwd worden; bvb maximum vijf generaties. Niemand kan nu nog een deel van de Mexicanen verwijten dat hun voorouders mensenoffers brachten en binnen drie generaties zal men de Duitsers ook de Shoah niet meer kunnen verwijten.

(b) Bovendien gaat het hier helemaal niet over ‘de Joden’ (= de verzameling van de Joden) en ‘de Arabieren’ (= de verzameling van de Arabieren)  -‘verzameling in de wiskundige betekenis van dit woord –

Het huidige probleem betreft alleen die deelverzameling van de Joden die vanaf ca 1880 naar Palestina vertrokken zijn  – en indirect degenen die de Zionistische beweging actief steunden – en daarnaast die deelverzameling van Arabisch sprekenden die in Palestina woonden en nu wonen.

Het is totaal onmogelijk dat deze bevolking en hun voorouders tot meer dan 10 generaties ver, ooit enig kwaad kunnen berokkend hebben aan Joden buiten Palestina.

Wanneer ik spreek over Palestijnen, bedoel ik deze bevolking.

Noemden zij zich Palestijnen? Beschouwden zij zich als een apart volk?  Dat is voor onze problematiek irrelevant: zij ervoeren deze inwijking als onrechtmatig en bedreigend. Punt.  Zoals vaak bij het ontstaan van natiebesef het geval is, leidde gemeenschappelijk ervaren onrecht tot een gemeenschapsgevoel.  Ook het (politieke) Zionisme zou vermoedelijk nooit ontstaan zijn zonder de opeenvolgende anti-joodse progroms.

(c) Men moet toegeven dat de Joodse immigraties aanvankelijk niet met wapengeweld gepaard gingen, maar, naarmate ze in aantal toenamen, werden ze toch meer als bedreigend ervaren, terwijl de plaatselijke bevolking noch de politieke macht had om dit tegen te houden, noch de mogelijkheid om zich tegen de financiële, culturele en technologische superioriteit te verzetten.

De meeste staten, waar ook ter wereld, remmen immigratie af, zodra die hun socio-culturele integriteit dreigt aan te tasten. De bewoners van Palestina beschikten over geen enkel middel om zich daartegen te verdedigen. Die immigratie was dus onrechtvaardig.

Zo was ook de immigratie van Fransen en Aziaten in Nieuw-Caledonië onrechtvaardig omdat de oorspronkelijke bevolking, de Kanaken, zich vanwege de Franse overheersing niet konden verzetten (wat leidde tot de opstanden vanaf ca 1980). Zo zijn er nog voorbeelden aan te halen van ongewapende, maar toch onrechtvaardige immigraties.

(d) Wie inziet dat verwijzing naar ‘historische rechten’ op basis van afstamming geen steek houdt, kan echter nog opmerken dat de Terugkeer naar Eretz Yisrael een kernaspect van de Joodse godsdienst vormt. Binnen die godsdienst is de Terugkeer echter vooral gekoppeld aan de mythische idee van de komst van de Messias. Mythes zijn respectabel zolang ze binnen de godsdienstige sfeer blijven, maar in een wereld met onderling tegenstrijdige godsdiensten, en zeker in een seculiere wereld, kunnen mythes geen grond vormen voor politieke bewegingen, zeker niet als die anderen benadelen.

(e) De verwijzing naar misdaden die tijdens de opstanden van vóór 1948 plaats vonden, heeft een historisch belang, maar verandert niets aan het feit dat de immigratie tegen de wens van de bevolking in, een onrecht was en de oorsprong van alles wat erop gevolgd is.  Ook de Indianen in de VS zullen ongetwijfeld gruweldaden begaan hebben. Die zijn te betreuren en eventueel te veroordelen, maar ze doen niets af van het oorspronkelijk onrecht dat hen werd aangedaan.

(f) MP verwijst naar de Joodse vluchtelingen die uit de Arabische landen werden weggepest. Maar daar zijn de echte ‘Palestijnen’ niet voor verantwoordelijk en bovendien gebeurde dit als reactie tegen het door ‘de Arabieren’ algemeen ervaren onrecht van de Zionistische immigratie.  Ook dit spijtige gebeuren maakt het oorspronkelijk onrecht niet ongedaan.

5.3. Het tweede onrecht hangt samen met de zogenaamde ‘naqba’ (katastrofe): de uitdrijving of vlucht van honderdduizenden Palestijnen uit hun oorspronkelijke verblijfplaats.

Ik wil hier niet ingaan op de discussie of het alleen maar een vlucht voor de oorlog was, dan wel het resultaat van een geplande uitdrijving (plan D).

In elk geval zijn die vluchtelingen na de oorlog niet teruggekeerd.

Belgen die in 1940 naar Frankrijk gevlucht waren, konden na de gevechten zonder probleem naar hun land terugkeren. In Israël is dat niet gebeurd. Tot men mij aantoont dat ze niet teruggekeerd zijn ondanks een faciliterende uitnodiging hiertoe door Israël, beschouw ik dit als een groot onrecht.

5.4.  Het derde onrecht vormen de nederzettingen van Israëlische kolonisten in de Westbank. Dit is niet alleen een onrecht, het is ook hemeltergende vergissing  omdat de kansen op een vrede (land for peace) erdoor drastisch gereduceerd worden.

Die tweede inwijking vormt ook één van de sterkste factoren die ertoe geleid hebben dat het Palestijns verzet meer en meer door agressieve fundamentalistische moslims wordt overgenomen. Die rampzalige ontwikkeling reduceert de kansen op vrede bijna tot niets en bovendien stimuleert het op dramatische wijze de verspreiding op het internationale vlak van de meest intolerante vormen van islamisme.

MP wijst herhaaldelijk op de misdaden en onvergeeflijke politieke fouten die door de Palestijnen en ook door de Arabische landen werden gemaakt. Die zijn inderdaad legio. Oorlogen beginnen die men niet kan winnen; al te lang vasthouden aan de eis van vernietiging van Israël; zinloze misdaden tegen onschuldigen (een studente van mij werd tijdens een vliegtuigkaping gedood); het afschieten van raketten, hoewel men weet dat er een reactie zal volgen die de eigen mensen treft; de absurde steun voor Saddam na zijn invasie van Koeweit…

Ik veroordeel dat allemaal, maar ik moet herhalen dat in mijn opinie de vormen van onrecht die ik heb vermeld, de wezenlijke bijdrage geleverd hebben tot de radeloosheid en ook de redeloosheid van tal van die excessen. Men heeft het recht zich tegen een razende hond te verdedigen, maar de vraag blijft: wie heeft die hond razend gemaakt?

Ik moet toegeven dat ook ik wanhopig word wanneer ik zie welke fanatieke antisemitische propaganda in de Arabische wereld wordt verspreid en wanneer ik met de uitingen van Hamas, Jihad, enz. geconfronteerd word.

Maar ik sta eveneens verstomd wanneer ik interviews hoor met Joden uit de nederzettingen op de Westbank. De verwijzingen naar absolute rechten die op de bijbel gefundeerd worden, komen telkens weer terug. Maar tegen op ‘Openbaring’ gesteunde rechten is geen redelijk betoog opgewassen.

Denk aan het voorbeeld van Hebron: sommigen willen hun leven en dat van hun kinderen op het spel zetten om daar te blijven wonen. Nota bene bij het graf van Abraham, Izaäk en Jacob, mythische figuren die nagenoeg zeker nooit bestaan hebben (dit zal wel als een antisemitische, islamofobe en christianofobe uitspraak beschouwd worden, maar dan moet dat maar).

6.1. Door deze wederzijdse interacties van onrecht, geweld en haat wordt de kans op een redelijke oplossing steeds kleiner en het risico op een internationalisering van het probleem (via islamfundamentalisme) steeds groter.

In mijn betoog wou ik er de nadruk op leggen dat wij allen, maar ook de Israëli’s en hun kritiekloze vrienden moeten beseffen dat er vormen van onrecht aan de oorsprong liggen en dat het erkennen daarvan op alle partijen een gunstig effect kan hebben.

6.2. Het ontstaan van het Zionisme is verklaarbaar vanuit de ontwikkeling van de nationalistische bewegingen van de 19de eeuw (bvb. het ‘nationalisme-beginsel’: “ieder volk heeft het recht op zijn eigen staat”) en is begrijpelijk vanuit het onnoemelijk leed dat eeuwenlang de Joden werd aangedaan. Het heeft dus weinig zin dat vanuit een ahistorisch ethisch standpunt te veroordelen.

Wel is het nuttig te zeggen dat het vanuit ons huidig inzicht eigenlijk een fout project was.

(a) Het was onrechtvaardig zich in groten getale te gaan vestigen in een land dat reeds bewoond was; bovendien met de bedoeling daar een eigen staat op te richten.

(b) De gedachte zelf van een Jodenstaat is volgens de huidige normen niet meer aanvaardbaar, evenmin als een ‘katholieke’ of een ‘islamitische’ staat aanvaardbaar is.

Een staat is de staat van zijn burgers en godsdienstige of etnische factoren mogen geen invloed hebben op de rechten en plichten van die burgers. Indien deze norm voor Israël zou gelden, en na verloop van tijd zou de moslimbevolking de meerderheid vormen, hoe zou dit nog een Jodenstaat kunnen blijven?

(c) Uit deze gedachtegang volgt ook dat de Wet op de Terugkeer op termijn moet verdwijnen. Een staat is de staat van zijn burgers, niet van burgers van een ander land die om godsdienstige redenen, of om biologische redenen (afkomt) een onvoorwaardelijke toegang tot deze staat krijgen. Als we die godsdienst even buiten beschouwing laten – in een geseculariseerde wereld is zo’n criterium onaanvaardbaar – dan is het andere criterium een biologisch bepaald etnisch gegeven.

Een persoon uit Novosibirsk waarvan de voorouders zeker tijdens de laatste 1500 jaar (misschien de laatste 2000 jaar) niet in Palestina gewoond hebben, maar die een Joodse moeder heeft, mag in Israël binnen. Een man in Beiroet die zelf  (zoals zijn ouders en grootouders)  in het huidige Israël geboren is, kan niet zomaar in Israël binnen.

Het is toch evident dat dit een discriminatie vormt op biologische grond (al dan niet van een Joodse moeder afstammen) die zeer dicht bij de definitie van racisme aan schuurt. (zie definitie in Deel I).

6.3. Om al die redenen meen ik dat het voorstel voor oplossing dat ik hierboven formuleer (en reeds in het interview resumeerde) van die aard is dat nieuw onrecht en zelfs nieuw leed maximaal wordt vermeden. Aan beide zijden is er echter zoveel haat, afkeer en fanatisme aanwezig dat de kans op een snelle aanvaarding heel gering is. Toch moeten we geloven dat het nog kan. “Point n’est besoin d’espérer pour entreprendre, ni de réussir pour persévérer”.

_______________

Advertenties