SCHELDEN PARDON MY FRENCH

Pardon my French . . . . . .

(Door: Martien Pennings)

Het is nogal een dingetje, dat schelden van mij. Eindeloos is het gezeik, kosmisch is het gezeur daarover. Dat schelden komt voort uit gerechtvaardige razernij en is ook een middel om de aandacht te trekken. Ik heb er bewijs voor dat prominenten onder onze nep-elite die ik de tyfus heb gescholden inderdaad kennis hebben genomen van mijn teksten. Anders zou dat nóóit gebeurd zijn. Mijn schelden gaat  trouwens altijd, altijd, altijd gepaard met argumenten, argumenten en argumenten. Bijvoorbeeld wanneer ik dit soort “prominenten” antisemieten noem.

Het is een soort razernij die mij ook in het persoonlijke leven wel eens aangrijpt. Mijn beste vriend Roelf-Jan Wentholt heeft het over zich heen gekregen in twee gevallen. Toen hij mij ooit zei dat het aan mijzelf lag dat ik ruzie had gekregen met onze medestrijder, Arabist Hans Jansen. En ook toen hij volhield dat “de Amerikanen” in Vietnam géén oorlogsmisdaden hadden gepleegd. Ik krijg die razernij dus  ook in het privéleven, maar ook dáár alleen als ik iets als ultiem onrechtvaardig en irrationeel beschouw. “Hitler in de bunker”, zei Roelf-Jan later over mijn schuimbekkende uitbarstingen, maar hij voegde er aan toe: “maar gelukkig om precies de omgekeerde  redenen.”

Een vriend van me, “Erik Mokum”, heeft een keer een stuk geschreven waarin hij me met een meisje vergeleek over wie Simon Carmiggelt ooit een column schreef. Carmiggelt vertelt hoe in de Tweede Wereldoorlog  op een Amsterdams perron tussen het zwijgend  toekijkende publiek een meisje de NSB’ers verrot begon te schelden die de Joden bij elkaar dreven. Dat meisje was natuurlijker moediger en deed iets wat veel gevaarlijker was. Maar in principe heeft Erik Bink gelijk: ik doe iets vergelijkbaars.

De laatste keer dat ik iemand de tering schold was onder een stuk van mij, toen er weer eens commenter was, ene “Ben”, die mij beleefdheidsregels wilde bijbrengen in de omgang met een helpster van massamoordenaars, de genotsverslaafde gekkin Samira Azabar. Ik ben toen héél boos geworden op “Ben” en er viel dus een onvertogen woordje.

En als je er goed over nadenkt: hoe zou jij, lezer, het gevonden hebben als er tussen het publiek op dat Amsterdamse perron van misschien 1943 een persoon had gestaan die dat meisje zou hebben toegeroepen: “Misschien heb je wel gelijk, maar moet je daarvoor zulke grove taal gebruiken?”

______________________________________________

Link naar dit stuk bij E. J. Bron