(Door: Martien Pennings)

________________________________________________________________

Het allerbelangrijkste blijven deze simpele vaststellingen: de nieuwe Jodenhaat en de ongeïnformeerdheid omtrent Jodendom en islam die Bessems ziet, is met volle medewerking van zijn eigen Volkskrant krachtig gestimuleerd. Dissidente stemmen werden zoveel mogelijk geweerd. Antisemitische en islamofiele correspondenten, columnisten en cartoonisten kregen alle ruimte. En nu hij het resultaat hiervan ziet, wil hij een krachtig medicijn tegen wat de Volkskrant al decennia stimuleert. En waar bestaat dat uit? Voortzetting van de dezelfde redactionele lijn! Nog ruimer baan voor islamofilie en Jodenhaat. Laten we het bespreekbaar maken! Bessempje, Bessempje toch! Op je lichtvoetige sneakers! Ik heb je één keer persoonlijk in alle rust gesproken, en ik heb je meegemaakt op feestjes van een bepaald soort incrowd waar ik niet meer kom en ook niet meer welkom ben. Ik begrijp  de druk waaronder je staat, maar dit is NIET het antwoord.

________________________________________________________________

Dit stuk handelt over een artikel dat op 4 zaterdag mei 2013 in het Volkskrant-katern “Vonk” verscheen. Het was van de hand van de nog niet zo lang op zijn post zittende jeugdige chef opinie van de Volkskrant, Kustaw Bessems, en het was over vier pagina’s uitgesmeerd. De titel luidde “Openheid overwint de onderduik” met als ondertitel “Vrijheid: Ruim baan voor enge ideeën”.

Kustaw Bessems heeft zijn doctoraal geschiedenis gehaald onder begeleiding van dezelfde “promotor” aan de Universiteit van Amsterdam als ik: Herman Beliën. Alleen was Bessems veel jonger dan ik. Hij is van 1977, vertelt Wikipedia mij, en dan kan hij zijn diploma als historicus nooit in 1989 hebben gehaald, zoals ik. Bessems was twaalf jaar op dat moment. Ik was trouwens vier-en-veertig. Ja, een laatbloeier. En ja, opa is alweer van 1945. Waar blijft de tijd. Nog meer verschil: ik heb helemaal geen feitelijke begeleiding gehad van Herman Beliën. Had ik niet nodig. Vier-en-veertig jaar immers: dan mag je wel een keer zelfstandige academische arbeid kunnen verrichten. Oh ja, nog één verschil: Bessems is een Jood en ik gelukkig niet.

Ik heb in 1989 die scriptie van 240 pagina’s na anderhalf jaar werken kant-en-klaar op de tafel van Beliën gelegd. Hij had vervolgens twee weken nodig om hem te beoordelen. Toen ik bij hem terug kwam voor het vonnis, keek hij, achter de tafel gezeten, schuin weg. Zijn gezicht stond ernstig. Hij pleurde mijn scriptie tussen ons in op tafel. “Weet je wat je daarmee moet doen?” Ik schrok me wild. Had ik mezelf dan zó verschrikkelijk overschat? Beliën ging recht zitten, pakte het boekwerk op, ritste met zijn duim door de pagina’s en zei: “Daar moet je niks aan veranderen.” Ik weet niet hoe lang het duurde voor ik vroeg: “Niks? Nog geen komma?”

“Nog geen komma”, bevestigde Beliën. Later dat jaar 1989 kreeg ik “The Lawrence J. Saunders Award” van het “Roosevelt Study Center” te Middelburg voor de beste doctoraalscriptie over een Amerikaanse onderwerp. In de toekennings-commissie zaten professor Rob Kroes (Amsterdam) , professor Lammers (Leiden) en de nog jonge professor Maarten van Rossem (Utrecht).

Die scriptie van mij was een intellectuele biografie van een Jood, Norman Podhoretz. Dat was een beetje prematuur, want Podhoretz was op dat moment pas 59 jaar en nog volop actief als hoofdredacteur van Commentary, een New-York-based  Joods-intellectueel maandblad, dat toonaangevend was in vooral de jaren 1980. Dat waren de jaren van het presidentschap van Ronald Reagan. En Norman Podhoretz claimde zo’n beetje eigenhandig met zijn blad de conservatieve stroming te hebben geschapen die Reagan aan de macht bracht.

Ik had Podhoretz als onderwerp uitgekozen omdat ik eind jaren 1970 geestelijk en materieel aan de grond was komen te zitten. Ik vond mezelf terug driehoog-achter in de Amsterdamse Spuistraat in een huis dat vooral prominent hoerenkast was en in een buurt die in die tijd vooral bestond uit nog meer hoerenkasten en pornobioscopen. Mijn studie aan de universiteit van Amsterdam en mijn huwelijk waren beide mislukt. En ik had het gevoel dat ik niet alleen maatschappelijk  en moreel gefaald had, maar ook ideologisch. Ik was mijn geloof kwijt. Ik was een kind van de “revolutie van 1968” en ik had een fundamenteel gevoel gekregen dat met die stroming iets verkeerd was. En dat gevoel had Norman Podhoretz ook. Maar anders dan ik wist hij dat verkeerde te verwoorden op een tegelijk politiek en psychologisch niveau. Aldus werd mijn doctoraalscriptie tegelijk een stuk persoonlijke therapie onder leiding van Podhoretz.

Dat persoonlijk therapeutische element had blijkbaar de “wetenschappelijke” waarde van mijn biografie van Podhoretz niet aangetast, want in zijn mondelinge laudatio bij de uitreiking van mijn doctoraal zei Rob Kroes dat ik een onderwerp had gekozen waarbij ik intens persoonlijk betrokken was geweest en dat zulks meestal tot wetenschappelijke rampen leidde, maar dat ik het er keurig objectiverend vanaf had gebracht. Verder weet ik nog dat ik een licht-beige colbert-jasje en een blauwe spijkerbroek droeg.

Het zat natuurlijk allemaal nog veel dieper bij mij. Want ik was allang voor ik bij Podhoretz in therapie ging eigenlijk een soort Jood geworden. Auschwitz-Jood om precies te zijn. Nee, nog preciezer: Auschwitz-wahl-Jude der zweiter Generation. Mijn “formative experience” is geweest de confrontatie op misschien tien- of twaalfjarige leeftijd met foto’s uit de nazi-concentratiekampen.  Ik was, pre-puberend, in het grootouderlijk huis op zoek naar de nummers van “De Lach”, een blaadje waar moppen het excuus vormden voor foto’s van dames in badpak, met, zoals W.F. Hermans ooit ongeveer schreef “die grofkorrelige fotografie die eigenlijk voor tractoren in tijdschriften voor de agrarische stand gereserveerd zou moeten worden.” Ik vond, boven verwachting, plaatjes van zelfs geheel naakte mensen. Maar ze waren wel erg mager. Ik was gestoten op banden met “Onderdrukking & Verzet”, vlak na de oorlog uitgegeven onder redactie van Van Randwijk. Het stond vol met foto’s uit de Nazi-concentratie-kampen. Daar werd ik voorgoed, zoals Thomas Mann zegt, “verdreven uit het paradijs van de kinderlijke gevoelens”.

Zwart-wit-ervaring aangaande dood en seks. Ik weet niet wanneer ik het gedicht “Todesfuge” van Paul Celan ontdekte: “Schwarze Milch der Frühe . . . .”. Dat ontwikkelde zich voor mij  tot een symbool van zowel “het intellectuele leven”- altijd maar die zwarte letters, abstracties vormend op wit papier – en “Auschwitz”. Was ik nou een piekeraar geworden door die foto’s of door het “intellectuele leven”? En was die hang naar kleurige pornografie mij nou gewoon door de tijd opgedrongen of had dat toch echt vooral te maken met mijn levenswijze? Ik heb dit thema ook wel eens op geleerdachtige wijze uitgewerkt in mijn opstel “Ronald Havenaar vertilt zich aan Martin Bosma”:

“Toen er na de materiële wederopbouw, rond 1965, tijd en energie vrijkwam en de jonge generatie van de ´babyboomers´ aantrad, kwam de psychologische reactie. Die was er een van bezinning op ´oorlog´ en ´kolonialisme´. Een zinnebeeld van die oorlog van 1914-1945 werden ´de loopgraven´, maar het zinnebeeld bij uitstek werd ´Auschwitz´ en de beelden die daarbij hoorden. Van ´kolonialisme´, het nieuwe en oude, werd in de jaren 1970 ´Vietnam´ het symbool en met name het naakte, vluchtende, schreiende ´napalmmeisje´. De inhoud van de psychologische reactie was schuldbesef enerzijds en anderzijds vitalistische genotzucht, vooral tot uiting komend in pornografie, vrije seks (zéér gefaciliteerd door de uitvinding van ´de pil´) en ´anti-autoritair´ gedrag. Er was een besef dat de oorlog en het ´imperialisme´ vooral met onderdrukte seksualiteit te maken had, al had men de marxistische mond vol over ´economie´ en ´arbeiders´ en over de opstand tegen de ´regenten´.

Die dynamiek tussen dat schuldbesef (imperialisme, oorlog, Auschwitz, Vietnam) en de vitale reactie (hedonisme, opstand tegen de autoriteit, vrije seks, pornografie) lag ten grondslag aan veel ´links´ extremisme, zowel in Europa (Baader Meinhof) als Amerika (Weathermen). Het overwinnen van ´Auschwitz´ via seks is in feite het kernthema van William Styrons ´Sophie’s Choice´ (1979). Norman O. Brown, de verdediger van de ´polymorfe perversiteit´ schreef speciaal voor historici en andere in seks en dood geïnteresseerden (ach, toevallige onderwerpen): ´Life against Death: The psycho-analytical Meaning of History´. (1959 !!) Het is een iconisch boek voor de mentaliteit van ´de jaren zestig´. Maar alleen voor intellectuelen natuurlijk, en dat is Havenaar niet. Zelfs geen halve. Of zou Havenaar toch Paul Bermans, ´Power and the Idealists´ uit 2005 kennen? Uit dat boek leer je iets begrijpen van ´The Passion of Joschka Fischer and its Aftermath´, zoals de subtitel van dat boek luidt, oftewel van links zijn en erg boos over ´Vietnam´ te midden van een ´seksuele revolutie´. Of lees de recensie die de inmiddels overleden H. J. Schoo schreef over dat boek en bemerk hoe die ´jaren zestig´ doorwerkten tot in de jaren 1990 inzake de kwestie ´humanitaire interventie´, dat mij persoonlijk ook zeer heeft bezig gehouden. Moeten we niet Peter Collier en David Horowitz ter hand nemen? Hoe heet dat boek van die twee ook alweer? ´Destructive Generation: Second Thoughts about the 60’s”´(1989). En de linksige Tod Gitlin ook natuurlijk, ´The Sixties: Years of Hope, Days of Rage´ (1987).

Dat mengsel van schuldbesef en vitaal hedonisme betrok zichzelf in de jaren 1960 tot 1989 dus ook op de internationale politiek. Dat gebeurde  in ´marxistische´ van alle seksualiteit losgezongen ´analyses´, waarin het communisme, de Sovjet-Unie en China werden verdedigd en het ´kapitalistische”´ Westen werd aangevallen. Deze ´generatie van 1968´ met haar complex van schuldbesef & hedonisme heeft haar ´mars door de instituties´ met succes afgelegd, heeft tot nu toe de cultuur van het Westen, in elk geval die van West-Europa, in zijn greep, en is erin geslaagd zichzelf te reproduceren in inmiddels alweer twee generaties.”

Tot zover een eerdere “wetenschappelijke” uitwerking van een . . . . . eh . . . . intellectueel probleem.

Toen ik begin jaren 1980 – ik was midden dertig – met mijn toenmalige vriendin een tentoonstelling wilde bezoeken over de concentratiekampen op de Dam in Amsterdam, brak ik bij de eerste foto-opstelling. Niks spectaculairs snikkends, maar het stroomde volautomatisch en het bleef maar komen. Ik ben weg moeten gaan. Daarna heb ik het nog eens geprobeerd met het Achterhuis van Anne Frank. Je bent Amsterdammer en daar moet je toch een keer geweest zijn. Moest kunnen, dacht ik, want geen enge foto’s. Maar dat ging ook niet.

Na al deze persoonlijk ontboezemingen begrijpt u misschien dat ik de volgende passage bij Kustaw Bessems in zijn Volkskrant-opinie-katern “Vonk” intens aanstellerig vond:

“In de Duitse pizzeria/Biergarten/ waterpijptent waar ik dit zit te lezen, gebeurt iets vervelends. De tekst, en het besef van zijn betekenis, raken mij persoonlijk. Daar ben ik eigenlijk tegen, persoonlijk geraakt worden. Sowieso. En al helemaal wanneer ik aan het werk ben. Laat staan publiekelijk. Dat heeft een principiële reden. Het debat over bijvoorbeeld de vrijheid van meningsuiting moet worden gevoerd op grond van feiten en argumenten. Het is onzuiver je betoog kracht bij te zetten met sentimentele anekdotiek uit de privésfeer. ( . . .) Anderhalf jaar geleden brak ik bij uitzondering de ban op persoonlijke informatie. Dat was in een essay over de vrijheid van meningsuiting. Ik bepleitte toen een wettelijke verruiming van deze vrijheid in Nederland, zodat bijvoorbeeld ook Holocaustontkenning niet langer strafbaar zou zijn. Omdat ik wilde laten weten dat het voor mij geen holle frase is wanneer ik zeg dat ik de pijnlijke kant van zo’n verruiming onderken, haalde ik een anekdote aan over mijn Joodse grootmoeder, die de oorlog overleefde. Ogenblikkelijk heette ik op de website van NRC Handelsblad een Joodse journalist.”

De dertiger Bessems wil de geestelijk volwassene uithangen. De menselijke mens die heel raakbaar is, maar dat buiten zijn uiterst belangrijke werk wil houden. De gewichtige professional spelen. Niet doen, Bessems! Neem een voorbeeld aan je collega-Jood, Norman Podhoretz, die er een erezaak van maakte zichzelf publiekelijk auto-bio te graven en daarbij heel veel inzicht won. Lees zijn “Making It” en vooral zijn “Breaking Ranks”. Hou op met net doen of je Joodse identiteit niet zo belangrijk is. Want die Joodsheid, en de angst die er het gevolg van is, is een van de oorzaken van de starnakelse domheid van je gevoelerige intuïtie-essaytje in de Volkskrant getiteld “Openheid overwint de Onderduik: ruim baan voor enge ideeën.”

Die starnakelse domheid is door Ronald Katee, die ooit nog eens een Populistische Omroep hoopt te stichten, geanalyseerd op de avant-gardistische website AmsterdamPost ,waarop ik, als literair elitist, qualitate qua ook wel eens wat geschreven heb. Katees filering, onder de titel “Knettergek: Kustaw Bessems”, was adequaat, maar onvolledig.  De angst ontbrak.

De stelling van Bessems luidt: alles moet gezegd kunnen worden. Van haatbaardige imams tot Turkse jongeren die eerst de Joden en dan verder het hele Westen willen opheffen tot aan reclame voor de pedovereniging “Martijn”: het moest allemaal kunnen volgens Bessems.  Want je mag nooit tekortschieten, zo luidt de teneur, in het ruim baan geven aan enge ideeën. En Bessems verwoordt dat zó: “De verdediging van grondrechten als grondrechten, de notie dat die gelden voor iedereen, daarin schieten we tekort.” Iedereen: dus ook tegenover de walgelijkste ploerten mogen we niet te kort schieten. Het is een moreel appèl  aan het Westen alle remmen los te gooien in het ondergaan van verbale smurrie. We moeten ook vooral aan smurrie-diepte-onderzoek willen doen vindt Bessems:

“Wat wordt er eigenlijk gezegd? Slaat dat ergens op of niet en waarom dan?”

Bessems vond ook dat smurrie best een standbeeld verdiende, precies omdat het zo zacht is:

“Het mooie, het zachte van de vrijheid moet gevierd en op een voetstuk geplaatst. De mogelijkheid te zijn wie je bent, te zeggen wat je vindt, je te uiten zoals je goeddunkt, lief te hebben wie je wilt.”

Dat is natuurlijk voor een chef van een opiniekatern een aantrekkelijke en zelfs profijtelijke stelling. De allergoorste bagger als intellectuele pasmunt. Er was slechts één grensje dat Bessems trok: je mocht niet oproepen tot geweld. Waarop Katee de voor de hand liggende vraag stelde:

“( . . .) wanneer een vrij uitgesproken mening aanzet tot geweld. Is dat bijvoorbeeld alleen maar het geval als een imam expliciet oproept om Joden te doden of is het ook een oproep tot geweld als je uitspreekt dat het jammer is dat Hitler niet alle Joden heeft afgeslacht? Waaruit iemand immers zomaar zou kunnen concluderen dat het misschien eens tijd wordt dat iemand anders het karwei van Hitler afmaakt.”

Katee stelde nóg een noodzakelijke vraag, namelijk die van Karl Popper “in hoeverre een vrije, tolerante samenleving het zich kan veroorloven om intolerante meningen en organisaties te tolereren.”

Katees kritiek werd natuurlijk niet beantwoord door Bessems, want als links ergens sterk in is dan wel in het buitensluiten van argumenterende mensen die de goede strijd strijden. Oh ja: en podium verschaffen aan de grootst mogelijke onzin en . . . . . verdediging van het puurste nazisme. Daar is links ook heel goed in. Zo dus ook in dit geval. Nou had Katee dat in zijn stuk al met enige woede voorspeld:

“De motieven van bepaalde mensen met een fundamenteel andere politieke visie zijn echter bij voorbaat verdacht. Waarom zou je daarmee de discussie aangaan om te achterhalen hoe het nu eigenlijk in elkaar steekt? Je zou ze maar een podium bieden.”

Terecht, Katees kwaadheid, want als er één fout-links krantje is dan toch wel de Volkskrant als het de NRC niet is. Het wrange is inderdaad – Katee had daar misschien nog veel meer nadruk op moeten leggen – dat Bessems in zijn stuk klaagt over de ongeïnformeerdheid van het publiek – terwijl zijn krant als geen ander medium, of het moest de NRC of het NON-journaal zijn, voor die ongeïnformeerdheid verantwoordelijk is geweest in de afgelopen decennia.

Bessems: “( . . .) het onvermogen van een samenleving om te weerspreken, te onderwijzen en op te voeden. Wanneer vrijheid voor iets afgrijselijks wordt gebruikt, is de verleiding sterk om de ruimte daarvoor te verkleinen. Maar iets anders is nodig. De ruimte moeten wij groot houden.”

De gotspe! Chris Rutenfrans -werkt hij er nog? – heeft jarenlang een wel heel eenzame strijd gevoerd op de opinieafdeling van de Volkskrant.  Er was eigenlijk alleen maar ruimte voor de linkse pensée unique, voor de islamofielen en de Israëlhaters en nu moet – godbetert! – de toestand die de Volkskrant zelf grotendeels heeft geschapen, opgeheven worden door nóg meer ruim baan voor islamofilie en Israëlhaat én zelfs onvermomde Jodenhaat. Op wiens last? Op last van diezelfde Volkskrant, bij monde van de jeugdige chef opinie!

Katees kritiek, zei ik, werd natuurlijk niet beantwoord door Bessems en nou had Katee inderdaad nogal pittig en best een beetje ordinair geformuleerd. De uitsmijter van Katees stuk luidde:

“Waarom zou je daarmee [met “de Wilders-mens”, zeg maar] de discussie aangaan om te achterhalen hoe het nu eigenlijk in elkaar steekt? Je zou ze maar een podium bieden. Hij laat het podium liever aan degenen die pissen op het graf van zijn familie en een Tweede Holocaust aan het voorbereiden zijn. Knettergek die Bessems.”

Best een beetje ordinair, zei ik, dat “pissen op het graf”. Maar was het eigenlijk niet heel adequaat als je bedenkt hoe ordinair de zin van Bessems was waarop dit sloeg? Deze zin:

“Zelfs dat de Arnhemse jongens hun Jodenhaat kunnen etaleren op tv, kunnen zeggen dat mijn familie en die weinige anderen die zo gelukkig waren de oorlog te overleven, ook hadden moeten worden vermoord, zelfs dat is een triomf.”

Dat was nou toch wel heel hypokriet: Bessems schreef een stuk waarin hij verdedigt dat de meest abjecte mening geuit moeten kunnen worden, hij hekelt het onvermogen van “een samenleving om te weerspreken, te onderwijzen en op te voeden” en dan zijn ineens een paar woedende formuleringen onaanvaardbaar van iemand die ik althans zie als een strijder voor een goede zaak. Bessems, zo vertelt Katee mij, repte van “kwaadaardige onzin” en “walgelijk” en dat hij daarom de discussie niet aan wilde gaan. Ja, dat is inderdaad verbluffend voor iemand die in een lang en pathetisch gevoelsstuk ruim baan vraagt voor discussie met het allerabjectste en voor smurrie-diepte-onderzoek.

En nu voeg ik op 15 mei op aandringen van Ronald Katee twee alinea’s toe. Het pittige en rake karakter van Katees kritiek was natúúrlijk de echte reden van Bessems weigering publiekelijk in discussie te gaan. Voorts speelde, net zo natuurlijk, het marginale en radicale karakter van AmsterdamPost een rol. Want een redacteur van de Volkskrant  gaat, natuurlijk, niet afdalen naar het gewone volksniveau, naar een weblog waarop soms recht-voor-z’n-rapige  waarheden worden gezegd. Dat is niet romantisch. Voor een type als Bessems moet het exotischer, liefst iets met islamitische nazi’s  die Bessems’ eigen familie willen uitmoorden en ook heel Israël willen Holocausten. Een Volkskrantredacteur wil, kortom, alleen “goed volk” als lezers en als onderwerp, zoals de laatste reclameslogan van de Volkskrant luidt.

Maar Ronald heeft mij nou al twee keer gemaild dat Bessems een lullige smoes opvoerde als excuus om niet op AmsterdamPost te willen reageren, maar alleen per privé-mail. Waarin dus die woorden “walgelijk” en “kwaadaardig”. Bessems maakte, zo meldt Katee, er namelijk een heel punt van dat Katee zijn kritische stuk over Bessems niet alleen naar Bessems zelf en AmsterdamPost had gemaild, maar tegelijk cc naar een paar van Katees geestverwanten. Maar . . . . . “Wát de neucq!” zoals ze bij GeenStijl zouden zeggen: een artikel dat binnen een paar uur openbaar zal zijn stuur je naar het adres waar het gepubliceerd zal worden. Plus naar het openbare redactie-mail-adres van een redacteur. Plus naar een paar mensen die zo dadelijk dat stuk op een publieke website kunnen lezen. Wat voor de shit-fuck-hell zou daar nu toch het verfijnde bezwaar tegen kunnen zijn? Vooral als het een kosmopolitische redacteur betreft die zijn medium zelfs wil openstellen voor ook het hele, hele, hele errugge. Maar Bessems gaf,zo verzekert Katee me, wel degelijk als hoofdreden op dat het cc zenden van dat stukkie aan een paar geestverwanten van Katee de hoofdreden van zijn weigering was. Bessems repte van “onbeleefd” en “merkwaardig”. Nou: ik vind dat soort kutsmoesjes van Grootkosmopoliet Bessems “merkwaardig” om niet te zeggen ongelooflijk doorzichtig. Maar het klopt wel met zijn karaktertje zoals ik het heb leren kennen. Bessempje is nogal een “prinsesje op de erwt”, zoals Katee zegt. Ik zou liever zeggen dat Bessems vaak last heeft van gewoon dedain.  Maar niet tegenover nazi’s die zijn familie willen uitmoorden, natuurlijk.

Terug naar die vier pagina’s die de chef op zaterdag 4 mei 2013 in zijn eigen katern voor zichzelf had gereserveerd. Wat ik al zei: een starnakels dom stuk van Bessems. En ik hoop voor hem dat het met zijn “Joodse identiteit” te maken heeft. Bijvoorbeeld dat het niet eens in hem opkomt zich te identificeren met een nationale overheid kan te maken hebben met slechte ervaringen in het verleden van Joden met nationale overheden. Maar natuurlijk ook met de moderne EU-gekte waarin de natiestaat alleen nog maar gedemoniseerd wordt en de grote verdiensten van die entiteit ontkend worden. In elk geval zegt Bessems niet, zoals ik: de gulden en de douane terug! Nee, Bessems zegt: “Er bestaat geen binnenland meer. En geen buitenland.” En: “U kunt hier geen Mohammedcartoon publiceren zonder het risico dat iemand uit pakweg Somalië deze kant op vliegt om u een kopje kleiner te maken.” Ja, en daar heeft de Volkskrant hard aan meegewerkt om die wereld tot aanzijn te brengen.

Ik hoop verder dat de extreme tolerantie van Bessems voor desnoods het walgelijkste eveneens  te maken heeft met zijn angst als Jood voor het verborgene. Het monster dat altijd weer gevaarlijk kan worden als je het niet voortdurend in de publieke ruimte monitort. Antisemitisme, ja dat bedoel ik. Maar als dat zo is dan zou ik vooral meer ruimte . . . . . nee, dan zou ik eens begínnen met ueberhaupt ruimte te geven, als opinie-chef van de VK, aan mensen die Israël fundamenteel verdedigen en de islam fundamenteel aanvallen. Tot nu toe heeft de Volkskrant het omgekeerde gedaan: namelijk antisemieten als Thomas von der Dunk en Jos Collignon alle ruimte geven voor hun vuiligheid. Ik heb verschillende opstellen gepubliceerd ter zake van dat volgehouden antisemitisme van de Volkskrant. Maar ik heb niet de illusie dat de jongeheer Bessems aan mijn opstellen ooit nog een kritisch essay zal wijden. En dat ik dan gelegenheid krijg tot weerwoord. Er is een enorme hoeveelheid kennis en intellectueel potentieel voor discussie in Nederland terzake van de belangrijkste kwesties: islam, Israël, immigratie. Maar de werkelijk kritische stemmen worden consequent achter een informeel cordon sanitaire gehouden. Waarom deze stemmen verstikken als je de drekkigste smurrie wel wilt toelaten, Bessems? Ben je misschien gewoon bang dat je aan de bewaking moet, net als Wilders?

Bessems:

“Ik wil niet in een land leven waar organisaties worden verboden omdat hun denkbeelden tegen geldende waarden ingaan. Wie bepaalt die waarden? Wat valt er straks nog meer buiten?”

Ja, wie zou er “straks” nog meer buiten kunnen vallen? Misschien die angstige Jood in Bessems wel. Of is-ie echt bang dat-ie niet kan leven zonder de propaganda van pedoclub Martijn of van sjeik Haitham al-Haddad?

Het antwoord op de vraag, overigens, wie die waarden bepaalt luidt: Kustaw Bessems. En ook Martien Pennings. En nog een paar stemgerechtigden. En met dat laatste bedoel ik niet alleen de Tweede Kamerverkiezingen, maar degenen die hun stem kunnen laten horen in de publieke ruimte. Dat zijn tot nu toe voornamelijk de als Israëlhaters vermomde antisemieten, de islamofielen , de pro-immigratie-lobby en de pro-EUSSR-lobby. En ze zijn vooral hoorbaar in de Volkskrant. Ik heb al vaker uitgelegd dat een linkse monocultuur in heel West-Europa de macht heeft gegrepen en ook aangegeven hoe dat mogelijk is geweest.

Dus de stem van Kustaw Bessems zal tienduizenden (!) malen krachtiger klinken dan die van Martien Pennings, die de laatste decennia alleen marginale weblogs tot zijn beschikking heeft gehad. Maar ik zal niettemin opnieuw – ik heb dat al vele malen gedaan – uitleggen waarom ik kies voor de mogelijkheid tot verbieden van bepaalde meningen.

Het is heel simpel. Het is een politieke keuze. Bessems kiest ervoor alles toe te staan wat niet oproept tot geweld. Maar ik behoud mij zelfs het recht op geweld voor. Daar kom ik zo direct nog op. Ik zou ervoor kiezen om de islam te verbieden in al zijn uitingen en symbolen, omdat ik denk dat de islam een real and present danger voor het Westen vormt. Ik denk dat oprecht. Net als wijlen Gerrit Komrij ben ik bang dat we op een morgen wakker worden en we allemaal Ali heten. Dat er ineens geen weg terug is. Dat de islam zo machtig is geworden dat hij zijn ware gezicht* kan laten zien. Een kikker moet je langzaam koken. Er groeien nu generaties op die de alomtegenwoordigheid van hoofddoeken heel gewoon vinden. Over een tijdje zijn boerka’s heel gewoon. En vervolgens heten we niet alleen allemaal Ali, maar wonen we ook ineens allemaal in Pakistan.

Ikke zelf in hoogst eigen persoon bepaal de grens van de Vrijheid van Meningsuiting. Mijn eigen Rede & Moraal zijn de laatste instanties waarbij ik te rade ga. Ik heb niks anders. Dat is soms nodig, te rade gaan bij eigen Rede & Moraal, bijvoorbeeld als er in de natie, of zelfs het hele continent collectieve gekte heerst of massamoordenaars aan de macht zijn. Is voorgekomen! Komt nog steeds voor!

Karl Popper’s paradox is door Katee ook al voorgehouden aan Bessems. Maar misschien moet ik hem nog maar eens voluit citeren in de woorden van Popper himself:

“Onbeperkte tolerantie kan niet anders dan leiden tot het verdwijnen van tolerantie. Als we de onbeperkte tolerantie zelfs uitbreiden naar diegenen die intolerant zijn, als we niet bereid zijn om een tolerante samenleving te verdedigen tegen de aanslagen van de intoleranten, dan zullen de toleranten, en de tolerantie met hen, worden vernietigd (…). Daarom ook moeten we in naam van de tolerantie het recht opeisen om het intolerante niet te tolereren. We moeten eisen dat elke beweging die de intolerantie predikt, zichzelf buiten de wet plaatst en het oproepen tot intolerantie en vervolging als een misdaad beschouwen, zoals we ook het oproepen tot moord of kidnapping of de herinvoering van de slavenhandel als misdaden beschouwen.”

Ik heb het al vaker opgeschreven: de Vrijheid van Meningsuiting is existentieel en kan daarom niet absoluut zijn. Dialectiek! Dus zou een willekeurige Wijsneus dan kunnen repliceren: “Maar de Vrijheid van Meningsuiting is zélf een kernwaarde!” En dan antwoord ik: ja, één kernwaarde.  Er zijn er meer. Het slimme Joodje Sammie Huntington heeft niet alleen in zijn “Clash” uitgevogeld dat de islam al 1400 jaar” bloedige grenzen” heeft en een veel “groter gevaar” vormt dan ooit het communisme, maar heeft ook een dik boek geschreven met de titel “Who are We?”. En daarin somt hij een paar van onze waardes op. Onze: van de Joods-Christelijk-Verlichte traditie. Ik pak mijn exemplaar van “Who are we” nog eens op. Jezus! Wat heb ik daar in zitten marge-schrijven en kladden en onderstrepen en markers zitten gebruiken! Dat doe ik omdat ik nooit wat onthoud.  Maar ik wist nog wel ongeveer waar ik het code-woord DELLPHI had opgeschreven, op pagina 46. Die eigengemaakte afkorting staat voor Democracy, Equality, Liberty, Law (rule of), Property, Human Rights, Individualism. Als we de islam zijn gang laten gaan zijn al die waarden, en dan bedoel ik die waarden zoals ze bedoeld zijn, in één klap verdwenen. Dus als er een Systematische Ondermijning van mijn Existentiële Kernwaarden plaats vindt door een Doodsvijand, bijvoorbeeld de islam, dan wil ik één Kernwaarde, de Vrijheid van Meningsuiting, kunnen beperken om al die andere Kernwaarden te kunnen behouden.

Ik zou Voltaire graag omdraaien, die befaamde uitspraak dat hij ieders recht op de vreselijkste meningen tot zijn dood zou verdedigen. Ik verdedig daartegenover tot mijn dood mijn recht om te zeggen: “Dát tolereer ik in mijn cultuur wel en dat niet.”

De discussie over “Weimar” na WOII  in Duitsland, de discussie dus over hoe-het-zo-was-gekomen, leidde tot de slotsom dat degene die de Vrijheid van Meningsuiting en de Democratie willen gebruiken om beiden af te schaffen, best een Berufsverbot aan de broek mogen krijgen. Verfassungsschutz weetjewel. Dus opgerot met die 68-ers-mentaliteit van “verboden te verbieden”. Ik wil wél kunnen verbieden. En daarvoor heb ik een aanspreekbare overheid nodig. Vandaar mijn leve Europa, weg met de EU, weg met de islam, leve Israël, de gulden en de douane terug. En vooral ook weg met dat nep-kosmopolitische sfeertje waarin het opinie-Joodje Bessems geheel onterecht meent te kunnen gedijen. Niet openheid maar overheid overwint onderduik.

“Het is toeval, dat ik in München ben. Eerder die dag was ik in een luxehotel in de bergen, met sneeuw, op twee uur rijden van de stad, waar ik was uitgenodigd voor een conferentie over grote wereldkwesties. Nu is het laat op de avond. Het is rokerig op de bovenverdieping van het café waar ik nu achter mijn MacBook zit. Er staan houten meubels zoals in een Duitse kroeg, maar ook beelden van nepmarmer en er hangen draperieën als in een scène uit 1001 Nacht. Dat klopt allemaal, want de Turkse eigenaren serveren hier zowel bier als pizza’s als waterpijpen. Iets moeilijker te plaatsen zijn de tv’s aan het plafond – zonder geluid staat de kunstzender Arte op – en de Amerikaanse jazz die te horen is, zij het af en toe doorsneden door het geluid van een boor- of schuurmachine. Dit is nu heel erg de wereld, denk ik, terwijl ik al deze ingrediënten voor mezelf op een rij zet. Er bestaat geen binnenland meer. En ook geen buitenland. Op het scherm van mijn MacBook lees ik de State of the Union die de Amerikaanse president Franklin D. Roosevelt op 6 januari 1941 uitsprak in het Amerikaanse Congres. De rede die bekend zou worden als zijn ‘Four Freedoms speech’.”

Wat zei ik hierboven nou toch weer?! “Kosmopolitisch Joodje”? Verdomd, bijna zei ik dat. En waarom zei ik dat bijna? Waarom had de provocerende titel boven dit stuk bijna geluid: “Nee, opinie-Joodje Bessems: niet openheid maar overheid overwint onderduik”.  Omdat ik wanhopig ben. Omdat ze nérgens naar luisteren, de in alle subsidie-niches van mijn hele ondergaande cultuur ingegraven nepelites waartoe nu ook Bessems behoort. Je móét ze bij hun ballen pakken anders zien of horen ze je niet eens. Ik wil dat ze luisteren naar William Butler Yeats:

Turning and turning in the widening gyre
The falcon cannot hear the falconer;
Things fall apart; the centre cannot hold;
Mere anarchy is loosed upon the world . . . . .

Het allerbelangrijkste blijven deze simpele vaststellingen: de nieuwe Jodenhaat en de ongeïnformeerdheid omtrent Jodendom en islam die Bessems ziet, is met volle medewerking van zijn eigen Volkskrant krachtig gestimuleerd. Dissidente stemmen werden zoveel mogelijk geweerd. Antisemitische en islamofiele correspondenten, columnisten en cartoonisten kregen alle ruimte. En nu hij het resultaat hiervan ziet, wil hij een krachtig medicijn tegen wat de Volkskrant al decennia stimuleert. En waar bestaat dat uit? Voortzetting van de dezelfde redactionele lijn! Nog ruimer baan voor islamofilie en Jodenhaat. Laten we het bespreekbaar maken! Bessempje, Bessempje toch! Op je lichtvoetige sneakers! Ik heb je één keer persoonlijk in alle rust gesproken, en ik heb je meegemaakt op feestjes van een bepaald soort incrowd waar ik niet meer kom en ook niet meer welkom ben. Ik begrijp  de druk waaronder je staat, maar dit is NIET het antwoord.

Begrijp ik die druk? Maar al te goed! Zo goed dat ik denk dat de ideologische opstelling- anything goes! –  van Bessems uit pure angst voortkomt. Zo goed dat ik hier niet eens ga formuleren wat die angst dan precies is. Een staat, een regering, die bezig is zichzelf op te heffen en die de vertegenwoordigers van een terreurreligie massaal heeft binnengehaald en nog steeds niet denkt aan een volledige stop op immigratie uit moslimlanden, mag zich afvragen waarom Bessems bang is en waarom ik zelfs schroom zijn angst volledig onder woorden te brengen. En kijk goed toe wat hier volgens mij gebeurt: vanuit die angst durft een belangrijke opinieleider als Bessems niet werkelijk te denken wat hij wil denken. Men vraagt wel eens naar fenomenen van islamisering: dit is een heel belangrijk exemplaar: de angst van Kustaw Bessems.

En waarvoor sta jij dan, Pennings? Voor wie dat nog onduidelijk is na het bovenstaande, mag komen kijken aan mijn keukenmuur: daar hangt sinds lang een A-4tje met een foto van Anne Frank.  Daarop is de blauwwitte Davidsster geplakt. Sinds kort is er ook een foto van Myriam Monsonego onder getaped, dat meisje dat vermoord werd door Mohammed Merah, de islamitische Jodenmoordenaar van Toulouse.

MONSONEGO MYRIAM

Myriam Monsonego. vermoord door Mohammed Merah

Wat is geweld? Driehonderd keer per dag het symbool van een nazi-geloof* in mijn smoel gewreven krijgen, te weten de hoofddoek? Als dat boerka’s of niqaabs worden wil ik in dit land niet meer leven. Dan zou mijn ziel gedood worden. Mijn “ziel”? Jazeker, mijn ziel! Mijn Joods-Chistelijk-Verlichte ziel! Dan zou het zomaar kunnen gebeuren dat ik de haatbaard die bij zo’n boerkaab hoort kapot schiet, zomaar op straat. Ja, want ik was dan mijn ziel kwijt, weet je nog wel? En dan zou misschien wel, als ik de klootzak heb koud gemaakt, de donderende stem van God plotseling uit het zwerk klinken: “Martien! Waar is je Broeder?” En dan sta ik daar. Moordenaar. Ziel kwijt! Dus ga ik dit humanistisch-essayistisch bedoelde opstel besluiten met een hartelijk:

GÓD-VÉR-DÓM-ÈÈÈÈÈH !!!

_______________________________________

* De islam is een oervorm van wat wij “Nazisme” noemen: hier de meest uitgebreide uitleg en hier een kortere en hier de nog kortere en dan ook nog ten enenmale en ten anderenmale de uitleg van Emmet Scott.
______________________________
Link naar dit stuk bij E. J. Bron