Screenshot_4

De knappe, slanke, intelligente, succesvolle, jonge en beminnelijke Thierry Baudet heeft zich nóg weer populairder gemaakt met alweer een nieuw geniaal boek dat precies rebels genoeg is

(Door: Martien Pennings)

Op maandag 9 september jongstleden kreeg ik een sms-je van iemand die we “Mister X” zullen noemen: “We hebben elkaar al een tijd niet gezien. Kom om 5 u ook naar de boekpresentatie van Baudet.” Zo gezegd zo gedaan en ik vervoegde me om 10 voor 5 op de Herengracht 540 te Amsterdam bij de uitgeverij Prometheus. (Spreek uit: prooméétuis.)

Een lange gang van wit marmer. Aan de linkerkant openstaande deuren naar kantorige ruimtes. Aan de rechterhand  een wand. Ook wit marmer.  Affiche-grote en ingelijste foto’s van “een beroemde fotograaf” zoals een secretaresse mij vertelt. Ik was even blijven staan voor een foto waarop drie spichtige kinderen aan een strand te zien zijn en had hardop gezegd: “Ontroerend”.  De kinderen dragen iets wat je crisis-badkleding  zou moeten noemen. En die kleding is nat, zodat van een meisje de vagina erdoor schijnt. Ik had langer moeten blijven staan kijken, maar de foto heeft iets te sterk confronterends. Die kinderen zijn te kwetsbaar, die lijfjes te dun en te lelijk. Ik denk dat, toen die foto gemaakt werd, het oorlog was of anders was de oorlog nog pas kort afgelopen. Ik vind dat ik een titel voor die foto moet verzinnen. Het wordt: “Kinderporno”. Een mogelijkheid is ook: “Eerste hulp bij een aanval van pedofilie”.

De gang leidt naar een ruimte met twee tafels. Eentje met boeken te koop. Van Thierry Baudet uiteraard. Een tweede tafel. Waarachter stemmig geklede, hooggehakte en blootbeense meisjes. Rijen cocktailglazen met mini-ijsklontjes en een roze drankje. Het is een knappe jongen de jongeheer Baudet in zijn stemmig fijnstreepjescostuum met zwarte schoenen. Geen gele schoenen en dat is goed. Hij begroet mij.

“En u bent?”
“Ik ben op indirecte uitnodiging. Namelijk van Mister X. Dat is toch wel goed? Die kent u toch?”
“Ah ja, die ken ik heel goed. Maar u zelf . . . . .?”
Ik heb een zin ingestudeerd, die ik uitspreek:
“Ik ben een gemarginaliseerde Radikalinski die op obscure websites schrijft.”
“Oh. Juist. Ja. Eh . . . . dat weet ik niet.”

Hij bedoelt: dat wil ik niet weten en daar ga ik niet op in.
Thierry Baudet is al een gearriveerd ventje geworden.
En voor het overige helemaal terecht, want het is ook een geniáál ventje.

Ik zie Fleur Agema voor het eerst.
“Frêle Fleur”, zeg ik in mezelf.
Ik vind haar aantrekkelijk.
Voor de rest zie ik vooral mensen met wie ik ruzie heb: Hans Jansen, Martin Bosma, Joost Niemöller, Frans Groenendijk en Jaffe Vink.

Eigenlijk heb ik met Jaffe Vink geen ruzie. In zijn tijd als chef van het katern Letter & Geest van Trouw heeft hij dankbaar een aantal mooie essays van mij geplaatst. Maar vanaf de tijd dat hij begon met Opinio heeft hij me genegeerd. Ik weet eigenlijk niet waarom. Misschien was ik een van de redenen dat  Jaffe bij Letter & Geest ontslagen werd door Frits van Exter van wie ik inderdaad kan getuigen dat het een botte hufter is.

Als ik even in de gang moet wezen, zie ik Jaffe op een trapje eenzaam zitten schrijven. Ik zeg “Dag, Jaffe.” “Hallo Martien”, zegt Jaffe. Nee, hij roept me niks achterna in de zin van: “Wij moesten eigenlijk eens bijpraten!”

Er komt een toespraakje van Jaffe. Ik wist niet dat Baudet en Vink zo intiem zijn. Jaffe – “Ik heb maar een dunne stem” – heeft een interessanterig neuzelverhaaltje waarin Thoreau en Walden figureren en dat slechts voor de helft van het zaaltje verstaanbaar is. Ik merk dat ik niet de moeite doe om echt te luisteren of om een eventuele pwènte te ontdekken.

Het boek dat gepresenteerd wordt gaat over de afkeer van “links” van de eigen cultuur en de Europa-verdwazing. De titel is “Oikofobie: de angst voor het eigene”. Dat doet me denken aan de vragen van Max Frisch die ik ooit voor Jaffe beantwoordde. Dat zat zo. Ik was op een wintervacantie op een Waddeneiland, toen ik op woensdagmiddag vanuit Amsterdam opgebeld werd door een enigszins gespannen Jaffe. Op het laatste moment was de Bekende Nederlander afgehaakt die gevraagd was om in de vaste rubriek “Lastige Vragen” van Max Frisch de antwoorden te geven. En donderdagavond werd het katern al gedrukt. Dus of ik op een zo korte termijn in staat was die vragen op een geestrijke wijze te beantwoorden. Natuurlijk kon ik dat en ik geloof dat er zelfs een koerier aan te pas is gekomen om mijn tekst op tijd ter redactie te krijgen. Ja, dat waren nog primitieve tijden, zonder laptop op een wadden-eiland.

En dus werden op zaterdag 29 januari 1994 in Letter & Geest de antwoorden op de vragen van Max Frisch gegeven door de beroemdheid Martien Pennings, “vrijgevestigd denker te Amsterdam”. Ik kom op dit verhaal omdat ik even wil belichten dat Jaffe erg ondankbaar jegens mij handelt, want ik heb hem wel eens meer uit de brand geholpen, maar ook omdat het woord “oikos”, dat is Grieks voor “huis” in mijn beantwoording van de vragen van Max Frisch voorkwam. Ik citeer:

Wat beschouwt u als mannelijk?

Mag ik ter beantwoording van deze vraag citeren uit de Oikoia? (‘Huiselijkheden’, een pas ontdekt geheim dagboek van Homerus.):

“Met geërecteerde penis, die staat te trillen, zo, zoals – wanneer een sterke boer zijn spade diep in de weerbarstige aarde heeft gestoken, en hij wrikt onder de brandende zon het nuttige ijzer in de harde klei – zoals de spadeschacht dan soms zwiepend ontsnapt aan zijn zwetende handen, en vibrerend in de vruchtbare aarde staat, zo, met zo een geërecteerde penis, dan, een vrouw benaderen – en uit haar ogen spreken ontzag en begeerte, want ze ziet dat het menens is – dat vind ik nou mannelijk.”

Toch altijd weer moeilijk, die tussenwerpingen in die lange Homerische vergelijkingen als je het een beetje mooi crescendo wilt vertalen, maar ik ben het helemaal met de inhoud eens.

Tot zover ikke in januari 1994 op de Wadden. Dit was natuurlijk uitermate geestrijk van mezelf, en wel zodanig dat Jaffe me in volle ernst door de telefoon vroeg of er werkelijk sprake was van een gevonden geheim dagboek van Homerus.

Wat kan ik verder nog zeggen? Dat het natuurlijk aan mij ligt dat ik met iedereen ruzie heb. En dat het boekje van Baudet mij erg goed toeschijnt. Ik heb pas twee stukkies eruit gelezen, maar een artikeltje dat eindigt met “Een terugkeer naar de nationale munt is de enige optie” kan natuurlijk nooit verkeerd zijn, al was het alleen maar omdat ik zelf ook altijd roep: “De gulden en de douane terug!”

En in een opstelletje over “De verpeste partijcultuur” legt Baudet uit dat democratie in Nederland nauwelijks bestaat omdat alle belangrijke partijposities, inclusief die van kamerlid,  worden ingenomen door degenen die goed liggen bij de partijtop. Zodoende is er geen sprake van echte oppositie. Een middel om het democratisch gehalte van Nederland te verhogen zou een districtenstelsel zijn, maar dat komt er nooit omdat de zittende macht zichzelf daarmee zou opheffen.  Een kleine ingreep in de kieswet, aldus Baudet, zou echter een wondermiddel kunnen zijn. Als je namelijk in de Tweede Kamer zou komen niet op grond van een door de partijtop vastgestelde rangorde, maar op grond van het aantal behaalde voorkeursstemmen, zou dat de dissidenten en luizen in de pels een geweldige boost geven. De verder titels in het boekje zijn net zo veelbelovend als Baudet zelf. U kunt hier bestellen.

UPDATE 27 november 2015:

Tsja! Dát wist ik in september 2013 natuurlijk nog niet:

baudet op piano
_______________________________________________
Link naar dit stuk bij E. J. Bron

Advertenties