HilhorstDe lange slanke gestalte van Pieter Hilhorst torent boven de andere Goede Mensen uit. Let op zijn waardige en bedaarde houding met die handen welwillend op de rug. Het edele gelaat met het hoge voorhoofd is op deze foto niet goed te zien, maar des te beter is die prachtige haardos zichtbaar. Wat is dat toch een goed gelukte jongen, lichamelijk én geestelijk!

(Door: Martien Pennings)

Pieter Hilhorst en ik spreken elkaar sporadisch, want hij woont bij mij in de buurt. Laatst nog op die zaterdagmiddag van 22 maart 2014, vlak voor hij naar die demonstratie ging – “Wij zijn allemaal Marokkanen!” – om Wilders te demoniseren. Ik vertelde hem dat ik een stuk had gepubliceerd ter verdediging van Wilders waarvan vooral de titel hem zou bevallen: “Wilders is een fatsoenlijk mens, de meeste Marokkanen zijn nazi’s en Lodewijk Asscher is een gedegenereerde Jood”.

Hilhorst ging dus naar die demonstratie waar even later de islamitische oorlogs-racisme-terreur-Jodenhaat-jihad-vlag zou wapperen tussen de Dokwerker en de oudste synagoge in Mokum en waar een spandoek zou worden meegevoerd waarop stond “Wilders hond van Israël” met smaakvolle bloedspetters rond het woord “Israël”. Hilhorst is een typische vertegenwoordiger van het goedmenschendom waarvan je eindeloze psychologische analyses kunt maken, maar waarvan je vooral moet beseffen dat ze levensgevaarlijk zijn. Hij behoort tot de ronduit krankzinnigen van wie Paul Weston spreekt in deze formidabele speech aan de Engelse kiezers en waarin Weston kalm aankondigt dat Enoch Powells “rivieren van bloed” alsnog zullen gaan vloeien.

Bij toeval stuitte ik dezer dagen op een stuk van Hilhorst van 19 februari 2005 in de Volkskrant onder de titel “De kort-gebroekte denker”. Dat stuk had alles met mij  te maken. Het was namelijk een antwoord op een brief die ik hem een paar weken eerder had gestuurd en waarin ik hem zijn domme en onverantwoorde optimisme verweet inzake de “multiculturele samenleving”. Een persoonlijke respons had ik nooit van hem gehad en in dit stuk werd ik opgevoerd als een wat simpele ziel, die slechts “de brievenschrijver” werd genoemd. De toon had die meewarige inleving die Simon Carmiggelt in zijn columns reserveerde voor de straatfilosofen die hij in Amsterdam af en toe tegen het lijf liep. Nu hou ik wel van een polemiekje en dus stuurde ik onder de titel “De eschatologische denker” de Volkskrant een antwoord toe dat natúúrlijk niet werd geplaatst. Nu publiceer ik mijn repliek uit 2005 hieronder alsnog, zodat we kunnen zien dat Hilhorst niks heeft geleerd en dat ik nóg veel meer gelijk heb gekregen.

Ik zag zeer onlangs een flard van een interview met de positief ingestelde ondergangsfilosoof Wouter van Dieren, die Karl Popper aanhaalde die gezegd zou hebben dat de mens een plicht tot optimisme heeft en dat pessimisme een product van het brein is en optimisme een product van de wil. Als je de feiten ziet, zou Popper gezegd hebben, zegt het brein “hopeloos”, maar je moet het desondanks blijven proberen. Dat doe ik dus maar en roep de Hilhorsten van deze wereld op om hoofd en hart een beetje te combineren en te luisteren naar de minimum-eis die Paul Weston in bovengelinkte video aan elke staat stelt, namelijk voorkombaar (“preventable”) onheil inderdaad te voorkomen en dús als regering niet bewust aan te sturen op bloedige burgeroorlog door islamitische massa-immigratie.

En nu dat antwoord dat ik in 2005 aan Hilhorst gaf en dat de Volkskrant weigerde te publiceren.

DE ESCHATOLOGISCHE DENKER

In de Volkskrant van 19 februari 2005 schreef Pieter Hilhorst een opstel onder de titel “de kortgebroekte denker”. Een boze lezer, vertelde hij, had hem in een brief zo genoemd. Hilhorst had de term een “zegen voor de ziel” gevonden en besloten deze als “geuzennaam” aan te nemen. In zijn opstel legde Hilhorst uit hoe een kortgebroekte denker denkt. Ik heb het gelezen en zal het voor u samenvatten: dat is met een open geest, zelfkritisch, maar voor alles positief, dus met het vermogen het goede in mens, wereld en geschiedenis waar te nemen. Al zelfdefiniërende schetste Hilhorst een portret van de briefschrijver die hem bewust had gemaakt van zijn blije identiteit, van zijn eigen tegenpool dus. Dat was, zei Hilhorst, zo’n ontgoochelde ex-revolutionair die zich realist noemt maar eigenlijk een gefrustreerde cynicus is, alleen nog in staat tot doemdenken. Hilhorst sprak van “de brievenschrijver met zijn voorkeur voor eschatologische voorstellingen”.

Die “brievenschrijver” ben ik. Ik reageer wat laat, maar dat komt omdat de dokter mij verboden heeft nog langer de Volkskrant te lezen en ik zodoende pas later door toeval op het opstel van Hilhorst stuitte.

De tekst van Hilhorst was geen zegen voor mijn ziel, maar ik heb er wel, op mijn beurt, mijn geuzennaam in gevonden: ik ben een eschatologische denker. “Eschata” is een Grieks meervoud en het betekent: “de laatste dingen”, dat wil zeggen de wezenlijke zaken waar het leven in laatste instantie om draait: de hoogste geboden, de uiterste consequenties en de diepste plichten. Hilhorst heeft hier echter de gangbare betekenis op het oog, dat wat men in het dagelijkse spraakgebruik bedoelt met “een eschatologisch type”, namelijk een religieuze gek die op een berg zit en regelmatig het einde der tijden voorspelt. Op zijn best is het een Savonarola die gloeiend van heilig vuur en met priemende vinger wijst op het kwaad in de wereld. Ik zou de term echter primair en positief willen opvatten: de eschatologische mens is gewoon iemand die de geschiedenis van de mensen kent en zodoende rekening houdt met het worst-case-scenario. Goed opletten en het allerergste voorkomen: dat is de dure plicht van de eschatologische denker. “Waarom zegt een voorbeeld van bedrog meer over de wereld dan een voorbeeld van trouw?”, vraagt Hilhorst. Het antwoord luidt: niet méér en het een is inderdaad niet wezenlijker dan het andere, maar wel noopt bedrog en kwaad tot incalculeren. Bij trouw en goedheid hoeft dat niet.

Hilhorst deelde mij in bij de “gedesillusioneerde wereldverbeteraars uit de jaren zestig” bij wie het “geloof in de wereld is verdwenen, maar hun egocentrisme niet. (…) Hun teleurstelling moet het failliet bewijzen van elk idealisme. Je kunt cynisme ook begrijpen als een dwangmatige poging om de wereld in één schema te passen. (…) Er zijn gruweldaden die in geen enkel wereldbeeld passen. De enige manier om het coherent te houden is om het wereldbeeld aan te passen aan die gruwelijkheden. Auschwitz, de genocide in Rwanda, Marc Dutroux zijn dan de essentie van de wereldgeschiedenis. De rest is franje.”

Het kan ook omgekeerd. Midden jaren negentig interviewde ik voor Trouw een professor die met emeritaat ging. Ik noem geen namen, maar hij stond bekend als een “linkse” geleerde. Hij had nog meegewerkt aan het oude PvdA-beginselprogramma en met behoud van salaris was hij een paar jaar ontwikkelingswerker geweest in Afrika, alwaar hij met zijn vak, filosofie, de honger naar hogere kennis had proberen te dempen. In de tijd dat ik hem interviewde waren in de Volkskrant de gedetailleerde reportages over de genocide in Rwanda te lezen van Els de Temmerman. Zij was op dat moment zo’n beetje de enige die de westerse wereld een ooggetuigenverslag kon geven. Ik had haar teksten meegenomen en hield ze de professor voor. Hij had het niet gevolgd zei hij en ik kreeg de sterke indruk dat hij, socialist en Afrika-specialist, zelfs helemaal niks van de moordpartijen had gehoord. Verder was hij van mening dat je er toch niks aan kon doen en dat wereld nou eenmaal bestond uit “gepacificeerde en niet-gepacificeerde gebieden”. Daar had je je bij neer te leggen, vond hij. Het standpunt van de SP, van Jan Marijnissen en Harry van Bommel dus. Ik had niet zo lang daarvoor (Trouw, 23-12-93) juist zelf een stuk gepubliceerd waarin een voor die tijd ongewone visie stond die later erg in de mode is geraakt, een pleidooi namelijk voor meer moraal en meer militair ingrijpen in de Atlantische buitenlandse politiek. De hoofdstelling luidde: “Wie wil dat de dief van zijn autoradio vervolgd wordt, moet ook niet toestaan dat twee straten verder in de global village gemoord en gemarteld wordt.” Daar hebben professor en ik vervolgens bijna een uur over gediscussieerd zonder dat we verder kwamen. Toen was het interview voorbij. Anderhalf uur was alle tijd die deze intellectueel voor een geleerd diepte-interview in de kwaliteitskrant had gereserveerd. Nog voor ik in Amsterdam terug was, had hij achter mijn rug om de redactie al gebeld om te zeggen dat hij mij een slechte interviewer vond. Het stuk is nooit verschenen.

Ik ben van 1945. Inderdaad ben ik al op tienjarige leeftijd, na de onverhoedse confrontatie met een boek vol foto’s uit Auschwitz, voorgoed “verdreven uit het paradijs der kinderlijke gevoelens” (Thomas Mann). Daarna heb ik het nog één keer zestig seconden uitgehouden op een fototentoonstelling over de vernietigingskampen in het paleis op de Dam, ergens in de jaren tachtig. Het Anne Frank-huis heb ik nooit kunnen bezoeken. Ik breek op de drempel. Van “cynisme als dwangmatig poging de wereld in één schema te passen” kreeg ik echter geen last. Iemand die de foto van dat naakte meisje in Vietnam dat wegvlucht uit haar door Amerikaanse napalm getroffen dorp uitknipte en nog steeds bewaart, die op anti-Vietnamdemonstraties schuimbekkend stond te schreeuwen “Nederland uit de NATO” kan die later cynisch worden? Misschien, maar ik werd het niet. Integendeel, ik bleef levenslang idealist. Een paar jaar geleden nog, toen ik kennis nam van de praktijken van de Taliban in Afghanistan, zei ik: “Je zou ze toch vergassen”. Dat is kras, vooral uit mijn mond, maar de drijfveer blijft toch de liefde voor het fatsoenlijke en de woede om ploertigheid. In de zomer van 2004 maakte ik het in mijn idealisme nog bonter. Ik schreef: “Die Balkenende zou een nekschot moeten hebben.” Een gevaarlijke literaire overdrijving, zeker als de schrijver weet heeft van bijvoorbeeld het expressionisme in de Duitse cultuur en waarheen dat, in combinatie met nog een paar andere factoren, allemaal kon leiden, namelijk naar twee wereldoorlogen en Auschwitz. Maar het kwam omdat Balkenende almaar niks zei over de genocides in Congo en Darfur – terwijl ik overwoog om naakt op de Dam te gaan staan schreeuwen. De jeune premier met de gezonde kop vond echter juist toen het moment gekomen de nationale discussie over normen en waarden een nieuwe impuls te geven, omdat Jan Mulder had gezegd: “De bondscoach moet gestenigd worden”.

Hilhorst schreef:

De column waaraan deze lezer zo’n aanstoot had genomen ging over de onvindbare massavernietigingswapens in Irak. Een kwestie die alweer helemaal is vergeten. Ik beschreef dat we leven in een tijd waarin het ontmaskeren van anderen in hoog aanzien staat. Zeker bij een schurk als Saddam Hoessein is het zinnig om het ergste te vrezen. Dat hij de wapeninspecteurs steeds tegenwerkte en op een dwaalspoor probeerde te zetten, leek het bewijs bij uitstek dat hij iets te verbergen had. (…) Niemand kwam vervolgens op het idee dat hij niet wapens wilde verbergen maar zijn eigen zwakte. Het Westen, zo concludeerde ik, was slachtoffer geworden van haar eigen wantrouwen. Die conclusie schoot de bewuste lezer in het verkeerde keelgat.” 

Die “kwestie” van de niet gevonden massavernietigings-wapens is natuurlijk tot op heden helemáál niet “helemaal vergeten”. Daar hebben politiek correcte types als Hilhorst wel voor gezorgd. Die hebben nooit “zo’n aanstoot” genomen aan de tientallen mensen die dagelijks in de martelgevangenissen van de karakterzwakke Saddam vermoord werden. Over die wapens daarentegen raakten ze niet uitgepraat. Langzaam is hun morele verontwaardiging over de “leugens” wat gedoofd omdat tot aan Ko Colijn toe de consensus inmiddels luidt: als Saddam aan de macht zou zijn gebleven, was hij altijd blijven loeren op een kans atoom-dingetjes en Hallabja-spulletjes aan te maken. Hadden we Saddam rustig door zijn al net zo psychopathische zoons moeten laten opvolgen? Hilhorst zou eens een wereldkaart moeten bekijken. Dan kan hij daarop met het vingertje een reeks landen natrekken die begint in Nigeria. Vervolgens langs de hele noordkust van Afrika. Het Arabisch schiereiland. Via Afghanistan en Pakistan richting Bangla Desh. Maak het sprongetje naar Indonesië ook maar even. Een realist ziet hier een plofgordel. Ja, de suggestie is bewust. Deze landen zijn alle in meerdere of mindere mate schijn-democratieën dan wel dictaturen waarin de reëel bestaande islam zorgt voor twee dingen: een enorme bevolkingsaanwas terwijl de corrupte en incompetente regimes aan hun mensen nu al niks te bieden hebben dan onderdrukking, hypocrisie, incompetentie en haatpropaganda. In het hart van deze plofgordel hebben de Amerikanen, op het gevaarlijkste en meest strategische knalpunt – Israël, Iran, Syrië, Turkije, de Kaukasus – een bres geslagen en een basis gevestigd. Er was geen alternatief. Elke spontane revolutie in deze regio’s zou een islamitisch-fundamentalistische zijn. Afgezien van deze geopolitieke argumenten die vóór de oorlog spraken en spreken, alleen al dit: de doodsverachting waarmee de Irakezen daarna zijn gaan stemmen illustreert nog eens hoe juist de beslissing was het regime van Saddam aan te vallen. David Ignatius, columnist van de Washington Post, schreef rond afgelopen Pasen (NRC, 27 maart): “Twee jaar geleden was ik op eerste paasdag in Bagdad, toen net bevrijd door de troepen van de VS en hun coalitie. ‘Bevrijd’ inderdaad. Wie betwijfelt of de meeste Irakezen het toen zo voelden, is er niet bij geweest.” Welke kronkel brengt Hilhorst ertoe hier de nadruk te leggen op “het Westen” als misleid door het “eigen wantrouwen”.

Natuurlijk is kritiek mogelijk. Die moet luiden: de Amerikaanse neocons hebben in Irak volgens de domste, hoogmoedigste tradities van de ugly American gehandeld. Het was Zuid-Vietnam revisited. Maar op die domheid hoopten we niet op het moment van de Amerikaanse aanval die ik “met gebogen hoofd” (Stephan Sanders) steunde.

Hilhorst, in al zijn kortgebroektheid een bedaard mens, zet graag deraillerende schreeuwers op hun plaats: “De brief (…) ontspoorde al snel in een litanie over Stalin, de nazi’s en de Holocaust. En de beschuldiging dat naïevelingen als ik voor die gruwelen verantwoordelijk waren. Ik wilde immers het Kwaad (…) niet onder ogen zien.” Om in de beeldspraak te blijven: hier vliegt Hilhorst uit de te kort genomen bocht. Mijn informele, snel geschreven briefje (“litanie”?) besloeg de strekkende rails van driekwart A-viertje, dat is nauwelijks genoeg om op snelheid te komen. Bovendien: ontspoort iemand die Saddam in één traditie zet met Hitler en Stalin? Tenslotte: de suggestie dat ik Hilhorst c.s. ervan heb beschuldigd dat zij met terugwerkende kracht schuldig zouden zijn aan ongeveer de hele geschiedenis van het mondiale totalitarisme is belachelijk. Wat ik wel staande houd: types als Hilhorst hebben een geweldig vermogen om het Kwaad te ontkennen dan wel op de verkeerde plek te vermoeden.

Deze “linkse” pathologie intrigeert mij al jaren. Ik herinner mij een column van Hilhorst waarin hij beschreef hoe hij, deelnemend aan de Amsterdamse vredesbraderie tegen de oorlog in Irak, op agressie van Marokkaanse mede-demonstranten tegen zijn persoon was gestuit. Hilhorst had geprobeerd ze met een grijns gunstig te stemmen, waarna zij hem hadden gevraagd of hij wellicht ”een tandenborstel” wilde, dat wil zeggen: klappen op de bek. Ja, ik ken dat soort “jongens”. Ze zijn waarachtig angstaanjagend. Hilhorst had nog maar eens vriendelijk gegrijnsd. Woede om deze houding, het verraad van quasi-links aan al wat vroeger “progressief” heette, die “ethische hoererij” met “het religieuze wolvenpak” (Hafid Bouazza) en dat naïeve enthousiasme voor de “multiculturele samenleving” in het algemeen was de diepere ondergrond van mijn woede in mijn brief aan Hilhorst. Later las ik hoe een Engelse columniste een parallelle “vredesmars”, die op dezelfde dag in Londen was gehouden, had beschreven als een samengaan van “the silly with the sinister”.

Cynici met oogkleppen, zegt Hilhorst, zijn niet in staat “relevante details” waar te nemen die hun pessimistische wereldbeeld zouden kunnen corrigeren. Dat is inderdaad moeilijk voor wie genoemde ethische hoererij van vermeend-links met de reëel bestaande islamitische cultuur de laatste decennia heeft gevolgd. Vrouwenbesnijdenis schijnt beperkt praktijk geweest te zijn in Nederlandse ziekenhuizen en legalisatie is in elke geval serieus in de politiek in discussie geweest. Dat laatste geldt ook voor het aborteren van een kind omdat het een meisje is. In verband met die kwestie verscheen het zachtgrijze hoofd van de grootmoederlijkste pleegzuster van Nederland, mevrouw Els Borst, indertijd op alle tv‑journ­aa­ls. Onder de indruk van haar eigen ernst zei ze dat we toch moesten bedenken dat in sommige alhier gevestigde culturen grote problemen konden ontstaan voor vrouwen die drie of vier keer een kind baarden van het vrouwelijk geslacht. ­Winnie Sorgdrager, zelf een vrouw die dank zij de Nederlandse normen en waarden in onze maatschappij veiligheid, macht, status en welgesteldheid veroverde, heeft als minister ooit serieus overwogen in het Nederlands recht op te nemen de scheiding op zijn islamitisch, namelijk de willekeurige verstoting door islamitische mannen van hun wettige vrouw, waardoor zo’n vrouw rechteloos wordt.

De bedoelde pathologie wordt het beste verbeeld door Femke Halsema. Ze is de meest perverse vertegenwoordigster van wat ik het quasi-linkse zelfmanifestantendom noem. Kenmerk: het uitgestreken gezicht met de volautomatische verontwaardiging die even volautomatisch altijd dezelfde richting op schiet. Ze vertegenwoordigt perfect de politiek-correcte fijne luiden die uit de Tweede Wereldoorlog vooral geleerd hebben fascisme te bewonderen zolang het maar exotisch is. Het heeft niks met volwassen denken te maken. Het is hedonisme: leuke baan, leuk huis, leuke auto, leuk salaris, leuke partner, leuke gedachten in het hoofd en als slagroom op het levens-taartje: in de schijnwerpers als goed mens. Uit louter vredelievendheid aan Israël Patriot-raketten weigeren tegen de gifgasraketten van Saddam. Uit louter vredelievendheid ertegen zijn dat een eind wordt gemaakt aan zijn massamoordende regime. Criminologe zijn en dan in een verkiezingsdebat tegen Mat Herben zeggen: “U gaat hier etniciteit en criminaliteit toch niet aan elkaar koppelen?” (Vooral dank zij de multiculturele bijdrage is de criminaliteit in de laatste twintig jaar met duizend procent gestegen) Met een leuke jurk aan grootogig over de “aantasting van de privacy” klagen wanneer de Nederlandse democratie, waaraan je dankt dat je bijna dagelijks je narcistische theater mag opvoeren, zich verdedigt tegen het islamo-fascisme.

Misschien vat dit het wel het beste samen: Jack Spijkerman tijdens de Irak-oorlog als Ajax-supporter op de tribunes in Milaan met een sjaal waarop “vrede” staat. Of toch maar Jan Marijnissen in een interview met Trouw (4 januari 2005): “Zijn ogen schieten vuur, de sigaret wordt vermorzeld in de asbak. ‘Kwam bij de moord op Theo van Gogh de kogel van de islam? Wat een onzinnige stelling.’ “

Ja, écht waar en dan ben je dus écht niet goed bij je kokosnoot.

Ik bedoel dit, … neen laat ik het formeler zeggen: mijn centrale stelling is dat niet zij die door Hilhorst worden weggezet als cynische pessimisten last hebben van een gesloten wereldbeeld, maar dat juist de genotzoekers van links de obscurantisten met de oogkleppen zijn. Wat je niet wil weten kan je ook niet deren. Hou je ideologie heel, manifesteer je als goed mens, al gaat je land, je werelddeel, eraan kapot.

Medische en (andere) technologische vooruitgang ten spijt: “geschiedenis” heeft de kortgebroekte denker in mijzelf belet te zwelgen in onverantwoorde naïviteit. “Oorlog” bepaalt in laatste instantie hoe ik kijk, waarop mijn oog valt, wat ik uitknip, bewaar, waaruit ik citeer. Nog niet zo lang geleden aan de stapel toegevoegd: Carl Friedman brengt in Vrij Nederland van 2 april 2005 de foto’s ter sprake van Jevgeni Chaldej, de Russische fotograaf die de opmars van de Russische troepen in WO II heeft gedocumenteerd. Er is een tentoonstelling van Chaldej’s foto’s in het Joods Historisch Museum in Amsterdam. Friedman wijst erop dat de soldaat die op de beroemde foto de Sovjet-vlag op de Berlijnse Rijksdag plant, geretoucheerd is. Die soldaat draagt op de oorspronkelijke foto namelijk twee horloges, aan elke pols een. Friedman’s vader, door het Rode Leger bevrijd uit het concentratiekamp, zag overal de grote plakkaten met die originele foto erop langs de straten waarlangs hij door de Russen in open vrachtwagens van het ene naar het andere doorgangskamp werd gesleept. In die straten zag hij ook wat anders. Friedman:

[Daar lagen] Duitse vrouwen die door de Russen waren doodgeneukt. Mijn vader: ‘De Sovjets hadden, bij wijze van humor, een bezem in die vrouwen gestoken. De borstel zat tussen hun benen en de steel doorboorde hun lichaam.’

Na een beschrijving van de wreedheden die de Sovjets met paarden uithaalden, zegt Friedman:

”Deze Russen gingen ook regelmatig in nabije dorpen op rooftocht. Ze keerden stomdronken terug met rijgkorsetten en ander damesondergoed om de hals. En met de armen vol polshorloges.”

Je kan toevoegen aan de teksten die de geschiedenis van de mensheid heeft opgeleverd. Je kan er ook uit citeren. Zullen we dat eens doen? En dan nóg zo’n citaat over concrete zaken, want dat vindt de krantenlezer boeiend als afwisseling met abstracte beschouwing.

Wat dacht Pieter Hilhorst toen er begin april van dit jaar berichten kwamen over de busdienst die, ondanks terreurbedreigingen, geopend werd tussen het Pakistaanse (overwegend moslim) en het Indiase (overwegend Hindoe) gedeelte van Kasjmir? Geen idee. Ik weet wel waaraan ik dacht: aan een knipsel uit de VPRO-gids uit de jaren tachtig dat ik al die tijd trouw bewaar. Het knipsel bevat een tekst van Roel van Broekhoven, Hans Fels en Menno Euwe die voor het legendarische programma “Diogenes” in India op zoek waren geweest naar de erfenis van vredesapostel Mahatma Gandhi. Ze hadden in India gesproken met twee leden van de groep die Gandhi vermoordde. Een van de twee is een oude man, Madanlal genaamd, een hindoe die op het moment van het interview pas was ontslagen uit de gevangenis waarin hij decennia had gezeten vanwege zijn deelname aan die moord. Ik citeer:

‘En uzelf, hebt u zelf mensen vermoord?’ De zachtmoedige oude man staakt verbaasd zijn betoog. Zijn kleinkind glijdt van zijn schoot. (…) ‘Hoeveel mensen heeft u toen gedood’, herhaal ik. ‘Ontelbaar veel, duizenden.’ Er breekt een lach door op zijn gezicht. ‘Duizenden. Ik wilde wraak. Als je iets wilt leren, moet je studeren. Als je wraak wilt. moet je wraak nemen. (…) Vooral treinen, dat was het makkelijkst. De treinen met vluchtende moslims. Als ze stopten op de stations renden we naar binnen door de ene deur, sneden iedereen de keel door en rende weer weg door de andere deur.’ (…)

De scheiding had tot een enorme volksverhuizing geleid, moslims die vanaf hun geboorte gewoond hadden in het deel dat India werd, trokken massaal op de vlucht naar Pakistan. Omgekeerd vluchtten duizenden hindoes uit Pakistan naar India. De bloeddorst waarmee de beide groepen, die jarenlang vreedzaam naast elkaar geleefd hadden, elkaar te lijf gingen was onbeschrijflijk. Buren, die elkaar elke dag zagen, slachtten elkaar af, roofden en verkrachtten de vrouwen en dochters en, zoals een van de overlevenden zei: ‘Het lijkt wel of doden niet genoeg was, zo toegetakeld zagen de lijken eruit.’ “

Een van de leden van het betreffende VPRO-team herinnert zich, “terwijl Madanlal in details vertelt over hoe hij oude mannen neerstak tot ze niet meer opstonden”, een radio-interview, enige jaren daarvoor met een “een oude militair die de slachtingen had meegemaakt en bekend stond als een fanatieke Hindoehater.” Deze militair, een moslim, nam indertijd de radiojournalisten mee naar het station van Lahore, waar hij begon te spreken:

“ ‘Hier op dit perron kwam die nacht de trein aan die mijn vrouw en kinderen uit India zou brengen. (…) het was een uur of één ‘s nachts, honderden mensen hadden zich op het perron verzameld om hun gezinnen af te halen. De trein was laat, had een paar uur vertraging. De spanning was te snijden, iedereen vroeg zich af wat er gebeurd kon zijn. Tot ineens het licht van de locomotief uit de nacht opdook. Er ging een zucht van verlichting door de menigte, er werd gelachen, opgelucht kropen mensen die op de taluds in slaap waren gevallen, overeind. Langzaam kroop de trein naderbij, zo’n roetige zware locomotief met een hele sliert wagens. Toen hij tot stilstand kwam gebeurde er iets vreemds. Normaal zwaaiden ogenblikkelijk de deuren open en sprongen de passagiers naar buiten. Dit keer gebeurde er niets. Er viel een loodzware stilte over het perron, de wachtenden verroerden zich niet, iedereen voelde dat er iets niet in orde was. Toen rukte de oude stationschef een van de deuren open. Er liep een golf water naar buiten, water, dachten we, maar het was geen water, het was bloed. De trein lag vol kapot gehakte, opengereten lichamen van vrouwen, mannen en kinderen. Een enkeling was nog in leven. Ik ben de trein doorgekropen, over de lichamen, tot ik de restanten van mijn kinderen vond, vastgeklampt aan het verminkte lichaam van mijn vrouw. En weet u wat het vreemde was? (…) Niemand huilde, niemand sprak een woord. Zwijgend zocht iedereen de lichamen van zijn geliefden.

Zijn dergelijke gruwelen (opnieuw) in West-Europa mogelijk? Michel Houellebecq heeft in een interview ongeveer dit gezegd: wie zijn pijn niet weet te verwoorden is een ongelukkig mens. In de democratieën van dit werelddeel leven miljoenen die hun pijn niet alleen nauwelijks weten te verwoorden. Als ze het al kunnen worden ze niet gehoord en als ze gehoord worden dan worden ze als “racisten” weggezet. Dat is tenslotte de heffe des volks en die drukken de algemene mislukking van hun leven nu eenmaal uit in verslaving aan alcohol, drugs en tv-pulp, aan de RIAGG, voetbalvandalisme, Pim Fortuyn en vreemdelingenhaat. Al naar gelang. Nietwaar? De buurvrouw, een gewone Nederlandse arbeidersvrouw en dus van het slag dat door quasi-links altijd met groot gemak als racistisch wordt wegzet, was altijd erg hulpvaardig ten opzichte van de nieuwe Amsterdammers. Maar op een zomeravond – het moet dik twintig jaar geleden zijn – kwam ze ontdaan bij me en vertelde over de kleine Turkjes op de stoep die een mierennest met benzine hadden overgoten en aangestoken. “Dat zijn de Joden, die mieren”, hadden ze gezegd.

Zou het niet kunnen dat ik, die al dertig jaar in Amsterdamse achterstandswijken woon, juist door erg open te staan, vooral voor “relevante details”, een realistischer kijk heb ontwikkeld dan het kamp van Hilhorst c.s.? Misschien heb ik daardoor al dertien jaar geleden, op 11 maart 1992   (Forum, Volkskrant) kunnen schrijven “Rassen”-rellen tussen groepen jongeren zullen uitbreken. West-Side Story, maar dan zonder dans en met echte dooien. (…) Misschien zal ik een pistool gekocht hebben. Ik zou alle theoretici van de minderhedenproblematiek willen toeroepen: zet uw bril eens op de standen “werkelijkheid” en “dichtbij” en ga eens een paar jaar met een minimuminkomen in een probleem-accumulatiegebied wonen. Dat corrigeert het gemakkelijke moralisme en de ridicule quasi-kosmopolitische houding. Dat verruimt het blikveld van provincialen.”

En toen, in 1992, wist ik nog niet eens hoezeer “veraf” – de islamitische wereld – stromen gif zou loslaten op “dichtbij”. Inmiddels is Lonsdale onder ons, waarschuwen de anti-racisme-watchers voor verdere radicalisering en is het wachten slechts op de wederzijdse bloedgetuigen en de geweldspiraal. Ik zoek ook het liefst, net als Hilhorst, naar “argumenten die de eigen intuïtie weerspreken”, maar soms is dat niet verstandig. Dus schreef ik op 4 september 1993 (Letter & Geest, Trouw): Bij mij om de hoek is de Vrolikstraat. Daar is een Turks meisje vermoord door een geflipte buurtbewoner. Een bijeenkomst over de kwestie een paar weken later, liep bijna uit de hand. “Het is hier geen Joegoslavië!”, riep de voorzitster. Neen nog niet. Maar het is wel te creëren natuurlijk. (…)   In 1963 verscheen in de New Yorker onder de titel ‘Letter from a Region in my Mind” het verbazingwekkend moedige relaas van de in 1987 overleden James Baldwin (…). Hij gaf het dit motto mee:

God gave Noah the rainbow-sign:
no more water.
The fire next time!”

Hoorde ik bij “de zwartkijkers, ze noemen zich meestal realisten “ (Hilhorst), toen ik op 28 november 1994 (Forum, Volkskrant) vroeg: “(…) of er niet een einde moet komen aan die combinatie van vrouwen- en verblijfsvergunningenhandel in Marokkaanse en Turkse kringen, aan die praktijk die hier altijd zo hartroerend met de term ‘gezinshereniging’ wordt aangeduid. Alsof het gaat om leden van door rampspoed uiteengerukte families, die elkaar na jaren van bittere scheiding weer in de armen sluiten dank zij onze Nederlandse gastvrijheid. Terwijl het gewoon gaat om huwelijksdeals tussen hier en elders wonende moslimfamilies. Maak je een einde aan die praktijk, dan zou de tolerantie voor echte asielzoekers misschien meer ruimte krijgen. In elke geval wordt dan een begin gemaakt met een vorm van beperking van een allochtoon gettoproletariaat dat in geen honderd jaar via arbeid in de Nederlandse maatschappij geïntegreerd zal worden. Het probleem is dat de post-industriële samenleving een schaarbeweging kent: uitstoting van relatief eenvoudige arbeid aan de ene kant en vergroting van de vraag ernaar door instroom van migranten aan de andere kant. Dat zorgt voor een onoplosbaar probleem waar geen banenplan van welk kabinet dan ook tegenop kan.”

Blijkbaar was dit inzicht meer dan alleen maar wat Hilhorst de “kortzichtigheid van de cynicus” noemt, want september 2004, rond Prinsjesdag, schreef Trouw op de voorpagina: “Binnen vijftien jaar heeft Nederland door het verdwijnen van laaggeschoold werk een leger van 2 miljoen kanslozen. Dat voorspelt minister Aart Jan de Geus. Als er niets gebeurt is dit scenario ‘vrijwel onontkoombaar’.” De minister heeft dus 10 jaar later dan ik ook door wat er staat te gebeuren. Maar hij heeft geen idee van wat hij doen moet. “Een antwoord op dit probleem heeft hij nog niet (…)”, meldt hetzelfde voorpagina-artikel in Trouw. Je zou bijna Louis van Gaal gaan citeren: “Ben ik nou zo slim of zijn zij nou zo dom?”

In ieder geval schijnt “top-econoom Stephen Roach van zakenbank Morgan Stanley” een intelligente pessimist te zijn met een bewezen aanleg tot goed voorspellen. “De tijdbom tikt onder de wereldeconomie” staat er boven het interview met hem. (NRC, 19 maart 2005) Dat kan een mooie explosie geven, zo’n crisis, samen met terroristische aanslagen door moslimfundamentalisten in Europa en Amerika, samen met een bestuurscultuur in onze steden waarin het cliëntelisme, de regelrechte corruptie en de incompetentie van de bestuursmodellen uit Marokko, Turkije en Suriname steeds meer geïntegreerd. zullen raken. Het laatste nieuws is dat de gemeente Amsterdam vijftig allochtone organisaties onderzoekt om te kijken of er misschien subsidie naar terrorisme gaat. De huis- aan huisgevechten zijn in onze steden veel dichterbij dan menigeen denkt. Wat je daaraan doen moet? In elk geval beginnen met alle huwelijksmigratie vanuit islamitische landen direct totaal stop zetten en het advies van Herman Philipse volgen: geen kinderbijslag meer vanaf het derde kind. (Mag ik verschoond blijven van het “argument” van de “vergrijzing” en de oproep om de 16 miljoen elke generatie exponentieel te laten groeien teneinde die te “betalen”?)

Als de omstandigheden rijp zijn, en die zijn nu door dom “links” rijp gemaakt in West-Europa, dan zijn maar kleine groepjes fanatieke gekken nodig zijn om iets groots te verrichten. Wat als een groep fundamentalisten nou eens bedenkt dat je op zaterdagmiddag in de Bijenkorf te Amsterdam toch wel heel veel decadente westerlingen tegelijk kunt opblazen zonder moslim-broeders te treffen? En ze voegen de daad bij het vrome woord?

Op 19 september 1998 publiceerde ik een twee pagina’s groot essay met als kop “Een gezond instinct voor eigen volk” (Letter & Geest, Trouw). Iedereen heeft het altijd over dat opstel van Paul Scheffer – “Het multiculturele drama” – van twee jaar later in de NRC. Maar mijn stuk was minstens zo goed en het was ideologisch baanbrekend. Ik vermoed zelfs dat Scheffer er inspiratie en politieke moed uit heeft geput. Ik haalde in mijn opstel de schrijver Ian McEwan aan, die in zijn boek “Black Dogs” in een afgelegen streek in Frankrijk grote, zwarte, verscheurende honden laat optreden. Het zijn nazaten van ooit door de nazi’s in Frankrijk gebruikte moordhonden. Ze zijn symbolen van datgene dat volgens McEwan opnieuw over Europa zal komen.

Ik eindigde dat opstel aldus:

“Op donderdag 3 december 1998 liepen we door de Leidsestraat in Amsterdam, althans ik liep, want sinds mijn driejarige dochter de zitplaats op mijn nek heeft ontdekt, wandelt ze zelf nog weinig. Ze had haar rode hoedje op en neuriede. Het was een middag met lekker prikkelende winterlucht en ouderwetse sinterklaassfeer met al die winkelende mensen. Ik voelde mij Hollander. In een zijstraat kocht ik patat voor mijn kind in een tent met het opschrift ‘Vlaamse Friet’, waar een allochtoon achter de toonbank bleek te staan. Zelfs mijn Amsterdams-straatwijze oog kon niet meteen inschatten waar ter wereld hij vandaan kwam, maar we begrepen elkaar zonder woorden. Gezond instinct, zeg ik altijd maar, herkent eigen volk meteen. De patat voor Merel was gratis. Verder lopend bedacht ik dat dit land, Nederland, een land vol onrechtvaardigheden en gektes is, maar niettemin het beste land ter wereld. Ik wil dat dat zo blijft, want mijn kind moet erin opgroeien. Wanneer ik ooit letterlijk in het geweer moet komen om in dit land te handhaven waaraan ik trouw wil blijven, is het al te laat. Ik ben niet van het lieveheersbeestje, maar oorlog is de ultieme nederlaag.”

De rituele slachting van Theo van Gogh vond plaats nagenoeg op de plek waar ik een paar dagen tevoren nog even met hem had gesproken. Toen hij weg peddelde dacht ik, zoals altijd de laatste jaren: “Als ze je maar niet een keertje van je fiets schieten.” Ja, precies die formulering en nooit dacht ik, hondse filosoof, het niet als ik hem zag. Het was exact wat er gebeurde. Alleen het afmaken daarna had ik niet voorzien.Er is door Bart Crough in HP/De Tijd van 12 november 2004, die bijna geheel aan Theo van Gogh was gewijd, al op gewezen dat Van Gogh misschien nog geleefd zou hebben als hij bewapend was geweest. Wie naar de overkant van de brede Linnaeusstraat kan strompelen, kan ook terugschieten. In diezelfde HP/De Tijd schreef Peter Hoomans, die op dat moment in de Amsterdamse Pijp woonde, in zijn artikel “De Pijp uit”: “Plotseling hoorde ik mijzelf in gesprekken een pleidooi houden voor een wet die het dragen van wapens in Nederland mogelijk maakt. (…) Zodra ik ga roepen om wapens, kan ik beter vertrekken.” Ik heb twaalf jaar geleden al voorspeld dat die tijd zou komen. Zie boven. En als dit stuk de publiciteit haalt, moet ik misschien ook aan het schouderholster.

“Zo is zelfreflectie schaars geworden”, schrijft Hilhorst. In het volgende daarom een stukje zelfonderzoek. Het is nog maar pas geleden, in de zomer van 2004. Het waren de dagen dat Hans Dijkstal het “integratievignet” van Verdonk – een soort inburgeringsdiploma, een stuk papier dus – vergeleek met de Jodenster. Dat laatste “vignet”, op straat op de borst gedragen, betekende, zoals u weet, meestal eindstation gaskamer of mitraillering op de rand van het zelf gegraven massagraf, eventueel nog gevolgd door een nekschot.

Ik had die middag mijn dochtertje uit school gehaald en arriveerde op het speelpleintje voor ons huis in een Amsterdamse volksbuurt. Daar zag ik buurvrouw Thea, een vrouw van in de vijftig, die zoals gewoonlijk een paar buurtkinderen onder haar hoede had. Dat doet ze gratis en voor niks, Thea, op die kinderen passen, want ze behoort tot een bepaald soort in-fatsoenlijke, doodgewone Amsterdammers dat vroeger het merg van de buurten vormde. Het merg zijn ze nog, maar de bottenstructuur is verdwenen. Ze drijven los, zeg maar, en dat gevoel hebben ze zelf ook. Ze willen eigenlijk weg uit de buurt waar ze al veertig jaar wonen.

Bij mijn aankomst zag ik al dat het mis was. Twee mij vaag bekende Marokkanen van een jaar of zeventien zaten op de betonnen zit-speel-elementen, een soort paddenstoelen, vlakbij het glijbaantje. Ze hadden de bekende uitstraling. “Wat is het probleem, Thea?”, vroeg ik. “Nou”, antwoordde ze, “die twee daar zaten boven op het glijbaantje terwijl die kinderen daar op willen spelen. Ik had ze al een paar keer beleefd gevraagd of ze eraf wilden gaan, maar dat deden ze niet. Toen ben ik voor hun neus gaan staan en heb ik ze gevraagd of ze doof zijn. En toen kreeg ik een grote bek.”

Ik keek eens in de richting van het schorem met die bekende, blaartrekkende, nog nooit in “Kopspijkers” geïmiteerde motoriek – pak het koningshuis nog eens, jongens! – maar mijn dochtertje stond al angstig aan mijn mouw te rukken en dus ben ik na een blik van verstandhouding met Thea maar naar boven naar mijn etage gegaan. Vanuit driehoog keek ik op het speelpleintje neer. De twee zaten nog steeds op de betonnen paddenstoelen, provocerend met hun mobieltjes in de weer, ongetwijfeld stamgenoten aan het bellen, omdat ze wisten wat ze gingen doen. En dat was het volgende. Eentje zat met zijn armspieren te rollen, maar de andere kon vanaf zijn zitplaats met één hand bij de tegen het hek geparkeerde fietsen. Hij greep, zo zag ik van boven, het stuur van een fiets met kinderzitje, een fraaie nieuwe fiets, en begon die naar zich toe te halen en weer terug tegen het hek te laten vallen. Op een gegeven moment viel de fiets zijn kant op, kletterend op de grond. Hij liet hem liggen en ging opnieuw met zijn mobieltje in de weer. Het waren wat wij thuis altijd “kampers-manieren” noemden, maar dit was nog smeriger. Ik voelde, daar boven bij mijn raam, een opkomende misselijkheid en stond voor de keus. Als ik aan mijn impuls zou toegeven stormde ik nu drie trappen af naar beneden, greep ik een van de twee en ramde ik zijn kop tussen het hekwerk waartegen de fietsen stonden. Ik wist dat, als ik ging, ik de schoft zou vermoorden. Zijn hersens zouden spatten. Terwijl ik naar de gootsteen moest omdat ik werkelijk begon te braken, zag ik in de werkelijkheid – ik bleef daar uitzicht houden door het raam – Thea de fiets oprapen. Voor mijn geestesoog werd de film van de haat inmiddels verder afgedraaid. Ik fantaseerde al brakend, hoe ik vervolgens de tweede tot op de markt zou achtervolgen, hem tussen het publiek zou grijpen en vervolgens zijn hersens over het asfalt zou uitsmeren.

Later realiseerde ik me dat ik ze een paar dagen eerder al eens druk pratend vanuit datzelfde raam beneden voorbij had zien komen – de overbekende motoriek – en toen een flard van een zin had opgevangen: “(…) weet je, dus die Jood die doet zó, dus ik slá die Jood (…).”

Later ook vertelde ik aan Thea hoe ik daarboven had staan kokhalzen van razernij. Ze zei: “Maar goed dan dat ik je toen niet heb verteld wat die twee eigenlijk hadden lopen schelden: “Smerige hoer.”

Dit is een enkele anekdote. Zo heb ik er tientallen. Mijn buren ook. Het is de zee die klotst onder de politiek correcte afdeklaag (Scheffer), ook wel genoemd: de veenbrand. Ja, precies, Baldwin: “The fire next time”

Hilhorst wil zich graag “door de werkelijkheid laten verrassen”. Ik kan hem verzekeren dat zulks nog staat te gebeuren. In dit land bouwt zich een stemming op, waarin álles mogelijk wordt. Op maandagochtend 25 april 2005 fietste ik ‘s morgens met een kluit andere fietsers door de Linnaeusstraat, slechts meters verwijderd van dé plek, verdomd als het niet waar is. Vlak voordat we arriveerden bij een zebra over dat noodlottige fietspad, sprongen een stel Marokkaansen met hoofddoek op de witte strepen. De fietsende colonne in de remmen. “Hé!!”, schreeuwde iemand. “We hebben voorrang!”, riepen de dames. “Maar niet op deze manier!”, riep een man. Inderdaad moet je als voetganger een fietser een meter of tien remweg gunnen. De dames barstten provocerend uit in van dat tonglallen dat ik op de televisie vrouwen in het Midden Oosten een paar keer heb zien doen, bijvoorbeeld na de aanslag op de Twin Towers. En terwijl ik verder fietste, mijn negenjarige achterop, schrok ik van de haat die in mijn buik en keel opwelde. Je mag geen haat zaaien, maar mag je, om de schaarste aan zelfreflectie wat te verminderen, nog tot het besef komen dat je last hebt van haat en dat probleem aan je medeburgers voorleggen, via de krant bijvoorbeeld?

Geert Mak, de kampioen van de quasi-linkse pathologie schreef dat elke dag vier treinen kunnen ontploffen op Utrecht-Centraal en dat we, als dat gebeurt, toch politiek correct moeten blijven. “Gedoemd tot kwetsbaarheid” was dan ook de zowel treffende als pathetische titel van zijn pamflet, door Leon de Winter inmiddels afdoende gefileerd. Ik ben bezig met pogingen te verhuizen uit de stad. Mijn probleem is dat ik geen auto heb en voor werk ben aangewezen op Amsterdam. Dat betekent dus elke dag twee keer in de spits het Centraal Station aldaar, waar die treinen natuurlijk evengoed kunnen ontploffen. Al heb ik zelf schijt aan de dood, ik heb dat kind van negen. Zover is het dus al in Nederland, althans bij mij. En als zoiets gebeurt dan kan er een scenario in werking treden dat Geert Mak zelf treffend heeft beschreven:

“In het ‘Servische’ dorp Kravica, ten noordwesten van Srebrenica, reden in de zomer van 1991 bijvoorbeeld jonge moslims provocerend door de straten, terwijl ze harde oosterse muziek draaiden en de Serviërs uitscholden. Prompt werd hun auto beschoten, waarbij twee doden vielen. (…) Vervolgens richtten Serviërs en moslims elk gewapende patrouilles op, ter bescherming van hun eigen dorpen en buurten. Zo begon het overal.”

Bovenstaand citaat komt uit het voortreffelijke “In Europa” van Mak (p. 1075). Wie iets wil weten over het kwaad en de oorlog leze dit boek. Des te wonderlijker dat een man die zo’n intelligent boek kan schrijven, ronduit domme standpunten heeft inzake de “multiculturele samenleving”. In zijn pamflet schreef Mak: “Ook bij ons, kinderen van de Verlichting, kan overtuiging omslaan in fundamentalisme”. Bij Mak en anderen heeft het herhaalde gezeur over “verlichtings-fundamentalisme” de functie om critici van de multi-cul af te schilderen als anti-religieuze fanatici die geen oog hebben voor de mooie kanten van godsdienst in het algemeen en van de islam in het bijzonder. Dreigend schrijft Mak: “Er zal, op het gebied van ethiek en moraal een inhaalslag gemaakt moeten worden, juist en vooral binnen seculiere groeperingen.” Dat hoofddoekje, dat islamitische mutsje, dat past ons allemaal: we moeten van Mak met z’n allen best een beetje godsdienstig worden, liefst een beetje islamitisch.

Maar misschien mag het verwijt van “verlichtings-fundamentalisme” eens omgedraaid worden: ook in het aangezicht van de al decennia aanzwellende stroom bewijs van het tegendeel, volharden de multiculs, die ongetwijfeld hun woonomgeving en vrienden heel zorgvuldig kiezen, in het geloof dat je honderdduizenden Berbers uit de Rif en honderdduizenden Turkse boeren uit Anatolië kunt plempen in achterstandwijken van Nederlandse steden en dat ze na verloop van tijd vanzelf hun aan de reëel bestaande islam ontleende cultuur loslaten en fijne, redelijke burgers van dit land worden. Zou dát voortaan misschien naïef geloof aan de redelijkheid en goedheid van de mens en dus verlichtings-fundamentalisme mogen heten?

Je kan toevoegen aan de teksten die de geschiedenis van de mensheid heeft opgeleverd, maar je kan er ook uit citeren. Begin jaren tachtig constateerde Rudy Kousbroek met verwondering dat vanuit de wereld van de islam, hoe krankzinnig of terroristisch de hoofdstroom van die religie zich ook manifesteert, nooit enig tegengeluid kwam. Dat er geen stemmen opklonken die zeiden: maar dit is niet de enige vorm van islam, er is ook een verlichtere, humanere, tolerantere. Verder meldde Kousbroek hoezeer het hem opviel dat de islam geheel vrij scheen van humor. Nu, vijfentwintig jaar later, kan aan zijn vaststelling nauwelijks iets afgedaan worden. Als er al een richtingenstrijd in de islam bestaat, dan is die, zowel nationaal als internationaal, blijkbaar marginaal. Onenigheid onder islamieten heeft altijd meer te maken met een gevecht om de macht dan om een wezenlijk verschil in geesteshouding. Kousbroek vroeg zich anno 1980 quasi-twijfelend af of hij dat allemaal echt moest geloven als hij in de NRC las:

“Dagelijks worden honderden jonge Arabische vrouwen verbrand, onthoofd, vergiftigd of de keel afgesneden. Ze worden gedood door hun vader of een oudere broer, door een neef of een huurmoordenaar. Ze worden bestraft op beschuldiging van seksuele relaties buiten het huwelijk, of slechts op verdenking daarvan. Ze moeten sterven krachtens een oude code die familie‑eer moet beschermen. Dit kreeg de werkgroep over slavernij van de Verenigde Naties gisteren in Genève te horen van een vertegenwoordiger van Terre des Hommes. De werkgroep kreeg tegelijkertijd een gedetailleerd rapport met talloze getuigenissen over de vervolging van jonge vrouwen en meisjes in Arabische landen ‘in naam van de eer’.”  ( “Einsteins Poppenhuis”, p. 106)

Inmiddels zijn we vele rapporten van Terre des Hommes, Amnesty International, Human Rights Watch en Unicef verder en zal ook Kousbroek zich niet meer afvragen wat hij moet geloven. Maar onze broekemannen van quasi-links willen hun kindertijd maar niet loslaten. Het begint met de islam te lijken op de geschiedenis van het communisme: en er zal inderdaad een moment komen waarop ook de meest obscurantistische en hardleerse fellow-travellers niet meer kunnen wegkijken van de dagelijks aanzwellende oceaan van bewijzen van de onderdrukking en terreur die de reëel bestaande islam produceert. Wat is er mis met een hoofddoekje? Helemaal niks toch? Wat is er mis met het feit dat de populariteit van de hoofddoek onder Nederlandse moslima’s piekte tegelijk met de slachtpartijen in Algerije?

Het zal niet helpen als ik Hilhorst en Mak en al die andere positieve oogklepdragers vertel wat ik nou van de reëel bestaande islam vind – (dus ik heb het niet over al die prachtperiodes vol wetenschap en tolerantie uit vroeger eeuwen waarover je de laatste tijd zoveel leest) – op gevaar af dat ik in mijn eigen deuropening voor mijn kop geschoten zal worden. In ieder geval zal ik ergens op een lijst komen met personen die in voor de gelovigen nóg gunstiger tijden afgemaakt zullen moeten worden. Ik zal bedreigingen ontvangen. Vragen of ze het fatsoen willen hebben het althans niet te doen waar mijn dochtertje bij is zal wel zinloos zijn. Niettemin en vooruit dan maar: de reëel bestaande islam is een geloof en cultuur waarin tederheid, mildheid en spiritualiteit ontbreken. Het is een hypocriet masker voor een fascistisch onderdrukkings-systeem. De reëel bestaande islam is voornamelijk een gesystematiseerde obsessie met geslachtelijkheid, met wat mensen tussen hun benen hebben. De reëel bestaande islam is racistisch, niet alleen vanwege het antisemitisme dat van de Arabische tv-zenders en uit de Arabische schoolboeken druipt. Als wij als definitie van racisme accepteren: het inferieur verklaren van medemensen op grond van een lichamelijk kenmerk – bijvoorbeeld van een zwarte huid, van scheve ogen, van een bepaald soort neus of van een spleetje tussen de benen – als wij die definitie accepteren, dan is de reëel bestaande islam racistisch. De reëel bestaande islam dat zijn twee concentrische cirkels van repressie, in de buitenste onderdrukken alle mannen alle vrouwen en in de binnenste onderdrukt een mannelijke elite de maatschappelijk zwakkere mannen. Daarbij gaat het om het bezit van vrouwen, rijkdom en macht. De reëel bestaande islam is een leeg, hard systeem, gedomineerd door wrede domkoppen, hypocriete rotzakken en moordenaars. De reëel bestaande islam is vanaf het begin te vuur en te zwaard op moorddadige wijze opgelegd en verbreid door Mohammed zelf, een geheel andere figuur dan Jezus. Geweld behoort tot de kern van de koran en de onveranderlijkheid van de koran is de kern van de reëel bestaande islam , een al 1400 jaar durende moleculaire holocaust waarin de vrouw de rol van jood vervult (met aftrek van de prachtperiodes (natuurlijk, misschien, of misschien toch niet).

Ook “linkse” hedonisten zullen zich zo langzamerhand moeten gaan realiseren dat wij zijn gaan behoren tot “de wereld van de angst” (Sjaransky). En het antwoord aan de grote denkers die nu roepen “Maar wat wil je dan?”, luidt: wat ik al vijftien jaar wil, namelijk totaal en direct stoppen met “huwelijksmigratie” (vrouwenhandel) vanuit islamitische landen.

Screenshot_25Let op de zelfgenoegzame kop van de snorremans die dit spandoek draagt: oceanen van narcistisch gelijk spreken eruit. Nog in geen miljoen jaar krijg je in dit soort schedels een begin van feitelijke waarheid rond Israël gepompt.

UPDATE 12 APRIL 2014:
Misschien had ik in het stuk toch beter moeten laten blijken dat ik me bewust was van het feit dat Hilhorst mij met opzet benoemde als “brievenschrijver” (die gek, bekend bij alle krantenredacties, die alsmaar brieven schrijft die nooit geplaatst worden) en niet als “briefschrijver” (gewoon iemand die iemand anders een brief heeft geschreven).

UPDATE 13 APRIL 2014:

Yehuda Bauer, auteur van “Rethinking the Holocaust”, sprak op 27 januari 1998 de Duitse Bundestag toe, ter gelegenheid van de herdenking van de bevrijding van Auschwitz.

“On January 27, 1945, the Soviet Army conquered the Auschwitz complex of camps. Still, only some 7000-8000 people were liberated, of which the majority were ailing people whose lives had been miraculously spared by the S.S. The other 58,000 had left a few days earlier on the Death March.

They were followed, during the four months leading to the end of the war, by many hundreds of thousands from almost all of the concentration camps, marking the last spastic and endlessly brutal impact of the cruelest regime that the world has ever seen. On January 27, the horror was still not over by far, though of course, Auschwitz was no longer in the hands of the murderers.

Have we learnt anything? People seldom learn from history, and the history of the Nazi regime constitutes no exception. We have failed, as well, to understand the general context. In our schools we still teach, for example, about Napoleon and about how he won the battle of Austerlitz. Did he win it all on his own? Maybe somebody assisted him in this? A few thousand soldiers maybe? And, what happened to the families of the fallen soldiers, to the wounded on all sides, to the villagers whose villages had been destroyed, to the women who had been raped, to the goods and possessions that had been looted? We are still teaching about the generals, about the politicians and about the philosophers. WE ARE AVOIDING THE RECOGNITION OF THE DARK SIDE OF HISTORY – the mass murders, the agony, the suffering that is screaming into our faces from all of history. WE DO NOT HEAR THE WAILING OF CLIO. We still fail to grasp that we will never be able to fight against our tendency toward reciprocal annihilation if we do not study it and teach it and if we do not face the fact that humans are the only mammals that are capable of annihilating their own kind.” [mijn rooie vette hoofdletters ]

_____________________________________
Link naar dit stuk bij E. J. Bron

Advertenties