Aryeh Deri

Wie de term Stockholmdualisme wil begrijpen die ik van toepassing breng op “Mijn Beloofde Land” van Ari Shavit – waarvan hier het elfde hoofdstuk wordt besproken – moet naar de eerste alinea’s van deel een. Deel twee is hier, deel drie is hier, deel vier is hier, deel vijf is hier, deel zes is hier, deel zeven is hier, deel acht is hier , deel negen is hier en deel tien is hier te vinden.

Hoofdstuk 11 heet “J’accuse – 1999” en dat gaat over de discriminatie waaraan de Oriëntaalse Joden sinds hun komst naar Israël – dus sinds hun verdrijving uit de Arabische landen na 1948 – zouden hebben blootgestaan van de kant van de Asjkenazische bovenlaag. Het verhaal van die vermeende discriminatie wordt door Shavit verteld aan de hand van de levensgeschiedenis van Arjeh Machluf Deri geboren in Meknes in Marokko in1959.

“Op 17 maart 1999 wordt Arjeh Machluf Deri [dan is hij dus 40 jaar] door de Jeruzalemse arrondissementsrechtbank schuldig bevonden aan het aannemen van steekpenningen ter waarde van 155.000 dollar. Een week later wordt hij tot vier jaar gevangenisstraf veroordeeld. In strijd met de regels wordt het voorlezen van het gerechtelijke vonnis bijna twee uur lang live via de radio uitgezonden. De rechters veroordelen Deri niet alleen, maar ze omschrijven hem ook als corrupt en doortrapt. Wanneer hij het gerechtsgebouw verlaat, zijn aanhangers terneergeslagen. Het lijkt erop dat dit zijn politieke einde is. Maar enkele uren later heeft Arjeh Deri weer moed gevat. Nu de verkiezingen al over twee maanden plaatsvinden, besluit hij zijn eigen crisissituatie tot hoofdthema van de verkiezingscampagne te maken. Hij sluit zich in zijn kantoor op met videoapparatuur en neemt daar de toespraak van zijn leven op. ‘J’accuse,’ roept hij uit. Twee uur lang lopen twee verhaallijnen parallel: wat hemzelf betreft rekent hij af met het rechtssysteem, en wat het Sefardische Jodendom betreft rekent hij af met de staat Israël. Arjeh Deri is voortaan het symbool van de situatie waarin de oriëntaalse Joden zich zouden bevinden: een situatie van afwijzing, vernedering en vervolging, waarbij het seculiere Asjkenazische establishment niet van zins is de traditionele oriëntaalse Joden te respecteren en te eerbiedigen en waarbij de Joods-Israëlische ‘ander’ wordt uitgesloten. Deri’s J’accuse is een succesnummer. Om aan de vraag te kunnen voldoen worden in Europa elke dag tienduizenden videocassettes vervaardigd en ’s nachts per vliegtuig naar Israël gestuurd.”

Ik heb het woordje vervolging in het bovenstaande vet gemaakt, omdat het de neiging van Shavit weerspiegelt om de Joodse staat te demoniseren. Het is inderdaad een term van Arjeh Deri zelf geweest in die roemruchte speech, maar Shavit had die term moeten relativeren. Het gaat hier om gerechtelijk vervolgen, niet om Auschwitz-vervolgen.

Helemaal aan het begin van het hoofdstuk heeft Shavit dan al verteld hoe Deri is opgegroeid:

“Arjeh Machluf Deri was voorbestemd om een Parijse advocaat te worden. Hij was in de Noord-Marokkaanse stad Meknes in welstand opgegroeid en had daar zo’n goede opvoeding genoten dat hij zeker mocht dromen van een leven vol succes en erkenning in Frankrijk. In de jaren zestig was koning Hassan II ook de Joden gunstig gezind. In het jonge Noord-Afrikaanse koninkrijk leefden de Arabieren en Joden in harmonie met elkaar. Het leven had zin en kende er rust en regelmaat; het verliep in een kalm, mediterraan tempo. De Joodse gemeenschap was er sterk. Maar toen Eliahu en Esther Deri zich realiseerden dat hun vijf jaar oude zoon een rekenwonder was, gingen ze ervan uit dat hij later zijn vleugels zou uitslaan en de gelukkige Marokkaans-Joodse gemeenschap waarin ze leefden achter zich zou laten. Omdat ze Frankrijk altijd al voor ogen hadden gehad – vanwege de moderne, verlichte ideeën en de gelijke rechten die het land de Joden gunde – hoopten de Deri’s dat hun zoon daar een schone toekomst voor zich zou hebben. Ze stelden zich voor dat hij in Parijs, of Marseille advocaat, arts of hoogleraar wiskunde zou worden.”

Wij vragen: waarom zouden de ouders van Arjeh Deri willen dat hun zoon “de gelukkige Marokkaans-Joodse gemeenschap” achter zich zou laten? Waren de ideeën in het koninkrijk van Hassan II dan toch niet zo modern en verlicht en waren de gelijke rechten van de Joden toch iets minder vast verankerd dan Shavit suggereert? Het zou zomaar kunnen. Ik ben geen Marokko-specialist, maar of Hassan II vanuit diep humanistische en antiracistische motieven heeft gehandeld bij zijn politiek jegens de Joden, waag ik blind zeer sterk te betwijfelen. Dit soort “beschermingspolitiek“ jegens de Joden past in een islamitische patroon: de hele geschiedenis van de islam waren de Joden altijd afhankelijk van de luimen van een toevallige despoot. Joden konden door hun talenten soms opklimmen, ze werden gebruikt door de Mohammedaanse heersers, maar ze werden net zo makkelijk weer afgedankt, van hun status beroofd en vermoord. En dat past weer in 1400 jaar Arabisch-islamitisch parasitisme, waarbij de verworvenheden en talenten van de tot dhimmi’s gemaakte oorspronkelijke bevolkingen in de veroverde gebieden werden misbruikt en uitgebuit. En werkelijk veilig waren de Joden nooit, in geen enkele islamitische regio en in geen enkel tijdperk. Uit Martin Gilberts “In Ishmaël’s House” leren we dat in Marokko vanaf 1900 weer eens een periode aanbrak waarin de Joden per dozijnen werd vermoord. Ik citeer en vertaal van pagina133:

Het Joodse leven in Marokko onderging verdere tegenslagen met de vestiging van het Franse koloniale bewind in 1912. Slechts twee weken nadat de Franse vlag was gaan wapperen boven Fez, probeerden de locale moslims zich te wreken op hun nieuwe heersers, maar omdat ze militair niet tegen hen waren opgewassen, zochten ze naar een zondebok en keerden zich tegen de Joden. Woest door de Joodse wijk stormend, bleef een Arabische bende drie dagen lang plunderen en brand stichten. Meer dan zestig Joden werden gedood – mannen, vrouwen en kinderen. Vijftig Joden werden gewond en tienduizend werden dakloos. Op de eerste avond vonden twee duizend een schuilplaats en veiligheid in een van de hoftuinen van de sultan.“

Dus wat Shavit in de hierna te citeren alinea suggereert, bewéért eigenlijk – namelijk dat de overwinning van de Israëli’s in de Zesdaagse Oorlog de oorzaak was van de uitbraak van antisemitisme in Marokko en het besluit tot vertrek van de vader van Arjeh Deri – is megadwaze onzin. Je kan hoogstens zeggen dat de Zesdaagse oorlog oorzaak was van het opnieuw virulent worden van dat antisemitisme.

“In Meknes heerste een delicaat evenwicht: aan de ene kant zorgde de mlach voor het in stand houden van de Joodse gemeenschap en de Joodse identiteit, maar aan de andere kant bood de Ville Nouvelle de verworvenheden van Frankrijk. Net als veel andere families bezochten de Deri’s op sabbatochtend de synagoge, maar ’s middags gingen hun kinderen voetballen of naar de bioscoop. Ze bleven nauwe relaties onderhouden met de Arabische meerderheid, al waakten ze angstvallig over hun eigen unieke identiteit. In de jaren na de oorlog slaagde het postkoloniale Meknes erin de halfkoloniale harmonie van de betoverende Levant in stand te houden: arabisme, Jodendom en de Franse cultuur werden er samengevoegd tot een modern, maar tegelijk traditioneel geheel. Dat geheel werd op zijn kop gezet door de Zesdaagse Oorlog. In de zomer van 1967 veranderde alles van de ene dag op de andere. De Arabische klanten zetten geen voet meer in Eliahu Deri’s winkel. De Arabische werknemers begonnen achter zijn rug te fluisteren. Op een dag spuugde iemand op straat op Deri’s fraaie pak en zei daarbij halfluid ‘sale juif’, ‘vuile Jood’. Laaiend was Deri toen hij thuiskwam. We gaan naar Israël,’ liet hij weten.

Dus waar gaat dit hoofdstuk eigenlijk over? Want iemand die een tekst schrijft heeft altijd een “agenda”. Ook ik. En mijn agenda is heel expliciet, namelijk aantonen dat Shavit zowel expliciet en grof alsook impliciet, onderhuids en stiekem bezig is zijn Stockholmsyndroom te etaleren. Ik heb al een aantal malen uitgelegd, in de bespreking van vorige hoofdstukken, dat er heel veel dualisme in Shavits teksten zit, en dat gepoogd wordt ook het “goede” en het noodlotsgedrevene in het zionisme te tonen, maar dat de grondtoon toch steeds blijft: die Juden sind Schuld! Dat gebeurt hier door Shavit die het verhaal van Deri te gebruikt om Israël aan te klagen wegens “discriminatie”.

Die oriëntaalse Joden (700.000 tot 800.000) die vanaf 1948 Israël binnenstroomden waren natuurlijk een enorm probleem voor een staat die sowieso bezig was zichzelf uit te vinden en vanaf de grond op te bouwen. De Ashkenazische veelal seculiere elite moest een manier vinden om de oriëntaalse veelal orthodoxe Sefardische Joden te integreren. Shavit zegt daarover:

“ Om te overleven probeerde het establishment één sterk volk te formeren en een eendrachtige staat op te bouwen. Maar de prijs die mensen moesten betalen was wel groot. ( . . .) We hebben miljoenen oriëntaalse Joden gekwetst. Toch kan men er ook anders tegenaan kijken: het gaat hier om een ‘politiek incorrecte’ werkelijkheid waarover het lastig spreken is. Die werkelijkheid is dat Israël de mensen die het uit de ‘Oriënt’ heeft opgehaald, wel een dienst heeft bewezen. De Joden daar hadden namelijk geen toekomst meer in het nieuwe Bagdad, het nieuwe Beiroet, het nieuwe Caïro en het nieuwe Meknes. Als ze daar waren gebleven, zouden ze zijn vernietigd. Maar hen te dwingen hun identiteit en cultuur op te geven was dwaas, hardvochtig, wreed. Tot op de dag van vandaag beseffen veel oriëntaalse Joden niet waarvoor Israël hen heeft behoed: een leven vol ellende en achterstelling in een Arabisch Midden-Oosten dat steeds akeliger werd. Maar tot op de dag van vandaag is Israël zich niet bewust van het leed dat werd berokkend toen het de cultuur en de eigenheid van de opgenomen oriëntaalse Joden vernietigde. Noch het zionistische Israël noch de oriëntaalse bevolkingsgroep heeft de trauma’s van de jaren vijftig en zestig ten volle geaccepteerd. Ook heeft men geen manier gevonden om er goed mee om te gaan en ze beheersbaar te maken. Daarom blijft de wond schrijnen.”

Men ziet: het gezeik van de linkse Gutmensch Shavit kan zó één op één overgezet worden op de idioten die ook in Europa nog steeds bezig zijn de ontvangende maatschappij de schuld te geven. Men ziet: het is bij Sahvit weer een rijke, complex werkelijkheid vol enerzijds anderzijds, maar waarin toch vooral “het zionistische Israël“ weer gefaald heeft. De waarheid in laatste instantie is natuurlijk dat die “oriëntaalse bevolkingsgroep” toch wel heel dom zou moeten zijn om niet te beseffen dat leven onder de islam echt heel veel slechter geweest zou zijn. Caroline Glick beweert zelfs dat als “de Palestijnen” in Samaria-Judea (“de Westbank”) de vrije keuze zouden krijgen, zelfs zij liever onder de Israëlische wetten zouden leven.

Zei ik zojuist “leven onder de islam”? Dat zei ik inderdaad en automatisch. Maar hoe komt het nou dat Shavit in dit hoofdstuk de islam niet noemt? Dat moet toch een zeer bewuste keus zijn? Dit hoofdstuk bevat natuurlijk de Israëlische vorm van links multikulgelul. En dan zou er, zo verwacht ik althans, één verschil moeten zijn. Want links Europa en links Amerika denkt nog steeds ongestraft langs het totalitaire, anti-humane en oorlogszuchtige karakter van de islam te kunnen blijven kijken. Weliswaar bestaat die tendens tot ontkenning in Israël eveneens en is het natuurlijk onvermijdelijk dat officieel Israël géén generaliserende veroordeling uitspreekt over de islam – want dat zou een oorlogsverklaring aan het hele Midden-Oosten betekenen – maar in laatste instantie kan zelfs links Israël, kan Shavit het zich existentieel niet veroorloven de werkelijkheid van de islam te ontkennen.

Dat doet Shavit ook niet. Met name in de hoofdstukken 14 (“De Rauwe Werkelijkheid”) en 17 (“Aan Zee”) brengt hij de islam ter sprake als algemene dreiging. Maar het is merkwaardig dat hij in dit hoofdstuk, dat toch gaat over een al dan niet vermeend “Arabisch” element in het Jodendom en in de Israëlische maatschappij, die islam niet ter sprake brengt. Een van de “oriëntalen” die hij interviewt, de jongedame Gal Gabai die “journaliste en presentatrice van een populair politiek praatprogramma” is, zegt:

“Elke dag opnieuw moesten we bewijzen dat we geen Arabieren waren.”

Behalve dat Gal Gabai had moeten zeggen dat ze bang is dat ze als “oriëntaalse” een bekende journaliste is geworden vanwege “positieve discriminatie”, had ze dit moeten aanvullen:

”Ik bedoel dat we door dat flirten met de Sefardische orthodoxie van Deri ervan verdacht werden net zo irrationeel te zijn als moslims. Als wij voor een harde opstelling tegen de Palestijnen waren, dachten de linkse Asjkenazi dat we net zo fanatiek waren als Arabieren. Als wij ageerden tegen de bezetting van de Westbank, werden wij ‘oriëntalen’ eerder verdacht van een soort etnisch-spirituele verwantschap met de Palestijnen.“

Dat verzin ik en dat zegt ze dus allemaal niet. En ook Shavit brengt dit volgens mij essentiële punt nergens naar voren, ook niet in de bespreking van de lotgevallen van Deri zelf.

Jammer dus dat die islam pas als gevaar benoemd wordt vanaf hoofdstuk 14, terwijl de islam toch echt vanaf 1920 en vanaf de moefti van Jeruzalem de negatieve en moorddadige hoofdrol in het Israël-drama speelt. En de islam had dus vanaf minstens hoofdstuk twee uitgebreide aandacht van Shavit moeten krijgen. Dit is opnieuw een voorbeeld van Shavits chaotisch uitstorten van de tegenstellingen over de pagina’s. Alleen op dit aller-essentiëelste punt, islam & oriëntaalse Joden, durft hij ze blijkbaar niet in hetzelfde hoofdstuk neer te pleuren.

Je kunt in heel veel alinea’s in het hele boek van Shavit wel iets onderhuids fouts aanwijzen. Het punt is dat je lange citaten moet geven om te laten zien hoe in een “onschuldige” context ineens, bijna subliminaal, dat ene stukje anti-Israëlische hersenspoeling binnengesmokkeld wordt:

“Toen Jitschak Rabin en Arjeh Deri begin jaren negentig hun coalitie vormden, ging het om dan louter politieke samenwerking. Rabin de kibboets, de Palmach en Tel Aviv; hij was de mythische sabra, de zionistische strijder. Deri stond voor Meknes–Bar Jam–Jeruzalem. Hij was de held van het oriëntaalse Israël. Wanneer Rabin en Deri zij aan stonden, konden ook wij zij aan zij staan. Wanneer Rabin en Deri elkaar in de ogen keken, konden we elkaar allemaal in de ogen kijken. Er was wederzijdse erkenning. Het was mogelijk politieke gematigdheid te combineren met etnische trots. Nu konden de oriëntaalse Joden zich bewijzen, niet door de Arabieren te haten, maar door een brugfunctie naar de Arabieren te vervullen. Voor het eerst was er hoop dat de zionisten vrede zouden sluiten met de Arabieren buiten Israël en met de Arabieren binnen Israël.”

Shavit citeert Gabai hier letterlijk. En hij heeft blijkbaar niks aan te merken op die laatste zin. Maar daar wordt toch echt geïmpliceerd dat het aan die zionisten ligt dat er alsmaar geen vrede komt met de Arabieren, óók die buiten Israël. Diezelfde Gabai vertelt met tranen in haar ogen:

“Wanneer mijn vrienden zullen lezen wat ik jou heb verteld, zullen ze verschrikkelijk boos zijn. ( . . .) Ze vinden dat wij alleen kunnen vooruitkomen door het verloochenen van ons verleden en het negeren van ons verdriet. Dat we niet moeten omkijken en niet moeten blijven hangen in wat is geweest. Daarom doen ze net of er op de etnische wond al een korstje zit. Ze willen ons doen geloven dat door de sociaaleconomische mobiliteit en de gemengde huwelijken het probleem verzacht en het vuur gedoofd is. Maar ik zeg je dat dit niet het geval is. Ik zie hoe verstikkend de situatie voor mijn broeders en zusters is. Ik zie hoe ze lijden. Toen twee ellendelingen in het immigrantenkamp Shaar Alija mijn toen negen jaar oude moeder verkrachtten, haar prachtige lange haar afknipten en haar kaal, vernederd en hulpeloos achterlieten, raakten ze haar tot in het diepst van haar ziel. ( . . .) En toen mijn Asjkenazische onderwijzeres in Beersheba me zo geringschattend opnam en me via haar blik liet weten dat ik helemaal onder aan de sociale ladder thuishoorde, raakte ze me tot in het diepst van mijn ziel.

We vragen: hoe representatief is deze gemoedstoestand voor de oriëntaalse Joden in Israël? Hoeveel waarachtig sociaal-economisch en geestelijk lijden ten gevolge van discriminatie is er nu echt? Mag je zo’n gruwelijk incident als die verkrachting koppelen aan de blik van de onderwijzeres? En was die blik werkelijk zo “geringschattend”? Hoeveel procent van het Asjkenenazisch onderwijzend personeel keek op die manier naar oriëntaalse leerlingen? In elk geval komen de “zionisten” er weer slecht af bij Shavit. En dat is toch echt de werkelijke en soms expliciete, maar veel vaker impliciete, onderhuidse en stiekeme agenda van dit boek.
______________________

Dit stuk is doorgeplaatst op E. J. Bron