Dit is de duidelijkste foto van Mohammed Dahla die op de internetten te vinden is. Dat past eigenlijk wel bij het vage leugenverhaal van deze obscure en louche Palmaffia-advocaat, soulmate van Ari Shavit. Die lullige, vage foto *** is bijna zeker door Shavit zelf genomen, want hij siert een artikel in de islamofiele zelfhaatkrant Haaretz uit 2003, geschreven door Shavit, waarin hij vertelt van de vriendschappelijke invoelingsreis die hij met deze Mohammed Dahla ondernam naar Galilea. Dat was een intiem onderonsje van een collaborateur met zijn doodsvijand, van een dhimmi met zijn meester en dus zal er geen fotograaf bij zijn geweest. Het hoofdstuk 13 van Shavits boek is een herdruk van dit artikel in Haaretz en het draagt de titel “Naar Galilea – 2003”.

De reis ging niet toevallig naar Galilea, want, zo schijn ik te moeten begrijpen, in die noordelijke regio van Israël zitten veel Arabieren die zich erg “Palestijns” voelen. En Mohammed Dahla is er in 1968 geboren. Shavit komt, behalve in een enkel inleidend en beschouwend stukje, zelf weinig aan het woord, hetzij met een vraag naar verduidelijking. Vooral Dahla laat zich gelden met leugens, verzwijgingen, brutaliseringen, chantage en bedreigingen, die Shavit zonder tegenspraak ondergaat en waarvoor Shavit groot begrip toont. Dahla is Shavits grote vriend. Wie zei daar “Stockholmsyndroom”?

“Gedurende twee intens beleefde jaren – zo rond 1995 – bekleedden Mohammed en ik het co-voorzitterschap van de Vereniging voor Burgerrechten in Israël (acri). Wanneer we in zijn blauwe Mercedes naar het noorden rijden, voeren we dan ook een gesprek in een context van gedeelde normen en waarden en opvattingen: mensenrechten, minderheidsrechten, liberale democratie. Maar anders dan bij eerdere gesprekken die we hebben gevoerd, brengt elk van ons nu zijn eigen geschiedenis en toekomstperspectief in – en ook zijn existentiële zorgen. Dit keer verrast Mohammed me doordat hij zijn hele wereldvisie voor me ontvouwt – en daarbij vertelt hij dat hij niet langer gelooft in een deling van het land, in een tweestatenoplossing.”

Deze Dahla heeft gedaan wat veel moslims ook in het Westen doen: rechten studeren teneinde het Westerse rechtssysteem beter te kunnen ondermijnen, vernietigen en vervangen door de sharia:

“Na te hebben uitgeblonken op de rechtenfaculteit van de Hebreeuwse Universiteit werd hij de eerste Arabische juridisch medewerker bij het Hooggerechtshof van Israël. In 1993 startte hij in Jeruzalem een advocatenpraktijk die algauw floreerde, en in 1995 richtte hij het Juridisch Centrum voor Arabische Minderheidsrechten (Adalah) op. In 2000 trouwde hij met Suhad, juriste en televisiepresentatrice.”

Voorzover Dahla zelf gelooft in “mensenrechten, minderheidsrechten, liberale democratie” zal daarvan natuurlijk niks overblijven als hij zijn grote doel eenmaal bereikt zal hebben: een éénstaat-oplossing met “terugkeer” van alle “vluchtelingen” en dus een meerderheid van Arabieren in heel Palestina – van de rivier tot de zee. Want hij kan als geen ander weten dat waar de Palmaffia’s hun macht uitoefenen, zoals nu al op 97% van Samaria-Judea, er totale willekeur, wreedheid en rechteloosheid heersen. Je moet Caroline Glicks “The Israeli Solution” eens lezen over de rechtsgang onder de Palmaffia’s. Die “terugkeer” overigens is volgens diezelfde Glick in feite niks anders dan een poging alsnog de overwinning in die door de de Arabieren verloren oorlog van 1948 te behalen, via de demografische vernietiging van Israël.

Wat zijn grote doel is, maakt Dahla zijn goede vriend Shavit op de volgende prettige manier duidelijk:

“Je moet goed begrijpen dat het niks wordt. Jij bent vanuit je Joodse denkwereld wel met dat Joods-democratische bedenksel op de proppen gekomen, met dat dwaze intellectuele idee, maar dat bedenksel wordt niks – dat idee is onuitvoerbaar. Daarom moeten we tijdens de lange reis die we samen maken niet steeds zitten praten, maar rustig bezien wat we bij elkaar kunnen harken voor een nieuwe overeenkomst. Een andere bondgenoot heb je namelijk niet. ( . . .) Ik zit hier namelijk al, in je achtertuin. Ik zit hier en ik ga nergens anders naartoe. Ik zit hier voorgoed. Praat met mij ( . . .) geef mij je hand, maak van mij je bondgenoot, want in het Midden-Oosten vormen jullie, of jullie het nu leuk vinden of niet, een minderheid. Je land mag dan aan het Eurovisiesongfestival deelnemen en basketbal in de Euroleague spelen, je hoeft maar een atlas open te slaan, een blik op de kaart te werpen en dan zie je 350 miljoen Arabieren en anderhalf miljard moslims om je heen. Denk je nu heus dat jullie je kunnen blijven verstoppen in die kunstmatige constructie die de Joodse staat is? Denk je nu heus dat jullie je kunnen blijven verdedigen met die tegenstrijdigheid die de Joodse democratie is? Het benadrukken van het Joodse karakter van de staat Israël betekent leven met het zwaard, maar op den duur zullen jullie dat niet kunnen volhouden. De wereld zal veranderen, het machtsevenwicht zal veranderen, de bevolkingsopbouw zal veranderen. In feite doen zich al demografische veranderingen voor. De enige manier om in de Arabische moslimwereld te overleven is het aangaan van een bondgenootschap met mij. Ik ben jullie enige hoop. Jullie moeten dat nu doen, want morgen kan het wel eens te laat zijn. Wanneer jullie een minderheid gaan vormen, zullen jullie je tot mij wenden, maar dan ben ik er niet meer. Tegen die tijd ben ik niet meer geïnteresseerd in wat jullie nog te bieden hebben. Dan is het te laat, vriend.”

Het chanterende en nauwelijks verholen bedreigende zullen iedereen direct duidelijk zijn. Maar opvallend is ook een trekje dat typisch was voor een anti-moderne geestesgesteldheid dat in de Weimar-republiek vooraf ging aan het nazisme: dat voorstellen van de Joodse staat als een abstract, stedelijk en modernistisch bedenksel, waartegenover de organisch gegroeide en nog steeds groeiende oerkrachten van de moslims worden gesteld.

“In de vroege ochtend zijn we in Jeruzalem aan onze tocht in noordelijke richting begonnen. Wanneer we van Gedera naar Hadera rijden, zegt mijn vriend-vijand Mohammed Dahla tegen me: ‘Kijk eens naar de bouwstijl: zo uitheems, zo onverenigbaar met het land. Het is alsof een of andere invasiemacht vanuit zee is opgedoken en op de kust is geland. Er spreekt geen gevoel voor het landschap uit, geen begrip voor de natuurlijke gesteldheid ervan. De immigranten die hier vanuit verre landen aankwamen, hadden geen gevoel voor het land en voor het verleden. Ze gingen in een duizelingwekkend tempo aan de slag. Ze bouwden hoog en brutaal, maar hun gebouwen lijken bijna los van de grond te staan. Deze rijzen er niet uit op, ze horen er gewoon niet bij. Daarom vallen ze ook zo uit de toon. Het zijn agressief overkomende, stedelijke bouwwerken met een onvriendelijke betonnen smoel.‘ ”

Terug naar de natuur, weg met de stad en vooral met alle Fremdkörper: daarmee zou elke proto-nazi het eens zijn geweest.

“Hij is trots op het feit dat zijn huid dezelfde kleur heeft als de grond hier. Want hij is verbonden met de grond, zegt hij.”

Say no more! Haut und Boden!

“Het is nog vroeg in de middag, de lucht is helder en het zicht goed. ‘Kijk eens naar die Joodse gemeenschap daar en naar die Joodse gemeenschap dáár,’zegt Mohammed en wijst eerst naar rechts en dan naar links. ‘Die plaatsen zijn allemaal zo ordelijk, zo strak georganiseerd, zo Europees. Ze wijken volstrekt af van onze dorpen die zich, vanuit de bodem van de wadi, als een klimplant omhoogwerken. Het is overduidelijk dat ze mijn Galilea zijn binnengevallen.”

Organisch aus den Boden herausgewachsen. Ja, dat was voor de Joden 1400 jaar lang onmogelijk geweest, om organisch dorpen uit het dal omhoog te laten groeien. Want ze werden vanaf 638 na Christus, toen de Arabieren Palestina onder het kromzwaard brachten, gediscrimineerd en onder een feodale, wrede, achterlijke wánt islamitische orde gebracht die inderdaad diezelfde 1400 jaar lang stand hield, namelijk totdat met de aanvang van de Joodse immigratie vanaf 1880 een humanere ideologie in Palestina binnen kwam en het Ottomaanse rijk in 1918 ineenstortte. En omdat de Arabieren vanaf 1920 met terreur tegen de Joden begonnen, lagen de dorpen die de Joden stichtten hoog, net zoals langs de hele Middellandse zeekuststreek de dorpen tegen de bergen aangeplakt liggen: vanwege de dreiging van de islam.

Hoe diep het zit in de oergronden van Dahla’s islamitische ziel, leren we na een gesprek met ene sheik Salah:

“Dat verhaal van jullie over de tempel die koning Salomo drieduizend geleden in Jeruzalem zou hebben gebouwd, is pure fictie, ( . . .) maar sjeik Salah staat voor 1400 jaar daadwerkelijke islamitische aanwezigheid in dit land. Dat raakt me zeer. Die continuïteit heeft iets heel intens. Wanneer ik naar de sjeik luister, treed ik als het ware via een tijdmachine in verbinding met de islam van het eerste uur en met kalief Omar ibn al-Chattab, naar wie ik mijn zoon heb vernoemd. Ik sta dan in contact met de grootsheid van de islam. Dat bezorgt me een intens gevoel van rust, een gevoel van zelfvertrouwen. Ik besef dan dat we niet voorbestemd zijn om het onderspit te delven. Ik weet dat we geen minderheid vormen. Het idee dat we een minderheid zouden vormen staat ver af van de islam – het past bij het Jodendom, maar staat ver af van de islam.”

Die sjeik Salah, uiteraard een echte antisemiet en Hamasmoordenaars-lover, net als Dahla, zal hieronder nog ter spraken komen.

Dahla onderwijst Shavit in de geschiedenis:

Het enige recht dat ze [de Joden] hadden was het recht dat voortvloeide uit hun vervolging, maar dat recht billijkt nog niet dat ze 78 procent hebben ingepikt van grondgebied dat hun niet toebehoorde. Het is geen rechtvaardiging voor het feit dat zij, de gasten, heer en meester werden. Per slot van rekening zijn de autochtonen degenen die de oudste aanspraken op het land hebben – níet de immigranten. De autochtonen wonen hier al honderden jaren en zijn onderdeel van het land geworden, net zoals het land onderdeel van hen is geworden. Wij zijn anders dan jullie. Wij zijn geen vreemdelingen of migranten. Wij leven al eeuwenlang in dit land en onze bevolking is gegroeid. Niemand kan ons verjagen. Niemand kan ons ons land afpakken. Ook jullie niet.”

Deze groteske karikatuur, vol leugens en verzwijgingen, wordt geen moment door Shavit weersproken. Dat kan ook niet want uit de rest van zijn boek weten we dat Shavit het helemaal eens is met de materiële inhoud van wat Dahla beweert. En opnieuw vraag ik me af: kent Shavit werkelijk niet de ijzeren feiten die dit hele verhaal logenstraffen? De feiten die ik bij de analyses van zijn eerdere hoofdstukken al een paar keer heb genoemd?

Zullen we het dan nóg maar een keer doen? Het recht van de Joden op het land vloeide óók voort uit hun vervolging in Europa, maar vooral uit het feit dat de Joden al duizenden jaren met het land verbonden waren voordat de Arabieren het in 638 na Christus onderwierpen. De Joden waren in die 1400 jaar van de islamitische wrede uitzuigkolonisatie net zo continu aanwezig geweest in Palestina als de Arabieren. Niet op de boer-en-bloed-manier van de Arabieren, want dat was de Joden verboden: ze waren stedelingen, vooral in Jeruzalem. Toen de Joden rond 1880 vanuit Europa naar Palestina kwamen, brachten ze leven en humaniteit naar een stervend en wreed-feodaal-islamitisch geregeerde landstreek. Het was in feite een vorm van dé-kolonisatie, van bevrijding. Dat zinde een deel van de islamitische elite niet en die begon onder leiding van de moefti van Jeruzalem, Amin al Hoesseini, met koran en soenna in de hand, vanaf 1920 een terreurcampagne tegen Joden en goedwillende Arabieren. In 1922 kwam het verdrag van San Remo tot stand, dat tot op de dag van vandaag rechtsgeldig is en waarin het gebied dat nu Israël, “de Westbank” en het huidige Jordanië omvat tot vestigingsgebied van de Joden werd verklaard. De Joden mochten alleen niet de rechten van de al daar wonende Palestijnse Arabieren schenden. Dat deden de Joden dan ook niet. Integendeel. Ze kochten meest braakliggend land van feodale Arabische en absenteïstische landheren, ontwikkelden het en maakten en passant een einde aan de status van aan-het-land-gebonden horigheid van de pachters. De Joden schonden dus geen rechten, maar verruimden ze. De Joden brachten leven en vrijheid waar dood en verdrukking heersten. De Arabische bevolking van Palestina verdubbelde gedurende de Mandaatsperiode van 670.000 in 1922 tot meer dan 1,2 miljoen in 1948.

Weliswaar met instemming van de Volkenbond, die anders dan de hedendaagse Verenigde Nazi’s, wél de bevoegdheid had internationaal bindende en rechtsgeldige maatregelen te nemen, werd meteen in 1922 al 70% van het vestigingsgebied aan de Joden ontnomen. Je kan je twijfels hebben over de rechtvaardigheid en “progessiviteit” van die maatregel, want wat toen Trans-Jordanië heette, en nu Jordanië, dus het gebied ten oosten van de rivier de Jordaan, werd door mandataris Engeland aan een Arabische potentaat geschonken. Alleen het gebied ten Westen van de Jordaan – “from the River to the sea” – dus “de Westbank” (Samaria-Judea) plus het huidige Israël bleven als vestigingsgebied van de Joden over.

Met bovenstaande lange alinea hebben we dus pas de eerste helt van de eerste leugen-en-verzwijg-zin van Dahla’s karikatuur weerlegd, namelijk “Het enige recht dat ze [de Joden] hadden was het recht dat voortvloeide uit hun vervolging”. Nu moet het tweede deel nog aan de kaak gesteld: “maar dat recht billijkt nog niet dat ze 78 procent hebben ingepikt van grondgebied dat hun niet toebehoorde”.

We hebben zojuist gezien dat meteen in 1922 al het vestigingsgebied voor de Joden met 70% werd verminderd door mandataris Engeland. Dahla gaat al uit van het gebied tussen Jordaan en zee, dus met het ontnemen van die 70% houdt hij al geen rekening. Dahla’s beginpunt is het verdelingsplan van 1947 wat je toen nog gewoon de Verenigde Naties kon noemen, de opvolger van de Volkenbond. Maar dat verdelingsplan heeft geen rechtsgeldigheid gekregen omdat de Arabieren (Moefti-bendes plus Arabische staten) het plan meteen afwezen. De Joden aanvaardden het, terwijl ze op één nog kleiner stukje Palestina werden samengedrongen. Toen in november 1947 dat plan werd aangenomen door de Algemene Vergadering van de VN, brak de door de moslims begonnen burgeroorlog definitief uit en op 15 mei 1948, meteen na het uitroepen van de staat Israël, vielen vijf Arabische legers Palestina binnen. Dus nogmaals: dat verdelingsplan heeft nooit rechtsgeldigheid gekregen, waaruit volgt dat het Verdrag van San Remo van 1922, waarin de Joden recht hebben om zich in het hele gebied tussen de rivier de Jordaan en de Middellandse Zee te vestigen nog steeds rechtsgeldig is.

Dus: niet aan de Palestijnse Arabieren werd 78% ontnomen, maar wel aan de Joden 70%. Er is dus sowieso en to begin with geen sprake van “inpikken”. Sterker nog, Dahla’s 78% werd door Israël legitiem veroverd in een verdedigingsoorlog tegen een vijand met genocidale bedoelingen. Wat Dahla “inpikken” noemt is dus dubbel legitiem en legaal, zowel moreel als juridisch, in Israëls bezit gekomen. Vergeet niet: deze Dahla heeft het met zijn “78%” dus niet over Samaria-Judea (“de Westbank”) maar over Israël zelf, uitgaande van dat verdelingsplan van de VN dat de Arabieren afwezen waarna ze een genocidaal bedoelde oorlog op de Joden loslieten.

Ziet. U?  Het. Liegen. En. Verzwijgen. Is. Niet. Te. Doen.

En dan de rest van de terroristische trekjes van Mohammed Dahla. Toen Dahla er achter kwam dat hij eigenlijk geen tweestatenoplossing wilde, maar, zoals een echte moslim en “Palestijn” betaamt, de vernietiging van Israël:

“De Israëlische samenleving [vind Dahla] moest op haar grondvesten schudden en ontwricht worden. Uiteindelijk zou de oplossing bestaan uit een binationale staat – één democratische staat tussen de rivier de Jordaan en de Middellandse Zee, met een Joodse wet op terugkeer en een Palestijns recht op terugkeer.”

Het kan niet anders dan dat Dahla weet dat de Joden in zo’n staat 10 keer slechter af zouden zijn dan de Arabieren anno 2014 in Israël. Als ze al overleven.

We krijgen opnieuw een inkijkje in Dahla’s mentaliteit wanneer hij tijdens de reis met Shavit een telefoontje krijgt:

“De familie van een terrorist die geprobeerd heeft butaangasflessen op te blazen die bij de keuken van een Jeruzalems café stonden, vraagt of Dahla de vrijheidsstrijder wil bijstaan. Mohammed stemt onmiddellijk toe en belt het politiebureau in de Russische Compound in het centrum van Jeruzalem om te informeren naar de verblijfplaats van de arrestant.”

Dahla en Shavit gaan op bezoek bij sheik Raed Salah in dat blijkbaar van opstandige Arabische “Palestijnen”-sympathisanten vergeven Galilea. De sheik heeft het over “het internationale zionisme” het imperialistische Amerika en organiseert elke week grootscheepse busreizen naar de Al-Aqsah-moskee om de haat levend te houden met een leugen. De “heiligheid” van die Al-Aqsah-moskee voor de islam en eigenlijk van heel Jeruzalem ueberhaupt is een uitvinding van na 1967 (zie mijn comment onder dit stuk) een zogenaamde invented tradition, tegelijk met de uitvinding van het “Palestijnse Volk”. Van Shavit zal je het niet te weten komen, wat voor een onheilige rotzooi het was rond de Al-Aqsah-moskee in de periode van 1948 tot 1967, toen Jordanië Oost Jeruzalem illegaal, want na een aanvalsoorlog, bezet hield. Wat ze voor vuiligheid uitgehaald hebben met de Joodse en christelijke elementen op de Tempelberg hebben gedaan, die Jordaniërs, kan je hier lezen.

Shavit:

“Hoewel Mohammed geen godsdienstig man is, de invloed van het Westen heeft ondergaan en veel van de waarden daarvan heeft overgenomen, zegt hij dat sjeik Salah heel beeldbepalend is voor zijn identiteit.”

Als sheik Salah heel bepalend is voor Dahla’s identiteit, heeft hij, voor zover we dat al niet uit de rest van zijn uitlatingen konden opmaken, niets overgenomen van de waarden van de Joods-Christelijk-Verlichte traditie.

Azmi Bishara

Ook Azmi Bishara (Nazareth, 1956) behoort blijkbaar tot de favorieten van Dahla, want ook bij dit Knesset-lid, leider van de Balad-partij, “Arabisch filosoof, hoogleraar en politicus” die – en dat horen we dan weer niet van Shavit – door Israël van hoogverraad werd beschuldigd omdat hij “tijdens de Israëlisch-Libanese Oorlog van 2006 voor veel geld informatie over strategische plekken aan Hezbollah hebben doorgespeeld”. Shavit houdt het beleefd en complimenteus bij:

“Bishara is sinds 1996 een Knessetlid dat nooit een blad voor de mond neemt, maar past nu op zijn tellen: hij is in afwachting van een besluit van het Hooggerechtshof dat bepalend zal zijn voor zijn politieke toekomst ( . . .).”

Ook Bishara wil het Joodse karakter van de staat Israël beëindigen en er een “binationale” staat van wil maken, wil Israël dus opheffen, wil de nederlagen van 1948, 1967 en 1973 alsnog via de demografie in een overwinning omzetten.

Dat blijkt ook uit wat hij aan de wand van zijn kantoor heeft hangen, behalve een groot portret van Nasser, de man die in 1967 van plan was om op de Joden van Israël genocide te plegen, ook “een ingelijste, geborduurde kaart van Palestina – maar dan louter Palestina: Jaffa wel, maar Tel Aviv niet, Lydda wel, maar Rehovot niet, Nazareth wel, maar Migdal HaEmek niet.”

Shavit besluit met een laatste ode aan zijn grote vriend Mohammed Dahla:

“Ik ben gesteld op Mohammed. Hij is slim, maatschappelijk betrokken en energiek. Hij is direct, hartelijk en ongelooflijk getalenteerd. Als hij gewild had, dan zou hij nu rechter, parlementslid, burgemeester of een van de leiders van de Israëlisch-Palestijnse gemeenschap zijn geweest. Hij is niet minder Israëliër dan de Israëliërs die ik ken. Hij is een van de scherpzinnigste vrienden die ik heb. We delen een stad, een staat, een thuisland. We hebben dezelfde normen en waarden en overtuigingen, maar toch gaapt er een verschrikkelijke kloof tussen ons.

Die kloof tussen Shavit en Dahla valt wel mee. Als het erop aan komt, zie ik Shavit die kloof nog wel overbruggen, want op mij maakt Shavit nu al de indruk van een deserteur en overloper. En je moet oppassen met die “ongelooflijk getalenteerde” moslims, ook hier in Europa, ook in Amerika, want “scherpzinnigheid” – ik zou liever de term sluwheid gebruiken – vervangt niet wat een Joods-Christelijk-Verlichte traditie in een maatschappij en in individuen kan verankeren: de redelijkheid en de ratio, waaruit alles voortkomt: wetenschap, het idee dat de natuur doorgrond kan worden, het vermogen fouten toe te geven, schuldbesef, onderling vertrouwen. De islam is de anti-rede en daarom anti-humaan.

Ik heb het rijtje wezenkensmerken waarin de islam met het nazisme overeenkomt al vaak opgesomd: Jodenhaat, expansieve oorlogszucht (inclusief Blut-und-Boden), Führerprinzip, Uebermenschen-waan, xenofobie en slachtofferig rancunisme. Dat laatste zien we vooral weer in deze Mohamemd Dahla. Hij barst ervan. De islam barst ervan. Daarom is van alle Heimatvertriebenen van na 1945 alléén het irredentisme en de haat van “Palestijnse vluchtelingen” zorgvuldig in stand gehouden, vooral door de Arabische staten, maar ook door de linkse Westerse politiek, en met name de Verenigde Nazi’s die dit rancunisme volop gehonoreerd hebben.
___________________

*** Op 1 januari 2020 constateer ik dat de foto niet meer bij het artikel in Haaretz staat.

Wie de term Stockholmdualisme wil begrijpen die ik van toepassing breng op “Mijn Beloofde Land” van Ari Shavit – waarvan hier het dertiende hoofdstuk wordt besproken – moet naar de eerste alinea’s van deel een. Deel twee is hier, deel drie is hier, deel vier is hier, deel vijf is hier, deel zes is hier, deel zeven is hier, deel acht is hier, deel negen is hier, deel tien is hier, deel elf is hier en deel twaalf is hier te vinden.

___________________

Dit stuk is doorgeplaatst op E. J. Bron