Een inscriptie op de gevel van de Dahmash Moskee, ook wel genoemd “Kleine Moskee”, in Lydda. In het Arabisch staat er: “De moskee werd gesloten als gevolg van de monsterlijke massamoord gepleegd door de bezettingsmacht in 1948 en werd in 1996 gedeeltelijk heropend.” (Foto Martin Kramer)

Eerst een paar inleidende woorden. Er zijn nu een paar maanden verstreken sinds in de zomer van 2014 Ari Shavit zijn New York Times bestsellende Judas-kus aan Israël in de vorm van een cultuur-verraders-boek in een waarachtig links-narcistische zelfmanifestatie-triomftocht langs alle “literaire” hotspots in Amerika en Europa . . . . . eh . . . . . . . verkocht. Mega-winst maken op een Judaskus! Oei! Ben ik nou zelf antisemitisch aan het worden? Enfin. Ik heb van dat verschríkkelijke boek alle 17 hoofdstukken één voor één geanalyseerd, steeds onder de titel “Het Stockholm-dualisme van Ari Shavit” met het betreffende hoofdstuk-nummer er achter. Wie naar analyse nummer 17 gaat, vindt onderaan de links naar de analyses van alle 16 andere hoofdstukken.

Er is echter één analyse van één hoofdstuk waarmee ik niet tevreden ben, omdat ik een weledelzeergeleerde discussie over dat hoofdstuk niet kón verwerken, want mijn analyse is van 7 Juni 2014 en die weledelzeergeleerde discussie begon pas te verschijnen op 1 Juli 2014 op het online forum “Mosaic”. Die weledelzeergeleerde discussie, waaraan Martin Kramer, Efraim Karsh en Benny Morris deel namen, gaat over het hoofdstuk in Shavits boek dat getiteld is “LYDDA – 1948” en waarin krachtig gesuggereerd wordt dat “het Zionisme” een inherent kwaadaardige ideologie was, en is, en die in 1948 planmatig aan het massamoorden sloeg teneinde lekker etnisch te kunnen zuiveren.

Maakt niet uit dat Shavit later, toen hij merkte wat hij had aangericht, begon terug te krabbelen en aan damage control ging doen. En het allertekenendste: Shavit heeft niet geantwoord, zich niet in de discussie gemengd, terwijl hier toch NAMEN aan het woord waren die SNOEIHARDE EN ONDERBOUWDE KRITIEK leverden op Shavits cultuurverraad. Maar geen kikje van de grote moraal-romancier . . . . . . . . . . . . . . .

******************************************************************

Het onderschrift bij de foto hierboven vat het probleem samen: de leugen-propaganda van de Palmaffia’s die, geholpen door de mediabeheersende “linksen” in het Westen, de Jodenhaat bevordert en de islam in de kaart speelt:

Monsterlijke massamoord gepleegd door de bezettingsmacht!!!”

Martin Kramer heeft een vernietigende analyse gemaakt van Shavits verhaal rond Lydda waarover Kramer zelf veel te bescheiden is:

“( . . .) ik kan geen absoluut zeker verhaal construeren van de gebeurtenissen in Lydda op 12 juli 1948. Er zijn te veel hiaten en tegenstrijdigheden in de verhalen. Maar met een beetje graven, kon ik gemakkelijk twijfel zaaien over Shavits caricaturale dramatisering ( . . .).”

Kramer legt uit dat het van groot belang is dat de laster van Shavit aan de kaak gesteld wordt. Die laster luidt: “Het Zionisme pleegt een massamoord in de stad Lydda.” Erger nog: Shavit beweert samen met de islamitisch-Arabisch-“Palestijnse” propaganda dat “het Zionisme” inherent kwaadaardig was en planmatig massamoorden pleegde ter voorbereiding van verdrijving en ethnische zuivering.

Kramer wijst op de toeristische mogelijkheid een “Nakba-trip” te maken in Lydda, waarbij een Arabische gids je inderdaad zal vertellen dat massamoord en verdrijving deel waren van een “systematische politiek” van “het Zionisme”. Kramer citeert een “Palestijnse professor”:

“Er zat een brein achter de bloedbaden, noem het een masterplan, noem het een schema, want er is een patroon in deze moorden en een logica. Na het werken in verschillende archieven, is mijn beeld dat Palestina in 1948 het toneel was Israëlische massamoorden, een doorlopende show van afgeslachte Palestijnen, van moord en vernietiging en van psychologische oorlogsvoering.”

Lydda (= Lod) ligt ruim binnen de grenzen van het huidige Israël. Nou ja: voor zover er binnen het huidige Israël iets “ruim” kan zijn.

Lydda (= Lod) ligt ruim binnen de grenzen van het huidige Israël. Nou ja: voor zover er binnen het huidige Israël iets “ruim” kan zijn.

Ari Shavits beschuldiging aan het adres van “het Zionisme” luidt voluit: “In 30 minutes, at high noon, more than 200 civilians are killed. Zionism carries out a massacre in the city of Lydda.” Dat was 12 july 1948 middenin Israëls onfhankelijkheidsoorlog in een Lydda dat vol Arabische guerilla-strijders en sluipschutters zat.

Shavit zegt zijn verhaal te baseren op interviews uit de vroege jaren 1990. Shavit sprak toen, zo’n twintig jaar vóór het uitkomen van zijn boek, met Shmarya Gutman, de militaire goeverneur van Lydda die na de veldslag het vertrek van de Arabische inwoners regelde en met Mula Cohen de commandant van de Yiftah brigade die opstand in Lydda bedwong en met iemand die Shavit aanduidt met zijn bijnaam “Bulldozer,” de man die met een PIAT (Projector Infantry Anti Tank) een anti-tank-granaat door de deur van “de kleine moskee” van Lydda schoot en waardoor in één klap 70 mensen zouden zijn gedood.

Shavit , in een poging achteraf de schade te beperken en zijn landverraad te bagatelliseren, heeft gezegd:

“Ik heb werkelijk bezwaar tegen mensen die Lydda eruit pikken en de rest van het boek negeren”.

Waarop Kramer antwoordt dat dit verwijt dan het beste gericht kan worden aan de New Yorker, waarin met Shavits instemming precies het hoofdstuk over Lydda voor een voorpublicatie werd uitgekozen. Kramer beschrijft de verdere damage-control die Shavit achteraf heeft geprobeerd:

“In interviews en op presenties gedurende de laatste maanden, is hij verder gegaan, erop hamerend dat Israëls daden gezien moeten worden in de context van een brute oorlog in een bruut decennium; dat de Arabieren de Joden slechter behandeld zouden hebben; en dat de Westerse democratieën hun ‘Anderen’ slechter behandeld hebben, van de Amerikaanse inboorlingen tot de Australische Aboriginals, dus wie zijn zij om over strikte moraal te preken tegen Israël?”

De hoofdvraag blijft natuurlijk, zegt Kramer: is er door het Zionisme een bewuste massamoord gepleegd in Lydda, zoals Shavit beweert en welke bewering door alle vooraanstaande critici voor zoete koek is geslikt? Kramers wantrouwen, meldt hij, werd door een aantal factoren gevoed. Ten eerste. Shavits verslag van “Lydda” past al te mooi in diens bredere stelling, namelijk dat “het Zionisme” voorgeprogrammeerd was “om het land te ontdoen van zijn Arabieren” en dat daarom de Zionistische soldaten “lichtzinnige moordenaars van onschuldigen werden, aldus de taak van de verdrijving vergemakkelijkend”. Ten tweede. Het zou niet de eerste keer zijn dat Israëlische soldaten beschuldigd worden van lichtzinnig moorden, terwijl ze alleen maar doen wat alle soldaten doen in een oorlog: terugschieten wanneer er op jou geschoten wordt.

Ik weet natuurlijk niet, zegt Kramer, hoe eerlijk Shavit gebruik maakt van de interviews uit de jaren 1990 waarop hij zijn verhaal baseert. Maar Kramer ontdekte dat de door Shavit geïnterviewden, namelijk Shmarya Gutman, Mula Cohen, “Bulldozer” en nog anderen die in Lydda vochten, later óók geïnterviewd waren door anderen en nog wel op film en nog wel ter plekke in Lydda. De omgerijmdheden die ik vond, zegt Kramer, tussen het verhaal van Shavit en die interviews vormden een patroon.

De strijd rond Lydda vond plaats van 11 tot 13 juli 1948. Op dat ogenblik namen de reguliere Arabische legers al twee maanden deel aan de oorlog. Vooral het Transjordaanse Arabische Legioen was actief op de weg tussen Tel Aviv en Jeruzalem waaraan Lydda lag. De Israëlische troepen, geregelde en ongeregelde, namen deel aan wat wel wordt genoemd “de oorlog van de wegen” (“war of he roads”) of ook wel genoemd operatie “larlar”- (een acroniem voor de steden Lydda, Ramleh, Latrun, Ramallah) – die was bedoeld om een corridor te openen naar het hongerende en belegerde Jeruzalem.

De Arabische stad Lydda telde op dat ogenblik ongeveer 40.000 bewoners, de helft waarvan vluchtelingen uit Jaffa en omgeving. Er waren ongveer 125 Transjordaanse soldaten in de stad gesteund door een veel groter aantal Arabische “ongeregelden”die zich al maandenlang hadden voorbereid op een komende strijd met de Israëli’s. Op 11 juli deed Moshe Dayan met een kleine troepenmacht een kortdurende inval aan de randen van zowel Ramleh als Lydda. Diezelfde avond trok de Yiftah brigade met 300 man Lydda binnen, nam de Grote Moskee en de kathedraal van Sin Joris (Saint George) in. Een groot aantal Arabische mannen werd daar gevangen gezet. Maar het grootste deel van de stad bleef nog onder Arabische controle. Met name het politiebureau was een Arabisch bastion.

De volgende middag 12 juli rond twaalven verschenen er plotseling twee of drie Transjordaanse pantserwagens al schietende aan de rand van de stad. Dat veroorzaakte een eruptie van geweld van de kant van Arabieren in Lydda, van sluipschutters en door het werpen van granaten vanaf de daken. Dat gebeurde ook vanaf de zogenaamde “Kleine Moskee”, de Dahmash Moskee (niet de grote met de gevangen mannen). De Israëli’s vreesden een gecoördineerde aanval door de Arabische soldaten van het Transjordaanse Legioen en de Arabische “ongeregelden” in de stad. De Israëlische commandanten bevalen de Israëlische eenheden “zwaar vuur” (“withering fire”) af te geven. De Grote Moskee met de gevangen mannen bleef onbeschadigd, maar de Israëliërs doorboorden de Kleine Moskee (Dahmash Moskee) met een anti-tank raket afgeschoten vanaf de schouder met een PIAT.

Na een half uur was de strijd gestreden. De Arabische soldaten en “ongeregelden” ontruimden zonder verdere strijd het politiebureau. Op 13 juli, de volgende dag, kreeg de hele burgerbevolking van Lydda orders de stad te verlaten. Dat waren een boel redenen voor: de bevolking had zich overgegeven en hadden de verzekering gekregen dat ze mochten blijven in hun stad, maar nadat de leiders in de stad hadden besloten opnieuw te gaan vechten, werd de hele bevolking de weg naar Jordanië op gestuurd. Op die manier hadden de Israëli’s bij de voortgaande strijd om de weg naar Jeruzalem, dat belegerd en uitgehongerd werd door het Jordaanse Legioen, geen vijandige stadsbevolking meer in hun rug.

De bewuste massamoord die zo helemaal bij het karakter van het Zionisme paste, zou volgens Shavit hebben plaats gevonden rond 12 uur van de 12e juli 1948 bij de Kleine Moskee, de zogenaamde Dahmash moskee.

Shavit, meent Kramer, vertelt nogal rommelig en gevoelvol en dus citeert Kramer de relevante passages bij Shavit en legt dan de vinger op de kern van wat die passages suggereren of beweren. Hij noemt dat een “take away point”, dus de kern van wat een lezer “meeneemt”. Die kern toetst Kramer dan aan wat de “spelers” in het verhaal elders in interviews hebben gezegd. Ik zal de punten kort samenvatten en dat zijn er minder dan Kramer opsomt omdat ik zaken bij elkaar voeg.

1) Shavit beweert dat de Lydda al op de avond van de 11e juli geheel in handen was van de Israëli’s en dat er niet alleen in de Grote Moskee maar ook in de Kleine Moskee (Dahmash Moskee) gevangenen werden vastgehouden. Maar dat is simpelweg niet waar: de Kleine of Dahmash Moskee viel buiten het gebied dat door de Israëli’s werd gecontroleerd, er werden geen gevangenen gehouden in de Kleine Moskee en de Israëli’s wisten gewoon niet wie of wat zich in de Kleine Moskee bevond of wat voor wapens de in die Dahmash Moskee aanwezige mensen mogelijk hadden. Bovendien werd er vanaf een hoog punt van de Kleine Moskee een handgranaat gegooid naar de Israëliërs, waarbij volgens de PIAT-schutter een soldaat een hand verloor en waarbij volgens bevelhebber Gutman zelfs twee Israëli’s gedood werden.

2) Shavit wekt de indruk niet alleen dat de stad op 11 juli al in handen was van de Israëli’s, maar ook wekt hij de indruk dat de Israëli’s heel goed wisten dat ze geen gevaar te duchten hadden van het Transjordaanse Legioen, terwijl toch soldaten daarvan in het hooggelegen politiebureau zaten, niet een gewoon “bureau, maar een door de Engelsen gebouwd zogenaamd “Tegart Fort”: ziehier een afbeelding. Shavit verzwijgt niet alleen het karakter maar het hele bestaan van dat politiebureau. Vandaaruit bestreken de Arabieren een groot deel van de stad, die ze ook op die middag rond twaalven van 12 juli nog aan het beschieten waren. Tijdens zo’n schietpartij vanuit dat Tegart Fort kwamen de al genoemde Jordaanse pantserwagenseveneens al schietend aanrijden. Tegelijk openden in de hele stad plotseling “ongeregelden” het vuur openden en gooiden handgranaten. De Jordaanse soldaten gaven het politie-fort uiteindelijk op vanwege waarschijnlijk munitiegebrek en het hevige vuur dat de Israëli’s erop loslieten, maar dat merkten de Israëlische commandanten pas op 13 juli.

3) Shavit introduceert “Bulldozer” (echte naam: Shmuel Ben-David) als iemand die “getraumatiseerd” was en die “plezier in doden” had. Shavit wekt de indruk dat er op de kleine moskee met de PIAT geschoten werd in een soort van wraakzuchtige bloedroes zonder dat er daartoe een commando gegeven was door een van de bevelhebbers. Maar bevelhebber Gutman heeft wel degelijk op film verteld dat hij, nadat er waren twee Israëli’s gedood waren door een handgranaat gegooid vanaf de Kleine Moskee, de Dahmash Moskee tot legitiem militair doel had verklaard. Shavit wekt voorts de indruk dat “Bulldozer” helemaal niet zeker wist dat de handgranaat was gegooid vanaf de Kleine Moskee. Dat de aanblik van een medestrijder wiens hand werd afgerukt door de granaat, “Bulldozer” provoceerde om op eigen initiatief de PIAT door de deur van de moskee af te vuren. Dat “Bulldozer” expres de mensen wilde vermoorden die in de kleine moskee waren: “Hij mikt niet op de minaret waarvanaf de granaten klaarblijkelijk zijn afgeworpen, maar op de moskeemuur waarachter hij stemmen van mensen hoort. Hij vuurt zijn PIAT af op de moskee, van zes meter afstand, en hij doodt er zeventig.” Maar de bevelvoerende officier heeft in het al genoemde gefilmde interview, samen met “Bulldozer”en staande op de plek zelf, verklaard dat hij wél het bevel heeft gegeven de deur met de PIAT te doorboren. Ook “Bulldozer” zelf heeft verklaard dat hij uitdrukkelijk bevel had gekregen zich naar de Kleine Moskee te begeven met de PIAT. De commandanten ter plekke namen terecht aan dat de granaat waarschijnlijk was gegooid vanuit de moskee, want niemand zou zo gek zijn geweest dat te doen vanaf de minaret. Het getal van zeventig slachtoffers is uit de lucht gegrepen, zegt Kramer. Het komt waarschijnlijk van een Arabische dorpsoudste die door Shavit werd geïnterviewd voor een artikel uit 2002 en die meldde dat dit getal “genoemd werd”. In Joodse bronnen worden 30 slachtoffers genoemd en in Arabische verhalen soms wel honderden. Waarom Shavit het getal 70 kiest, zegt Kramer, is onduidelijk.

4) Als “Bulldozer” de PIAT vanaf de schouder afvuurt raakt hij door de kleine ruimte in de steeg waarin dat moet gebeuren door de terugslag van het wapen zwaar gewond.

Shavit schrijft:

“En wanneer de piat-operator zelf gewond raakt, wordt de wraaklust alleen maar groter. Sommige soldaten van het 3e regiment doorzeven de gewonden in de moskee met geweerkogels.”

Shavit zegt dat “Bulldozer” hem heeft verteld dat zijn kameraden hem op zijn ziekbed het volgende zeiden: “Ze zeiden ook dat ze toen ze hem bloedend hadden zien liggen, woedend de kleine moskee waren ingerend en de overlevenden hadden doorzeefd met kogels uit automatische wapens.”

Shavit, zegt Kramer, heeft blijkbaar niet rechtstreeks gesproken met iemand die werkelijk die Kleine Moskee is binnengegaan nadat de PIAT was afgevuurd. Maar er zijn wel degelijk drie van dergelijke getuigenissen vastgelegd. Daaruit blijkt dat het standaard-procedure was om vurend en granaten werpend zo’n gebouw binnen te gaan omdat je niet weet of er vijanden met wapens op je zitten te wachten. Maar in die getuigenissen blijkt niets van bloeddorst, integendeel. De getuigen zijn geschokt door wat ze aantreffen. Er werden inderdaad wapens gevonden. De getuigen spraken verwondering uit over de mate van destructie die de PIAT had aangericht en vroegen zich af of er misschien een stapel granaten in de moskee had gelegen die geraakt was.

5) Wat gebeurde er nadat het drama in de kleine moskee zich had voltrokken? Shavit schrijft:

“Anderen gooien granaten naburige huizen in. Weer anderen installeren machinegeweren in de straten en schieten op alles wat beweegt ( . . .) Na een half uur van wraak, zijn er tientallen lijken in de straten, 70 lijken in de moskee ( . . .) In 30 minuten, om 12 uur ‘s middags, zijn er meer dan 200 burgers gedood. ( . . .) Het Zionisme richt een bloedbad aan in de stad Lydda.”

Shavit baseert dat aantal van 200 Arabische burgerdoden op Benny Morris, voor wie dit onbevestigde getal aanleiding is om de indruk te wekken dat het hier een massamoord betrof. Morris redeneert: als je kijkt naar de zeer weinige Israëli’s die gedood werden, kan men moeilijk spreken van een “slag” of “gevecht”. Maar Shavit verzwijgt dat er een controverse is onder historici over dit aantal én over de claim dat dit burgerdoden zou betreffen. Hij doet net of dit aantal een uitgemaakte zaak is en misleidt zo zijn internationale lezers. Shavit wekt voorts de indruk dat de Israëli’s – “het Zionisme” – in een ongecontroleerde orgie van geweld uitbarstten. Dat is niet zo: de Israëli’s handelden gedisciplineerd en onder orders omdat ze van alle kanten onder sluipschuttervuur werden genomen..

6) Shavit schrijft:

“Er komt nieuws van wat er is gebeurd in de kleine moskee. De militaire gouverneur geeft zijn mannen opdracht om de doden te begraven en zich te ontdoen van de belastende bewijzen. ( . . .) ‘s Avonds, toen ze bevel kregen de kleine moskee schoon te maken en de 70 lijken naar buiten te dragen en te begraven, grepen ze acht andere Arabieren om het graafwerk op de begraafplaats te doen en nadien schoten ze hen ook dood en begroeven de acht met de andere 70.”

Shavit, meent Kramer, probeert hier de indruk te wekken dat de Israëli’s – “het Zionisme” – net zo erg waren als de nazi’s tijdens de Holocaust én dat ze hun nazi-achtige misdaad zo snel mogelijk wilden verbergen. Maar de snelheid waarmee de doden begraven werden, had waarschijnlijk alles te maken met de “verschroeiende hitte” waarvan Shavit zelf ook rept. Voorts bestaat er een interview uit 2003 met een van die zogenaamd vermoorde doodgravers, Fayeq Abu Mana (“Abu Wadi”), die in 1948 twintig jaar oud was. Hij vertelt samen met zijn broer en neef in een ploeg van tien man het doodgraverswerk te hebben gedaan. Er bestaat een foto van hem waarop hij het massagraf aanwijst op de begraafplaats van Lydda. Zijn vrouw heeft verklaard dat alle doodgravers gevangen zijn genomen nadat ze hun werk hadden gedaan.

Ik vind het merkwaardig dat Kramer weinig ophef maakt over dit laatste essentiële punt: het vermoorden van de doodgravers is een fabel en daarvoor bestaat hard bewijs! Ik althans was het meest geschokt door dát detail, waarin inderdaad een nazi-achtige mentaliteit zou blijken, al zou het ook dan alleen voor dat incident hebben gegolden en die beperkte groep Joodse daders.

Ik vat nog eens samen:

Anders dan Shavit beweert zaten er géén gevangenen in de Kleine Moskee of Dahmash Moskee, die dan bewust door de Israëli’s zouden kunnen zijn vermoord.

Anders dan Shavit beweert wisten de Israëli’s helemaal niet wie of wat er in de Kleine Moskee zat.

Anders dan Shavit beweert en impliceert werden rond 12 uur ’s middags van de 12e juli de Israëli’s in de hele stad door sluipschutters onder vuur genomen en werd met name vanaf het hooggelegen en bunkerachtige politiebureau door de Arabieren geschoten.

Anders dan Shavit beweert wisten de sowieso in de minderheid zijnde Israëli’s niet óf en met hoevelen het Jordaanse Legioen zich in de strijd zou mengen.

Anders dan Shavit beweert werd er niet vanaf de minaret van de Kleine of Dahmash Moskee een handgranaat gegooid, maar vanuit de moskee zelf en dus was het geen bewuste daad van de Israëli’s om uit wraakzucht, zoals Shavit suggereert, de hele deur van de moskee eruit te blazen.

De uit de moskee gegooide handgranaat rukte óf alleen een hand af van een Israëlische soldaat dan wel werden óók nog twee Israëlische soldaten gedood.

Anders dan Shavit beweert is er geen sprake van een op eigen houtje en vanuit woede handelende “Bulldozer”, maar handelde hij op bevel van officieren die niet méér wisten dan dat er vanuit de moskee een handgranaat gegooid was en verder niet konden weten wie of wat zich verder in die moskee bevond.

Anders dan Shavit beweert, staat het allerminst vast dat de kameraden van “Bulldozer” ziende dat hij zwaar gewond was door de terugslag van de PIAT, de moskee zijn in gestormd en uit wraak een bloedbad hebben aangericht onder de aanwezigen.

Het was standaard-procedure om schietend een gebouw binnen te gaan als men niet kon verifiëren wat zich binnen bevond en kon vermoeden dat men er door gewapende tegenstanders werd opgewacht.

Andere getuigenissen dan waarop Shavit zich baseert, spreken van Israëlische soldaten die geschokt zijn door wat ze in de Kleine Moskee aantreffen.

Shavit neemt op onduidelijke gronden aan dat er 70 doden in de moskee geteld werden, maar het kunnen er evengoed slechts 30 geweest zijn.

Shavit verzwijgt de mogelijkheid dat het effect van de PIAT versterkt kan zijn geweest door een stapel handgranaten in de moskee.

Shavit neemt van Benny Morris het onder historici omstreden en onbevestigde aantal van 200 Arabische burgerdoden over, vergelijkt dat met het aantal Israëlische doden, stelt dat hier dús géén sprake van een veldslag tussen gelijkwaardige tegenstanders was en concludeert vervolgens dat het een massamoord moet zijn geweest.

Shavit beweert dat de 70 lijken uit de Dahmash Moskee door 8 Arabieren onder dwang ’s nachts zijn begraven als cover up, maar in werkelijkheid was dat vanwege de hitte.

Shavit beweert dat die 8 Arabieren door de Israëli’s in het kader van de cover up óók zijn vermoord, maar hoe kan het dan dat een van die Arabische doodgravers tientallen jaren later nog is geïnterviewd en zich ook niks herinnert van kameraden die vermoord zouden zijn, terwijl zijn vrouw later nog verteld heeft dat er geen 8 maar 10 doodgravers waren die allen in leven zijn gelaten?

Kortom: Shavit wekt de indruk dat “het Zionisme” hier in een ongecontroleerde orgie van geweld uitbarstte. Dat is niet zo. De Israëli’s handelden gedisciplineerd en onder orders omdat ze van alle kanten onder sluipschuttervuur werden genomen. En het verhaal van de cover up van de “misdaad” van de Dahmash Moskee en het vermoorden van de Arabische doodgravers achteraf is een fabeltje.

Zoals gezegd: Kramer is naar mijn oordeel te bescheiden over het resultaat van zijn analyse van Shavits relaas en claimt alleen maar gerede twijfel te hebben gezaaid aan Shavits versie. Ik vind het redelijk vernietigend.

Kramer, zijn oordeel samenvattend:

“Dat is niet het verhaal van een wraakzuchtige ‘bloedbad’ gepleegd door ‘het zionisme’, maar van collateral damage in een stad die veranderd was in een slagveld. Dit is Lydda niet als een ‘zwarte doos’, maar als een grijze zone – een vertrouwd gebied, omdat vele honderden Israëlische militaire operaties in bewoonde gebieden in die categorie zijn gevallen. ( . . .) Maar nergens geeft Shavit zijn lezers een aanwijzing dat er iets in zijn dramatische verhaal van Lydda wordt betwist.”

Kramer geeft aan dat Shavit in zijn “opmerkingen aangaande de bronnen” juist de indruk wekt dat zijn versie van de gebeurtenissen in Lydda snoeiharde wetenschap betreft:

“Ik las honderden boeken en duizenden documenten ( . . .). Om ervoor te zorgen dat alle details correct zijn, werden mondelinge verhalen gecontroleerd en dubbel gecontroleerd tegen de achtergrond van de geschreven geschiedenis van Israël. Het spannende proces van interviewen van belangrijke personen werd verweven met een zorgvuldig proces van gegevens verzamelen feiten controleren.”

Kramer geeft óók aan dat Shavit zich in diezelfde “opmerkingen aangaande de bronnen” op een nogal idiote manier tegenspreekt. Want hij zegt daar óók: “( . . .  het is geen academisch geschiedwerk, maar eerder een persoonlijke reis ( . . .).” Dat is dwaas, zegt Kramer, want niemand kan een persoonlijke reis naar een dag in 1948 boeken. Simom Schama, een van de vele “grandees” en “luminaries” van de Engelstalige geschiedschrijving, krijgt in dit kader ook een veeg uit de pan. Schama, zegt Kramer, meent dat Shavits boek tegelijk “zonder het geringste spoor van fictie is” en toch een daad is van “herbelevende verbeeldingskracht” (“imaginative re-enactment”) is. (Ja, zo ken ik zelf Schama in het algemeen ook wel: hartstochtelijk de geschiedenis herbelevend.)

De tegenspraken rond de aard van “het Zionisme” zijn bij Shavit onoplosbaar, zegt Kramer en citeert ze:

“De masamoord in de Kleine Moskee zou een misverstand kunnen zijn geweest veroorzaakt door een tragische keten van toevallige gebeurtenissen.”

“Gutman voelt hij zijn doel heeft bereikt. Bezetting, bloedbad en mentale druk hebben het gewenste effect gehad. “

Wat zal het nou wezen? Is “het Zionisme” nou een in de kern kwaadaardige ideologie die massamoord en ethnische zuivering bewust plant, of niet?

En dus vraagt Kramer.

Shavit: “Laten we Lydda niet vergeten, laten we Lydda erkennen, maar laat niemand Lydda gebruiken om te twijfelen aan de legitimiteit van Israël.”

Maar dat, zegt Kramer, is natúúrlijk precies wat de propaganda van de tegenstanders heeft gedaan en zal blijven doen: Shavit gebruiken en hij had dat moeten weten.

De bijdrage van Efraim Karsh aan de Shavit-Lydda-discussie

Efraim Karsh, die het meest fundamenteel heeft afgerekend met de myhe van de “bezetting” door Israël van Samaria-Judea (“de Westbank”), is ook de schrijver van “Palestine Betrayed (2010) een bronnenstudie waarin op grond van nieuw vrijgegeven Britse archieven gedetailleerd wordt aangetoond dat er géén etnische zuivering dóór de Joden ván de Arabieren heeft plaats gevonden gedurende de onafhankelijkheidsoorlog van Israël in 1948. De uitzonderlijke verdrijvingen die plaats vonden dóór de Joden ván de Arabieren werden gedicteerd door de oorlogsomstandigheden, en wel van een oorlog die door de Arabieren begonnen was en volgehouden werd.

Vanuit zijn gespecialiseerde kennis heeft Karsh zich gemengd in de Shavit-Lydda-discussie met een artikel van 6 juli 2014 getiteld The Uses of Lydda”. Karsh wijst erop dat vanaf 1948 tot op heden er altijd lasterlijke beschuldigingen van massamoorden en ethnische zuiveringen geweest aan het adres van Israël en Israëli’s. Deze beschuldigingen hebben zelfs retro-actieve vorm aangenomen: de zogenaamde “nieuwe historici” van de generatie Benny Morris, Avi Shlaim en Ilan Pappé hebben beweerd – soms bewijsbaar via snoeiharde geschiedvervalsing! – dat deze massamoorden en ethnische zuiveringen wel degelijk hadden plaats gevonden, maar volgens deze “nieuwe historici” door de geschiedschrijving tot dan toe toegedekt waren.

Het is van groot belang dat een argeloze lezer die kennis neemt van deze Shavit-Lydda-discussie, óók weet in welke traditie van bedrog Shavit zich stelt. Ik citeer uit een artikel van mij van juli 2010 getiteld “Israëls ‘nieuwe historici’: de leugenfabriek van Benny Morris cum suis”:

Voordat Efraim Karsh begon aan zijn ‘Palestine Betrayed’, heeft hij eerst de zogenaamde ‘nieuwe historici’ ontmaskerd als fraudeurs die precies over dit onderwerp hun grootste vervalsingen hebben gepleegd. Karsh stuitte door een toeval op het bedrog. Hij kwam een citaat tegen van de Israëlische academicus Benny Morris, van de Ben Goerion-universiteit. Het was een citaat uit een brief van dé Founding Father  van Israël, Ben Goerion, aan zijn zoon. Het is van belang te weten dat door de moefti van Jeruzalem verwekte terreur tegen de Joden al langzaam aanzwol vanaf 1922 en dat in 1936 de zogenaamde ‘Arabische Opstand’ in Palestina was begonnen, die tot 1939 duurde en die niets anders was dan de intensivering en schaalvergroting van die terreur. De brief van Ben Goerion is van 1937. Morris citeerde deze brief als zeggende dat ‘we moeten de Arabieren verdrijven en hun plaatsen innemen’. Karsh had deze brief jaren geleden gelezen en herinnerde zich de strekking van deze brief als heel anders. Dat bleek bij controle ook. De tekst van de brief van Ben Goerion luidde in werkelijkheid:

‘We wensen, we hoeven de Arabieren niet te verdrijven ( . . .) Onze gehele streven is gebouwd op de aanname ( . . .) dat er genoeg ruimte is in het land voor onszelf en de Arabieren.’

Karsh dacht nog even aan een vergissing, maar verder zoeken bracht hem tot een adembenemende  conclusie:

‘Tot mijn verbijstering ontdekte ik dat er nauwelijks een enkel document geciteerd door Morris was dat niet herschreven was op een manier dat de oorspronkelijke betekenis helemaal verdraaide.’

Waarna Karsh zich afvraagt: ‘Zou het kunnen zijn dat deze onderzoeksmethodes representatief zijn voor de standaard werkwijze van deze groep?’ En het antwoord van Karsh luidt:

‘( . . .) na het ontdekken van de alomtegenwoordigheid van de verdraaiingen van Morris, kon ik er niet langer  omheen het ondenkbare te denken. En inderdaad, een onderzoek ( . . .) leidde naar de onthutsende conclusie dat Morris’ verdraaiingen noch toeval nog uitzondering waren. Ze waren veeleer typisch voor de modus operandi van een flinke groep academici, journalisten en commentatoren, die hun professionele carrières gewijd hadden aan het herschrijven van Israëls geschiedenis naar een beeld van hun eigen keuze met als doel Israël in de rol van de schurk van de regio te drukken te drukken. ( . . .) Het was een bewuste poging tot historische misvorming. Niets meer en niets minder.’

Inderdaad geeft Karsh tientallen voorbeelden van bedrog van vooral Benny Morris maar ook van anderen, o.a. Ilan Pappé en Avi Shlaim. Het bedrog varieert van het verdraaid weergeven van de inhoud van bronnen, van zodanig weglaten van delen van citaten dat de betekenis omgedraaid werd tot aan het aantoonbaar valse beweringen doen. Morris presteerde het om verscheidene malen te betogen dat de ‘oude’ geschiedschrijving bewust bezig was geweest de door hem verzonnen ‘feiten’ van de schurkenrol van Israël in oorlog van 1948 toe te dekken. Hij verzon dus eerst de ‘feiten’ en vervolgens stapelde hij daar ook nog eens het verwijt op dat ze expres toegedekt en verzwegen waren. Dit is des te wranger omdat met name Morris er steeds op hamerde dat hij zo nauwgezet met de bronnen omging. En terwijl deze frauderende ‘nieuwe historici’ overheersten in de media en in academia wekten ze de indruk van slachtofferschap: dat ze een verdrukte, dappere en non-conformistische minderheid waren.”

Shavit heeft zich dus met deze traditie van lasterlijke “post-Zionistische” geschiedvervalsing verbonden. De kern van de beschuldigingen van Shavit is eigenlijk nog veel ernstiger dan die de meeste “nieuwe historici” hebben geuit. Shavit heeft beweerd dat planmatig uitgevoerde massamoord en ethnische zuivering tot het wezen van het Zionisme behoren.

De tendens van demonisering van het Zionisme zit inderdaad in Shavits hele boek. Later heeft Shavit geprobeerd zich van die tendens te distantiëren door te beweren dat hij het allemaal niet zo bedoeld had. Maar inmiddels is het kwaad al geschied: de islamitisch-Arabische en Palmaffiaanse propaganda zal, geholpen door de collaborerende westerse main-stream-pers, dit boek van Shavit en met name zijn beschuldigingen rond Lydda gebruiken om de haat jegens Israël en het wereldwijde antisemitisme aan te wakkeren.

Karsh prijst in zijn bijdrage aan de Shavit-Lydda-discussie (“The Uses of Lydda”) het hier boven geanalyseerde artikel (“What happened at Lydda”) van Martin Kramer. De verdrijving van de bevolking van Lydda in 1948, zegt Karsh, was precies de uitzondering die de regel bevestigde: “het Zionisme” had totaal geen plannen voor massamoord en ethnische schoonmaak. Aan Shavit, die beweert dat het verdrijven van de bevolking van Lydda “onvermijdelijk” met het Zionisme verbonden was, antwoordt Karsh:

“Als er echter iets onvermijdelijk was aan de verdrijving van Lydda, dan lag de oorzaak van die onvermijdelijkheid niet in het zionisme, maar in de acties van de Palestijns-Arabische leiders en in die in de Arabische buurlanden. Hadden deze notabelen de delings-resolutie van de VN geaccepteerd waarin wordt opgeroepen tot de oprichting van twee staten in Palestina, dan zou er ueberhaupt geen oorlog en geen verdrijving zijn geweest. Wat Lydda betreft was er geen uittocht voorzien in de Israëlische militaire plannen voor de inname van de stad. En in de beginfase van de bezetting van stad kwamen dergelijke plannen ook niet tot uiting. Integendeel: de Israëlische commandant verzekerde plaatselijke notabelen dat de inwoners van de stad zouden mogen blijven als ze dat wilden. In lijn met die belofte verzocht de bezettende Israëlische macht ook om een bevoegde administrateur en ander personeel om de zaken te regelen van de burgerbevolking.”

Dit alles werd irrelevant toen notabelen en inwoners van de stad, in plaats van hun overgave-overeenkomst met de IDF na te leven, probeerden om de Israëli’s met geweld te verjagen. De IDF, die zijn toch al geringe greep op Lydda sterk bedreigd zag, besloot daarop om het vertrek van de bevolking te ‘bevorderen’ richting door de Arabieren gecontroleerde gebieden een paar mijl naar het oosten, om niet een potentieel broeinest van gewapend verzet achter zich te krijgen. In een gebied waar het Jordaanse Arabische Legioen krachtige tegenaanvallen plaatste, was het essentieel om een verstoring van de lopende oorlogs-operaties te voorkomen.

Deze spontane reactie van de IDF op een reeks van onverwachte ontwikkelingen ‘op de grond’ was nu juist niet karakteristiek voor het algemene Israëlische gedrag. Op datzelfde ogenblik en gedurende de hele oorlog, mochten inwoners van andere Arabische plaatsen die zich vreedzaam had overgegeven aan de Israëlische troepen op hun plek blijven. In dit opzicht, was Lydda een van de weinige uitzonderingen die de regel bevestigde, niet, zoals Shavit betoogt, de regel zelf.

Die paar uitzonderingen besloegen bovendien maar een fractie van de totale exodus. Enorm veel meer Palestijnen werden uit hun huizen verdreven door hun eigen leiders en/of door Arabische strijdkrachten dan door het Israëlische leger. In feite zijn er geen eigentijdse bronnen die de ineenstorting en verstrooiing van de Palestijnse samenleving beschrijven als, in Shavits woorden, ‘een onvermijdelijke fase van de zionistische revolutie’. Hier, vanaf juni 1949 is het (enigszins verbaasd klinkende) verslag van een hoge Britse ambtenaar van een fact-finding mission onder de Arabische oorlogsvluchtelingen in Gaza:

“Terwijl [de vluchtelingen] geen bitterheid uiten tegen de Joden (of wat dat betreft tegen de Amerikanen of onszelf), spreken ze met de grootst mogelijke bitterheid over de Egyptenaren en de andere Arabische staten. ‘We weten wie onze vijanden zijn’, zeggen ze, en ze hebben het dan over hun Arabische broeders die, zo verklaren zij, hen onnodig hebben overgehaald om hun huizen te verlaten.”

__________________

Dit stuk is doorgeplaatst op E. J. Bron

Advertenties