Hier de tekst die het bontkraagje uitbraakt: “Wij zijn tegen Israël. Omdat gewoon die Joden moeten uitgeroeid worden. Omdat ze onze moslimbroeders gewoon ruïneren. Ons land kapot. Moslims, dat vinden wij ook ons land. ( . . .) dat ze die stempels op hun hoofd hebben. Ik hou daar niet van. Die stempels, je weet wel die hoed. Dan wil ik gelijk djoeken, gelijk prikken weet je. Ik heb graspin hier. Het gaat niet alleen om Israëli’s maar gewoon om Joden, Joden, Joden. Joden en israëliërs zijn voor mij hetzelfde. Ik haat die Israëli’s dus ik haat de Joden ook.”

Het filmpje dat hierboven staat is wat mij betreft iconisch: drie Rif-apen met een IQ van onder de 30 die hun Jodenhaat etaleren. Ter relativering van het filmpje en de kop boven dit stuk: ik ken hardwerkende Marokkanen, die niet crimineel zijn en ik ken er van zowel Berbers als Arabierisch Bloed & Bodem. De wetenschappelijke formulering inzake Marokkanen & Misdaad luidt: het aantal veroordeelde Marokkanen is veel groter dan op grond van hun aandeel in de bevolking verwacht mag worden. Joost Niemöller laat Ali Lahrouchi aan het woord. Hij vertelt “Hoe ik Geert Wilders uitleg aan mijn dochtertje”. Lahrouchi is een Berber oftewel Imazigh. Ik citeer Lahrouchi:

“Noord-Afrika wordt bewoond door Berbers. De invloed van buiten op de Amazigh-berberse maatschappij kwam van de Arabische islamisten. Zij hebben van het grondgebied van de berbers Arabisch islamitische landen gemaakt. Marokko is een van die landen. Het roofdier Mohamed 6 en zijn koningshuis stamt rechtstreeks af van de familie van de zogeheten  profeet Mohammed. ( . . .) Met behulp van de  achterlijke islamitische ideologie is Marokko de melkkoe geworden voor deze Koninklijke familie. Met behulp van de islam is het Amazigh volk zo in een toestand van slavernij, minachting en uitbuiting gebracht. Deze onderdrukking van de  Imazighen/Berbers door de IS-ers van toen is een zaak die  mij zeer aan het hart gaat.

Als ik in een ander land dan Marokko geboren was, zou ik nooit mijn islamitische Arabische naam ‘Ali’ gekregen hebben. Dat is alleen maar gebeurd omdat mijn geboorteland door de Arabische islamisten gekolonialiseerd, gearabiseerd, en geïslamiseerd is. Daarom werden mijn ouders gedwongen om mij deze kolonialistische naam te geven. Vervolgens gaat iedereen er blindelings vanuit dat ik een moslim ben. Ik word verplicht dat te zijn. Ik mag de islam niet de rug toekeren. Voor moslims is de vrijheid van godsdienst onbespreekbaar, En dat druist totaal in tegen mijn gevoel,  mijn emoties, en mijn principes.

Van jongs af aan vraag ik me dan ook af: Waarom moet ik in de islam geloven, die van generatie op generatie blindelings is overgeërfd? Hoe moet ik in een islam geloven, die door  analfabeten gesticht is? Hoe moet ik in een islam geloven die in mijn land zoveel bloedbaden veroorzaakt heeft? Want de geschiedenis leert dat er door de islam genocides hebben plaatsgevonden. Hoe moet ik geloven in een islam, die door het zwaard van de nomadische Arabieren verspreid werd? Het is alsof ik in Marokko in een soort islamitische kazerne leefde. Daarin moest iedereen zich als een soldaat in hetzelfde uniform hijsen. Iedereen moest zijn mond houden. Anders kwam je in de gevangenis of  kon je je eigen begrafenis gaan regelen. Hoewel mijn geboorteland van oorsprong een Amazighland (Berbers) is. heb ik geen recht om mijn moedertaal Tamazight (het Berbers) op scholen, rechtbanken en andere overheidsinstellingen en instanties te gebruiken. Ik heb ook niet het recht om mijn kind een Amazigh naam te geven. Ik heb het gevoel dat mijn identiteit als Amazigh van mij afgenomen is.”

Dat is duidelijk. Die Arabierische klootzakken hebben met hun islam de niegus gebracht in de Rif. Maar hoe wáár is dat? Wij citeren uit een voor de veteranen onder de anti-islam-strijders beroemd stuk van Chris Rutenfrans – “Onze cultuur is de beste” – uit de tijd (1999) toen hij nog een duo vormde bij Trouw met Jaffe Vink, alvorens hij begon te verpieteren als excuus-non-pc-er op de opinieredactie van de Azijnbode.

“Intussen leert de realiteit ons dat de multiculturele samenleving een drogbeeld is, waarmee we niet alleen onszelf maar ook de allochtonen wat wijs maken. In zijn proefschrift plaatst Frank van Gemert de hoge criminaliteit van Marokkanen in het perspectief van de Berber-cultuur die de achtergrond vormt van bijna alle in Nederland wonende Marokkanen. Zijn centrale stelling is dat die Berber-cultuur wordt gekenmerkt door een alles overheersend wantrouwen dat zijn wortels heeft in de geografische omstandigheden en de geschiedenis van dit volk dat woont aan de noordelijke, onvruchtbare zijde van het Rif-gebergte. De bevolkingsexplosie die zich daar tussen 1930 en 1960 voordeed leidde tot arbeidsmigratie. De mannen gingen oogstarbeid verrichten, eerst ten zuiden van de Rif, toen in West-Algerije en, na de Algerijnse onafhankelijkheid, in West-Europa. De Rif heeft altijd behoord tot het ‘opstandige land’, tot dat deel van Marokko waarop de sultan, en later de koning, weinig greep had. De Riffijnen hebben steeds met de rug naar de macht gestaan en worden tot op de dag van vandaag afgeschilderd als tweederangs burgers.

Van Gemert schrijft dat de extreme schaarste in de Rif heeft geleid tot een zeer competitieve samenleving met veel onderlinge twisten. ‘De huizen in de Rif staan los van elkaar, buiten schootsafstand, verspreid over het land. Ze hebben een omheining, soms is er ook een hoge cactushaag en vroeger hadden ze vaak een geschutskoepeltje om met geweervuur een vijand op afstand te kunnen houden.’ Van Gemert vatte in de titel van zijn proefschrift de levenswijze van de Berbers samen: ‘ieder voor zich’. Eer en jaloezie kenmerken de verhoudingen. Deze cultuur blijft ook in Nederland bestaan. Marokkaanse jongens krijgen in hun opvoeding de boodschap mee dat niemand te vertrouwen is. Die opvoeding vindt verder vooral plaats via externe controle. Overtredingen van de regels worden lichamelijk bestraft. Dit leidt ertoe dat morele regels niet verinnerlijkt worden. Wat kan is bepalend, schrijft Van Gemert, ‘wat mag is minder herkenbaar, dus minder maatgevend’. Zolang ze niet betrapt kunnen worden, voelen de jongens zich vrij om te doen waar ze zin in hebben. Daar komt nog bij dat ze al vanaf jonge leeftijd zonder ouderlijk toezicht het grootste deel van de dag op straat doorbrengen. De cultuur van wantrouwen en de gebrekkige opvoeding resulteren, via voortijdig schoolverlaten en werkloosheid, in een hoge criminaliteit.”

In de jaren die ik als marktstallenopbouwer en -afbreker langs Amsterdamse markten mijn romantische loswerkmannenzwerversleven leidde, ben ik vele Marokkanen tegengekomen. Er was er een, Mohammed – zo heette hij echt – die mij op mijn vraag wat nou zijn echte identiteit was, antwoordde: “Marokkaanse Arabier”. Dat is me bijgebleven omdat ik het toentertijd raadselachtig vond en hij niet in staat of bereid was het mij verder uit te leggen. Want daar vróég ik wel naar, nieuwsgierig als ik ben. Maar misschien begrijp ik er nu iets meer van. Overigens: heb ik al eens verteld dat ik de islam voor de oudste vorm van een nazistische mentaliteit op aarde houd? Ja, vast wel.

________________

Dit stuk is doorgeplaatst op E. J. Bron