Dit is Theresa Corbin. David Wood laat zien dat zij zich tot de islam “bekeerde” twee maanden na nine eleven (!) en dat ze actief waarheden weghoudt van haar weblog die haar hallelujah-beeld van de islam aantasten.

Dit is Theresa Corbin. David Wood laat zien dat zij zich tot de islam “bekeerde” twee maanden na nine eleven (!) en dat ze actief waarheden weghoudt van haar weblog die haar hallelujah-beeld van de islam aantasten.

Inleiding

Ik publiceer het onderstaande ouwe stuk, dat uit 1999 is, omdat ik er “toevallig” op stuit naar aanleiding van een domkop en een afkorting.

De afkorting is “BOEH” (Baas Over Eigen Hoofd) een Vlaamse club van vrouwen die de islamitische hoofddoek een teken van vrijheid vinden. Dat deed me denken aan “Baas op eigen hoofd” en dat was de titel van dat ouwe stuk uit 1999. Het was al aangenomen door eindredacteur Jaffe Vink van Letter & Geest van Trouw, maar bleef ongepubliceerd omdat het werd getroffen door een veto van de in 1998 aangetreden hoofdredacteur van Trouw, Frits van Exter. Het waren de eerste tekenen dat Van Exter bezig was de islam-kritische Jaffe Vink eruit te werken.

De domkop is Fikry El Azzouzi, een typische omhoog-gesubsidieerde knuffel-allochtoon uit Vlaanderen die door “politiek correcte” betuttel-racisten gelauwerd wordt vanwege “prestaties”, die, als ze geleverd waren door een autochtoon, geen enkele culturele rimpeling zouden hebben veroorzaakt. El Azzouzi heeft een prijs gewonnen die wil uitdrukken dat hij een kampioen is van het Vrije Woord: de “Arkprijs”.

Die prijs is toegekend mede vanwege een boek met de mysterieuze titel “Drarrie in de nacht” dat El Azzouzi heeft geschreven. Een lezereseuze geeft een indruk van de inhoud:

“Het beeld wordt geschetst van 4 Belgische adolescente vrienden (3 met geheel of gedeeltelijke allochtone afkomst en één rasechte Vlaming). Ze raken op het slechte pad (diefstal, vechten enz.) en lijken elkaar ook in de ‘vriendschap’ niet echt te steunen, alleen elkaar de loef af te steken. Alles draait om eer en vooral alles doen om geen gezichtsverlies te lijden. Er is altijd wel een uitvlucht te bedenken waardoor iets niet je eigen schuld is. ( . . .) Maar, in de tweede helft van het verhaal glijd je voor je het weet in een wereld van radicalisering, nog wel vanuit de meest onverwachte (of juist meest logische) hoek. Het is bijna vanzelfsprekend en alleszins logisch dat deze jongeren, zonder duidelijke wortels, zonder steun, zonder richting, vatbaar zijn voor net dat wat hen dat allemaal wel geeft. De vragen blijven: bij wie ligt hier de verantwoordelijkheid? Bij de ouders die hun kinderen letterlijk en figuurlijk buiten sluiten? Bij de maatschappij die geen vinger naar ze uitsteekt? Bij hunzelf? Bij hun geloof?”

Als ik de vraag naar de “verantwoordelijkheid” zou mogen beantwoorden: het ligt aan 1400 jaar islam en de 70 generaties die in die racistische moord- & onderdrukkings-cultus zijn opgegroeid, waardoor er aan veel islamieten misschien wel iets genetisch defect is geraakt, onder wie misschien aan de ouders van deze knapen én wellicht aan deze knapen zelf. En er ligt verantwoordelijkheid bij de “maatschappij”, dat wil zeggen onze linkse nep-elite, die ze heeft binnen gehaald en te weining bestraffende en teveel zalvende vingers naar ze heeft uitgestoken.

El Azzouzi heeft een toespraak gehouden bij de aanvaarding van zijn Arkprijs-voor-het-vrije-woord en daarin verkoos hij de reeds genoemde vereniging “BOEH” aan te prijzen, een vereniging die het symbool bij uitstek propageert van die al genoemde racistische moord- & onderdrukkings-cultus: de hoofddoek. Ik ga niet uit het “speelse” gelul van El Azzouzi’s speech citeren: het is niet de moeite waard. Maar wat ik zelf in 1999 van de hoofddoek vond, geldt nog steeds en is blijkens bijvoorbeeld het gezwets van El Azzouzi nog steeds relevant. Dus hierbij het door Frits van Exter in 1999 gevetode stuk. Moge het dienen tot het inzicht dat het gezag óp en óver het eigen vrouwenhoofd begint met vrijheid ín het vrouwenhoofd en dat die vrijheid voor een meisje dat opgroeit in een islamitische cultuur nagenoeg onbestaanbaar is. Wie dit soort “vrijheid” zoekt in islamitische landen en in de sociale hogedrukpannen van de islamitische getto’s in de Westerse steden is een idioot.

Fikri al Azzouzi. Zie een juichend interview met het genie in Vrij Nederland:

Fikri al Azzouzi. Zie een juichend interview met het genie in Vrij Nederland: “Ik zou ook naar Syrië zijn vertrokken.”

BAAS OP EIGEN HOOFD

“Vindt u die hoofddoek geen teken van onderdrukking?” De vraag is van Cisca Dresselhuys (Opzij juni 1999) en gericht aan Rogier van Boxtel, minister voor Grote Steden- en Inte­gratiebeleid. Zijn antwoord luidt:

“Hè? Hoezo? Als die vrouw daar weloverwogen voor gekozen heeft omdat ze daarmee iets wil uitdragen van haar religieuze gevoel, vind ik dat best. Het is haar keuze. Ik zou er wel met haar over praten: waarom doet ze het, uit angst voor haar omgeving of als bewuste keuze. Als het uit angst gebeurt, vind ik dat vervelend. Ieders cultuur moet gerespecteerd worden binnen de in ons land geldende normen, (…). De visie van fundamentalistische moslims op vrouwen en homo’s mag nooit vaste voet aan de grond krijgen in dit land.”

Vooral dat “Hè, hoezo?” is mooi. Je ziet als het ware de verrassing bij van Boxtel dat een dergelijke gedachte óók zou kunnen opdoemen. Wat een luchtigheid over beperkte vrouwenle­vens, over vrouwen die binnen moslimnetwerken nóóit een werkelijk vrije keuze kunnen hebben. Uit het feit dat sommi­gen hun haren tonen, volgt niet dat de behoofddoekten een vrije keuze maken. Mensen die niet anders kunnen, hebben de neiging het leven draaglijk te maken door zichzelf wijs te maken dat ze niet anders willen. De draagsters mogen beweren dat die hoofddoek zo fijn is ter zelfbescherming en in combinatie met een tentjurk vrijwaart van die typisch wester­se brutale mannenblikken, maar de vraag is in hoeverre we hier te maken hebben met een slavenmoraal, zelfbedrog van vrouwen die hun eigen instincten verraden omdat ze, opgeslo­ten in een gettocultuur, niet kunnen leven zoals ze eigenlijk zouden willen.

Uit Van Boxtels woorden rijst de suggestie dat de hoofddoek een positief religieus teken kan zijn. Ik betwijfel dat. Ook in zijn niet-fundamentalistische varianten is de islam intens patriarchaal, vrijheid tot in de willekeur verschaffend aan de man maar de vrouw fnuikend op alle fronten. Bovendien is de vraag in hoeverre dat vermeend positief religieuze een vorm is waarin de frus­tratie van islamitische vrouwen tegen­over de westerse cultuur gegoten wordt. Anders gezegd: het kan geperverteerde haat zijn die eigenlijk naar de eigen onderdrukkende cultuur gericht zou moeten te worden.

Het is jammer te moeten vaststellen dat het Nederlandse feminisme verburgerlijkt is. “We wilden alleen de absolute top, geen onderknuppels”, zei hoofdredactrice Dresselhuys vorig jaar, sprekend over mannen die ze goed genoeg vond om te feestredeneren op het laatste jubileum van Opzij. Ze trof goed de carrière-toon van no-nonsense-dames, de tegenwoordige doelgroep van Opzij. Men is gearriveerd en dus vertoont het Nederlandse schoudervulling-feminisme ook die andere kant, altijd al kenmer­kend voor de bourgeoisie: een neiging de minderbedeelden te “helpen”. En wie zijn in Nederland minder bedeeld dan al­lochtone vrouwen? Derhalve organiseert het moderne Nederland­se feminisme naaicursussen en taallessen in het buurthuis, zodat die behoofddoekte vrouwen óók eens helemaal uit hun bol kunnen.

De hoofddoek en al waarvoor dat ding staat, zal het dus nog even zonder varianten moeten stellen van die lekker simplistische slogans, die begin jaren zeventig in Nederland nog mochten. “Baas op eigen hoofd”, zou als startpunt voor de hand liggen als voorbereiding op de verdere liggende eis van baas in eigen hoofd. Maar ik zie ner­gens autochtone femini­stes die hun allochtone zusters kunnen opleiden in een ouderwetse strijdcultuur tegen de willekeur. Uit de minderhe­den zelf heb ik via mijn tv-scherm slechts hoofddoekbevesti­ging gesignaleerd in de vorm van grootogige, ascetische, hoogvibrerende nonnetjes, die de leer verdedigen van hun heren en meesters.

Op een zomerzondagmiddag zet ik mijn tv aan. Op Nederland-I het logo van de migrantenomroep in de rechterbovenhoek. In beeld een koninklijk zetelende man in wijd gewaad en met tulband. Zijn hoofd ziet er tegelijk welgedaan en fanatiek uit, een combinatie die ook de leiders in Iran beheersen. Hij spreekt met veel vertoon van waardigheid en maakt niet de indruk last te hebben van twijfel. “Wanne presius”, zou mijn Brabantse grootmoeder minachtend gezegd hebben, bedoelende “wat een praeses”, een ouderwetse voorzitter. Zij had als meisje de patriarchale onderdrukking in een katholiek dorp in de jaren twintig nog meegemaakt.

“Wij”, zie ik de tulband zeggen, hebben niet zozeer last van het Westen, maar veel meer van onze eigen regimes. En het Westen zou moeten helpen die regimes weg te vagen. “Wegvagen” was inderdaad het woord, tenminste dat stond in de ondertite­ling. Er dienden voorts, vervolgde hij, in de moslimlanden echte islamitische regimes te komen. Hij scheen precies te weten wat dat zijn, want hij kondigde aan dat er dan voortaan naar de letter van de wet geleefd zou gaan worden. Gek is dat: willekeur en legalisme gaan vaak samen, psychologisch in autoritaire individuen en collectief in dictaturen.

Toen de profeet was uitgeluld, bracht de documentaire behoofddoekte moslimmeisjes in beeld die, met boekwerken tegen hun borst gedrukt, wandelden in een omgeving die leek op de Albert Cuyp-markt in Amsterdam. Vervolgens klonk het soort warme damesstem, dat in reclame pleegt aan te kondigen dat een orgastisch wereldgeluk is uitgebroken vanwege een bepaald merk wasverzachter. “Wat zijn nu de problemen bij de invoering van de Sjaria?”, vroeg de stem luchtig. De Sjaria, zo weet men, is de tot wet verheven interpretatie van de Koran door een heersende kliek van “geestelijke leiders”. Ik drukte mijn tv op zwart, werd bevangen door vertwijfeling over Nederland en Europa en riep door de lege kamer: “Hört auf mich! Alles Andere ist Lüge! Kein Mann gedeihet ohne Vaterland!” Een citaat van een 19e-eeuwse romanticus, ooit gelezen bij Thomas Mann. Vervolgens liep ik naar buiten.

Daar moest ik op het trottoir uitwijken voor een Marokkaan­se veertiger, gekleed in veelkleurig Hawaï-hemd, spijkerbroek en slippers. Hij keek méér dan onvervaard de wereld in en liep wijdarms te slingeren van zelfbewustzijn. ­Zijn uitdos­sing en presentatie – een patser van de Zeedijk uit de jaren zeventig – was niet representatief voor de wijze waarin Marokkanen in Amsterdam uiterlijk verwestersen. Des te vreemder het contrast met de jonge vrouw die ge­hoofddoekt achter hem liep: alsof ze een stok had ingeslikt en oogklep­pen droeg. Ze staarde naar een punt in de verte, waar ze recht op af koerste. Ik vroeg me af of zij een van die tweede vrouwen was die Marokkanen, naar men zegt, na hun vacantie in Marokko nogal eens mee terugbrengen naar Nederland, een gebeurtenis waarvoor 60% van hun eerste vrouwen, aldus statistiekte een kwaliteitskrant, elke vacantie weer zo bang zijn.

Er zijn in de vijfentwintig jaar dat ik Amsterdam heb zien veranderen, veel vrouwen bijgekomen die niet meer tot mijn leefwereld behoren. Ik maak met hen nooit enig contact, zelfs geen oogcontact als de verkeerssituatie op het trottoir dat vereist. Bijvoorbeeld: ik kom met de een winkel uit en struikel. Moeilijk mijn evenwicht hervindend en tegelijk een grapje roepend, val ik half, bots met de schouder tegen een behoofddoekte vrouwelijke medemens, registreer haar schicht­ige wegkijken en wordt in diezelfde seconde witheet van woede. Want je bent dan wel gewend dat die vrouwen je nooit zien, maar op zo’n moment verwacht je toch doorbrekende menselijkheid, dat ze even haar hersenspoeling vergeet. Ik roep tegen haar botte rug: “Heb ik schurft of zo?”

Een onweersproken en reactionaire stellingname over de hoofddoek kwam ik op 17 januari 1998 tegen op de Forum-pagina van de Volks­krant. Daar stond een “pu­bliekscollege” afgedrukt van Siep Stuurman, hoogleraar Europese Studies in Rotterdam. De kern van zijn betoog hing hij op aan “de beruchte Franse hoofd­doekjeskwe­stie”. Deze kwestie, zo herinnert men zich wel­licht, behelsde een mediarel rond de weigering van een paar Franse scholen om islamitische meisjes toe te staan binnen de school een hoofddoek te dragen.

neus afgesneden

Stuurman verdedigde het recht op hoofddoek en schreef: “Zo zou men kunnen menen dat het dragen van hoofddoekjes als symbool van een islamitische identiteit erg lijkt op het dragen van een kruisje aan een kettinkje als symbool van een katholieke identiteit, maar de meeste Franse commentatoren kwamen niet eens op het idee die dingen met elkaar te verge­lijken.”

Afgezien nu van het feit dat Stuurmans vergelijking iets mafs doet met de algemeen aanvaarde . . .eh . . .esthetiek van de visuele gevoelslogica, hebben die Franse commentatoren om nog een andere reden groot gelijk, want je moet, komt mij voor, zo’n moderne moslimhoofddoek niet vergelijken met een modern gouden christen-kettinkje, zoals dat in Nederland tegenwoordig vaak de hals siert van, ik noem maar wat, jonge Surinaamse mannen. Je moet die hoofddoek, naar mijn mening, in verband brengen met de hoofddoek die nog door mijn groot­moeder in de jaren dertig tot en met vijftig in Nederland is gedragen en die in diezelfde tijd in Frankrijk ook de onderd­rukte hoofden sierde van veel Franse vrouwen uit de arbei­dersklasse. Zelfs nog mijn moeder kan nog vertellen van “die vervloekte hoofddoek” als, zoals zij zegt, het symbool van de vrouw als “zondig vat”. Zij kan vertellen van gesmoorde talenten en verstikte emoties van vrouwen, van ongeleefde levens van vrouwen, van patriarchale willekeur. Van pijn, kortom.

Bij Stuurman’s artikel was een foto afgedrukt van een meisje, vrolijk haar identiteit als hoofddoek­draagster benadrukkend in een politieke demonstratie. Stuurman zag hierin “het typisch assertieve gedrag van de moderne geëman­cipeerde (…) vrouwelijke burger”. Ja, denk ik dan , zo kan je het uitleggen, maar een beschouwer van die foto zou ook kunnen vermoeden dat het meisje op de foto zo grondig is opgevoed in het huis van haar vader, dat ze zich in blijheid neerlegt bij haar lot. Blij martelaarschap van mensen die het gevecht om wat ze werkelijk willen niet aankunnen, is een een zwakheid in mensen die Nietzs­che al signaleerde.

“Heel wat [Franse] journalisten suggereerden”, aldus Stuurman, “bovendien een verband met het islamitisch funda­mentalisme, terwijl niemand de meisjes met de katholieke kruisjes aan kettinkjes in verband bracht met een dreigende terugkeer van de Inquisitie.”

Dat was, zou ik Stuurman antwoorden, ook heel voor de hand liggend, want de globale historische situatie in oktober 1994, toen de kwestie in Frankrijk hoog opspeelde, verwees op geen enkele wijze naar herlevende kruistochten, maar op vele wijzen wel naar grote populariteit van de jihad.

“De vrouwelijke kleding”, meende Stuurman verder, nog steeds sprekend over de hoofddoekjeskwestie in Frankrijk, “fungeert als de inzet van het grensconflict tussen twee culturen. Het is alsof de vertegenwoordigers van de dominante cultuur de controle over het gedrag en het uiterlijk van de vrouwen uit de minderheidscultuur als het ultieme teken van hun macht beschouwen.”

“Ultieme teken van hun macht! Dat zijn merkwaardig sterke woorden, die ik persoonlijk liever zou aanwenden voor bij­voorbeeld een fenomeen als de vrouwenbesnijdenis, waarbij een door mannen beheerste cultuur besluit de genitaliën van vrouwen te verminken. Ik zou in dit verband graag zelf een sterk woord in het geding brengen, te weten: racisme. Dat is niet alleen een sterk woord en beladen woord, maar ook een moeilijk woord, want de geleerden weten niet eens waar het vandaan komt, laat staan dat ze weten wat het ís. Vermoede­lijk nam daarom ooit een burgemeester van Wenen zijn toe­vlucht tot frivool subjectivisme, toen hij zei: “Ich bestimme wer ein Jude ist”. Toch zouden we, bij gebrek aan ordentelijk natuurwetenschappelijk gefundeerde rassenkunde, een definitie van racisme kunnen afspreken, namelijk: het minderwaardig verklaren van een ander mens op grond van genetische kenmer­ken, bijvoorbeeld het hebben van een zwarte huid of een spleetje tussen de benen. Ik kan het met Stuurman eens zijn dat hoofddoekjes niet verboden moeten worden***, maar de gee­steshouding vanwaaruit hij acceptatie voorstelt, verontrust mij.

Het verschijnen van dat artikel van Stuurman en de geringe reactie die erop volgde, versterkte mijn idee dat er in Nederland, zelfs bij een voormalig revolutionaire student als Stuurman, een appreciatie is ontstaan van cultuurverschijnse­len die onder weldenkende mensen vroeger als reactionair golden. Mijn indruk versterkte zich­ toen op 14 september 1998 een artikel verscheen, op alweer de Forum-pagina van de Volkskrant, onder de kop “Seks wint het voor Amerika van fatsoen”. Het ging over Clinton en zijn sex-affaires. De auteur, ene Akbar Ahmed, verbonden aan de universiteit van Cambridge, betoogt daarin dat het Westen, in tegenstelling tot de moslimwereld, geobsedeerd is door seks. Anders dan in het Westen, meent hij, wordt netjes omgaan met je vrouw in de moslimwereld nog algemeen als hoge deugd gezien. Decadente Westerlingen, zegt Ahmed, zullen hun fatsoen moeten leren houden, en Clinton moeten veroordelen, want anders wordt het moslim-terrorisme alleen maar heviger.

De schrijver wil ons slechts waarschuwen, maar een vleugje persoonlijke dreiging bevat zijn betoog ­toch wel. Ook een paar snuifjes puberale demagogie, zoals: “Hoe kunnen we geloven dat het streven naar gerechtigheid in het Midden-Oosten hoog op de agenda van president Clinton staat, als we lezen dat hij in het Witte Huis met Monica Lewinsky aan het stoeien was en allerlei obsceens deed met sigaren, terwijl Yasser Arafat buiten stond te wachten voor spoedoverleg.”

De Volkskrant drukte het af als een serieuze bijdrage aan de discussie en vond het blijkbaar heel gewoon dat die bijdrage kwam vanuit een cultuur die, zoals toch geen isla­m-kenner van enig intellectueel gewicht zal tegenspre­ken, is doordrenkt van ob­sessie met geslachtelijkheid. Uit de vele getuigenissen die buiten die der kamergeleerden op dit punt nog aan te roepen zijn, kies ik een Algerijnse feministe geïnterviewd door Frits Bolkestein voor de Volks­krant. Deze vrouw had de moed de fundamentalistische massa­moordenaars in haar eigen land te trotseren (!). Ze zei dat de hoofddoek voor fundamentalisten hetzelfde is als de Joden-ster voor de nazi’s. Beide, fundamentalisten en na­zi’s, zegt zij, projecteren hun eigen haat en obsessies in “de ander”. Zoals de meeste critici van de islam maakt ook zij onderscheid tussen fundamentalisme en wat misschien gewóne religieuze repressie moet heten, maar waar de grens tussen beiden ligt en hoe de twee grootheden zich kwantita­tief verhouden, moet nog maar eens door een commissie onder­zocht worden.

Verder zou je tegen het betoog van Akbar Ahmed kunnen aanvoeren dat hetgeen “wij Westerlingen” tenminste nog “vreemd­gaan” noemen, in de moslimwereld ­een instituut is, geheten veelwijverij. Deze veelwijverij is in zichzelf seksuele onderdrukking, van zowel de vrouw als van minder machtige en rijke mannen, en maakt op grote schaal vrouwen tot slachtoffer van geweld, geestelijke terreur en uitbui­ting.

Neem uit de zee van lectuur nog èèn met relatief veel erbarmen geschreven voorbeeld: “Egypte – een goede man slaat soms zijn vrouw”. Dit recente boek van Joris Luyendijk getuigt volgens Vrij Nederland “van een grote mate van betrokkenheid, paradoxaal genoeg door het almaar groter wordende gevoel van verbijstering en teleurstelling”. In dit boek van Luyendijk kan men lezen van iets dat Egypte cryp­tisch aangeduid wordt met “dingen die overdag gebeuren”. Dat is de officieel-religieus gesanctioneerde gewoonte dat rijkere moslims een of meerdere vrouwen ergens op een flatje hebben zitten en daar overdag regelmatig gaan copuleren als de officiële moeders-de-vrouwen thuis binnen zitten. En nu spreken we nog niet van de Taliban in Afghanistan of de jonge zede­lijkheidswachters tijdens de Khomeiny-revolutie in Iran. Die sloten massaal zogenaamde “tijdelijke huwelijken” met vrouwelijke gevangenen om vervolgens, na uitgebreid misbruik, weer van ze te scheiden en ze in voorkomend geval te vermoor­den.

Rudy Kousbroek (Einsteins Poppenhuis, p. 106) twijfelde, al was het dan pro forma, anno 1980 nog of hij dat allemaal echt moest geloven als hij in de NRC las:

“Dagelijks worden honderden jonge Arabische vrouwen ver­brand, onthoofd, vergiftigd of de keel afgesneden. Ze worden gedood door hun vader of een oudere broer, door een neef of een huurmoordenaar. Ze worden bestraft op beschuldiging van sexuele relaties buiten het huwelijk, of slechts op verden­king daarvan. Ze moeten sterven krachtens een oude code die familie-eer moet beschermen. Dit kreeg de werkgroep over slavernij van de verenigde Naties gisteren in Genève te horen van een vertegenwoordiger van Terre des Hommes. De werkgroep kreeg tegelijkertijd een gedetailleerd rapport met talloze getuigenissen over de vervolging van jonge vrouwen en meisjes in Arabische landen ‘in naam van de eer’.”

Inmiddels zijn we vele rapporten van Terre des Hommes en Amnesty International verder en zal ook Kousbroek zich niet meer afvragen wat hij moet geloven.

December 1998 zapte ik langs “Het Lagerhuis”, dat program­ma van de VARA waar het volk onder moderator Witteman met mate door mekaar mag schreeuwen. Omdat ik allergisch ben voor het gelijk van Marcel van Dam, verwijl ik bij dat programma meestal zolang als nodig is om mijn vinger opde astandsbediening te verplaatsen, maar deze keer zag ik een redenerend schaap met een hoofddoek en bleef ik langer hangen. Ze was vroeg-twintig en zat met totale onbevangenheid uit te leggen hoezeer dat dragen van die hoofddoek voor haar een geheel en al vrije keus was. Voor zover ik heb waargenomen werd haar zelfinzicht door bijna niemand van de in “Het Lagerhuis” verzamelde opinion leaders in twijfel getrokken. Diepe melancholie beving mij toen ik het kind zo zag: opgevoed in het huis van haar vader was ze, een huis opgenomen in een netwerk van immigrantenhuizen waarin de groepsnorm het gigantische houvast is en de sociale druk om daaraan te conformeren evenredig reusachtig. Van haar eigen gezond niet wetend werd ze daar, door tv-makers die beter zouden moeten weten, gebruikt om, geheel in de geest van Siep Stuurman, aan te tonen dat er best wel levensblije, fijne, gezonde meiden onder die hoofddoeken zitten. Beelden van een ander tv-programma drongen zich bij me op: een gemaakt-vrolijke behoofddoekte dame van middelbare leeftijd uit de kringen van Louis Farakhan, de man die in Amerika zoveel succes heeft bij het brengen van zwarten tot een vorm van haat-islam, levert commentaar bij een modeshow die moet tonen dat vrouwenonderdrukking ook heel elegant kan plaats­vinden.

Slechts één man in “Het Lagerhuis”, iemand die beroepshalve veel door islamitische landen had gereisd, verwoordde de wijdere betekenis van de hoofddoek, voor zover die tenminste werkelijk bewust gedragen wordt, waarvan ik het opgevoerde kind niet verdacht. Met die hoofddoek, aldus probeerde de bereisde man de jongvolwassen dame Diets te maken, leg je als bewuste vrouw de politieke verklaring af dat je het eens bent met de onderdrukking waarvoor de islam wereldwijd staat. Ik vond dat relevant. En als de islamitische gemeenschappen in Nederland van mening zijn dat zij niet met allerlei barbaarse praktijken in allerlei buitenlanden verbonden dienen te worden, dan zou het prettig zijn als daarvan wat meer in de openbare discussie zou blijken. Dat zou de dialoog tussen de culturen in dit land ueberhaupt een stuk op weg helpen.

Het praatprogramma “Rondom Tien” zette midden januari 1999 nog eens een paar gevoelige zaken op een rijtje rond de kwestie hoofddoeken en onze neiging te tolereren wat daarmee verbonden kan zijn. Zo is het uitvoeren van vrouwenbesnijde­nis in onze ziekenhuizen nog maar kort geleden serieus in discussie geweest. Hetzelfde geldt voor het aborteren van een kind omdat het een meisje is. In verband met die kwestie verscheen het zachtgrijze hoofd van de grootmoederlijkste pleegzuster van Nederland, mevrouw Borst, indertijd op alle tv-journaals. Onder de indruk van haar eigen ernst zei ze dat we toch moesten bedenken dat in sommige alhier gevestigde culturen grote problemen konden ontstaan voor vrouwen die drie of vier ker een kind baarden van het vrouwelijk ge­slacht. Ex-minister Sorgdrager, zelf een vrouw die dank zij de Nederlandse normen en waarden in onze maatschappij veiligheid, macht, status en welgesteldheid veroverde, heeft serieus overwogen in het Nederlands recht op te nemen de scheiding op zijn islamitisch, namelijk de willekeurige verstoting door islamitische mannen van hun wettige vrouw, waardoor zo’n vrouw rechteloos wordt.

“Criminoloog Prof. Christian Pfeiffer van het Kriminologisches Forschungsinstitut in Hannover”, zo schreef Kurt van Es in het Parool van 30-9-98, “is in eigen land ook bekend door initiatieven om de positie van Turken – de grootste minderheid in Duitsland – te verbeteren, zodat zijn harde conclusies uit onverdachte hoek komen.”

Van Es citeert Pfeiffer aldus: “Onder Duitse jongeren maakt één op de tien thuis geweld mee, bij jonge Turken is dat één op de drie. Ze leren dat dit de methode is om je zin te krijgen of iets op te lossen. Jongens gaan het ook zo doen, en ze blijven het doen als ze ouder worden. Meisjes lopen vooral het risico slachtoffer te blijven doordat ze een partner zoeken die met geweld is grootge­bracht.”

Als dat waar is, zou je dit kunnen zeggen: als er zóveel jonge Turken zijn die gewelddadig worden opgevoed, dan zullen zelfs vele Turkse meisjes die niet geprogrammeerd zijn om een ge­welddadige partner te zoeken, er tóch een treffen. Niet alleen in Duitsland, maar ook in Neder­land, want het is niet aannemelijk dat die stand van zaken hier fundamenteel anders is dan in Duitsland. Om de vraag te beantwoorden hoe de globale positie van de vrouw is in islamitische cultuurkringen in Nederland, zou men een aantal kranten-artikelen uit de laatste jaren kunnen aanhalen. Ze geven de inzichten weer van autochtone Nederlanders, opgedaan in ambtelijk of vrijwillig werk in islamitische kring. In bijna alle gevallen wijzen die inzichten in één richting, namelijk die van onderdrukking en isolatie.

Een vraag die islamitische vrouwen zichzelf moeten stellen luidt: waarom reproduceren wij via de opvoeding toch steeds onze eigen onderdrukkers? Ook Surinaamse vrouwen mogen zich die vraag stellen, zij het dat de Surinaamse cultuur spiegelbeeldig is aan de islamitische. De Surinaamse man zorgt bij uitzondering voor zijn gezin. De vrouw wordt in een positie van afhankelijkheid gedwongen en heeft twee rolmodellen ter beschikking: hoer of sloof. Meestal combineert zij ze. Bernadette de Wit, die jaren in de Bijlmer heeft gewoond en de mainstream van de Surinaamse cultuur van haver tot gort kent, heeft dit patroon ooit in een column in de Volksrant uitgetekend. Het was meteen haar laatste stukje in die krant. Dat is inderdaad ook een makke in Nederland: weinig media voor geestelijk volwassenen voorhanden.

“Ikrame Kastit politicus”. Wat een  mooie, jonge, vrolijke en vrije Vlaamse vrouw! Ze heeft een tweet gedeeld , waarin een plaatje met tekst.

Ikrame Kastit politicus”. Wat een mooie, jonge, vrolijke en vrije Vlaamse vrouw! Vast ook heel intelligent! Ze heeft een tweet gedeeld, waarin onderstaand plaatje met tekst.

muslim and feminist“YES I’M A MUSLIM AND A FEMINIST. We live in a world where we can fly spaceships to other planets, where cars can drive by themselves and where women’s rights still have to be debated. Every time I think about it, it baffles me that we live in the 21st century, yet we still have to discuss simple things such as human rights. As a feminist I believe in equal rights and opportunities for both men and women.”
____________

*** Daar ben ik in 2015 allang op terug gekomen: ik vind dat de hele islam, alle publieke materiële en verbale uitingen van die nazi-ideologie, verboden moeten worden.

Dit stuk is doorgeplaatst op E. J. Bron

Advertenties