Ja, ik heb meer dan eens Marokkanen willen vermoorden. Niet allemaal natuurlijk. Net zo min als Geert Wilders alle Marokkanen het land wil uitzetten of heeft beweerd dat alle Marokkanen slecht zijn. In het bovenstaande filmpje treedt het soort Marokkanen op waarvan ik denk dat Wilders er minder van wil en waarvan ik zeker weet dat ik wel eens heftige neiging heb gehad ze te vermoorden.

Ik heb vaker geschreven over het gigantische Marokkanen-probleem dat we in Nederland hebben en gespeculeerd over de oorzaken: is het de islam of de Rif-cultuur of een combinatie? En zou de misdadigheid van de islam na 70 generaties genetisch kunnen zijn geworden?

En nu zal ik één anecdote vertellen waarin ik het soort Marokkanen tegen kwam dat een fatsoenlijk mens doet braken van bloeddorst:

Die namiddag in het jaar 2004 had ik mijn nichtje uit school gehaald want ik zou op haar passen tot haar moeder uit haar werk kwam. Toen ik arriveerde op het speelpleintje voor haar huis in een Amsterdamse volksbuurt, zag ik buurvrouw Thea, een vrouw van in de vijftig, die zoals gewoonlijk een paar buurtkinderen onder haar hoede had. Dat doet ze gratis en voor niks, Thea, op die kinderen passen, want ze behoort tot een bepaald soort in-fatsoenlijke, doodgewone Amsterdammers dat vroeger het merg van de buurten vormde. Het merg zijn ze nog, maar de bottenstructuur is verdwenen. Ze drijven los, zeg maar, en dat gevoel hebben ze zelf ook. Ze willen eigenlijk weg uit de buurt waar ze al veertig jaar wonen.

Bij mijn aankomst zag ik al dat het mis was. Twee mij vaag bekende Marokkanen van een jaar of zeventien zaten op de betonnen zit-speel-elementen, een soort paddenstoelen, vlakbij het glijbaantje. Ze hadden de bekende uitstraling.

Wat is het probleem, Thea?’, vroeg ik. ‘Nou’, antwoordde ze, ‘die twee daar zaten boven op het glijbaantje terwijl die kinderen daar op willen spelen. Ik had ze al een paar keer beleefd gevraagd of ze eraf wilden gaan, maar dat deden ze niet. Toen ben ik voor hun neus gaan staan en heb ik ze gevraagd of ze doof zijn. En toen kreeg ik een grote bek.’

Ik keek eens in de richting van het schorem met die bekende blaartrekkende motoriek, maar mijn nichtje stond al angstig aan mijn mouw te rukken en dus ben ik na een blik van verstandhouding met Thea maar naar boven naar mijn nichtjes woning gegaan

Vanaf driehoog keek ik op het speelpleintje neer. De twee zaten nog steeds op de betonnen paddenstoelen, provocerend met hun mobieltjes in de weer, ongetwijfeld stamgenoten aan het bellen, omdat ze wisten wat ze gingen doen. En dat was het volgende. Eentje zat met zijn armspieren te rollen, maar de andere kon vanaf zijn zitplaats met één hand bij de tegen het hek geparkeerde fietsen. Hij greep, zo zag ik van boven, het stuur van een fiets met kinderzitje, een fraaie nieuwe fiets, en begon die naar zich toe te halen en weer terug tegen het hek te laten vallen. Op een gegeven moment viel de fiets zijn kant op, kletterend op de grond. Hij liet hem liggen en ging opnieuw met zijn mobieltje in de weer. Het waren wat wij thuis altijd “kampers-manieren” noemden, maar dit was nog smeriger. Ik voelde, daar boven aan dat raam, een opkomende misselijkheid en stond voor de keus. Als ik aan mijn impuls zou toegeven stormde ik nu drie trappen af naar beneden, greep ik een van de twee en ramde ik zijn kop tussen het hekwerk waartegen de fietsen stonden. Ik wist dat, als ik ging, ik de schoft zou vermoorden. Zijn hersens zouden spatten. Terwijl ik naar de gootsteen moest omdat ik werkelijk begon te braken, zag ik in de werkelijkheid – ik bleef daar uitzicht houden door het raam – Thea de fiets oprapen. Voor mijn geestesoog werd de film van de haat inmiddels verder afgedraaid. Ik fantaseerde al brakend, hoe ik vervolgens de tweede tot op de markt zou achtervolgen, hem tussen het publiek zou grijpen en vervolgens zijn hersens over het asfalt zou uitsmeren.

Later realiseerde ik me dat ik ze een paar dagen eerder al eens druk pratend vanuit datzelfde raam beneden voorbij had zien komen – de overbekende motoriek – en toen een flard van een zin had opgevangen:

“(…) weet je, dus die Jood die doet zó, dus ik slá die Jood (…).”

Later ook vertelde ik aan Thea hoe ik daarboven had staan kokhalzen van razernij. Ze zei:

Maar goed dan dat ik je toen niet heb verteld wat die twee eigenlijk hadden lopen schelden: smerige hoer.’

De komst van grote aantallen Marokkanen is een zegen voor Nederland geweest. Dat weet iedereen. Wat zegt u? Ja, de huichelarij is schrijnend én hilarisch. Dat Geert Wilders voor zijn minder-minder-uitspraak voor het hekje staat is beyond chotspe.

Het slotwoord van Wilders op de “regiezitting” van 18 maart 2016 vond ik indrukwekkend en omdat de mainstream-media die kwaliteit natuurlijk goed verborgen hebben weten te houden, plaats ik hem hier nog eens. De tekst is overigens ook na te lezen op de site van de PVV.

In dat slotwoord legt Wilders die laffe hypocrisie van dit puur politieke proces op zijn manier bloot. Hij legt uit dat hij niet gezegd heeft dat alle Marokkanen het land uit moeten of dat alle Marokkanen niet deugen, maar dat hij gewoon minder Marokkanen wil zoals hij ook minder moslims in Nederland wil en dat zulks al sinds 2006 in het verkiezingsprogramma van de PVV staat. Moet in de redenatie van deze rechtbank de hele EU-top niet terecht staan omdat ze minder Syriërs in Europa willen? Is minder Marokkanen niet veel netter dan “kut-Marokkanen” (Rob Oudkerk, PvdA) en “je moet Marokkanen vernederen” (Hans Spekman, PvdA) en Marokkanen die een “etnisch monopolie op overlast” hebben (Diederik Samsom, PvdA) en Wilders-is-als-kanker-en-Hitler (Öztürk, ex-PvdA) en Wilders-moet-sterven-aan-een-hartaanval-of-aan-een-kogel-waarop-staat-van-het dankbare Nederlandse-volk (Willem den Hertog, PvdA) en ik-zal-Wilders-een-kogel-door-zijn-kop-schieten-en-open-snijden-en-aan-de-varkens-voeren (Mohammed D66) en “we mollen hem” (Van Riessen, oud-commissaris van politie) en “die fucking joden haat ik nog meer dan de nazi’s” (vrijgesproken Marokkaanse rapper)?

Één puntje van kritiek. Aan het einde van zijn speech zegt Wilders;

“Maar ik haat niemand, ik zaai geen haat ( . . .)’”

Dat lijkt me én gelogen én doorgeslagen christelijk om helemaal niemand te haten en je doodsvijanden lief te hebben. Ik denk dat er slechte mensen zijn en dat je die soms mag haten. En dan die uitdrukking “haat zaaien”: ik vraag me altijd af waar dat zaad vandaan komt. Uit het zwarte hart van de zaaier, neem ik aan. En hoe kwam die haat daar dan in dat hart? Had dat nog een oorzaak? Was die haat misschien zelfs te rechtvaardigen? Wie zei ook alweer “haat is een deugd”?

______________