Wij, Martien Pennings, zullen zeker op 4 mei weer een zo gedenkwaardig mogelijk stukkie publiceren ter gelegenheid van alle plechtige braafheden die we dan weer over ons uitgegoten krijgen. Maar vandaag, 30 april 2017,  is het feest, want Hitler is 72 jaar dood. We schrijven deze tekst ter geestelijke voorbereiding op 4 en 5 mei. Noem het een geperverteerde Advent. We citeren een stukkie uit een boek dat herfst 2017 in Nederlandse vertaling zal uitkomen en toevallig ben ik, samen met een collega, de vertaler. Voor ik begin te citeren eerst even een stukje context. We zijn zojuist in Polen geweest en hebben gezien hoe de grootmoefti van Jeruzalem, al-Hussaini, samenkomsten had met Himmler en andere in Jodenverdelging gespecialiseerde SS-generaals en hoe deze Führer van de islamitische wereld vernietigingskampen bezocht. Daarna verplaatsen we ons naar het Berlijn van 30 april 1945.

Citaat:

“Al deze interacties toonden aan dat beide partijen in de alliantie hun relatie zagen als een echt partnerschap en niet alleen maar als een minimale gelegenheids-samenwerking. Dit werd mogelijk gemaakt door het feit dat de wereldbeschouwing en de ideologie van de nazi’s en hun radicale Arabische en islamitische bondgenoten zo overeen kwamen.

Toch waren hun uiterste inspanningen en wederzijdse hulp niet in staat de overwinning te brengen. Evenwel: terwijl de nazi-ideologie in 1945 instortte en vrijwel verdween uit het Duitse en  Europese leven, bloeiden de radicale Arabisch-nationalistische en islamitische ideologieën daarna op. Hun basisbegrippen veranderden verrassend weinig, ondanks dat tientallen jaren verstreken, vele gebeurtenissen plaats vonden en generaties elkaar afwisselden.

Vaak werd het woord “Jood” vervangen door het woord “Israël”.

Niettemin bleef de diepe leerstellige haat jegens de Joden en het geloof in de noodzaak ze te vernietigen de kern-reden voor de duurzame en onoplosbare aard van het Arabisch-Israëlische conflict. Terwijl deze ideeën en activiteiten sterk bleven in het Midden-Oosten, zou Berlijn niet meer het centrum ervan zijn.

SS-Hauptschar-führer Erich Mansfeld wist op 30 april 1945 niet dat dit zijn laatste werkdag zou zijn. De tweeëndertigjarige Duitse politieman was een bewaker bij Hitlers Berlijnse bunker. De hoofdingang liep via een tunnel vanuit Hitlers kantoren aan de Wilhelmstrasse. Maar er waren ook een nooduitgang en een noodluik achter het gebouw, enkele meters van de Hermann-Göring-Strasse.

Die dag kreeg Mansfeld een taak toegewezen in een kleine betonnen toren naast het noodluik en een andere bewaker kwam om vier uur ’s middags langs om een ​​pistool te lenen. Toen Mansfeld uit het venster van de toren leunde om het pistool te overhandigen, zag hij vier leden van Hitlers lijfwacht de nooddeur uitrennen, een meter of tien verderop. Hij ging er naartoe om te kijken wat er gebeurde.

De persoonlijke adjudant van Hitler kwam naar buiten, gevolgd door twee SS-ers die  het lichaam van de Führer droegen gewikkeld in een tapijt. Direct daar achter aan kwam een ​​ander bewaker die het lichaam vasthield van Hitlers partner, Eva Braun. Slechts vergezeld door Goebbels en Hitlers secretaris, Martin Bormann, verwijderden ze zich een paar stappen van de uitgang.

Een officier beval Mansfeld terug naar zijn post te gaan. Hij gehoorzaamde, maar bleef kijken door de observatie-gleuf. Hij zag mannen benzine over de twee lichamen gieten en ze in brand steken. Maar de Arabische en islamitische bondgenoten van het Derde Rijk waren nog maar net begonnen met de uitvoering van wat de langste oorlog aller tijden zou worden.”

Het blauwe vet in het citaat is van ons. Jaja! Van ons allemaal!

______________

Advertenties