De essentie van het boek — hier te bestellen — in zes punten

Barry Rubin en Wolfgang G. Schwanitz tonen in “Nazi’s, Islamisten en het moderne Midden-Oosten” het volgende aan en leveren daarbij uitzinnige hoeveelheden bewijs:

  • De islam, in de persoon van Amin al-Husseini, de moefti van Jeruzalem, verbond zich vanaf de jaren 1930 met het nazisme en met Hitler, waarbij de moefti waarschijnlijk de beslissende stoot gaf tot de Endlösung, hier opgevat als georganiseerd-planmatige vergassings-genocide.
  • Die verbinding kwam tot stand vanuit de geheel eigen Jodenhaat-traditie van de islam: de moslims waren níét de leerlingen en de nazi’s de leermeesters, maar ze waren gelijkwaardige partners in Jodenhaat die elkaar herkenden als bondgenoten.
  • Die gemengd-nazistisch-islamitische Jodenhaat-traditie bleef na WO II tot op heden in het Midden-Oosten de leidende ideologie van islamitische dictators, een ideologie die tijdens de “Arabische Lente”, die in 2010 begon, alleen maar sterker werd.
  • Die traditie bleef alléén in de islamitische wereld ongerept én succesvol en nergens anders ter wereld.
  • Die traditie heeft ook en vooral de “Palestijnse” maffia’s van Arafat tot Abbas tot Hamas aangedreven.
  • De huidige links-regressieve Israëlhaters staan in diezelfde oude traditie, want reeds in de jaren 1930 gaf de Communistische Internationale de Joodse minderheid in Palestina de rol van “imperialistische agent van de onderdrukking” en voorzag de moordpartijen van de islamitische Arabieren van het etiket “nationale bevrijdingsbeweging”

Amin al-Husseini, de moefti van Jeruzalem, was een kardinale figuur
Het bondgenootschap tussen nazisme en islam kwam tot stand via Amin al-Husseini (plm 1897 – 1974), de moefti van Jeruzalem. De term “moefti” betekent “beslisser”: hij die in geloofskwesties de doorslag geeft. Amin al-Husseini was een kardinale figuur. Letterlijk. Niet alleen was hij een soort islamitische kardinaal, maar als we weten dat het woord kardinaal is afgeleid van het Latijnse “cardo”, tweede naamval “cardinis”, en dat het woord draai-spil betekent, bijvoorbeeld van een antieke deur, dan hebben we precies de functie die deze al-Husseini vervuld heeft. WO II was in het Midden-Oosten een historische draaischijf en in kern daarvan staat de moefti als spil.

Het boek van Rubin en Schwanitz —(verder: R&S) — bewijst vooral opnieuw: de alomtegenwoordigheid van de Jodenhaat in de islam, die uitbundig tot uitdrukking kwam in die persoon van Amin al-Husseini, de bondgenoot van Hitler (1898 – 1945).

Is er een onderscheid tussen islam en islamisme?

Rubin en Schwanitz maken onderscheid tussen islam en islamisme zonder daarover theoretische verantwoording af te leggen. Of ze daadwerkelijk in dat onderscheid geloven is de vraag. Er is veel discussie over deze kwestie. Anne-Marie Delcambre meent dat het islamisme in de islam zit opgesloten als “het kuiken in het ei”. Bernard Lewis zegt: er bestaan gematigde moslims, maar de islam is niet gematigd.

Ik ben het met Delcambre en Lewis eens. Men kan niet stellen dat er een leer bestaat die islam heet en een andere die islamisme heet. Als ik in deze recensie “islamisme” gebruik, dan bedoel ik in elk geval de islam in al zijn consequenties en onder “islamisten” versta ik moslims die de islam consequent toepassen.

Maar in het geval van Rubin en Schwanitz blijft het dus gissen. Misschien maken ze dat onderscheid alleen maar op een praktisch, niet op een “ontologisch” niveau. Een gegeven is nu eenmaal dat er gematigde moslims zijn ondanks en in weerwil van de islam. Maar misschien is het anderzijds voor de auteurs, als Joden en verdedigers van Israël, existentieel noodzakelijk om te geloven in de mogelijkheid van een gematigde islam. Want wat moet de wereld, wat moet vooral Israël, van de toekomst verwachten als er in de praktijk geen gematigde islam kan ontstaan en er nu al anderhalf miljard moslims zijn?

Nazisme en islam: dat kan essentiëler
Er wordt in dit boek nogal wat  gezegd over de overeenkomsten tussen nazisme en islam. Toch wil ik een aantal stukken van mezelf onder de aandacht brengen waarin ik, steunend op “Ibn Warraq”, die overeenkomsten conciezer heb samengevat.  Ik citeer uit “In Memoriam Hans Jansen: Islam is Genocide”:

 “Toen het nazisme zich als Hitlerisme, dus als Europees historisch fenomeen voordeed, was de islam al 1300 jaar puur nazistisch in de Jodenhaat, in de expansieve oorlogszucht (Jihad-principe) compleet met Blut-und-Boden-Prinzip (grond die eenmaal islamitisch is geweest moet altijd islamitisch blijven), in het Führer-Prinzip (Mohammed, een massamoordenaar, sluipmoordenaar, roofmoordenaar, slavenhaler en kinderverkrachter geldt als dé voorbeeldige mens die nagevolgd moet worden), in het racisme tegen vrouwen, in de principiële gewelddadigheid, in de superioriteitswaan (Übermenschen-waan) die net als in het nazisme gepaard gaat met ziekelijke angst in de vorm van xenofobie, conspirisme (verslaving aan complotdenken) en slachtoffergedrag en rancunisme, dus het voortdurend wijzen naar een externe “vijand” als oorzaak van de eigen ellende.”

Vergeefbaar haastwerk, maar enorme bewijskracht
Dit in 2014 uitgegeven boek draagt de sporen van haastwerk. Niet inhoudelijk, maar wel qua compositie. Vermoedelijk heeft de dood van Barry Rubin, die in februari 2014 aan de gevolgen van longkanker stierf, ermee te maken: naar ik verneem heeft hij het boek nog juist vers van de pers in levende handen gehad. Een factor kan ook geweest zijn de drang de eerste te zijn: dit boek is het resultaat van pas opengestelde archieven en dat wil nog wel eens leiden tot de drang eerder met publicatie te zijn dan mogelijke concurrenten. De symptomen van dat haastwerk:

  • de hele compositie van het boek is thematisch-chronologisch sterk voor verbetering vatbaar. De kunst van geschiedschrijving is onder andere het chronologische en thematische zo helder mogelijk te vervlechten, maar dat is in dit boek minder goed gelukt.
  • de veel te uitgebreide opsommingen van biografische gegevens van veel te veel personen en gegevens van organisaties, die beter in voetnoten verwerkt hadden kunnen worden: al die details maken het moeilijk de lijn van het betoog te volgen, een lijn dus die, zoals gezegd, sowieso al helderder had gekund
  • het ontbreken van tussen-kopjes, waarvan de aandachtige lezer inziet dat die inderdaad moeilijk te plaatsen zijn, juist weer vanwege datzelfde ontbreken van een heldere thematisch-chronologische structuur.

Maar hoe dan ook is door de gedetailleerdheid de bewijskracht van dit boek enorm. Mijn advies aan de lezer is om zich niet te veel te storen aan de te lange passages met een teveel aan details en namen, maar alert te zijn op de vele passages die ertoe doen.

Islamitische nederlagenstrategie en de hoop op pragmatisme
R&S spreken in dit boek regelmatig over de “nederlagenstrategie” van de moefti en Arafat. En een mens zou de indruk kunnen krijgen dat die strategie pas ontstond met het “Palestijnse” extremisme, maar het zit veel dieper ingebed in de islam. Althans volgens een essay met de onschuldige titel “Uitpakken” van Marcel Kurpershoek, o.a. gewezen ambassadeur in Pakistan en Afghanistan. Het is opgenomen in een boekje met de exotische titel De Tragopan van Kohistan. Dat essay bevat een vernietigende kritiek op de islam. Over dat extremisme en de hang ook in het gruwelijkste falen een overwinning van de islam te zien, zegt Kurpershoek:

“De ‘twee mooiste dingen’ die de Koran de gelovigen in het vooruitzicht stelt zijn, volgens de gangbare uitleg van het vers, overwinning of martelaarschap. Beide zijn even mooi. De islam die zich buiten de muren van de moskee vertoont zit vol van dit soort ongerijmdheden. Er is geen ontkomen aan. Zelfs Saddam Hoesssein, die de politieke islam met harde hand onderdrukte, maakte gebruik van de belevingswereld, gepropagageerd door de politieke islam. Zijn nederlagen waren altijd overwinnigen. Zo wordt een nederlagenstrategie de zekerste weg naar de overwinning. Een buitenlandse politiek die ontaardt in massale verliezen van mensenlevens, boycots, reisbeperkingen, kolossale economische verliezen, is een succes mits gemotiveerd door het geloof. Een staat die zijn burgers armoede en rampspoed brengt in naam van de islam, kan zich beroemen op de islam. De nederlaag is verzekerd. En dus het martelaarschap. En dus de overwinning. Eigenlijk kan er niets fout gaan. Zolang je je houdt aan deze uitleg van de islam. Armoede is rijkdom, achterlijkheid is wetenschap, de nederlaag is de overwinnng, discriminatie is rechtvaardigheid, wreedheid is erbarmen, waanzin is verstand. De buitenwereld kijkt ernaar met ongeloof en verbijstering. De politieke islam verwacht niet anders, want ongeloof is het kenmerk van de buitenwereld.” (Tragopan, pp. 114-15)

Misschien vergis ik me. Het is slechts speculatie. Maar zou dit voortdurende herhalen door R&S van die gemiste mogelijkheid tot pragmatisme een verlangen verbergen dat er ooit een gematigde richting in de islam aan de macht kan komen waarmee Israël vrede kan sluiten? Dat zou dan in lijn zijn met hun uitgangspunt, waarin ze al dan niet oprecht geloven, namelijk dat er een te onderscheiden radicaal “islamisme” apart van “de islam” bestaat.

Gaf de moefti de laatste stoot tot de Endlösung?
Er is een vracht plichtmatige recensies van dit boek verschenen in de academische wereld, waarvan er evenwel bij mijn weten geen enkele de inhoudelijke degelijkheid van dit boek in twijfel trekt. Ik wil graag wijzen op een recensie van Johannes Houwink Ten Cate die verscheen op de website van Jerusalem Center for Public Affairs (book reviews Fall 2013). Houwink Ten Cate is verbonden aan de Universiteit van Amsterdam met als specialisme “Holocaust en Genocide Studies”. Hij meent:

“Hadden de nazi’s gewonnen in het Midden-Oosten, dan is het plausibel dat ze in het plannen van de meest universele van alle genocides ( . . .) de Joden aldaar eveneens zouden hebben vermoord ( . . .). Het is echter niet waarschijnlijk dat Hitler en zijn beulen de steun van de moefti nodig hadden bij het maken van hun genocidale beslissing om de Joden te vermoorden. In hun bespreking van de rol van Haj Amin in het proces van besluitvorming van uitvoering van de Holocaust, schaatsen Rubin en Schwanitz op dun ijs. Ook zij herhalen de veelgemaakte fout het belang van de Wannsee-conferentie (20 januari 1942) te overschatten. In feite waren er 1.100.000 Joden omgekomen vóór die vergadering. Bovendien schijnen ze veel van het recente academische werk inzake dit proces van besluitvorming te hebben genegeerd, in het bijzonder het werk van Christopher R. Browning.”

Inderdaad, de nazi’s hadden materieel noch ideologisch hulp nodig bij de genocide op de Joden in hun “eigen” gebieden, maar wel in het Midden-Oosten en het is niet “plausibel” maar volstrekt zeker dat wanneer de alliantie tussen de moefti en de Führer in het Midden-Oosten succesvol was geweest, ook de laatste Jood daar vermoord zou zijn. Maar dat is het punt helemaal niet. De vraag waarom het gaat is naar de invloed van de moefti bij de totstandkoming van het besluit tot georganiseerd-planmatige genocide.

Het besluit dat vergassing de methode zou zijn, is blijkbaar ook na het gesprek met de moefti genomen, maar raakt niet aan deze kernvraag. De voornaamste redenen om voor vergassing te kiezen waren: massaal doodschieten bleek geestelijk te belastend voor soldaten en vergassen in kampen was gemakkelijker relatief geheim te houden. Het gaat om het blote feit dat Hitler het besluit tot het bijeenroepen van de Wannsee-conferentie nam slechts enkele uren na het gesprek met de moefti op 28 november 1941.

Vervolgens wil Houwink ten Cate dit betekenisvolle feit van zijn gewicht beroven door te wijzen op een nieuwe “wetenschappelijke” consensus die schijnt te tenderen naar de opvatting dat de Wannsee-conferentie eigenlijk alleen maar diende tot stroomlijning van een genocide-besluit dat allang in de praktijk was genomen. Maar dat is niet zo, er was alleen een anarchistisch en experimenteel massamoorden dat onder het “polykratische” (term van Browning) nazi-bewind mogelijk bleek.

Inderdaad is het zo dat al in juli 1941 Heydrich van Hitler opdracht had gekregen een “Endlösung der Judenfrage” te bedenken en dat de volgende zes maanden Duitse, Oostenrijkse, Tsjechische en Russische Joden massaal werden opgepakt en in het “Ostland” werden vermoord, dat zodoende meer dan 1.100.000 Joden al vermoord waren alvorens de Wannsee-conferentie plaats vond. Maar dat is niet een bewijs dat het besluit tot de georganiseerd-planmatige genocide óók al eerder was genomen en dat dús die conferentie niet zo belangrijk was. En hetzelfde geldt voor het experimentele vergassen met Zyklon B in Auschwitz vanaf september 1941 én voor de proeven in Chelmno met experimentele vergassingen via koolmonoxide in gesloten “vrachtwagens” vanaf december 1941.

De proefvergassingen in Sachsenhausen echter, die moesten leiden tot de georganiseerd-planmatige vergassings-genocide, begonnen pas in mei 1942, een keurige zes maanden na dat cruciale gesprek tussen de moefti en Hitler en een keurige vijf maanden na de Wannsee-conferentie.

R&S wijzen er bovendien op dat Hitler uit angst voor de reacties in het buitenland tot aan het besluit de Wannsee-conferentie bijeen te roepen heeft getwijfeld om genocide op de Joden tot officiële politiek van het Derde Rijk te maken, zelfs als dat onder zo groot mogelijke geheimhouding gebeurde.

Dus hoezo “dun ijs”? Maar zelfs als het afsluiten van de weg naar Palestina door de moefti niet doorslaggevend is geweest: van primair belang blijft de in dit boek aangetoonde verwantschap tussen islam en nazisme, zodat we de ontwikkelingen in het Midden-Oosten vanaf 1945 tot op heden voluit gaan begrijpen. Dat we bijvoorbeeld helemaal gaan snappen waarom Rudi Rotthier in Trouw van 2 maart 2004, sprekend over zijn boek “De Koranroute”, het volgende kon zeggen:

“Het gigantische vermogen om de schuld niet bij zichzelf te zoeken, het gebrek aan zelfkritiek. ( . . .) Wat ik niet voor mogelijk hield is gebeurd: zeven maanden in moslimgebied hebben mijn sympathie voor Israël hersteld. ( . . .) Ik heb zeker geen dag rondgelopen zonder te horen dat Hitler gelijk had, dat Israël moet verdwijnen, dat joden verantwoordelijk waren voor 11 september. Ik begrijp nu beter hoe de Israëliërs zich bedreigd voelen in die haatdragende mensenzee.”

En dan nu een bespreking van de inhoud van het boek, hoofdstuk voor hoofdstuk.

Hoofdstuk 1 “Van station Z naar Jeruzalem”
De term “Station Z” in de titel van dit hoofdstuk verwijst naar de nazi-code voor het proefkamp Sachsenhausen waar vanaf mei 1942 de nieuwe techniek van het vergassen van Joden werd uitgeprobeerd. Massa-executies met mitrailleurs voldeden niet meer voor de schaal waarop de nazi’s de Joden wensten te vermoorden. “Z” stond als laatste letter van het alfabet voor het voornemen van de nazi’s de Joden endgültig uit te roeien. Een “Station Z” zou, als het Erwin Rommel zou lukken Palestina te veroveren, ook in Jeruzalem gerealiseerd moeten worden. Mobiele vergassingsinstallaties waren ontwikkeld en hebben ook daadwerkelijk in de haven van Athene klaar gestaan voor verscheping. Dus: “Station Z” naar Jeruzalem = Sachsenhausen naar Jeruzalem = de Endlösung naar Jeruzalem.

Die voorgenomen Endlösung-naar-óók-Jeruzalem had alles te maken met het gesprek dat Hitler op 28 november1941 had gehad met Amin al-Husseini, de grootmoefti van Jeruzalem. In dit hoofdstuk wordt duidelijk gemaakt dat uit de snelle opeenvolging van gebeurtenissen na dat onderhoud geconcludeerd moet worden dat dit gesprek rechtstreeks geleid heeft tot het definitieve besluit tot de Endlösung. Al-Husseini was ook een van de eersten die op de hoogte werd gebracht van het besluit, eerder dan vele hooggeplaatste nazi’s. (End-lösung, eind-oplossing, heeft overigens het accent ook in het Duits op de eerste lettergreep. Daarover bestaat veel verwarring ook bij niet-ongeleerde mensen)

Hitler zag in al-Husseini de sleutelfiguur in de Arabische wereld die de moslims van het Midden-Oosten aan de zijde van de nazi’s kon brengen. De Jodenhaat van al-Husseini was zo mogelijk nog groter dan die van Hitler. In ruil voor zijn hulp bij het mobiliseren van de Arabische massa’s ten dienste van de nazi’s, vroeg al-Husseini een tegenprestatie van Hitler, namelijk dat Hitler zou stoppen met Joden uit Duitsland verdrijven, omdat die Joden vervolgens in grote aantallen naar Palestina trokken. Daaraan wenste al-Husseini een einde te maken. Zeer waarschijnlijk heeft deze eis van al-Husseini de doorslag gegeven bij het besluit van Hitler geen verdrijving van Joden meer toe te passen, maar alleen nog genocide en wel op een zo efficiënt mogelijke manier.

Rubin en Schwanitz schrijven:

“Overwegingen van islamitische en Arabische allianties waren natuurlijk volstrekt niet de enige factor bij een beslissing die voortkwam uit Hitlers eigen antisemitische obsessie. Maar tot dat moment had de Duitse dictator de mogelijkheid open gehouden dat verdrijving misschien een alternatief was voor uitroeiing.”

Dit hoofdstuk bevat ook beschrijvingen van het pompeuze eerbetoon waarmee de moefti werd ontvangen in Berlijn, namelijk alsof het een staatsman was en van de enorme bedragen en de vele luxe behuizingen die hij en zijn uitgebreide staf in nazi-Duitsland kregen.Verder wordt ingegaan op de overeenkomsten in de levens van de moefti (geboren plm. 1897) en Hitler (geboren1889) en op de overeenkomsten die veel Arabieren zagen tussen Duitsland en de Arabische wereld.

Die belangstelling voor de nazi’s van de moefti, en van de Arabische wereld als geheel, was niet van vandaag of gisteren:

“Toen Hitler in 1933 kanselier werd van Duitsland, bezocht de grootmoefti het Duitse consulaat in Jeruzalem om samenwerking aan te bieden. Datzelfde jaar werd Hitlers autobiografie Mein Kampf in Arabische kranten in afleveringen gepubliceerd en werd als boek een bestseller.”

Hoofdstuk 2  “Een christelijk-imperiale strategie van islamitische revolutie”
Dit hoofdstuk beschrijft hoe vanaf 1888, toen keizer Wilhelm II aantrad, de grondslag voor het samengaan van nazi-Duitsland met de islam werd gelegd. Dat samengaan werd, zoals gezegd, gepersonifieerd in Adolf Hitler en Amin al-Husseini. Van beiden schetsen de auteurs hier een biografietje. De bekende feiten rond Hitler paseren de revue, maar Rubin en Schwanitz maken nogal een dingetje van Hitlers “romantische fascinatie voor het Midden-Oosten en voor de islam” waarbij de boeken van Karl May een grote rol speelden. Uit de biografische schets van de moefti leren we vooral dat al-Husseini en Hitler beiden oude antisemitische concepten uit respectievelijk de islamitische en christelijke traditie erfden.

Vanaf het aantreden van Wilhelm II in 1888 werd dus door de Duitsers geprobeerd het islamitisch jihadisme in de kolonieën van Engeland en Frankrijk te bevorderen teneinde het koloniale monopolie van deze twee Europese machten te doorbreken.

R&S leggen het niet expliciet uit, maar de lezer moet blijkbaar begrijpen dat het woord “imperiaal” in de titel gekozen is om aan te geven dat het hier ging om een “keizerlijke” strategie die door Wilhelm en zijn hof-ideoloog Max von Oppenheim gepropageerd werd als niet-imperialististisch en juist bedoeld als bevrijding van de kolonialistisch-imperialistische machten Engeland en Frankrijk. De Duitsers speelden de rol van de grote bevrijders van de moslims. Het woord “christelijk” in de dubbelterm “christelijk-imperiaal”, slaat blijkbaar op het feit dat Wilhelm en Von Oppenheim bewust ervoor kozen om als christelijke natie moslims tegen andere christelijke naties op te hitsen met mogelijk genocidale gevolgen.

R&S beschrijven de politiek-geografische situatie van Duitsland in de 19e eeuw, die in de geschiedschrijving door twee termen wordt getypeerd: “verspätete Nation” en “Einkreisung”. Duitsland was pas in 1871 een eenheid geworden en had de slag om de kolonieën gemist. Otto von Bismarck had gewaarschuwd dat Duitsland niet moest proberen alsnog een mondiale macht te worden en kolonieën te verwerven omdat dan Engeland, Frankrijk en Rusland zich zouden verenigen tegen Duitsland dat daarmee omcirkeld en ingesloten zou worden. Maar keizer Wilhelm II zette Bismack aan de kant en begon dus die politiek van ophitsing van de moslims in de Engelse en Franse kolonieën tegen hun koloniale meesters. De Duitse strategie was zichzelf te portretteren als de “goede christenen”, de kampioenen van de onderdrukte moslims en vervolgens jihad te bevorderen tegen Frankrijk en Engeland.

De auteurs gaan in detail in op de invloed van Max von Oppenheim (1860- 1946), een Midden-Oosten-deskundige die de theorie achter deze strategie verzorgde. Wilhelm probeerde vooral invloed te krijgen in het Ottomaanse Rijk waarvan de kalief nominaal alle moslims leidde. De keizer meende dat de kalief jihad kon verklaren voor elke moslim in de wereld en een, wat de keizer noemde, ‘furor islamiticus’ kon ontketenen, een islamitische woede tegen de Britse ongelovigen. Maar niet tegen de Duitse, want dat waren immers vrienden. Men sprak van “het imperialisme van de vrije handel” of van “ethisch imperialisme”. Die Duitse politiek was in lijn met de belangen van de Ottomaanse kalief zelf, want die steunde het pan-islamisme om verbrokkeling van het rijk door allerlei nationalismen tegen te gaan.

De auteurs oordelen samenvattend over de door Von Oppenheim geïnspireerde politiek van Wilhelm:

“Er zaten kiemen van waarheid in Von Oppenheims analyse, maar ook nog veel fouten zoals de geschiedenis later aantoonde. Tegenover het sterke gevoel van solidariteit tussen moslims stonden diepe verdeeldheid op basis van religieuze opvattingen, etniciteit, regio, verschillen van mening en eigenbelang.”

Hoofdstuk 3 “Een Jihad Made in Germany”
Die titel van dit hoofstuk is een term gemunt door de Nederlandse islamoloog C. Snouck Hurgronje (1857 – 1936). Hij gebruikte hem naar aanleiding van wat zijn collega-deskundigen in de aanloop naar WO I in Berlijn aan het brouwen waren. Hurgronje wees er op dat, terwijl de kalief formeel gerechtigd was een jihad uit te roepen en in de islam de jihad inderdaad de plicht van elke moslim was, dit toch niet overeenkwam met wat de geschiedenis van de islam liet zien.

Max von Oppenheim had de leiding van de hele jihad-operatie in de moslimwereld. De schrijvers laten in dit hoofdstuk 30 pagina’s lang een lawine los aan feiten en gebeurtenissen waarin het gaat om Von Oppenheims netwerken, propaganda-centra, sabotage-operaties en jihad-ophits-operaties van Algerije tot Afghanistan met de namen van veelsoortige medewerkers voorzien van korte biografietjes dan wel typeringen. Tussendoor geven ze herhaaldelijk hun oordeel als historici over brokken en brokjes van deze lawine.

De schrijvers komen telkens terug op het haatzaaiende en terroristisch karakter van de Duitse oorlogvoering: namelijk niet alleen gericht tegen Britse, Franse en Russische militairen, maar ook tegen christelijke, Joodse én islamitische burgers die pro-geallieerden waren. Dat terrorisme kwam vooral tot uiting in de genocide op de Armeniërs door het Ottomaanse triumviraat onder leiding van Enver Pasha. Berlijn wist perfect wat er aan het gebeuren was en deed niks. “Op die manier was de Duitse strategie nauw betrokken bij de Ottomaanse massamoord op de Armeniërs.”

De schrijvers laten zien dat bijna alle operaties van de Duitsers mislukten. Het enige dat naar verwachting verliep was dat de sultan in elk geval zoveel islamitische legitimiteit bleek te hebben dat bijna het gehele Ottomaanse leger — met inbegrip van de Arabische officieren — gedurende de hele oorlog loyaal aan hem bleef. Maar die legitimiteit bleek niet voldoende om te zorgen dat moslims zich elders in de wereld bij Duitslands jihad aansloten.

Rubin en Schwanitz leggen de nadruk op het Duitse romantische wensdenken dat ten grondslag lag aan de “jihad made in Germany”:

“( . . .) Duitse beleidsmakers geloofden dat er machtige krachten in werking konden worden gesteld door charismatische mensen in het bezit van semi-mystieke legitimiteit. In beide oorlogen verwachtten de Duitsers ten onrechte dat moslims als een blok zouden reageren in plaats van verdeeld naar lokale, dynastieke, etnische en andere loyaliteiten. Tegelijkertijd veronderstelden de Duitsers dat zij zelf woest fanatieke krachten konden beheersen.”

De verkeerde inschatting van de verhouding tussen islamitische theorie en praktijk resulteerde, zo menen de schrijvers, tenslotte in een beslissende militaire nederlaag. Daar tegenover stellen de schrijvers de praktische aanpak van de Engelsen die keken naar belangen van Midden-Oosterse machthebbers en hoe ze daar gebruik van konden maken.

De Joden In Palestina worden ook behandeld. Dit is een uitermate complex verhaal, waarin de rode lijn is: iedereen wil de Amerikanen te vriend houden: de Geallieerden om ze in de oorlog te betrekken en de Centralen om ze eruit te houden. Engeland, zeggen R&S, wilde de steun van de Joden in Palestina én hield rekening met de Joodse invloed in Amerika, zodat de Balfour-declaratie niet helemáál alleen uit Jood-lievendheid voortkwam. Dezelfde overweging — Amerika te vriend houden — zorgde dat Duitsland de Turken weerhield een slachting van Armeense allure onder de Joden in Palestina aan te richten. (In Turkije was een triumviraat van “Jonge Turken” aan de macht dat in kalief Mehmet V een willige marionet had.)

Het uitluidende thema in dit hoofdstuk 3 is het overleven van een “jihad-structuur” in Duitsland in het Interbellum. Dat is blijkbaar in voorbereiding op hoofdstuk 4 dat daarover helemaal gaat.

“Tegelijk legde de oorlog echter ook de basis voor het Midden-Oosten-beleid van de nazi’s. Dezelfde Duitse strategie en veel van dezelfde individuen zouden weer betrokken zijn bij de Tweede Wereldoorlog. Hitler zou later zeggen dat alle leiders in zijn kring afkomstig waren uit de generatie soldaten van de Eerste Wereldoorlog en dat veel van die mannen in het Midden-Oosten hadden gediend.”

De auteurs wijzen erop dat de Turken al onder Wilhelm werden geprezen als een “heersersvolk”. Zoals een Duits krantenartikel het al in 1898 (!) uitdrukte:

“De zieke man [van Europa, een term die werd gebruikt voor het in verval verkerende Ottomaanse Rijk] zal worden genezen, zo grondig dat, als hij wakker wordt uit zijn genezende slaap, hij moeilijk herkenbaar zal zijn. Men zou denken dat hij blond haar heeft, blauwe ogen en er behoorlijk Germaans uitziet.In onze liefdevolle omhelzing hebben we zoveel Duitse essentie in hem geïnjecteerd dat hij moeilijk te onderscheiden zal zijn van een Duitser.”

Hoofdstuk 4  “Een islamisme schuilend in Berlijn”
Dit hoofdstuk gaat vooral over de activistische moslim-veteranen uit de ‘Wilhelminische jihad-periode’ van 1888 – 1918 die tijdens het Interbellum (1918 – 1939) vanuit het Midden- en Verre-Oosten naar Berlijn vluchtten en zich daar opnieuw organiseerden en verbonden met islamofiele Duitse veteranen uit de netwerken van Von Oppenheim. Maar het gaat óók over de “ontwikkeling” die Adolf Hitler en Amin al-Husseini in die tijd doormaakten.

De schrijvers schilderen Duitsland in het Interbellum: de vernietiging, verarming, machteloosheid, vernedering en het psychische trauma van het Duitsland van vlak na 1918. In rechtse kringen werd de schuld van de nederlaag aan de Joden gegeven. De naoorlogse Duitse democratische staat werd de “Joodse Republiek van Weimar” genoemd op basis van een Joods-linkse dolksteek-in-de-rug-theorie.

Wat de Duitsers in het Midden-Oosten aan organisatie hadden opgebouwd waren ze kwijt. In de jaren 1920 controleerden de Britten en Fransen het Midden-Oosten via hun Mandaats-regeringen.

Een aantal van Von Oppenheims voormalige agenten, zowel de Duitse als de Midden-Oosterlingen, gingen tijdens het tijdperk van de Weimarrepubliek door met hun eerdere inspanningen. Daarin speelt de Sovjet-Unie een hoofdrol. Daarheen verhuisde namelijk het centrum van jihadistische agitatie tijdelijk totdat de nazi’s aan de macht kwamen in Duitsland.

Berlijn had veel politieke contacten met het Midden-Oosten en herbergde vanaf 1920 veel islamitische ballingen en studenten die haat koesterden tegen Engeland en Frankrijk. Islamistische kranten werden gepubliceerd in Berlijn en gesmokkeld naar het Midden- en Verre-Oosten. Islamitisch-nationalistische clubs in Berlijn hielpen mee in hun thuisland geheime organisaties op te bouwen. De beschrijvingen van deze netwerken in dit hoofdstuk zijn zeer lang en zeer gedetailleerd. Amin al-Husseini speelde er een centrale rol in.

Toen de nazi’s aan de macht kwamen en hun Midden-Oosten beleid begonnen te formuleren, vonden ze een betrouwbaar stel netwerken en activisten “op hun stoep”. Berlijn werd in het Interbellum het centrum van islamistische clubs die plannen hadden voor zowel het Midden-Oosten als Azië.

R&S beschrijven in detail hoe de islamisten greep kregen op de hele moslimgemeenschap in Duitsland. En hoe al-Husseini ook een Algemeen Europees Islamitisch Congres oprichtte. Dat werd weer een tak van al-Husseini’s Algemeen Islamitisch Congres dat in 1931 in Jeruzalem werd opgericht tijdens een bijeenkomst van 132 afgevaardigden uit tweeëntwintig landen. De bedoeling was steun te mobiliseren voor de Palestijnse Arabieren tegen de zionisten, maar maakte ook deel uit van al-Husseini’s grotere plan om de wereldleider te worden van de moslims.

Rubin en Schwanitz peroreren:

“Dus voordat de Tweede Wereldoorlog begon en zelfs lang voordat Hitler aan de macht kwam, hadden al-Husseini en zijn bondgenoten de controle gekregen over moslimgemeenschappen in Europa, met Duitsland en Zwitserland als hun hoofdkwartier.”

Dit vierde hoofdstuk bevat stukken biografie van Hitler en van al-Husseini in het Interbellum. Vooral de avonturen van Al-Husseini in het Interbellum zijn interessant. Het was, zeggen de auteurs, na 1918 in het Midden-Oosten een “troebele situatie van conflicterende loyaliteiten en belangen”. In die sfeer maakte al-Husseini carrière en het was inderdaad een troebele carrière. In dit hoofdstuk wordt het raadsel opgelost (!) waarom de Engelsen een islamistische stokebrand en aanzetter tot moorddadige rellen in Palestina de sleutelpositie van moefti van Jeruzalem gaven. Al-Husseini bouwde vervolgens die positie zodanig uit dat er niemand meer was die met hem kon concurreren.

“Zo hadden de Britten de man omhoog gewerkt die hun ergste vijand in het Midden-Oosten zou worden. Maar deze vergissing werd pas in de late jaren 1920 ten volle duidelijk.”

In dit hoofdstuk wordt ook de ontwikkeling in Turkije in het Interbellum geschetst. Het optreden van Ataturk, die van Turkije een seculiere staat maakte, komt aan de orde. Nu was er zelfs geen kalief meer die althans de schijn kon ophouden van eenheid in de islamitische wereld. Het vacuüm, zo stellen de auteurs vast, werd opgevuld door de in 1928 opgerichte Moslimbroederschap, die in de jaren 1930 nauwe betrekkingen zou ontwikkelen met Duitsland.

“Zo bleef het islamisme levend gedurende de jaren 1920 en klaar voor gebruik voor Nazi-Duitsland in de jaren 1930.”

Hoofdstuk 5  “Al-Husseini’s opstand”
In hoofdstuk 5 wordt de “Arabische Opstand” van 1936 tot 1939 in Palestina behandeld. Dat zijn de jaren waarin al-Husseini Palestina in een oorlogs-hel verandert en zijn eerste contacten beginnen met Hitler, Himmler en Eichmann.

In dit hoofdstuk wordt eveneens nog maar eens benadrukt dat al-Husseini geen knechtje van Hitler was. Vanuit twee aparte maar ieder voor zich volwaardige Jodenhaat-tradities hadden ze een gelijk aandeel in de wil tot de Holocaust. In de uitvoering was al-Husseini nog fanatieker dan de nazi’s en als hij de kans had gehad zou hij een geheel eigen genocide op de Joden hebben gepleegd in het Midden-Oosten. De auteurs wijden heel wat woorden aan dit punt, maar het bovenstaande is de essentie.

De auteurs leggen uit waarom de historische betekenis van Amin al-Husseini in het westen onderschat wordt. Hij werd steeds herinnerd als slechts een Palestijns-Arabische leider. Maar eigenlijk was hij tijdens de jaren 1930 en 1940 de belangrijkste leider van de internationale radicale Arabische krachten, zowel de pure “oemma-islamistische” [mijn term] als de islamistisch-nationalistische. Zelfs nadat hij als Palestijns-Arabische leider was opzij gezet door Arafat en gemarginaliseerd door de Arabisch-nationalistische dictators — Saddam, Assad, Nasser, Sadat, Khadaffi — speelde al-Husseini een centrale rol in het ondergronds voortbestaan van de islamistische beweging tijdens de jaren 1950 en 1960. Dat maakte in de jaren 1970 de herleving van het islamisme mogelijk en de verovering van de hegemonie in Iran en Turkije. De “Arabische Lente” is mede mogelijk gemaakt door al-Husseini.

In de jaren 1930 “leek al-Husseini overal tegelijk te zijn en ontmoetingen te hebben met iedereen”. Zijn basis was Jeruzalem, maar hij had ontmoetingen en contacten overal ter wereld, in het Midden-Oosten, in Azië, in Europa en vooral in Berlijn. Vele pagina’s wijden Rubin en Schwanitz opnieuw aan zijn wroetende georganiseer. Zijn kracht, zo menen zij, was dat hij tegelijk de pure oemma-islamistische plus de nationalistische kaart speelde en . . . . . . . . . radicalisme maakte tot test voor legitimiteit. Dat laatste wil zeggen: al wie gematigder was dan het meest extreme werd afgeschilderd als een lakei van het imperialisme, een verrader van de islam en het Arabische volk. In het Palestina van de jaren 1930 behoorde het vermoorden van tegenstanders die niet meegingen in zijn extreme Jodenhaat, en het tegelijk opleggen van een strenge vorm van sharia ook tot al-Husseini’s repertoire.

Al-Husseini wist van de Palestijnse kwestie een persoonlijke troefkaart te maken. Toen hij, via terreur en moefti-schap, eenmaal alle touwtjes in handen had in Palestina, dwong hij machtige Palestijnse clans en hele landen te buigen voor zijn eisen. Hij was in staat alle Arabische leiders te dwingen mee te gaan in zijn extremistische eisen richting mandaatmacht Engeland. Tegelijk paaide al-Husseini Mussolini, die hem vanaf 1935 financierde. In 1936 benaderde hij Grobba, de nazi-Duitse ambassadeur in Irak, om wapens en geld te vragen. De Duitsers gingen in op de hofmakerij van al-Husseini.

De haat-en-terreur-politiek van al-Husseini leidde tot de zogenaamde “Arabische Opstand” (1936 -1939) in Palestina, waarmee hij de Engelsen op hun knieën wilde dwingen. Dat was niet zo vreemd gedacht, want de Britten zagen het gevaar van nazi-Duitsland op zich af komen en wilden de Arabieren te vriend houden in het strategisch uiterst belangrijke Midden-Oosten.

In het tweede jaar van die “Arabische Opstand”, in 1937, stuurde Hitler de nog onbekende Duitse ambtenaar en Joden-expert Adolf Eichmann naar Palestina om al-Husseini te ontmoeten. Eichmann rapporteerde dat er genoeg ideologische raakpunten waren, met name in de Arabische haat jegens de Joden.

Inderdaad:

“Al-Husseini was glashelder over wat er met de Joden gedaan moest worden en pleitte openlijk voor genocide, zelfs voordat de nazi-regering dat deed. Zijn ‘Oproep aan Alle Moslims van de Wereld’ van 1937 spoorde hen aan hun landen van de Joden te zuiveren en werd in 1938 in het Duits vertaald. Door aan te dringen op het gebruik van geweld tegen alle Joden in het Midden-Oosten, gaf al-Husseini zijn parallelle versie van Hitlers doctrine en legde de basis voor de antisemitische argumenten die tot op de dag van vandaag gebruikt worden door radicale Arabische nationalisten en islamisten. In elke speech en preek van Hamas, Hezbollah, het regime van Iran, de Moslimbroederschap en al-Qaida weerklonken een halve eeuw later alle hoofdpunten van de grootmoefti in zijn verklaring.”

In datzelfde jaar 1937 (juli) gaven de Britten een arrestatie-bevel uit voor Al-Husseini . Hij verborg zich en vluchtte in oktober 1937 naar Beiroet. De Fransen deden niets om hem te vangen want ze wilden hun Britse rivalen dwars zitten en bovendien had Husseini eerder spionage-diensten bewezen aan de Fransen. (In 1945 zouden de Fransen hem opnieuw behoeden voor arrestatie door de Amerikanen.) Vanwege het strategisch belang van het Midden-Oosten, wilden de Engelsen dus ten koste van heel veel concessies in Palestina de Arabieren te vriend houden.

Naarmate al-Husseini zijn opstand zag mislukken, werd hij alleen maar compromislozer en begon hij harder te proberen Duitse hulp te krijgen. Hij had reden die te verwachten, want toen Hitler het Sudetenland annexeerde, vlak na de Chamberlain-Hitler-overeenkomst van München (september 1938), zei Hitler in een speech:

“Neem de Arabische Palestijnen als uw ideaal. Met ongewone moed vechten ze zowel tegen Engelands Britse imperium als tegen het wereld-Jodendom. Zij hebben geen beschermer of helper. Ik geef u de middelen en wapens en heel Duitsland staat achter u.”

De auteurs behandelen uitgebreid de conferentie van Londen over Palestina, die door Engeland werd georganiseerd en plaatsvond van 7 februari tot 17 maart 1939. dat was dus slechts een maand of acht voordat Hitler in september 1939 Polen zou binnen vallen. Tijdens de Londen-conferentie hadden de Engelsen alle reden de Arabieren blij te maken en de Joden in de steek te laten, om, zoals R&S schrijven “Palestina over te dragen aan Arabische heerschappij en de Joden daar over te laten aan een ellendige lotsbestemming”.

“De beperkingen op de immigratie zouden honderdduizenden Joden hun leven kosten.”

Het verhaal dat de auteurs vertellen over de conferentie van Londen is lang en gedetailleerd, maar het komt er op neer dat de “gematigde” Arabische delegaties hadden afgesproken dat al-Husseini het laatste woord zou hebben inzake een compromis en dat betekende dus in de praktijk dat hij élk compromis onmogelijk maakte.

De auteurs leggen uit dat het uiterste aanbod van de Britten, dat neergelegd werd in het zogenaamde “Witboek van 1939”, de Arabieren binnen een paar jaar de macht in Palestina zou hebben gegeven, maar ook dat was voor al-Husseini niet genoeg. Terwijl het aanbod in feite betekende dat Israël nooit had kunnen overleven. Tot in mei 1939 probeerden de Britten op allerlei manieren de Arabieren tot een compromis te bewegen, maar al-Husseini bleef onwrikbaar.Steeds opnieuw geven de auteurs als hun mening dat dit radicaal anti-pragmatische patroon, neergezet door de moefti, in de geschiedenis bleef doorwerken:

“Door deze oriëntatie werd onvermijdelijk gemaakt: de Arabische verwerping in 1947 van verdeling en een Palestijns-Arabische Staat; de oprichting van Israël in 1948; vijf oorlogen; de vertraging van de Israëlisch-Palestijnse onderhandelingen met vijfenveertig jaar tot Oslo-1993; en de afwezigheid van een Palestijnse staat tot ruim in de eenentwintigste eeuw, generaties na de afwijzing van de overeenkomst van 1939.”

En:

“Het verhaal van al-Husseini en de Londense conferentie van 1939 zou worden nagespeeld door Arafat in het Camp David-overleg in 2000, toen Arafat het krijgen van een Palestijnse staat door middel van onderhandelingen verwierp, omdat hij de voorkeur gaf aan de illusoire hoop alles te verkrijgen door middel van geweld.”

Ondanks de weigering van de Arabieren het goed te keuren, namen de Britten het“Witboek van 1939” tot uitgangspunt bij hun verdere handelen in Palestina. En ze zouden tenslotte in 1939 de “Arabische Opstand” met geweld neerslaan. Want wat zouden de Engelsen winnen als ze toegaven aan alle eisen van al-Husseini? Ze zouden de Joodse steun verliezen en al-Husseini zou tóch Hitler-Duitsland als bondgenoot nemen.

R&S maken er een punt van voortdurend te herinneren aan het feit dat dit radicalisme nog steeds de islamitische wereld van succes afhoudt.

“Deze basale aanpak van al-Husseini en zijn kameraden werd voortgezet via de carrières van leiders als Abdel Nasser, Arafat, de familie al-Asad, Khadaffi, Saddam Hussein en Bin Laden, evenals de Iraanse islamisten zoals Khomeini en MahmudAhmadinejad.( . . .) Deze benadering legde het patroon vast van wat men zou kunnen noemen de contra-pragmatische neiging van de Arabische en islamistische politiek die bleef overheersen tot in de eenentwintigste eeuw. Beleid dat herhaaldelijk nederlagen produceerde werd geprezen omdat het paste in het sjabloon van de radicale ideologie als juist, nobel en bestemd om te slagen. Degenen die tot pragmatisme, voorzichtigheid en compromissen aanspoorden werden tot paria’s gemaakt of zelfs vermoord, zoals gebeurde met an-Nashashibi, Abdallah, as-Sulh en Anwar Sadat.”

Hoofdstuk 6 “De alliantie van nazi’s en Arabieren/islamisten bereidt zich voor op de strijd”
Dit hoofdstuk kan de lezer zien als een vervolg op hoofdstuk 4 “Een islamisme schuilend in Berlijn”, waarin het wroeten in Interbellum-Berlijn van allerlei islamitische clubs werd getekend. Maar nu gaat het over wat dat wroeten aan organisatie opleverde en hoe die organisatie werd ingezet in de buitenlandse politiek van nazi-Duitsland:

“Opnieuw bereidde Duitsland zich voor om zijn Britse rivalen in het Midden-Oosten te bestrijden, onder leiding van een formidabel team van deskundigen samengesteld uit de soldaten die daar tijdens de Eerste Wereldoorlog hadden gediend, dus de veteranen van Von Oppenheim plus carrièrediplomaten en academische experts. Het naziregime had nieuwe tactieken waardoor deze tweede poging meer kans van slagen scheen te hebben. In een project onder leiding van de jonge Wilhelm Bohle, die SS-generaal werd, waren er afdelingen van de nazipartij opgericht onder in het Midden-Oosten en elders in de wereld levende Duitsers. In 1938 had deze Auslands-Organisation 580 afdelingen in tweeëntachtig landen afdelingen die zich bezighielden met spionage, propaganda en geheime operaties.”

Dit hoofstuk geeft details over zo’n beetje al die 580 afdelingen in al die Midden-Oosterse landen. Het gaat over spionage, economie, politieke ontwikkelingen in de betreffende landen.

In juni 1940 schreef de moefti aan Von Papen om zijn diensten aan de nazi’s aan te bieden. Hij hoopte na de overwinning van de As-mogendheden de leiding over een onafhankelijke staat te krijgen die Syrië, Libanon, Palestina, Jordanië en Irak zou omvatten. Hij kon een netwerk aanbieden dat verbreid was in de hele moslimwereld, niet alleen in de Arabische sprekende landen.

Dit is opnieuw zo’n hoofdstuk met extreem veel namen, die je prompt weer vergeet. Het is vol ingewikkelde ontwikkelingen, om het eens beeldend te zeggen, in de relaties van Duitsland met Iran, Irak, Egypte en Saoedi-Arabië. Geschetst worden de geopolitieke overwegingen die een rol speelden in die verschillende landen en in Duitsland zelf. Soms zijn er aardige weetjes. Bijvoorbeeld over de gebroeders Hess:

“Alfred Hess en zijn broer Rudolf, later hoogste plaatsvervanger van Hitler, waren zonen van een rijke Duitse koopman die in Egypte woonde. Alfred organiseerde in 1926 in Alexandrië de eerste partij-afdeling, gevolgd door één in Caïro. Er waren rond 1930 in Egypte 214 partijleden, die één derde van de Duitse families in het land vertegenwoordigden. Zij wakkerden bij de Egyptische elite pro-nazistische en antisemitische gevoelens aan, organiseerden anti-Joodse boycots en hielden in 1933 een schijnproces waarin de Joden terecht stonden.”

Nog een “leuke” anecdote: Kurt Georg Kiesinger, van 1966 en 1969 kanselier van West-Duitsland, was lid van de nazipartij en hoofd van een radio-afdeling voor nazi-propaganda dat het Midden-Oosten bestookte. Hij werkte samen met al-Husseini die een islamistisch-nazistische haat-propaganda-campagne voerde die, via speciale zenders die vanuit Duitsland opereerden, dagelijk in elk kofiehuis in het Midden-Oosten te horen was. (Jeffrey Herf wijdde er in 2010 een apart boek aan: ”Nazi Propaganda for the Arab World”.)

Ook Max vonOppenheim keerde terug naar het Midden-Oosten om zijn strategie uit de Eerste Wereldoorlog verbeterd uit te voeren. Naar mate de overwinning van de nazi’s waarschijnlijker werd, werden deArabische sympathisanten van Duitsland openhartiger over hun ware sympathieën . En de Britten begonnen met name in Irak en Egypte steeds harder op te treden tegen sympathisanten met de As.

Hoofdstuk 7 “Al Husseini op zoek naar een imperium”
Dit hoofdstuk behandelt de periode waarin de moefti reëel op dat imperium kon hopen. Die periode heeft geduurd van november 1941, toen hij van Hitler in dat persoonlijke gesprek de definitieve toezegging kreeg van een bondgenootschap, tot aan november 1942, nadat Rommel definitief was verslagen door Montgomery bij el-Alamein (oktober 1942). Het definitieve keerpunt voor de nazi’s in Rusland liet nog wat nog wat langer op zich wachten: Stalingrad , februari 1943.

Het nazi-plan was geweest om het hele Midden-Oosten in de tang te nemen, vanuit de Kaukasus en via Egypte, maar dat mislukte dus omdat omdat allebei de bekjes van het tangetje stuk gingen. Al-Husseini’s plannen gingen dus niet lukken. Wel wist hij meer dan twintigduizend Sovjet- en Balkan-moslims te werven, onder andere voor een SS-divisie die de de naam Handschar (kromzwaard) kreeg.

Al-Husseini had twee belangrijke wensen. Ten eerste een Groot Arabische Rijk. Hij had het nooit over het Palestijns-Arabisch nationalisme, maar hij hield vast aan zijn vroegere Groot-Syrische standpunt, maar dan nóg groter: tenslotte omvatte zijn gewenste staat Syrië, Libanon, Palestina, Transjordanië, Saoedi-Arabië, Irak en de Golf-emiraten, Egypte, Noord-Afrika en Sudan. Dat was dus gewoon het hele Midden-Oosten plus heel Noord-Afrika.

Zijn tweede belangrijke eis was hulp van de As bij het uitroeien van alle Joden in het Midden-Oosten. Die tweede eis kan niet genoeg benadrukt worden. Telkens weer komen R&S erop terug. Ook serieuze studies als die van de al eerder genoemde Jeffrey Herf en van Mallmann en Cüppers (“Halbmond und Hakenkreuz”) zijn eensluidend: de Jodenhaat van Amin al-Husseini was alles overheersend en zijn primaire motivering bij al zijn handelen.

Voordat duidelijk werd dat nazi-Duitsland de oorlog ging verliezen had al-Husseini de nazi’s veel te bieden, want zo’n beetje alle regimes in het Midden-Oosten waren bereid de kant van de As te kiezen als definitief zou vast staat dat nazi-Duitsland de oorlog zou gaan winnen.

Hoofdstuk 8  “Duitslands moslimleger”
Het gaat hier, naast heel veel meer, inderdaad óók over “Duitslands moslimleger”, dat wil zeggen over verschil in gebruik van moslimtroepen na het keerpunt in de oorlog, dat wil zeggen na el-Alamein in oktober 1942 en nadat in mei 1943 de laatste As-strijdkrachten in Noord-Afrika zich hadden overgegeven. Door die veranderde situatie kwam voor de nazi’s en al-Husseini de nadruk nu te liggen op andere theaters of war. Moslim-soldaten werden nu niet in het Midden-Oosten maar overal elders ingezet waar de nazi’s nog kansen zagen, bijvoorbeeld Rusland, de Kaukasus, de Balkan en India.

Ook in dit hoofdstuk wemelt het weer van de namen van personen en van netwerken en van operaties en van operatietjes. En moest er nu echt een uitweiding over de Agha Khan in? Geen tussenkopjes bij de themawisselingen en veel te veel details die dit keer soms zelfs een overbodig indruk maken, dan wel naar voetnoten hadden gemoeten. Het is een inhoudelijk geweldig boek, maar soms redelijk gekmakend in compositie.

In dit kader van “Duitslands moslimleger”, komt natuurlijk ook de SS-Divisie aan de orde die al-Huseini op de Balkan wist te vormen.

“Met de hulp van al-Husseini werden vanaf februari 1942 zes Oost-Turkse Eenheden gevormd uit etnische minderheden van moslims en christenen: de Turkestaanse, Noord-Kaukasische, Azerbeidzjaanse, Georgische, Volga-Tataarse en Armeense eenheden, elk met hun eigen uniform en nationale onderscheidingstekens. Vier daarvan werden samengesteld uit moslims.

Dit was geen kleine poging.Eind 1942 hadden dergelijke eenheden een totale sterkte van drieënvijftigduizend man, wat gelijk stond aan vier Duitse divisies. ( . . .) Ze vochten in de Sovjet-Unie, Italië en Frankrijk, maar nooit in het Midden-Oosten.”

Behalve deze Sovjet-moslims, rekruteerde al-Husseini ook hun Balkan-collega’s in Albanië en Bosnië. In zijn functioneren met deze Balkan-moslims en Sovjet-Turkse moslims was al-Husseini ver uitgestegen boven zijn identiteit als Palestijnse Arabier, Arabier in het algemeen of zelfs islamitische leider. Zijn werk in Albanië leverde de Handschar-Divisie op, vernoemd naar een type kromzwaard gehanteerd door de Turken op de Balkan.

En er staan natuurlijk weer genoeg citerenswaardige zinnen en passages in dit hoofdstuk, vooral die de pathologischeJodenhaat van al-Husseini illustreren, maar ik moet me beperken:

“Bij het werven van moslims voor het Duitse leger, dacht al-Husseini al na over de naoorlogse situatie, voorzag de toekomstige strijd tegen de zionisten en wilde door de nazi’s getrainde soldaten aan zijn kant hebben. Hij schreef later dat de opleiding en uitrusting door het naziregime inderdaad de basis had gelegd voor een Palestijns-Arabisch leger.”

“Reëel gesproken, waren de bondgenoten van al-Husseini al bezig de Joden van Europa een replica van de hel op aarde in te sturen, een hel die hij ook wilde creëren in het Midden-Oosten: de nazivernietigingskampen. Hoewel details van wat er gaande was op dat soort plekken en het massaal doodschieten van Joden in Oost-Europa geheim waren, hielden de Duitsers al-Husseini op de hoogte van hun vorderingen. Op 4 juli 1943 was Himmler de gastheer van al-Husseini op zijn eigen kuuroord in Oost-Pruisen en vertelde hem dat er al drie miljoen Joden waren gedood. Hij voegde eraan toe dat de Duitsers hoopten om de atoombom te krijgen ‘drie jaar voor de geallieerden’. Al-Husseini had de foto, bij die gelegenheid van hemzelf en Himmler genomen, prominent in zijn appartement uitgestald en hij vertelde bezoekers van zijn hechte vriendschap met Hitlers SS-leider. Een paar dagen later schreef al-Husseini aan Himmler en prees hem als een ‘begripvolle, gulle en energieke man’.”

R&S geven nog een aantal sterke voorbeelden van het pathologische karakter van al-Husseini’s Jodenhaat: hij vermoedde achter alles wat hij als kwaad zag een Joodse samenzwering.

In dit hoofdstuk is opnieuw — zie ook hoofdstuk 1 —  een verhandeling te vinden die aantoont dat het definitieve besluit tot de End-lösung genomen is direct na het gesprek van 28 november 1941 tussen Hitler en al-Huseini. De bottom line luidt: mogelijk dat het tenslotte ook zonder al-Husseini tot georganiseerd-planmatige genocide op de Joden zou zijn gekomen, maar doordat al-Huseini de weg naar Palestina afsloot werd de Endlösung accuut en onvermijdelijk.

Na zijn arrestatie werd al-Husseini gevangen gehouden door de Fransen:

“Hij werd ingekwartierd in een villa in de buurt van Parijs totdat de Fransen hadden besloten wat ze met hem zouden doen. Goed bewaakt, maar vrij om gasten te ontvangen, verbleef hij daar een jaar. Maar net zoals zij hem na de Eerste Wereldoorlog in dienst hadden genomen om de Britse invloed in het Midden-Oosten te ondermijnen, speelden de Fransen opnieuw dat spel. En dus werd hij gewoon vrijgelaten.”

Al-Husseini kon dus gewoon verder gaan met zijn voorbereidingen tot oorlog tegen de Joden in Palestina.

Hoofdstuk 9  “Een poging tot partnerschap in de As”
In dit hoofdstuk wordt het thema van de samenwerking tussen de As en al-Husseini cum suis nog eens opgepakt en opnieuw met de nadruk op de gelijkwaardigheid van de samenwerking. We krijgen allerlei details over het organisatorische wroeten van al-Husseini in Duitsland. De parallellen tussen nazisme en islam die al-Husseini zag, passeren nog eens uitgebreid de revue:

Mohammed is en was net als Hitler de onomstreden Führer; alle nazi’s willen net als alle moslims in één machtige staat leven; strijd, oorlog en zelfopoffering zijn kenmerken van nazisme en islam; de gemeenschap gaat voor het individu; nazi’s en moslims haten het Joodse materialisme; de vader regeert het gezin; kinderen moeten ouders gehoorzamen; moederschap wordt vereerd, abortus is verboden en de belangrijkste taak van een vrouw is om toekomstige soldaten te produceren; islam en nationaal-socialisme willen beiden de Joden vernietigen.

En nog maar eens ten overvloede:

“Dus genocide op de Joden was een noodzaak in de eigen ideologie van al-Husseini en geen idee dat geleend was van Hitler of werd opgegeven nadat het Derde Rijk was gevallen.”

Geheel onverwacht zijn er in dit hoofdstuk een aantal interessante pagina’s over het al dan niet bezoeken van vernietigings-annex-concentratie-kampen door al-Husseini. Waarschijnlijk was hij, zoals gemeld in het eerste hoofdstuk, niet bij het bezoek in juni-juli 1942 door hooggeplaatste moslims aan het vernietigings-proef-kamp Sachsenhausen. Maar R&S maken zeer aannemelijk — wat mij betreft bewijzen ze het — dat al-Husseini in juli 1943 van de drie kampen Auschwitz, Treblinka en Majdanek er minstens één bezocht heeft.

Dat was in het kader van een meerdaags bezoek van al-Husseini aan

“( . . .) het dorp Zhitomir, even ten oosten van Kiev, waar Himmler en al-Husseini elkaar ontmoetten op 4 juli 1943. Het voorgaande jaar waren de Joden in het gebied vernietigd door de Duitsers. Nu was het dorp omgedoopt tot Hochwald en was Himmlers veldhoofdkwartier er gevestigd. Hij reisde daar in zijn eigen trein met de naam ‘Heinrich’, genoemd naar hemzelf en beheerd door de SS-officier Josef Tiefenbacher.”

Dat Himmler aan al-Husseini een meerdaags bezoek toestond en die tijd voor hem vrij maakte, tekent het belang dat de nazi’s aan hun bondgenoot hechtten. En terecht:

“( . . .) terwijl de nazi-ideologie in 1945 instortte en vrijwel verdween uit het Duitse en Europese leven, bloeiden de radicale Arabisch-nationalistische en islamistische ideologieën daarna op. Hun basisbegrippen veranderden verrassend weinig, ondanks dat tientallen jaren verstreken, vele gebeurtenissen plaats vonden en generaties elkaar afwisselden. Vaak werd het woord “Jood” vervangen door het woord “Israël”. Niettemin bleef de diepe leerstellige haat jegens de Joden en het geloof in de noodzaak ze te vernietigen de kern-reden voor de duurzame en onoplosbare aard van het Arabisch-Israëlische conflict.”

Lees aan het einde van dit hoofstuk ook een geheel onverwachte scène die de vernietiging van het lijk van Hitler beschrijft. Ja, zoals ik al zei: het is een enorm rommelig boek, maar voor het oplettende lezertje vol met pareltjes.

Hoofdstuk 10 “De oorlog na de oorlog”
Met de titel van dit hoofdstuk bedoelen de schrijvers de oorlog in Palestina die woedde tot 1948 en waarin de staat Israël werd uitgeroepen. Maar er zitten natuurlijk ook weer allerlei uitweidingen in. Bijvoorbeeld het antwoord op de vraag waarom al-Husseini naar Egypte kon ontsnappen. Dat was mede omdat hij in de mandaats-periode voor de Fransen had gespioneerd om de Engelsen tegen te werken. Maar verder ook uit puur cynisch Frans opportunisme:

“Zoals later met Khomeini zou gebeuren, die de Franse regering meer dan dertig jaar later zou helpen, redeneerde de Franse regering van 1945 dat het een gevaarlijke radicaal zou kunnen helpen in ruil voor zijn belofte om de Franse belangen in de toekomst te respecteren, ongeacht wat hij gedaan had jegens de Britten, Amerikanen of wie dan ook. In beide gevallen werden de Fransen bedrogen.”

De Fransen gaven al-Husseini bovendien alle gelegenheid in zijn voorlopige gevangenschap politiek te bedrijven:

“Intussen genoot al-Husseini relatieve vrijheid in Parijs. De Fransen stonden toe dat hij assistenten aanstuurde, probeerde steun te krijgen van de Arabische Liga en wapenaankopen te doen voor het volgende gevecht tegen de Joden.”

En hij gebruikte daarvoor geld uit de fondsen die hem door nazi-Duitsland waren geleverd! De Fransen lieten al-Husseini in mei 1946 naar Egypte vertrekken. In de hele Arabisch sprekende wereld werd hij als een held ontvangen.

In dit hoofdstuk komt ook de vraag aan de orde waarom al-Husseini nooit aangeklaagd is voor oorlogsmisdaden. Volgens de auteurs is dat uit politiek opportunisme. Om de Arabieren niet voor het hoofd stoten, besloten de Britten, de Fransen en in 1950 tenslotte ook de Amerikanen om niet te vervolgen.

In 1945 gaf de afwezigheid van de moefti cum suis de gematigde Arabieren een kans het machts-vacuüm op te vullen. Ook deze gematigden wilden weliswaar de oprichting van een Joodse staat voorkomen, maar wilden daarvoor diplomatie in plaats van geweld gebruiken. Maar tenslotte kwam via de machinaties van Jamal al-Husseini, de broer van Amin al-Husseini, de radicale partij in Palestina toch weer aan de macht.

Rubin en Schwanitz vragen zich af of die hele geschiedenis van Palestina na 1945 gematigder had kunen verlopen met een besparing van tienduizenden levens als de moefti niet opnieuw de kans had gekregen zijn radicale stempel te drukken:

“Dit is natuurlijk speculatie. Toch is het redelijk te beweren dat deze geschiedenis minder bloedig zou zijn geweest dan wat er daadwerkelijk gebeurde. Vooral maakte de dominantie van de radicale nationalisten en islamisten na 1948 in zowel de Palestijnse beweging als in de meeste Arabische staten, wier opvatting over Joden vergelijkbaar was met die van hun vroegere nazi-bondgenoten, het allemaal des te zekerder. De westerse passiviteit tegen al-Husseini’s islamistische ideologie en rol als medeplichtige aan genocide maakte het ontstaan van een zelfkritisch klimaat in de Arabische wereld moeilijker( . . .).”

Dit raakt aan de vraag naar hervormbaarheid van de islam ueberhaupt. Aan het einde van dit opstel zal ik  ingaan op een tekst van Marcel Kurpershoek, die wijst op de inherentie van een extremistische nederlagen-strategie in de islam. En voor de huidige tijd geldt: zolang de quasi-elites in het westen niet gaan inzien dat harde ideologiekritiek op de islam nodig zal zijn om misschien (!) een begin van zelfkritiek in de islamitische wereld te bewerken is er geen zicht op hervorming van de islam, theoretisch noch praktisch.

Al-Husseini zette de strijd in Palestina voort in de geest van zijn samenwerking met Hitler. Met geld en wapens uit de nazi-fondsen en met nazi’s en moslimische nazi-collaborateurs als vaste medewerkers. Onder hen die al-Husseini hulp aanboden waren Egyptische officieren die slechts vijf jaar eerder nog met de nazi’s hadden samengewerkt: Nasser en Sadat.

“Tussen zijn aankomst in Caïro in mei 1946 en de lancering van zijn oorlog ongeveer een jaar later, werkte al-Husseini aan de Arabische en islamitische staatssteun, waarbij hij diegenen onder druk zette en chanteerde – vooral in Transjordanië en Egypte – die niet stonden te popelen om te vechten. Net zoals eind 1930 was gebeurd, moesten de Arabische regeringen eens te meer rekening houden met het charisma van de grootmoefti, zijn vermogen om hun eigen mensen tot geweld aan te zetten en zijn vastberadenheid om iedere concessie met zijn veto te treffen. Voorts moesten zij opnieuw rekening houden met interne druk van islamistische en nationalistische radicalen die de ontvlambare publieke opinie ophitsten.”

Na de in 1948 verloren oorlog tegen Israël raakte al-Husseini geïsoleerd. Al-Husseini en in het algemeen de Arabieren zochten de fouten naar goed islamitisch gebruik niet bij zichzelf en gaven de schuld van de ramp – de “nakba”, in het Arabisch – aan Israël, het westen en de Arabische regeringsleiders en niet aan al-Husseini’s radicalisme, starheid en islamisme. Er was geen spoor van bezinning en het het parool werd: vergelding!

Vanaf de nederlaag in 1948 wijdde al-Husseini de resterende kwart eeuw van zijn leven aan pogingen te zorgen dat het radicale islamisme wraak kon hebben op de westerse democratieën, Israël en de Arabische nationalisten. Hij begon onmiddellijk weer radicale clubs op te richten. En hij organiseerde politieke moorden, onder andere op koning Abdallah van Jordanië die vredesbesprekingen met Israël wilde. Hij onderhield zijn contacten met zijn oude Duitse kameraden, allen ontsnapte oorlogsmisdadigers . In Caïro, Damascus en andere plaatsen hielp hij ex-nazi-ambtenaren aan een nieuwe identiteit.

Toen hij uitgesloten raakte van de Midden-Oosten-politiek, infiltreerde al-Husseini in de groeiende beweging van “niet gebonden landen”, Derde Wereldlanden die probeerden om een onafhankelijke positie in te nemen in de Koude Oorlog. (Of ook wel, zoals sommigen menen, van twee walletjes te eten en het westen en de Sovjet-Unie tegen elkaar uit te spelen.) Hij zat bij alle belangrijke vergaderingen: 1949 New Delhi, 1954 Colombo , 1955 Bandoeng en 1961 Belgrado “en zorgde ervoor dat de Palestijnse kwestie altijd in de discussies was inbegrepen”. Hij was opnieuw overal en ontmoette iedereen: Nehru van India, Soekarno van Indonesië en Nasser van Egypte. In Pakistan, Iran en India ontmoette hij in de jaren 1950 islamistische geestverwanten.

Zijn tot in het perverse reikende vasthoudnde jodenhaat wordt getekend door de volgende anecdote: al-Husseini heeft geprobeerd het besluit van West-Duitsland te blokkeren om vergoeding te betalen aan Israël voor Jodenvervolging en confiscatie van Joodse eigendommen. Die poging tot blokkering werd gedaan door . . . . . . een voormalige nazi-collaborateur die zelf uitzinnige sommen had ontvangen in de oorlog uit precies die geroofde eigendommen en . . . . . . die hij nog steeds gebruikte, óók voor deze poging.

Op de korte termijn werden in de jaren 1950 de vooruitzichten van het islamisme minder. (Nu is het helemaal terug zoals men misschien gemerkt heeft.) Nationalisme en dictators, zelf overigens best nog wel pittig islamitisch, zouden in het Midden-Oosten de overhand krijgen— Nasser, Saddam, Khadaffi, Assad — en de pure internationalistische oemma-islamisten werden geïsoleerd en soms ge-executeerd, zoals Qutb die in 1954 werd gearresteerd, en in 1966 geëxecuteerd.

“Waarom hebben de Verenigde Staten en hun Europese bondgenoten nooit het gevaar van al-Husseini en de andere islamisten gezien? Natuurlijk waren ze op dat moment gericht op de Koude Oorlog met de Sovjet-Unie. Aangezien de islamisten anticommunistisch waren en ook erg zwak, werden ze niet gezien als een bedreiging. Inderdaad, islamistische overlopers uit de Sovjet-Unie waren een nuttige spionage-aanwinst, terwijl het islamisme een manier leek om de radicale seculiere Arabische en met Moskou verbonden nationalisten tegen te werken.”

“Al-Husseini woonde ongestoord in Libanon tot hij in 1974 een natuurlijke dood stierf.”

Hoofdstuk 11  “De Nuttige nazi’s van de Arabische Staten”
In hoofdstuk 11 vernemen we van de grote aantallen nazi’s die na 1945 ontsnapten richting Midden-Oosten: de enige regio op aarde waar ze hun loopbaan konden voortzetten! Geen Arabisch land zette ooit een nazi uit. Buiten het Midden-Oosten kegen ze alleen officiële bescherming van de Argentijnse president Juan Perón. Toen Perón in 1955 ten val werd gebracht verhuisde een aantal ex-nazi’s naar het Midden-Oosten. Zelfs Eichmanns ontsnapping naar Argentinië had een islam-factor: die was namelijk grotendeels te wijten aan hulp van al-Husseini.

Meer dan 4000 ex-nazi’s vluchtten naar het Midden-Oosten. Wiesenthal schatte in 1967 hun aantal zelfs op 7000. Naar Latijns Amerika vluchtten maximaal 800 ex-nazi’s.

“Voor degenen die nog steeds probeerden het genocidale project van Hitler uit te voeren of een ideale totalitaire staat te creëren, waren Arabieren de voor de hand liggende bondgenoten en moslimlanden het onmisbare toevluchtsoord.”

Door het Egypte van Nasser werd vooral geprobeerd nazi-technici aan te trekken die raketten konden maken om tegen Israël te gebruiken. In West-Duitsland eindigde de eerste golf van vervolging van ex-nazi’s in 1950. Daarna konden ze vaak hun carrière voortzetten, geestverwanten beschermen en hun liefde voor de islam in de Duitse politiek geldend maken.

In dit hoofdstuk weer een lawine aan namen en rugnummers en biografietjes: Hans Globke, Reinhard Gehlen, Fritz Grobba, Otto Skorzeny, Leverkuehn, Theodor Oberländer, Ferdinand Heim,Johann vonLeers, enzovoort . Vooral aan Von Leers wijden de auteurs vele alinea’s.

Het opnieuw bouwen van islamitische netwerken in Duitsland meteen na de oorlog wordt gemeld:

 “Zoals Ian Johnson in zijn gedetailleerde studie “Een Moskee in München” aantoont, is deze moskee – gecreëerd door voormalige nazi-collaborateurs en geholpen door verstokte nazi’s – de basis voor een islamistische beweging die de alsmaar groeiende moslimgemeenschappen in Europa vandaag grotendeels domineert.” [mijn blauwe vet]

De perverse financiële manipulaties worden behandeld. Want voor al deze inspanningen rond de bescherming van ex-nazi’s was natuurlijk geld nodig. Al-Husseini had, met toestemming van Hitler, al tijdens de oorlog grote sommen in Zwitserland vast gezet om zijn activiteiten over de hele wereld te financieren. Dat geld kwam nu van pas. De doopceel van al-Husseini’s bankier Franҫois Genoud, die overal ter wereld ex-nazi’s met hun financiën hielp, wordt door Rubin en Schwanitz gelicht. “De belangrijkste constante in het leven van Genoud was zijn hartstochtelijke haat jegens Joden en Israël.”

De driedubbel overgehaalde smerigheid komt opnieuw scherp tot uiting in een poging van 1970 van al-Husseini om via de rechtbank zijn “oude tegoeden” uit aandelen (Daimler Benz, I.G. Farben) los te krijgen. In dit proces werd door de advocaten van al-Husseini het woord “herstelbetalingen” gebruikten ze stelden die gelijk met de betalingen door Duitsland aan Joden en Israël voor door de nazi’s geroofd Joods bezit. Merk de peilloze perversie op: die oude aandelen van al-Husseini waren gekocht met. . . . . . geld uit precies dat door de nazi’s geroofd Joods bezit!

Over de academische wereld in het na-oorlogse Duitsland:

“Met hoogleraren die met veel enthousiasme hadden deelgenomen aan de nazi-inspanningen in het Midden-Oosten ging het uitstekend in de naoorlogse jaren. Berthold Spuler, sinds 1933 lid van de nazipartij en die had geholpen leiding te geven aan moslim-SS-eenheden, bleef aan bij de Universiteit van Göttingen. Toen er einde 1960 informatie over zijn naziverleden naar boven kwam en een aantal studenten kritiek op hem had, schreeuwde hij terug: ‘Jullie horen allemaal in een concentratiekamp.’ “

De West-Duitse regering brak formeel met het verleden, maar deze types bleven deel uitmaken van de bureaucratie en bleven vijandig tegenover een Joodse staat en toegeeflijk jegens het radicale islamisme en het Arabische nationalisme.

Hoofdstuk 12 “Hoe de erfenis van de As vorm geeft aan het huidige Midden-Oosten”
In dit afsluitende hoofdstuk proberen de auteurs nog een keer zoveel mogelijk lijnen samen te trekken.

Gedurende zeven decennia na 1945 — (dus tot aan de “Arabische Lente” van 2010 toen het internationalistische pure oemma-islamisme op veel plaatsen weer de macht greep) — werd de dienst in het Midden-Oosten uitgemaakt door nationalistische dictators, die overigens bepaald niet anti-islam waren. In het Egypte van begin jaren 1950 grepen Gamal Abdel Nasser, Anwar Sadat en andere nazi-collaborateurs de macht. Ze namen ontsnapte nazi’s in dienst als adviseurs. In Syrië en Irak kwam de pro-nazistische Baath-partij aan de macht. De pro-geallieerde Arabische gematigden, die voor de winnende kant in de oorlog waren geweest, werden uit het openbare leven verdreven en gedemoniseerd als collaborateurs met “het imperialisme”.

Naar buiten toe, richting het westen, werd door zowel het internationalistische oemma-islamisme als door de kringen rond de nationalistisch-islamistische dictators de connectie tussen islam en nazisme ontkend en de Holocaust afgedaan als een zionistisch verzinsel. En als de Endlösung wél erkend werd dan werd die gebagatelliseerd en tegelijk voorgesteld als een mooi excuus van het westen om Joden het Midden-Oosten binnen te schuiven.

Islamitische Arabieren zien er overigens geen bezwaar in twee elkaar uitsluitende dingen  tegelijk te beweren: dat er géén Holocaust geweest is en dat de Holocaust Israël heeft opgeleverd. (Er is géén moord gepleegd, maar het westen heeft het lijk toch in het Midden-Oosten gedumpt.) Islamitische logica is vaak bijzonder. In elk geval beweren de Arabieren nergens schuld aan te hebben en zijn ze alleen maar slachtoffer, terwijl al-Husseini toch echt heel nauw bij de Endlösung betrokken is geweest, eerder op de hoogte was van het besluit ertoe dan veel hoge nazi’s en persoonlijk nog gezorgd heeft dat er duizenden Joodse kinderen niet ontsnapten.

De auteurs komen nog eens terug op de extremistisch-gewelddadige alles-of-niets-politiek van al-Husseini, die nu via Arafat in Palestina voortleefde:

“Vooral de Palestijnse beweging werd geteisterd door deze cultus van eervolle nederlaag en continuïteit met de ideologische stijl van de As, belichaamd in een gebeurtenis die nog nooit eerder is gedocumenteerd. Op 29 december 1968, tijdens een bijeenkomst in het huis van de ex-grootmoefti in de buurt van Beiroet, werd Arafat door al-Husseini als zijn opvolger gezalfd. De beweging zou worden geleid door deze twee opeenvolgende leiders en hun gelijkaardige filosofie en methodes gedurende een verbazingwekkende drieëntachtig jaar, vanaf dat al-Husseini grootmoefti werd in 1921 tot de dood van Arafat in 2004.”

Het kan vreemd lijken dat al-Husseini, aldus R&S, na 1948 en dus na het ontstaan van Israël toch vereerd werd. Want hij had namelijk nogal grote kansen laten liggen op een Palestijnse staat. En hij had in de late jaren 1930 de moord bevolen op zo’n dertig prominente gematigde Palestijnse Arabieren, die soms met hun gezinnen werden afgemaakt. In al-Husseini’s opdracht waren de Jordaanse koning Abdallah en de leider van Libanon vermoord. Maar dit past natuurlijk in deze “helfdhaftig-radicale” nederlagenstrategie.

Arafat en later Hamas zouden de extremistische alles-of-niets-nederlagen-politiek van al-Husseini dus voortzetten.:

“( . . .) Arafat zou deze patronen uit al-Husseini’s carrière herhalen: kiezen voor een verbond met de USSR, die de verliezende kant zou blijken te zijn in een wereldwijd conflict, kansen missen om een Palestijnse staat te creëren, gematigde Arabieren vermoorden, terreur tegen burgers omarmen als strategie en zonder succes veldslagen beginnen tegen Israël.”

Niettemin kregen Al-Husseini en Arafat al vanaf begin 1969 onenigheid, omdat Arafat weigerde zich te verbinden met al-Husseini’s favoriet: Saoedi-Arabië. Arafat koos voor het beschermheerschap van de nationalistische dictator Nasser die op zijn beurt onder de aegis van de Sovjet-Unie opereerde. Terwijl al-Husseini een “internationalistische” en pure “oemma-islamist” bleef en het communisme haatte.

Rubin en Schwanitz benoemen dit niet heel duidelijk,maar Arafat koos dus voor een “nationalistische” lijn waarbij een “Palestijnse volk” werd uitgevonden dat door het “neo-kolonialistische en imperialistische” Israël werd onderdrukt. Dat was in overeenstemming met de vanaf 1970 ook in het westen steeds meer in zwang rakende “linkse” en “anti-kapitalistische” mode, met als hoogtepunt de BaaderMeinhof-groep die in “Palestijnse” trainingskampen hun terreuropleiding kregen.

De definitieve breuk tussen de moefti en Arafat kwam tot stand toen Arafat tegen het advies van al-Husseini deed wat al-Husseini in het verleden zelf ook altijd had gedaan: zich tegen mogelijke bondgenoot Jordanië keren. Koning Hoessein van Jordanië was de kleinzoon van Abdallah die nog in opdracht van al-Husseini was vermoord. Koning Hoessein had gedreigd om zijn leger in te zetten tegen de guerrilla-macht van Arafat die zijn land destabiliseerde en mee wilde slepen in een oorlog met Israël.

Het extremistische verleden van al-Huseini kennend ging Arafat op 20 februari 1969 bij hem  op bezoek om steun te zoeken. Maar al-Husseini, ontevreden met de Egypte-Sovjetunie-koers van Arafat koos juist de kant van de Jordaanse koning Hoessein en vroeg hem om Arafat onder druk te zetten. Arafats mannen vielen vervolgens als vergelding het hoofdkwartier van al-Husseini binnen — dat was in een “vluchtelingenkamp” in de buurt van Amman — en doodden vijf van Husseini’s mannen. De overlevenden traden toe tot Arafats Fatah. Daarmee was al-Husseini’s carrière in de Palestijnse politiek nu echt ten einde.

Maar niettemin leidde Arafat de Palmaffia’s (mijn woord) in dezelfde geest als al-Husseini: extreem Jodenhatend, alles-of-niets en in de cultus van de eervolle nederlaag:

“Net als al-Husseini was Arafat vastbesloten dat er geen compromis zou zijn met de zionisten, geen aanvaarding van een Joodse staat in welke vorm dan ook en geen morele grens aan het geweld tegen de Joden.”

Al-Husseini zelf had blijkbaar anno 1969 inmiddels wél geleerd van het verleden. Hijzelf had steeds geweigerd om van de Britten een Palestijnse staat te accepteren — in 1939 en in 1947 — zelfs als die overduidelijk tot niks anders kon leiden dan tot een Joodse mini-staat die dan onvermijdelijk op korte termijn door de naburige Palestijnse staat zou worden opgepeuzeld. Maar nu adviseerde hij Arafat in hun geheime ontmoetingen dat hij wél die twee-fasen-strategie moest toepassen, die hij zelf had geweigerd te volgen: eerst moest, aldus al-Husseini, de beweging de controle over de door Israël in 1967 veroverde Westelijke Jordaanoever en Gazastrook verwerven en veranderen in een Palestijnse staat. Vervolgens moest de beweging dit land gebruiken als uitvalsbasis voor de vernietiging van Israël. Dat is, zo begrijpt de lezer, tot op heden de strategie van zowel Abbas als Hamas.

Arafat heeft deze twee-fasen-strategie overigens wél laten vastleggen als de kern van de PLO-strategie. Maar . . . . . . hij heeft er dus nooit naar gehandeld, zosl na 1993 bleek

“Slechts een kwart eeuw later ondertekende Arafat de ‘Oslo-akkoorden’ van 1993 en zelfs toen, op het moment van de waarheid bij de top van Camp David in 2000, herhaalde hij de fout van al-Husseini in 1939 en 1947 door een compromis te verwerpen – zelfs als camouflage voor een tweestaten-strategie – en koos in plaats daarvan voor een nieuwe oorlog.”

De opvolger van al-Husseini en Arafat, Abbas, die dus na de dood van Arafat in 2004 diezelfde lijn voortzette, schreef aan de universiteit van Moskou een “proefschrift” waarin hij beweerde dat de “zionisten” (Joden) en niet de Arabieren bondgenoten waren geweest van de nazi’s. In totale tegenspraak daarmee beweerde hij tegelijk dat een “zionistische oorlogsverklaring” aan Duitsland in mei 1942 Hitler had overtuigd dat hij de Joden moest uitroeien. Ik zou zeggen: hier is een islamitische Arabier in de weer met logica.

De Arabische Liga, opgericht in 1946 was ook “gevuld met ex-As-collaborateurs”. Bijvoorbeeld Abd ar-Rahman Azzam die de eerste secretaris-generaal was, maar in WO II agent van al-Husseini en collaborateur met de nazi’s. Hij hoopte dat de Joodse genocide in Palestina, die in WO II nog net was voorkomen, nu alsog uitgevoerd kon worden. In 1947 zei Azzam bij het begin van de oorlog in Palestina:

“Dit wordt een oorlog van uitroeiing en van een gedenkwaardige massaslachting, waarover gesproken zal worden als over de Mongoolse slachtingen en de kruistochten.”

En daarna geven de auteurs nog wat biografietjes van nazistische types die actief waren in de Arabische Liga en daar buiten. En ze gaan opnieuw in op de duizelingwekkende internationale netwerkverknopingen waarin al-Husseini actief was.

Er was in de islamitische beweging een continuïteit met het nazistische verleden in ideeën, organisaties en personen, maar toch wisten de islamisten die continuïteit te verbergen en waren ze succesvol in het verversen van het imago. Vooral het geslacht Ramadan was daarin erg goed, namelijk Mohammed Said Ramadan en diens zoon Tariq Ramadan, die de lieveling was en is van alle multiculturistische islamofielen in het westen.

Zouden deze Tariq-aanhangers weten uit wat voor nest hij komt?

Media-Arabiste Petra Stienen – (Lees Hans Jansen over Stienen!) – werpt een intense blik op Tariq Ramadan

Mohammed Said Ramadan was al-Husseini’s persoonlijke luitenant en werd na 1945 zijn algemene erfgenaam in de wereldwijde islamistische beweging. Voor het toedekken van het nazi-verleden van de beweging was het handig dat Mohammed Said Ramadan [verder: Said] geen publiekelijke pro-nazi-uitspraken had gedaan. Maar Said was, behalve naaste medewerker al-Hussseini, schoonzoon en assistent van nóg een met de nazi’s collaborerende leider, namelijk Hassan al-Banna (1906 -1949), de oprichter (!) van de Moslimbroederschap, een organisatie die óók als zodanig, dus qua organisatie, met de nazi’s had gecollaboreerd.

In feite was de Broederschap voor en tijdens WO II gefinancierd en bewapend door de nazi’s. In samenwerking met de nazi’s en al-Husseini had de Broederschap gepland om het Duitse leger te helpen bij de verovering van Egypte en bij het vermassavermoorden van de Joden en christenen van Caïro. Dat mislukte alleen omdat de Britten ingrepen. En nu leidde deze Said de naoorlogse expansie van die Moslimbroederschap in Europa. Said had bovendien gevochten met de Broederschap-strijdkrachten in de oorlog van 1948 in Palestina.

Said erfde dus al-Husseini’s hele islamistische netwerk, zijn financiële basis en institutionele bezittingen in Zwitserland en elders. Hij had zijn basis in Damascus. In 1958, toen Syrië tijdelijk fuseerde met het Egypte van Nasser, en de Moslimbroederschap onderdrukt werd, vluchtte hij naar Genève. Hij werd de belangrijkste islamistische leider in Europa. In 1959 promoveerde hij aan de universiteit van Keulen op een proefschrift over de islamitische wet, waarin hij moslims aanspoorde om te vechten tegen de Europese seculiere maatschappijen. (Dat dhimmi-gedrag en die vrijwillige islamisering door onze “tolerante” quasi-elite is dus niet van vandaag of gisteren.)

Er was gedurende de vier decennia tussen 1960 en 2000 — in feite tot de “Arabische Lente van 2010 —een algemene onderdrukking van Moslimbroeders door de Arabisch-nationalistische regimes. Vanaf het begin van die onderdrukking begonnen islamisten in ballingschap of ondergronds te gaan. Ze trokken zich vooral ook terug op Europa:

“( . . .) en begonnen moskeeën te bouwen of over te nemen en zetten studenten en andere mantelorganisaties op en creëerden of kregen controle over de moslim-verenigingen en moslim-kranten. Said Ramadan spendeerde vier decennia aan die taak. De Broederschap richtte ook islamitische instituten op en bouwde nieuwe moskeeën. In het jaar 2000 waren er veel islamitische gemeenschappen in heel Europa die de Broederschap-ideologie aanhingen en geleid werden door leden van de Broederschap.”

En dan werken de auteurs bovenstaande alinea uit. Het gaat over de moskeeën en Islamitische Centra in München, Genève, Berlijn en Londen; over het feit dat de centra in Genève en Berlijn nog door de nazi’s gesticht waren; over fondsen die Hitlers regering aan al-Husseini had betaald en nu beheerd werden door ex-nazi-bankier François Genoud (1915 – 1996); over Duitsers met een nazi-verleden, verscholen in de Duitse overheid en over Arabieren met een nazi-verleden, die allemaal bij dat georganiseer waren betrokken; over geldstromen uit Saoedi-Arabië die uiteindelijk betekenden dat Said cum suis aan het langste eind trokken tegen gematigder krachten in.

Maar nou het hele erge gekke. Op een bepaald moment, zo stellen de auteurs vast, was de kennis over het nazi-verleden van deze islamisten verdwenen. Zelfs bij de Westerse geheime diensten:

“( . . .) tijdens de “Arabische Lente” van 2011, toen de Broederschap bezig was de controle te verwerven over Egypte en Tunesië, vertelde de directeur van de Amerikaanse defense intelligence (DIA), James Clapper, in februari 2011 aan het Congres dat de Broederschap een gematigde en seculiere groep was die gekant was tegen geweld.”

Dat gebrek aan kennis in het westen kwam natuurlijk mede doordat de Broederschap zijn eigen misleidings-campagnes voerde. In diezelfde maand februari 2011, dus op het moment dat de Moslimbroederschap begon met de overname van Egypte, schreef Tariq Ramadan, die westerse academische functies vervulde, een opiniestuk in de New York Times waarin hij totaal ontkende dat de Moslimbroederschap en zijn leider Said, Tariqs eigen vader, nazi-collaborateurs waren geweest. Hij perverteerde de waarheid zelfs geheel en beweerde dat de Broederschap een anti-fascistische organisatie was die in de jaren 1930 en 1940 “het Britse parlementaire model” had bewonderd.

Tariq, geboren in Genève in 1962, was in Zwitserland vanaf zijn kindertijd klaargestoomd voor leiderschap. Hij zou de bekendste woordvoerder worden van het islamisme in het westen en professor worden in “hedendaagse islamitische studies” aan de Universiteit van Oxford.

Intern werd door moslims overal ter wereld de nazi-connectie gekoesterd, dus door zowel nationalistische dictators als door de pure internationalistische oemma-islamisten, maar tegenover het westen werd de liefdesverhouding met Hitler ontkend. Toch verried het karakter van de islamistische propaganda zowel het nazi-verleden als het Jodenhaat-karakter van de islam zelf. De auteurs geven vele voorbeelden van moderne naoorlogse islamistische propaganda die vooral in de Jodenhaat totaal parallel loopt met nazi-propaganda en de propaganda van al-Husseini in het Midden-Oosten tijdens WO II. Met name geldt dit voor de Hamas-propaganda. De auteurs wijzen ook de parallellen aan in de hatende en hetzende taal van az-Zawahiri enOsama bin Laden.

In de na-oorlogse islamitische Jodenhaat-propaganda ziet men dus nauwelijks verwijzingen naar nazi-teksten, maar wel veel naar “heilige teksten” in Koran en Soenna. Zodat opnieuw bewezen wordt wat al-Husseini zelf ook al beweerde, namelijk dat de islam geen lessen in Jodenhaat nodig had van de nazi’s

Door de misleidings-en-witwas-campagnes van de Moslimbroederschap ging dus zelfs de CIA denken dat de Broederschap gematigd, seculier en tegen geweld was. Terwijl de Broederschap extremistisch-islamistisch is en pro geweld zo gauw het kan. Maar die onwetendheid komt natuurlijk niet alleen door de misleiding van de islamisten, maar vooral door het misdadige wegkijkgedrag van het Westerse links-regressieve narcistisch hedonistische zelfverheffingsneuroten-machtsconglomeraat. De auteurs vlechten een sterk staaltje van dat kruiperige dhimmi-gedrag in Duitsland in hun betoog. Maar dat moet u zelf maar eens gaan lezen in het boek.

Lees ook: “Palestina 1920 -1940: de moefti, de nazi’s en de Joden
______________

 

Advertenties