Jammer dat het weekblad Opinio” van Jaffe Vink indertijd door een rancuneuze Jan-Peter Balkenende kapot is gemaakt en jammer dat er ook niks meer on-line is te vinden van die schat aan informatie uit die anderhalve jaargang dat het bestaan heeft. Maar ik heb indertijd nog wel eens wat gekopieerd en nog steeds bewaard. Bijvoorbeeld dit stuk van Roger-Pol Droit over Sylvain Gouguenheim, waar ik naartoe wil gaan linken in een stukkie over de eerste paar minuten van een aflevering van het programma “De Snijtafel” van de VPRO. Maar nu dus dat stuk zoals het in “Opinio” verscheen:

****************************************************************

De wijsheid kwam niet uit het Oosten 

(Roger-Pol Droit)

Roger-Pol Droit (1949) is een franse wetenschapper en publicist die zich al 25 jaar wijdt aan het beeld van de Oriënt in westerse ogen. Hij schreef onder meer 101 alledaagse filosofisch avonturen (Atlas, 2002).

Het boek van Sylvain Gouguenheim is een verbluffende correctie op gangbare vooroordelen, en het zal ongetwijfeld debatten en polemieken losmaken. Gouguenheim’s onderwerp is de vermeende culturele schatplichtigheid van de westerse wereld aan die van de islam. De politieke en ideologische inzet weegt zwaar op dit onderwerp. Gouguenheim, docent aan de prestigieuze École normale supérieure van Lyon, test een aantal overtuigingen die algemeen aanvaard zijn geraakt.

 

Sylvain Gouguenheim

Volgens Gouguenheim zijn wij de afgelopen decennia, in het spoor van Mohammed Arkoun, Edward Saïd of de Raad van Europa op dwaalwegen geraakt wat betreft de inbreng van de islam in de Europese cultuur-geschiedenis. Wat behelzen die overtuigingen zoal? Samengevat: de antieke Griekse kennis – van de filosofie, de geneeskunde, de wiskunde en de astronomie – heeft, nadat zij uit Europa volledig was verdwenen, een schuilplaats gevonden in de islamitische wereld, die deze kennis in het Arabisch heeft vertaald, de boodschap ervan heeft geabsorbeerd en voortgezet, om haar ten slotte aan het Westen door te geven. Op die manier werd de Renaissance mogelijk gemaakt, gevolgd door de snelle expansie van de Europese cultuur.

Sylvain Gouguenheim noemt dit gangbare volksevangelie een web van vergissingen, verdraaide waarheden en partiële of partijdige gegevens. En hij heeft het op zich genomen om de onjuiste of overdreven aspecten ervan punt voor punt bij te stellen.

Was er inderdaad een totale breuk tussen de antieke Griekse erfenis en het christelijke Europa van de vroege Middeleeuwen? Vonden de zeldzame manuscripten van Aristoteles en Galenus, die ook na de definitieve ineenstorting van het Romeinse Rijk in kloosterbibliotheken aanwezig bleven, dan echt geen enkele lezer meer die in staat was hen te ontcijferen?

Jawel, antwoordt Sylvain Gouguenheim. De banden met Byzantium, hoe dun en zeldzaam ook, werden nooit helemaal verbroken: er circuleerden Griekse manuscripten en er waren mensen die in staat waren om die te lezen. Gedurende deze zogenaamd ‘duistere eeuwen’ was er in enkele centra nooit een gebrek aan kenners van het Grieks, te weten in Sicilië en in Rome. Wat men nooit heeft benadrukt, is dat er van 685 tot 752 na Christus een reeks van pausen regeerde die van Griekse en Syrische komaf waren! Ook lijkt men te negeren of te vergeten dat de Frankische koning Pepijn de Korte zich in de jaren 758-763 door paus Paulus I Griekse teksten liet toesturen, meer bepaald de Retorica van Aristoteles.

Deze middeleeuwse belangstelling voor Griekse bronnen vond haar oorsprong in de christelijke cultuur zelf. De evangeliën en de brieven van Paulus waren in het Grieks geschreven. Vele kerkvaders, filosofisch geschoold, citeerden Plato en andere heidense auteurs, waarvan zij hele stukken hebben gered. Europa is zich dus zonder onderbreking bewust gebleven van zijn verwantschap met het antieke Griekenland, en het streefde er voortdurend naar om de betreffende teksten terug te vinden. Dit verklaart de opeenvolging van ‘renaissances’, van de Karolingische tot die van de dertiende eeuw, die telkens volgden op partiële herontdekkingen.

Werd de antieke Griekse cultuur ten volle door de islam omarmd? Sylvain Gouguenheim onderstreept dat de historische werkelijkheid sterke beperkingen oplegt aan deze overtuiging, die gemeengoed is geworden. Want het waren niet de moslims die het essentiële vertaalwerk van het Grieks naar het Arabisch leverden. Men vergeet dat al-Farabi, Avicenna en Averroës, hoe groot hun bewondering voor de Grieken ook was, geen woord van de originele teksten lazen, maar enkel de vertalingen ervan in het Arabisch. En die waren gemaakt door Armeense… christenen! Onder deze Syrische christenen, die zowel het Grieks als het Arabisch machtig waren, was het Hunayn ibn Ishaq (809-873), bijgenaamd ‘de prins der vertalers’, die het essentiële wetenschappelijke en medische Arabische vocabulaire smeedde, doordat hij meer dan tweehonderd werken vertaalde – in het bijzonder Galenus, Hippocrates en Plato. Deze Arabisch sprekende man was in de verste verte geen moslim, net zo min als ongeveer alle vroege vertalers vanuit het Grieks naar het Arabisch. Omdat wij al te vaak de termen ‘Arabier’ en ‘moslim’ door elkaar halen, hebben we een misvormd beeld van de geschiedenis, waardoor we zeer weinig aandacht besteed hebben aan de beslissende rol die de Arabische christenen bij het doorgeven van de antieke canon hebben gespeeld, aanvankelijk in het Syrisch en vervolgens in de taal van de Koran.

Toen die vertalingen er eenmaal waren – met veel moeite, want het genie van de Griekse taal is sterk verschillend van het Arabisch – zou het een vergissing zijn te geloven dat de oude Grieken een unaniem en enthousiast onthaal te beurt viel, zodanig dat ze de islamitische cultuur en samenleving door elkaar konden schudden. Sylvain Gouguenheim laat zien hoe selectief de receptie van de Griekse ideeën was, hoe beperkt ze werden opgenomen en hoe ze ten slotte weinig invloed op de praktijk van de islam hadden, die onlosmakelijk religieus, juridisch én politiek bleef. Zelfs al waren de filosofische geschriften van de Grieken beschikbaar en zelfs al had men de term falsafa geïntroduceerd om een verwante filosofische geestesgesteldheid aan te duiden, toch is de islam nooit waarlijk gehelleniseerd. De rede werd er nooit expliciet boven de openbaring geplaatst, noch werden politiek en openbaring van elkaar onderscheiden, noch werd het wetenschappelijk onderzoek radicaal onafhankelijk.

Het zou zelfs geen kwaad kunnen, volgens het boek van Gouguenheim, als wij onze oordelen nog wat verder herzagen. In plaats van te menen dat heel het Europese filosofische gedachtegoed afhankelijk is van Arabische tussenpersonen, zouden wij ons de kapitale rol van de vertalers van Mont Saint-Michel moeten herinneren. Zij hebben de bijna volledige Aristoteles vertaald, direct vanuit het Grieks naar het Latijn, vele decennia voordat men in Toledo dezelfde werken vertaalde vanuit de Arabische versie. In plaats van te dagdromen over een islamitische wereld die gedurende de Middeleeuwen het smachtende en duistere Europa open en gul de mogelijkheid tot expansie aanreikte, zou men zich beter kunnen herinneren dat het Westen deze wetenschappelijke geschriften niet zomaar cadeau heeft gekregen. Het is die gaan halen, omdat zij aanvullingen bevatten op wat men zelf reeds bezat. En alleen het Westen maakte er het wetenschappelijke en politieke gebruik van dat wij kennen.

Samengevat: in tegenstelling tot wat sinds de jaren zestig in crescendo is herhaald, is de Europese cultuur in haar geschiedenis en ontwikkeling niet zo heel erg schatplichtig aan de islam. In elk geval niet in essentiële zin. Gouguenheim’s boek is nauwgezet, reikt talloze argumenten aan, frist de geschiedenis op en is tegelijk ook erg moedig.

____________