Wie bent u, meneer?

Ik dacht dat jullie mij uitgenodigd hadden voor dit schriftelijke mail-dialoog-interview. Dus dan is het aan jou om mij te vertellen waarom ik zo belangrijk ben. Enfin. Ik doe het werk wel weer zelf. Ik ben in 1945 geboren in het ‘Centraal Katholiek Doorgangshuis voor de ongehuwde moeder en haar kind’ te Heerlen. Dat was een instelling waar katholieke gynaecologen en vroedvrouwen werden opgeleid en konden oefenen op gevallen katholieke meisjes. Mijn navelstreng werd te kort afgeknipt om nog geknoopt te kunnen worden en is blijkbaar met een tangetje dichtgeknepen. Mijn navel is een klein knopje, een soort gerimpeld vruchtje. Mijn moeder was zeventien toen ze mij baarde en zestien toen ze bezwangerd werd door een Canadese soldaat die zich, om dat te doen, eerst vanaf Normandië omhoog gevochten had naar Nederland. Ik ben opgegroeid in Wijchen, dat toen nog een dorp van 5000 inwoners was in de buurt van Nijmegen.

GEBOORTEBEWIJS ZOALS IN tpo

De vader van mijn zeventienjarige moeder, mijn opa dus, Ties Pennings geheten, maar die ik mijn leven lang ‘ons pap’  noemde, mocht mij van de geneesheer-directeur van ‘Moederschapszorg’ niet erkennen als eigen kind, want dan zou het ‘slechts een minder aangename geschiedenis voor u worden’. Alsof Ties door die erkenning zou toegeven zijn dochter incestueus bezwangerd te hebben. Terwijl dat toch echt een Canadese bevrijder was geweest.

Om een indruk te geven van hoe het mij van 1945 tot 1994 verging, kan ik mezelf citeren:

“Anno Domini 1994 kreeg ik van de redactie van Letter & Geest (Trouw) opdracht een interview te maken met Lolle Nauta, hoogleraar filosofie te Groningen, die met emeritaat zou gaan. Toen ik na twee uur treinen zijn kamer te Groningen had bereikt, wilde Nauta, die ooit nog aan een PvdA-beginselprogramma had meegeschreven, eerst iets over mijn persoontje weten. Dus vertelde ik hem kort mijn levensloop, die hem, een ouwe sociaal-democraat, heftig had moeten ontroeren.

Ga maar na: 1945 geboren, metselaarsgezin, van de mulo getrapt, grote vaart, bouwvakker, kantoorklerk, via schriftelijke cursussen de mulo en het gymnasium (staatsexamens!), universiteit, weer loswerkman, weer universiteit, op 43-jarige leeftijd (1989) eindelijk afgestudeerd, academisch prijsje, op eigen initiatief en kracht pagina-grote opstellen over zware onderwerpen in Letter & Geest van Trouw, sociaal altijd marginaal geweest en nu, vijftig jaar oud, deze interview-opdracht met Nauta. Als dát geen geschiedenis van proletarisch emancipatie is dan weet ik het niet meer. Misschien, dacht ik, zat er wel een redacteurschap bij Trouw in, als het interview met arbeidersvriend Nauta goed zou lukken.”

Wie wil weten hoe dat afliep met dat interview, moet naar mijn website. Wie wil weten hoe het mij vanaf 1994 tot 2018 verging moet gewoon verder lezen.

Wat is het probleem met de wereld?

Jullie zijn héél goeie interviewers. Zeer specifiek en toch ruimte gevend aan de geïnterviewde. Op dit moment is het probleem-met-de-wereld de weigering van het collaborerende links-regressieve narcistisch-hedonistische zelfverheffingsneuroten-machtsconglomeraat om te erkennen dat de islam het probleem is. Die erkenning zal er niet komen, want dat zou betekenen dat regressief-links zijn historische ongelijk bekent. Dom-links is dermate genotzuchtig, dermate gericht op het lekkere gevoel in ’t eigen organisme en ’t eigen hoofd dat ze niet bereid zijn het Kwaad onder ogen te zien en dan ook nog te bekennen dat ze al decennia zwaar fout zitten.

Je ziet ’t aan Femke Halsema, het prototype van de nep-linkse narcistische hedonist, die al heeft gezegd dat de idealen van links gekaapt zijn door rechts. Terwijl quasi-links die idealen zelf heeft laten vallen en vermeend rechts ze alleen maar hoefde op te rapen. Als de bom een keer barst, zal dat soort roepen: ‘Dat krijg je nou van dat islambashen.’ Ze zijn onverbeterlijk want ondoordringbaar voor argumenten. En dat is catastrofaal omdat de werkelijkheid nooit vrijblijvend is. De verstandige, realistische mensen zullen ook de gevolgen moeten dragen van de ‘linkse’ gekte. Peter Hammond heeft precies aangegeven hoe de Verelendungs-processen met de islam steevast verlopen. Hij koppelt de percentages moslims wereldwijd aan de mate van ellende die je kan verwachten. Het klopt precies en je ziet het nu voor je ogen in West-Europa gebeuren.

Hoe lang ben je al online islamcriticus?

Het bewustzijn dat er iets grondig mis is met de islam is gegroeid doordat ik merkte dat er grondig iets mis was met veel jonge Marokkanen van de tweede generatie. Als ik in mijn herinnering terug ga dan zie ik ergens gedurende een winter begin jaren 1970 groepjes Marokkaanse gastarbeiders door stedelijke straten schuifelen, misschien in Nijmegen of in Amsterdam, en die leken weggelopen te zijn uit het Berlijn van de Weimar-republiek: beetje bedeesd, grijzig en met van die lange winterjassen uit de tweedehandswinkel. Dan is er een gat in mijn bewustzijn, want dan springt het naar het beeld van brutaliserende, rovende en dreigende Marokkaanse ‘jongens’ in de jaren 1980 in Amsterdam. Het soort dat we nu met ‘bontkraagjes’ aanduiden.

Ik heb veel Amsterdamse straatervaring. Toen mijn studie geschiedenis aan de UvA rond 1980 voorlopig strandde op een meningsverschil met professor Maarten Brands over het karakter van de Betrachtungen eines Unpolitischen van Thomas Mann, heb ik vele jaren gependeld tussen de bijstand en het beroep van kraamverzorger. Ik heb als marktstallen-opbouwer-en-afbreker gewerkt op de Dappermarkt, het Waterlooplein, de Westerstraat en de Nieuwmarkt. In 1989 ben ik overigens alsnog afgestudeerd: 43 jaar jong. Ik kreeg voor mijn scriptie een academisch prijsje, maar waarvoor ik me nu wel schaam is dat Maarten van Rossem in de toekennende jury zat.

Ergens begin jaren 1990 begon ik de behoefte te voelen schriftelijk uitdrukking te geven aan mijn verontrusting over wat ik op straat meemaakte met die Marokkanen van de tweede generatie. Breek me de bek niet open, meneer! Met de papieren post stuurde ik een artikel naar het kantoor van Vrij Nederland aan de Raamgracht. De titel luidde De Profundis: vanuit de diepten, smeken wij U, oh Heer . . .  Ik wilde laten zien dat ik zowel van de straat was en tegelijk ook helemaal niet. Gymnasium én streetwise. Zoiets. En ik vind het verschrikkelijk dat ik die tekst kwijt ben, want ik kreeg ‘m per post terug met schuin over de eerste pagina geschreven: ‘Je hebt gelijk, maar je bent te vroeg.’ En daaronder de handtekening van Rinus Ferdinandusse.

Ik herinner me één passage uit dat essay vrij precies. Een scène die speelt tijdens de Eerste Golfoorlog van 1990 vanwege de invasie van Koeweit door Saddam Hoessein. Scud-raketten op Israël. Het GroenLinks van Rosenmöller weigert om Patriot-afweer-raketten aan Israël te leveren. Ik sta op de Zeeburgerdijk in Amsterdam Oost. Aan de overkant van de straat stappen drie Marokkaanse ‘jongens’ van het bekende type stevig door. Een hippie-achtige jongen met lang blond haar loopt als een hondje achter ze aan. Hij houdt zijn handen met de handpalmen naar boven vooruit gestoken alsof hij iets wil afsmeken. Ik kan niet verstaan wat hij zegt, maar een van de drie Marokkanen is heel goed verstaanbaar: ‘Saddam Hoessein goed!’ Dat is één van die momenten dat er ergens een kwartje valt. En zo heb ik er veel gehad.

Maar dan zijn we nog steeds niet bij de islam.

Dat heeft inderdaad nog vrij lang geduurd voor ik bij de islamitische medemens arriveerde. In twee essays in Letter & Geest van Trouw –  één van 1993: Je kunt toch niet zeggen dat er geen hoop is?, en één van december 1998: Een gezond instinct voor eigen volk” – legde ik nog géén link tussen de erin beschreven straatervaringen en de islam. Maar het kwartje viel…kijk, de uitdrukking ‘het kwartje valt’ komt van het slaan tegen de zijkant van de snoep- of snack-automaat als het muntje onderweg vast blijft zitten. Na de mep hoor je het ‘krak’-klikje ten teken dat het contact tot stand is gebracht. Zo ook viel bij mij, zoals bij de meeste mensen, het kwartje pas echt met de klap van de Twin Towers. Een sluimerend weten via straatervaringen werd gewekt en vervolgens zette ik mezelf aan de studie van theorie en geschiedenis van de islam.

Hoe verontrust ik toen al was, zonder mij vooralsnog bewust te zijn van de dreiging van de islam, blijkt uit de laatste alinea van Een gezond instinct voor eigen volk:

“Op donderdag 3 december 1998 liepen we door de Leidsestraat in Amsterdam, althans ik liep, want sinds mijn driejarige dochter Marjolein de zitplaats op mijn nek heeft ontdekt, wandelt ze zelf nog weinig. Ze had haar rode hoedje op en neuriede. Het was een middag met lekker prikkelende winterlucht en ouderwetse sinterklaassfeer met al die winkelende mensen. Ik voelde mij Hollander. In een zijstraat kocht ik patat voor mijn kind in een tent met het opschrift ‘Vlaamse friet’, waar een allochtoon achter de toonbank bleek te staan. Zelfs mijn Amsterdams-straatwijze oog kon niet meteen schatten waar ter wereld hij vandaan kwam, maar we begrepen elkaar zonder woorden. Gezond instinct, zeg ik altijd maar, herkent eigen volk meteen. De patat voor Marjolein was gratis. Verder lopend bedacht ik dat dit land, Nederland, een land vol onrechtvaardigheden en gektes is, maar niettemin het beste land ter wereld. Ik wil dat dat zo blijft, want mijn kind moet erin opgroeien. Wanneer ik ooit letterlijk in het geweer zou moeten komen om in dit land te handhaven waaraan ik trouw wil blijven, is het al te laat. Ik ben niet van het lieveheersbeestje, maar oorlog is de ultieme nederlaag.”

De tweede lijn waarlangs mijn bewustzijn rond de verderfelijkheid van de islam is gewekt, heet Israël. Het kennis nemen van ‘Auschwitz’ is mijn bij uitstek vormende ervaring geweest. Ik ben van 1945. Midden jaren 1950, toen ik een jaar of tien was, ben ik ooit onverhoeds geconfronteerd met een boek vol met foto’s uit Auschwitz en ik werd daarmee, zoals Thomas Mann zegt, voorgoed verdreven uit het paradijs der kinderlijke gevoelens. Hoe diep ’t zit, weet ik omdat ik in de jaren 1980 een foto-tentoonstelling over de vernietigingskampen in het paleis op de Dam probeerde te bezoeken. Dat lukt me dus niet. Ik begon onbedaarlijk te schreien. Geluidloos, dat wel, zo tussen al die mensen. Ik ben nog geen minuut gebleven. In dat bewustzijn ben ik de geschiedenis van Israël gaan bestuderen en dan neem je automatisch kennis van ‘de Palestijnen’.

Op mijn website staat een opstel uit 2013 dat ’t resultaat is van die studie: Een korte geschiedenis van Israël. Ik heb zelf tot mijn verbazing moeten constateren dat het ’t beste is wat er, bij mijn weten, ooit in kort bestek in het Nederlandse taalgebied is verschenen over dat onderwerp.

Ben jij ooit bedreigd om je radicale standpunten inzake de islam?

Nee. Maar dat verwondert mij wel. Vermoedelijk ben ik te marginaal. Als ik iemand zou zijn die in landelijke bladen dermate radicaal anti-islamitische standpunten zou uitdragen en ook nog bekend zou zijn van de tv, dan zou ik ongetwijfeld wel bedreigd zijn. En ik ben ervan overtuigd dat ik op lijstjes van radicale moslimorganisaties voorkom, voor als de islamitische heerschappij in Europa zal zijn aangebroken.

Ik ben wel allang heel bang om mijn dochter. Zij is pas 22 en moet nog lang mee in deze islamiserende maatschappij. In mijn woonkamer hangt een blauw-wit kinder-T-shirt aan de wand met symbolen van Israël. Dat heb ik voor haar gekocht toen ze zeven jaar was, dus ergens rond 2002. Maar toen ik het haar wilde geven, realiseerde ik me dat ze het in Amsterdam niet kon dragen, omdat het agressie van moslims zou opleveren. Inmiddels is het zover dat Joden geen keppeltje meer durven dragen, terwijl ik in mijn Amsterdamse wijk als ik overdag een uur lang rondwandel minstens 100 hoofddoeken tegenkom. Die hoofddoeken waarvan de bewuste moslim weet dat het allemaal vlaggen zijn, geplant in de straten van de Westerse vijand.

Ik houd de islam voor een nazi-ideologie, de hoofddoek voor een Jodenster én een swastika tegelijk, en ik moet dus die dagelijkse aanblik tolereren. Vergelijk dat eens met die hysterische anti-Zwarte-Pieters die drie weken per jaar het gevaar lopen mogelijk ergens een keer toevallig met de zwartgeschminckte kindervriend geconfronteerd te worden.

Ik ben overigens wel ooit benaderd door de AIVD. Ik heb een aantal jaren geleden drie keer een gesprek gehad met een jonge man van die organisatie. Na afloop van het laatste gesprek kreeg ik van hem namens de dienst een mooi standaardwerk over de Joodse geschiedenis cadeau.

Je bent marginaal zeg je. Waaraan wijt je dat?

Aan het informele cordon sanitaire waardoor in Nederland alle vermeend ‘rechtse’ stemmen het zwijgen zijn opgelegd, althans zijn verdrongen naar de marge en de blogosfeer. De linkse kerkgangers hebben sinds hun ‘mars door de instituties’ die begon in 1968 elke subsidieniche bezet op de terreinen van media, onderwijs en politiek, kortom van de hele cultuur. Ik heb honderden stukken geschreven contra kranten, tv-programma’s en personen uit dat neplinkse machtsconglomeraat. En die stukken gaan allemaal over de drie I’s: Islam, Immigratie, Israël. Daaruit alleen al blijkt hoezeer het regressief-linkse machtsconglomeraat de verdediging van de islam tot kern van zijn achterlijke politiek heeft gemaakt. De oudere nep-linksen zijn gewoon van het totalitaire communisme naar de totalitaire islam overgestapt, van het zielige proletariaat naar de zielige moslim. En ze hebben zichzelf gekloond in ’n tweede en zelfs derde generatie: de millennials.

Ik schrijf elk jaar rond 27 oktober een stuk met in de titel de woorden ‘nationale collaboratiedag’ om de herinnering levend te houden aan het feit dat in 2010, met het aantreden van het kabinet Rutte-Buma met gedoogsteun van Wilders, in de Tweede Kamer met 90% van de stemmen een motie werd aangenomen van Femke Halsema, Job Cohen, Alexander Pechtold en Emiel Roemer die eiste dat de islamisering door de aantredende regering niks in de weg gelegd zou worden.

Ik heb persoonlijk ervaren hoe het cordon sanitaire rond het jaar 2000 steeds werkzamer werd. In de decennia vanaf 1980 heb ik af en toe wat gepubliceerd in de opinie-kolommen van de Volkskrant. In Letter & Geest, het diepgangs-zaterdag-katern van Trouw, heb ik zelfs als freelancer een aantal essays en interviews gepubliceerd. Ik heb er hierboven al twee vermeld. Allemaal vrolijke onderwerpjes: Bericht uit de Bijstand, Inzake Incest en Leven is een Ramp (over het recht op zelfmoord).

Maar toen trad in 1998 Frits van Exter aan als hoofdredacteur van Trouw. Ergens begin 1999 was door eindredacteur Jaffe Vink van Letter & Geest een stuk van mij goedgekeurd met de titel Baas op eigen hoofd, over de islamitische hoofddoek. Maar het stuk werd getroffen door een veto van Van Exter. Het waren de eerste tekenen dat Van Exter bezig was de islamkritische Vink eruit te werken. Dat gebeurde tenslotte in 2006. Op mijn website staat wat uitgebreider hoe hufterig Van Exter mij heeft behandeld. Hoe dan ook: met het aantreden van Van Exter was mijn carrière bij Trouw over.

Je staat bekend als iemand die niet voor een plat scheldwoord terugdeinst.

Ik provoceer om gelezen te worden. Je hebt als marginaal blogger de keuze tussen niet gehoord worden en provoceren. Doctor Erik Bink, Hegel-specialist, die inmiddels een eind in de tachtig is en de oorlog als kind heeft meegemaakt, heeft eens een mooi stuk geschreven waarin hij mij vergelijkt met een heldinnetje uit een column van Simon Carmiggelt. Dat meisje ziet hoe NSB-ers Joden aan het opdrijven zijn en ze begint dat tuig tomeloos uit te schelden. Ik scheld niet alleen, maar heb ook gewelddadige neiging. Ik vertel soms in mijn stukken ook over mijn aanvechtingen tot hele erge geweldpleging. Niet als ‘oproep tot geweld’, maar als waarschuwing: wanneer in een edele inborst als de mijne regelmatig het verlangen naar vlammenwerpers en mitrailleringen opkomt, hoe zal het er dan uitzien in het gemoed van mijn vaak zo veel minder deftige medemensen?

Zal ik eens twee mooie citaatjes inzake schelden en geweld van mijn eiges onder elkaar zetten?

“En hier is dan de kern: ik ben razend, al 30 jaar lang word ik genaaid door een nep-elite die mij staat nat te zeiken en mij vertelt dat ik geen recht heb om kwaad te worden want dat ik helemáál niet word natgezeken want dat het warm water regent. En daarom scheld ik op een gegeven moment met het volste recht die nep-elite uit voor hoeren, gekken, klootzakken, ratten, idioten, huichelaars en mafkezen. Mijn hele cultuur wordt onder mijn voeten weggegraven door die gesubsidieerde maffia, ik kan geen krant meer lezen, geen tv-programma meer bekijken en geen school meer bezoeken of ze staan daar hun waanzin uit te blèren en al wat ik voor essentieel houd te ontkennen en te besmeuren.”

“Ik zelf ben erg slecht. Dat komt omdat ik, vergeleken met de Goede Mensen, wel eens last heb van de onderbuik en ook bezit ik nog dat residuele stukje reptielenbrein dat de mens agressief maakt. De Goede Mensen zijn evolutionair verder gevorderd. Maar ik – ocharme! – heb wel eens een impuls richting bloedpap, vlammenwerpers, mitrailleurs, over het asfalt uitgesmeerde hersens, met blote handen operatief ingrijpen en wurgen. Ik heb die impulsen wel kunnen bedwingen tot nu toe. Mijn blanco strafblad heb ik niet te danken aan het feit dat ik niet betrapt ben.”

Dat onparlementaire taalgebruik heeft me trouwens ooit een waarachtig trauma opgeleverd. Ik had in 2010 meer dan een jaar lang gewerkt aan ’n essay-in-opdracht: Nazisme, Islam, Israël: de islam is een nazisme avant, pendant et après la lettre. Het was bestemd voor een verzamelbundel onder redactie van vader en zoon Wim en Sam van Rooy. We waren goed bekend met mekaar. Noem het rustig bevriend. Benno Barnard hoorde ook bij de club. Het was na een jaar noeste arbeid een mooi essay geworden, waarin ik in één greep de verwantschap van de islam met het nazisme aantoonde én de geschiedenis van Israël in relatie met die nazistische islam beschreef. Zoon Sam van Rooy verzekerde mij: ‘Dit wordt mijn favoriete opstel in het boek.

Maar wie schetste mijn verbijstering? Ik zelf in elk geval niet. Mijn essay werd afgewezen. Blijkbaar durfde Wim het mij niet rechtstreeks te melden, maar via tussenpersoon Roelf-Jan Wentholt kreeg ik op het laatste moment te horen dat mijn stuk niet opgenomen zou worden. Ik ben niet zo gauw uit het veld geslagen, maar dit was een harde klap. De reden? Een van de prominenten die ook zou bijdragen aan het boek had bezwaar gemaakt tegen mijn deelname omdat ik nog wel eens een onvertogen woordje in mijn stukken op mijn weblog gebruikte. En dat, zo had deze meneer gezegd, tastte ‘het serieux’ van de andere bijdragers aan.

Ik weet nog steeds niet wie de bezwaarmaker geweest is. Gezien die woordkeus – ‘het serieux’ – zou het een Vlaming geweest moeten zijn. Maar het kan ook bijvoorbeeld Afshin Ellian geweest zijn en dan heeft Vlaming Wim van Rooy Ellians bezwaar aldus ‘vertaald’. Hans Jansen is het niet geweest, dat weet ik zeker. Overigens kreeg ik in november 2013 een mail van van Wim van Rooy: ‘Dat we dat opstel niet hebben opgenomen heeft een lange voorgeschiedenis. Vandaag zou ik het wél integreren. Soms heeft een mens spijt dat gedane zaken geen keer nemen.

Provoceren kan ook geweldig positieve resultaten hebben. Ik kan de cijfers niet meer precies achterhalen want toen ik mijn grootste provocatie succes boekte had ik nog geen eigen weblog en zat ik op Amsterdam Post dat tegelijk overleed met zijn webmaster, Jaap Mollema. Maar het laatste cijfer dat ik van Jaap hoorde was: ‘30.000 views and counting’. Wat was het geval? Ik had me gestoord aan het gegniffel van types als Femke Halsema en Claudia de Breij over de burqa. En vervolgens de hoop uitgesproken dat de executie van deze dames precies zo zou verlopen als die op een parkeerplaats in Kaboel waar drie boerkadraagsters casual met een kopschot geëxecuteerd werden. Ik wilde de goedlachse domme dames een stukje werkelijkheid achter de burqa laten zien.

Maar zoals ’n hond naar de vinger kijkt waarmee je naar de maan wijst ging alle aandacht alleen maar uit naar het hele erge van mijn stukkie. Twitter ontplofte! Joost Niemöller liet uitschijnen dat ik eigenlijk Halsema met haar hele extended family wilde uitmoorden. Bas Paternotte bewees in de HP moeite te hebben met begrijpend lezen. Femke Halsema heeft nog aangifte tegen me gedaan. Geseponeerd uiteraard want als je mijn stuk goed las was het een aanklacht tegen de wreedheden die je zoal met de burqa in verband kon brengen en dat probeerde ik, zoals gezegd, de dames aan het verstand te peuteren.

Ik schreef:

“Dat beweer ik ook blind van de dames Claudia de Breij, Jolande Sap, Karin Dekker en Ineke van Gent. Ze durven niet met mij in debat. En ze zullen zich verschuilen achter hun gekwetstheid. Dat is een mooie catch 22: als je ze niet beledigt horen ze je niet eens, dus moet je grof worden en in dat geval grijpen ze je toon aan om het debat te ontlopen. Ik zei bewust: ‘horen ze je niet eens’. Ik zei niet: ‘luisteren ze niet eens’. Want luisteren doet de hele quasilinkse nepelite sowieso niet. Je kunt ze op hun collaboratie met de meest verschrikkelijke terreur wijzen, ze vertrekken geen aangelaatsspiertje, totdat je het op de verkeerde toon doet. Dan raak je ze in hun narcisme en dan zijn ze ineens dermate diep bewogen dat ze opmerken wat je zegt.”

Er zijn wel stukken waar ik achteraf spijt van heb. En bij die stukken heb ik ook netjes een update gezet waarin ik getuig van die spijt. Hier en hier.

Je hebt een talent voor ruzie. Want hoe kan je nou met die beleefde mensen van GeenStijl in conflict raken?

Ah! Ook dat heb je meegekregen! Misschien moet dat maar eens in geuren en kleuren verteld worden voor een jongere generatie! Opa spreekt nu van 2008. Tien jaar geleden! GeenStijl, opgericht in 2003, begon steeds meer de aandacht te trekken als mogelijke bondgenoot van ‘ons’, de oeroude garde van Strijders-van-de-Goede-Strijd. Blijkbaar bezat ik het mailadres van hoofdredacteur Pritt Stift en in alle argeloosheid stuurde ik hem een boodschap. In hoofdletters. Blijkbaar had GeenStijl iets minder vleiends gezegd over Elma Drayer en ik dacht er goed aan te doen erop te wijzen dat Drayer heus niet de beroerdste is.

Maar ik deed het in hoofdletters. Ik mag graag functioneel gebruik maken van het Caps Lock, maar deze keer was het toeval. Het stond nog aan en toen ik keek wat ik had getypt – wie is het nooit overkomen? – stond daar mijn mailtje in kapitalen. Ach wat, dacht ik. Twee korte regeltjes. Moet kunnen. Nou dat kon dus niet. Pritt Stift was hevig aangedaan door mijn typografie. Hieronder onze mail-uitwisseling:

Martien aan Pritt:
ELMA DRAYER IS EEN BONDGENOOT, WEL BEKAKT, MAAR EEN BONDGENOOT, EN EEN GOEIE

Pritt aan Martien:
SCHREEUW NIET ZO, OUWE GEK, EN LOOP NAAR DE POMP MET JE BONDGENOTEN

Martien aan Pritt:
Kijg de kanker, Pretty Stiff. Als ik je tegenkom, sla ik je op je bek. En niet zachtjes, hufter

Pritt aan Martien:
Ow. Gaan we op die toer?

Martien aan Pritt:
Ja, kleinburgerlijk rat. Ephimenco met zijn allochtoon gebrabbel noem je niet, omdat je bij hem in zijn reet zit. Ik ben klaar met je, lul. Afnokken!

Pritt aan Martien:
Ik ben nog niet klaar met u, Pennings. Schelden, prima. Domme –e-mails, vooruit dan maar. De kanker wensen, zie ik dan maar door de vingers. Maar dreigen met fysiek geweld, dat is onacceptabel.

Martien aan Pritt:
Dien een aanklacht in, kleinburgerlijke rat. Past precies bij je.

Pritt aan Martien:
Aanklacht? Ik weet iets véééél leukers!’

En wat was nou dat leuke dat Marck Burema, alias Pritt Stift, voor mij in petto had? Een heel eigen item op GeenStijl onder de titel Martien Pennings is een ouwe gek. Reaguurder ‘Prodadam’ bracht overigens onder de aandacht dat Plakstaaf mijn laatste antwoord in de reeks niet had opgenomen.

PRITT STIFT Prodadam

Ik had dus van tevoren door wat Burema zou gaan doen en hij wilde niet dat zijn lezers dat gewaar werden. Enfin. Bij een commercieel internetbedrijf gaat ‘t tenslotte om de clicks en naar het aantal reaguursels te oordelen was het een succes-item: 362.

Vanaf dat moment ben ik scherp op GeenStijl gaan letten en zag als oudere een opvoedende taak voor mij weggelegd ten aanzien van deze rebelse jeugd. Achteraf1 begrijp ik overigens niet meer waarom ik Ephimenco zo denigrerend bejegende in die mailwisseling. Ik vind hem een van de beste columnisten die we hebben in Nederland.

En nu het er toch over gaat: ook met Powned heb ik een heftige affaire gehad! Het zat zo. In het jaar 2010, terwijl ik aan het pracht-essay werkte dat door Wim van Rooy tenslotte geweigerd werd, publiceerde ik tussenresultaten van mijn onderzoekingen. Onder die resultaten bevond zich het inzicht dat de Moefti van Jeruzalem, Amin al-Husseini (1897 – 1974) een grote rol had gespeeld bij het besluit van Hitler tot de ‘eindoplossing’, de Endlösung, de industriële vernietiging van de Joden.

Inmiddels is mijn gelijk in dat opzicht uitbundig aangetoond. In 2017 is er een mede door mij verzorgde vertaling op de markt gekomen van een boek dat uitzinnige hoeveelheden bewijs levert voor de diepe verbondenheid tussen de Moefti en Hitler en tussen de islam en het nazisme. Maar in 2010 was dat nog geen gesneden koek en zeker niet voor intellectuelen als Dominique Weesie en Rutger Castricum van Pownews. Die hadden in die tijd elke werkdag een nieuwsuitzendinkje van een kwartiertje. En op 10 november 2010 kondigde Weesie een item aldus aan:

“Commotie binnen de PVV. Zo blijken drie prominente partijleden regelmatig artikelen te publiceren op een wel héél obscure website. Een website waarop Femke Halsema en Tofik Dibi worden doodgewenst en waar wordt gesteld dat moslims achter de Holocaust zitten. De website wordt geleid door Martien Pennings. Deze man heeft een ban voor het leven op Geenstijl wegens het structureel uitslaan van racistische teksten. En dus is mijnheer een eigen website begonnen: artikel 7 punt nu. Allemaal prima natuurlijk, leve immers de vrijheid van meningsuiting, maar om het nou zo handig is om hier als PVV-er je naam aan te verbinden is natuurlijk vers twee.”

Die website waarop ik schreef “Artikel 7” was helemaal niet van mij en die ‘ban voor het leven op Geen Stijl’ was niet “wegens het structureel uitslaan van racistische teksten”, maar uiteraard gewoon vanwege die ruzie met Pritt. Prachtig was ook de insinuatie dat ik zou beweren dat niet de nazi’s maar de “moslims achter de Holocaust zitten”. Enfin, ik werd dus on neesjunwaid tievie aan de kaak gesteld als islamofobe, racistische, doodwensende Holocaust-vervalser. Natuurlijk heb ik een en ander recht gezet, en wel onder de titel De Lasterende Ratten van PowNieuws en GeenStijl.

Je twitterde een oude foto waarop je hetzelfde masker draagt als op de foto boven dit interview. Je staat dan tusen Eddy Terstall en Hans Jansen. Vertel!

Voor die foto moeten mensen even naar deze tweet van mij. Let op het  voortreffelijke onderschrift. Ik zou niet meer weten uit welk jaar precies. Ergens tussen 2005 en 2010. Samen met Eddy was ik toen nog bezig met pogingen de PvdA-tanker van koers te doen veranderen inzake de islam. Dat is niet gelukt en zodoende is de PvdA van 42 zetels (in 2003) naar 9 zetels in 2017 gegaan. De negen essays die ik in die tijd aan de PvdA-top heb proberen te slijten, gingen allemaal onder de titel Aan de obscurantisten.

Op websites schreef ik toen nog onder pseudoniem – ‘Kassander’, ‘Leo Sar’ (Rasoel!) – want na de Twin Towers in 2001 en de moord op Theo van Gogh in 2004 was ik steeds scherper gaan beseffen hoe gevaarlijk die islam is. Ik ben geout door Hassnae Bouazza in de NRC. Toen had je nog websites die zo dom waren dat ze je mailadres bij je reactie vermeldden als je vergat aan te geven dat niet te willen. Hassnae had dat gezien en toen ze een stukje over nare rechtse bloggers in de NRC mocht schrijven, gaf ze verlekkerd mijn echte naam prijs. Maar mijn gezicht hou ik liever geheim. Van die die jeugdfoto op mijn twitter-account gaan ze me nu niet meer herkennen op straat.

Hoe ziet je sociale netwerk er tegenwoordig uit?

Zéér beperkt. Ik woon alleen. Oud en eenzaam. Met de liefde ben ik wel klaar. Ik heb door Eddy Terstall kort verkeerd in BN-erskringen. Maar het contact met Eddy werd moeizaam en ik raakte geïsoleerd. Dat ligt niet aan hem. Ik ben een loner en ik kan bovendien nogal heftig zijn. Beetje Theo van Gogh-achtig. Maar als je dan niet ook Theo van Gogh bént wordt dat niet gepikt. Maar het bezwaarlijkste voor hem is dat ik mij zéér radicaal opstel inzake de islam. Terwijl Eddy voor zijn filmwerk afhankelijk is van subsidies die verstrekt worden door linksregressieve bureaucraten. Dan kan je niet openlijk bevriend zijn met mij. Eddy is ook nog ‘s iemand met een enorm netwerk waaronder prominente politici. Dan is het lastig voor hem als ik bijvoorbeeld islamgoedprater Lodewijk Asscher die leider is van een partij die Israël wil boycotten een erfelijke belaste en gedegenereerde Stockholm-syndroom-Jood noem.

Wel heb ik een prima contact met de moeder van mijn dochter en dochterlief zelf. Die is van 1995, nu 22 dus. In feite schrijf ik nog steeds tegen de bierkaai omwille van haar. Omdat ik voor haar wil dat het continent-puntje West-Europa leefbaar blijft. Ik herinner me een morgen toen ze een jaar of vier was. Ze zat nog in bed, popje in de hand, speen in de mond. Die deed ze netjes uit voor ze zomaar vanuit het niets zei: ‘Weet je wat ik nóóit wil meemaken? Oorlog!’ Ze studeert, komt veel in het centrum van Amsterdam, is verknocht aan de stad, en ik ben altijd bang dat ze toevallig op de plek van die aanslag zal zijn die onvermijdelijk ooit zal komen.

Heb ik nog onderwerpen laten liggen?

Talloze! Bijvoorbeeld hadden jullie kunnen vragen of ik wel eens in ‘religie’ ben gevlucht. Het antwoord is ja. Ik heb rond mijn 30ste een marxistisch-economistisch-dogmatische periode gehad waarin ik zeker wist dat door ‘de tendentiële daling van de winstvoet’ het kapitalisme binnen afzienbare tijd apocalyptisch zou instorten. Ik ben tegen mijn 50ste nog een tijd verslaafd geweest aan een boek dat ook al absolute bevrijding in het vooruitzicht stelde. Daarvan heb ik verslag gedaan in een essay onder de titel: Onder de invloed: de totalitaire verleiding van Een Cursus in Wonderen. En ik heb me verdiept in de enorme verschillen tussen tussen Joods-Christelijk-Verlichte traditie en islam.

Maar zo is het wel genoeg, is het niet? Wie mijn ontwikkeling als wereldleraar wil volgen kan terecht op de linkerzijde van mijn weblog: daar vind je mijn hersenspinseltjes van juni 2006 tot vandaag.
________________

Bron: TPO.

 

Advertenties