In 1997 schreef Cynthia Ozick een stuk in de “The New Yorker” over de trivialisering van Anne Frank door mensen die het Absolute Kwaad van de Holocaust en het specifieke van de Jodenhaat niet onder ogen willen zien. Ozicks stuk is een longread van zo’n tienduizend woorden en ik vond dat ik, om ’t goed te begrijpen, er een analyse van moest maken.

Die analyse volgt verderop, maar eerst wil ik melden dat ik werkend daaraan tot de conclusie moest komen dat het wegkijken van precies datzelfde nazisme dat Anne Frank doodde vandaag de dag nog steeds even sterk in de mode is. Iedereen die zijn ogen open heeft, kan inmiddels weten dat Jodenhaat zich nu maskeert als “kritiek op Israël”, als “anti-Zionisme” en “liefde voor het onderdrukte Palestijnse volk” en dat die haat virulent is onder moslims en hun linkse collaborateurs.

Iedereen die de moeite heeft genomen zich te informeren, kan inmiddels weten dat de islam één op één elk wezenskenmerk deelt met het nazisme, een geschiedenis van 1400 jaar oorlogszucht achter de rug heeft en na WO II de gemengd nazistisch-islamitische traditie in volle ere heeft gehouden. Voorts zou iedereen met een minimum aan gezond verstand en nieuwsgierigheid de werkelijke geschiedenis van Israël kunnen kennen en moeten weten dat “het Israëlisch-Palestijnse conflict” maar om één reden blijft voortbestaan, namelijk omdat de Palmaffia’s de terreur tegen Joden in Palestina al 100 jaar volhouden en géén vrede willen maar slechts de vernietiging van Israël en een genocide op de Joden aldaar. Alléén in de islamitische wereld is na 1945 de Jodenhaat en de Hitler-verering mainstream en algemeen aanvaard gebleven.

Ook “linkse” types zouden dus zo langzamerhand de waarheid over islam, Joden en Israël kunnen weten, althans bevroeden, maar het punt is dat ze niet willen. Ze zijn te genotzuchtig, te zeer verslaafd aan een fijn gevoel in het eigen hoofd en het eigen organisme. Precies zoals het publiek in de jaren 1950 and beyond een “grappige”, “dappere” en “optimistische” Anne Frank wilde en niet een meisje dat gecrepeerd was in de Hel van het Absolute Kwaad.

Tot voor kort werd de koestering van het Absolute Kwaad dat islam heet ook openlijk bedreven door de Anne Frank-Stichting. Moslims werden door de Stichting voorgesteld als de “nieuwe Joden” terwijl moslims natuurlijk de oudste Joden-jágers zijn. In 2011 heb ik daarover geschreven onder de titel “Hans Westra heeft Anne Frank erger dan seksueel misbruikt”. Hans Westra was tot 2010 directeur van de Anne Frank-Stichting.

Tegenwoordig is Ronald Leopold directeur en onder zijn bewind schijnt er toch iets meer aandacht te zijn voor het historische nazisme waardoor Anne tenslotte toch gebroken werd. Sinds de verbouwing in 2018 van het museum bij “het Achterhuis”, zegt Leopold, is het “nu een huis waarin het levensverhaal van Anne Frank en de geschiedenis van deze familie verteld wordt, op een manier die je ook zicht geeft op die brede geschiedenis.”

Maar ik betwijfel of die geschiedenis breed genoeg is om ook die oudste manifestatie van een nazi-mentaliteit te omvatten, namelijk de islam. Een portret met een klein biografietje van Amin al-Husseini (1897 – 1974), Moefti van Jeruzalem en bondgenoot van Hitler zal ik ongetwijfeld vergeefs zoeken in het verbouwde museum. In een persoonlijk stukje van Leopold op de wiwar-website van de Stichting heet het:

“Alhoewel het leven van een 15-jarige nu en dat van Anne Frank in 1944 sterk van elkaar verschilt, delen zij de droom van gelijke rechten voor iedereen, van een open en vrije samenleving, van jezelf kunnen zijn. Het is in deze idealen dat Anne Frank, Martin Luther King, een tienermeisje uit de favela van Rio de Janeiro en een puber uit Amsterdam-West elkaar vinden.”

Ik denk dat het niet zal meevallen met name die puber uit Amsterdam-West tot de idealen van Leopold te bekeren. Want dat is waarschijnlijk een Marokkaanse moslim, die er geen moeite mee heeft helemaal zichzelf te zijn. In dat hele vaag-idealistische stuk van Leopold wordt de Grote Groene Olifant in de kamer — de islam dus — niet eens genóémd.

En dan nu de analyse van het stuk van Cynthia Ozick dat de na-oorlogse ont-Joodsing en trivialisering van Anne Frank aan de kaak stelt door een genotzuchtig wegkijkpubliek en toneelschrijvers die zich beijverden om dat publiek te plezieren.

Ozick begint met vast te stellen dat Anne Frank een geboren schrijfster was, van wie we nog heel veel gehoord zouden hebben, had ze blijven leven. Dat is niet het geval, zo weten we, want ze is ongeveer één maand voor de bevrijding van Duitsland in Bergen Belsen onder gruwelijke omstandigheden overleden aan tyfus. Anne Franks Dagboek bevat het verhaal van het leven in “het Achterhuis”, maar niet het verhaal van het verraad, het wegvoeren via Westerbork naar Duitsland, de tijd in Auschwitz en de helletocht naar Bergen Belsen. De laatste passage heeft ze op 1 augustus 1944 in het Achterhuis geschreven. Op 4 augustus is ze weggevoerd naar Westerbork. Daarmee, zegt Ozick, is haar dagboek wel een verhaal dóór Anne Frank, maar niet het verhaal óver Anne Frank. Want het einde onbreekt. Zodoende is het Dagboek voorál niet, zoals veel wordt beweerd, een verhaal, of zelfs hét verhaal, over de Holocaust.

Wat ook heel veel is beweerd, aldus Ozick: dat het dagboek een vitaal bezingen van het leven is, in weerwil van alle ellende. Dat het getuigt van “the indestructible nobility of the human spirit”. Dat is, zegt Ozick, een kitscherige en gemakzuchtige ontkenning van het Absolute Kwaad waartoe die edele menselijke geest steeds weer in staat blijkt en waardoor Anne’s geest maar al te gemakkelijk gebroken kon worden. Anne bevond zich eind october 1944 in Auschwitz:

“But Soviet forces were hurtling toward Auschwitz, and in November the order went out to conceal all evidences of gassing and to blow up the crematoria. Tens of thousands of inmates, debilitated and already near extinction, were driven out in bitter cold on death marches. Many were shot. In an evacuation that occurred either on October 28th or on November 2nd, Anne and Margot were dispatched to Bergen-Belsen. Margot was the first to succumb. A survivor recalled that she fell dead to the ground from the wooden slab on which she lay, eaten by lice, and that Anne, heartbroken and skeletal, naked under a bit of rag, died a day or two later. [mijn vet]

Inderdaad:

“ ( . . .) Auschwitz and Bergen-Belsen, however sacramentally prodded, can never yield light”.

Maar toch is dat precies wat er gebeurde in de naoorlogse strijd om de vraag wie in Amerika de toneelbewerking van het Dagboek zou mogen doen en dus hoe Anne Frank daarin gepresenteerd zou worden. Sommigen, onder wie haar vader, die Auschwitz had overleefd, vonden dat er “licht” en “hoop” geput moest worden uit de tekst van een meisje dat niet wist dat een gruwelijke dood door het Absolute Kwaad haar te wachten stond. “Who owns Anne Frank?” Ozick spreekt van “the shamelessness of appropriation”.

Ze geeft het sterke voorbeeld van Cara Wilson-Weiss (geboren 1944) die een rol in een voorgenomen film over het Dagboek niet kreeg, maar gefascineerd raakte door Anne, zich op een triviale manier met haar identificeerde en aldus bijdroeg aan de verkitsching van Anne Frank én de Holocaust. Cara Wilson-Weiss voerde een decennia-lange correspondentie met vader Otto Frank. Uit die correspondentie blijkt dat Otto Frank deze trivialisering toejuichte. Steeds benadrukte hij “Anne’s idealisme” en “optimistische levensvisie”. En de in 1980 overleden vader maakte school:

“Natalie Portman, sixteen years old, who will début as Anne Frank in the Broadway revival this December [1997] of the famous play based on the diary—a play that has itself influenced the way the diary is read—concludes from her own reading that ‘it’s funny, it’s hopeful, and she’s a happy person’.” [mijn vet]

Ozick probeert deze houding van Otto Frank te verklaren vanuit diens eigen jeugd in Frankfurt: een bankiers-zoon met een onbezorgde jeugd in een tijd waarin seculiere Joden probeerden te assimileren, en dus een zekere neiging vertoonden iedereen te vriend te houden.

“Otto Frank grew up with a social need to please his environment and not to offend it; that was the condition of entering the mainstream, a bargain German Jews negotiated with themselves. It was more dignified, and safer, to praise than to blame. Far better, then, in facing the larger postwar world that the diary had opened to him, to speak of goodness rather than destruction: so much of that larger world had participated in the urge to rage.”

Maar Anne, zegt Ozick, had een andere kindertijd:

“Anne’s childhood, by contrast, fell into shadows almost immediately. She was not yet four when the German persecutions of Jews began, and from then until the anguished close of her days she lived as a refugee and a victim. In 1933, the family fled from Germany to Holland, where Frank had commercial connections ( . . .). By 1940, the Germans had occupied the Netherlands. In Amsterdam, Jewish children, Anne among them, were thrown out of the public-school system and made to wear the yellow star.”

En dan geeft Ozick twee citaten uit het dagboek ter illustratie dat de Anne-van-het-Achterhuis — (dus niet eens de Anne-van-Auschwitz-en-Bergen-Belsen) — andere primaire ervaringen had:

Nadat Anne gehoord had hoe het in Westerbork toeging, schreef ze op 9 october 1942:

“Our many Jewish friends and acquaintances are being taken away in droves. The Gestapo is treating them very roughly and transporting them in cattle cars to Westerbork. . . .The people get almost nothing to eat, much less to drink, as water is available only one hour a day, and there’s only one toilet and sink for several thousand people. Men and women sleep in the same room, and women and children often have their heads shaved. . . . If it’s that bad in Holland, what must it be like in those faraway and uncivilized places where the Germans are sending them? We assume that most of them are being murdered. The English radio says they’re being gassed.”

Op 19 november 1942 scheef ze:

“In the evenings when it’s dark, I often see long lines of good, innocent people accompanied by crying children, walking on and on, ordered about by a handful of men who bully and beat them until they nearly drop. No one is spared. The sick, the elderly, children, babies, and pregnant women—all are marched to their death.”

Maar het meest gevierde zinnetje uit het Dagboek is dit geworden:

“I still believe, in spite of everything, that people are truly good at heart.”

Niet wordt vermeld, zegt Ozick, dat twee zinnen verder en drie weken voor ze naar Westerbork werd vervoerd, het volgende staat:

“I see the world being slowly transformed into a wilderness, I hear the approaching thunder that, one day, will destroy us too, feel the suffering of millions. . . . In the meantime, I must hold on to my ideals. Perhaps the day will come when I’ll be able to realize them!”

Dus, vraagt Ozick, waarom zou de boven geciteerde zin emblematisch moeten zijn voor Anne Frank en niet, bijvoorbeeld:

“There’s a destructive urge in people, the urge to rage, murder, and kill”.

Ozick stelt vast dat er na 1945 een behoefte ontstond te vergeten en toe te dekken. En Anne’s Dagboek werd zodanig toegetakeld dat het een rol in die hang naar amnesie kon vervullen. Otto Frank had al in 1951 nogal wat geschrapt. Bijvoorbeeld Anne’s intimiteiten rond seksualiteit en haar eigen lichaam; een boze opmerking over haar moeder; uitbarstingen van religiositeit; angstige passages over door Duitsers opgepakte Joden.

“And so the diarist’s dread came to be described as hope, her terror as courage, her prayers of despair as inspiring. And since the diary was now defined as a Holocaust document, the perception of the cataclysm itself was being subtly accommodated to expressions like ‘man’s inhumanity to man’, diluting and befogging specific historical events and their motives. ‘We must not flog the past’, Frank insisted in 1969. His concrete response to the past was the establishment, in 1957, of the Anne Frank Foundation and its offshoot the International Youth Center, situated in the Amsterdam house where the diary was composed, to foster ‘as many contacts as possible between young people of different nationalities, races and religions’—a civilized and tenderhearted goal that nevertheless washed away into do-gooder abstraction the explicit urge to rage that had devoured his daughter.” [mijn vet]

Ozick stelt het niet zo, maar waar het op neerkomt is de vraag: hoe zou Anne Frank, als ze die ene maand Bergen-Belsen nog overleefd had, zelf naar de mensheid en de Holocaust hebben gekeken? Na de ervaring dus in onderstaande en hierboven al geciteerde passage:

“But Soviet forces were hurtling toward Auschwitz, and in November the order went out to conceal all evidences of gassing and to blow up the crematoria. Tens of thousands of inmates, debilitated and already near extinction, were driven out in bitter cold on death marches. Many were shot. In an evacuation that occurred either on October 28th or on November 2nd, Anne and Margot were dispatched to Bergen-Belsen. Margot was the first to succumb. A survivor recalled that she fell dead to the ground from the wooden slab on which she lay, eaten by lice, and that Anne, heartbroken and skeletal, naked under a bit of rag, died a day or two later.”

Onderstaande alinea komt uit het verhaal van een jeugdvriendin van Anne, Hannah Goslar, die ook in Bergen-Belsen zat en had ontdekt dat Anne zich in ’n ander, afgesloten deel van dat kamp bevond. Hannah wist door de hoge en dichte afscheiding heen contact met Anne te maken:

“In februari 1945 kregen we een heel klein pakketje, wat groter dan een boek, en daar zat knäckebröd in, gedroogde pruimen en dit soort zaken. Ik zei dus: “Anne, kom over 2 of 3 dagen hierheen, ik zal kijken wat ik kan organiseren”. Iedereen gaf me iets: een paar kousen, handschoenen en knäckebröd. Ik kwam dus met een klein pakketje bij de omheining en ik riep Anne. Toen ik haar aan de andere kant hoorde zei ik: “Let op, ik gooi er wat over”. Toen hoorde ik haar schelden en huilen. Er waren daar overal hongerige vrouwen en ik kon die niet zien omdat de omheining zo hoog was. Een andere vrouw had het pakket opgevangen, rende ermee weg en heeft het niet aan Anne gegeven.”

Meer dan de helft van de negen-duizend woorden die Ozicks stuk telt gaan op aan de ingewikkelde intriges rond de rechten op de toneel-bewerking van het Dagboek. Ik ga niet alle namen noemen, maar eentje springt er wel uit. Meyer Levin (1905 – 1981) was een Amerikaanse journalist en linkse anti-Stalinist. Hij publiceerde boeken vol sociaal-realisme, rapporteerde vanuit de Spaanse Burgeroorlog en smokkelde in 1946-1947 vanuit Europa Joden naar het door de Engelsen beheerste Palestina. Maar zijn voornaamste ervaring deed hij op toen hij in de voorhoede van het Amerikaanse leger bij de eersten binnen kwam in Buchenwald, Dachau, and Bergen-Belsen.

“What he saw there was ungraspable and unendurable. ‘As I groped in the first weeks, beginning to apprehend the monstrous shape of the story I would have to tell’, he wrote, ‘I knew already that I would never penetrate its heart of bile, for the magnitude of this horror seemed beyond human register.’ The truest telling, he affirmed, would have to rise up out of the mouth of a victim.” [mijn vet]

In 1950 publiceerde Levin een door Thomas Mann bewonderd boek getiteld “In Search”, waarin hij probeerde te verwoorden wat voor hem, als Amerikaanse Jood, datgene betekende wat hij had gezien in de kampen. Toen hij op de Franse vertaling van het Anne’s Dagboek stuitte, meende hij de authentieke stem van een slachtoffer van de Holocaust gevonden te hebben. Hij zocht contact met Otto Frank, en kreeg van hem de verzekering dat hij, Levin, degene was die de toneelbewerking mocht verzorgen.

Dan beschrijft Ozick zeer ingewikkelde, eh . . . . . verwikkelingen waarin vele namen vallen, die niet allemaal van evenveel belang zijn. Ik noem er vier: Garson Kanin, Lilian Helman en Albert Hacket met zijn vrouw Frances Goodrich. Je zou ze misschien even goed niet kunnen noemen, maar ze zijn verantwoordelijk voor de twee grote misvormingen van het Dagboek in het toneelstuk dat in 1955 op de Broadway-planken kwam. Die misvormingen werden mogelijk doordat Otto Frank steeds meer afstand nam van Meyer Levin en Levin tenslotte niet degene werd die de toneelbewerking mocht verzorgen, waardoor die bewerking in handen kwam van de vier bovengenoemde namen. Die twee misvormingen waren in de geest van Otto Frank.

Ten eerste kon je na het zien van het toneelstuk geloven dat het Goede overwint, dat de geest van Anne ongebroken bleef en er hoop voor de Mensheid is. Maar dat is niet waar: het Kwaad overwon want Anne crepeerde ellendig in Bergen-Belsen en misschien is de boodschap dus wel dat er géén hoop is voor de Mensheid.

(Wie nog sterker wil chargeren zou kunnen zeggen dat de toneel-scribenten vooruitliepen op moderne tv-programma’s waarin mannen en vrouwen op een eiland worden geïsoleerd, waarna “uitdagingen” ervoor zorgen dat er “verwikkelingen” ontstaan. Het Achterhuis als “Temptation Island” of “Expeditie Robinson”, waar het komt tenslotte allemaal goed komt, al heb je verliezers en winnaars, maar dat hou je toch.)

Ten tweede werd het Dagboek ont-Joodst, waardoor Anne tot een symbool van universeel lijden werd waarin iedereen, zelfs de Duitse natie, troost kon vinden. Passages die op het Joodse karakter van Anne wezen en op de Jodenhaat van de nazi’s, werden systematisch geschrapt. Deze passage bijvoorbeeld:

“In the eyes of the world, we’re doomed, but if after all this suffering, there are still Jews left, the Jewish people will be held up as an example. Who knows, maybe our religion will teach the world and all the people in it about goodness, and that’s the reason, the only reason, we have to suffer. . . . God has never deserted our people. Through the ages Jews have had to suffer, but through the ages they’ve gone on living, and the centuries of suffering have only made them stronger.”

Maar in het toneelstuk kwam wél een zin voor die helemaal niet in het Dagboek staat:

“We’re not the only people that’ve had to suffer. There’ve always been people that’ve had to . . . sometimes one race . . . sometimes another.”

In het in 2013 uitgekomen boek van minstens twee kilo “Anne Frank: Verzameld Werk” staat een essay van Francine Prose onder de titel “De receptiegeschiedenis van het dagboek”, waarin de volgende passage over een film die in 1959 uitkwam:

“Waarschijnlijk werd bij de definitieve versie rekening gehouden met de reacties van het publiek bij de try-outs. ( . . .) Bij een try-out in San Francisco had het publiek kritiek op de slotscène, die Anne Frank in het concentratiekamp toont. Deze scène werd uit de film geknipt zodat Anne aan het einde van de film haar geloof in de goedheid van de mens kon verkondigen.”

In 1991, elf jaar na de dood van Otto Frank, kwam er een editie waarin zijn censuur ongedaan was gemaakt. “But”, meent Ozick, “the image of Anne Frank as merry innocent and steadfast idealist—an image the play vividly promoted—was by then ineradicable.” [mijn vet]

Het is jammer dat ik nooit de bewerking van Leon de Winter en Jessica Durlacher uit 2014 heb gezien. Dat heb ik niet nodig, want ik weet alles al, dacht ik indertijd. Maar het stuk van Ozick nu gelezen hebbend, word ik uiteraard alsnog nieuwsgierig. Te laat.

Ik zou er graag van uitgaan dat het beeld dat Kanin, Helman en de Hackets van Anne Frank in 1955 hebben opgehangen door het Nederlandse schrijvers-echtpaar nu vergruizeld is. Maar dat is niet zeker. Durlacher laat het AD, aan de vooravond van de première in mei 2014, het volgende optekenen:

“In haar onderzoek naar het leven van Anne kwam Durlacher tot nieuwe inzichten. ‘Misschien komt het door mijn herinnering aan dat oude toneelstuk, maar ik heb een heel ander beeld van Anne Frank gekregen. In mijn beleving was het een hittepetitje, een bakvisje. Het laatste jaar ben ik haar echt gaan zien als een leuke, diepzinnige, complexe, interessante, ontroerende, geestige, vrolijke persoonlijkheid.’ ” [mijn vet]

Toch weer die leuke geestige vrolijkheid dus.

wentholt beeldje anne frank 1wentholt beeldje anne frank 2

Stukje uit 2011 op Hoeiboei

UPDATE 27 JANUARI:

frank anne european greens misbruik

Extreem gevalletje  misbruik. Zie dit bericht op GeenStijl. Natuurlijk is niet “the extreme right”  — (daartoe vinden deze gekken trouwens iedereen behoren die het niet precies met ze eens is) — verantwoordelijk voor het rijzende antisemitisme in de wereld maar het met de islam collaborerende links-regressieve narcistisch-hedonistische zelfverheffingsneuroten-machtsconglomeraat. En ze beweren, na kritiek, dat hun logo per ongeluk op de plek stond waar je ook de Jodenster zoekt. Dat liegen ze natuurlijk.

______________