tweedehands zitbank

Tweedehands zitbank

Zoals ik al zei: de Surinaams-Hindoestaanse heeft een bloeiende handel geopend in het tijdelijk leegstaande pand onder mij. Ze wordt door de woningbouwvereniging gedoogd, als een soort kraakwacht. Het pand is geheel gestript van alles, zodat mijn planken vloer haar plafond is. Er zit letterlijk slecht 1 centimeter hout tussen haar handel in tweede-hands meubilair en mijn kamers. Er wordt veel gesleept met vooral zware banken en veel gestofzuigd en ook hard gepraat. Ik (73) heb mijn middagslaapje moeten opgeven, want rond die tijd begint het krijsende gesleep van zitbankpoten meestal. Maar in Amsterdam leer je tolerant zijn en ik heb dus niet geklaagd bij de woningbouwvereniging die eigenaar is van alles, ook van mijn etage. Ik heb de handel-Hindoestaanse één keer aangesproken aan het begin om haar duidelijk te maken dat het érg gehorig is. Daarbij viel mij haar, eh . . . . . .  geprononceerde assertiviteit al op.

Laatst was ik mijn race-fiets aan het buiten zetten, toen er een echt héél klein hondje in mijn traphalletje verscheen. Ik reageerde impulsief richting de onzichtbare eigenaar: “Oh, oh! Hou die enge hond bij je!” Een grapje. Uiteraard. Ik steek mijn neus om de hoek van de deur en zie de dochter van de Hindoestaanse, een struise plusminus 17-jarige, die ik nog nooit betrapt heb zonder haar blik op een smart-phone. Het is blijkbaar het gezinshondje. Ze negeert mij en mijn grapje totaal, kijkt me niet eens aan en klimt het openstaand raam in dat dienst doet als deur van de winkel en waardoorheen DHL-jongens-van-kleur regelmatig nieuwe tweedehandshandel naar binnen stouwen dan wel verkochte waar er weer uit halen. Ik word een beetje giftig en roep achter haar door het raam verdwijnende kont: “Hé, doe ’s fatsoenlijk! En me totaal negeren is dat niet!” Moeder heeft het gehoord en ik leg het uit. “Ach ja, de jeugd van tegenwoordig” zegt ze. “Ja”, beaam ik, “maar ik zeg er wél iets van.” Zij antwoordt: “Ja, ik ook.” Dus ik begon te denken dat haar geprononceerde assertiviteit misschien toch nog meeviel.

Maar nou kwam ik deze zaterdagmorgen van het tuincentrum met een zware rol bamboe-achtige tuinafscheiding op mijn fiets. Voor mijn balkon. Ik kan niet anders dan vlak bij de raam-deur afladen, waar juist weer een bank op het punt staat naar binnen geschoven te worden. Ik heb alle moeite om mijn fiets af te laden. Mevrouw staat binnen achter het raam, niettemin bijna op mijn lip, maar geen blik mijn richting. Met andere woorden: ze negeert me volkomen en dat doet ze bewust. Ik zeg, terwijl ze naar buiten stapt, mij nog steeds negerend: “Kan er geen goeie morgen af?”

Nou, dat had ik niet moeten zeggen! Ze breekt los in een uitzinnge rant die ik af en toe met een tegenwerping weet te onderbreken. Ze gaat echt door het lint. Ik laat de scheldwoorden eruit, want daarvan heb ik alleen “creep” onthouden:

“Je moet je bek houden tegen mij! Mij een beetje een beleefdheids-lesje leren! Ik ben niks van jou en jij niks van mij!”

“Je bent mijn buurvrouw en ik heb last van je.”

“Bek houwe! Of je krijgt een bitch-slap van me in je smoel!”

Ze staat vlak voor me en ik vraag:
“Werkelijk?

Waarna een lange kale blanke, een veertiger met een oorringetje, vermoedelijk haar echtgenoot, zich tussen mevrouw en mij posteert.

“Ja, ik ga je slaan en anders doet hij het wel.”

Borst aan borst met de oorringdrager en naar hem opkijkend, probeer ik een begin van een uitleg, maar besluit: “Ach, laat ook maar  . . . .”

Ik ben geen moment bang, maar wel hogelijk verbaasd over de haat die bij zijn vrouw loskwam. En ze is nog niet klaar.

“Kop houwe. Geen goeie morgen of goeie middag of goeie avond! Niks meer!”

Een van de jongens-van-kleur van DHL, staande in de laadbak van zijn vehikel, draait het om. Altijd een goeie tactiek. Ik had ook wel ’s de eerste kunnen zijn om te groeten, meent hij. Tsja. Ga dat dan maar ’s uitleggen: dat mevrouw me bewust en opzichtig stond te negeren, me geen blik waardig keurde en mij aldus van de mogelijkheid beroofde om als eerste dat goeie morgen uit te spreken.

Enfin. Misschien moet ik de woningbouwvereniging ’s op de hoogte stellen van de overlast en de bedreiging. Daarover ben ik nog met mezelf in discussie.

_________________