Ten Geleide door Martien Pennings

Elk jaar gedenk ik rond 27 oktober als “Nationale Collaboratiedag” het feit dat Halsema, Cohen, Pechtold en Roemer in 2010 bij het aantreden van het door Wilders gedoogde kabinet Rutte I een motie indienden, die . . . . . enfin, kijk zelf maar even:

Dit krasse staaltje van openlijk landverraad en collaboratie met een nazi-ideologie wordt in context gezet in een geweldig stuk over de drie “vergissingen” die linkse “intellectuelen” massaal hebben gemaakt in de afgelopen honderd jaar, namelijk de collaboratie met het stalinisme, met het maoïsme en met de islam. Overigens: er valt veel voor te zeggen dat niet alleen de collaboratie mét maar zelfs de oorsprong van het hitlerisme óók op links gezocht moet worden. Aan die problematiek raakt Jan Herman Brinks slechts zijdelings, voor het echte werk terzake moet u bij Martin Bosma zijn.

Jan Herman Brinks? Tot mijn schande moet ik bekennen dat ik tot een week geleden nog nooit van deze op 21 januari 2020 overleden denker had gehoord. Tot ik eindelijk eens toe kwam aan het lezen van zijn essay in de verzamelbundel “CULTUURMARXISME — Er waart een spook door het Westen” (Aspekt, 2018) en constateerde dat onder de titel “Over het drievoudig falen van westerse intellectuelen tussen 1917 en 2017” een extreem helder en raak stuk schuil ging. Ik zet het hieronder on-line en ik voel me daartoe gerechtigd om twee redenen. Ten eerste stáát het al on-line en ten tweede verdient dit opstel het uit de relatieve verborgenheid van een verzamelbundel te worden getrokken en zo ruim mogelijk in het licht gezet te worden. Hieronder een biografietje van Brinks dat ik gejat heb uit genoemde verzamelbundel.

********************************************************

OVER HET DRIEVOUDIG FALEN VAN WESTERSE INTELLECTUELEN TUSSEN 1917 EN 2017

Door Dr. Jan Herman Brinks

“ . . . een intellectueel vindt vaak een zekere morbide fascinatie in de puriteinse en repressieve aspecten van het Soviet-regime en ook in zijn enorme, naar buiten gerichte zelfvertrouwen, dat zo opvallend contrasteert met het verontschuldigende, weifelachtige zelfbeeld van de democratische wereld.” (Adam Ulam, 1966)

Eén van de eerste daden van de triomferende bolsjewiki was het loslaten van criminele geestelijk gestoorden. Immers, alles — ook ziekte — was een gevolg van klassenpositie. Zodra de sociaaleconomische omstandigheden waren gewijzigd zou dit probleem vanzelf verdwijnen. Veel van deze delinquenten sloten zich aan bij de nieuwe machthebbers, of kozen om moordend, plunderend en verkrachtend door het land te trekken. Het doel, het uiteindelijke doel, van de Russische Revolutie was het scheppen van de Nieuwe Mens — en dit met alle middelen die de partij en de staat ter beschikking stonden. Hierbij had vanaf het allereerste begin het adagium van Louis Antoine Saint-Just, één van de hoofdfiguren tijdens de Terreur van de Franse Revolutie, volledige geldigheid: ‘geen vrijheid voor de vijanden van de vrijheid’.

De enorme destructieve energie die van het bolsjewisme uitging heeft een generatie westerse intellectuelen betoverd. Terwijl de goelags met miljoenen volstroomden, vonden de bolsjewiki talloze sympathisanten en handlangers binnen de culturele elites van West-Europa en de VS. De vredesbeweging, antifascisme en Volksfront werkten, ondanks de dikwijls partijcommunistische sturing, als een magneet. Bovendien voelden veel van deze sympathisanten een diepe afkeer van hun eigen cultuur die leeg, kapitalistisch en vervreemdend was. Stalin heeft even gewetenloos als strategisch van deze hulptroepen uit het Westen gebruik gemaakt.

Deze dynamiek zette zich voort in de linkse verering van het gedachtegoed van Mao Zedong. Terwijl de Chinese communistische partij onder zijn leiding de grootste massamoorden uit de wereldgeschiedenis uitvoerde, zwaaiden Europese en Amerikaanse achtenzestigers met Mao’s Rode Boekje. Zij juichten niet alleen de ‘culturele revolutie’ in China toe, maar probeerden deze ook naar het Westen te importeren. In de metropolen en op het platteland schoten de communes als paddenstoelen uit de grond. In navolging van het Chinese voorbeeld ontwikkelden muurkranten, die per dagdeel een andere boodschap konden verkondigen, zich tot bakermat van de politieke correctheid. Ditmaal was China het scherm waarop de Nieuwe Mens zich liet projecteren.

Net als ten tijde van de Russische Revolutie waren ook deze intellectuelen geen gestaalde partijsoldaten. Zij werden niet gedreven door moedige donquichotterie en hadden doorgaans niet de neiging naar hun vermeende heilstaat te emigreren. De tegenstelling tussen ideologie en realiteit bleef, net als in het geval van Rusland, niet geheel onopgemerkt. Echter, ‘ontwikkelingsdictatuur’ en een totalitair karakter waren in de ogen van deze westerse intellectuelen voor China noodzakelijk om een enorme technologische en culturele achterstand in te lopen. De prijs van miljoenen doden scheen hiermee, in ieder geval impliciet, gerechtvaardigd.

Wat deze fellow travellers met linkse dictators gemeen hadden, was het absolute geloof in de onfeilbaarheid en goedheid van de eigen overtuiging. Na ‘Auschwitz’, de ultieme schandvlek van politiek ‘rechts’, zagen zij nog maar één uitweg: zichzelf. Door deze morele onaantastbaarheid was de ontmenselijking van de tegenstander weer een stap dichterbij gekomen.

Na het verdwijnen van het machtsmarxisme en maoïsme gingen deze linkse intellectuelen op zoek naar een politiek alternatief. Velen vonden dit in de beweging van de Groenen. Zonder zich vast te klinken aan de resten van de oude ideologieën, zagen de Groenen kans veel linkse woordhulzen met iets nieuws te vullen, iets dat in de verte herinneringen opriep aan het filosofisch marxisme. En meer nog, de Groenen zagen kans de culturele hegemonie in het Westen te veroveren — zonder een schot te lossen. Deze politiek wordt wel met het begrip ‘cultuurmarxisme’ aangeduid.

De groene beweging ontsproot aan een politieke moederbodem die bezaaid was met ideologische brokstukken van zowel linkse als rechtse signatuur. Na een korte richtingenstrijd koos men voor een economisch rechtse koers die gelardeerd werd met oude linkse attributen, zoals de concepten van de ‘maakbare mens’ en ‘social engineering’. Dit verklaart bijvoorbeeld waarom groene politici, na gedane parlementaire arbeid, moeiteloos topposities in het bedrijfsleven accepteren, zonder het idee te hebben een links ideaal te verraden.

In het ‘vergroende’ politieke discours, dat ook het EU-beleid domineert, spelen multiculturalisme, cultuurrelativisme en politieke islam — ondanks haar uitgesproken antiwesterse karakter — een belangrijke rol. Veel links-liberale politici en publicisten schromen intussen niet om illegale immigranten als ‘nieuwe Joden’ en critici van deze nomenclatuur als ‘racisten’ en ‘fascisten’ aan te duiden. Het lijkt erop dat politiek links, voor de derde maal binnen een eeuw, een ‘proletariaat’ heeft ontdekt dat het verdient gered te worden. Onderstaand betoog probeert een kort overzicht van dit fenomeen te geven.

Bolsjewisme

De bolsjewistische staatsgreep in 1917 kon langdurig op steun van westerse intellectuelen rekenen. Deze ondersteuning was aanvankelijk niet helemaal onbegrijpelijk. Niet alleen omdat de Russische Revolutie ogenschijnlijk voortborduurde op de strijdkreet van de Franse Revolutie: ‘Liberté, égalité, fraternité’, men steunde Rusland ook omdat het land zich aan de rand van de afgrond bevond; honger, (burger)oorlog en een hemeltergend lijden waren aan de orde van de dag.

Toch was de aanhoudende steun aan het Sovjet-Russische experiment vanuit een moreel standpunt al gauw ongepast. Zoals de meeste radicale omwentelingen ontaardde de Russische Revolutie al gauw in eindeloos en nodeloos geweld. Achter de façade van een nieuwe wereld in uitvoering stierven miljoenen als direct gevolg van de bureaucratische terreur. Toch kozen veel westerse intellectuelen ervoor het bolsjewisme ook verder te ondersteunen, vaak genoeg niet ondanks, maar dankzij het gewelddadige karakter van haar politiek.

Dit propageren van bruut geweld gebeurde niet in het geniep. Integendeel. De bolsjewiki waren hierover zeer open en duidelijk. Lenins strijdmakker Leon Trotski bracht, geheel in de traditie van het Jakobijnse despotisme, de politieke zedenleer van de partijcommunisten helder onder woorden. “De dialectische opvatting van de moraal als een ondergeschikt en vergankelijk product van de klassenstrijd”, betoogde hij, “lijkt voor het gezonde menselijke verstand ‘amoreel.’ Maar er bestaat niets dat muffer, bekrompener, zelfvoldaner en cynischer is, dan de moraal van het gezonde menselijke verstand!”(1)

Het bolsjewisme beschouwde zichzelf als niet alleen nieuw, maar ook het allerlaatste experiment op weg naar de uiterste emancipatie van de mens. In deze optiek was geweld, zij het mentaal of fysiek, legitiem wanneer dit het goede doel diende. Minder poëtisch uitgedrukt: waar gehakt wordt vallen spaanders.

Ook voor Lenin bestond er geen twijfel over dat geweld, revolutionair geweld, tegen de klasse van ‘uitbuiters’, gerechtvaardigd was. Zonder schroom ageerde hij tegen de ‘honden en zwijnen van de stervende bourgeoisie’. (2) Sterker nog, het lot van de verslagen Franse Commune was voor Lenin en zijn volgelingen een waarschuwing. Het proletariaat onder leiding van een revolutionaire elitepartij diende in de strijd om het verwerven, handhaven en uitbreiden van de macht niet zachtzinnig met haar tegenstanders om te gaan.

Maar weinig partijcommunisten hebben het adagium van het gerechtvaardigde geweld even consequent verwezenlijkt als Jozef Stalin. Hierbij kon hij vele jaren, zeker tot aan het Molotov-Ribbentroppact in 1939, rekenen op steun van grote delen van de westerse beau monde. In zowel de cultuur van Weimar als in die van Hollywood, was het ‘communisme’ langdurig à la mode — al bekende men zich vaker niet dan wel openlijk tot de nieuwe heilsleer.

Het was niet alleen de utopie van een Nieuwe Mens die hen aansprak — de geboorte van de ‘socialistische persoonlijkheid’ — maar ook Stalins anti-Hitler politiek. Dat beide tirannen achter de schermen ook samenwerkten, waardoor veel oprechte antifascisten het leven lieten, werd langdurig doodgezwegen. Dit monsterverbond was niet zo verwonderlijk. Naast een nihilistische dynamiek die beide totalitaire systemen verbond, hadden nationaalsocialisme en partijcommunisme een gemeenschappelijk vijand, namelijk het westerse liberalisme. Dit bood voldoende raakvlakken voor een (tijdelijk) bondgenootschap.

Natuurlijk, de vredesbeweging, antifascisme en Volksfront zagen er op het eerste gezicht eindeloos veel aantrekkelijker uit dan racistische nazihorden. Echter, dat zich onder de vlag van Het Goede stelselmatige misdaden van ongekende omvang voltrokken, werd door fellow travellers langdurig vermoed maar ontkend, vergoelijkt, gedoogd of ondersteund. In het andere geval, zo luidde de verklaring, zou men de tegenstander in de kaart spelen.

De lijst van linkse cultuurscheppers, schrijvers, journalisten, wetenschappers en kunstenaars, die in meerdere of mindere mate met de politiek van de Communistische Internationale (Komintern, 1919-1943) sympathiseerden, is lang. En zij kwamen uit aller heren landen: André Breton, Ernest Hemingway, Joris Ivens, Martha Gellhorn, Louis Aragon, Pablo Picasso, Lillian Hellman, Lion Feuchtwanger, Romain Rolland, Klaus Mann, Henri Barbusse, Sidney en Beatrice Webb, Georg Grosz, Erwin Piscator, André Malraux, John dos Passos, André Gide, Jean-Paul Sartre, Manès Sperber,Herbert George Wells, Maurice Merleau-Ponty, George Bernard Shaw, Dorothy Parker, Elsa Triolet . . . (3)

Al deze intellectuelen — sympathisanten en agenten — zou men ‘cultuurmarxisten’ kunnen noemen; of ‘literaire stalinisten’, deels naïeve, deels narcistische exponenten van een cultureel establishment met een onstuitbare behoefte om aan ‘de goede kant van de geschiedenis’ te staan. Het was meer de theorie, of beter gezegd de fantasie, dan de praktijk die hun handelen bepaalde. Critici werden vrijwel direct als vijanden gezien en behandeld. Voor deze intellectuelen werd de Sovjet-Unie een groot projectiescherm van onvervulde verlangens naar een betere wereld  — zonder er overigens doorgaans zelf te willen wonen. Terwijl zich onder hun ogen een ‘Stalin-bourgeoisie’ ontwikkelde voor welke moord en doodslag de gewoonste zaak was, bleef het sovjetexperiment voor aanzienlijke delen van de culturele fine fleur in het Westen chique. De Komintern wist deze energie, die deels op romantiek en naïviteit, deels op afkeer van de eigen cultuur was geënt, in politiek bruikbare banen te leiden.

Eén van de cultuurscheppers die de Komintern-lijn radicaal ondersteunde was de Duitse dichter BertoltBrecht, die tot op de dag van vandaag een aanzienlijke status geniet in linkse kringen. Tijdens zijn ballingschap in de VS werd Brecht, die men zonder overdrijving als een literair Moskou-filiaal mag beschouwen, door een Sovjet-Russische officier genaamd Otto Katz betaald. De Amerikaanse politicoloog Sidney Hook maakte gewag van een ontmoeting met Brecht in 1935 voorafgaand aan de processen tegen de oude bolsjewiki Grigori Zinovjev en Lev Kamenev in 1936. Tijdens een bezoek aan Hook betoogde Brecht: ‘Wat hen betreft, hoe onschuldiger ze zijn, hoe meer ze het verdienen te sterven.’ Op de vraag van Hook of hij dit goed had gehoord herhaalde Brecht rustig: ‘Wat hen betreft, hoe onschuldiger ze zijn, hoe meer ze het verdienen te sterven.’(4) Hook reikte hem zijn jas aan en zond de bard heen.

Ook acteurs en regisseurs lieten zich niet onbetuigd inzake steunbetuigingen aan het nieuwe Russische regime, vooral na de machtsovername van Hitler in Duitsland in 1933. De Hollywood Anti-Nazi League werd in 1936 door voornoemde Katz gesticht. De bedoeling van deze liga was leden van de Amerikaanse filmindustrie de gelegenheid te geven zich tegen fascisme en nazisme uit te spreken. Al was het bekend dat de Anti-Nazi League door het Amerikaanse Volksfront werd gerund, toch sloten ook niet-communisten zich hierbij aan. Prominente leden waren: Fritz Lang, Dorothy Parker, Donald Ogden Stewart en Oscar Hammerstein. Nadat Hitler en Stalin het Molotov-Ribbentroppact sloten in 1939 verlieten velen deze liga diefluks werd omgedoopt tot American Peace Mobilization.

Niet alleen in de VS, ook in Engeland kon de Komintern op sympathisanten rekenen. De CambridgeFive–Anthony Blunt, Guy Burgess, Donald Maclean, Kim Philby en John Cairncross –speelden tot in de jaren ’50 informatie door aan de Sovjet-Unie.Natuurlijk stonden niet alle ‘antifascistische’ intellectuelen letterlijk of figuurlijk op de Komintern-lijst. Oprecht bezorgde intellectuelen als Fritz Lang, George Orwell, Bertrand Russell en vele anderen zagen de gevaren van het partijcommunisme vroegtijdig. Anderen kwamen tot inzicht en inkeer, en ontwikkelden zich tot felle anticommunisten, zoals de voormalige Komintern-communist Arthur Koestler.

Toch werd de steun van West-Europese en Amerikaanse intellectuelen aan de Sovjet-Unie in talloze betogen vergoelijkt, doorgaans met het argument dat kritiek de tegenstanders in de kaart zou hebben gespeeld. Door deze drogredenering verschafte men zichzelf absolutie en konden velen jarenlang de ogen voor de stalinistische terreur sluiten. Het was de Amerikaanse sovjetoloog Adam Ulam, die de ware reden voor die merkwaardige en langdurige fascinatie van westerse intellectuelen voor de nieuwe Russische heilstaat beklemmend juist onder woorden bracht. In 1966 betoogde hij:

 “…een intellectueel vindt vaak een zekere morbide fascinatie in de puriteinse en repressieve aspecten van het Soviet-regime en ook in zijn enorme, naar buiten gerichte zelfvertrouwen, dat zo opvallend contrasteert met het verontschuldigende, weifelachtige zelfbeeld van de democratische wereld.”(5)

Ook na de oorlog kon het partijcommunisme op veel sympathisanten binnen de westerse elites rekenen. Dit was weinig verwonderlijk. De Sovjet-Unie had de hoofdlast van de strijd tegen nazi-Duitsland gedragen; een strijd die men zonder meer heroïsch mag noemen. Maar of dit het jarenlange doodzwijgen en relativeren door linkse cultuurscheppers van de partijcommunistische terreur rechtvaardigt mag betwijfeld worden. De meesten van hen vermeden het er al te diep op in te gaan. Temeer daar er intussen een nieuwe variant van het machtsmarxisme aan het firmament was verschenen waar linkse intellectuelen verliefd op werden: het maoïsme.

Maoïsme

Nadat de stalinistische Sovjet-Unie zich meer en meer had gediskwalificeerd, richtten zich de blikken van een nieuwe generatie linkse cultuurscheppers opnieuw op een betere wereld. Ditmaal namen zij China en Cuba in het vizier. Wederom was het een mix van politieke heilsverwachting, afkeer van de eigen cultuur en een romantisch avonturisme die velen nieuwe helden liet vinden. Tot de eersten die van de partij waren behoorde Jean-Paul Sartre. Nog in 1971 kwam hij in het nieuws vanwege het colporteren van het maoïstische blad  in de Parijse Rue Daguerreen de Avenue Général Leclerc. Andere gereputeerde fellow travellers waren o.a. Simone de Beauvoir, Hewlett Johnson (‘de rode deken’ van Canterbury), Theun de Vries, Joan Robinson en Joris Ivens.

Terwijl de ‘Grote Sprong Voorwaarts’ en de ‘culturele revolutie’ in China tientallen miljoenen mensen het leven kostte, ontwikkelde zich Mao voor veel achtenzestigers tot wegwijzer voor een geslaagde toekomst. De academische wereld en grote delen van demedia bevonden zich goeddeels in de greep van ‘de revolutie’. Mao’s befaamde uitspraak “Macht komt uit de loop van een geweer” kon onder ‘progressieve’ studenten op een welwillend gehoor rekenen. Zijn ‘Lange Mars’ –een strategische vlucht van 10.000 kilometer, waarbij Mao zich samen met andere partijbonzen in een draagstoel liet vervoeren — werd door hen als voorbeeld gezien van volharding, op weg naar een betere, socialistische wereld.

Ook de bewustzijnsindustrie liet zich niet onbetuigd: Andy Warhol kwam met zijn Mao-portret op de proppen, de modewereld presenteerde ‘Mao-jasjes’ en linkse filosofen zwijmelden bij de gedachte aan de Nieuwe Mens die in China uit het ei kroop. Terwijl Rode Gardisten vanaf 1966 het land afstruinden op zoek naar ‘kapitalistische honden’, een strooptocht die miljoenen mensen het leven kostte, verkondigde Harry Mulisch in 1968:

“Omdat de chinezen, evenals de cubanen, het geluk hebben om te worden geleid door de radicaalste onder hen, kwam het tot de ontketening van de kulturele revolutie: misschien de meest fantastische gebeurtenis uit de wereldgeschiedenis. In een onbeschrijflijke storm keerde een volk van bijna een miljard personen uit zelfbehoud terug tot zijn revolutionaire inspiratie, en vernietigde de kiemen en uitwassen van de vereeuwiging overal waar het die maar vinden kon. Niets bewijst beter wat Mao voor iemand is, dat dit zonder noemenswaardige ongelukken kon gebeuren.”(6)

De miljoenen doden die het gevolg waren van de Grote Sprong Voorwaarts (1958-1961) en de Grote Proletarische Culturele Revolutie (1966-1976) waren niet alleen voor Mulisch, maar voor veel westerse intellectuelen van ondergeschikt belang. Van Provo tot Nieuw Links, van Anja Meulenbelt tot Bas de Gaay Fortman, dweepte men in Nederland met deze nieuwe poging om een betere wereld uit de grond te stampen. Voor veel westerse jongeren werkte het Chinese voorbeeld aanstekelijk. De eigen cultuur beschouwden zij als kapitalistisch, stoffig en regentesk.

Deze bekoring duurde echter minder lang dan die van het bolsjewisme. Al gauw drong in bredere kring door dat de bloeddorstigheid van Mao ongeëvenaard was in de wereldgeschiedenis.

Ook de revolutie in Cuba werd onmiddellijk als zielsverwant herkend. De Byzantijnse persoonsverheerlijking door Harry Mulisch van Fidel Castro kan zich meten met iedere literaire knieval voor Stalin. Maar Mulisch stond hierin niet alleen. Ché Guevara’s oproep “twee, drie . . . vele Vietnams” te scheppen werd niet alleen binnen de grachtengordel, maar in vele westerse metropolen met groot applaus onthaald.

Toen het stalinisme en maoïsme eenmaal ‘ontmaskerd’ waren, keerden veel voormalige achtenzestigers zich abrupt van hun vroegere heilstaten en -leren af. De ‘verrechtsing’ en vercommercialisering van de Europese cultuur, inclusiefde wetenschap, aan het begin van de jaren ’80, vond onder leiding van deze achtenzestigers plaats. Een echte politieke zingeving binnen linkse kringen ontstond echter pas weer toen er een ‘nieuw proletariaat’ aan het firmament opdook.

Islam/Islamisme

In 2017 werd de Amerikaans-Palestijnse activiste Linda Sarsour, een van de organisatoren van de Women’s Marcheerder dat jaar in Washington D.C., door het linkse magazine Glamour tot ‘vrouw van het jaar’ gekozen. Sarsour, die uitvoerend directeur van de Arab American Association in New York is, beledigt vrouwelijke critici van de islam en vergoelijkt de sharia. In een twitterbericht uit 2011 liet Sarsour weten, dat zij wenste de vagina’s van Ayaan Hirsi Ali en de Christelijk-Libanese islamcritica BrigitteGabriel weg te kunnen nemen, daar ze het niet verdienen vrouw te zijn. Diverse feministen, waaronder Naomi Klein, namen het voor Sarsour op.

De alliantie tussen feminisme en islam is bizar (deze thematiek is het onderwerp van hoofdstuk 12). De Caïro-verklaring van de mensenrechten in de islamis het antwoord op de Universele Verklaring van de Rechten van de Mensvan de Verenigde Naties. In deze verklaring die door 45 ministers van buitenlandse zaken van de Organisatie voor Islamitische samenwerking in 1990 werd ondertekend, prevaleert de islamitische sharia boven de VN-verklaring. Dit impliceert uitermate ongelijke rechten voor man en vrouw. Het in de sharia geoorloofde fysieke en psychische geweld tegen vrouwen staat haaks op zo ongeveer iedere eis die feministen van alle golven ooit op tafel hebben gelegd. Desalniettemin beschouwen zij, evenals linkse politici en activisten, het als not done hierover hun licht te laten schijnen. Opnieuw wordt het oude argument van stal gehaald: hierdoor zou men de vijand (rechts) in de kaart spelen.

Toch bestaat er binnen Europa ontegenzeglijk een groot probleem met betrekking tot de politieke en religieuze islam. Ruud Koopmans, onderzoeker aan het Wissenschaftszentrum Berlin für Sozialforschung (WZB) komt in zijn Six Country Immigrant Integration Comparative Survey dat in 2008 onder Turkse en Marokkaanse moslims in zes Europese landen werd uitgevoerd — Duitsland, Frankrijk, Oostenrijk, België, Zweden en Nederland — tot de conclusie, dat religieus fundamentalisme geen marginaal fenomeen in West-Europa is. Twee derde van de geïnterviewde moslims is van mening, dat religieuze regels belangrijker zijn dan de wetten van het land waarin zij leven. Driekwart van de respondenten is van mening dat er maar één legitieme interpretatievan de Koran bestaat. Deze getallen zijn aanzienlijk hoger dan die van de geënquêteerde christenen. Slechts 13% uit die groep plaatst religieuze regels boven de nationale wet, iets minder dan 20% weigert verschillende interpretaties van de bijbel te accepteren. (7)

Tegen deze achtergrond zijn aanslagen die door islamitische extremisten worden gepleegd erg verontrustend. Pogingen dit te relativeren door erop te wijzen dat de kans groter is slachtoffer te worden van een val van een keukentrapje dan van een aanslag zijn nogal misplaatst. Men focust op het topje van de ijsberg en laat de ijsberg zelf ongemoeid. Immers, het grootste deel van het vraagstuk speelt ‘ondergronds’. Niet alleen de aanslagen zijn het probleem, maar ook, evenals dit het geval was met de IRA in Ierland, de ETA in Spanje of rechtsradicalen in Oost-Duitsland, de stille gedoogsteun waarop radicalen en extremisten binnen hun gemeenschappen mogen rekenen. Buiten deze gemeenschappen ontstaat vanzelfsprekend een angstcultuur. Pas wanneer de (stilzwijgende) bemoediging van extremisten — vaak binnen parallelle samenlevingen — achterwege blijft en wanneer aanzienlijke delen van de islamitische gemeenschap hier veelvuldig en publiekelijk tegenin zouden gaan, kan het probleem wellicht geneutraliseerd worden. Daarvan is vooralsnog echter geen sprake. Integendeel. Ingebed in multiculturalisme, cultuurrelativisme en een offensieve ‘verwatering’ van de nationale identiteit, wordt de underdogpositie van moslims bevestigd. Het politieke en culturele establishment schuwt zelfs niet hen als ‘nieuwe Joden’ aan te duiden.

In Nederland was een van de eersten die dit als zodanig articuleerde de voormalige burgemeester van Amsterdam, Job Cohen. Deze voelde zich, wat de bedreiging van moslims betreft, in ieder geval herinnerd aan de positie van de Joden tijdens het interbellum.In 2004 diende Ayaan Hirsi Ali hem in een open brief van repliek:

 “U vergeleek de positie van de Joden in Europa in de jaren ’30 en ’40 met de positie van moslims in het Europa van nu. Die vergelijking gaat niet op. U bent aan het spookrijden op de snelweg van de geschiedenis. […] U bent bezig te vechten tegen demonen uit het verleden. In het huidige Europa lopen moslims niet het gevaar dat de joden 65 jaar geleden liepen. Haat en onverdraagzaamheid tegen Joden worden nu juist door moslims in Europa uitgedragen. Wanneer u zich in uw analyse van het huidige integratieprobleem laat leiden door de ervaring van de Tweede Wereldoorlog, blijft u die spookrijder: iedereen probeert u met lichtsignalen te waarschuwen om terug te gaan, maar u blijft hardnekkig inde verkeerde richting rijden. Wat u misschien aanziet voor nobele vastberadenheid is in werkelijkheid onvruchtbare halsstarrigheid.” (8)

Deze ‘onvruchtbare halsstarrigheid’ kent ook superlatieven, zoals blijkt uit een interview met Piet Hein Donner. Twee jaar na Ayaan Hirsi’s open brief verklaarde de voormalige CDA-minister:

“ . . . als twee derde van alle Nederlanders morgen de sharia zou willen invoeren, dan moet die mogelijkheid toch bestaan? Zoiets kun je wettelijk niet tegenhouden. Het zou ook een schande zijn om te zeggen: dat mag niet! De meerderheid telt. Dat is nou juist de essentie van democratie.” (9)

Een nogal opmerkelijke uitspraak. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg stelde in een arrest over de rechtmatigheid van een verbod voor de Turks-islamitische Refah-partij,“dat de sharia niet verenigbaar is met de fundamentele principes van de democratie”. (10) Opmerkelijker nog dan deze uitspraak is dat hij voor Donner zonder noemenswaardige gevolgen bleef.

En nog een voorbeeld van eigen bodem, een lijst (12) die men moeiteloos, ook van andere West-Europese landen, kan voortzetten: Op 20 september 2007 verklaart Joop van Riessen, de voormalige hoofdcommissaris van de Amsterdamse politie, op tv over de PVV-politicus Geert Wilders:

“In wezen zou je de neiging hebben om te zeggen nou ‘we mollen hem’. Hij moet gewoon vandaag weg en hij mag niet meer boven tafel komen. Dat is een normale reactie.” (12)

Over de 540.000 PVV-kiezers in 2006 zegt hij: “Dat zijn er dus nog duizenden die op een of andere manier niet in deze wereld van een nieuwe samenleving die we met elkaar aan het maken zijn die daarin passen. Waarvan je eigenlijk zou moeten zeggen: die mensen moeten dit land uit gewoon. Die horen hier dus niet meer thuis.” (13)

Politici, wetenschappers, bestuurders en journalisten worden sinds een decennium bedreigd vanwege kritiek op de (politieke) islam en de verdediging van de nationale identiteit. De moorden op Pim Fortuyn en Theo van Gogh waren de eerste politieke moorden op Nederlandse bodem sinds de moord op de gebroeders de Witt (1672). De daders kwamen uit de ‘linkse’ en islamitische hoek en gaven een zeer duidelijk signaal af aan islamcritici en de tegenstanders van multiculturalisme.

Het lijkt erop dat christenvervolging in het Midden-Oosten, vrouwen-en homo-onderdrukking, eerwraak, polygamie, kindhuwelijken, een genocidaal antisemitisme, intra-islamitische moordpartijen en een virulente haat bij aanzienlijke delen van de islamitische gemeenschappen tegen de westerse cultuur, voor veel linkse cultuurscheppers en machtselites van ondergeschikt belang zijn. Sterker nog, er is sprake van een culturele ‘zelfislamisering’. De overheid doet van alles om het al dan niet legale islamitische migranten zoveel mogelijk naar de zin te maken. ‘Integratie moet van twee kanten komen’, luidt het devies. In de dialectiek van politiek links zijn moslims binnen en buiten Europa per definitie slachtoffers van het ‘westerse imperialisme’. Opnieuw wordt er in grote delen van het politieke establishment gezwegen, vergoelijkt en gerelativeerd. Waarom? Omdat men  — en hier is het oude argument weer — politiek ‘rechts’ niet in de kaart wil spelen.

Naar het zich laat aanzien moet de samenwerking tussen politiek links, feministen, liberalen en islamieten een nieuwe samenleving inluiden die een nieuwe culturele revolutie behoeft. De gemeenschappelijke vijand van deze identiteitsactivisten is iedereen die bedenkingen heeft tegenover het ‘staatsmulticulturalisme’, de immigratiepolitiek en de politieke islam in Europa. Deze tegenstandersworden zonder pardon met de termen ‘rechts’, ‘fascistisch’ en ‘islamofoob’ aangeduid. Opnieuw willen westerse intellectuelen aan de ‘goede kant van de geschiedenis’ staan.

Ideologische entrepreneurs –bij wijze van slotwoord

Sartres grote tegenspeler Raymond Aron omschreef de geest van ’68  — het politieke radicalisme — als ‘het opium van de intellectuelen’. De intellectuele stoottroepen vormden in die tijd de neomarxisten van de Frankfurter Schule. Maar ook voor hen gold Adorno’s adagium, namelijk dat er geen goed leven binnen een verkeerd leven kan bestaan. De aanhangers van deze links-radicale school of thought maakten evenzeer deel uit van een cultuur die ze formeel weliswaar verachtten, maar waarmee ze ten diepste waren verbonden  — al was het maar economisch.

Het was deze generatie die na de desillusie van het bolsjewisme rond China’s Grote Roerganger samenklonterde. Bevangen door een spectaculaire ééndimensionaliteit werden kritische geluiden jegens dit nieuwe linkse ‘experiment’ opnieuw in de fascismehoek geduwd. En opnieuw bleef politiek geweld onder omstandigheden gerechtvaardigd. Geheel in lijn met Trotski formuleerde de ‘Frankfurter’ Herbert Marcuse het als volgt:

“Het geweld, bijvoorbeeld, van de revolutionaire terreur is erg verschillend van de witte terreur, omdat de revolutionaire terreur nu eenmaal als terreur zijn eigen transcendentie naar een vrije samenleving impliceert, terwijl de witte terreur dat niet doet.” (14)

Dit verklaart ook waarom kritiek zich uitsluitend richtte op rechtse dictaturen: bijvoorbeeld Spanje onder Franco, Portugal onder Salazar, Griekenland onder het kolonelsregime of de verschillende Latijns-Amerikaanse dictaturen.

Nadat ook Mao en zijn handlangers van het wereldtoneel waren verdwenen, bleef de vatbaarheid voor totalitaire ideeën bij linkse cultuurdragers voortduren. En zelfs vandaag de dag nog, nu de schanddaden van het bolsjewisme en het Chinese partijcommunisme in bredere kring bekend zijn, vindt het ‘communistische’ gedachtegoed pleitbezorgers. Het plan was goed, zo mijmert men, alleen de uitvoering liet te wensen over. Dat deze politieke laboratorium-constructie aan naar schatting honderd miljoen mensen het leven heeft gekost en miljarden invalide heeft gemaakt, bleek in de praktijk vaak genoeg van ondergeschikt belang. Wanneer zij dit zouden toegeven zouden zij zichzelf immers discrediteren en  — opnieuw — de ‘rechtse’ tegenstander in de kaart spelen.

Vrijwel al deze ‘culturele revolutionairen’ — hippies, provo’s en anderen die de gevestigde orde wilden provoceren — zijn goed verdienende en aangepaste burgers geworden. Hun credo was ‘de wereld, dat ben je zélf!’ Het mag danook geen verbazing wekken dat juist deze generatie zich tot aanjager van een commercialisering ontpopte die ieder segment van de maatschappij wist te doordringen.

De triomf van dit ‘rechtse’ gedachtegoed weerhield deze ideologische entrepreneurs er echter niet van zich verder als ‘links’ te etiketteren. Ook deze generatie wilde het goede gevoel over zichzelf afroepen en het niet verliezen. Dit hield onder andere in dat het eigen politieke verleden nauwelijks werd onderzocht. Een hernieuwde morbide fascinatie met de puriteinse en repressieve aspecten van een totalitaire ideologie kon dan ook niet uitblijven. Het zou niet lang duren voordat zich een nieuwe gelegenheid voordeed dit te bewijzen.

De instroom van veelal islamitische gastarbeiders uit Turkije en Marokko in de jaren ’60 van de vorige eeuw, ontwikkelde zich tot een immigratiestroom. Integratieproblemen werden en worden door politiek links gerelativeerd. Om critici van deze ontwikkeling, die zich in Europa intussen tot een volksverhuizing heeft ontwikkeld, in diskrediet te brengen, werd een oude linkse propagandaschlager van stal gehaald: het antifascisme. Tegenstanders van multiculturalisme, cultuurrelativisme en de politieke islam worden met grote regelmaat aangeduid als ‘fascisten’. De pleitbezorgers van een wereld waarin nationale identiteiten geen rol van betekenis meer spelen etiketteren zichzelf als ‘antifascisten’.

De afgelopen eeuw heeft duidelijk gemaakt dat er een link bestaat tussen modernisme en radicalisme. Veel Westerse intellectuelen ter linkerzijde lieten zich door dit radicalisme bedwelmen en leverden zich over aan een pre-intellectuele belevingswereld. Zij werden niet van het ene uiterste in het andere geslingerd, maar belandden tot driemaal toe in dezelfde hoek: een fascinatie voor ideologieën met een totalitaire grondstructuur. Al te vaak ontpopten zij zich tot ‘propagandisten van de vooruitgang’ in plaats van hoeders en scheppers van onze cultuur. Deels bewust, deels onbewust maakten deze intellectuelen een diepe knieval voor een onderaards smeulend nihilisme dat deel schijnt uit te maken van de Europese beschaving.

Duidelijk is wel dat, zolang deze veenbrand niet wordt onderkend en bestreden, de geschiedenis, om met Marx te spreken, zich zal herhalen; de ene keer als tragedie, de andere keer als klucht.

________________________

1) Leon Trotski, John Dewey, George Novack, Their Morals and Ours. Marxist vs. liberal views on Morality(New York: Pathfinder Press, 1973), p. 26.

2) Vladimir Iljitsj Lenin, Zum vierten Jahrestag der Oktoberrevolution, Lenin Werke, band 33 (Berlin: Dietz Verlag, 1982), p. 31-39; hier: p. 34.

3) Stephen Koch, Double Lives: Stalin, Willi Münzenberg and the Seduction of the Intellectuals(New York: Enigma Books, 1994).

4) Erdmud Wizisla, red., Begegnungen mit Brecht(Leipzig: Lehmstedt Verlag, 2014), p. 155. De linkse Brecht-exegese laat zich niet onbetuigd de dichter ook van deze smet vrij te pleiten: ibidem, p. 152

5) Adam Ulam, “‘The Essential Love’ of Simone de Beauvoir,” Problems of Communism, March-April 1966, p. 63, in: Paul Hollander, Political Pilgrims. Travels of Western Intellectuals to the Soviet Union, China, and Cuba 1928-1978(Oxford University Press, 1981), pp. 11, 439.

6) Harry Mulisch, Het woord bij de daad. Getuigenis van de revolutie op Cuba, (Amsterdam: De Bezige Bij, 1968), p. 22-23.

7) WZB, Press Release, Berlin Social Science Center,Islamic fundamentalism is widely spread, Berlin, 9 december 2013. https://www.wzb.eu/en/press-release/islamic-fundamentalism-is-widely-spread

8) Ayaan Hirsi Ali, “Open brief aan burgemeester Job Cohen,” Trouw, 6 maart 2004.

9) Margalith Kleijwegt, Max van Weezel, Het land van haat en nijd. Hoe Nederland radicaal veranderde, Uitgeverij Balans, Amsterdam, 2006, pp. 246-247.

10) EHRM13 February 2003, Refah Partisi t/ Turkey In: Factsheet Sharia rechtspraak. Forum. Instituut voor Multiculturele Ontwikkeling (Factsheet Sharia jurisdiction. Forum Institute for Multicultural Development). http://www.republiekallochtonie.nl/userfiles/files/FORUM_factsheet_sharia_rechtspraak.pdf

11) Zie Jan Herman Brinks, The Netherlands and Islam. Towards a new Identity?(Soesterberg: Aspekt, 2016).

12) Pauw & Witteman, Joop van Riessen, 20 september, 2007, YouTube: http://www.youtube.com/watch?v=Jyx8l7LSVIU

13) Ibidem.

14) Herbert Marcuse, Das Ende der Utopie(Berlijn: Verlag Peter von Maikowski, 1967), pp. 69-70.