Op een bepaald wandelpad in Amsterdam was ik recentelijk al een paar keer een vrouw tegengekomen van wie ik dacht dat ze op Betsy Udink leek. Ik heb bewondering voor de boeken van Udink: bijna allemaal gelezen en vooral “Allah & Eva” maakte grote indruk op me vanwege de schildering van de “cultuur” van Pakistan en de wreedheid in die maatschappij jegens vrouwen. Ik herinner me dat ik vlak na lezing ergens schreef dat ik “mijn geest er niet omheen kon kijgen” en dat ik telkens weer bepaalde door mij aangestreepte anecdotes opnieuw moest lezen om te proberen de absurditeit van het beschrevene te vatten.

Een dag of veertien geleden, op een zondagmiddag, kwam ik die vrouw die ik op Betsy Udink vond lijken opnieuw tegen op het pad. Ze liep dus in tegenovergestelde richting en deze keer was ze vergezeld van iemand die op Marcel Kurpershoek lijkt, de echtgenoot van Udink en de ex-ambassadeur van Nederland in Saoedi-Arabië en Pakistan. Ook van Kurpershoek ben ik een bewonderaar en wel vanwege één enkel opstel waarin hij de “psychologie” van de islam treffend ontleedt. Dat opstel is opgenomen in een boekje dat over bergbeklim-trektochten gaat en dat ik verder niet gelezen heb, maar waarvan de merkwaardige titel — “De Tragopan van Kohistan” — in mijn geest is blijven hangen. Omdat ik noch de naam van Udink noch van Kurpershoek op dat moment paraat had draaide ik me om naar hun ruggen die alweer een meter of twintig van mij verwijderd waren en riep:

“Meneer, mevrouw! Mag ik wat vragen?”
Ze draaiden zich om, zeiden dat zulks mocht en mijn vraag luidde vervolgens: “DeTragopan van Kohistan?

“Nou, dat is wel een tijdje geleden”, zei Marcel Kurpershoek, want die was het natuurlijk. Enfin, er ontwikkelde zich een aardig maar uiteraard enigszins ongemakkelijk gesprekje van een minuut of vijf, waarin Kurpershoek belangstellend was en Udink steeds de indruk maakte dat ze weg wilde. Ik vertelde hoezeer het Pakistan-boek van Udink indruk op mij had gemaakt en ook dat de psychologische analyse van Kurpershoek me had getroffen. Ik had, zo vertelde ik, zelfs een ruim citaat van Kurpershoek opgenomen in mijn eigen boek dat zopas was uitgekomen over Israël. Zozo! Had ik ook een boek geschreven? Jazeker!

Ik drukte hen op het hart het boek vooral te kopen en zei erbij dat ik graag een lovende recensie zou zien in een van de mainstream kwaliteitskranten, want een pro-Israëlboek als dat van mij wordt in die bladen nog niet zo makkelijk besproken. Daar weet Hans Moll alles van. Dat werd beloofd.

Deze morgen, een dag of tien later, kwam ik het echtpaar opnieuw tegen, zomaar in het wild lopend op een trottoir in Amsterdam-Oost. Udink marcheerde voorop. Ze was duidelijk bezig aan een powerwalk. In haar kielzog Kurpershoek. Ik groette luid en duidelijk. “Dag mevrouw Udink!” En vervolgens “Dag, meneer Kurpershoek!” En ik weet niet of het kwam omdat Udink vol doormacheerde en me geen blik of woord waardig keurde, maar ook Kurpershoek wilde duidelijk vooral dóór.

Ik slaagde er in om nog snel te vragen of hij mijn boek had gekocht.
“Jaja, besteld! Penning nietwaar?”
Ik hoop dat zijn schichtige doorlopen en ongemakkelijke grijns voortkwam uit verlegenheid om de onbeschoftheid van Udink.
Geen idee waaraan ik deze grofheid van haar te danken heb. Ik vermoed dat ze mij ziet als de varkenshoeder, waarvan ik spreek in het “Ten Geleide” op mijn website:

“Zie: ik ben van de Joods-Christelijk-Verlichte beschaving al heb ik een klassieke opleiding. Ik ga niet lopen moorden, terwijl ik er toch vaak intense zin in heb. Ik volsta met de verraderlijke vijand de tyfus te schelden. Maar je zal mij nóóit betrappen op arrogantie jegens de varkenshoeder.”

____________________