David Deutsch (18 mei, 1953) is een natuurkundige van nogal naam. Hier is zijn website. Onderstaand een vertaling van zijn “A Short History of Israel” , die ergens tussen 2001 en 2006 moet zijn voltooid, want de slotzin is gewijd aan de Twin Towers en bij Deutsch is Saddam Hussein nog aan het bewind in Irak. Dus dat zinnetje helemaal bovenaan in het rood “Note that this needs to be updated” is anno 2021 wel terecht. Maar die noodzaak van updating slaat dan toch echt bijna uitsluitend op feitelijkheden die na publicatie van zijn essay bekend zijn geworden, want deze  beschrijving van de geschiedenis van Israël vanaf 1920 is briljant en van een ongekende helderheid. De tekst is krap 19.000 woorden, dus nog geen 50 boekenpagina’s van 400 woorden elk.  

Ik constateer dat  Deutsch ten tijde van het schrijven van zijn tekst geen kennis had of kon hebben van een viertal  boeken die de kijk op de geschiedenis van Israël fundamenteel hebben beïnvloed. Dat zijn  1) Klaus-Michael Mallmann & Martin Cüppers, “Halbmond und Hakenkreuz”(2006) en vertaald in het Engels als “Nazi Palestine” (2010). 2) Efraim Karsh, Palestine Betrayed‘ (2010) 3) Dezelfde “Fabricating Israeli History: The ‘New Historians’ “. Barry Rubin & Wolfgang Schwanitz, “Nazis, Islamists and the Making of the Modern Middle East” vertaald (onder mijn eindredactie) als “Nazi’s Islamisten en het Moderne Midden-Oosten”. Maar de richting die de interpretaties van Deutsch gaan — met name aangaande “etnische zuivering” in 1948, de voortdurende terreur en compromisloosheid van “de Palestijnen” in het bijzonder en de Arabische wereld in het algemeen, alsook de samenwerking met Hitler Duitsland door de Moefti van Jeruzalem, Amin  al-Huseini — is door bovenvermelde nieuwe literatuur alleen maar bevestigd. Die literatuur is dan weer de basis geweest voor mijn eigen boek: “Israël bestáát – en is de meest legitieme natie ter wereld”. En dus is het niet verwonderlijk dat mijn boek op zijn beurt een krachtige bevestiging is van wat Deutsch op implicietere wijze vertelt. Met name de onverzoenlijke terreur van de Arabische wereld jegens Israël wordt door Deutsch onontkoombaar in het licht gesteld.

Het zwaartepunt van mijn boek is de internationaalrechtelijke legitimatie van Israël als natie. Deutsch geeft daaraan weinig aandacht — zo verzuimt hij erop te wijzen dat wat de Palmaffia-propaganda ons geleerd heeft “de Westbank” te noemen, al millennia Samaria-Judea heet —  maar dat komt misschien omdat de delegitimerings-hetze die de laatste jaren steeds voelbaarder wordt, nog niet zo prominent was toen Deutsch zijn tekst schreef. Wie overigens behoefte heeft aan een zeer korte beschrijving waarom Israël de meest legitieme natie ter wereld is kan die hier vinden.

Toch nog een enkele inhoudelijke kritiek. Deutsch beschrijft Deir Yassin als de enige echte massamoord door Israëlische Joden gepleegd, maar ook die mythe is inmiddels ontkracht. Zie het betreffende hoofdstukje 10 in mijn boek.

Inhoudsopgave

Inleiding: waarom dit geschreven is

Deel I: Hoe Israël werd gecreëerd
1. Antisemitisme en zionisme
2. De aanzwellende storm
3. De Onafhankelijkheidsoorlog

Deel II: De Staat Israël
4. Onafhankelijkheid, maar geen vrede
5. De Suez-crisis
6. Elf jaar strijd, zes oorlogsdagen
7. Nederzettingen

Deel III: Vredesprocessen en terroristische aanslagen
8. De Jom Kippoer-oorlog
9. De opkomst van de PLO
10. En toen veranderde de wereld

Inleiding: waarom dit geschreven werd

Ooit schreven we een parodie op de geschiedenis van Israël ( . . .)  waarin elke zin ten minste één leugen bevatte.

Maar de reacties van veel van onze vrienden die het lazen waren alarmerend. In plaats van in lachen uit te barsten, lazen de meesten van hen het als feitelijk. Dit waren geen tegenstanders van Israël, maar mensen die er welwillend tegenover stonden. We hadden ons niet gerealiseerd hoe wijdverbreid de heersende verdraaiingen en onwaarheden zijn. Als je bedenkt dat de parodie begon met: “Het jodendom is uniek onder de godsdiensten omdat het exclusief is voor een bepaalde etnische groep (de joden). Het leert (in zijn doctrine van ‘het uitverkoren volk’) dat alle andere rassen genetisch inferieur zijn aan het Joodse en dat Joden het recht hebben over hen te heersen”: dit was alarmerend.

We realiseerden ons dat we de parodie niet in het publieke domein konden brengen. De “Protocollen van de Wijzen van Zion:” zijn immers ook een grove vervalsing, maar maken nu deel uit van het standaardrepertoire van Het Patroon dat gewoonlijk “antisemitisme” wordt genoemd. Het staat bijvoorbeeld in het Handvest van Hamas. We wilden niet verantwoordelijk zijn voor weer een anti-Joodse canard die misschien de komende eeuwen zou blijven bestaan.

Maar iedereen die de parodie las, vroeg ons waar ze de ware toedracht konden vinden. Toen we op het internet rondkeken, ontdekten we dat er geen beknopte samenvattingen van de geschiedenis van Israël bestaan met alleen de feiten (hoewel we er veel vonden met onwaarheden die veel erger waren dan onze parodie!). Dus besloten we dat we zelf een korte geschiedenis van Israël moesten samenstellen. En dat is dus deze.

KAART

KAART

Deel I: Hoe Israël werd gecreëerd

1. Antisemitisme en Zionisme

In de tweede eeuw na Christus verdreven en verstrooiden de Romeinen de Joden uit hun thuisland, dat ruwweg het huidige Israël [KAART] [KAART] plus de West Bank, Gaza, en een deel van Jordanië omvatte. De Romeinen gaven het gebied vervolgens een nieuwe naam: Palestina (naar de Filistijnen, oude vijanden van de Joden die al lang voor die tijd geschiedenis waren geworden). Als gevolg van die verdrijving en eerdere verdrijvingen vestigden Joden zich in bijna elk land van de Oude (en later de Nieuwe) Wereld, waar zij gemeenschappen vormden waarin zij hun kenmerkende cultuur bleven ontwikkelen. De Joden van vandaag zijn afstammelingen van die Joden en van plaatselijke mensen die hun cultuur soms overnamen door zich tot het Judaïsme te bekeren (de traditionele godsdienst van de Joden, die bekeerlingen toestond, maar zelden zocht).

De meeste landen in Europa en het Midden-Oosten hebben gedurende het grootste deel van hun geschiedenis Joden vervolgd. De meeste hebben hun Joodse bevolking op een bepaald moment verdreven en/of afgeslacht (vaak opnieuw toegelaten en opnieuw uitgewezen in een cyclisch Patroon). Zij hebben dit gerechtvaardigd door middel van een Patroon van ideeën die gewoonlijk antisemitisme worden genoemd, waaronder

 *het idee dat Joden collectief hebben gefaald voor een of andere cruciale test (b.v. zij hebben Jezus afgewezen, of Mohammed, of hebben niet het vermogen tot “cultuur” van de Ariërs, of voldoen niet aan Stalins criteria om een “natie” te zijn, of missen een mystieke “band met het land”, enz);

  *het idee dat joden vervuiling veroorzaken — bijvoorbeeld dat ze de watervoorziening vergiftigen, of dat ze heilige plaatsen en kunstvoorwerpen ontheiligen — wat vaak, semi-metaforisch, wordt uitgebreid tot het idee dat Joden zelf vervuiling/verontreiniging/rot/kanker enzovoort zijn

 *blood libels, waarvan de klassieke is dat joden niet-joodse kinderen ontvoeren en vermoorden en hun bloed gebruiken in religieuze rituelen

  *de opname van een entiteit genaamd “de joden” diep in het weefsel van vele culturen als de eeuwige vijand die erop uit is alles te vernietigen wat die cultuur waardeert; en

 *samenzweringstheorieën, met name theorieën dat “de joden” in het geheim “achter” gebeurtenissen in geschiedenis en actualiteit zitten.

Vóór de twintigste eeuw hadden Joden op verschillende manieren op Het Patroon gereageerd, waarvan de belangrijkste waren: verdragen, bekeren en assimileren. Maar bekeringen op grote schaal vonden alleen plaats onder directe dwang, en geassimileerde Joden waren soms evenzeer het doelwit als traditionele Joden. Tijdens de Verlichting kregen Joden in westerse landen gelijke rechten, hoewel dit in alle landen, behalve de Angelsaksische, niet veel meer was dan een façade. In de negentiende eeuw waren er sporadisch massamoorden op Joden in Oost-Europa. In de Arabische landen gingen de massamoorden, de verdrijvingen (zij het op kleinere schaal dan in Oost-Europa), de alomtegenwoordige laster en de dagelijkse vervolging gewoon door. In West-Europa ontstonden virulente anti-Joodse ideologieën. Dit leek onheil te betekenen voor veel geassimileerde Joden: als Het Patroon zelfs daar in opmars was, in het centrum van de moderniteit waar assimilatie bijna totaal was, dan was assimilatie niet de oplossing en liepen Joden overal gevaar. Sommigen van hen werden socialisten en identificeerden zich met de strijd voor een wereldwijd arbeidersparadijs waarin iedereen, ook Joden, werkelijk geëmancipeerd zou zijn. Sommigen werden zionisten.

Zionisme is het idee dat Joden een staat zouden moeten vormen, waar zij een normaal leven zouden kunnen leiden en zich zouden kunnen verdedigen zoals de mensen van andere naties, en een toevluchtsoord zouden moeten bieden aan Joden die misschien elders vervolgd worden.

Het zionisme is in de loop van de negentiende eeuw door verschillende schrijvers al mogelijkheid geopperd. De zionistische beweging, als politieke organisatie, werd opgericht door een Oostenrijkse journalist, Theodor Herzl, die in 1894 besloot dat zijn eigen assimilationistische opvattingen onhoudbaar waren. Hij was in Parijs om verslag te doen van het proces tegen kapitein Alfred Dreyfus, een Joodse officier in het Franse leger die — in een sfeer van nationale anti-Joodse hysterie volgens  Het Patroon valselijk was veroordeeld wegens spionage. Door te schrijven, lezingen te houden en individuele overreding, verzamelde Herzl snel steun voor zijn nieuwe beweging. Het Eerste Zionistische Congres werd in 1897 gehouden in Bazel, Zwitserland.

Het zionisme werd door religieuze Joden tegengewerkt omdat het een seculier doel had. Sommigen waren ertegen omdat het de rol van de Messias overnam, een mythisch persoon van wie zij geloofden dat die hen op een dag terug zou leiden naar hun historische vaderland. Zij beschouwden elke Joodse politieke beweging die niet door de Messias werd geleid als zinloos en zelfs als heiligschennend.

Aanvankelijk werd het zionisme ook tegengewerkt, of genegeerd, door de meeste geassimileerde Joden, omdat het streefde naar een afscheiding, die zij beschouwden als de oorzaak van “antisemitisme”.

Toen in het begin van de twintigste eeuw de vervolging van Joden in heel Oost-Europa bleef toenemen, werd een aanzienlijke minderheid van seculiere Joden, en een kleine minderheid van religieuze Joden, zionisten.

Er was  sinds de Romeinse tijd een kleine Joodse gemeenschap in Palestina gebleven, want de verdrijvingen waren nooit totaal. In 1850 bedroeg de totale Joodse bevolking ongeveer 10.000, de meesten van hen in de stad Jeruzalem, waar zij krap aan de meerderheid waren geworden (en dat zijn ze sindsdien altijd  gebleven). In de tweede helft van de negentiende eeuw hadden joodse filantropen land gekocht in Palestina om er joodse vluchtelingen uit Oost-Europa te vestigen. Palestina was zeer onderbevolkt, in die zin dat het, zelfs met negentiende-eeuwse technologie, een veelvoud van zijn toenmalige bevolking kon onderhouden, die minder dan een half miljoen bedroeg en afnam. Het was een achtergebleven gebied van het Ottomaanse Rijk waar mensen van vele verschillende rassen en culturen woonden, voornamelijk Arabieren. Er was geen bestuurlijke regio van het rijk die Palestina heette, en de inwoners van de regio beschouwden zichzelf niet als een afzonderlijke politieke entiteit.

De westerse landen introduceerden tegen het einde van de negentiende eeuw immigratiecontroles, die naarmate de twintigste eeuw vorderde, steeds strenger werden. Dit was een reactie op de golven immigranten, waaronder Joodse vluchtelingen, die vanuit Rusland en Europa bleven toestromen.

Groot-Brittannië bood een deel van Oeganda aan als toevluchtsoord voor een miljoen Joden. Het Zesde Zionistische Congres aanvaardde dit in 1903 als een tussentijdse maatregel , maar de Britten werden al snel minder entousiast voor het iedde en ondernamen geen stappen om het uit te voeren. Herzl, die de meest prominente voorstander was geweest, overleed plotseling en het Zevende Zionistische Congres verwierp het idee uiteindelijk in 1905. Eveneens in 1905 brak in Rusland een grootschalige moordpartij op Joden uit, die leidde tot de komst van duizenden Joodse vluchtelingen naar Palestina —  tegen 1914 in totaal meer dan 40.000.

Het Ottomaanse Rijk was een bondgenoot van Duitsland in de Eerste Wereldoorlog. De Britten veroverden Palestina in 1917 en vaardigden de Balfour Verklaring uit, die luidde:

  “De regering van Zijne Majesteit is voorstander van de vestiging in Palestina van een nationaal tehuis voor het Joodse volk, en zal alles in het werk stellen om de verwezenlijking van dit doel te vergemakkelijken, met dien verstande dat niets zal worden ondernomen dat afbreuk zou kunnen doen aan de burgerlijke en religieuze rechten van de bestaande niet-joodse gemeenschappen in Palestina.”

 Dit werd opgenomen in de voorwaarden van het Volkenbond-Mandaat  op grond waarvan de Britten na de oorlog een gebied bestuurden dat zij Palestina noemden, bestaande uit het gebied dat wij Palestina zullen noemen (Israël, de Westelijke Jordaanoever, Gaza en de Golanhoogte), plus het huidige Jordanië. Het Mandaat verplichtte Groot-Brittannië ertoe regelingen te treffen om de Joden in staat te stellen zich in Palestina te vestigen en er hun Nationaal Tehuis te stichten. De Joden zelf zouden dit financieren, bijgestaan door een liefdadigheidsinstelling die later het Joods Agentschap werd genoemd. Zij zouden land aankopen voor boerderijen en voor nieuwe steden, de moerassen droogleggen die werden veroorzaakt door de endemische malaria, nieuwe infrastructuur aanleggen, en in het algemeen het land ontwikkelen. De Britten zouden daarbij helpen door een deel van het overheidsland te schenken dat zij van het Ottomaanse Rijk hadden “geërfd”, en door de mensenrechten en de rechtsstaat te handhaven.

Tussen die tijd en de Tweede Wereldoorlog kwamen ongeveer 600.000 Joden naar Palestina. Sommigen van hen kwamen omdat ze deel wilden uitmaken van het nieuwe type Joodse samenleving dat in het Joods Nationaal Tehuis werd gecreëerd, maar de meesten konden nergens anders heen en velen van hen zouden anders zijn omgekomen in de Holocaust of de andere massamoorden die eraan voorafgingen.

In 1920 waren er Arabische rellen in Jeruzalem en elders, waarbij Joden werden vermoord. De Joodse gemeenschap was verontrust over het feit dat de Britse autoriteiten niet leken in te grijpen. Na de rellen arresteerden de Britten veel Arabieren en Joden en deelden strenge gevangenisstraffen uit wegens illegaal wapenbezit. Het leek de Joden oneerlijk dat degenen die zich tegen moord hadden verdedigd, hetzelfde werden behandeld als hun moordenaars in spe. Een paar maanden later kondigden de Britten amnestie af en lieten alle veroordeelden vrij.

Een van de joden die gevangen werden genomen en vervolgens amnestie kregen, was Vladimir Jabotinsky, een zionistische leider en voormalig Brits soldaat die in 1920 de verdediging van Jeruzalem had geleid. Hij raakte teleurgesteld in zowel de Britten als in de zionistische beweging, waarvan hij geloofde dat hun politiek van vreedzame samenwerking met de Britten zou leiden tot de vernietiging van het Joods Nationaal Tehuis. Hij stichtte een nieuwe beweging, het “Herziene Zionisme” of “Revisionisme”, dat streefde naar een volledig onafhankelijke Joodse staat (niet slechts een “Nationaal Tehuis”) in het gehele Palestina Mandaat, en dat tevens de socialistische ideologie van de hoofdstroom van de Zionistische beweging verwierp ten gunste van een vrije-markt filosofie.

Tijdens die rellen werd ook het handjevol Joden dat op de Golan Hoogvlakte woonde verdreven. Zij hadden daar landbouw bedreven op land dat in de jaren 1880 was aangekocht. Een ander stuk land van 18.000 hectare verder naar het oosten, in wat nu Syrië is, was in 1891 aangekocht door Baron Rothschild. De Joden die zich daar hadden gevestigd, waren kort daarna door de Ottomaanse provinciale heerser verdreven. (Maar Rothschild had het eigendomsrecht op het land behouden; zijn familie schonk het in 1957 aan de staat Israël).

In 1921 werd het Joodse deel van Jeruzalem opnieuw aangevallen, Joden werden overal in Palestina vermoord, en veel Joodse boerderijen en nederzettingen werden verwoest. De Britten reageerden door de Joodse immigratie tijdelijk op te schorten.

Ook ontsloegen zij de burgemeester van Jeruzalem wegens het aanzetten tot anti-Joodse rellen, maar als verzoenend gebaar vervingen zij hem door zijn neef Haj Amin al-Husseini, een leider van die rellen die amnestie had gekregen, en die nu alles deed wat in zijn vermogen lag om Jodenhaat aan te wakkeren en geweld tegen hen te organiseren. Hij voegde een nieuwe lasterleugen toe aan het standaardrepertoire van Het Patroon, namelijk dat de Joden samenspanden om de Al-Aqsa moskee af te breken en te vervangen door een synagoge. Binnen een jaar werd hij ook benoemd tot Grootmoefti van Jeruzalem (d.w.z. de hoogste moslimgeestelijke in Palestina) en werd hij de dominante Arabische politieke figuur in de regio gedurende de volgende twee decennia.

2. De aanzwellende storm

In 1923 stonden de Britten de Golan Hoogvlakte van Palestina af aan het naburige Franse Mandaat Syrië, en verdeelden het Palestina Mandaat [MAP] in een Arabisch autonoom gebied, dat zij Transjordanië noemden (het huidige Jordanië), en het westelijke deel, dat zij nu Palestina noemden (de huidige Westelijke Jordaanoever, Israël, en de Gazastrook). Zij verboden Joden zich in Transjordanië te vestigen en kondigden aan dat het Joods Nationaal Tehuis alleen in het westelijk deel zou worden opgericht.

Tijdens de Arabische rellen van 1929 werd de oude Joodse gemeenschap die in de buurt van de heilige plaatsen in de Arabische stad Hebron woonde, afgeslacht en de overlevenden vluchtten. Ook in Safed, Jeruzalem en Jaffa werden Joden vermoord. De Joden in Palestina klaagden dat de Britse autoriteiten niets hadden gedaan om deze moorden te voorkomen. Joodse zelfverdedigingsmilities, die al sinds de Ottomaanse tijd bestonden, groeiden en werden verenigd in één organisatie, de Haganah (wat ‘verdediging’ betekent).

Het Arabische geweld nam toe. De Britten reageerden met een combinatie van geweld en verzoenende maatregelen, d.w.z. maatregelen tegen Joodse immigratie en tegen Joodse zelfverdediging. De Joodse bevolking werd steeds banger voor zijn leven en dat van de Europese Joden, en wantrouwde en minachtte de Britten.

In 1931 vormden enkele leden van de Revisionistische Partij de Irgun (volledige naam: Irgun Tzeva’i Le’umi, wat betekent Nationale Militaire Organisatie, soms bekend onder het Hebreeuwse acroniem Etzel), die tegen de Britten ging vechten voor onafhankelijkheid, en ook gewelddadige vergeldingsacties ging uitvoeren tegen moorden op Joden, soms door onschuldige Arabieren te vermoorden. Het was dus een terroristische organisatie, en er ontstond grote verbittering tussen deze organisatie en de Haganah, die volgens haar statuten alleen mocht optreden uit zelfverdediging en die de doctrine van terughoudendheid en samenwerking van de Zionisten volgde. De Haganah en de Irgun waren beide van mening dat de ander het zionistische project verraadde, de kans op welslagen ervan ondermijnde en daarmee alle joden in gevaar bracht.

De snelle ontwikkeling van het land, in gang gezet door het Joods Nationaal Tehuis-project, bewerkte een dramatische ommekeer in de demografische en economische achteruitgang van Palestina in de vorige eeuw. De stroom van Arabische emigratie werd vervangen door Arabische immigratie en de terugkeer van voormalige emigranten. Een van die immigranten was Yasser Arafat, die in 1929 in Caïro werd geboren uit een Egyptische vader en een moeder wier familie uit Palestina kwam. Toen hij vier jaar oud was, stierf zij en werd hij naar familie in Jeruzalem gestuurd.

In 1933 kwamen de nazi’s in Duitsland aan de macht. De Grootmoefti (al-Husseini) benaderde onmiddellijk de Duitse consul-generaal in Jeruzalem en bood zijn diensten aan. De nazi’s reageerden aanvankelijk lauw op dit aanbod omdat zij nog steeds hoopten op een schikking (of zelfs een alliantie) met het Britse Rijk. Maar in Duitsland begonnen zij wél onmiddellijk met de gewelddadige vervolging van Joden, die al snel tot wijdverbreide moordpartijen leidde. Duits-Joodse vluchtelingen begonnen te arriveren in Palestina. De Arabieren van Palestina eisten nu een verbod op alle Joodse landaankopen en een volledige stopzetting van de Joodse immigratie. Toen de Britten in 1936 de eerste eis afwezen en op de tweede slechts reageerden door het quotum voor Joodse immigratie te verlagen, reageerden de Arabieren met rellen van een ongekende omvang.

In 1937 stelde de Peelcommissie voor Palestina (d.w.z. het westelijke deel van het oorspronkelijke Mandaat, dus zonder Jordanië) verder op te delen in Joodse en Arabische gebieden met zelfbestuur. De zionisten aanvaardden de verdeling, hoewel zij opnieuw wilden onderhandelen over de voorgestelde grenzen (vooral omdat Jeruzalem en verschillende gebieden die door het Joods Agentschap waren ontwikkeld, daarvan waren uitgesloten). Maar een conferentie van Arabische leiders verwierp categorisch het idee van een deling en verklaarde dat de Britten nu zouden moeten kiezen “tussen onze vriendschap en de Joden”.

Groot-Brittannië koos voor het eerste. In het Witboek van 1939 (meestal aangeduid als “het Witboek”), liet het uiteindelijk het idee van een Joods Nationaal Tehuis varen. De joodse immigratie naar Palestina zou worden beperkt tot in totaal 100.000, gespreid over vijf jaar. Joodse grondaankopen zouden worden verboden, behalve binnen bestaande Joodse gebieden. Na vijf jaar (d.w.z. in mei 1944) zou een meerderheidsregering worden ingevoerd in de vorm van een wetgevende macht voor geheel Palestina. De Arabieren maakten duidelijk dat zij op dat moment hun meerderheid in geheel Palestina zouden gebruiken om alle Joodse immigratie te verbieden.

Alle andere landen (inclusief Groot-Brittannië zelf) hadden reeds minuscule immigratiequota opgelegd, zodat de wereld in totaal slechts bereid was onderdak te bieden aan een fractie van de honderdduizenden Joden die uit Duitsland trachtten te ontsnappen. De rest, en de miljoenen Joden in nazi-sympathiserende landen en in landen die binnenkort door Duitsland zouden worden binnengevallen, werden daar door die universele consensus gevangen gehouden, enkele jaren voordat de Duitsers met de Endlösung begonnen.

Ook de nazi’s zochten de vriendschap van Arabische nationalisten, en verkregen die (terwijl de Britten dat nooit deden). Uiteindelijk aanvaardden ze het aanbod van de Moefti.

De Haganah organiseerde, naast haar zelfverdedigingsactiviteiten, vreedzame demonstraties tegen het Witboek, en begon in het geheim illegale Joodse immigratie te steunen.

De Irgun organiseerde deze immigratie al enige tijd. Met haar hulp, en nu ook die van de Haganah, slaagden misschien 25.000 Europese Joden erin Palestina illegaal binnen te komen. Het aantal was zo laag omdat er enorme moeilijkheden waren: de vluchtelingen moesten het hoofd bieden aan officieel en onofficieel georganiseerd geweld en onteigening in hun thuislanden; ze moesten weken reizen onder afpersing, ontberingen en allerlei gevaren. De autoriteiten van alle landen langs hun route probeerden hen tegen te houden (zowel spontaan als onder druk van Groot-Brittannië). Aangezien zij over zee moesten komen, hadden zij vervolgens te kampen met schaarse en onveilige boten (zij konden natuurlijk geen gebruik maken van gewone scheepvaartlijnen) en met de Royal Navy. Tenslotte moesten zij proberen Palestina binnen te komen en er onopgemerkt te leven.

Intussen ging de Arabische immigratie gewoon door. Het aantal Arabische immigranten naar Palestina tijdens de Mandaatperiode is onbekend en zeer omstreden, maar de netto toename van de Arabische Palestijnse bevolking was ongeveer twee keer zo groot als de netto toename van de Joodse Palestijnse bevolking.

Toen in september 1939 de Tweede Wereldoorlog begon, verklaarden de Britten de Haganah vogelvrij. Het illegaal bezit van een wapen werd een halsmisdaad. Er werd zware diplomatieke druk uitgeoefend op alle landen langs de belangrijkste joodse vluchtroutes naar Palestina om die routes te sluiten, en op de landen rond de Middellandse Zee om ervoor te zorgen dat er geen vervoer mogelijk was. Zoals een minister van Buitenlandse Zaken het in december 1939 uitdrukte: “De enige hoop is dat alle Duitse Joden vast komen te zitten aan de monding van de Donau bij gebrek aan schepen om ze mee te nemen”. De patrouilles van de Royal Navy om illegale immigranten te onderscheppen werden opgevoerd. De gevangenen werden opgesloten op het eiland Mauritius in de Indische Oceaan, waar het regime (in de woorden van notulen van het Koloniaal Bureau van januari 1941) “voldoende bestraffend moest zijn om andere Joden in Oost-Europa te blijven afschrikken”. Geïnterneerden werd ook verboden zich aan te sluiten bij de geallieerde strijdkrachten. De legale immigratie werd beperkt tot niveaus die zelfs onder die van het Witboek lagen. In 1941 werden er gedurende bijna helemaal geen certificaten voor legale immigratie afgegeven.

Naarmate de oorlog vorderde, werden deze maatregelen geleidelijk versoepeld. Veel Haganah en Irgun leden meldden zich vrijwillig bij de Britse strijdkrachten: 30.000 van de half miljoen Joden in Palestina meldden zich aan (vergeleken met 9.000 van de 1,5 miljoen Arabieren). Velen meldden zich aan voor gevaarlijke operaties achter de vijandelijke linies. De Irgun beloofde de Britse strijdkrachten gedurende de oorlog niet aan te vallen. Een kleine splintergroep, Lehi (geringschattend bekend als de ‘Stern Gang’, naar hun leider Avraham Stern), weigerde zijn activiteiten te staken omdat zij van mening waren dat het Witboek de Britten tot legitieme doelwitten had gemaakt.

De Britten versoepelden de immigratiebeperkingen voor Palestina in 1943 en Joden die de Holocaust ontvluchtten konden nu Palestina binnenkomen als ze maar tot Turkije wisten te komen, maar inmiddels kwamen er nog maar een handjevol aan. De omstandigheden in de gevangenis van Mauritius werden pas in 1944 verbeterd.

Toen Frankrijk zich in 1940 overgaf, richtten de nazi’s een inlichtingen- en propagandabasis op in Syrië (nominaal onder controle van de Franse marionettenregering), van waaruit zij in april 1941 een pro-Nazi-coup in Irak hielpen opzetten, onder leiding van Rashid Ali al-Gailani, een voormalige premier en medewerker van de moefti. Ter ondersteuning van de staatsgreep verklaarde de moefti, die door de Britten was afgezet wegens het aanzetten tot de rellen van 1936, de jihad (heilige oorlog) tegen de Britten. De staatsgreep werd spoedig door Britse soldaten onderdrukt (maar niet voordat ongeveer 150 Iraakse joden waren vermoord). Al-Gailani vluchtte naar Duitsland om zich bij de Moefti te voegen, die met Hitler probeerde te onderhandelen over een formele Arabisch-Nazistische alliantie tegen de Joden en de Britten. Beiden verbleven bij de nazi’s voor de rest van de oorlog.

De Moefti maakte nazi-propaganda-uitzendingen, organiseerde parachutistenaanvallen tegen de Britten en hielp bij de rekrutering van een leger van meer dan 20.000 moslim SS-vrijwilligers in Joegoslavië, waarvoor hij formeel werd toegelaten tot de SS met de rang van Gruppenführer (generaal-majoor). Na de oorlog werd hij door de Fransen gevangen genomen, ontsnapte (en ontkwam zo aan vervolging als oorlogsmisdadiger door de Joegoslavische regering), en vond een toevluchtsoord in Egypte, waar hij tot aan zijn dood in 1974 bleef aanzetten tot geweld en de totale verdrijving van de Joden uit Palestina bleef eisen.

In mei 1941 begon de Haganah in het geheim met de opleiding van een elite gevechtseenheid (de Palmach).

Aan het eind van de jaren dertig voerden enkele congresleden in de Verenigde Staten aan dat Alaska (dat op dat moment werd voorbereid op de status van staat en dringend behoefte had aan immigranten) moest worden vrijgesteld van de immigratiequota van de Verenigde Staten, zodat sommige slachtoffers van nazivervolging daar een toevluchtsoord konden vinden. In november 1938 schreef afgevaardigde Charles Buckley van New York een open brief aan president Roosevelt waarin hij hem vroeg wetgeving van die strekking te steunen. Roosevelt weigerde. Het idee stuitte ook in Alaska zelf op grote weerstand. Er werd nog enkele jaren over gediscussieerd, maar het kreeg nooit voldoende steun. In 1939 werd in de Senaat het wetsontwerp verworpen van Wagner-Rogers, dat 20.000 vluchtelingenkinderen tot de Verenigde Staten zou hebben toegelaten.

Tijdens de oorlog werden de meeste Joden van Europa vermoord door de Duitsers en hun bondgenoten en collaborateurs.

3. De Onafhankelijkheidsoorlog

Na de oorlog was het beleid van de Geallieerden erop gericht alle vluchtelingen, waaronder 250.000 Joodse overlevenden van de Holocaust, te dwingen terug te keren naar hun land van herkomst. Veel van de Duitse en Oostenrijkse Joodse overlevenden wensten echter niet te leven tussen de moordenaars van hun families. Veel Joden uit Oost-Europa ontdekten dat hun eigendommen in beslag waren genomen en dat de nieuwe bezetters zich heftig verzetten tegen hun terugkeer. Velen wilden niet onder stalinistisch bewind gaan leven. Honderden Poolse Joden die probeerden naar huis terug te keren, werden afgeslacht tijdens anti-Joodse rellen in verschillende Poolse steden. Tenminste één rel, in Kielce, was geïnspireerd door een klassieke blood-libel (dat de Joden christelijke kinderen ontvoerden om hun bloed af te tappen). Bovendien was een groot deel van de joodse overlevenden overtuigd zionist geworden en wilde naar Palestina om te helpen bij de opbouw van een joodse staat. Alle Joden die weigerden terug te keren naar hun land van herkomst werden door de Geallieerden in kampen in Duitsland en Oostenrijk vastgezet. Degenen die werden betrapt bij pogingen Palestina te bereiken, werden op Cyprus gevangen gezet.

In 1945 werd de Liga van Arabische Staten (of Arabische Liga) gevormd, die als een van haar eerste daden een boycot afkondigde van alle Joodse bedrijven in Palestina.

Toen duidelijk werd dat Groot-Brittannië niet van plan was zijn Witboek-politiek terug te draaien, werd de Haganah een Joodse onafhankelijkheidsbeweging. Zij staakten hun vroegere nauwe samenwerking met de Britse autoriteiten bij het gevangen nemen van Irgun- en Lehi-leden, en vormden in plaats daarvan een alliantie met die organisaties op voorwaarde dat zij de bevelen van een gezamenlijke Verenigde Verzetsbeweging zouden opvolgen. Zij gingen door met het verzamelen van wapens en begonnen met de productie ervan. Ze gingen ook door met clandestiene militaire training, zelfs binnen de detentiekampen in Europa. Zij vielen immigratiekantoren en andere objecten van de Britten aan — bij een bepaalde gelegenheid vernielden zij tien van de elf bruggen over de rivier de Jordaan — en localiseerden en vermoordden individuele Arabieren die Joden hadden vermoord.

De Verenigde Staten oefenden druk uit op Groot-Brittannië om 100.000 Joden toestemming te geven de kampen te verlaten en naar Palestina te gaan om humanitaire redenen. Groot-Brittannië weigerde. Maar het kondigde aan dat het zich in 1948 uit zijn Mandaat (nu een Mandaat van de Verenigde Naties) zou terugtrekken. De Verenigde Naties stelden een verdelingsplan voor na die tijd voor. Het wees de Joden meer grondgebied toe dan de Peelcommissie had gedaan, voornamelijk door het grootste deel van de vrijwel lege (en in die tijd vrijwel onbewoonbare) Negev-woestijn in het plan op te nemen. Dit gebied omvatte echter niet de meeste Joodse historische of heilige plaatsen, noch veel Joodse nederzettingen, noch Jeruzalem; bovendien was het militair niet verdedigbaar. Dit plan was een bitter vooruitzicht voor de zionisten, maar zij aanvaardden het. De Arabieren weigerden.

Toen de Britten vertrokken, riepen de Joden van Palestina hun nieuwe Staat Israël uit op het grondgebied dat hun door de Verenigde Naties was toegewezen. De voorzitter van het Joods Agentschap en van de Zionistische beweging, David Ben-Gurion, wordt benoemd tot Eerste Minister van de Voorlopige Regering van Israël. De Haganah wordt omgedoopt tot de Israel Defence Force (IDF). De eerste twee landen die Israël erkenden waren de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie. De meeste andere landen, maar geen enkele Arabische, volgden dit voorbeeld. De eerste daad van de voorlopige regering was het opheffen van alle beperkingen voor Joodse immigratie. Joodse vluchtelingen begonnen Israël binnen te stromen.

Ondanks het feit dat een nieuwe staat in het Arabische deel van Palestina ook onmiddellijk zou zijn erkend door de naties van de wereld, met inbegrip van Israël, riepen de Arabieren van Palestina geen nieuwe staat uit in hun deel. In plaats daarvan werd Palestina binnengevallen door de legers van Egypte, Jordanië, Syrië, Libanon en Irak, plus een symbolisch contingent uit Saudi-Arabië.

De PLO werd pas zeventien jaar later opgericht, maar grote aantallen ongeregelde Arabieren uit Palestina en het buitenland hadden toen al moorddadige aanvallen gepleegd op een ongekende schaal die alles wat het land tot dan toe aan terreur had gezien nietig deed lijken: gedurende de paar maanden vóór de Onafhankelijkheidsverklaring werden 1.200 Joden en nog grotere aantallen Arabieren bij die aanvallen en bij de daarop volgende openlijke gevechten gedood. De vertrekkende Britten ondernamen slechts sporadische pogingen om dit geweld een halt toe te roepen of om de grenzen en de Joodse bevolking van Palestina te verdedigen tegen invallen van het Jordaanse leger en van ongeregelde troepen.

De Arabische legers hadden aanvankelijk succes: de IDF was in de minderheid en veel slechter bewapend — het had in het begin geen zware artillerie, weinig pantservoertuigen, geen militaire vliegtuigen en geen marine (wat de Arabische legers wel hadden) — en verdedigde een onmogelijk kwetsbaar gebied. Hoewel het IDF beter was opgeleid en veel van zijn leden veteranen waren van het Britse leger in de Tweede Wereldoorlog, was met name ook het Jordaanse leger goed opgeleid en bewapend door Groot-Brittannië en had het veel Britse officieren, waaronder zijn commandant, kolonel John Glubb. De plaatselijke Arabieren erfden ook de meeste vestingwerken (behalve in Jeruzalem, waar de Joden ze in beslag namen) en wapens die door de Britten waren achtergelaten.

De gevechten waren hevig en bitter. Sommige Joodse dorpen boden verbazingwekkend weerstand met inferieure en geïmproviseerde wapens. Sommige konden wekenlang standhouden in epische belegeringen, maar vele werden onder de voet gelopen door Arabische pantserwagens. In sommige daarvan werden de inwoners afgeslacht; in andere werden zij gevangen genomen; in de meeste werden zij slechts verdreven of op de vlucht gedreven. Op geen enkele plaats die door de Arabieren was veroverd, mochten de Joodse inwoners in hun huizen blijven wonen. Jeruzalem werd afgesneden en belegerd. De Joodse inwoners begonnen honger te lijden en werden voortdurend gebombardeerd door artillerie. De Arabische legers rukten op naar de Israëlische bevolkingscentra aan de kust vanuit het oosten, zuiden en noorden. De Egyptische luchtmacht bombardeerde Tel Aviv en de Egyptische marine begon een blokkade van Israëls havens en zette troepen aan land vanuit zee.

De IDF slaagde erin alle Arabische opmarsen tot staan te brengen voordat zij de belangrijkste Israëlische bevolkingscentra bereikten, met uitzondering van de Oude Stad van Jeruzalem met zijn oude Joodse wijk, waar de Joden zich overgaven en werden verdreven.

De Verenigde Staten hadden aan beide zijden een wapenembargo opgelegd, en hielden dit ook na de aanval van de Arabische legers in stand. Groot-Brittannië bleef de Arabische legers bevoorraden. Door een toevallige gril van de Koude Oorlogspolitiek was Israël korte tijd in staat wapens te kopen van communistisch Tsjecho-Slowakije. Toen deze arriveerden, begon de IDF het initiatief te nemen.

Zij veroverden verschillende belangrijke steden en gebieden om de door Joden bevolkte delen met elkaar te verbinden. Zij braken door naar Jeruzalem, maakten een einde aan het beleg, maar slaagden er niet in de Oude Stad te heroveren, die vervolgens door Jordanië werd geannexeerd. Israël hield het nieuwere, westelijke deel van Jeruzalem, en de stad bleef vanaf dat moment tot 1967 verdeeld.

Jordanië annexeerde ook het andere Palestijnse gebied dat het had veroverd, noemde het “de Westelijke Jordaanoever”,  verbood het gebruik van de term “Palestina” in officiële documenten die naar dat gebied verwijzen en verdreef alle Joden uit dat gebied. Egypte verdreef alle Joden uit het gebied dat het had veroverd (de Gazastrook), en hield dat tot 1967 bezet. In de daaropvolgende jaren werden ongeveer 800.000 Joden die in Arabische landen waren achtergebleven, gedwongen of “toegelaten” te vertrekken op voorwaarde dat zij hun bezittingen achterlieten. Bijna allemaal kwamen zij naar Israël.

Tijdens de oorlog verhuisden ongeveer 725.000 Arabieren die in de aan Israël toegewezen of door Israël veroverde gebieden woonden, naar het door Arabieren gecontroleerde gebied in Palestina of naar buurlanden, en ongeveer 30.000 naar plaatsen binnen Israël. De redenen hiervoor waren divers: sommigen waren op de vlucht voor de gevechten; sommigen waren strijders; sommigen gaven gehoor aan plaatselijke leiders die hen aanspoorden of opdroegen om uit de buurt te blijven van de binnenvallende legers en van dreigende bombardementen door Arabische luchtmachten; sommigen, zoals de bewoners van dorpen, gelegen aan de weg van Tel-Aviv naar Jeruzalem, werden om militaire redenen door het IDF verdreven. Sommigen werden verdreven uit wrok, uit wraak of uit ongevoeligheid.

Er was één massamoord op Arabieren door Joden: Tijdens de campagne om het beleg van Jeruzalem op te heffen, bood de Irgun aan, en kreeg toestemming, om de IDF te helpen door een Arabisch dorp, Deir Yassin, in te nemen. Op het einde van de strijd vermoordden ze enkele dorpelingen. De omstandigheden van de moorden en het aantal doden blijven tot op vandaag bitter betwist. In 1987 kwam een studie van de Bir Zeit Universiteit (een Palestijnse Arabische universiteit op de Westelijke Jordaanoever) tot de conclusie dat het aantal moorden tussen 107 en 120 lag. [Inmiddels is die mythe ontkracht: zie het betreffende hoofdstuk 10 in mijn boek dat ook online staat.]

Het ergste voorbeeld van verdrijving deed zich voor in de Arabische steden Lydda en Ramla. Deze lagen aan de belangrijkste noord-zuid en oost-west wegen en spoorlijnen van het land, en de IDF moest ze veroveren tijdens een wanhopige strijd om Tel Aviv te verdedigen tegen de hoofdmacht van het naderende Jordaanse leger, terwijl het ook het Syrische leger moest tegenhouden dat de rivier de Jordaan in het noorden was overgestoken en zijn superieure artillerie en luchtoverwicht gebruikte om op te rukken vanuit zijn bruggenhoofd. Ben-Gurion nam het besluit om alle 45.000 inwoners van de twee steden te dwingen te vertrekken, deels om de IDF in staat te stellen daar te vechten (ongeveer 250 burgers waren al gedood in Lydda in het kruisvuur van de strijd met de Jordaniërs de vorige dag), maar deels ook om de opmars van de Jordaniërs te belemmeren en de logistieke last voor hen te vergroten. Sommige vluchtelingen werden naar de rand van Jordaans gebied gebracht in bussen die door de Palmach werden bestuurd, maar de meesten moesten lopen, en zo’n 335 van hen stierven onderweg door uitdroging en uitputting. De tactiek werkte —de Jordaniërs werden lang genoeg opgehouden — maar het veroorzaakte morele afkeer en een hevig debat onder de Israëlische leiding, en werd niet meer gebruikt.

De meest voorkomende reden waarom Arabieren vertrokken, was waarschijnlijk dat zij vreesden dat hun iets zou overkomen als de Joden de oorlog zouden winnen. De 160.000 die in Israël bleven, verging het echter veel beter dan degenen die vertrokken. De laatsten kregen van geen van de Arabische regeringen onder wier jurisdictie zij terecht kwamen (met inbegrip van hun “eigen” Jordaanse regering op de Westelijke Jordaanoever) toestemming om een normaal leven te leiden. Integendeel, zij werden bijeengedreven in vluchtelingenkampen waar het hun systematisch onmogelijk werd gemaakt zich te rehabiliteren of te integreren in de plaatselijke bevolking of (behalve in Jordanië) het staatsburgerschap van het gastland te verwerven. Hoewel een deel van de vluchtelingen is geïntegreerd is vandaag, meer dan een halve eeuw later, het basisbeleid van opzettelijke ellende nog steeds van kracht: de kampen, met inbegrip van die in de gebieden die nu door de Palestijnse Autoriteit worden beheerd, bestaan nog steeds.

De Arabieren die in Israël bleven, werden daarentegen volwaardige burgers van de nieuwe staat, en degenen die in eigen land ontheemd waren, werden hervestigd en geïntegreerd.  Zij en hun nakomelingen blijven tot op de dag van vandaag de enige Arabieren in het Midden-Oosten die vertegenwoordigers kiezen in een democratisch parlement, die in een rechtsstaat leven en die volledige mensenrechten genieten in de westerse betekenis van het woord.  De enige uitzondering op hun wettelijke gelijkheid was dat zij niet bij de IDF mochten en vrijgesteld waren van de dienstplicht. Twee kleine etnische groepen, de Druzen en de Circassiërs, vroegen en kregen later echter vrijstelling van deze vrijstelling. Bovendien kregen Bedoeïenen het recht om zich vrijwillig bij de IDF aan te sluiten, en doen dat traditioneel ook, evenals christelijke Arabieren.

Toen de gezant van de Verenigde Naties graaf Folke Bernadotte een nieuw verdelingsplan voorstelde, waarin onder meer Jeruzalem weer niet aan Israël werd toegewezen, werd hij door Lehi vermoord. Ben-Gurion beval: “Arresteer alle leiders van de Stern Bende [Lehi]. Omsingel alle Stern bases. Neem alle wapens in beslag. Dood iedereen die zich verzet.” Vrijwel alle Lehi leden werden inderdaad gearresteerd en Lehi hield op te bestaan.

Ben-Gurion eiste toen dat de Irgun zou worden ontbonden. Leden van de Irgun die onvoorwaardelijk hun wapens inleverden en zich bij de IDF aansloten, zouden amnestie krijgen voor hun vroegere misdaden. Anders zouden zij als misdadigers worden behandeld. In een bittere verklaring waarin ze zeiden dat de Irgun het leven van IDF-soldaten blijkbaar meer waardeerde dan de Israëlische regering, stemde de Irgun toe en de leden sloten zich aan bij de IDF.

Op 1 oktober 1948, vier en een halve maand na de beëindiging van het Mandaat en Israëls gelijktijdige Onafhankelijkheidsverklaring, kwam in Gaza een raad van vooraanstaande Palestijnse Arabieren bijeen, die zichzelf uitriep tot de “Voorlopige Regering van geheel Palestina” en de voormalige Grootmoefti (al-Husseini) tot president koos. Deze claim werd kortstondig erkend door de meeste Arabische staten, maar door geen enkele andere staat, maar werd boos afgewezen door koning Abdullah van Jordanië. Een rivaliserende groep hoogwaardigheidsbekleders in Jericho stemde voor vereniging met Jordanië en riep Abdullah uit tot koning van heel Palestina. Beide eisen werden snel vergeten: Egypte stond niet toe dat de “Voorlopige Regering van geheel Palestina” weer bijeenkwam, en Jordanië gaf met tegenzin zijn territoriale aanspraken buiten de Westelijke Jordaanoever op toen Groot-Brittannië dreigde de wapenleveranties stop te zetten.

Maar de Arabische naties en volkeren bleven vasthouden aan het principe van Arabische heerschappij over geheel Palestina, en zouden nog decennia lang voor dit principe blijven vechten en doden.

Deel II: De Staat Israël

4. Onafhankelijkheid, maar geen vrede

Na vele maanden van strijd was Israël erin geslaagd te overleven, de Arabische legers te verslaan en zijn nu grotere grondgebied te consolideren. Maar meer dan 6.000 Joden — ongeveer één procent van de Joodse bevolking van Palestina — waren gedood. Nog veel meer waren gewond geraakt of dakloos geworden. De overlevenden waren getraumatiseerd, en hun economie en landbouw waren verwoest.

De joodse immigratie was enorm, vooral vanuit de vluchtelingenkampen in Europa en vanuit de Arabische landen waar de joden werden verdreven. Binnen ongeveer vier jaar waren de immigranten die na de onafhankelijkheid waren aangekomen al in de meerderheid ten opzichte van de “pioniers”, maar hun succesvolle absorptie was slechts een van de prestaties waaraan de bouwers van de nieuwe staat hun trots ontleenden. Al snel begonnen Israëli’s bijdragen van wereldklasse te leveren op het gebied van wetenschap, technologie, kunst en landbouw. Israël is een vrije en welvarende natie met een typische diverse en tolerante cultuur, die de meest optimistische verwachtingen van zijn stichters overtreft. Van de ongeveer 100 nieuwe onafhankelijke staten die sinds 1945 zijn ontstaan, is Israël de enige waarvan dat naar waarheid gezegd kan worden. En het is een toevluchtsoord gebleven voor Joden op de vlucht  voor vervolging, ofdie  gewoon een beter leven zoeken, waar dan ook vandaan.

Theodor Herzl zei over het Eerste Zionistische Congres in 1897: “In Bazel heb ik de Joodse staat gesticht. Misschien over vijf jaar, zeker over vijftig, zal iedereen het beseffen.” Hij kreeg gelijk, bijna tot op het jaar nauwkeurig. Als hij nog had geleefd, zou hij 88 jaar oud zijn geweest ten tijde van Israëls Onafhankelijkheidsverklaring.

De Israëlische Onafhankelijkheidsoorlog eindigde formeel in 1949 met wapenstilstandsverdragen tussen Israël en zijn vier buurlanden: Libanon, Syrië, Jordanië en Egypte. (Irak wees het grondgebied dat het had veroverd toe aan Jordanië en trok zich terug zonder een overeenkomst te ondertekenen). In de verdragen stemde Israël ermee in zich terug te trekken uit al het Egyptische en Libanese grondgebied dat het had veroverd, en stemden de Arabische landen ermee in zich terug te trekken uit al het grondgebied dat zij binnen Palestina hadden veroverd, met uitzondering van Gaza, de Westelijke Jordaanoever en Oost-Jeruzalem.

De verdragen verplichtten de partijen ook om hun geschillen in de toekomst vreedzaam op te lossen. Dit mocht niet zo zijn. De Arabische landen benadrukten dat zij in oorlog bleven met Israël. Terwijl Israël worstelde om zijn economie weer op te bouwen, grote aantallen behoeftige immigranten op te nemen en de instellingen van een moderne samenleving op te bouwen, werd de bevolking voortdurend aangevallen. Arabische soldaten en burgers vermoordden regelmatig Israëli’s die zich binnen schootsafstand van de grens waagden. Arabische artillerie beschoot Israëlische steden. Om de paar dagen staken Arabische terroristen (in die tijd bekend als “fedayeen”) de grens over en vermoordden Joden. Israëlische boeren ploegden hun velden met gepantserde tractoren om zich te beschermen tegen sluipschutters. In grenssteden sliepen de mensen routinematig in ondergrondse schuilkelders.

Israël annexeerde al het grondgebied dat het in Palestina had veroverd. De meeste Israëli’s beschouwden dit als de legale en gerechtvaardigde actie van een slachtoffer van een agressieve oorlog. Omdat zij zojuist zware verliezen hadden geleden bij het verdedigen van onverdedigbare grenzen in zo’n oorlog, voelden zij zich niet moreel verplicht omnaar die grenzen terug te keren, vooral omdat hun vijanden nog steeds uit waren op de volledige vernietiging van Israël, ongeacht de grenzen.

Israël weigerde de Arabieren die tijdens de oorlog waren gevlucht, terug te laten keren of te compenseren. De Israëlische regering was van mening dat een regeling voor de aanspraken van Arabische vluchtelingen deel moest uitmaken van een vredesverdrag, samen met de aanspraken van Joodse vluchtelingen die waren verdreven uit delen van Palestina die in handen van de Arabieren waren, en andere grieven die uit dezelfde oorlog voortkwamen. De Israëlische houding in deze kwestie verhardde verder in de daaropvolgende jaren, toen honderdduizenden Joodse vluchtelingen uit Arabische landen aankwamen, waarvan de meesten onteigend waren.

Israël stelde een parlement in met één kamer (de Knesset), die wordt gekozen op basis van evenredige vertegenwoordiging. Dit veroorzaakte het ontstaan van een veelheid aan politieke partijen en verschuivende coalities, maar men kan de partijen in drie hoofdgroepen indelen, te weten:

*De opvolgers van de hoofdstroom van de Zionistische beweging. Deze groep, waarvan de Arbeiderspartij tegenwoordig het grootste lid is, was tot 1977 dominant in elke regeringscoalitie in de Knesset.
*De opvolgers van de Herziene Zionistische Beweging. Het grootste lid van deze groep is tegenwoordig de Likoedpartij, die sinds 1977 afwisselend met de Arbeidspartij de belangrijkste regeringspartij is.

 *De religieuze partijen. De grootste, de Nationale Religieuze Partij, was de belangrijkste partij die religieuze joden vertegenwoordigde die het zionisme steunden. Andere religieuze joden stonden nog steeds wantrouwend tegenover het zionisme. Een klein deel vond de staat Israël nog steeds heiligschennis en verzette zich er actief tegen. Door het systeem van evenredige vertegenwoordiging hebben religieuze partijen vaak de macht in handen gehad in wankele coalitieregeringen, en hebben zij vaak concessies in ruil voor hun steun in de wacht gesleept, ook al hebben zij samen nooit genoeg stemmen behaald om de oppositie te leiden, laat staan de regering.

De religieuze partijen (van allerlei pluimage) hadden drie hoofdpunten op hun politieke agenda staan. Ten eerste wilden zij overheidsfinanciering voor hun eigen activiteiten, met name religieuze scholen; ten tweede wilden zij speciale privileges voor orthodoxe Joden, zoals vrijstelling van militaire dienst; en ten derde wilden zij bepaalde beperkingen op het leven van alle Israëli’s, zoals een verbod op winkels die op de sabbat opengingen. Veel seculiere Joden (die altijd de overgrote meerderheid in Israël hebben gevormd) voelden woede en minachting voor de niet-zionistische religieuze facties, omdat veel Europese rabbijnen in de jaren dertig hun parochianen hadden ontmoedigd om te vluchten toen dat nog mogelijk was geweest. Ten tijde van het verdelingsplan van de VN in 1947 hadden ultraorthodoxe groeperingen binnen Palestina de VN verzocht seculiere Joden niet toe te staan over hen te regeren.

In 1948 was de eerste daad van de Voorlopige Regering van Israël  het opheffen van alle beperkingen op de immigratie van Joden. In 1950 werd dit formeel vastgelegd in de Wet op de Terugkeer, die bepaalde dat elke Jood (met bepaalde uitzonderingen zoals criminelen die op de vlucht zijn voor justitie) bij het bereiken van Israël moest worden toegelaten. Een begeleidende wet verleende deze immigranten onmiddellijk het staatsburgerschap. De precieze definitie van “Jood” deed er aanvankelijk niet veel toe, maar binnen enkele jaren ontstond een strijd tussen de zionistische interpretatie van Ben-Gurion (die een Jood in de zin van de Wet op de Terugkeer definieerde als “een ieder die te goeder trouw verklaart Jood te zijn”) en religieuze definities. De huidige definitie is een compromis: voorrechten in verband met de wet van terugkeer worden verleend aan Joden volgens de religieuze definitie (met inbegrip van bekeerlingen tot, maar niet van het Judaïsme), en aan hun echtgenoten, kinderen en kleinkinderen, en ook aan Rechtvaardige niet-Joden (niet-Joden die hun leven hebben gewaagd om Joden te redden van vervolging) en hun echtgenoten, kinderen en kleinkinderen. Parallel aan de Wet op de Terugkeer heeft Israël een normaal immigratiebeleid dat lijkt op dat van andere westerse landen: in de loop der jaren heeft het vele niet-joodse immigranten en asielzoekers opgenomen, van Vietnamese bootvluchtelingen tot moslimvluchtelingen uit Kosovo, en ook mensen die door seculiere autoriteiten als joden worden beschouwd, maar die niet tot een van de bovengenoemde categorieën behoren. De combinatie van al deze regelingen heeft ervoor gezorgd dat zeer weinig of geen mensen die aan de definitie van Ben-Gurion voldoen, ooit de toegang tot Israël (of uiteindelijk het staatsburgerschap) is geweigerd, en dat grote aantallen mensen die niet aan de definitie voldoen, ook zijn verwelkomd en staatsburger zijn geworden.

Jordanië hield zich niet aan de bepaling van het Wapenstilstandsverdrag inzake vrije toegang tot heilige plaatsen voor gelovigen.

In 1951 werd koning Abdullah van Jordanië bij de al-Aqsa Moskee in Jeruzalem vermoord, omdat hij vrede met Israël zou hebben willen sluiten. Hij werd opgevolgd door zijn kleinzoon, koning Hoessein.

De weinige Joden die in de Arabische landen waren overgebleven, werden nog steeds op de traditionele manier vervolgd, maar nu werden zij ook vaak, individueel of collectief, beschuldigd van spionage voor Israël, en dienovereenkomstig gestraft. Blood libels en andere vormen van ophitsing tot Jodenhaat werden door de Arabische regeringen aangemoedigd, en gingen deel uitmaken van het leerplan van scholen en van het alledaags taalgebruik van academici, politici, schrijvers, journalisten en diplomaten. Ten tijde van de Suez-oorlog in 1956 (zie hieronder) bevond zich in de standaarduitrusting van alle Egyptische officieren een exemplaar van Adolf Hitler’s Mein Kampf, vertaald in het Arabisch.

Arabische leiders dreigden onophoudelijk met oorlog, massale verdrijving van Joden uit Palestina, en soms genocide.

5. De Suez-crisis

De algemene paranoia van de Sovjet-dictator Josef Stalin richtte zich in het bijzonder op de Joden, en nu op Israël. Terwijl de oorlog van 1948 nog aan de gang was, beval hij Tsjechoslowakije de wapenleveranties aan Israël stop te zetten. In 1949 begon de Sovjetpers met een “anti-kosmopolitische” campagne: “kosmopolieten” was een codewoord voor Joden. Veel Joden werden gearresteerd op basis van verzonnen beschuldigingen, gemarteld en geëxecuteerd of veroordeeld tot lange gevangenisstraffen in werkkampen. In 1953 “ontdekte” Stalin een fictief complot van een groep artsen, de meesten van hen Joods, om het Sovjetregime omver te werpen. Een massamoord op de joden werd waarschijnlijk alleen voorkomen door Stalins eigen dood enkele weken later, waarna de nieuwe Sovjetleiding het “Dokterscomplot” ontkende en postuum de vijftien doodvonnissen die op grond daarvan reeds waren voltrokken, annuleerde.

De Sovjet-Unie bleef echter Joden vervolgen en haar buitenlands beleid werd steeds gewelddadiger anti-Israël. In 1955 begon zij grote hoeveelheden wapens te leveren aan Egypte en Syrië. Egypte tekende een verdrag met Syrië en Jordanië waarbij de Egyptische dictator Gamal Abdul Nasser het bevel kreeg over alle drie de legers. Dit was een van de hoogtepunten van de pan-Arabische nationalistische beweging onder leiding van Nasser, die alle Arabieren wilde verenigen in één politieke entiteit.

In juli 1956 nationaliseerde Egypte het Suezkanaal, een internationale waterweg die eigendom was van de Britse en Franse regeringen. Israëlische schepen en schepen die van of naar Israëlische havens reisden, werd het gebruik van het kanaal verboden. Nasser negeerde het vluchtige protest van de VN. Hij had reeds een soortgelijk verbod uitgevaardigd voor een andere internationale waterweg, de Straat van Tiran, en daarmee Eilat geblokkeerd, de haven die Israël op zijn zuidpunt trachtte te ontwikkelen.

Gewelddadige incidenten aan Israëls grenzen namen toe. Jordaanse en Egyptische soldaten en fedayeen staken de grens over en vielen zowel militaire als burgerdoelen aan. De beschietingen van Israëlische steden en dorpen binnen het bereik van de Egyptische artillerie werden bijna onophoudelijk.

Israël bereidde zich voor op een oorlog tegen Egypte. Het was van plan de blokkade van Eilat op te heffen door Sharm-el-Sheikh in te nemen en te behouden, een stad waar een grote militaire basis was gebouwd, die de Straat van Tiran domineerde. Het was ook van plan de aanvallen van Egypte te vergelden en het vermogen van Egypte om met een invasie te dreigen te beperken door het leger van Egypte aan te vallen, dat nu op het schiereiland Sinaï en in de Gazastrook was gestationeerd.

Om dit alles te kunnen doen, had de IDF moderne wapens nodig. De Verenigde Staten wilden die niet leveren. Geen enkel land uit het Sovjet-blok, met inbegrip van Tsjecho-Slowakije (dat nu aan Egypte leverde). Evenmin wilde Groot-Brittannië, dat zichzelf nog steeds beschouwde als een bondgenoot van de Arabische landen, inmiddels met uitzondering van Egypte. Maar Israël had een relatie opgebouwd met Frankrijk, dat prat ging op zijn onafhankelijk buitenlands beleid en ermee instemde wapens aan Israël te verkopen.

Groot-Brittannië en Frankrijk hadden in het geheim plannen gemaakt om het Suezkanaal te heroveren, ondanks druk van de Verenigde Staten om in de nationalisatie toe te stemmen. Nu brachten de Fransen de Israëli’s op de hoogte van dit plan en nodigden hen uit hun eigen aanval daarop af te stemmen. In onderhandelingen, waarvan de drie landen nog vele jaren later zouden ontkennen dat ze ooit hadden plaatsgevonden, kwamen zij overeen dat Israël het kanaal zou veroveren, waarna de Britten en Fransen beide zijden zouden oproepen zich terug te trekken, en wanneer Nasser weigerde, zouden Britse en Franse troepen worden gestuurd om de kanaalzone te “beschermen”.

Israëlische parachutisten landden in het westen van de Sinaï, Israëlische troepen veroverden Gaza en Israëlische pantsercolonnes reden westwaarts de Sinaï in en zuidwaarts naar Israëls hoofddoel, Sharm-el-Sheikh. De volgende dag stelde Groot-Brittannië een ultimatum aan Israël en Egypte: tenzij beide partijen zich terugtrokken tot op een afstand van tien mijl van het kanaal, zou geweld tegen hen worden gebruikt.

Gedurende de volgende zes dagen versloeg de IDF het Egyptische leger in de Sinaï in hevige gevechten, waarbij Sharm-el-Sheikh en het grootste deel van de Sinaï werden veroverd. Gevolg gevend aan het Britse ultimatum, stopte het IDF tien mijl van het Suezkanaal. De Egyptenaren trokken zich niet terug van het kanaal en Britse en Franse troepen vielen binnen, landden bij Port Said en drongen zuidwaarts op door de kanaalzone.

Er was een enorme internationale verontwaardiging, aangevoerd door de Verenigde Staten. President Eisenhower oefende grote druk uit op Groot-Brittannië en Frankrijk om zich terug te trekken. Zij gaven gehoor: hun troepen stopten, en keerden spoedig daarna vernederd naar huis terug. De Britse premier, Anthony Eden, trad af, een gebroken man. Eisenhower dreigde Israël met economische sancties van de VN en verbanning uit de VN als het zich niet eveneens zou terugtrekken. De Sovjet-premier stuurde Ben-Gurion een privé-brief waarin hij hem eraan herinnerde dat de Sovjet-Unie raketten bezat die Israël konden bereiken. Israël stuurde een delegatie naar Washington met het argument dat terugtrekking zonder enige concessie van Egypte over toekomstig geweld of blokkade van internationale waterwegen een uitnodiging zou zijn voor een herhaling van de situatie. Eisenhower was onvermurwbaar over een onvoorwaardelijke terugtrekking, maar deed zelf wel enkele concessies: hij verzekerde Israël dat de Verenigde Staten voortaan de Straat van Tiran open zouden houden, en dat de internationale gemeenschap “krachtig” zou optreden als Egypte de Israëlische scheepvaart niet door het Suezkanaal zou toelaten. Hij zorgde er ook voor dat een VN-noodtroepenmacht in de Sinaï en de Gazastrook werd gestationeerd, die tot taak zou hebben “ervoor te zorgen dat de wapenstilstandsovereenkomst nauwgezet wordt nageleefd” —  in het bijzonder om ervoor te zorgen dat deze gebieden niet opnieuw zouden worden gebruikt voor razzia’s van de fedayeen, artilleriebeschietingen of gewapende dreigementen tegen Israël.

Israël trok zich terug. De VN-noodtroepen werden ingezet. De raids van de Fedayeen en andere aanvallen vanuit Egypte werden gestaakt. De Straat van Tiran en het Suezkanaal werden opengesteld voor de Israëlische scheepvaart. De Suez-oorlog werd een alom aangehaald symbool van de laatste adem van het imperialisme en van de zinloosheid van westerse inmenging in de aangelegenheden van andere landen. Israël had 172 doden en 817 gewonden te betreuren.

De Egyptische autoriteiten begonnen al weer spoedig met het lastig vallen van schepen die door het Suezkanaal van of naar Israël voeren: zij zorgden voor vertraging en namen soms lading in beslag. De VN bereikte een compromis waarbij, gedurende de tijd dat zij door het kanaal voeren, de vracht altijd eigendom zou zijn van de niet-Israëlische partij betrokken bij de handel. Israël stemde onder protest in met deze omslachtige en onwettige eis, maar het eerste schip dat het op die manier probeerde (het Griekse schip Astypalea) werd toch aangehouden en zijn lading van 500 ton Israëlisch cement werd in beslag genomen. In feite was het kanaal opnieuw gesloten voor de scheepvaart met Israël. De door Eisenhower beloofde “harde actie” is er nooit gekomen.

6. Elf jaar strijd, zes oorlogsdagen

Toen Israël zich onafhankelijk verklaarde, werd de boycot van de Arabische Liga tegen de Joden in Palestina de anti-Israël boycot, die in elk Arabisch land bij wet werd afgedwongen en vervolgens in omvang werd uitgebreid en geïnstitutionaliseerd: personen of bedrijven waar ook ter wereld die ook maar iets met Israël te maken hadden, mochten nergens in de Arabische wereld zaken doen. Bedrijven die met die bedrijven zaken deden, werden ook geboycot. Reizigers met een Israëlische stempel in hun paspoort mochten geen enkel Arabisch land binnen. Veel multinationale bedrijven hielden zich aan de boycot. Velen deden dat niet, maar in 1993 werd in een studie van de Israëlische Kamers van Koophandel het totale verlies voor de Israëlische economie als gevolg van de boycot geraamd op ongeveer 45 miljard dollar.

Arabische regeringen gebruikten ook boycots en andere pressiemiddelen om Israël uit internationale organisaties uitgesloten te krijgen. Als gevolg daarvan is Israël bijvoorbeeld tot op heden het enige land ter wereld dat geen lid mag worden van het Internationale Rode Kruis. Het is het enige lid van de Verenigde Naties dat geen zitting mag hebben in de Veiligheidsraad. Het mag ook niet deelnemen aan het Wereldgerechtshof, en is uitgesloten van de meeste organisaties van de Verenigde Naties, zoals UNICEF.

Syrië bouwde een militaire basis op de Golanhoogte, met in de rots uitgehouwen en vanuit de lucht onzichtbare geschutsopstellingen en een complex systeem van versterkingen die door ondergrondse tunnels met elkaar verbonden zijn. Van daaruit beheerste de lange-afstands-artillerie een hele regio in het noorden van Israël en veroorzaakte een gestage stroom van doden, gewonden en vernielingen.

Frankrijk bleef wapens verkopen aan Israël. In 1957 begon Israël met de bouw van een kernreactor en een nucleaire onderzoeksfaciliteit in Dimona in de Negev, kocht daarvoor Franse technologie, en gebruikte die om zijn eigen kernwapens te vervaardigen.

In 1959 stak het Egyptische leger plotseling het Sinaï-schiereiland over. Israëls inlichtingen- en waarschuwingssystemen merkten de dreiging pas op toen honderden Egyptische tanks al aan de grens stonden, waar ze aan Israëlische kant niet meer dan dertig tanks tegenover zich hadden. Israël was onvoorbereid en had nog eens 24 uur nodig om een leger te mobiliseren en met spoed zuidwaarts te trekken om de invasie het hoofd te bieden. Maar de Egyptenaren vielen niet binnen. In plaats daarvan trokken zij zich geleidelijk terug.

Een van de vaste strategische feiten in het Arabisch-Israëlische conflict is dat Israël vanwege zijn kleine bevolking alleen een leger kan oprichten dat groot genoeg is om een grootscheepse invasie af te slaan, wanneer min of meer alle in aanmerking komende burgers worden gemobiliseerd. Een dergelijke mobilisatie kan worden gerealiseerd in de opmerkelijk korte tijd van 48 uur. Dit gaat echter ten koste van het stilleggen van het grootste deel van Israëls civiele economie, zodat elke dergelijke mobilisatie op zichzelf al een grote economische ramp is, en als het land erg lang gemobiliseerd zou blijven, zou het failliet gaan.

De mogelijkheden van Israël om zich te verdedigen tegen aanvallen die geen invasie zijn, waren eveneens beperkt. Het voerde een beleid van vergelding. Wanneer Arabische soldaten Israëli’s hadden gedood of met terroristen hadden samengewerkt, kon de IDF vergeldingsmaatregelen nemen door militaire installaties of andere waardevolle objecten van het land in kwestie te beschieten of te bombarderen. Wanneer terroristen konden worden geïdentificeerd als afkomstig uit een bepaald dorp, kon de IDF dat dorp binnenvallen, de inwoners bevelen het te verlaten en huizen opblazen. De IDF werd ook bedreven in het bewaken van de grens, zodat infiltranten daar vaak werden gedood voordat zij verder kwaad konden doen. En Israël ontwikkelde een formidabele inlichtingendienst, de Mossad.

In 1962 gaf president Kennedy de aanzet tot een historische verandering in de houding van de Verenigde Staten ten opzichte van het Midden-Oosten (contra de fervente tegenstand van het State Department ) door toestemming te geven voor de allereerste verkoop van Amerikaanse wapens — Hawk-luchtdoelraketten — aan Israël. Ook de Britse regering was bereid het verzet van het ministerie van Buitenlandse Zaken te overrulen en de verkoop van wapens aan Israël toe te staan.

In 1964 stelde Syrië aan de Arabische Liga voor dat de Palestijnse Arabische vluchtelingen, die nog steeds in kampen in verschillende Arabische landen werden vastgehouden, te gebruiken om Israël te destabiliseren. Het voorstel werd aanvaard en de Arabische Liga richtte de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO) op met als doel, volgens het oprichtingsmanifest, “Israël te liquideren”. Ondanks haar naam streefde de PLO niet naar zelfbestuur voor de Palestijnse Arabieren, noch werd er een poging ondernomen om de PLO, of welke Palestijnse Arabieren dan ook, te installeren als regering van die delen van Palestina die reeds in 1948 waren “bevrijd” (namelijk Gaza, de Westelijke Jordaanoever en Oost-Jeruzalem). De PLO viel al snel uiteen in facties met zeer uiteenlopende ideologieën en loyaliteiten, maar die het allemaal eens waren over het basisdoel (Arabische regering over geheel Palestina, en de vernietiging van Israël), en die dezelfde basismiddelen gebruikten: het vermoorden van Joden. De Fatah-beweging van Arafat, die rond dezelfde tijd in oprichting was, werd de grootste afzonderlijke factie.

In het kader van een grootscheepse, voornamelijk geheime campagne om het Westen te destabiliseren door het steunen van terroristische organisaties, verstrekte de Sovjet-Unie uitgebreide opleiding en andere diensten aan de PLO. De PLO was veel beter bewapend en gefinancierd dan enige andere terroristische organisatie voor die tijd – en  deed geleidelijk van zich spreken met een steeds woestere en spectaculairdere moordcampagne.

Egypte, Syrië en Jordanië richtten opnieuw een verenigde militaire commandostructuur op om zich voor te bereiden op een oorlog met Israël. De Arabische leiders hielden steeds oorlogszuchtiger toespraken. In 1965, zei Nasser: “Wij streven naar de vernietiging van de staat Israël. Het onmiddellijke doel: perfectionering van de Arabische militaire macht. Het nationale doel: de uitroeiing van Israël.”

In 1967 voerde Syrië zijn artillerie-aanvallen op vanaf de Golan Hoogvlakte. Grensoverschrijdende artillerie duels volgden. Verschillende Syrische gevechtsvliegtuigen werden neergeschoten in luchtgevechten boven de Hoogvlakten. De Sovjet-Unie gaf Syrië valse bewijzen dat Israëlische pantserwagens zich in Noord-Israël verzamelden om een invasie voor te bereiden. Syrië verzamelde zijn troepen aan de grens en beriep zich op zijn defensieverdrag met Egypte. Jordanië ondertekende vervolgens ook het verdrag.

Half mei verplaatste Nasser opnieuw het Egyptische leger via de Sinaï naar de Israëlische grens en beval de VN haar noodtroepen terug te trekken, wat onmiddellijk en zonder bezwaar gebeurde. Hij sloot opnieuw de Straat van Tiran af voor de Israëlische scheepvaart. De Verenigde Staten stelden internationale actie voor om de blokkade te doorbreken, maar geen enkel land was enthousiast om enige actie te ondernemen, en er werd dus ook geen actie ondernomen. De Israëlische regering wees erop dat de blokkade een oorlogsdaad was en dreigde deze met geweld op te heffen. Nasser antwoordde: “De Joden dreigen oorlog te voeren. Ik antwoord: Welkom! Wij zijn klaar voor oorlog.” Irak sloot zich aan bij de alliantie met Egypte. De president zei: “Het bestaan van Israël is een fout die rechtgezet moet worden. Dit is onze kans om de schande die ons sinds 1948 treft, uit te wissen. Ons doel is duidelijk: Israël van de kaart te vegen.” Overal in de Arabische wereld klonken enorme demonstraties. Ahmed Shukeiry, de leider van de PLO, verklaarde in een toespraak in het (door Jordanië bezette) Oost-Jeruzalem dat na de aanstaande overwinning alle Israëli’s die niet in het land geboren waren, zouden worden uitgewezen. Toen hem werd meegedeeld dat de meerderheid van de Israëli’s in het land was geboren, antwoordde hij: “Zij die overleven zullen in Palestina blijven, maar ik schat dat geen van hen zal overleven.”

De Sovjet-Unie stuurde zeventig oorlogsschepen naar de oostelijke Middellandse Zee en maakte opnieuw onheilspellende toespelingen op het beschermen van haar bondgenoten, met name Syrië.

De IDF, die sinds de Egyptische inzet in de Sinaï in staat van paraatheid was gebracht, was nu volledig gemobiliseerd. Toch was het nominaal de zwakkere strijdmacht. De totale sterkte bedroeg 264.000 soldaten, waarvan 80% reservisten, met 800 tanks en 300 gevechtsvliegtuigen. Het stond tegenover drie leger — Egypte, Syrië en Jordanië —  van in totaal 347.000 soldaten, waarvan de meesten al jaren voor dit moment aan het trainen waren, met 1.900 tanks en 700 gevechtsvliegtuigen. Er waren nog maar weinig Irakezen aangekomen.

Israël sloeg als eerste toe. Haar luchtmacht viel de Egyptische luchtmacht aan. Veel Egyptische vliegtuigen werden op de grond vernietigd, en andere in de strijd. In opdracht van Nasser vielen nu de Syrische en Jordaanse luchtmachten Israël aan. Zij werden effectief vernietigd. Groot-Brittannië, Frankrijk en de Verenigde Staten legden onmiddellijk een wapenembargo op aan beide partijen. De Sovjet-Unie bleef wapens leveren aan de Arabieren. De IDF, nu met luchtoverwicht, viel over de grond aan in de Sinaï en versloeg het Egyptische leger. Spoedig hadden zij het hele schiereiland veroverd, de Straat van Tiran geopend en stonden aan het Suezkanaal. Toen viel de IDF, ondanks hun angst voor directe Sovjetinterventie, de Golanhoogten aan en veroverde deze.

Op de eerste dag van de oorlog had de Israëlische premier Levi Eshkol via de VN een geheime boodschap gestuurd aan koning Hoessein van Jordanië: “Wij zijn bezig met defensieve gevechten in de Egyptische sector, en wij zullen ons niet overgaan tot enige actie tegen Jordanië, tenzij Jordanië ons aanvalt. Mocht Jordanië Israël aanvallen, dan zullen wij met alle macht tegen haar optreden.” Maar dankzij de mist van de oorlog en onjuiste berichten van Nasser over Egyptische overwinningen, geloofde Koning Hoessein dat Israël op het punt stond verslagen te worden. Zelfs toen Jordaanse troepen West-Jeruzalem begonnen te beschieten, hield de IDF nog enkele uren stand. Het Knesset-gebouw werd ook getroffen en de leden verplaatsten zich naar de kelder. Uiteindelijk viel de IDF aan, veroverde Oost-Jeruzalem in felle straatgevechten, versloeg het Jordaanse leger en veroverde de Westelijke Jordaanoever. Libanon, dat niet had deelgenomen aan de dreigementen tegen Israël, werd niet aangevallen.

Al deze gevechten waren beslissende overwinningen en duurden slechts zes dagen (vandaar dat deze oorlog bekend staat als de Zesdaagse Oorlog), maar het waren geen gemakkelijke overwinningen. Alle drie de Arabische legers vochten bekwaam en dapper in vele gevechten. Hun doeltreffendheid en moreel werden vooral aangetast door de uitschakeling van hun luchtmacht tijdens de eerste uren van de oorlog, een actie die Israël zelf bijna een kwart van zijn gevechtsvliegtuigen kostte. In totaal telde  Israël 777 doden en 2.586 gewonden gedurende de zes dagen: verhoudingsgewijs meer dan de Verenigde Staten verloren tijdens de oorlog in Vietnam. Niettemin ging het verdriet onder de Israëli’s nu gepaard met een overweldigend gevoel van opluchting dat zij hadden overleefd.

Aan het eind van de oorlog controleerde Israël meer dan drie keer zoveel grondgebied als zes dagen eerder. Deze keer annexeerde het het niet (met uitzondering van Jeruzalem – zie hieronder) of verdreef er iemand (hoewel ongeveer 325.000 Arabieren er om verschillende redenen voor kozen om de Westelijke Jordaanoever te verlaten en naar Jordanië te trekken). In plaats daarvan stelde het de Arabische landen, via de regering van de Verenigde Staten, een vredesplan voor waarbij het al het grondgebied dat het zojuist had veroverd zou teruggeven, met uitzondering van Oost-Jeruzalem en enkele grensaanpassingen, in ruil voor erkenning van Israëls recht om binnen die grenzen in vrede te leven. De Arabische leiders reageerden niet op het Israëlische voorstel als zodanig, en formuleerden geen eigen vredesplan. In de Verklaring van Khartoem eisten zij dat Israël zich zou terugtrekken uit al het gebied dat het tijdens de Zesdaagse Oorlog had veroverd, zonder vrede of erkenning te krijgen. In de verklaring benoemde “de belangrijkste principes waaraan de Arabische Staten zich houden, namelijk geen vrede met Israël, geen erkenning van Israël, geen onderhandelingen met Israël en stelde dat de Arabische wereld zou “vasthouden aan de rechten van het Palestijnse volk in hun eigen land”. Deze laatste rechten zijn in hoofdzaak het recht om de deling van Palestina ongedaan te maken en er een unitaire Arabische staat te vestigen. Israël’s minister van Buitenlandse Zaken Abba Eban merkte op: “Ik denk dat dit de eerste oorlog in de geschiedenis is waarbij de overwinnaars om vrede vroegen en de overwonnenen om onvoorwaardelijke overgave.”

De VN-Veiligheidsraad vaardigde vervolgens zijn opzettelijk dubbelzinnige Resolutie 242 uit, die door Israël werd geïnterpreteerd als zijnde vergelijkbaar met zijn eigen land-voor-vrede-voorstel en door de Arabische landen werd geïnterpreteerd als een bekrachtiging van hun eis tot onvoorwaardelijke terugtrekking.

7. Nederzettingen

Aangezien er in de onmiddellijke toekomst geen land-voor-vrede-overeenkomst zou komen, stond Israël voor het probleem wat te doen met dat land, dat 1,2 miljoen Arabische inwoners telde. Een kleine minderheid van de Joodse Israëli’s was er voorstander van het land onvoorwaardelijk terug te geven aan Jordanië en Egypte, vooral omdat Israël anders de rol van bezetter zou krijgen en er onder de bevolking een groeiende wrok zou ontstaan. Een andere kleine minderheid wilde dat Israël het veroverde gebied zou annexeren. De grote meerderheid was tegen beide ideeën, omdat beide de mogelijkheid van een toekomstige land-voor-vrede-overeenkomst teniet zouden doen.

Bovendien leek het pervers en onverantwoord om onvoorwaardelijk terug te keren naar de situatie die zojuist in een oorlog was geëindigd, en in de tussentijd vormden de gebieden een noodzakelijke buffer tegen aanvallen. De dichtstbijzijnde Jordaanse soldaat of artillerie was nu 40 mijl plus de rivier de Jordaan verwijderd van Tel Aviv, in plaats van 12 mijl voorheen. Het Egyptische leger, dat vroeger een uur rijden van Tel Aviv verwijderd was en met zijn artilleriebereik Ashdod en Ashkelon kon bereiken, was nu 200 mijl verder en over het Suezkanaal. Nu de Syrische kanonnen tot zwijgen waren gebracht, konden kinderen en tieners in Noord-Israël die in hun leven zeldenbovengronds hadden geslapen, dat nu veilig doen. Deze normalisering zette helder de ellendige levensstijl in het licht die Israëli’s binnen het bereik van die kanonnen hadden moeten leiden, en maakte het teruggeven van de Golanhoogte aan het Syrische leger voor velen ondenkbaar. En met Sharm-el-Sheikh in Israëlische handen werd de blokkade van Eilat opgeheven, en de Israëli’s waren niet in de stemming om opnieuw te vertrouwen op internationale beloften in die kwestie en deze keer werden er zelfs geen gedan.

De kwestie-Jeruzalem was nagenoeg onomsteden onder de Joodse Israëli’s. Israël annexeerde Oost-Jeruzalem, waardoor de stad herenigd werd. De Arabieren die er woonden, kregen de keuze om Israëlisch staatsburger te worden of hun Jordaanse nationaliteit te behouden met een recht op verblijf in Israël. Joodse toeristen en gelovigen konden voor het eerst in 19 jaar de Oude Stad bezoeken. De Joodse heilige plaatsen waren vernield, vervuild en in verval geraakt. Er werd begonnen met de restauratie van deze plaatsen en van de Joodse wijk.

Op de Westelijke Jordaanoever en in Gaza werd een militaire regering ingesteld, met de opdracht geweld te voorkomen maar zich verder zo weinig mogelijk te bemoeien met het leven van de bewoners. De inwoners mochten vrij handel drijven met de Arabische landen en deze bezoeken. Zij mochten ook handel drijven met en werk zoeken in Israël, en velen deden dat ook. Tienduizenden Palestijnse Arabieren mochten uit Jordanië terugkeren naar de Westelijke Jordaanoever, waar bedrijven floreerden onder de toevloed van Israëlische en buitenlandse toeristen. Arabieren van de Westelijke Jordaanoever en Gaza die zich ontspanden op de Israëlische stranden werden een normaal verschijnsel. De Palestijns-Arabische pers werd de meest vrije in de Arabische wereld, en instellingen zoals mensenrechtenorganisaties en een competent ambtenarenapparaat ontwikkelden zich geleidelijk.

Een van de meest controversiële en complexe kwesties die door Israëls verovering van de Westelijke Jordaanoever en Gaza aan de orde werden gesteld, was de vraag of Joden er zouden mogen wonen, en zo ja, onder welke voorwaarden. De aanvankelijke houding van de Israëlische regering was om Joden helemaal te verbieden, behalve voor dagbezoeken. Binnen enkele maanden dwong de publieke opinie hen echter enkele uitzonderingen te maken. Voor de Joden van Hebron bijvoorbeeld was de periode tussen 1936 (toen de laatste Joden gedwongen waren de stad te verlaten) en 1967 niet meer dan een korte onderbreking die wel meer was voorgekomen in hun lange geschiedenis: Joden hadden in de buurt van de heilige plaatsen in Hebron gewoond, en waren verdreven, en weer teruggekeerd, vele malen gedurende de millennia. Dat sommige religieuze Joden er weer wilden gaan wonen had niets te maken met Israël of Zionisme. Sterker nog, de gemeenschap die in 1929 werd uitgemoord was grotendeels antizionistisch geweest. Maar het vooruitzicht dat de Israëlische regering zich zou aansluiten bij de lange lijst van heersers van Hebron die hadden geprobeerd de stad onder dwang Joden-vrij te houden, was te veel voor het Israëlische publiek om te verdragen. Dus toen een groep religieuze Joden — waaronder enkele kinderen van degenen die in 1929 waren vermoord — zich voordeden als Zweedse toeristen en incheckten in een hotel in het centrum van Hebron, en vervolgens weigerden terug te keren naar Israël, gaf de Israëlische regering uiteindelijk toe en liet hen blijven, op voorwaarde dat zij niet in de stad zouden wonen, maar nieuwe huizen zouden bouwen aan de rand, op korte afstand van de belangrijkste Joodse heilige plaats. Dit werd Kiryat Arba, de eerste van wat bekend is geworden als “Joodse nederzettingen”.

In de overgrote meerderheid van de nederzettingen hebben de bewoners zich altijd ingespannen om goede buren te zijn van de plaatselijke Arabische gemeenschappen, door handel met hen te drijven, hen in dienst te nemen, diensten aan te bieden zoals gezondheidszorg en te proberen goede betrekkingen te onderhouden, zelfs wanneer dit niet wederzijds is en zelfs wanneer er terroristische moorden worden gepleegd. Maar de Joden van Hebron hebben een programma om geleidelijk terug bezit te nemen van de oude Joodse wijk (waarvan het grootste deel tijdens de Jordaanse bezetting met de grond gelijk is gemaakt en geschonden) ten koste van de huidige bewoners, die zij als krakers beschouwen. Om dit te bereiken hebben zij soms intimidatie en geweld gebruikt, niet alleen tegen Arabieren maar ook tegen de Israëlische politie. Vandaag de dag lopen de spanningen tussen de 6.000 Joden en de 150.000 Arabieren van Hebron zeer hoog op. Er worden regelmatig moorden gepleegd, meestal in de vorm van terroristische aanslagen op Joden, maar in 1994 opende een Joodse arts uit Kiryat Arba het vuur in een moskee in Hebron, waarbij hij 29 Arabieren vermoordde voordat hij zelf werd gedood.

Een voorbeeld van een heel ander soort nederzetting is Gush Etzion. Deze werd in 1970 gesticht en is gebouwd op land aan de zuidelijke rand van Jeruzalem, dat in de begindagen van het Mandaat door het Joods Agentschap was aangekocht. Het was eerst een collectieve boerderij, die tijdens de rellen van 1929 werd verlaten. Een poging om de nederzetting opnieuw te vestigen werd afgebroken door de rellen van 1936. In 1943 werden er vier dorpen gebouwd. Er werden boomgaarden aangeplant en de dorpen bloeiden. Vijf jaar later, vlak voor de uitroeping van de staat Israël, werd Gush Etzion aangevallen door het Jordaanse leger en Arabische ongeregelde troepen, op weg naar Jeruzalem. Het werd belegerd, en de verdedigers riepen per radio om versterking. De Haganah kon slechts 35 man missen, maar zij liepen op weg daarheen in een hinderlaag en werden allen gedood. Verdere pogingen om het beleg op te heffen mislukten ook.

Dit werd een van die epische belegeringen van de Onafhankelijkheidsoorlog, waarbij de verdedigers maandenlang geïsoleerd bleven, aanval na aanval afsloegen maar vreselijke verliezen leden. Uiteindelijk, met Jordaanse pantservoertuigen binnen de verdedigingswerken, gaven de overlevende verdedigers zich over. In een van de dorpen, Kfar Etzion, waren er nog maar vijftien van hen over. Ze werden gevraagd in een rij te gaan staan voor een foto en werden vermoord door mitrailleurvuur. Enkele van de overlevende burgers, waaronder een Arabische familie die bevriend was met de mensen van Kfar Etzion en daar onderdak had gevonden, werden vervolgens ook vermoord en de rest werd samen met de andere overlevenden van Gush Etzion naar Jordanië overgebracht om daar gevangen te worden genomen. Ondanks de afloop wordt de slag door zionisten beschouwd als een belangrijke gebeurtenis in hun geschiedenis, die de blijvende verbondenheid van de Joden met hun land belichaamt. Ben Gurion zei: “Ik kan me geen veldslag in de annalen van de Israel Defense Forces voorstellen die grootser, tragischer of heroïscher was dan de strijd om Gush Etzion ( . . .) Als er een Joods Jeruzalem bestaat, dan gaat onze grootste dank uit naar de verdedigers van Gush Etzion.”

Na de Onafhankelijkheidsoorlog vernietigden de Jordaniërs alle sporen van Gush Etzion: zij ontwortelden de boomgaarden, verwoestten de dorpen en bouwden er een legerbasis. Zij bouwden ook een vluchtelingenkamp voor Palestijnse Arabieren. Dit moet hun passend geleken hebben — verdreven Arabieren onderbrengen op het terrein van verdreven Joden — zoals het spiegelbeeld van dat beleid de Israëlische autoriteiten in dezelfde periode inderdaad passend geleken heeft: veel Joodse vluchtelingen werden ondergebracht in voormalige Arabische huizen. In andere opzichten was het beleid van beide partijen echter niet symmetrisch. Israël streefde en streeft al die tijd naar een oplossing voor het vluchtelingenvraagstuk en andere kwesties op basis van onderhandelingen over de deling, terwijl de Arabische landen zowel de deling als de onderhandelingen principieel blijven afwijzen. En zoals Golda Meir, die minister van Buitenlandse Zaken was tijdens Israëls korte bezetting van Gaza in 1956, zich herinnerde:

 “Toen maakte ik een rondreis door de Gazastrook, van waaruit de fedayeen zovele maanden op hun moorddadige opdrachten waren uitgegaan en waar de Egyptenaren een kwart miljoen mannen, vrouwen en kinderen (van wie bijna 60 procent Arabische vluchtelingen waren) in de meest schandelijke armoede en ellende hadden gehouden. Ik was ontzet door wat ik daar zag en door het feit dat deze ellendige mensen meer dan acht jaar lang in zo’n mensonterende toestand waren gehouden, alleen maar om de Arabische leiders in staat te stellen de vluchtelingenkampen aan bezoekers te laten zien en er politieke munt uit te slaan ( . . .)   Ik kon er niet omheenwat ik in de Gazastrook zag te vergelijken met wat wij hadden gedaan — zelfs met alle fouten die wij hadden gemaakt — voor de Joden die in diezelfde acht jaar naar Israël waren gekomen.”

Toen de [Joodse}overlevenden van Gush Etzion in 1950 werden vrijgelaten [uit Jordanië] en in Israël aankwamen, werden zij niet in kampen opgesloten.

Na de Zesdaagse Oorlog diende een groep, waaronder enkele kinderen van de oorspronkelijke bewoners van Kfar Etzion, een verzoekschrift in bij de Israëlische regering om te mogen terugkeren naar het dorp en het opnieuw te mogen opbouwen. Het verzoek werd ingewilligd.

In de daaropvolgende jaren hebben de escalerende aanvallen op Israël (zie deel 3), het voortdurend aandringen van de Arabische regeringen op terugtrekking zonder vrede, en het daaruit voortvloeiende totale gebrek aan vooruitgang in de richting van vrede of terugtrekking, hebben de Israëli’s en de Israëlische politieke partijen ertoe gebracht hun beleid ten aanzien van de Westelijke Jordaanoever, Gaza en de Golanhoogte, en in het bijzonder ten aanzien van de joodse nederzettingen aldaar, te heroverwegen. Gedurende een periode van ten minste tien jaar hebben alle grote politieke groeperingen zich uitgesproken voor een zekere mate van verdere joodse vestiging. Hun standpunten waren ruwweg als volgt:

*Zolang er op een via onderhandelingen tot stand gekomen vrede geen uitzicht was, waren de aanhangers van de Labourpartij en hun bondgenoten, voor zover dit mogelijk was, voor het eenzijdig opleggen van levensvatbare en verdedigbare grenzen. Daartoe steunden zij de bouw van nieuwe nederzettingen dicht bij de wapenstilstandslijn van 1948, in gebieden waarvan zij verwachtten dat die in een toekomstig vredesverdrag als deel van Israël zouden worden erkend. Zij steunden ook de vestiging van nederzettingen die als militaire voorposten in de Jordaanvallei zouden kunnen dienen, en enkele nederzettingen in de Sinaï. Op deze manier probeerden zij ook aan te tonen dat het beleid van onophoudelijke oorlog ook voor de Arabische regeringen lange-termijn-kosten met zich mee bracht, naast de korte-termijn-kosten die het IDF veroorzaakte.

 *Likoed-aanhangers verwachtten niet dat de onverbiddelijke houding van de Arabische landen in de nabije toekomst zou veranderen, ongeacht wat Israël deed. Zij herbevestigden het herziene zionistische standpunt dat geheel Palestina Israël moest worden, en dat Joden vrij moesten zijn om overal land te kopen. Bovendien waren zij, toen zij aan de macht waren, voorstander van financiële steun aan de nederzettingen. Slechts weinigen pleitten echter voor annexatie van de Westelijke Jordaanoever en Gaza in de nabije toekomst.

 *Religieuze Joden ondergingen een fundamentele ommekeer in hun houding. Zij stelden zich steeds meer op het standpunt dat Joden een religieuze plicht hebben om alle plaatsen van historische of religieuze Joodse betekenis in Palestina te bewonen, en dat ze het recht hebben om daar door het IDF te worden beschermd. Veel van deze plaatsen liggen in of nabij Arabische bevolkingscentra.

Geen enkele belangrijke vleugel in deze groeperingen pleitte voor de confiscatie van land of eigendommen van individuele Arabieren. Een dergelijk beleid is ook nooit uitgevoerd, hoewel beweerd wordt dat Israëlische rechters vaak onrechtvaardige beslissingen namen bij het vaststellen van de eigendom van onbewoonde grond, en dat sommige afwezige Arabische landeigenaren door bureaucratische middelen werden verhinderd om compensatie te eisen voor grond die voor veiligheidsdoeleinden in beslag was genomen.

Binnen enkele maanden na het einde van de Zesdaagse Oorlog lag Israël opnieuw onder vuur.

Deel III: Vredesprocessen en terroristische aanslagen

8. De Jom Kippoer-oorlog

Binnen enkele maanden na het einde van de Zesdaagse Oorlog begon Nasser de “War of Attrition”: een reeks aanvallen te land, ter zee en in de lucht, voornamelijk op Israëlische militaire doelen. Deze aanvallen moesten voldoende frequent en dodelijk zijn om Israël te dwingen in een constante staat van oorlogsbereidheid te blijven, maar in elk specifiek geval onvoldoende om een totale oorlog uit te lokken. Sommige van de vliegtuigen die aan de oorlog deelnamen, werden gevlogen door Sovjet-piloten die behoorden tot de 20.000 Sovjet-“adviseurs” (in werkelijkheid soldaten en militaire technici) die in Egypte waren gestationeerd.

Israël reageerde door terug te schieten, door een linie van enorme versterkingen langs het Suezkanaal te bouwen en ook door hard terug te slaan tegen zowel militaire doelen als civiele infrastructuur. Desondanks kostte de Oorlog van Attrition, die duurde van 1967 tot 1970, Israël 1.524 doden en ongeveer 2.700 gewonden.

Egypte telde veel meer slachtoffers en leed enorme schade, terwijl Israël toonde geen teken vertoonde zich onvoorwaardelijke terug te gaan trekken. In 1970 stemden Egypte en Israël in met een door de VS voorgesteld staakt-het-vuren, waarbij een van de voorwaarden was dat geen van beide landen nieuwe militaire installaties binnen 50 kilometer van het kanaal zou bouwen. Egypte begon daar onmiddellijk mee en installeerde ultramoderne grond-luchtraketinstallaties, geleverd door de Sovjet-Unie en bemand door Sovjet-“adviseurs”. Er volgde een reeks “vredesinitiatieven” van de VN en de VS, die uiteindelijk allemaal op niets uitliepen omdat Egypte, gesteund door de Sovjet-Unie, vasthield aan een belofte van onvoorwaardelijke terugtrekking als voorwaarde om te kunnen onderhandelen. Nasser overleed plotseling, maar zijn opvolger, Anwar Sadat, zette zijn beleid in eerste instantie ongewijzigd voort.

Na de Zesdaagse Oorlog was het pan-Arabisch nationalisme in verval. Het Palestijnse nationalisme bloeide op. Mensen die zichzelf voorheen eenvoudigweg als “Arabieren” of “Palestijnse Arabieren” zouden hebben omschreven, werden “Palestijnen”, en de meesten van hen beschouwden de PLO als hun nationale beweging. In het Westen werd een diplomatieke en mediacampagne gelanceerd om de Palestijnse natie te legitimeren, met de slogan “een democratische en seculiere staat in Palestina“. Arafat werd leider van de PLO. Hij zei in 1970: “Ons hoofddoel is de bevrijding van het land van de Middellandse Zee tot de rivier de Jordaan. Wij houden ons niet bezig met wat er in juni 1967 is gebeurd of met het wegwerken van de gevolgen van de juni-oorlog. Het voornaamste doel van de Palestijnse revolutie is het verwijderen van de zionistische entiteit uit ons land“.

Naast het vermoorden van enkele honderden Israëli’s tussen 1967 en 1973,  mondialiseerde de PLO haar terreurcampagne . PLO-terroristen vielen Joodse en Israëlische doelen aan in Europa. Zij kaapten Westerse vliegtuigen en gijzelden passagiers. Zij probeerden Jordanië in te nemen, en het Syrische leger trok Jordanië binnen met de bedoeling hen te helpen. Nadat koning Hoessein in het geheim Israël om hulp had gevraagd, vlogen Israëlische vliegtuigen laag over de Syrische tanks en de Syriërs keerden terug zonder dat er een schot werd gelost. Als gevolg hiervan werd de PLO door het Jordaanse leger met geweld uit Jordanië verdreven en vluchtte naar Libanon.

Onder de schuilnaam “Zwarte September”, genoemd naar de maand [in 1970] waarin zij uit Jordanië waren verdreven) pleegde de PLO in 1972 een aanslag op de Olympische Spelen in München, waarbij elf Israëlische atleten werden gegijzeld en vervolgens vermoord. Sommige van de terroristen werden gevangen genomen, maar enkele weken later vrijgelaten, naar verluidt in het kader van een geheime deal tussen de PLO en de Duitse regering, waarbij Duitsland gespaard zou blijven van verdere terroristische aanslagen. De Mossad spoorde de terroristen op, en gedurende de volgende jaren, doodde ze allen behalve twee van hen. Eén van die twee was Abu Daoud, die in 1999 de Palestijnse Prijs voor Cultuur won voor zijn autobiografie, Memoirs of a Palestinian Terrorist.

In 1972 beval Sadat alle Sovjet “adviseurs” het land te verlaten. Op die manier verliet Egypte de het kamp van de Sovjet-Unie op een manier die zijn weerga bijna niet kende tijdens de Koude Oorlog. Slechts vier jaar eerder was de poging van Tsjecho-Slowakije om iets veel bescheideners te doen door het Rode Leger hardhandig onderdrukt. Maar in dit geval kozen de Sovjets ervoor zich te schikken. Syrië werd nu, en bleef tot het einde van de Koude Oorlog, de belangrijkste cliëntstaat van de Sovjet-Unie in het Midden-Oosten. Sadats onmiddellijke drijfveer was zichzelf meer bewegingsvrijheid te geven  en in het bijzonder de mogelijkheid om oorlog te voeren in zijn eigen tijd en op zijn eigen manier, zonder voor elke beslissing overleg te moeten plegen met zijn supermacht sponsor.

Op 6 oktober 1973 stak het Egyptische leger in een briljante en zorgvuldig geplande aanval het Suezkanaal over, waarbij het de zogenaamd onneembare verdedigingswerken overrompelde of omzeilde, en rukte op naar de Sinaï. Tegelijkertijd viel het Syrische leger de Golanhoogte aan, heroverde deze en begon op te rukken naar de Israëlische grens. Israël werd volledig verrast.

Vele factoren hadden aan deze toestand bijgedragen. Inlichtingen over de militaire opbouw van de Arabieren waren over het hoofd gezien of verkeerd geïnterpreteerd. De Israëlische verdediging was zwaar onderbemand. In mei van dat jaar had zich een soortgelijke piek in de Egyptische militaire activiteiten voorgedaan en de stafchef van de IDF, David Elazar, had toen een gedeeltelijke mobilisatie bevolen. Maar toen er geen invasie kwam, waren hij en de regering bekritiseerd wegens verspilling van overheidsgeld. In augustus had Syrië een enorme troepenmacht aan de grens opgesteld; Israël had dit genegeerd en de troepenmacht was teruggetrokken. Zes oktober was het Jom Kippoer, een nationale feestdag in Israël en de heiligste dag op de Joodse kalender — vandaar dat deze oorlog vaak de Jom Kippoer-oorlog wordt genoemd — en  waren veel soldaten  met verlof naar huis.

Op de ochtend van 6 oktober, toen de Mossad eindelijk meldde dat er die avond een invasie zou plaatsvinden (hij kwam in werkelijkheid om twee uur ‘smiddags), had de regering de aanbeveling van Elazar om een preventieve aanval zoals die van 1967 uit te voeren, afgewezen, omdat de VS Israël hadden gewaarschuwd zich te beperken tot duidelijk defensieve operaties. De regering weigerde ook Elazars verzoek om volledige mobilisatie, op grond van het feit dat dit als provocatie zou kunnen worden opgevat. Slechts een gedeeltelijke mobilisatie van 50.000 reservisten werd toegestaan. Later op de dag werd deze limiet verhoogd tot 100.000. Elazar negeerde deze bevelen en stuurde onmiddellijk oproepingsberichten naar 150.000 reservisten, maar zelfs dat was te weinig en te laat.

De noodplanning van de IDF was ervan uitgegaan dat de Israëlische luchtmacht elke vijandelijke opmars zou kunnen vertragen gedurende de eerste 48 uur van een invasie. Maar in dit geval leden de Israëlische vliegtuigen zware verliezen door de Sovjet-raketten aan de Egyptische kant van het kanaal en werden ze belemmerd om laag genoeg te vliegen om de strijd op de grond te beïnvloeden. Op de Golanhoogten hadden ook de Syriërs  mobiele raketbatterijen geïnstalleerd, met een vergelijkbaar effect in dat veel kleinere gebied.

De Syriërs en Egyptenaren hadden enorme legers op de been gebracht: in totaal 1.150.000 soldaten. Slechts een klein deel daarvan was nog niet ingezet: de eerste doortocht door het kanaal was tot stand gebracht door een elitetroepenmacht van slechts 8.000 man (tegen verdedigers die minder dan 500 man telden), onmiddellijk gevolgd door enkele tienduizenden. Syrië viel aan met 1.200 tanks tegen 170 tanks van de verdedigers. Zowel aan het Egyptische als het Syrische front werden de opmarsen vertraagd door de vasthoudendheid en de opoffering van kleine IDF-eenheden — waarvan de meesten nog nooit in een oorlog hadden gevochten — en door de vaardigheid van plaatselijke IDF-commandanten.

Israël deed een beroep op koning Hoessein om niet aan de gevechten deel te nemen en herinnerde hem aan zijn verkeerde inschatting zes jaar eerder. Hoewel hij aanvankelijk gehoor leek te geven aan de waarschuwing, moest het IDF toch een deel van zijn overbelaste strijdkrachten inzetten — (die aan het eind van de tweede dag de 200.000 man hadden bereikt, tweederde van de volledige mobilisatie-sterkte) —  ter verdediging tegen een mogelijke aanval uit Jordanië. De Libanese strijdkrachten bleven inactief, hoewel PLO-troepen in Libanon Israëlische steden beschoten die in het pad van de Syrische opmars lagen.

Tijdens de tweede dag bereikten IDF-versterkingen de Golanhoogte en begonnen ze de Syriërs terug te dringen, maar dat ging ten koste van zware verliezen aan mensenlevens en materieel. In de Sinaï woedden complexe gevechten, maar de Israëlische versterkingen kwamen niet verder en slaagden er alleen in de Egyptenaren te beletten verder op te rukken dan het bereik van hun luchtafweer-raketten.

Beide partijen verbruikten nu munitie en voorraden in een buitensporig tempo, maar de Sovjet-Unie bevoorraadde de Arabische legers met massale luchtbruggen. De Israëliërs waren geschokt toen Groot-Brittannië weigerde zelfs bestaande contracten voor munitie na te komen. Groot-Brittannië had een nieuw wapenembargo opgelegd “aan beide zijden”, behalve dat het Jordanië bleef bevoorraden (dat het als ” non-combatant” beschouwde) en dat het Egyptische militaire piloten bleef

Na ongeveer een week oorlog begonnen enorme tankslagen: de op één na grootste in de geschiedenis (de grootste was de slag om Koersk in de Tweede Wereldoorlog). Het Egyptische leger, dat versterkt en opnieuw bevoorraad was, deed een stevige uitbraak uit vanuit hun posities aan de oostkant van het kanaal, op weg naar de passen waardoor de Sinaï kon worden overgestoken. De Syriërs die op de Golanhoogten vochten, werden versterkt door 15.000 Iraakse troepen en honderden tanks, alsmede door elitetroepen, met tanks, uit Jordanië.


De IDF won uiteindelijk deze beide veldslagen en vernietigde een aanzienlijk deel van de Egyptische en Syrische tanks, en bijna alle Iraakse, hoewel opnieuw tegen een hoge prijs aan Israëlische levens. Maar het had nu een ernstig tekort aan munitie en uitrusting. Met name de Chieftain tanks van Britse makelij, een belangrijk wapen aan beide fronten, stonden op het punt zonder munitie te raken en onbruikbaar te worden. Na lang aarzelen besloot de Amerikaanse president Richard Nixon zijn eigen embargo op te heffen en Israël opnieuw te bevoorraden. Groot-Brittannië weigerde echter toe te staan dat zijn vliegvelden of luchtruim voor dit doel werden gebruikt. Portugal werd overgehaald om Amerikaanse vliegtuigen toe te staan te landen op weg naar Israël, maar de meeste van deze voorraden arriveerden te laat om nog te kunnen worden gebruikt.

IDF-generaal Ariel Sharon, die vanaf de tweede dag van de oorlog had aangedrongen op een out-flanking tegenaanval aan de andere kant van het Suezkanaal, kreeg eindelijk toestemming om er op de negende dag een te lanceren. Op weg naar de oversteek had zijn troepenmacht de pech twee Egyptische divisies tegen te komen die daar pas waren opgesteld na de strijd van de vorige dag. Hij vocht zich een weg en stak over via een geprefabriceerde brug. De eerste prioriteit was toen om de raketbatterijen aan te vallen en te vernietigen. De tweede was het afsnijden van de bevoorrading van het Egyptische leger dat zich aan de oostzijde van het kanaal bevond. Dit werd uiteindelijk bereikt, en daarmee was de oorlog tegen Egypte gewonnen.

Intussen werd een laatste, grootscheepse tegenaanval van de Syriërs, Irakezen en Jordaniërs op de Golanhoogten neergeslagen. De Arabische legers waren niet langer in staat tot effectief verzet. De wegen naar Damascus in het oosten, en naar Cairo in het westen, lagen open voor de IDF. De VN-Veiligheidsraad kwam bijeen en beval een onmiddellijk staakt-het-vuren.

Ondanks de militaire overwinning waren de Israëliërs diep geschokt door de Jom Kippoer-oorlog. 2.688 van hen waren gedood, duizenden gewond, en het leek velen dat hun wereld dichter bij de vernietiging was gekomen dan op enig ander moment sinds de Holocaust. De Israëlische samenleving en politiek waren voorgoed veranderd. Sommigen concludeerden dat het beleid om de Sinaï en de Golan als bufferzones te behouden gerechtvaardigd was geweest, aangezien een soortgelijke oorlog die zou zijn begonnen bij de wapenstilstandslijnen van 1948/9 zou zijn uitgevochten in Israëls steden, waarvan de bevolking nergens heen had kunnen vluchten. Anderen concludeerden dat de oorlog had aangetoond dat het concept van een “bufferzone” achterhaald was en dat de gebieden geen grote militaire waarde hadden: de vijand was de grens met ogenschijnlijk gemak overgestoken ondanks Israëls massieve vaste verdedigingswerken, en de overwinning was niet behaald door verdedigingswerken maar door tegenaanvallen. De enorme omvang van de oorlog, de rol die de Sovjet-Unie had gespeeld en het doorslaggevende effect van geavanceerde wapens (zoals luchtdoelraketten), maakten het voor de meeste Israëli’s duidelijk dat de veiligheid van Israël in de nabije toekomst zou afhangen van een nauwe relatie met de VS.

De kosten van de oorlog — het equivalent van Israëls gehele bruto nationaal product gedurende één jaar — dwongen Israël ertoe bij de VS aan te kloppen voor leningen en hulp. Dit alles was demoraliserend in een cultuur die zichzelf beschouwde als gebaseerd op zelfredzaamheid en zelfverdediging. De regerende Labour-coalitie leed onder een ernstig verlies van vertrouwen bij het publiek, dat zij nooit meer volledig heeft teruggewonnen. Er heerste een stemming van nationaal pessimisme.

Het effect op de Arabische wereld was in zekere zin het spiegelbeeld van het effect op Israël: ondanks de catastrofale militaire nederlaag, de zware verliezen en de enorme economische kosten, was men het er onder de Arabieren over eens dat de eer was herwonnen en dat een belangrijke strategische overwinning was behaald. Maar aan de andere kant concludeerde Sadat, samen met veel Egyptenaren, ook dat als zelfs deze aanval was afgeslagen — ondanks de goede planning, de goede samenwerking tussen de Arabische staten, de verrassing, de moderne wapens, de getalsmacht, de enthousiaste hulp van de supermacht, en veel geluk — dat Israël er was om te blijven. Bovendien zou de nieuwe relatie van Israël met de VS het land des te sterker maken.

Vier jaar later, in 1977, na een reeks succesvolle, door de VS tot stand gebrachte “terugtrekkingsakkoorden”, waarbij Israël delen van de Sinaï teruggaf in ruil voor Egyptische beloften deze gedemilitariseerd te houden, buitte Sadat de nieuwe stemming in Egypte uit op een manier die de wereld versteld deed staan: in een toespraak tot het Egyptische parlement verklaarde hij zich bereid vrede te sluiten met Israël.

9. De opkomst van de PLO

Zes maanden vóór Sadats historische beleidswijziging was in Israël voor het eerst een Likud-coalitie aan de macht gekomen. Het was nu dus aan de Likud leider, Menachem Begin — een voormalig Irgun commandant, sinds lang voorvechter van de zaak van onbeperkte Joodse vestiging, en onverbiddelijk tegenstander van elke zweem van verzoening of vertrouwen in Israëls vijanden — om te beslissen hoe te reageren op Sadats opening.

Dezelfde avond nodigde Begin Sadat uit naar Jeruzalem te komen om de Knesset toe te spreken.

De grote lijnen van het vredesverdrag — vrede en erkenning voor Israël, in ruil voor het Sinaï-schiereiland, dat Israël tijdens de Zesdaagse Oorlog op Egypte had veroverd — werden onmiddellijk overeengekomen. Dit was de eerste keer dat een Arabische natie had ingestemd met het principe van de verdeling van Palestina. Over de details werd echter zwaar onderhandeld, tot 1979. Voor de Israëli’s was een van de moeilijkste eisen van Egypte dat de joodse nederzettingen die in de Sinaï waren gebouwd, zouden worden ontruimd, maar zij stemden daar uiteindelijk mee in. In een operatie onder leiding van Ariel Sharon (toen lid van het kabinet) werden 2800 zich hevig verzettende bewoners door IDF-soldaten met geweld uitgezet en hun huizen en boomgaarden met de grond gelijk gemaakt, zodat ze niet meer terug konden.

Sadat en Begin deelden de Nobelprijs voor de Vrede voor dit verdrag. Tot op de dag van vandaag hebben Egypte en Israël zich eraan gehouden. Zij onderhouden volledig geaccrediteerde ambassades in elkaars landen, handel is officieel toegestaan, evenals toerisme en alle andere normale uitwisselingen tussen buren. Er worden geen impliciete, expliciete of indirecte oorlogsdreigingen geuit. Egypte duldt niet dat vanaf Egyptisch grondgebied terroristische aanvallen op Israël worden uitgevoerd (hoewel Israël al geruime tijd klaagt dat Egypte de wapensmokkel naar terroristen die vanuit Gaza opereren niet verhindert). Hoewel het verdrag de partijen verplicht “wederzijds begrip en verdraagzaamheid te kweken en zich te onthouden van vijandige propaganda jegens elkaar”, bevat het geen specifieke bepaling over het beëindigen van anti-Joodse ophitsing in de Egyptische pers en andere door de regering gecontroleerde media, of in moskeeën en scholen. Deze ophitsing bleef toenemen. Vandaag de dag bezoeken zeer weinig Israëlische zakenlieden of toeristen Egypte, vanwege gevaar voor hun leven.

De woede van de Arabische wereld keerde zich tegen Egypte. Alle Arabische landen verbraken of beperkten hun diplomatieke en handelsbetrekkingen met Egypte. Saudische hulp werd stopgezet. Maar de VS maakten de financiële verliezen goed, en Egypte werd beschouwd als een bondgenoot van de VS in de regio. Geleidelijk werden de betrekkingen met de Arabische wereld hersteld, zodat thans de enige vijandigheid van betekenis jegens Egypte nog afkomstig is van islamitische fundamentalisten. Egypte heeft zijn vroegere positie als algemeen aanvaard leider van de Arabische wereld echter nog steeds niet herwonnen. Irak onder Saddam Hoessein heeft hard geprobeerd die positie over te nemen.

Met de hulp van Frankrijk en Duitsland begon Irak met de bouw van een kernreactor in Osirak, met het oog op de vervaardiging van kernwapens. Toen Iran (dat toen een bittere oorlog met Irak uitvocht waarbij ongeveer een miljoen mensen zouden omkomen) deze reactor had aangevallen maar er niet in slaagde veel schade aan te richten, had Saddam Hoessein gezegd dat de aanval hoe dan ook zinloos was geweest, omdat het doelwit alleen Israël was. In juni 1981 hebben Israëlische vliegtuigen de reactor aangevallen en vernietigd, vlak voordat deze operationeel had moeten worden. Deze actie werd heftig bekritiseerd door alle andere landen en door bijna alle stromingen in de wereld, met inbegrip van de regering van de VS en de Israëlische Arbeiderspartij. De VS stelden vast dat Israël de voorwaarden van zijn aankoop van Amerikaanse vliegtuigen had geschonden door deze voor een dergelijk doel te gebruiken, hetgeen volgens hen “slechts in ernstige mate kan bijdragen tot de reeds gespannen situatie in het gebied”. Als straf schortten de VS de levering van vliegtuigen aan Israël op.

In een hartstochtelijke verdediging van zijn besluit voor de Knesset, zei Begin:

“Twee Europese regeringen hebben, in ruil voor olie, de Iraakse tiran geholpen bij de bouw van atoomwapens. Wij doen nogmaals een beroep op hen om van deze afschuwelijke, onmenselijke daad af te zien. In geen geval zullen wij toestaan dat een vijand massavernietigingswapens ontwikkelt tegen ons volk. Wij zullen de burgers van Israël te gelegener tijd verdedigen, en met alle middelen die ons ter beschikking staan.”

De Golfoorlog (Operatie Desert Storm) tien jaar later veranderde de mening van veel Amerikanen over de moraliteit van de inval in Osirak, en over de vraag of het effect ervan was dat de spanning in het gebied toenam of afnam, en over de vraag of de VS zich ertegen had moeten verzetten of het had moeten steunen. Vervolgens is de Amerikaanse en de wereldopinie nog verder verschoven. In januari 2000, toen David Ivry, die de Israëlische luchtmacht had geleid ten tijde van de inval in Osirak, ambassadeur van Israël in Washington werd, kreeg hij een geschenk van Richard Cheney (nu vice-president van de VS). Het was een satellietfoto van de Osirak site, met de inscriptie: “Voor Generaal David Ivry – Met dank en waardering voor het uitstekende werk dat hij deed met het Iraakse nucleaire programma in 1981, wat ons werk veel gemakkelijker maakte in Desert Storm.”

In oktober 1981 werd Sadat vermoord door Islamitische fundamentalisten omdat hij vrede had gesloten met Israël. De vice-president van Egypte, Hosni Mubarak, werd president, wat hij tot op de dag van vandaag blijft.

Het terrorisme, en in het bijzonder de PLO, speelde een steeds grotere rol in de regio en in de wereld, en was een geaccepteerd kenmerk van het politieke toneel geworden. In mei 1974 namen PLO-terroristen de controle over een school in Ma’alot in Noord-Israël over en vermoordden 22 kinderen. In oktober 1974 verklaarde een Arabische topconferentie te Rabat de PLO tot “enige vertegenwoordiger” van het Palestijnse volk. In november 1974 bekrachtigden de VN dat besluit door de PLO de status van waarnemer te verlenen: in feite een informeel VN-lidmaatschap.

In vele opzichten had de PLO (en heeft nog steeds) toegang tot meer voorrechten van het lidmaatschap van de VN dan Israël. Arafat verklaarde: “Het doel van onze strijd is het einde van Israël, en er kunnen geen compromissen of bemiddelingen zijn. Wij willen geen vrede, wij willen de overwinning. Vrede betekent voor ons de vernietiging van Israël, en niets anders.” Elf dagen later sprak hij, gewapend met een pistool, de Algemene Vergadering van de VN toe, en kreeg een staande ovatie. Het jaar daarop nam de Algemene Vergadering, met 75 landen voor en 35 tegen, een resolutie aan waarin het zionisme als een vorm van racisme werd bestempeld.

Dit werd niet overal met evenveel enthousiasme ontvangen — de centrum-linkse krant The Observer in Groot-Brittannië merkte bijvoorbeeld op dat alle landen die in hun grondwet als “islamitisch” waren gedefinieerd voor de resolutie hadden gestemd, terwijl de grondwet van Israël gelijke rechten garandeerde voor alle burgers, ongeacht godsdienst of ras — maar de resolutie werd evenmin enthousiast gesteund door enig land of belangrijke politieke groepering buiten Israël en de VS. Het duurde tot 1991 voordat de Algemene Vergadering, onder zware druk van de VS, de resolutie herriep, waarbij 25 Lid-Staten nog steeds voor handhaving stemden en 13 zich onthielden van stemming. Tegelijkertijd werd de voortdurende druk van de VS om “antisemitisme” als een vorm van racisme te erkennen, tot 1993 weerstaan. In de loop der jaren hebben Arabische afgevaardigden bij de VN herhaaldelijk, en soms met succes, getracht anti-joodse blood libels in de officiële verslagen van de VN op te nemen. Israël is vaak veroordeeld door zowel de Algemene Vergadering van de VN als de Veiligheidsraad van de VN, maar geen van beide organen heeft ooit de PLO of een andere Arabische staat veroordeeld voor een aanval op Israël.

In Libanon begon in 1975 een burgeroorlog. Het draaide vooral om spanningen tussen Libanese christenen en Libanese moslims, maar naarmate de openbare orde instortte, vochten vele verschillende facties om gebied en invloed uit naam van vele soorten religie en ideologie. Onder de buitenlandse partijen die met strijdkrachten deelnamen, bevonden zich Syrië en de PLO. De PLO vestigde in Zuid-Libanon wat vaak een “staat binnen de staat” werd genoemd. In 1982 had zij daar een leger van ongeveer 15.000 man, met artillerie en lange-afstandsraketten, waarmee zij een voortdurend bombardement uitvoerde op Noord-Israël. Zij werd beschermd door een netwerk van luchtdoelraketten en een reeks andere wapens, waaronder tanks. Bijna dagelijks stuurde de PLO teams Israël in om terroristische aanslagen te plegen.

In 1982 viel Israël Libanon binnen. Het Syrische leger en de luchtmacht grepen in met vliegtuigen en tanks, maar werden verslagen en in het geval van de luchtmacht zelfs vernederend. De PLO trok zich terug naar het noorden, trok de stad Beiroet binnen en probeerde daar stand te houden. Na het enkele maanden uitgehouden te hebben terwijl de Israëli’s systematisch elk gebouw waarin zich PLO-strijders bevonden, beschoten of bombardeerden — een operatie die zowel aan de PLO als aan burgers het leven kostte — stemden zij ermee in Libanon te verlaten en een nieuwe basis te vestigen in Tunesië.

Israël trok zich terug uit het grootste deel van Libanon, maar behield een bufferzone van 25 mijl om zijn noordelijke grens te beschermen.

De Israëli’s werden in Libanon verwelkomd door de christelijke groeperingen, die de PLO verantwoordelijk hielden voor het destabiliseren van het fragiele evenwicht dat voorheen tussen hen en de moslims had bestaan. De christelijke milities werden bondgenoten van de IDF. Tijdens de Israëlische opmars naar het noorden kreeg een van deze milities, de Phalangisten, de taak om PLO-strijders in twee Palestijnse vluchtelingenkampen in Libanon, Sabra en Shatila, eruit te gooien. De leider van de Phalangisten, de Libanese president Bashir Gemayel, en 25 van zijn volgelingen waren juist vermoord bij een bomaanslag die algemeen aan de PLO werd toegeschreven. De Phalangisten namen wraak op de burgerbevolking van de kampen en vermoordden er honderden. Een Israëlische onderzoekscommissie kwam vervolgens tot de conclusie dat Ariel Sharon, de toenmalige Israëlische minister van Defensie, nalatig was geweest door een dergelijke gebeurtenis niet te voorzien, en hij werd gedwongen uit die functie ontslag te nemen.

De Israëlische politieke beweging Peace Now, die in 1978 was opgericht en pleitte voor een onvoorwaardelijke terugtrekking uit de Westelijke Jordaanoever, de Gazastrook en de Golanhoogte (en nu uit de bufferzone van Libanon), gevolgd door onderhandelingen om vrede te bereiken, kreeg een golf van steun. Op 25 september 1982 trok een demonstratie van Peace Now in Tel Aviv 400.000 deelnemers, 10% van de Israëlische bevolking op dat moment.

In 1981 had Israël de Golanhoogte geannexeerd, maar hoewel Begin een plan opperde om de inwoners van de Westelijke Jordaanoever en Gaza het volledige Israëlische staatsburgerschap te geven en deze gebieden vervolgens te annexeren, werden nooit serieuze stappen ondernomen om het plan uit te voeren omdat er onvoldoende steun voor was van bijna alle kanten in Israël, met inbegrip van de Likoedpartij zelf. Israël was diep verdeeld geraakt over de kwestie van de joodse nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever en in de Gazastrook. De rechtse en religieuze partijen konden het weliswaar niet eens worden over een langetermijnbeleid voor de gebieden, maar waren niettemin enthousiast voorstander van Joodse nederzettingen. Ook dankzij het kiesstelsel kreeg de nederzettingenbeweging steeds meer overheidssteun – in die mate zelfs dat het traditionele zionistische project om nederzettingen te bouwen in het eigenlijke Israël zo goed als stopgezet werd. Nieuwe immigranten en mensen met lage inkomens werden nu in grote aantallen aangetrokken tot de nederzettingen, niet uit eerdere banden, religieuze gevoelens of nationalistische ijver, maar omdat zij zwaar gesubsidieerde huisvesting kregen en een levensstandaard die elders niet voor hen beschikbaar was. En elke extra kolonist vergrootte de achterban voor meer subsidies.

10. En toen veranderde de wereld

De fundamentalistische islamitische terreurorganisaties Hamas (opgericht in 1982) en Islamitische Jihad (opgericht in 1979) begonnen te wedijveren met de PLO om steun en macht. Geweld tegen Joden was een van de belangrijkste middelen om beide te verwerven.

In 1987 begon op de Westelijke Jordaanoever en in de Gazastrook een campagne van betrekkelijk gering maar onophoudelijk geweld, bekend als de Intifada. In de westerse media wordt het vaak voorgesteld als “kinderen die stenen naar tanks gooien en vervolgens beschoten worden”, maar in werkelijkheid ging het om een vrij complexe oorlog. Oproerige massa’s jongeren die stenen en soms benzinebommen gooiden, hielden de Israëlische soldaten op de been ter bescherming van hun bases, de joodse nederzettingen en Jeruzalem. Steekpartijen en af en toe sluipschutters en granaatwerpers maakten dodelijke slachtoffers onder Israëli’s, maar tijdens de Intifada vermoordden Arabieren veel meer Arabieren dan Israëli’s: Tussen 1987 en 1991 werden ongeveer 20 Israëli’s vermoord in de Intifada, waarvan ongeveer de helft burgers (hoewel duizenden gewond raakten), maar in dezelfde periode werden 528 Arabieren vermoord door de PLO, Hamas en de Islamitische Jihad. De slachtoffers waren “collaborateurs”: wat in de praktijk niet alleen elke Arabier kon betekenen die Joden waarschuwde voor dreigende aanslagen, maar ook elke Arabier die op een of andere manier vriendschappelijke betrekkingen onderhield met Joden. Ook werden persoonlijke en politieke rekeningen vereffend. In die vier jaar werden ook 697 Arabieren door Israëlische soldaten gedood, de overgrote meerderheid van hen tijdens rellen. Van hen waren er 78 jonger dan 15 jaar.

Gedurende de hele Intifada-periode (en tot op de dag van vandaag) gingen de terroristische moorden door Hamas en de Islamitische Jihad, waaronder zelfmoordaanslagen, gewoon door. Sommige analisten meenden dat de steun onder de Palestijnen voor deze islamitische organisaties spoedig die van de seculiere PLO zou kunnen overtreffen. Bovendien daagde een nieuwe generatie jonge radicalen, de plaatselijke leiders van de Intifada, ook de ouder wordende PLO-leiding uit die met Arafat in ballingschap in Tunesië verbleef. Voor het eerst leek het erop dat de PLO en Israël een gemeenschappelijk belang zouden kunnen hebben bij het tegengaan van deze krachten.

De Israëlische verkiezingen van 1992 leverden een Labour-geleide coalitie op onder Yitzchak Rabin. In januari 1993 kwamen Israëlische en PLO-onderhandelaars in het diepste geheim bijeen in Oslo om een begin te maken met wat later bekend zou worden als het “Vredesproces van Oslo”. Dit bereikte in 1994 en 1995 zijn hoogtepunt met het Verdrag van Caïro en een akkoord dat bekend staat als “Oslo II”. Deze akkoorden maakten een einde aan het Israëlische bewind in Gaza (met uitzondering van de Joodse nederzettingen aldaar), plus een gebied dat bekend zou worden als “Gebied A”, dat alle Arabische steden op de Westelijke Jordaanoever omvatte, met uitzondering van de kleine joodse enclave in het centrum van Hebron. De Israëlische strijdkrachten zouden zich volledig uit deze gebieden terugtrekken. Een nieuwe organisatie, de Palestijnse Autoriteit, met de triomfantelijk teruggekeerde Arafat als voorzitter, zou “wetgevende, uitvoerende en rechterlijke bevoegdheden en verantwoordelijkheden” krijgen, met volledige controle over de interne aangelegenheden van Gaza en Gebied A, inclusief controle over een Palestijnse politiemacht, bewapend door Israël. Zij zou ook civiele controle uitoefenen over een ander gebied van de Westelijke Jordaanoever, “Gebied B”, waar zich de meeste Arabische dorpen bevinden, maar Israël zou er zijn militaire aanwezigheid behouden. De IDF zou de controle behouden over het resterende deel van het grondgebied, gebied C, dat 4% van de Arabische inwoners van de Westelijke Jordaanoever en alle joodse nederzettingen omvatte. In ruil daarvoor zag de PLO af van terrorisme, stemde ermee in terrorisme door andere organisaties te voorkomen, te stoppen met anti-joodse en anti-Israëlische opruiing, en wijzigde de bepaling in haar grondwet die opriep tot de vernietiging van Israël. Er zouden vrije en eerlijke verkiezingen worden gehouden. De onderhandelingen over de “definitieve status” zouden onmiddellijk beginnen en er werd overeenstemming bereikt over een tijdschema voor de regeling van alle betwiste kwesties, met inbegrip van de status van Jeruzalem en van de Palestijnse vluchtelingen, uitmondend in de oprichting van een staat Palestina naast Israël.

In de Oslo-akkoorden aanvaardde de PLO het principe van de deling — een “twee-staten-oplossing” — dat de Arabieren in 1947 hadden verworpen en dat voordien alleen Egypte had aanvaard. Arafat won hiervoor de Nobelprijs voor de Vrede, samen met Rabin en Shimon Peres, Israëls minister van Buitenlandse Zaken en architect van de Oslo-akkoorden. Binnen een paar dagen na het verdrag van Caïro had Arafat echter al in een moskee een toespraak gehouden waarin hij zei dat de Palestijnen “hun jihad zouden voortzetten totdat zij Jeruzalem hadden bevrijd”. Dit werd door velen afgedaan als louter retoriek, maar vanaf dat moment begonnen Arafat en andere PLO-leiders systematisch andere uitspraken te doen wanneer zij in het Arabisch spraken dan wanneer zij zich tot een westers publiek richtten. In het laatste geval hielden zij vast aan het standpunt dat zij de historische beslissing hadden genomen om geweld af te zweren en de verdeling van Palestina te aanvaarden, maar in het eerste geval zeiden zij dat het vredesproces van Oslo slechts een opstapje was naar hun oorspronkelijke doelstelling van een unitaire Arabische staat in geheel Palestina. De afzwering door de PLO van het desbetreffende punt in haar grondwet was dubbelzinnig. Het embleem van de PLO bleef een kaart van het gehele Palestina van vóór 1947. Het embleem van Fatah (de factie van Arafat, die het voornaamste bestanddeel van de PLO is) bleef een soortgelijke kaart, bedekt met gekruiste geweren en een granaat. Op Palestijnse scholen in Gaza en in de gebieden A en B werd de doctrine onderwezen van een unitaire Arabische staat na de vernietiging van Israël. Anti-Joodse opruiing en blood libels werden deel van de cultuur in een mate die in de geschiedenis niet eerder is vertoond, met uitzondering misschien van nazi-Duitsland. In 1999 beschuldigde Arafats vrouw Suha, in een toespraak in aanwezigheid van de Amerikaanse First Lady Hillary Clinton, Israël van het gebruik van gifgas op Arabische kinderen, en van het veroorzaken van “kanker en andere vreselijke ziekten”. In door Hamas geleide scholen en kinderdagverblijven werd kinderen geleerd dat het hun doel in het leven was Joden te doden en “martelaren” (d.w.z. zelfmoordmoordenaars) te worden. De PLO veegde de structuren van de burgermaatschappij, zoals het ambtenarenapparaat en de vrije pers, van tafel en vestigde een totalitaire controle waarbij alle posities met ook maar de geringste invloed werden ingenomen door loyalisten van de PLO en die uiteindelijk alleen door Arafat werden gecontroleerd. Tegenstanders werden systematisch geïntimideerd of vermoord. Alleen Hamas en de Islamitische Jihad bleven over om zich tegen de PLO te verzetten, en zelfs van hen werden vele leden gevangen genomen.

Israël en Jordanië ondertekenden een vredesverdrag met soortgelijke bepalingen als het verdrag met Egypte. Het verdrag is nauwgezet nageleefd, en in de praktijk zijn de betrekkingen van Israël met Jordanië iets warmer dan de “koude vrede” die met Egypte heerst. Verscheidene andere Arabische landen hebben handelsbetrekkingen, maar geen volledige diplomatieke betrekkingen, met Israël aangeknoopt. Andere Arabische landen, met name Saoedi-Arabië, Irak en Libië, blijven onverbiddelijk gekant tegen Israël en handhaven de oude boycotts en steun aan het terrorisme.

Na de val van de Sovjet-Unie omstreeks 1989 hadden Rusland en de voormalige communistische blokstaten opnieuw volledige diplomatieke en andere betrekkingen met Israël aangeknoopt (en de Tsjechische Republiek hervatte een vrij warme vriendschap). Nu volgde een andere groep staten, zoals India, China en het Vaticaan, die voorheen vijandig tegenover Israël stonden, dit voorbeeld.

Een van de bepalingen van het verdrag tussen Israël en Jordanië was dat Jordanië zijn wet afschafte die de verkoop van land aan Joden strafbaar stelde met de doodstraf. Ironisch genoeg werd die wet door de nieuwe Palestijnse Autoriteit nieuw leven ingeblazen. Eigenaars van land die hun land hadden verkocht aan Joodse nederzettingen, en makelaars die dergelijke deals hadden bemiddeld, werden geëxecuteerd. De nieuwe Moefti van Jeruzalem (nu een door de PLO aangestelde) bepaalde dat dergelijke misdadigers een islamitische begrafenis moest worden ontzegd.

In 1995 werd Rabin vermoord door een religieuze jood die tegen het vredesproces van Oslo was. Hij werd als Israëlische premier opgevolgd door Peres, die de daaropvolgende verkiezingen verloor en een door Likoed geleide coalitie aan de macht bracht.

Een verkiezing in de door de Palestijnen gecontroleerde gebieden bevestigde Arafats met 90% van de stemmen en zonder serieuze oppositie. Het terroristische geweld en de moorden op Israëli’s door Hamas en de Islamitische Jihad, waaronder af en toe spectaculaire massamoorden, namen toe.

In 1999 werd Ehud Barak tot premier gekozen (volgens een enigszins gewijzigd kiesstelsel waarbij de premier rechtstreeks werd verkozen en hij dus een krachtig mandaat kreeg) aan het hoofd van een nieuwe door Labour geleide coalitie. Barak begon agressieve zoektocht naar vrede. Hij gaf opdracht tot een eenzijdige terugtrekking uit de bufferzone in Libanon. De Libanese terreurgroep Hezbollah, die zich tot dan toe had gespecialiseerd in zelfmoordbomaanslagen tegen Israëlische troepen in de bufferzone, concentreerde zich nu op terrorisme over de Israëlische grens.

De Israëlische en Syrische ministers kwamen onder auspiciën van de VS bijeen om “over besprekingen te spreken”. Syrië eiste een belofte van onvoorwaardelijke terugtrekking uit de Golan Hoogvlakte als voorwaarde voor onderhandelingen. Er werd geen vooruitgang geboekt.

Barak stelde samen met de Amerikaanse president Clinton een vredesplan op dat voorzag in de gedwongen ontruiming van alle Joodse nederzettingen behalve die welke aan Israël grenzen. De gehele Gazastrook en ongeveer 96% van de Westelijke Jordaanoever (met inbegrip van enkele grensaanpassingen waarbij land op de Westelijke Jordaanoever zou worden geruild tegen gelijke delen Israëlisch land), plus Oost-Jeruzalem met inbegrip van de Joodse heilige plaatsen, zouden een nieuwe staat Palestina vormen.

In antwoord daarop eisten de Palestijnse onderhandelaars dat iedere persoon van Palestijnse afkomst het “recht op terugkeer” naar Israël zou krijgen. De onderhandelingen liepen stuk.

De PLO begon een “tweede Intifada”, ditmaal gebaseerd op terrorisme en zelfmoordaanslagen. De regering-Barak bleef aandringen op vrede. Op grond van een eerder gesloten overeenkomst droeg de IDF de controle over het Graf van Jacob (een oud joods heiligdom) over aan de Palestijnse politiemacht. Onmiddellijk werd het graf geschonden en vervolgens steen voor steen vernield door een Arabische menigte, waaronder ook de Palestijnse politieagenten die het graf bewaakten. Twee Israëlische reservisten die in de buurt van Ramallah verdwaald waren, werden door de PLO gevangen genomen. Een Arabische menigte drong het gebouw binnen waar zij werden vastgehouden en verscheurde de mannen.. Hun moordenaars verschenen op het balkon, zwaaiend met hun bebloede handen onder het gejuich van de menigte en gooiden vervolgens de lichamen in de menigte voor verdere schending. Een Palestijnse politieman vermoordde zijn Israëlische collega tijdens een van de afgesproken gezamenlijke patrouilles. Gewapende mannen drongen een gezamenlijke veiligheidsvergadering binnen en vermoordden de deelnemende Israëlische politieagenten. Het wijdverbreide geweld hield aan.

Met verkiezingen voor de deur waarin Barak een nederlaag dreigde te lijden, werden in de Egyptische stad Taba de laatste vredesbesprekingen gehouden. Arafat hield een giftige toespraak waarin hij Israël ervan beschuldigde “fascistisch” te zijn. De besprekingen werden afgebroken en het aantal terroristische moorden op Israëli’s, waarbij Arafat nu een leidende rol op zich nam, nam verder toe. Alle gevangenen van Hamas en de Islamitische Jihad die door de PLO werden vastgehouden, werden vrijgelaten.

Op 6 februari 2001 werd Ariel Sharon premier van Israël. Hij benoemde Natan Sharansky tot een van zijn vice-premiers. Hij verklaarde dat Israël “pijnlijke concessies” zou doen in ruil voor vrede, maar alleen in ruil voor vrede.

Op 11 september pleegden terroristen een aanslag op het World Trade Center in New York en het Pentagon in Washington D.C. waarbij duizenden Amerikanen werden vermoord. De Palestijnen gingen de straat op om feest te vieren.

De wereld veranderde.

___________________