De twee interviews die ik in 1993 en 1999 had voor Trouw  — hier en hier —met Percy Cohen Henriquez zitten achter een betaalmuur. Dat is jammer, want ze zijn alleen maar relevanter geworden: de woke-waanzin heeft het “anti-kolonialisme”, het identiteits-gedram, de slachtofferitis, het racistische rancunisme, het anti-westerse destructivisme en de liefde voor achterlijke culturen als de islam in onze dagen tot een climax gedreven. Dus die interviews, zo vond ik anno 2022, moest ik maar eens toegankelijk maken op mijn eigen website. Speciaal in verband met het voornemen van onze zéér geleerde minister van onderwijs, Robbert Dijkgraaf, om diploma’s behaald op de Antillen via onderwijs in het Papiaments tot toegangsbewijs te maken voor het hoger onderwijs in Nederland. Want dat zou de vinger van Percy Cohen Henriquez naar zijn voorhoofd gebracht hebben.  Hier zijn lemma in het “Joods Biografisch Woordenboek” en hier een herinneringsartikel in “Caraïbisch Uitzicht”.

Percy Cohen Henriquez op oudere leeftijd en zoal ik hem kende
Percy Cohen Henriquez een stuk jonger

******************************************************************

ZE WISTEN BLIJKBAAR NIKS VAN DIE EILANDEN, NIET EENS HOE INTENS NEDERLANDS ZE WAREN

13 november 1993
Door Martien Pennings

Aanstaande vrijdag, 19 november, bepaalt de Curacaose bevolking bij referendum hoe sterk het met Nederland verbonden wil zijn. Percy Cohen Henriquez zou een zeer nauwe band toejuichen. Hij werd in 1909 op Curacao geboren uit Portugees-Joodse ouders en kwam in 1918 naar Nederland. Hij werd chemisch ingenieur en promoveerde in 1935 cum laude in Delft. Na werkzaam te zijn geweest bij de Nederlandse Octrooiraad was hij van 1942 tot 1949, dus ook gedurende de bezetting, octrooigemachtigde in dienst bij Noury en Van der Lande. Omdat zijn papieren niet in Nederland waren, had Henriques van het hoofd van het bureau voor Jodenzaken in Nederland, de Duitser Calmeyer, een briefje van uitstel van aanmelding gekregen. Daarmee kwam hij, zij het niet zonder moeilijke momenten, de oorlog door. In 1949 accepteerde hij een aangeboden plaats in de Landsregering van de Antillen. maar al in 1954 verliet Henriques, uit protest tegen politieke benoemingen, wat inmiddels het Bestuurscollege heette. Hij bleef wel op Curacao en leidde vervolgens negen jaar lang een door hem opgezet Ontwikkelings & Planningsbureau voor de Antillen, waarvoor hij al voor de oorlog, in Nederland, had geijverd. Uit protest tegen politieke inmenging, nam Henriques in 1962 ontslag. Tot 1988 werkte hij vervolgens als octrooigemachtigde voor onder andere Unilever, Douwe Egberts en Volker Stevin. Percy Cohen Henriquez heeft een groot aantal publicaties op zijn naam staan.

“Nederland is het nu zat en eist orde op zaken. Maar dat is irreëel zonder een totale reorganisatie van het bestuurlijk apparaat. Er zijn decennia goed te maken van scheefgroei, vooral veroorzaakt door de antikoloniale illusies die vanaf eind jaren vijftig het beleid in Nederland domineerden.”

“De na-oorlogse regeling tussen Nederland en de Antillen was vervat in het zogenaamde Statuut. Artikel 43 daarin gaf Nederland de mogelijkheid toezicht te houden op ‘behoorlijk bestuur’ op de Antillen. Concreet kon dat via de gouverneur, de procureur-generaal en de gezaghebbers, want die werden door de Nederlandse Kroon benoemd. Dat hadden de waakhonden kunnen zijn. Maar Nederland heeft die mogelijkheid bewust laten liggen en art. 43 werd een dode letter. Het belang van de gewone mensen op de Antillen is door Nederland opgeofferd aan een mooi antikoloniaal imago. Om in de Verenigde Naties te kunnen laten zien hoe goed ze wel de tijdgeest verstonden. Ik moet toegeven dat het in die tijd moeilijk was om tegen de antikoloniale mode in te gaan. Maar toch: na driehonderd jaar liet men de verantwoordelijkheid pardoes los.”

“Dat gebeurde willens en wetens! Ik weet dat uit de eerste hand. ‘Jopitu’ Ellis was van 1948 tot 1958 procureur-generaal. Een briljante en integere man. Ellis vertelde mij persoonlijk hoe hij in Nederland op kabinetsniveau melding heeft gemaakt van allerlei politieke manipulaties op de Antillen en toen te horen heeft gekregen dat Nederland ervan wist, maar niet van plan was er iets aan te doen. Het Nederlandse kabinet waarschuwde Ellis dat hij gedesavoueerd zou worden als hij de publiciteit zou zoeken. Zo’n behandeling ondergingen ook de toenmalige Nederlandse gouverneur en Antillianen als de bekwame gezaghebbers Gorsira en Kwarts. Met Ellis is de inkapseling van alle potentiele ‘waakhonden’ begonnen.”

“Slechts korte tijd hebben leden van de intellectuele Antilliaanse bovenlaag, die in Nederland hadden gestudeerd, een los-van-Nederland bepleit. Eenmaal teruggekeerd op de Antillen, kregen ze al snel door dat de eilanden pluisjes waren in het internationale economische krachtenveld, dat ze veel beter af waren als onderdeel van het Nederlandse Koninkrijk.”

“Nederland echter had geen plan voor de Antillen: u vraagt en wij draaien, riep men de ex-kolonie toe. Nederlandse theoretici, die in het beste geval een aantal maanden ter plaatse bleven, leverden aan de Antillen vaak catastrofaal prutswerk onder de vlag van ‘technische bijstand’. Je kunt van de koloniale tijd veel slechts beweren. Maar de kennis was wel veel groter, omdat een Westerse ambtenaar jaren in een land verbleef en tenslotte de realiteit ter plaatse absorbeerde.”

“Eind jaren zestig verscheen een vijfdelig rapport van 24 Nederlandse deskundigen over de problemen rond waterbeheer, landbouw en herbebossing. Dat rapport werd in twee pagina’s met de grond gelijk gemaakt door een Antilliaanse tandarts, die boer was uit liefhebberij. Ik had bovendien al in 1962 aan die materie een uitvoerige publicatie gewijd. Maar met mij, die tandarts of bijvoorbeeld de befaamde bioloog frater Arnoldo spraken de heren deskundigen niet.”

“De rellen van 1969 op Curacao zijn een goed voorbeeld van antikoloniaal gedram. Die rellen vonden plaats terwijl eigenaars van luxe winkels scheppen geld verdienden aan de Amerikaanse toeristen. Maar het winkelpersoneel verdiende een schijntje, had geen enkele rechtsbescherming of sociale voorziening.”

“In die sfeer kwam Shell plotseling, van de ene op de andere dag, met een afslankoperatie waarin vele mensen werden afgestoten naar toeleveringsbedrijven, waar ze plotseling veel minder gingen verdienen. Toen kwam die mars van de armen naar de regeringszetel in Willemstad, met de plundering van drankwinkels, met rellen en brand. Bijna was heel Willemstad in vlammen opgegaan. Dat werd door Nederlandse mariniers voorkomen. Ze hebben, zonder een schot met scherp te lossen, Willemstad gered. De opstand was in feite een produkt van de dekolonisatie, maar de progressieven in Nederland veroordeelden het mariniersoptreden als een ‘laatste oprisping van kolonialisme’, in plaats dat ze de conclusie trokken dat Nederland meer rechtsbescherming moest bieden.”

“Neem nou het rapport uit 1972 van D66, PPR en PvdA. De boodschap daarin luidt: de Antillen horen cultureel en economisch bij Latijns Amerika en jullie moeten onafhankelijk worden. Ze wisten blijkbaar niks van die eilanden, niet eens hoe intens Nederlands ze waren. Ze zagen niet hoeveel betere bescherming juist de onderklasse zou krijgen als de Antillen deel van Nederland bleven. Of wilden ze het niet zien? Dat rapport is zo dom dat het op het criminele af is. En die houding hielp ook Suriname in de afgrond duwen.”

“Van 1976 tot 1979 is er een commissie geweest, met ettelijke subcommissies op de Antillen, die een goed rapport heeft geschreven over alle aspecten van de toekomstige ontwikkelingsrelatie. Professor Hoetink was een prominent lid. Dat rapport, waaraan dus drie jaar is gewerkt, heeft geen enkele follow-up gehad.”

“Het progressieve gedram ging in de jaren tachtig gewoon door. De STICUSA, de Stichting Culturele Samenwerking met Suriname en de Antillen, gevestigd te Amsterdam, werd rechtstreeks door Nederland betaald en kon dus vrij van de Antilliaanse bureaucratie nuttige initiatieven steunen. Maar vervolgens besloot een progressief kamerlid van de PvdA dat die rechtstreekse subsidiering koloniale bevoogding was. Dus fluks een voorstel door de Tweede Kamer gejaagd dat zorgde dat de stichting onder een andere naam nu deel is geworden van de politieke belangenstructuur op de Antillen.”

“ De – te zwakke – band met Nederland heeft de Antillen wel behoed voor totaal afglijden naar Surinaamse, naar LatijnsAmerikaanse toestanden. En met Hirsch Ballin is er toch wel een duidelijk eind gekomen aan het opdringen van de onafhankelijkheid. Professor Hoefnagels, lid van de Eerste Kamer, kent de Antillen goed en heeft zeker bijgedragen aan die politieke koerswijziging.”

“En natuurlijk zijn er aan goedwillende Antilliaanse kant ook fouten gemaakt en allicht heerste ook daar aanvankelijk, net als in zoveel ontwikkelingslanden, een intellectuele cargo-cult. Van Westerse theoretici en theorieen werden door locale politici wonderen verwacht. Daarnaast was de praktijk te vaak – en ik druk mij nu diplomatiek uit – dat er te veel ambtenaren werden aangesteld op politieke gronden. Zo verlamt de politiek het alledaagse technische en organisatorische functioneren van een maatschappij. Veel goede krachten vertrekken dan naar elders of naar het zakenleven, een braindrain dus. Maar in die sfeer ontstaat ook brain-drowning, het verschijnsel dat competente mensen binnen de bureaucratie uitdoven.”

“Ook voor de verbetering in het onderwijsniveau was een blijvend nauwe band met Nederland nodig. Er is echter juist een forse achteruitgang in dat onderwijs geweest. De Antilliaanse jongeren die nu in Nederland problemen veroorzaken, komen hier met onvoldoende onderwijs en kennis van het Nederlands. De Antilliaanse minister van onderwijs noemt de huidige toestand op de basisscholen in de volksbuurten ‘abominabel’. De oorzaak daarvan denken de progressieven nu gevonden te hebben in de zogenaamde onderdompelingsmethode. Antilliaanse kinderen zouden te snel en te totaal met het Nederlands als instructietaal worden geconfronteerd. Onzin! Want vroeger, toen veel meer de nadruk werd gelegd op het uitsluitende gebruik van het Nederlands op school, waren de resultaten veel beter.”

“De Antilliaanse politiek had rond 1985 gewoon een zondebok nodig voor falend onderwijsbeleid en dat werd het Nederlands als instructietaal. Het Antilliaanse kind zou daardoor te veel identiteit verliezen. Dat zogenaamd identiteitsverlies is een progressieve hersenschim. Er heerst een soort identiteitsfetisjisme in Nederland en op de Antillen. Hier in Nederland is dat O.E.T.C., dat Onderwijs in Eigen Taal en Cultuur aan sommige minderheden, ook nog behoorlijk populair, naar ik verneem. Op de Benedenwindse eilanden wil men nu de ‘moedertaal-school’ invoeren. Daar zal tenminste in de eerste schooljaren – sommigen willen nog verder gaan – het Papiaments als instructietaal worden gebruikt. De kinderen worden opgesloten in een taalgetto. Ik neem aan ter voorbereiding op het echte getto.”

“Het zit echter allemaal heel anders. Het startniveau van een kind op school wordt, behalve door aangeboren talenten, bepaald door de prikkeling die het krijgt vlak na de geboorte tot aan de schoolleeftijd. Een milieu waarin een kind veel aandacht krijgt van volwassenen is het meest stimulerend. Dat is natuurlijk meestal een milieu waarin sociale status en opleiding van de ouders hoog zijn.”

“Maar het kind uit een minder milieu heeft wel een wapen waarmee het met meer bevoorrechte kinderen kan concurreren. Dat volkskind heeft, net als elk kind, een fabelachtig intuitief vermogen zich een taal, of desnoods twee of drie talen tegelijk, eigen te maken. Op latere leeftijd, hoe knap men ook is en hoe hard men ook studeert, kan dit vermogen nooit, op geen stukken na, meer benaderd worden! Daarom is die onderdompelingsmethode ook het beste voor het Antilliaanse volkskind.”

“Ikzelf kende, tot mijn intrede op de basisschool op Curacao op zesjarige leeftijd, geen woord Nederlands en heb die taal via onderdompeling geleerd. Niks geen last van pijn aan mijn identiteit gehad. Ik had wel een goede voorschoolse stimulering gehad. Mijn kindermeisje, mijn yaya, was een analfabete vrouw, maar ze was wel de hele dag met mij bezig. Ze vertelde sprookjes en verhalen, leerde mij zegswijzen en verklaarde mij de moraal die daarachter stak.”

“De Antilliaan bevindt zich, qua ‘identiteit’, dan nog in een bevoorrechte positie in Nederland, omdat hij uit een bijna Westerse leefwereld komt. De leden van sommige andere minderheden hebben het veel moeilijker in Nederland. Laatst sprak voor de televisie een imam. Hij legde het Marokkaanse familierecht uit, zoals dat uit de Koran wordt afgeleid. Kijk, zei hij, er zijn belangrijke biologische verschillen tussen man en vrouw. God heeft de daarmee samenhangende mentale verschillen geschapen. Daar zit wat in, dacht ik. God is natuurlijk niet gek. Man en vrouw, betoogde de imam, functioneren dus geheel verschillend en habben daarom ook verschillende rechten en plichten. De Koran zorgt voor een goed balans tussen die verschillen. Het gezag van de man in het gezin, de ingetogenheid van de vrouw, de in Westerse ogen preutse sexuele moraal en de details van de huwelijkswetgeving zijn daarmee in overeenstemming, aldus de imam.”

“Het gaf me een gevoel van deja-vu. Ik heb die sfeer meegemaakt in mijn prille jeugd. En we weten uit de geschiedenis hoe de negentiende-eeuwse man in opwinding geraakte als hij de enkels van een vrouw ontwaarde. Maar de tegenstelling met onze meerderheidscultuur kan natuurlijk niet groter zijn, want die is provocerend, exhibitionistisch, schaamteloos, mentaal verschil tussen man en vrouw ontkennend, gezagsuitdagend, antipatriarchaal.”

“Wij zeggen echter tegen de bedoelde minderheden dat zij hun identiteit vooral moeten behouden, want ons ideaal is een multiculturele samenleving. Maar door onze leefstijl en onze wetten wordt die identiteit voortdurend fundamenteel aangetast.”

“Veel conflicten in de wereld komen voort uit cultureel antagonisme. De geschiedenis leert dat het een universeel verschijnsel is. Wat de meeste journalisten als oorzaken beschrijven, zijn niet meer dan aanleidingen. Ook in Nederland is er een hernieuwde conflicterende interactie tussen culturen. Ook daarover dezelfde oppervlakkige berichtgeving, terwijl het ons zo dicht op de huid zit. Het taboe op realistisch nadenken over culturele tegenstellingen is een overreactie op het waanzinnige racisme van de nazi’s. Maar dat taboe heeft juist geleid tot opeenhoping van conflictstof.”

“Op het moment dat met de huidige migranten problemen ontstonden, hadden de progressieven hun oordeel al klaar: te veel Nederlanders zijn racistisch en dat racisme moesten we maar eens verbieden. Iedereen die een nuchtere analyse van de problemen wilde maken, werd voor racist uitgekreten. Terwijl de ouwe Drees nota bene in 1974 al voor moeilijkheden had gewaarschuwd. Dat was dan zeker ook een racist, Drees senior.”

“Discriminatie ontstaat automatisch op grond van subtiele signalen via gedragspatronen, lichaamstaal, kleding, mimiek en spraak. Via die signalen herkent men zijn clubgenoten. Dat zit heel diep. Het is ‘nestgedrag’, vervangt wat bij dieren de nestgeur is en is ook functioneel: men kan het beste samenwerken met mensen met dezelfde codes.”

“Dat heeft allemaal niets met racisme van doen. Racisme is de mens ook niet aangeboren. Kinderen discrimineren onder elkaar als gekken, maar niet op ras – daar hebben ze totaal geen weet van – maar op gedrag en kleding. In kinderen zien we wat voor ellendige conformisten en discrimineerders we eigenlijk zijn.”

“Kent u die regel uit dat oude kinderversje: ‘Al wie met ons mee wil gaan, die moet onze manieren verstaan’. Marietje loopt niet gearmd met Greetje als Greetje te truttig gekleed is. Zal Marietje dat dan wel doen met Soraya, als die haar identiteit behouden heeft?”

“Natuurlijk kan er op een gegeven ogenblik wel een raciale factor bijkomen, namelijk wanneer afwijkend gedrag samenvalt met een groep met bepaalde raskenmerken. Dat is het gevaarlijkste. Dan krijgt men het Pavlov-racisme, het associatief geconditioneerde vooroordeel. Het ‘uitdoven’ van zo’n negatieve Pavlov-reactie duurt langer als een deel van een bepaalde allochtone groep bepaalde door autochtonen onbegrepen gedragspratronen blijft vertonen. Dat gedrag wordt dan met de hele groep geassocieerd.”

“Je kunt, de problemen overziende, alleen maar hopen dat het Progressieve Obscurantisme niet nog meer onheil zal aanrichten. En wat de Antillen betreft: ik zou het toejuichen als de eilanden veel nauwer met Nederland zouden worden verbonden.”

______________

TAALGETTO

13 februari 1999
Door Martien Pennings

“Voor alle verschillende geluiden die dieren kunnen laten horen, heeft het Papiaments slechts één woord: grita (=schreeuwen). Zo is het onmogelijk over te brengen dat de doffer de hele middag tegen de duif heeft gekoerd, of dat de krekel tjirpt.” Percy Cohen Henriquez, voormalig lid van de Rijksregering te Curaçao en voormalig hoofd van het Bureau Ontwikkelingssamenwerking voor de Antillen, geïnterviewd over een prachtige taal die helaas te ver van de werkelijkheid verwijderd is geraakt.”

“Ik heb altijd gevonden dat de inheemse elites in het Caribisch gebied de talen van de ex-kolonisators prachtig spreken. Daar hoor je het bloemrijkste Frans, Portugees, Engels en Nederlands. Dat geldt trouwens ook voor Afrika, waar de creoolse voorouders van veel Antillianen vandaan kwamen. Hun buitengewone aanleg voor taal moeten veel Antillianen vanuit hun Afrikaanse oorsprong meegekregen hebben. De oude Bantoetalen, de talen van die Afrikaanse voorouders, waren zeker zo ingewikkeld en genuanceerd als de Europese talen. Geen enkele Europese taal heeft meer dan drie geslachten, maar sommige van deze oude Bantoetalen kennen er wel zestien. Die talen zijn voor volwassen Europeanen, hoe lang zij ook onder Bantoes verkeren, niet tot in de finesses leerbaar. Wel voor Europese kinderen, maar kinderen zijn nu eenmaal overal ter wereld talenwonders.”

“Het omgekeerde geldt in veel mindere mate: een Bantoe kan, ook als volwassene, afhankelijk van verblijfsduur onder de sprekers, ver doordringen in de finesses van een Europese taal. Ik vind alleen al het bestaan van deze Bantoetalen een afdoende argument tegen de stelling die de laatste jaren in Amerikaanse academische studies weer naar voren komt, namelijk dat zwarten toch minder intellectuele vermogens zouden hebben dan blanken en Aziaten.”

“In de meeste ex-kolonieën, ook in Afrika, is de taal van de vroegere kolonisator de officiële voertaal geworden. Maar op de Antillen kreeg het Nederlands niet de functie van verbindende nationale taal, zoals het Engels en Frans die vervulden op andere Caribische eilanden.”

“Dat kwam doordat Curaçao in verschillende fases van de geschiedenis te maken heeft gehad met verschillende talen. Oorspronkelijk het Portugees, toen het Spaans en Nederlands. Het Nederlands bleef tot één groep beperkt. Het was de taal van de ambtenaren en de protestanten onder de Nederlandse kolonisten. Door die taalverbrokkeling kreeg het Papiaments een kans te fungeren als lingua franca als ‘vrijtaal’ die door iedereen begrepen werd. Dit algemene gebruik van het Papiaments werd in de hand gewerkt door het systeem van de ‘jaja’s’, de kindermeisjes die de dagelijkse verzorging deden van jonge kinderen uit de gegoede klassen. Zo groeide ook deze bovenklasse op met het Papiaments. En leerde ermee te koketteren. Aldus werd het Papiaments volkstaal en verbindingstaal tussen elite en lagere klassen.”

“Tegenwoordig is er op Curaçao een aantal politici dat politieke munt probeert te slaan uit deze historisch scheef-gegroeide situatie. Niet alleen in onderwijs, maar ook in de ambtelijke taal, willen zij het Nederlands vervangen door het Papiaments. Zij spelen in op naijlende wrok tegen Nederland, de ex-kolonisator. Zij willen het Papiaments gebruiken waarvoor het niet geschikt is, namelijk het bijbrengen van nieuwe begrippen. Want het Papiaments heeft een veel te klein vocabulaire om de moderne werkelijkheid te kunnen beschrijven. Het is, met al zijn bloemrijke zoetvloeiendheid, een taal verbonden met de slavernij. Dat wil zeggen, een taal ontstaan en ontwikkeld in onvrijheid en daardoor zeer beperkt. Dit punt verdient nadruk: het Papiaments is arm door de slavernij, niet doordat het een ‘zwarte’ taal is. De echte ‘zwarte’ talen, de oude Bantoetalen, bewijzen dat.”

“Kijk eens naar de zogenaamde Papiamentstalige kranten. Om het wereldnieuws te kunnen brengen moet men het gebruikte ‘Papiaments’ noodgedwongen doorspekken met tal van vreemde woorden, al dan niet vervormd. Het resultaat is een taal die ver afstaat van het echte, gesproken Papiaments. Je moet eens kijken naar ‘ver-talingen’ van officiële stukken in zogenaamd Papiaments: dat is een ergernis voor iemand die werkelijk van het Papiaments houdt als intieme taal voor de dagelijkse omgang. Lees bijvoorbeeld tegenwoordig de inlichtingen van banken aan hun cliënten, of samenvattingen van Nederlandstalige dissertaties in het zogenaamde Papiaments: een verschrikkelijk koeterwaals.”

“Je kunt dus de grotere en wat abstractere wereld niet beschrijven in het Papiaments. Maar niet alleen dat. Karigheid kenmerkt zelfs hetgeen men kinderen van de directe leefomgeving kan leren. Bijvoorbeeld: voor alle verschillende geluiden die dieren kunnen laten horen, heeft het Papiaments slechts één woord: grita (=schreeuwen). Zo is het onmogelijk over te brengen dat de doffer de hele middag tegen de duif heeft gekoerd, of dat de krekel tjirpt.”

“Verder moet worden opgemerkt dat het Papiaments een gesproken taal is en dat er daarom geen officiële schrijfwijze is. Dat resulteert soms in verschillende spellingen voor hetzelfde woord. Zulks werkt vervreemdend voor degene die gewend is zijn nieuws te puren uit Europeestalige teksten.”

“Het allerbelangrijkste is dit: een klein vocabulaire beperkt het denken, vooral het redenerend denken. Want denken gebeurt vooral met woorden. De buitenwacht, laten we zeggen een Nederlandstalige werkgever die een laaggeschoolde Antilliaan in zijn bedrijf krijgt, spreekt dan al gauw van domheid.”

“Al jaren zijn er nu op Curaçao geldverslindende projecten om tot Papiamentstalig onderwijs te komen. Maar na jaren zijn ze nog niet eens in staat gebleken een Papiamentstalig leerboek voor kinderen te produceren. Een van de grootste doordrijvers is Frank Martinus Arion. Hij heeft al sinds 1981 een door de Antilliaanse overheid betaalde baan om die desastreuze Papiamentisering er door te rammen. Terwijl hij zelf in het Nederlands schrijft en ooit openlijk verklaard heeft dat hij het Papiaments lelijk en houterig vindt. Die man heeft nou werkelijk nergens verstand van, want iedere kenner weet dat het Papiaments vooral dushi is: zoetvloeiend.”

“Inmiddels gaat het drama voort van kinderen die, opgezet tegen het Nederlands en al wat Nederlands is, als pubers naar Nederland komen met een bedroevend klein beetje kennis van de Nederlandse taal en uiteraard in Nederland geen werk krijgen, want om werk of een opleiding te krijgen, moet je de taal spreken. Ga het gewoon eens vr gen, dames en heren Papiamentiseerders, aan enigszins bewuste jonge Antillianen die naar Nederland zijn gegaan. Vr g hun wat de grootste handicap is. Zij zullen u antwoorden: slechte kennis van het Nederlands. Daarom komen velen terecht in uitzichtloze situaties en vervolgens in de wereld van drugs en harde straatcriminaliteit. Die beeldvorming slaat terug op Curaçao, dat een slechte naam krijgt, waardoor toeristen en bonafide investeerders worden afgeschrikt.”

“Het fatsoenlijk spreken van de taal van een cultuurgemeenschap is een essentiële voorwaarde deel te nemen aan die cultuur. Wie de symbolen van een cultuur niet weet te hanteren en daarnaast ook nog deviant of zelfs crimineel gedrag vertoont, valt buiten de groep. En mocht het nu zo zijn dat velen van degenen die dit afwijkend gedrag vertonen, ook nog bepaalde raskenmerken bezitten, dan leidt dit al gauw tot wat tegenwoordig zo gemakkelijk ‘racisme’ wordt genoemd. Maar het gaat hier om niets anders dan een onterechte generalisatie. Dit is het zogenaamde Pavlov-racisme, genoemd naar het fenomeen dat een hond gaat kwijlen wanneer hij een bel hoort, omdat de tien voorgaande keren dat belgeluid werd gevolgd door vleesverstrekking. Wanneer, naar analogie hiervan, maar vaak genoeg Antillianen zich op een bepaalde manier manifesteren en in het nieuws zijn, zal ook bij de meest verlichte geleerde enige vorm van Pavlov-racisme ontstaan. De taak van overheden en intellectuele elites in deze is dan ook niet om ‘racisme’ te roepen tegen de bevolking die met bepaald gedrag geconfronteerd wordt en daar dan schande van spreekt, maar het wegnemen van de sociaal-economische oorzaken van culturele en materiële achterstand.”

“Dus: laat de Curaçaoënaars in het dagelijks leven rustig het Papiaments blijven gebruiken, want het is een melodieuze taal, die identiteit geeft en sociale samenhang bevordert. Maar anderzijds dient men er zich van bewust te zijn dat het te kleine vocabulaire van het Papiaments beperkend werkt voor het denken, omdat in het denkproces woorden nodig zijn om datgene te benoemen waarover men denkt. Het is een taal die in onvoldoende mate mogelijkheden biedt om zich codes van de huidige westerse samenleving eigen te maken.”

“De inheemse elites van de Antillen en Curaçao spraken hun Nederlands doorgaans zo goed dankzij het voortreffelijke taalonderwijs dat zij in hun kindertijd hadden gekregen. Dat was onderwijs gegeven door Nederlandse fraters. Vooral de fraters van Oirschot moeten hier genoemd worden. Deze geestelijken pasten instinctief een methode toe die nu onder leidende taalgeleerden algemeen als de beste wordt gezien, namelijk de onderdompelingsmethode. Kinderen die thuis een andere taal of dialect spreken dan de officiële cultuurtaal waarin zij later maatschappelijk moeten gaan functioneren, worden volgens deze filosofie alleen nog aangesproken in de officiële taal en mogen zich ook alleen nog in die taal uitdrukken. Dat heeft verbluffende resultaten. Noam Chomsky en zijn adepten hebben uitvoerig dit verschijnsel gedocumenteerd van het fenomenale vermogen van kinderen om een taal te leren.”

“Rond het twaalfde levensjaar, zo leert onderzoek, begint dit vermogen vrij dramatisch af te nemen. Het is dus zaak juist in die lagere-schoolleeftijd met de onderdompelingsmethode toe te slaan. Op de Antillen zou men de kinderen moeten onderwijzen in het Nederlands met daarnaast Engels of Spaans, maar alsjeblieft niet in het doodarme Papiaments. Dat is een taalgetto, dat alleen maar voorbereidt op het echte getto.”

_______________________