Ik heette ooit Tini. Dat is in het zuiden van Nederland geen ongebruikelijke naam voor een jongen. Noorderlingen hebben altijd de neiging gehad mij Tine te noemen. En dat is nu juist weer een meisjesnaam in het zuiden. Jaren geleden luidde een reclame in groentenwinkels: “Waarom is tante Tine/Toch zo gek op aubergine?” Móét door een zuiderling bedacht zijn. Daarentegen had ik een tante Bep en bestond er een beroemde Rotterdamse bokser die Bep van Klaveren heette. Hoe dan ook: mijn Tineke is me al jaren geleden Martien gaan noemen en van de weeromstuit ben ik dat zelf toen ook maar gaan doen.

Enfin. Het artikel dat hieronder volgt verscheen in het tijdschrift “Americana” en is gebaseerd op de scriptie waarmee ik mij op gezag van de Universiteit van Amsterdam “doctorandus historiae”
mocht gaan noemen. De scriptie zelf kreeg “The Lawrence J. Saunders Award” 1989 van het “Roosevelt Study Center” in Middelburg. (Tegenwoordig heet die prijs, zo leert Wikipedia, de Theodore Roosevelt American History Award.) Voor mij is van enig belang dat in de driekoppige toekennings-commissie niemand minder zat dan Maarten van Rossem, de televisie-geleerde die ik in de loop van de jaren steeds minder ben gaan waarderen. Maar ik kan wel zien dat ik in 1989 nog linksige trekjes had die Van Rossem moeten hebben bevallen. Enfin, wie mij een beetje kent, weet dat ik me ideologisch sterk dóórontwikkeld heb.

__________________________
__________________________