Screenshot_5

(Door: Emmet Scott, vertaling en inleiding van Martien Pennings)

Dit is het tweede deel van een tweeluik. Deel I is hier te vinden.

Dat is nou vervelend. Heb ik gemeld dat in de academische wereld dat paradigma-wisselend boek van Emmet Scott niet eens opgemerkt is en dan moet ik ontdekken dat professor doctor Hans Jansen er al in 2012 een stuk over heeft geschreven in Civis Mundi. Maar ik vermoed dat Hans – ik noem hem maar gewoon bij zijn voornaam, hoewel wij gebrouilleerd zijn geraakt – toch niet helemaal beseft heeft wat de draagwijdte van Scotts these is, want anders had hij ons, medestrijdend voetvolk in de Goede Strijd, bijvoorbeeld via het weblog “Hoeiboei” daar toch wel op attent mogen maken. Zijn stuk in Civis Mundi is heel aardig, maar mist toch die urgentie die een historiografische mega-ontdekking zou moeten opwekken. Bovendien is het een boek dat de wereld bewust zou kunnen maken dat die islam een nog veel grotere vloek voor de rest van de wereld is geweest dan sommigen in het Westen toch al beseften. Dat boek met wereldreddende potentie van Emmet Scott heet “Mohammed and Charlemagne Revisited: the History of a Controversy”.

Het boek van Scott is vreselijk belangrijk, maar ook verschrikkelijk geschreven.  Vooral die nodeloos ingewikkelde zinnen. Hier is er eentje door mij uit het Engels vertaald:

”We moeten ook niet vergeten dat gedurende de eeuwen die volgden op de Eerste Kruistocht, waarin men zou kunnen aannemen dat christenen in Europa geheel gewend waren geraakt aan het idee van het vechten en doden voor Christus, er veel bewijs bestaat dat dit niet gebeurde.”

Een boek en een essay zijn natuurlijk altijd pogingen aan jezelf iets uit te leggen en naarmate de schrijver dat helderder voor de geest staat, is het resultaat ook helderder. Ik heb overigens maar één hoofdstuk uit het boek van Scott gelezen en hieronder vertaald, maar als dat hoofdstuk representatief is voor het hele boek, dan hoop ik dat de schrijver, als hij wat afstand heeft genomen van zijn boek en de inhoud bezonken is, nog eens een essay schrijft waarin hij kernachtig uitlegt wat hij uitlegt in zijn boek. Want het zou, nogmaals, een cultuurreddend boek kunnen zijn, als  . . . . . onze nep-elites wel eens een boek zouden lezen en als ze niet feiten-resistent zouden zijn. Voorlopig blijft de echte redding van het Westen bestaan in islamitische bom-aanslagen. Zolang onze nep-elites het ware karakter van de islam niet aan den lijve en aan het lijf van hun kinderen ervaren, zullen ze niet uit hun genotscoma ontwaken. En het blijft mogelijk dat er voor krankzinnig links zoveel terreurdoden nodig zullen zijn dat het Westen tegen die tijd ontvolkt is. De realiteitsweigering  van de generatie van geestelijk onvolwassenen en zelfmanifestanten die vanaf de jaren 1960 een cultuurmonopolie hebben gevestigd schijnt namelijk onschokbaar. Misschien dat een oorlog tegen Israël in het Midden-Oosten en aansluitende burgeroorlog in de Westerse steden ze over de streep trekt. Alhoewel . . . . ze zijn in staat om te zeggen: “Dat is allemaal de schuld van Israël en hun nazi-terreur tegen de Palestijnen en dat krijg je nou van dat islambashen!”

Dus we mogen van de multikul-klutsende quasi-elites niet verwachten dat een geschiedenisboek ze tot Rede & Realiteitsaanvaarding brengt. Zoals gezegd: een echt boek lezen ze volgens mij nooit en al helemaal niet een boek dat hen uit hun comfortabele dommel helpt. Hun grote prioriteit blijft: het moet fijn zijn in mijn eigen hoofd! Maar als de “progressieve” prutsers niet in die mate feitenresistent zouden zijn, dan, ten derde male, hád het mogelijk geweest dat het boek waarvan hier een vertaling van het laatste hoofdstuk volgt, de redding hád kunnen wezen van het Avondland. De redding van het Westen dus en van het Grote en Continue Vrijheidsexperiment. Ja, ik ben een beetje nadrukkelijk en herhalerig, maar het is dan ook niet niks.

Deze vertaling van het laatste hoofdstuk van dit boek zoals het in de New English Review is verschenen, heeft een aantal dagen geleden al een inleiding gekregen op deze site. Wie een eerste indruk wil hebben van de inhoud van dit vertaalde hoofdstuk, gaat het beste eerst naar die inleiding toe. Een tweede optie voor de moderne vlug-vlieg-vlug-lezer is om te beginnen met de twee slotalinea’s van onderstaande vertaling, waarin de auteur zelf zijn bevindingen samenvat.

Er is één element dat ontbreekt in onderstaande tekst. En dat is een ontdekking die Emmet Scott elders in zijn boek uiteenzet: het archeologische bewijs voor zijn hoofdstelling.

Eerst die hoofdstelling maar eens: toen de langdurige desintegratie van het Byzantijnse Rijk rond 500 na Christus inzette kwam West-Europa niet terecht in de “duistere Middeleeuwen”, want die zogenaamde West-Europese “barbaren” die de Pax Romana zogenaamd vernietigd zouden hebben, stonden zeer open voor de normen en waarden van die inmiddels verchristelijkte Pax Romana. Die “duistere Middeleeuwen”  begonnen pas met de veroveringen van de islam in de periode 630 tot 930. In 730 staan de moslimse legers tot in Zuid-Frankrijk aan de ene kant en tot in Afghanistan aan de andere kant. In drie eeuwen raakte het Middellandse zeegebied steeds meer afgesloten voor de handel vanuit West-Europa. Dat had economische gevolgen voor Europa, maar die waren niet de voornaamste, zoals Henri Pirenne nog meende. Volgens Scott waren de voornaamste gevolgen van een geïslamiseerd Midden-Oosten de voortdurende terreur-invallen in Zuid-Europa (Spanje, Italië, Zuid-Frankrijk) door moslims en tengevolge daarvan weer ontstond in Europa een oorlogsmentaliteit waarin het christendom gecorrumpeerd raakte met antisemitisme, heksenwaan, kettervervolging, martelpraktijken en Inquisitie.

Screenshot_4

Zoals ik al zei: in de onderstaande tekst wordt een belangrijk aspect van Scotts boek niet genoemd, namelijk het archeologische bewijs voor Scotts hoofdstelling: dat in die drie eeuwen, van 630 tot 930, de islam in het Middellandse zeegebied  dermate moorddadig en vernielend heeft huisgehouden dat dit een aardlaag heeft nagelaten alsof er een grote natuurramp had plaatsgevonden. Tot mijn schande moet ik bekennen dat al in augustus 2012 een stuk over het boek van Emmet Scott is verschenen van Baron Bodissey op Gates of Vienna, waarin dat archeologische aspect prominent werd behandeld. Aan “Vederso” komt de eer toe daarop opmerkzaam gemaakt te hebben, via dit stuk: Wie vernietigde werkelijk de Pax Romana?

Wat kan je verder nog zeggen? Wat “we” al zo’n twintig jaar zeggen. Daar “boven” in het hele Westen is een quasi-elite aan de macht die van z’n eigen gezond niet meer weet. En dat “gezond” bestaat uit een geweldig experiment in vrijheid en humaniteit. Een experiment dat alleen voortgezet kan worden als geestelijke volwassenheid en realiteitsaanvaarding opnieuw de overhand krijgen. Israël, “hij die vocht met de engel”, zou opnieuw ons voorbeeld moeten worden. Die Jood, ja. Die bedoel ik inderdaad. Die Jood die de gewetenscultuur heeft uitgevonden, waardoor “moraal” ontstond en waardoor vervolgens wetenschap mogelijk werd en zoiets als “Verlichting”, die een Duistere en een Lichte kant heeft en waaruit je kan leren dat het erkennen van het Irrationele in de mens een kenmerk van Verlichting is. Verlichting, hoe vat je dat nou samen? Misschien zo: alles wat die kunstkwast van D66, die Alexander Pechtold, NIET is. Dat is een typische vertegenwoordiger van onze huidige Quatsch-elite, vol van kosmopolitische waanvoorstellingen die hij vervolgens projecteert in culturen die van bedrog en wreedheid aan elkaar hangen. Vreemde luchtjes op de trap . . . .

Het is altijd prettig om gelijk te krijgen. Maar dat een absurde beschuldiging van Pow-nieuws op natiewijde televisie aan mijn adres in laatste instantie dermate veel realiteitsgehalte zou blijken te bezitten als Emmet Scott nu aantoont had ik niet durven dromen. Die Pennings, zei presentator Kwezelie op 10 november 2010, beweert “dat moslims achter de Holocaust zitten”. Nu had ik weliswaar in een zeerweledelgeleerd essay* aangetoond dat de islam diep verwant is aan het nazisme, maar ik had bij het schrijven van dat opstel nog niet het vermoeden dat de kiemen voor het Hitlerisme zelf, ja nog sterker, voor de ontsporing vanaf de achtste eeuw van de hele Westerse cultuur, op het conto van de islam geschreven kan worden. Ja, verdomd, in die zin zitten de moslims inderdaad achter de Holocaust.

Screenshot_6De Grootmoefti van Jeruzalem en Adolf Hitler

_______________________________________________________________

De afsluiting van de Middellandse Zee en het verlies van papyrus**

We hebben gezien dat – onafhankelijk van wat er in die tijd gebeurde in Europa – de Grieks-Romeinse cultuur in de zevende eeuw zeer plotseling werd beëindigd in haar kernland in het Nabije- en Midden-Oosten en in Noord-Afrika. In een verrassend snel tempo verscheen in deze enorme gebieden een nieuwe civilisatie die geheel anders was dan wat eraan voorafging. Deze nieuwe islamitische cultuur erfde de hulpbronnen, de rijkdom en de kennis van de voorafgaande beschaving en beschikte vanaf het eerste begin over een enorm voordeel tegenover de overgebleven “Romeinse” landen in Europa die voorlopig overleefden. Europa was vooral nog steeds grotendeels plattelands en voor het grootse deel “heidens” en tribaal. Zoals we zeer gedetailleerd hebben aangetoond in de voorgaande pagina’s, was Europa het tehuis voor een grote en groeiende bevolking, die in de gebieden van het voormalige Romeinse Rijk – zoals Gallië, Centraal Europa en Spanje – nog steeds sterk onder invloed stond van Rome en meer in het bijzonder van Byzantium. Het verlies van het Nabije Oosten en Noord-Afrika aan de islam maakte, zoals Pirenne zei, een einde aan de meeste handels- en culturele contacten die daarvoor tussen deze gebieden en Europa hadden bestaan.

Maar Europa verarmde daardoor niet. Het continent was in de late zesde eeuw economisch grotendeels zelfvoorzienend. Aan de handel in luxe goederen zoals wijn en specerijen kwam echter een einde, net zoals aan de culturele en politieke invloed van Byzantium. De grote Visigotische en Merovingische basilieken met hun marmeren zuilen en felgekleurde mozaïeken werden – na een behoorlijk lange periode van bouwstilstand – vervangen door de meer sombere en kleinere bouwsels van de Romaanse periode van de tiende eeuw. Toch  had over het geheel genomen het contactverlies met het Oosten voor de meerderheid van de Europese volken geen erge economische gevolgen. Integendeel, Europa werd teruggeworpen op zichzelf,  en het is zeer wel mogelijk dat de belangrijke westerse tradities van vindingrijkheid en innovatie juist in deze tijd ontkiemden. Er was echter één product waarvan het verlies niet gemakkelijk  goedgemaakt kon worden en welks ontbreken een ingrijpende invloed had op het Westen: papyrus.

Screenshot_2Papyrus plant

Als culturele gebeurtenis kan het afbreken van de levering van papyrus naar Europa niet overschat worden. En inderdaad is het in werkelijkheid tot nu toe radicaal onderschat. Papyrus, een relatief goedkoop schrijfmateriaal,  werd in een  stedelijk en handelsmilieu op duizend manieren gebruikt. Zoals we in hoofdstuk 15 zagen, was papyrus het materiaal waarop de grote meerderheid van de kennis en het gedachtegoed van de Klassieke Oudheid was bewaard. Het verlies van papyrus leidde onherroepelijk tot het verlies van de meeste klassieke literatuur – ondanks de inspanningen van clerici om het veilig te stellen op perkament. Op deze manier werd Europa vanaf het midden van de zevende  eeuw een grotendeels analfabete samenleving,  en de ontwikkelde en taalvaardige stadsbewoners, zo typisch voor de Klassieke Oudheid, verdwenen. Van toen af aan konden behalve de clerici (en niet allemaal) weinig mensen lezen en schrijven.

Het resultaat van de islamitische veroveringen: de culturele vernietiging van de Levant en Noord-Afrika

De invloed van de islam op Europa was dus in de eerste plaats van culturele en niet, zoals Pirenne dacht, van economische aard. En nadat de islam Europa van de bronnen van klassieke geleerdheid had afgesneden, begon hij zijn invloed op het continent uit te oefenen. Hier moeten we opnieuw iets benadrukken dat tot nu toe onvoldoende aandacht heeft gekregen: namelijk dat de invloed van de islam op Europa immens was. In de tijd vóór de komst van de islam, was de overwegende culturele invloed gekomen vanuit het Oosten, vanuit Byzantium en de Levant. In de jaren daarna kwam hij nog steeds uit het Oosten; maar Oosten betekende nu islam. En de ideeën die nu de Middellandse Zee begonnen over te steken, vanuit het Nabije en Midden-Oosten en uit Noord-Afrika,  waren alles behalve Verlicht.

Avicenna en Averroës : wat hebben zij gebracht?

Het is natuurlijk in brede kring geaccepteerd dat de islam in de vroege Middeleeuwen een belangrijke culturele en ideologische invloed had op Europa. Zoals we gezien hebben, neigen de historici ernaar om zich te concentreren op wetenschap en filosofie. Het is bijvoorbeeld zeer bekend dat islamitische geleerden – om te beginnen met de Perziër Avicenna (Ibn Sina) – in de late tiende en de vroege elfde eeuw uitvoerige commentaren hebben geschreven op het werk van Aristoteles, die zij probeerden te integreren in het islamitische gedachtegoed, met, zo moet men er aan toevoegen, een zeer beperkte mate van succes. In de tweede helft van de twaalfde eeuw nam de Spaanse moslim Averroës (Ibn Rushd) het werk van Avicenna over en schreef zijn eigen commentaren en teksten inzake de Griekse filosofen. Tegen die tijd waren de Europese geleerden zich bewust van het bestaan van de Arabische geleerdheid en mannen zoals John van Salisbury hadden zelfs eigen vertegenwoordigers in Spanje die de Arabische manuscripten aanschaften, die vervolgens in het Latijn vertaald werden.

“Weldra waren de uiteenzettingen van Averroës zo verbreid in Europa”, zei een historicus, “dat hij ‘de commentator’ en Aristoteles ‘de filosoof’ werd genoemd.” In een iets eerder stadium hadden christelijke Europeanen de weg gevonden naar door  moslims gecontroleerde gebieden zoals Sicilië, vaak in vermomming, om toegang te krijgen tot de wetenschappelijke en alchemistische kennis van de Saracenen.  Niemand minder dan Gerbert van Aurillac, het genie van de tiende eeuw, op wie de figuur van Faust is gebaseerd, reisde precies voor dit doel naar de islamitische gebieden.

De diepe islamitische invloed uitgeoefend op het filosofische en theologische denken van de Europeanen werd ook benadrukt door Briffault, die daarover het volgende opmerkte:

Screenshot_8Avicenna (links) en Averroës

“Het exacte parallellisme tussen moslimse en christelijke theologische controverse is te verwant om verklaard te kunnen worden uit de soortgelijkheid van de omstandigheden en de toevalligheden zijn te fundamenteel en te talrijk om ze te accepteren als niet meer dan toevallig. ( . . .) Dezelfde vragen, dezelfde onderwerpen die de theologische scholen in Damascus bezig hielden, werden na een interval van een eeuw in identieke termen herhaald in de theologische scholen van Parijs.

Nogmaals Briffault: “De hele logomachie [van het Arabische theologische debat] werd materieel op het christendom overgedragen. De trefwoorden, disputen, de kwellende vragen, methodes, systemen, ideeën, ketterijen, apologieën en irenismen werden vanuit de moskee overgebracht naar de Sorbonne.”

De Joden brengen culturele kennis uit het Oosten

Europeanen konden niet anders dan onder de indruk zijn van wat ze in het islamitische Spanje en Zuid-Italië ontdekten. Zijzelf leefden immers in een relatief achtergebleven omgeving. Cruciale technologieën begonnen in deze tijd in Europa door te dringen, vaak via Joodse handelaren en geleerden, die voorlopig de enige soort mensen waren die veilig de islamitisch-christelijke grenzen kon oversteken. Aan deze Joodse reizigers, van wie sommigen artsen, alchemisten en wiskundigen waren, dankt Europa bijna zeker de verwerving van zaken als het “Arabische” numerieke systeem, kennis van alcohol-destillatie en mogelijk algebra plus nog een heleboel andere informatie. “Mohammedaanse filosofie en theologie was, zo weten we,  naar de Benedictijnse kloosters gebracht door de Joden en door het metropolitische huis van Monte Cassino.” Vooral de Spaanse Joden “bezorgden Arabische versies van Griekse denkers aan de christenheid.” De invloed van deze Joodse handelaren en geleerden was inderdaad zo belangrijk, dat men wel kan zeggen dat de Joden op een cruciaal moment de kennis aan Europa  hebben geleverd die het voor Europa mogelijk maakte stand te houden tegen de islamitische stormloop. En we weten immers hoe Europa hen later bedankt heeft!

De echte invloed van de islam op Europa: niet Avicenna en Averroës, maar een totalitair-theocratische onderwerpingsdoctrine

Al het bovenstaande is welbekend en wordt door niemand betwijfeld. Zoals we echter zagen, ontbrak het de Europeanen geenszins aan eigen Griekse en Latijnse teksten; en nagenoeg alle klassieke literatuur die tot in de moderne tijd heeft overleefd dankte dat aan de goede diensten van christelijke monniken, niet aan Arabische filosofen. Zoals we nu zullen betogen, was bovendien de echte ideologische invloed die de islam uitoefende niet het Verlichte denken van Avicenna en Averroës – dat afgewezen werd en verbannen uit de islamitisch canon – maar het meer duistere denken dat gevonden wordt in Koran en Hadith: de leer van de voortdurende oorlog tegen de ongelovigen; van heilig bedrog (Taqiyya); van de dood voor afvalligen; van slaven- en concubine-verwerving als een legitieme bezigheid. Dit waren de leerstukken, en niet die van de filosofen, die een onuitwisbare indruk achterlieten in middeleeuws Europa. En dit was meteen al in het begin.

Het eerste islamitische (of Koranische)idee dat aanhangers vond in Europa en het meest voor de hand liggende en erkende, was de impuls tot iconoclasme, tot de vernietiging van religieuze beelden en kunst. Iconoclasme begon ergens tussen 726 en 730, toen de Byzantijnse keizer Leo III opdracht gaf tot de verwijdering en vernietiging van alle sacrale standbeelden en afbeeldingen in het hele rijk. Zijn rechtvaardiging om dat te doen kwam van de desbetreffende aanklacht tegen idolen-verering in het Oude Testament, het is echter duidelijk dat de echte inspiratie uit de islam kwam.

Deze kwestie van de iconoclastische periode is van primair belang. Vooral deze vraag is gesteld: wat kan de Byzantijnse keizers hebben bewogen zich te keren tegen een van de meest fundamentele leerstellingen van hun geloof (de verering van heiligenbeelden)en  deze te laten vernietigen op een manier die herinnert aan Oliver Cromwell? Zo’n actie kan slechts veroorzaakt zijn door een crisis van de meest diepgaande soort. We zagen al dat het oprukken van de islam in de eerste jaren niet te stuiten leek. Het keizerrijk leed de ene nederlaag na de andere. Binnen een periode van weinig meer dan tien jaar was het alle bezittingen buiten Anatolië kwijtgeraakt. Dat was inclusief de rijkste en meest productieve provincies Egypte en Syrië; eens de kerngebieden van het Keizerrijk en onderdeel van het imperiale territorium gedurende zeven-honderd jaar. Het rijk beleefde zijn donkerste tijden en de val van Constantinopel moet zeker aanstaande geschenen hebben. Het zijn precies crises van dit type – die ons pure bestaan bedreigen – die mensen ertoe brengen fundamentele zaken in twijfel te trekken, het daarvoor ondenkbare te denken. De Byzantijnen zullen hun tegenslagen als teken van goddelijke toorn hebben geïnterpreteerd en als een zekere aanwijzing dat zij iets verkeerd deden – misschien iets dat hun islamitische vijanden goed deden! Een centrale leerstelling van de islam is het verbod op de verering van afbeeldingen, die als idolen werden gezien en het eren ervan als idolatrie. Ongetwijfeld begonnen sommigen in Byzantium dit te zien als de sleutel.

Als dit de psychologie was achter de Byzantijnse Beeldenstorm dan wordt duidelijk dat Constantinopel het islamitische denken niet willens en wetens en enthousiast heeft overgenomen. Veeleer  was het succes  van het nieuwe geloof uit Arabië zodanig dat de Byzantijnen begonnen te geloven dat het misschien in de gunst van God stond. Islamitische ideeën werden dus beschouwd als een manier om een diepgaande crisis op te lossen. Niettemin is het belangrijk te onthouden dat er islamitische ideeën werden overgenomen, om welke reden dan ook. De hele christelijke wereld, in Oost en West, werd door de islam bedreigd; en christenen begonnen hoe dan ook te kijken naar de overname van ideeën van de islam zelf als antwoord juist op diezelfde crisis.

Iconoclasme veroorzaakte grote scheuringen binnen het Rijk en werd in het Westen krachtig verworpen; wat weer sommige van de voorwaarden scheen te scheppen die leidden tot de definitieve breuk tussen de paus en Constantinopel. Alleen al het eenvoudige feit dat een Byzantijnse keizer een politiek kon invoeren die zo duidelijk geïnspireerd door het geloof van de Arabieren, spreekt boekdelen over de mate waarin de invloed van de islamitische ideologie zich nu voelbaar begon te maken door heel Europa.

Theocratie als islamitisch principe

Een van de prominentste karakteristieken van de Middeleeuwen en eentje die deze periode misschien meer dan alle andere onderscheidt van de Klassieke Oudheid, was de theocratie. De Middeleeuwen waren par excellence  de periode van priesterlijke macht.  In het Westen was de invloed van de kerk immens en reikte veel verder dan ooit het geval was geweest onder de christelijke Romeinse keizers of de Germaanse koningen van de vijfde en de zesde eeuw. Het pausdom oordeelde nu koningen en keizers, en had de macht ze te kiezen of te verwijderen. “Door mij regeren koningen”, was de trotse uitspraak van de Middeleeuwse pausen.

Screenshot_9Karel de Grote

Hoe kwam het zover? Volgens Pirenne was de hernieuwde stichting van het Westelijke Rijk onder Karel de Grote nauw verbonden met de opkomst van de islam en de vernietiging van de Byzantijnse macht. Het werd ook heel bewust als een methode beschouwd om het westelijke christendom sterker te maken tegenover de oprukkende islam. In de jaren die volgden werd het nieuwe Westelijke Rijk dan ook omgedoopt tot het Heilige Roomse Rijk, een buitengewoon toepasselijke titel, want het Rijk vertegenwoordigde een symbiotische unie van spirituele en wereldse autoriteit in het hart van Europa. De kroning van de keizer – waarvoor de inauguratie van Karel de Grote het model werd – was een gebeurtenis vol religieuze betekenis. Deze mannen regeerden Dei gratis [door Gods genade]en maakten de kerk het voornaamste instrument van koninklijke regering. De autoriteit van de Westelijke Keizer zou voortaan niet meer alleen afgeleid worden van zijn militaire en economische kracht, zoals dit onder de Caesars en Germaanse koningen van de vijfde en de zesde eeuw het geval was geweest, maar berustte uiteindelijk op de sanctionering en erkenning van de kerk.

Er  speelden verscheidene factoren in deze cruciale ontwikkeling. Pirenne, zo zagen we, stelde vast dat, met de achteruitgang van de schriftcultuur in de zevende eeuw – die volgde op de sluiting van de Middellandse Zee – koningen gedwongen werden om bij de kerk levering te zoeken van functionarissen die nodig waren om het staatsapparaat te bemannen. Nogmaals: het verlies van belastinginkomsten na de beëindiging van de Mediterrane handel, betekende dat de positie van de monarch werd verzwakt tegenover de baronnen en de lagere adel. Deze wonnen nu aan macht en onafhankelijkheid. De koningen hadden dringend een  tegenwicht nodig, en de ondersteuning van de kerk was hier van groot belang. Met de kerk aan hun kant konden de koningen de baronnen nog net onder controle houden. Maar dat had een compromis tot gevolg. De kerk kon dan wel de koning op de troon houden, maar daartegenover won de kerk een nog nooit voorgekomen invloed en autoriteit. Tenslotte werden de Europese koningen daardoor letterlijk ondergeschikt aan de paus, die hen in extreme gevallen zelfs kon onttronen. Alles wat een middeleeuwse koning deed of voorstelde te  doen, moest hij doen met instemming van de Kerk. Zelfs machtige en onafhankelijke krijgsheren, zoals Willem van Normandië, kon pas doorgaan met de invasie van Engeland nadat hij daarvoor de pauselijke toestemming had gekregen.

Europese overname van theocratische islamitische principes

De Karolingische en Ottoonse Keizers legden aldus de basis voor de middeleeuwse theocratie, hoewel destijds (negende/tiende eeuw) het pausdom nog relatief zwak was. Om de ondersteuning van Otto I tegen zijn Italiaanse tegenstanders te krijgen, deed paus Johannes XII de waardigheid van Keizer van het Westen herleven,  nadat die waardigheid was verdwenen na de dood van Karel de Grote. Hier zien we dat in de tiende eeuw,  zogenaamd aan het einde van een 300-jarige Duister Tijperk, er omstandigheden bestonden die opmerkelijk gelijk waren aan die van kracht waren in de zesde en de vroege zevende eeuw:  Germaanse koninkrijken die in essentie seculier van aard waren en waarin pausen en priesters ondergeschikt waren aan de koningen. Maar de omstandigheden veranderden. Otto I en zijn opvolgers bemanden hun besturen met kerkmensen, die rond die tijd duidelijk een monopolie hadden op kennis en zelfs alfabetisme. De oude Romeinse wereld was definitief een zaak van het verleden geworden. Vanaf nu nam de macht van de Kerk gestaag toe.

Maar zelfs nu nog moest de kerk nog om suprematie strijden, een strijd die in de tiende eeuw met hulp van de Ottonen begon en die in de elfde eeuw eindigde met de overwinning van het pausdom. “Zij [kerkhervormers] streden om de definitieve controle te bemachtigen over een autarkische, onafhankelijke, dominante en monarchale Kerk. Zo´n concurrentiestrijd was een frontale uitdaging aan het oude systeem van het Romeinse rijk. Het was een frontale aanval op de koningen die er nog van uitgingen de rechten van de Romeinse keizers geërfd te hebben. Het was ook een indirecte aanval op de keizer van Constantinopel, die in het Oosten het oude systeem [van seculiere suprematie] bleef onderhouden en nu als dank voor zijn inspanningen van schisma werd beticht.”

De christenen nemen  het idee van “heilige oorlog” over van de islam

Het eigenlijke hoogtepunt van de middeleeuwse macht van de Kerk kwam een eeuw later in het tijdperk en in de persoon van Innocentius III (1198-1216). Deze man sprak recht tussen rivaliserende Duitse keizers en zette Otto IV af. Hij plaatse Engeland onder een interdict en excommuniceerde koning John, omdat deze weigerde Stephen Langdon te erkennen als aartsbisschop van Canterbury. Zijn meest opmerkelijke acties waren de vestiging van de Inquisitie en het uitroepen van de beruchte Albigensische Kruistocht die leidde tot de eliminatie van de beweging van de Katharen. Innocentius III, de machtigste onder de middeleeuwse theocraten, was dus een voorvechter van de Heilige Oorlog en een afdwinger van absolute leerstellige conformiteit. Onder hem werd afvalligheid een halsmisdaad. Ook bleven gedurende zijn tijd de andere kruistochten tegen de moslims in Spanje en in Midden-Oosten woeden. Ironisch genoeg komt de houding van Innocentius tegenover apostasie en leerstellig conformisme – net als tegenover “Heilige Oorlog” – volledig overeen met islamitische ideeën en we moeten er op deze plek over nadenken in welke mate deze extreme standpunten van de Europese theocratie uiteindelijk afgeleid werden uit islamitische.

Screenshot_10Paus Innocentius III

De islam was natuurlijk vanaf het begin theocratisch van karakter.  In de islam bestaat geen: “Geef de keizer wat des keizers is, en God wat van god is”. Direct vanaf het begin waren spirituele en wereldlijke macht in de persoon van Mohammed verenigd. Dezelfde situatie heerste later onder de Kaliefen; iedere Kalief was in de allereerste plaats “bevelhebber van de gelovigen”. Desondanks  kunnen we niet beoordelen of de oprichting van de theocratie in Europa het resultaat was van een bewuste imitatie van islamitische ideeën, zoals de Beeldenstorm en de Heilige Oorlog waren geweest. De bijdrage van de islam aan de Europese theocratie was reëel genoeg, maar meer toevallig, of liever, inferentieel. De verarming van Europa en haar monarchen, veroorzaakt door de blokkade door de islam van de Middellandse Zee,  liet, zoals we zagen, die monarchen weinig ander keus dan zich voor ondersteuning tot de kerk te wenden. Bovendien nam de strijd voor de verdediging van Europa vanwege de typische aard van de vijand een religieuze dimensie aan (alle geloven worden sterker van oppositie) en ook dat heeft vermoedelijk de macht en het prestige van de kerk vergroot.

Terwijl de middeleeuwse Europese theocratie niet het resultaat was van directe imitatie van islamitische ideeën, was de islam dus toch instrumenteel in het ontstaan ervan. Bovendien waren het type theocratie dat vorm kreeg in Europa en sommige van de onderliggende ideeën die ermee verbonden waren, zeer bepaald ontleend aan de islam.

Door de invloed van de islam  worden afvalligheid en ketterij halsmisdaden in het christendom

Vanaf het begin beschouwde de islam apostasie en ketterij als halsmisdaden en bijna direct na de dood van Mohammed braken er serieuze en uitermate gewelddadige onenigheden uit over botsende aanspraken op het leiderschap van de beweging. Sluipmoord en moord waren aan de orde van de dag. Zelfs degenen zonder leiderschaps-pretenties, maar met heterodoxe opvattingen, stonden bloot aan gewelddadige onderdrukking. Het meest beruchte vroege voorbeeld vinden we in het lot van Mansoer al-Halladzj (858 – 922), een Perzische mysticus, wiens dood leek op die van Jezus – al werd Al-Hallaj , zo zegt men, voordat hij gekruisigd werd blind gemaakt en op andere manieren gefolterd. Het doden van politieke en religieuze opponenten, of van degenen die op enige manier afweken van de orthodoxe islam, vond vanaf het eerste begin plaats en loopt als een rode draad door de hele moslim-geschiedenis. Zo was het ook met de ongelovigen zoals de christenen en de Joden, die, hoewel in theorie dhimmi  oftewel “beschermd”, in feite altijd het doelwit waren van gewelddadige aanvallen. Zo weten we bijvoorbeeld dat in het jaar 704 of 705 kalief Walid (705 – 715) “de Armeense edelen in de Sint Gregorius kerk van Naxciwan en de Xrain kerk van Araxis verzamelde en liet verbranden. Anderen werden gekruisigd en onthoofd en hun vrouwen en kinderen werden in gevangenschap gevoerd. In Armenië werd een gewelddadige christenvervolging van 852 tot 855 beschreven.” Tenminste vanaf de tijd van de Almohaden (vroege twaalfde eeuw) bestonden er in Spanje en Noord-Afrika zelfs onderzoeks-commissies, een waarachtige “Inquisitie”, om apostaten uit te roeien. Men zegt dat de Joden, die in die tijd gedwongen waren de islam aan te nemen, een groot deel van de “nieuwe bekeerlingen” vormden, maar die desondanks hun oorspronkelijke religie stiekem bleven uitoefenen. Maar de “inquisiteurs van de Almohaden twijfelden aan hun oprechtheid, pakten hun kinderen af en voedden ze als moslims op.”

Beginnend in de late twaalfde en de vroege dertiende eeuw nam de middeleeuwse christenheid vervolgens dezelfde houding over. Christenen hadden nu hun eigen Inquisitie om ketters aan de kaak te stellen en voor zulke misbaksels werd nu de doodstraf voorgeschreven. Het rechterlijke gebruik van foltering, “een nieuwigheid in Europa” in die tijd, werd geaccepteerde praktijk. Al deze praktijken waren in feite nieuw in het Europa van de elfde en twaalfde eeuw: de barbaarse behandeling van criminelen en dissidenten, die gebruikelijk was in het Keizerlijke Rome, was in de vroege christelijke eeuwen langzaam verdwenen. Constantijn schafte de kruisiging als vorm van executie af en probeerde een einde te maken aan de gladiatorenshows. Die werden uiteindelijk afgeschaft in de tijd van Honorius (vroege vijfde eeuw). De situatie van slaven was door de kerstening van het Rijk dramatisch verbeterd en de Kerk werkte er naartoe om de slavernij helemaal af te schaffen – een doel, dat in de achtste of misschien negende eeuw tenslotte werd bereikt. Foltering van gevangenen, routine in het Keizerlijke Rome, werd rond deze tijd ook langzamerhand afgeschaft. Evenmin bestaat er bewijs dat in de vroege christelijke eeuwen er een soort dodelijke intolerantie bestond die karakteristiek was voor de Inquisitie. Het is waar dat de Kerk in de vroege eeuwen was betrokken bij een serie langdurige en bittere disputen over de correcte interpretatie van Jezus´ leven en opdracht. Diegenen, die het niet eens waren met de gevestigde dogma’s zoals die in diverse concilies  waren vastgelegd, werden als ketters bestempeld en een tamelijk heftige veroordeling van deze mensen en groepen was gangbaar, en bijna epidemisch. Hoe onbeheerst de taal van deze disputen vaak was, toch werden ze zelden gewelddadig; wanneer dat wel het geval was, was het geweld zeer kleinschalig en werd altijd gepleegd door diegenen zonder officiële status of toestemming. En het gebruik van geweld om de orthodoxie op te leggen werd veroordeeld door alle Kerkvaders. Zo verklaarde Lactantius dat “geloof niet met geweld opgelegd kan worden; men moet de zaak niet met klappen, maar met woorden voortzetten, zodat de wil misschien wordt beïnvloed”.

Hij schreef verder: “Oh, met welke eerzame neigingen begaan de miserabele mensen hun dwalingen! Want ze zijn zich bewust dat er onder de mensen niets mooiers bestaat dan religie en dat deze met al onze kracht verdedigd moet worden; maar net zoals ze zich laten misleiden inzake de religie zelf, zo ook in de wijze van haar verdediging. Want religie moet niet verdedigd worden met ter dood brengen, maar met sterven, niet met wreedheid, maar met geduldige volharding, niet met schuld, maar met echt geloof . (. . .) Want als je de religie door bloedvergieten, foltering en schuld wilt verdedigen, dan wordt ze daarmee niet meer verdedigd, maar besmeurd en ontheiligd.  Want niets is zozeer een zaak van vrije wil als religie; als de geest van de gelovigen zich inzake religie tegen de vrije wil keert, verdwijnt religie onmiddellijk en houdt zij op te bestaan.” Later schreef Johannes Chrysostomos dat “het fout is om een ketter te doden, omdat dan een onverzoenlijke oorlog in de wereld zou worden gebracht.” Op dezelfde manier zou  Augustinus later over ketters schrijven dat “het niet de dood van een ketter is die we zoeken, maar zijn verlossing van de dwaling.” Ondanks deze en vele andere soortgelijke  waarschuwingen kwamen er gewelds-incidenten tegen ketters voor; het waren echter geïsoleerde voorvallen, die de kerkelijke autoriteiten nooit goedkeurden.  Dat was bijvoorbeeld het geval met de onderdrukking van de zogenaamde Priscillianisme ketterij in het Spanje van de late vierde en de vroege vijfde eeuw. Verscheidene volgelingen van Priscillianus werden ter dood gebracht en de sekte werd ook op andere manieren vervolgd. Dit doden van Priscillianus en zijn directe medestanders (zeven in totaal) werd niettemin door de kerkelijke autoriteiten volledig veroordeeld.

Datzelfde was het geval in een ander en meer fameus geval: de moord op Hypatia. Deze vond plaats in de vroege vijfde eeuw en bereikte in een aantal kringen een bijna legendarische status en wordt gezien als het voorbeeld par excellence  van christelijke benepenheid en obscurantisme. Maar van het weinige dat we hierover weten, wordt duidelijk dat deze moord door een wetteloze bende fanatiekelingen werd gepleegd en niet door de Kerk. We moeten er bovendien op wijzen dat de moord in Egypte gebeurde, een land met een lange traditie van religieus fanatisme. In de tijd van Julius Caesar lynchte een Egyptische meute een Romeinse centurion (een daad die hen op vreselijke vergelding had kunnen komen staan) omdat hij de  vermetelheid bezat een kat te doden. Zulke geïsoleerde daden van fanatisme zijn gebeurd in alle religies en in alle perioden van de geschiedenis. Zelfs het Boeddhisme, de meest vreedzame en tolerante van de religieuze ideologieën, is er niet helemaal vrij van. Al met al worden we niet veel wijzer van de moord op Hypatia. In de vijfde eeuw beschouwde de christelijke geschiedschrijver Socrates Scholasticus het als een betreurenswaardig geval van benepenheid; terwijl 300 jaar later zijn landgenoot Johannes van Nikiu de moord volledig goed keurde. Hij beschreef Hypatia als “een heidense” die zich “had overgegeven aan magie” en die “veel mensen met haar satanische listen had misleid.” Wat zou een dergelijke  verandering veroorzaakt kunnen hebben?

Humanisme tegen toverij en heksencultus

De wereld, die wij “middeleeuws” noemen, was er een waarin de Rede en het Humanisme van de Klassieke Oudheid tot op zekere hoogte waren verdwenen. Duistere fantasieën en bijgeloof kwamen meer op de voorgrond. Het geloof in de kracht van magiërs en tovenaars, een geloof dat in verband wordt gebracht  met de meest primitieve denkwijze, beleefde een comeback. In de meest achterlijke “moderne” samenlevingen komt het nog steeds voor dat totaal onschuldige mensen van “hekserij” worden beschuldigd en op de meest brute wijze worden gedood om een misdaad die ze nooit hebben begaan en die helemaal niet bestaat. Aan het einde van de Middeleeuwen was deze mentaliteit naar Europa teruggekeerd en in het jaar 1484 kondigde een pauselijke bul malleus maleficarum (De Heksenhamer) de dood aan voor heksen en satanisten. Zelfs ten tijde van Innocentius III geloofde men dat de ketters van die tijd, de Katharen en de Waldenzen, geïnspireerd zouden zijn door satan.

Toen echter Europa in de tiende eeuw weer opdook uit de zogenaamde duistere periode, baadde het nog altijd in het licht van de Rede en van het Humanisme. Zo kwam het dat door een canon van de Kerkelijk Wet uit die tijd het geloof werd bekritiseerd en veroordeeld dat op het platteland “bepaalde vrouwen” de gewoonte zouden hebben om midden in de nacht op beesten rond te rijden en voor de ochtendschemering enorme afstanden af te afleggen. Volgens deze canon was een ieder die zoiets geloofde “zonder twijfel een ongelovige en heiden”. Iets eerder verkondigde de Heilige Agobard, bisschop van Lyon, dat het niet waar was dat heksen stormen konden opwekken en oogsten konden vernietigen. Ook konden ze geen mensen verslinden of met “de boze blik” vermoorden. “Slechts een paar generaties later”, schreven Colin Wilson en Christopher Evans, “liep iedere persoon die niet in nachtelijk vliegen en van heksen zoals de Kerk ze definieerde, gevaar om als ketter verbrand te worden.” Wat, zo vragen deze beide schrijvers zich af, was gebeurd tussenliggende jaren dat de houding van de Kerk had veranderd?Laten we ons in antwoord op deze vraag in herinnering brengen hoe in de elfde en twaalfde eeuw leergierige jonge mannen vanuit Noord-Europa naar het islamitische Spanje reisden om de daar aanwezige kennis en geleerdheid te bestuderen. Zoals echter Louis Bertrand opmerkte, werden ze niet zozeer aangetrokken door de “wetenschappen” van de Moren , maar veeleer door de pseudowetenschappen: de alchemie, de astrologie en tovenarij. Wat de Moren onderwezen, was ver verwijderd van datgene dat tegenwoordig zo geprezen wordt in de politiek correcte leerboeken die onze bibliotheken en boekwinkels vullen.

Het idee van de Inquisitie werd van de islam overgenomen

Magie en alchemie waren niet de enige zaken die de Europeanen van de moslims leerden: ze ontleenden ook rechtstreeks ideeën aan de Koran en de Ahadith; ideeën over bijvoorbeeld de manier waarop ketters, afvalligen en tovenaars behandeld moesten worden. En er mag nauwelijks aan getwijfeld worden dat Innocentius III, door zijn eigen Inquisitie te vestigen, rechtstreeks het voorbeeld van de Almohaden in Spanje imiteerde, die al 50 jaar daarvoor hun eigen commissie hadden opgezet om ketters en apostaten te onderzoeken. Innocentius III wordt door de vijanden van het christendom gezien als het bête noir, de levende belichaming van al hetgeen dat fout was en is aan het christendom. Het feit echter dat zijn opvattingen islamitische – maar niet christelijke – precedenten hadden, wordt nooit genoemd. En er moet nog een ander punt in aanmerking te worden genomen: terwijl we het afschuwelijke karakter van de daden van Innocentius niet proberen te verkleinen, moeten we niet vergeten dat in de 12e en 13e eeuw de moslimdreiging gevaar nog lang niet geweken was: die bleef net zo krachtig en gevaarlijk als altijd. In zulke omstandigheden wordt – zoals in elke oorlogssituatie – intern meningsverschil (zoals de Katharen die vormden) al gauw gezien als iets van een vijfde colonne die werkt voor de vijand.

Screenshot_11Inquisitie

En het is zeer bekend dat alle afwijkende meningen gedurende oorlogstijd met een grotere grondigheid en meedogenloosheid onderdrukt worden dan anders het geval is. De latere Spaanse Inquisitie, die op het Iberisch schiereiland drastische maatregelen tegenover dissidenten nam, moet in datzelfde licht worden bezien. De islamitische dreiging was overal en we kunnen tamelijk zeker aannemen dat de strenge onderdrukking van moslims in deze tijd direct te wijten was aan de angst voor een nieuwe islamitische invasie op het Iberisch schiereiland (van de Ottomanen) en de mogelijkheid dat de autochtone moslims een vijfde colonne zouden vormen om de veroveraars te ondersteunen.

De klassieke civilisatie wordt met de “heilige oorlog” geconfronteerd

We hebben vastgesteld dat de klassieke civilisatie in de jaren na  600 – een klassieke civilisatie die tegen die tijd synoniem was met het christendom – in contact kwam met een nieuwe kracht, die oorlog als heilige plicht verheerlijkte, slavernij en het doden van ongelovigen als religieuze plicht zag, het juridische gebruik van foltering toestond en voorzag in de executie van afvalligen en ketters. Al deze mentale houdingen bij elkaar, zijn zeker uniek onder de religieuze tradities van de mensheid en ze kunnen tot de oorsprong van dit geloofssysteem terug gevolgd worden. Het zijn verre van manifestaties van een gedegenereerde fase van de islam en ze gaan terug tot de oprichter van deze religie zelf. Verbazend genoeg wordt deze religie, deze ideologie door academici en kunstenaars desondanks nog altijd als Verlicht en tolerant geprezen. Inderdaad bestaat er tot in onze dagen een flink segment van de openbare mening dat de westelijke wereld die de islam ziet als in alle opzichten superieur en meer Verlicht dan het christendom.

Rond 650 was bijna de halve christelijke wereld aan dit nieuwe “Verlichte” geloof ten onder  gegaan en rond 715 was de rest in serieus gevaar. Deze gebeurtenissen hadden enorme gevolgen. Het afsluiten van de Middellandse Zee betekende de verarming van West-Europa, dat zich genoodzaakt zag zo goed mogelijk te improviseren. Het verlies van papyrus dwong tot het gebruik van het enorm dure perkament en leidde logischerwijze ook tot een bedenkelijk verlies van de lees- en schrijfcultuur. De Vikingoorlogen, die door de islamitische invasie werden uitgelokt, brachten bovendien enorme ontregeling in het noordelijk deel van het continent. Door de dringende noodzaak voor een eenheid vormende kracht, die alle Duitse koninkrijken van het Westen bij elkaar kon brengen, werd het Westelijk Rijk opnieuw gevestigd en Constantinopel, dat voor het eigen overleven vocht, kon weinig hulp bieden.

De westelijke cultuur veranderde radicaal. Voor het eerst begonnen christenen te denken in termen van Heilige Oorlog en de hele theologie van het geloof was in beweging. Deze grote transformatie begon in de jaren na 650 en het fenomeen, dat we de “Kruistochten” noemen, begon eigenlijk in Zuid-Italië, meer specifiek in Spanje tijdens de zevende en achtste eeuw, toen de christenen een wanhopig achterhoede-gevecht voerden tegen de oprukkende Saracenen om te redden wat er nog te redden viel. Deze acties zou zich ontwikkelen tot een voortdurende strijd die eeuwen zou duren en die een ingrijpende en verwoestende invloed zou hebben op de Europese beschaving. Bovendien betekende het, door de pure invloed van geweld en tijd, dat de christenen langzaam de kenmerken van hun islamitische vijanden overnamen. Zo regeerden tegen de elfde en twaalfde eeuw christelijke koningen in Spanje over gearabiseerde hoven en hadden typisch islamitische (en totaal onchristelijke) gewoontes zoals polygamie overgenomen. Het meest beroemde dan wel beruchte voorbeeld daarvan was keizer Frederik II, “de gedoopte sultan van Sicilië”; die een kostbare harem bezat, bewaakt door eunuchen.

De islam maakt een definitief einde aan de Pax Romana

Naast deze directe invloed was er het barbariserende effect van de voortdurende oorlog waarin het hele Middellandse Zeegebied nu gestort werd. De komst van de islam zorgde voor het definitieve einde van de vrede in het Middellandse Zeegebied, de Pax Romana die zelfs de ondergang van het Romeinse rijk had overleefd. Met het optreden van de islam was de Middellandse Zee niet meer een snelweg, maar een frontier en wel een frontier van de gevaarlijkste soort. Piraterij, plundering en bloedbaden werden de norm – voor de volgende duizend jaar! En dit werd bijna volledig over het hoofd gezien vooral door historici, vooral die van Noord-Europese afkomst, die het Middellandse Zeegebied beschouwen in het licht van de klassieke geschiedenis. De ontwikkelde Europeanen waren door de beschavingen van Griekenland en Rome zó betoverd, dat zij het meer recente deel van de geschiedenis van de Middellandse Zee – een periode van meer dan duizend jaar – behandelden alsof het nooit had bestaan. Aan de bezoekers van de Middellandse Zeelanden werd tijdens rondleidingen de monumenten van de klassieke civilisatie getoond; hier vocht Caesar een veldslag uit en daar bracht Marcus Antonius zijn vloot naartoe, enz.

Screenshot_12Wachttoren op het Middellandse Zee-eiland Corsica

Deze verdraaide en geromantiseerde kijk op het Middellandse Zeegebied en zijn verleden, die de bruutheid en de angst van het afgelopen millennium negeerde, was vooral kenmerkend voor de historici van Angelsaksische oorsprong. Bij hen speelde het bijkomende probleem van religieus antagonisme, want met de regering van koningin Elisabeth I [1533 – 1603] werd Engeland de doodsvijand van het katholieke Europa; en de katholieke macht in die tijd was uiteraard Spanje. Vanaf dat moment neigden Engelstalige historici sterk naar bevooroordeling tegen het katholieke Spanje en waren zij Spanjes islamitische vijanden extreem goed gezind: die werden geromantiseerd en geportretteerd als beschaafd en hoffelijk. Dat was de tijd waarin de mythe van de “Gouden Eeuw” van het Spaanse Kalifaat [el-Andaloes!] werd geboren – een mythe, die, zoals we gezien hebben, nog steeds zeer veel opgang doet.

De eeuwenlang durende heerschappij van de terreur

Toch was de werkelijkheid heel anders: door de islamitische verovering van Noord-Afrika en Spanje zou er een heerschappij van terreur beginnen die eeuwenlang zou duren. De oorlog in Spanje sleepte zich voort tot in de 15e eeuw. Tegen die tijd ontstond in Italië een nieuw front, toen de opkomende macht van de Ottomaanse Turken – die Griekenland en de Balkan al in bezit genomen – dreigde Italië binnen te dringen. Dat gevaar bleef gedurende de volgende drie eeuwen acuut, totdat de Turken voor de poorten Wenen in het jaar 1683 definitief teruggeslagen werden. Intussen stond de paus bij meer dan een gelegenheid klaar om te vluchten uit Rome wanneer Ottomaanse vloten op de Adriatische en de Ionische Zee rondzwierven. Na de val van Constantinopel in het jaar 1453 zag het er uit alsof heel centraal Europa, inclusief Hongarije en Oostenrijk, op het punt stond overrompeld te worden; en hoewel het directe gevaar werd afgewend door de overwinning van Johannes Hunyadi bij Belgrado (1456), dook het gevaar opnieuw op in de zestiende eeuw, toen een enorme Turkse invasiemacht door de Heilige Liga in de Zeeslag bij Lepanto (1571) werd tegengehouden.

Het is hier vermeldenswaard dat de Turkse verliezen, bij Lepanto, dat 30.000 man en 200 van de 230 oorlogsschepen omvatte, Turkije niet weerhield om slechts een jaar later met een nieuwe enorme vloot terug te keren: iets dat boekdelen spreekt over hun hardnekkigheid en het voortdurende gevaar dat ze vormden. Kort daarvoor, in de jaren 1530, hadden ze hun heerschappij langs de Afrikaanse kust westwaarts tot bij Marokko uitgebreid, waar ze een intensificatie bevorderden van de slavenjachten op de christelijke gemeenschappen in Zuid-Europa. Vloten van moslim-piraten brachten verwoesting in de kustgebieden van Italië, Spanje, Zuid-Frankrijk en Griekenland. Vooral de christenen van Sicilië, Sardinië, Corsica en de Balearen moesten gewend raken aan woeste piratenrazzia´s, met verkrachtingen en plunderingen.

Screenshot_13Slag bij Lepanto (1571)

Hugh Trevor-Roper heeft extra moeite gedaan om te benadrukken dat de periode, die wij nu de Renaissance noemen en die we zien als een periode van artistieke en intellectuele vooruitgang en uitbundig optimisme, aan de bewoners van Europa in die tijd heel anders toescheen. Zelfs toen Cortes en Pizarro in zijn naam de enorm rijke gebieden van Mexico en Peru veroverden, was Karel V in sombere afwachting van de desintegratie van de Christenheid. “We vertrokken om waardeloze nieuwe rijken overzee te veroveren”, jammerde Busbequius, de Belg die door de Roomse Koning [Ferdinand I] als ambassadeur naar de Turkse sultan was gestuurd, “en we raken het hart van Europa kwijt.” De Christenheid, schreef hij, hangt op gevaarlijke wijze af van de goede wil van de koning van Perzië, wiens ambities in het Oosten de Turkse sultan constant van zijn veroveringen in Europa af hielden.

Deze gebeurtenissen hadden een ingrijpende invloed op het karakter van de christelijke bewoners van de Balkan en de Middellandse Zee-regio, een feit dat door de Noord-Europeanen nooit ten volle werd ingezien. Vanuit het gezichtspunt van Londen en Parijs spelen de Ottomanen en de Barbarijse piraten [Berberpiraten] geen belangrijke rol. Vanuit Rome bekeken lag de zaak echter heel anders. Rome, de zetel van de katholieke kerk, bevond zich midden in de frontlijn van deze nooit eindigende oorlog. Gezien vanuit Midden-Italië wordt de paranoia van de pausen betreffende ketterij en interne vijanden een beetje begrijpelijker

Ibn Khaldun: Jihad moet van Allah

Ook de volkeren van Spanje, die eeuwenlang de bloedige grenslijn verdedigden, veranderden van karakter. De oorlog tegen de islam was voor vele, zo niet de meeste Spaanse koningen, de reden van bestaan geworden. Het was een voortdurend project, niet een obsessie, meer een normaal deel van het leven. Het werd als vanzelfsprekend beschouwd dat er nooit vrede zou komen met de islamitische wereld. Hoe zou het ook anders gekund hebben als  oorlog voeren tegen de ongelovigen voor iedere moslim een deel van het islamitische dogma was? De christenen hadden dat eeuwen eerder al begrepen en het werd door de historicus Ibn Khaldun in de veertiende eeuw herhaald:

“Voor de islamitische gemeenschap is de heilige oorlog een religieuze plicht vanwege de universaliteit van de [moslim] missie en [van de verplichting om] iedereen tot de islam te bekeren, hetzij door overtuiging hetzij door geweld. Daarom zijn in de islam Kalifaat en koninklijke autoriteit verenigd, zodat de verantwoordelijke persoon de ter beschikking staande kracht op beide [religie en politiek] tegelijkertijd kan inzetten. De andere religieuze groepen hadden geen universele missie en de heilige oorlog was geen religieuze plicht voor hen, behalve voor verdedigingsdoeleinden. Zo is het gekomen dat de persoon belast met religieuze aangelegenheden [in andere religieuze groepen], zich helemaal niet met machtspolitiek bezighoudt. Die mensen [onder hen] die koninklijke autoriteit bezitten, verkrijgen deze door toeval en op een wijze die niets met religie te maken heeft. Ze verkrijgen het als het dwingende resultaat van een groepsgevoel dat van nature koninklijke autoriteit zoekt, zoals we eerder aangaven, en niet omdat ze verplicht zijn macht over andere naties te winnen, zoals dit het geval is in de islam. Ze zijn slechts verplicht de religie binnen hun eigen volk te vestigen. Dat is de reden waarom de Israëlieten na Mozes en Jozua zich ongeveer vier eeuwen niet bezighielden met koninklijke autoriteit. Hun enige doel was de oprichting van hun religie (1: 473).

Daarna heerste er tweedracht onder de christenen inzake hun religie en de Christusleer. Ze splitsten zich op in groepen en sektes, die zich verzekerden van de ondersteuning van verscheidene christelijke heersers tegen elkaar. Op verschillende momenten bestonden er verschillende sektes. Uiteindelijk kristalliseerden deze sekten zich uit in drie groepen, die nu de christelijke sektes vormen. Het zijn de Melkieten, de Jacobieten en de Nestorianen. Anderen waren niet belangrijk. We denken niet dat we de pagina´s van dit boek zwart zouden moeten maken met de discussie over de dogma´s van hun ongeloof. Die zijn algemeen bekend. Ze maken allemaal onderdeel uit van het ongeloof. Dat wordt in de edele Koran duidelijk vermeld. Deze aangelegenheden met hen te bediscussiëren of te beargumenteren is niet aan ons.  Het is [aan hen te kiezen tussen] bekering tot de islam, beschermingsgeld betalen of de dood.”

Screenshot_1

Ibn Khaldun werd geboren in Andalusië, maar wat hij over de Jihad schreef, werd door iedere Spaanse monarch begrepen, christelijk en Moors. Het overleven van elke regio op het Iberisch schiereiland van waaruit de islam aanvallen kon lanceren werd gezien als een reële en altijd aanwezige dreiging, en de verkleining van het islamitische Spanje tot de zuidelijk gelegen bolwerken van Andalusië maakte niet dat christenen zich veiliger voelden. Nu kwam de bedreiging niet meer van Noord-Afrika zelf, maar van Turkije. Het bestaan van Granada bedreigde het bestaan van het christelijke Spanje, want de Ottomanen konden het altijd als bruggenhoofd voor een tweede verovering van het schiereiland gebruiken. Dus moest Granada verkleind worden, koste wat kost. Maar zelfs daarna voelden de Spanjaarden zich niet veilig.  De oorlog tegen de islam zou doorgaan als altijd. De Ottomanen bedreigden nu Italië en het hele westelijke Middellandse Zeegebied, Spanje kon als volgende aan de beurt zijn.

De islam westwaarts omzeilen

Zelfs de ontdekkingsreizen werden vanuit het gezichtspunt van de strijd tegen de islam ondernomen. De eerste reis van Columbus had bijvoorbeeld ten doel de ontdekking van een rechtstreekse route naar Oost-Indië, islamitisch territorium omzeilend om “de islam van achteren aan te vallen”, zoals Louis Bertrand het uitdrukt, “en een alliantie te smeden met de Grote Khan – een mythisch personage, van wie men aannam dat hij de Soeverein van dit hele gebied was en dat hij de christelijke religie gunstig gezind was . . .”. Bertrand hield erg vast aan dit punt, dat hij op benadrukt op een half dozijn pagina´s. Hij zegt dat de ontdekkingsreizen een nieuwe periode moesten inluiden in “de kruistocht tegen de Moren, die via een nieuwe en veiliger route zou moeten worden voortgezet. De islam moest via Indië een dodelijke klap worden toegebracht.” Louis Bertrand was zo zeker van het verband tussen de prestaties van de Conquistadores in de Amerika’s en de oorlog tegen de islam, dat hij de verovering van Amerika beschrijft als “de laatste kruistocht”.

De Conquistadores handelen naar het voorbeeld van de moslims

Het verslag van de Conquistadores in de Nieuwe Wereld hoeft hier niet opnieuw gedaan  te worden: het is een verhaal van wreedheid en hebzucht op waarlijk monumentale schaal. Toch waren de gewoonten van de Spanjaarden daar – gewoonten die aanleiding hebben gegeven tot het ontstaan van de “Zwarte Legende” – dat wat zij in de school van de kaliefen hadden geleerd. In de woorden van Louis Bertrand: “Hebzucht naar goud, bloeddorstige roofzucht, de koortsachtige zoektocht naar verborgen schatten, foltering van de overwonnen om hen het geheim te ontwringen over deze verborgen plekken – als deze barbaarse handelwijzen en al deze ondeugden die de Conquistadores meebrachten naar Amerika, hadden ze geleerd in de scholen van de kaliefen, de emirs en Moorse koningen.” Alle karaktertrekken die men met Spanjaarden associeert en waarvoor ze zo grondig door Engelstalige historici bekritiseerd worden, kunnen inderdaad herleid worden naar het contact met de islam.

“De slechtste gewoonte die de Spanjaarden overnamen, was het parasitisme van de Arabieren en nomadische Afrikanen: leven op kosten van het territorium van je  buurvolkeren, de rooftochten verheven tot een aparte instelling, plundering en roof als enige erkende manier van levensonderhoud voor een gewapende ruiter. Op dezelfde wijze zoals deze hun levensonderhoud in Moorse territoria gingen verdienen, zo bemachtigden later de Spanjaarden hun goud in Mexico en Peru.”

Ook daar zouden ze de barbaarse en standrechtelijke praktijken van de Arabieren invoeren: alles te vuur en te zwaard vernielen, fruitbomen kappen, oogsten vernietigen, complete landstreken verwoesten om de vijand uit te hongeren en gewillig te maken, overal slaven maken, de bevolking van de veroverde landen veroordelen tot dwangarbeid. Al deze afschuwelijke handelwijzen leerden de conquistadores van de Arabieren.”

Screenshot_14Spaanse veroveraars in de Nieuwe Wereld

“De slavernij handhaafde zich eeuwenlang in christelijk Spanje net als in islamitische landen. Zeer zeker hebben de Spanjaarden aan de Arabieren ook de onverbiddelijkheid van hun fanatisme te danken en de pretentie, zo niet de uitverkorenen van God, dan toch minstens de meest katholieke natie van de christenheid te zijn. Philips II, evenals Abd er Rahman of Al-Mansoer, was een verdediger van het geloof. Uiteindelijk bleef het niet zonder besmettend effect dat de Spanjaarden eeuwenlang in contact stonden met een ras van mannen die hun vijanden kruisigden en het opstapelen verheerlijkten van duizenden afgeslagen hoofden als overwinningstrofeeën. De gruwel van de Arabieren en Berbers maakte ook school in Spanje zelf. De woestheid van de emirs en kaliefen die hun broers en zoons eigenhandig vermoordden, was voorbeeld voor Pedro de Wrede en Henri van Trastamare, deze wurgers in tenten, niks beter dan gewone moordenaars.”

Ook het moorddadige antisemitisme is van oorsprong islamitisch

Een van de meest betreurde kenmerken van middeleeuws Europa was zijn giftige en vaak gewelddadige antisemitisme. Maar de extreme vorm van antisemitisme die je aantrof in Europa in de middeleeuwen was er niet eerder dan in de elfde eeuw. Inderdaad: de eerste bloedbaden onder Europese Joden in Spanje werden aangericht door moslim-meutes in de vroege elfde eeuw; in 1011 (in Cordoba) en in 1066 (in Granada). Het is natuurlijk waar dat christenen een lange geschiedenis van antagonisme tegenover Joden hadden, die vooraf ging aan de islam. De vijandigheid was wederzijds en Joodse leiders van de vroege eeuwen waren in hun verdoeming van het christendom net zo luid als christenen tegenover het Jodendom. Serieus geweld tussen beide groepen was echter ongebruikelijk en de eerste echte pogrom in Europa door christenen tegen Joden ontketend, vond niet eerder plaats dan aan het begin van de eerste kruistocht, in 1096, dat wil zeggen 30 jaar na het bloedbad van Granada. En het is vrijwel zeker dat het Duitse gepeupel dat de massamoorden van 1096 uitvoerden hun haat hadden geleerd in Spanje.

Sinds Romeinse of wellicht al voor-Romeinse tijden was Spanje het tehuis van een zeer grote Joodse gemeenschap. Na de islamitische verovering van dat land in 711 kwamen de Joden onder een heerschappij van een geloof dat vanaf het begin giftig en gewelddadig anti-Joods was. Voor de moslims was het voorbeeld gegeven door niemand anders dan hun oprichter, de Profeet Mohammed. Het zou overbodig zijn om alle anti-Joodse uitspraken in de Koran en de Hadith op te sommen, waarin de Hebreeërs worden voorgesteld als de sluwste, meest opstandige en meest onverbiddelijke vijanden van Allah. In Koran (2, 63-66) verandert Allah enkele Joden, die de Sabbat hadden ontheiligd, in apen: “Zijt verachtelijke apen.” In Koran soera 5, verzen 59-60 geeft Hij aan Mohammed opdracht om “de mensen van het boek” te herinneren “aan diegenen die Allah vervloekt heeft en die Zijn toorn opwekken, diegenen van wie hij enkele heeft veranderd in apen en varkens, diegenen die het kwaad aanbaden”. Voorts horen we in 7:166 over de Sabbat-brekende Joden: “toen zij in hun onbeschaamdheid (alle) verboden overtraden”, Allah tot hen zei: “Weest apen, veracht en afgewezen”

Uit dezelfde bronnen weten we dat de eerste gewelddadige actie van Mohammed de Joden van de Banu Qaynuqa-stam gold, die in Medina onder bescherming van de stad woonden. Mohammed “maakte gebruik van de gelegenheid van een toevallig incident” en beval de Qaynuqa zijn religie aan te nemen of te vechten. In de woorden van Edward Gibbon: “De ongelijke strijd was in vijftien dagen beslecht; en uiterst onwillig kwam Mohammed tegemoet aan het aandringen van zijn bondgenoten en stemde ermee in het leven van de gevangenen te sparen.” (Decline and Fall, hoofdstuk 50). Bij latere overvallen op de Joden waren de Hebreeuwse krijgsgevangenen niet zo gelukkig.

De meest beruchte aanval van Mohammed op de Joden was gericht tegen de stam van de Banu Qurayza. Deze gemeenschap, die in de buurt van Medina woonde, werd door de Profeet en zijn mannen zonder waarschuwing aangevallen en na de nederlaag werden alle mannen boven de puberleeftijd onthoofd. Enkele islamitische autoriteiten beweren dat Mohammed persoonlijk zou hebben meegedaan aan de executies. De ten dode opgeschreven mannen en jongens, wier aantal wordt geschat op ergens tussen 500 en 900, kregen opdracht de geul te graven die hun gemeenschappelijk graf moest worden. Alle vrouwen en kinderen werden tot slaaf gemaakt. Deze daden worden in de Koran genoemd als uitgevoerd door Allah zelf en volledig door goddelijke toestemming bekrachtigd.

De massamoord op de Banu Qurayza werd spoedig daarna gevolg door een aanval op de Khaybar-stam. Bij deze gelegenheid beval de Profeet om een Joodse stamleider te folteren om hem informatie te ontwringen over de plaats waar hij zijn schatten had verborgen. Toen de schat gevonden was, werd de stamleider onthoofd. Wat had Mohammeds schijnbaar onverbiddelijke vijandigheid tegen de Joden veroorzaakt? Volgens Edward Gibbon was het hun weigering om hem te herkennen als hun lang verwachte Messias waardoor “zijn vriendschap veranderde in onverbiddelijke haat,  waarmee hij dat ongelukkige volk tot het laatste moment van zijn leven vervolgde; en door zijn dubbelrol van apostel en veroveraar, werd die vervolging voortgezet  in beide werelden.”(Decline and Fall, hoofdstuk 50)

Ook de “mensen van het boek” werden door de moslims altijd zwaar uitgebuit en onderdrukt: dhimmitude

Het is een wijdverbreide fictie dat, afgezien van de vervolging van de Arabische Joden door de profeet,  moslims en de islam over het algemeen tolerant waren tegenover dit Volk van Het Boek,  die over het algemeen de dhimmi (“beschermde”) status in de islamitische Umma of gemeenschap)werd gegeven. Maar dhimmie-status, die ook de christenen kregen, impliceerde niet, zoals Bat Ye´or uitvoerig heeft aangetoond,   rechtsgelijkheid met moslims. Integendeel: de dhimmi´s waren, zelfs in de meest gunstige tijden, uitgeleverd aan een hele serie discriminerende en vernederende wetten en aan onophoudelijke uitbuiting.

In de slechtste tijden, konden ze op straat zonder enige hoop op wettelijke genoegdoening vermoord worden. Een van de meest schadelijke maatregelen tegen hen was de eis  om een kledingstuk van een bepaalde soort of kleur te dragen waarmee ze gemakkelijk geïdentificeerd konden worden:  geïdentificeerd voor gemakkelijke uitbuiting en beschimping. Bat Ye´or heeft aangetoond dat deze wet onmiddellijk in het begin van de islam werd opgelegd. Er bestond geen voortdurende gewelddadigheid, maar wel voortdurende uitbuiting en het patroon van misbruik maken, dat begonnen was door Mohammed in Arabië in de zevende eeuw, zou door de hele geschiedenis herhaald worden. De eerste bloedbaden onder Joden in Europa, die door de islamitische meutes in Spanje werden aangericht, werden voorafgegaan door bloedbaden in  Noord-Afrika en vormden duidelijk een continuüm met Mohammeds massamoorden op dat volk in Arabië.

Screenshot_15Dhimmitude

Er was echter somtijds ook een schijn van tolerantie tegenover de Joden en christenen. Dat kon ook niet anders. Toen de Arabieren tijdens de zevende eeuw de uitgestrekte gebieden van Mesopotamië, Syrië en Noord-Afrika veroverden, waren ze een kleine minderheid die regeerden over enorme bevolkingen van voornamelijk christenen en in mindere mate  Joden. Als minderheid moesten ze voorzichtig handelen. Net zoals alle veroveraars leerden de Arabieren snel om gebruik te maken van interne conflicten ; en het was vooral in hun belang de christenen en Joden uit elkaar te drijven. Dat was  vooral in Spanje het geval, waar de Joodse bevolking heel groot was. Een verenigd Joods-christelijk front zou enorm gevaarlijk hebben kunnen zijn, en het was geheel in het belang van de veroveraars om wantrouwen en argwaan tussen deze gemeenschappen te zaaien. In de woorden van Bat Ye´or: “De Arabische invallers wisten hoe hun voordeel te doen met de onenigheden tussen de locale groepen om hun eigen autoriteit te vestigen, door eerst de ene en dan de andere te begunstigen, met de intentie ze allemaal te verzwakken en te gronde te richten door een politiek van verdeel en heers”.

Willekeur, antisemitisme en massamoord in het glorieuze el-Andaloes

In Spanje en elders waren de Joodse gemeenschappen over het algemeen zowel ontwikkeld als welgesteld. Joodse artsen, wetenschappers en kooplieden konden door iedere heersersgroep nuttig in dienst worden genomen. En in dienst genomen wérden ze door de Arabieren. Sommigen, zoals Ibn Naghrela, klommen op tot zeer vooraanstaande posities. De internationale connecties van de Joden evenals hun kennis van talen bleken van onschatbare waarde voor de nieuwe heersers. De Joden bevonden zich vaak in de rol van tussenpersonen tussen moslims en christenen.  Het genot van deze voorrechten was echter tijdelijk en onzeker. Er bestond nooit enige echte zekerheid, zoals de bloedbaden van 1011 en 1066 maar al te duidelijk illustreren. Anderzijds was het wel degelijk in het belang van de moslims dat de christenen dachten dat de Joden bevoorrecht werden. Een deel van deze mythe was het idee dat “de Joden” de moslims bij de verovering van het land hadden ondersteund.

De waarschijnlijkheid dat dit verhaal waar is, moet als uiterst gering worden beschouwd, vooral wanneer we denken aan de massamoorden in Arabië op de Joden, uitgevoerd door Mohammed zelf slechts enkele decennia eerder. Geen ander volk had betere internationale verbindingen dan de Joden, een natie van kooplieden par excellence  en die in Spanje moeten zich, lang voordat de eerste islamitische legers op Spaanse bodem waren geland,  zeer bewust zijn geweest van het gedrag van Mohammed. Desondanks kwam er een verhaal in omloop dat de Joden de moslims hadden geholpen en er kan weinig twijfel zijn dat dit verhaal uitgebroed was door de islamitische invallers als onderdeel van hun politiek van verdeel en heers.

Gedurende de hele tiende en elfde eeuw woedde de oorlog tussen christenen en moslims om het bezit van het Iberisch schiereiland. Dit conflict groeide naar een echte botsing van beschavingen,  omdat beide groepen van heinde en verre de hulp inriepen van hun geloofsgenoten. Het heiligengraf van Santiago de Compostella werd de symbolische verzamelplaats voor zowel de christenen uit het Noorden als die uit Frankrijk en Duitsland, die de Pyreneeën overstaken om deel te nemen aan de strijd tegen de islam.
Hun christelijke bondgenoten in Spanje waren er al van overtuigd dat de Joden de  geheime bondgenoten van de moslims waren. Ze waren ervan overtuigd dat de Joden de moslims bij de verovering van het land geholpen hadden en ze kwamen in aanraking met islamitische antisemitische opvattingen – opvattingen die de christenen begonnen over te nemen. Het is een erkend feit dat de soldaten die zich later bij de Eerste Kruistocht aansloten, hun antisemitisme in Spanje hadden geleerd. In de woorden van Steven Runciman: “Al tijdens de Spaanse oorlogen was er een zekere neiging geweest bij de christelijke legers om de Joden te mishandelen.” Runciman zegt dat ten tijde van de veldtocht naar Barbastro, midden elfde eeuw, paus Alexander II aan de bisschoppen van Spanje had geschreven om hen te eraan te herinneren dat er een wereld van verschil was tussen de moslims en Joden. De eersten waren onverzoenlijke vijanden van de christenen, terwijl de laatsten bereid waren met hen samen te werken. In Spanje echter “hadden de Joden zulke voorrechten van de moslims  genoten dat de christelijke veroveraars zich er niet toe konden brengen hen te vertrouwen.” Dit gebrek aan vertrouwen wordt in meerdere documenten uit die tijd bevestig, en Runciman somt verscheidene ervan op.

Iets meer dan tien jaar nadat de christelijke ridders uit Frankrijk en Duitsland hun geloofsbroeders hadden geholpen om de stad Toledo op de moslims te heroveren, bereidden sommigen van hen zich voor op de Eerste (officiële) Kruistocht. Maar voordat ze dat deden,  namen een paar van hen nog deel aan een massamoord op verscheidene duizenden Joden in Duitsland en Bohemen, een gruweldaad die in de toenmalige Europese geschiedenis zonder precedent was. In het licht van het feit dat deze pogroms door soldaten werden gepleegd  van wie sommigen  het oorlogshandwerk in Spanje hadden geleerd en dat zulke wreedheden tot dan toe in Europa onbekend waren, mogen we beweren dat er  sterk indirect bewijs is dat de christenen beïnvloed waren door islamitische ideeën. Tenslotte: ik zou niet willen beweren dat er onder de christenen voor de opkomst van de islam geen antisemitisme bestond. Natuurlijk bestond die. Maar de islamitische beïnvloeding en de vreselijke strijd tussen de beide intolerante ideologieën van het christendom en de islam die in de zevende eeuw begon, hadden een uitermate schadelijk effect voor de Joden; en het was toen, en pas toen,  dat het kwaadaardige en moorddadige antisemitisme het Europese leven binnen drong, dat zo karakteristiek voor de Middeleeuwen was.

De christelijke kerk is gecorrumpeerd en gewelddadig geworden door de islam

De zonder twijfel negatieve invloed van de islam op het karakter en de cultuur van Spanje en de andere Middellandse Zee-landen zou ons niet blind moeten maken voor het feit dat de christelijke boodschap nooit echt verloren ging en dat de kerk als instelling nooit volledig corrumpeerde. Na de opkomst van de Germaanse koninkrijken in de vijfde eeuw werkte de kerk er hard aan om de rechten van de slaven en kleine boeren in stand te houden tegenover de hebzucht en grillen van de woeste  soldatenklasse, die nu in Spanje, Gallië en Italië heerste. Dat bleef ze ook doen in de periode van de invasies door de moslims en de Vikingen. “De tiende en elfde eeuw zagen een worsteling tussen de edelen en de kerk betreffende de rechten van de kleine boeren. De edelen wilden de lijfeigenen van alle fundamentele rechten van menselijke wezens beroven,  zeggende dat ze geen ziel hadden en door te weigeren  hun partnerschappen huwelijken te noemen.” De kerk, merkt Painter op, won deze strijd echter niet zonder fel verzet van de kant van de adel. De strijd ten behoeve van de armen ging de hele Middeleeuwen en ook nog daarna nog door en we  hebben al opgemerkt hoe bijvoorbeeld de kloosters de armen en noodlijdenden gedurende deze hele tijd van gratis gezondheidszorg en aalmoezen voorzagen. De Kerk beschermde de armen verder  door wetten uit te vaardigen tegen speculatie, zoals kunstmatige brood- en graanprijzen, evenals verschillende verordeningen die het gildewezen regelden. Zelfs oorlog werd gereguleerd door de Kerk  en middeleeuwse conflicten, tenminste  in Europa, waren bij lange na niet zo gewelddadig als men over het algemeen aanneemt.

Sidney Painter merkt op: “Zelfs wanneer koningen en feodale heren in de Middeleeuwen serieuze oorlogen uitvochten, waren deze niet bloedig. Tijdens de belangrijke en beslissende Slag bij Lincoln in 1217 vochten ongeveer 600 aan een kant tegen 800 ridders aan de andere, waarbij slechts eentje zijn leven verloor en iedereen was ontzet door het ongelukkig ongeval.”

Het middeleeuwse gebruik om voor belangrijke gijzelaars losgeld te vragen vormde zonder twijfel  een economisch motief voor deze opmerkelijke onwil dodelijk geweld te gebruiken; maar het is evenzeer ook duidelijk dat het idee van ridderlijkheid met zijn overtuigend christelijke bijklank, sterk matigend werkte.

Zonder islam geen verwildering en geen kruistochten

We moeten ook niet vergeten dat gedurende de eeuwen die volgden op de Eerste Kruistocht, waarin men zou kunnen aannemen dat christenen in Europa geheel gewend waren geraakt aan het idee van het vechten en doden voor Christus, er veel bewijs bestaat dat dit niet gebeurde. Het idee van geweld in naam van Christus was, in de woorden Riley-Smith, “zonder precedent”  toen dit in de elfde eeuw voor het eerst werd gepropageerd. “Het idee van een vrome oorlog was dermate radicaal”, zegt Riley-Smith , “dat het verassend is dat er geen protesten schijnen te zijn geweest van vooraanstaande  clerici.” Hoe dat ook zij,  christenen konden nooit echt op hun gemak zijn met dit idee en het enthousiasme voor kruistochten nam snel weer af.

Screenshot_17

Riley-Smith schrijft verder dat na het succes van de eerste kruistocht de opvolging van nieuwe rekruten zelfs direct opdroogde binnen die groepen en families, die deze het sterkst ondersteund hadden. Deze keerden weer terug naar de traditionele niet-militaire pelgrimages naar het Heilige Land. Ook moeten we van individuele uitlatingen nota nemen, zoals die van Roger Bacon, een Engelse Franciscaan omstreeks 1260, die het idee van kruistochten op zich kritiseerde door te argumenteren dat zulke militaire acties de vreedzame bekering van moslims zouden verhinderen. Plaats dit eens tegenover de islamitische instelling, waarin alle soldaten die in  de Jihad sterven “martelaren” zijn die gegarandeerd direct beloond worden met 72 maagden in het paradijs.

Dit contrast weerspiegelt zich ook zeer duidelijk in de woorden van Gregory Palamas, een orthodoxe Metropoliet, die zich in het jaar 1354 in Turkse gevangenschap bevond:

. . . deze gemene, door God gehate mensen pochen erop dat zij de Romeinen [Byzantijnen] door hun liefde voor God overwonnen hebben . . . Ze leven van pijl en boog, zwaard en uitspattingen, ze genieten ervan om slaven buit te maken en zich over te geven aan moorden, brandschatten en plundering . . . en niet alleen begaan zij deze misdaden, ze geloven ook – wat een dwaling – dat hun God dit goedkeurt.” We moeten niet vergeten dat, toen de Spanjaarden de verovering van de Nieuwe Wereld begonnen, de grote meerderheid van de excessen gepleegd werd door individuele en ongecontroleerde avonturiers, op wie de Koninklijke en kerkelijke autoriteiten weinig toezicht hadden. Bovendien mogen we niet vergeten te vernoemen dat het te danken was aan de enorme en volgehouden druk van de kant van vele humane en moedige clerici dat het gebruik om de oorspronkelijke bewoners van de Nieuwe Wereld tot slaaf te maken uiteindelijk werd opgegeven.

Het zou dus fout zijn om te denken dat te midden van de Kruistochten, de Inquisitie en de kolonisering van Amerika, de oorspronkelijke geest en leer van de Timmerman uit Galilea onherroepelijk verloren was gegaan. Niettemin legde de gewelddadige wereld waarin de kerk zich bevond een enorme druk op; en de boodschap van Christus werd zonder twijfel verdund.

De Europese “Barbaren” nemen de Romeinse cultuur over en het christendom aan

De verwijdering van de Romeinse macht in de vijfde eeuw en het overstromen van de westelijke provincies door de Barbaarse hordes produceerden in Europa een wedergeboorte van de militaire oorlogsgeest , die immers ook Rome in zijn vroege dagen gekarakteriseerd had. Maar de Barbaren raakten “verzacht” door het geregelde leven dat ze in de westelijke provincies begonnen te leiden en door de invloed van het christelijke geloof. Zelfs pas aangekomen hordes, zoals de Franken en de Longobarden in de late vijfde eeuw en zesde eeuw werden beïnvloed door de civiliserende magie van Rome en het christendom; en de wilde gebruiken van de mannen, die een generatie daarvoor nog in de wouden en woeste gebieden van Duitsland hadden gehuisd, raakte spoedig gekalmeerd in de wijngaarden van Gallië en de olijfboomgaarden van Spanje. Toen echter, in de vroege zevende eeuw, juist op het moment dat het Westen op het punt stond opnieuw geromaniseerd te worden, verscheen er een nieuwe vijand aan de horizon: eentjes die zich niet liet verzoenen of kerstenen.

Het religieuze fanatisme van de moslims

Aan de gebruikelijke verschrikkingen van de oorlog voegden de islamitische agressors  een nieuw en gevaarlijke element toe: het religieuze fanatisme. Deze veroveraars  waren niet alleen op plundering en slaven maken, maar ook op de uitroeiing of in ieder geval de onderdrukking van het christelijk geloof. Tegen de barbaren uit Germania en Scythia vochten  de westelijke christenen misschien om het bezit van hun huizen en landerijen, maar die vijanden waren er niet op uit de christelijke religie te vernietigen. De christenen konden geloof beleven zoals ze wilden; en veel Barbaren lieten daadwerkelijk meteen vanaf het begin zien dat ze door het christelijke geloof beïnvloed of zelfs bekeerd konden worden.

Bij de moslims was dat nooit een optie. Zij waren  de “onbekeerbaren”, mannen die gedreven door hun eigen religieuze ijver en een doelgerichte oorlog voerden om hun geloof te verbreiden. En dit was  een vijandschap die in de loop der tijd ook niet milder werd: nog eeuwen na de invasies van Zuid-Italië, Spanje, en de eilanden Sicilië , Sardinië en Corsica doorkruisten moslim-vrijbuiters de Middellandse Zee en de kustgebieden van Zuid-Frankrijk en  Italië, rovend, moordend en slaven makend. Met de komst van de islam kwam  het Mediterrane Europa nooit meer tot vrede – in ieder geval niet meer tot in de vroege 19e eeuw. Moslim-vrijbuiters met als basis Noord-Afrika, de Berberpiraten, terroriseerden het Middellandse Zee tot na het einde van de Napoleontische Oorlogen. In de eeuwen daarvoor lanceerden Islamitische legers, eerst in de vorm van de Almoraviden en later in die van de Ottomanen periodiek grootschalige invasies van gebieden zuidelijk Europa; en zelfs als ze dat niet deden, waren islamitische piraten en slavenhandelaren onophoudelijk bezig met rooftochten tegen kustnederzettingen in Spanje, zuidelijk Frankrijk, Italië, Dalmatië, Albanië, Griekenland en alle Middellandse Zee-eilanden.  Deze activiteiten gingen eeuwenlang onverminderd door en de enige analogie die voor de geest komt is zich voor te stellen hoe het geweest zou zijn als de rooftochten van de Vikingen in Noord-Europa duizend jaar geduurd zouden hebben.

Screenshot_18Islamitische slavernij

Men schat dat er tussen de zestiende en negentiende eeuw de in Noord-Afrika gevestigde moslim-piraten een miljoen tot een-en-een-kwart miljoen Europeanen gevangen namen en in slavernij brachten. Alhoewel hun aanvallen  zover noordelijk als IJsland en Noorwegen reikten, was het gevolg het ergst langs de Middellandse Zee-kusten van Spanje, Frankrijk en Italië, met grote gebieden langs de kustlijn die wegens de bedreiging onbewoonbaar werden.

Het gevolg van dit onophoudelijke geweld is, naar mijn gevoel, tot nu toe noch zorgvuldig bestudeerd noch geheel begrepen. De bevolking van de Mediterrane kustgebieden moest leren te leven in een toestand van constante waakzaamheid waarbij de angst nooit ver weg was. Bevolkingen moesten na een waarschuwing zeer snel klaar zijn voor een militair antwoord. Er moesten bolwerken worden gebouwd en jonge mannen kregen wapentraining. Er ontwikkelde zich een semiparanoïde cultuur waarin doden en gedood worden de norm of in ieder geval niet ongebruikelijk was. Geen wonder dat de bewoners van deze gebieden, vooral in Zuid-Italië, Sicilië, Spanje, Corsica en delen van Griekenland en Albanië in de loop der tijd hun eigen gewelddadige en onverzettelijke cultuur ontwikkelden; en dat vooral in Spanje de Inquisitie zijn geestelijk tehuis vond. Geen wonder ook dat vanuit datzelfde land  in de vijftiende en zestiende eeuw de Heilige Strijders vertrokken om de bewoners van de Nieuwe Wereld in naam van Christus te overwinnen.

Natuurlijk is het niet waar dat men het christendom en de christelijke kerk  helemaal van schuld kan vrijpleiten inzake hetgeen gebeurde in de decaden en eeuwen die volgden op de eerste kruistocht. Er kan weinig twijfel zijn sommige christelijke leerstukken hun eigen bijdrage hebben geleverd. De nauwe uitleg van de leer, die waarheid en redding alleen tot de christelijke gemeenschap beperkte, hebben minstens een intolerante en irrationele houding tegenover andersgelovigen geproduceerd. Uiteindelijk schijnt het echter zo dat zonder het voortdurende en onafgebroken geweld  door de islam gericht tegen het christendom over een periode van vele eeuwen, Europa zich in een heel andere richting ontwikkeld zou hebben: en het schijnt zeker dat het roofzuchtige militarisme, dat karakteristiek voor Europa was sedert de Tijd van de Kruistochten, nooit zou zijn ontstaan.

Wat als er geen islam zou zijn geweest?

Hoe zouden dan, zonder de islam, de gebeurtenissen zich ontwikkeld hebben? Natuurlijk kan dat niet met zekerheid gezegd worden, maar het lijkt voor de hand te liggen dat de “middeleeuwse wereld zoals wij die kennen nooit  zou zijn ontstaan. De periode die wij nu de Middeleeuwen noemen, zouden zeker een stuk minder “middeleeuws” zijn geweest en een stuk meer Romeins. Het is waarschijnlijk dat Byzantium het proces zou hebben voortgezet, dat in de zesde eeuw al behoorlijk ver was voortgeschreden: het op hoger niveau brengen van het culturele niveau van het Westen. De breuk tussen Byzantium en Rome zou misschien niet hebben plaatsgevonden of zou niet zo bitter zijn geweest, en er schijnt weinig twijfel dat West-Europa haar “Renaissance”, oftewel het heropleven van de klassieke beschaving, veel eerder beleefd zou hebben: misschien een half millennium eerder. Inderdaad: het is waarschijnlijk dat in de late zevende eeuw het hele westen van Europa zou zijn gaan lijken op het toenmalige Byzantium, met expanderende steden en een florerend cultureel en intellectueel leven. De rooftochten van de Vikingen zouden niet hebben plaatsgevonden of ze zouden tenminste niet zo destructief geweest zijn. Er zouden geen kruistochten zijn geweest, want er zou geen islam zijn geweest om ze tegen te beginnen. Het  ontbreken van invloed van moslim- en Viking-invloed zou zeker bijgedragen hebben aan de ontwikkeling van een vreedzamere cultuur. Het is twijfelachtig of zonder de islamitische inwerking de bijzonder giftige vorm van antisemitisme, dat Europa vanaf de elfde eeuw karakteriseerde, opgekomen zou zijn.  Het ontbreken van een externe en gevaarlijke vijand als de islam zou de ontwikkeling gehinderd hebben van de paranoia die Europa in zijn greep kreeg inzake de kwestie van ketters en “hekserij”. Waarschijnlijk zou er ook geen Inquisitie zijn geweest. En zonder het islamitische voorbeeld van de slavernij, zou al bij zijn ontstaan het contact met de autochtonen van de Nieuwe Wereld [Amerika] heel anders zijn geweest, net zoals de relaties met  de volken van sub-Sahara-Afrika.

Screenshot_20Slag bij Poitiers (732 na Chr.)

Wat als de islam gewonnen zou hebben?

Tot zover over een wereld zonder islam. Maar wat als de islam gewonnen zou hebben? Wat als  Europa in de zevende en achtste eeuw islamitisch geworden zou zijn? Niemand minder dan Edward Gibbon mijmerde over het mogelijk resultaat van een islamitische verovering van Frankrijk, toen hij opmerkte dat, als zo’n gebeurtenis zou hebben plaats gevonden, het hele westen van Europa onvermijdelijk had moeten vallen, en dat de decaan van Oxford  dan waarschijnlijk de waarheden van de Koran hebben uiteen gezet voor een besneden congregatie. Van zo´n “calamiteit”, merkte Gibbon op, werd het christendom door de overwinning van Karel Martel bij Tours [en Poitiers] in het jaar 732 gered. Maar een  islamitische verovering van Europa zou echter veel serieuzere consequenties hebben gehad dan dat. Van wat we van islams geschiedenis elders hebben gezien, is het waarschijnlijk dat het continent een duistere periode zou zijn ingegaan, waar het niet meer uit zou zijn gekomen. Als we op zoek gaan naar het model voor Europa als geheel, zouden we kunnen kijken naar het Albanië of de Kaukasus van de negentiende eeuw. Deze streken, door half geïslamiseerde stammen bewoond,  waren het toneel van eeuwige vetes. Een Europa onder de islam zou niet anders zijn geweest: een achterlijke en onderbevolkte woestenij waarom door islamitische stamhoofden werd gevochten:  omstandigheden die zouden hebben voortgeduurd tot in deze eeuw. Er zouden misschien toevallig enkele grotendeels vervallende zeer kleine stedelijke centra zijn overgebleven in bijvoorbeeld Italië, Frankrijk en Spanje; en in deze gebieden zou een verarmde en wreed onderdrukte rest-bevolking van christenen hebben gewoond. In Rome zou de paus presideren over een ellendig en vervallend Vaticaan, welks  voornaamste monumenten, zoals de originele Sint Pieter, opgericht door Constantijn, al lang gelden in moskeeën zouden zijn veranderd. In zo´n Europa zou het complete erfgoed van de klassieke beschaving in vergetelheid zijn geraakt. De moderne wereld zou niets weten van Caesar en zijn veroveringen, of van Griekenland met zijn krijgshelden en filosofen. Zelfs  de namen zouden verloren zijn gegaan. Geen kind zou weten van Troje of Mycene,  van Marathon of Thermopylae. Ook de geschiedenis van Egypte en al die geweldige beschavingen van het Nabije Oosten zouden in het stuifzand van deze gebieden begraven liggen, voor altijd verloren en vergeten.

Er zouden geen Hoge Middeleeuwen hebben bestaan met hun gotische kathedralen, geen Renaissance, geen Verlichting,  geen Era van de Wetenschappen. De val van Europa zou gevolgen hebben gehad ver buiten haar kusten; en de een-en-twintigste  eeuw zou hebben kunnen beginnen met een islamitisch (en onderbevolkt en verarmd) India dat het bestaan van China zou bedreigen dat dan waarschijnlijk de laatste belangrijke niet-islamitische beschaving zou zijn. De oorlogen tussen deze beiden zouden pre-modern zijn, en hoewel de beide zijden wellicht primitieve geweren en kanonnen zouden gebruiken, zouden het zwaard en de boog de belangrijkste wapens zijn en de oorlogsregels zouden barbaars zijn. Dit zijn echter allemaal wat-als-scenario´s. De geschiedenis is gebeurd en wat is gebeurd kan niet ongedaan worden gemaakt. Maar toch: om de fouten uit het verleden niet te herhalen, is het belangrijk dat we begrijpen wat er precies gebeurd is, en waarom.

Dit is het tweede deel van een tweeluik. Deel I is hier te vinden.

____________________

* Dat essay: hier het uitgebreidst en hier korter en hier het kortste

* * De tussenkopjes in de tekst zijn van mij.

Screenshot_19Beleg van Wenen (1683)

Bron:

http://www.newenglishreview.org/Emmet_Scott/Mohammed_%26_Charlemagne_Revisited%3A_The_Epilogue/

Auteur: Emmet Scott

Vertaald uit het Engels door:

Martien Pennings
_________________________________
Link naar dit stuk bij E. J. Bron

Advertenties