Dit is een opstel dat ik al 3 keer eerder heb geschreven, en elke volgende keer was bedoeld als verbetering. Nu hoop ik dat ik de definitieve (ha-ha) versie heb geschreven. Hier en hier en hier zijn de eerder versies te lezen. Ik heb onderstaande “definitieve”” versie geschreven omdat ik ‘m wil opnemen in mijn pamflet dat getiteld is “ISRAËL BESTÁÁT — En is de meest legitieme natie ter wereld
***************************************************

Ik citeer uit hoofdstuk vijf van “Mijn Beloofde Land” getiteld “LYDDA – 1948”:

“In dertig minuten, tegen het middaguur, worden meer dan tweehonderd burgers gedood. Het Zionisme richt een bloedbad aan in de stad Lydda. “

Dit hoofdstuk vijf is het verraderlijke, schuldbeladen, Stockholm-syndromatische hart van Shavits boek. Het is terecht het onderwerp geweest van harde kritiek. Israël is een “liberaal” land en net als West-Europa misschien te” liberaal” om de islam te overleven. Net zoals het verraderlijke boek van Shavit in in Israël kan worden gepubliceerd, kan in Israël op de voorkant van de Dahmas-moskee in Lydda de volgende Arabische inscriptie staan:

“De moskee werd gesloten als gevolg van het monsterlijke bloedbad dat in 1948 door de bezettingstroepen werd aangericht en werd in 1996 gedeeltelijk heropend.”

Kijk eens aan: je kan niet tolerant genoeg zijn ten opzichte van degenen die hebben gezworen je vrijheden te gebruiken om er een einde aan te maken.

Martin Kramer, prominent en hooggeleerd Israëliër, over wie hieronder meer, wees op de toeristische mogelijkheid om een “Nakba-trip” te maken in Lydda, waar een Arabische gids hem inderdaad vertelde dat massamoord en verdrijving deel uitmaakten van een “systematisch beleid”van “het Zionisme”. Kramer citeert een “Palestijnse professor”:

“Er zat een brein achter de bloedbaden, noem het een masterplan, noem het een schets, want er zit een patroon in de moorden en een logica in dit patroon. Na in verschillende archieven te hebben gewerkt, is mijn beeld dat Palestina in 1948 een theater was van Israëlische bloedbaden, een voortdurende show van afgeslachte Palestijnen, van moord en vernietiging, en van psychologische oorlogsvoering. “

Kramer besluit: “Al deze antisemitische onzin kan in Israël worden geuit over Lydda (= Lod), een stad die ver binnen de grenzen van het tolerante Israël ligt.”I

Maar dan meegaande Jood Shavit! Die helemaal, eh, nou-ja . . . . . méé gaat in dit gruwelsprookje:

“Lydda was op niets bedacht. Lydda had geen idee wat er stond te gebeuren. Al 44 jaar had het gezien hoe de zionisten de vallei binnentrokken ( . . .) De stad Lydda telde twee moskeeën en een grote kathedraal die de Sint-Georgius wordt genoemd. Maar hoewel Lydda op grond van de christelijke traditie de stad van Sint Georgius was, zag het volk van Lydda niet aankomen dat het Zionisme zou veranderen in een moderne draak. ( . . .) De inwoners van Lydda zagen niet dat het Zionisme, dat de vallei was ingetrokken om een natie van wezen weer hoop te geven, een grimmig-vastberaden beweging was geworden die voornemens was het land met geweld in te nemen.”
[mijn vet]

Zeker. Het Zionisme was “een grimmig-vastberaden beweging” geworden en Shavit ziet ook waarom dat zo is:

“Duidelijk is dat het Arabische nationalisme op het punt staat de zionisten uit te roeien en de Joodse gemeenschap in Palestina met bruut geweld te vernietigen. Duidelijk is ook dat de Joden zichzelf zullen moeten verdedigen, aangezien niemand hen te hulp schiet. Tussen december 1947 en mei 1948 woedt er een wrede burgeroorlog tussen Arabieren en Joden.”

Maar “het Zionisme” was nóóit “voornemens het land met geweld in te nemen”, zelfs niet toe de oorlog al woedde. “Het Zionisme” heeft nooit iets anders gedaan dan zich verdedigen tegen agressie. Shavit is niet in staat om die extreem voor de hand liggende gevolgtrekking te maken, namelijk dat die goedwillende, humaniserende en welvaart brengende beweging door maar één oorzaak gewelddadig werd: door de terreur en de oorlog die de Zionisten werd aangedaan door het Arabische islamisme, nationalisme en etnocentrisme. Het begin van het Kwaad ligt bij de terreur van de Moefti. Dit is de geschiedenis van Israël al 100 jaar: de Palmaffia’s beginnen de terreur en houden hem vol en Israël verdedigt zich zo goed en zo proportioneel mogelijk.

Dat goedwillende, humaniserende en welvaart brengende van het Zionisme vergeet Shavit overigens niet breed uit te meten:

“In die 44 jaar dat Lydda zag hoe het zionisme dichterbij kwam, is het de stad voor de wind gegaan. Tussen 1903 en 1947 is de bevolking meer dan verdubbeld, van acht- tot negentienduizend. Die ‘sprong voorwaarts’ had niet alleen een kwantitatief maar ook een kwalitatief karakter. Overal was modernisering zichtbaar. Na de verwoestingen als gevolg van de aardbevingen in 1911 en 1927 waren veel oude lemen woningen vervangen door nieuwe solide huizen van steen. Bij de Grote Moskee en de kathedraal waren een winkelcentrum en een nieuwe moskee gebouwd. Aan de westkant van de stad was een nieuwe moderne wijk met langs de liniaal getrokken straten verrezen. Lydda was een knooppunt in het spoorwegnet van Palestina en de directieleden van de maatschappij woonden in de tuinwijk-op-z’n-Engels die de trots van de stad was. In sommige straten was electrische verlichting en in enkele huizen ook stromend water. Twee openbare scholen en één anglicaanse school gaven – gescheiden – onderwijs aan de jongens en meisjes van Lydda. Twee klinieken, vijf artsen en twee apotheken stonden borg voor goede medische zorg. Het sterftecijfer was gedaald tot 12 per duizend inwoners, terwijl het fertiliteitscijfer drastisch omhoog was gegaan. Uit beide cijfers blijkt dat er in de eerste helft van de 20e eeuw een ware sociale revolutie in Lydda had plaatsgevonden.”

Als Shavit de afloop van de strijd rond Lydda beschrijft is er opnieuw dat onvermogen om oorzaak en gevolg, het Kwaad en de strijd tégen het Kwaad uit elkaar te houden:

“Wanneer de onderhandelingen laat in de ochtend van 13 juli 1948 ten einde zijn, is men overeengekomen dat de bevolking van Lydda en de daar verblijvende vluchtelingen de stad ogenblikkelijk zullen verlaten. Rond het middaguur is al een massale evacuatie op gang gekomen. ’s Avonds verlaten 35.000 Palestijnse Arabieren Lydda in een langgerekte colonne; ze trekken in zuidelijke richting langs het jeugddorp Ben Shemen en verdwijnen naar het oosten. Het zionisme veegt de stad Lydda van de kaart. Lydda is onze zwarte doos, met daarin het duistere geheim van het zionisme. De waarheid is dat het zionisme niet kon leven met Lydda. Van meet af stonden het zionisme en Lydda op gespannen voet met elkaar. Als het zionisme bestaansrecht had, dan Lydda niet. Als Lydda bestaansrecht had, dan het zionisme niet. Terugblikkend is dat maar al te duidelijk.”

Nee, Grote Dialecticus: het Zionisme had bestaansrecht en Lydda met al zijn inwoners ook. Wat géén bestaansrecht had, was en is de islamistisch-nationalistisch-etnische terreur van de Arabieren.

Om zijn conclusie te rechtvaardigen — het Zionisme is schuldig! — heeft Shavit natuurlijk de hele inhoud van zijn boek geschikt gemaakt, maar ook wil hij heel specifiek de misdadigheid van het Zionisme in de gevechten rond Lydda aantonen. En dat doet hij met een zeer eenzijdig verslag dat een ronduit leugenachtig verhaal oplevert. Ik moet nu ruim citeren uit dit Lydda-hoofdstuk om de kritiek die Martin Kramer op Shavit levert — en die ik zo dadelijk zal samenvatten — begrijpelijk te maken:

Rond zes uur in de middag vertrekt de colonne uit Ben Shemen en rijdt men met grote snelheid de stad Lydda in, daarbij op alles en iedereen schietend. De blitz duurt 47 minuten: meer dan honderd Arabische burgers worden doodgeschoten – vrouwen, kinderen, ouderen. Regiment 89 verliest negen man. Aan het begin van de avond slagen de twee pelotons van het 3e regiment erin Lydda binnen te komen. Binnen een paar uur bezetten de soldaten daarvan sleutelposities in het stadscentrum en drijven ze duizenden burgers bijeen in de Grote Moskee, de kleine moskee en de kathedraal Sint-Georgius. ’s Avonds hebben de zionisten de stad Lydda ingenomen. De volgende dag rijden twee Jordaans pantserwagens per ongeluk de stad binnen, waarop opnieuw geweld uitbreekt. Het Jordaanse leger zit kilometers verderop in het oosten en de twee voertuigen zijn militair gezien van geen belang, maar sommige inwoners van Lydda zien er ten onrechte de voorbodes van de bevrijding in. Soldaten van het 3e regiment denken ten onrechte dat dit betekent dat ze moeten vrezen voor een onmiddellijk volgende Jordaanse aanval. ( . . .) De soldaten schieten in alle richtingen. Sommigen gooien handgranaten in huizen. Eentje vuurt een antitank-piat-granaat af, de kleine moskee in. In dertig minuten tijd, rond het middaguur, worden meer dan tweehonderd burgers gedood. Het zionisme richt in de stad Lydda een bloedbad aan. Wanneer het nieuws van de slachting bekend wordt in het veroverde Palestijnse dorp Jazzur, het hoofdkwartier van Operatie Larlar, vraag Jigal Allon aan Ben-Gurion wat men met de Arabieren aan moet. Ben-Gurion maakt een handgebaar: deporteren. Uren na de val van Lydda vaardigt Jitschak Rabin, stafofficier Operaties, een schriftelijke order uit aan de Jefta-brigade: ‘De inwoners van Lydda moeten, ongeacht hun leeftijd, snel worden afgevoerd.’ “

“Wanneer de onderhandelingen laat in de ochtend van 13 juli 1948 ten einde zijn, is men overeengekomen dat de bevolking van Lydda en de daar verblijvende vluchtelingen de stad ogenblikkelijk zullen verlaten. Rond het middaguur is al een massale evacuatie op gang gekomen. ’s Avonds verlaten 35.000 Palestijnse Arabieren Lydda in een langgerekte colonne; ze trekken in zuidelijke richting langs het jeugddorp Ben Shemen en verdwijnen naar het oosten. Het zionisme veegt de stad Lydda van de kaart. Lydda is onze zwarte doos, met daarin het duistere geheim van het zionisme. De waarheid is dat het zionisme niet kon leven met Lydda. Van meet af stonden het zionisme en Lydda op gespannen voet met elkaar. Als het zionisme bestaansrecht had, dan Lydda niet. Als Lydda bestaansrecht had, dan het zionisme niet. [mijn vet]

In lijn met de islamitisch-Palmaffiose propaganda beweert Shavit niet alleen ten onrechte dat er een “bloedbad” werd aangericht bij Lydda door “het Zionisme”, maar hij beweert ook dat dit werd gedaan omdat “Zionisme” inherent slecht was en is. Hij introduceert het begrip “zwarte doos” en deze zwarte doos is niet de vluchtrecorder die je in vliegtuigen aantreft, maar de zwarte doos in de “gedragspsychologie” van B. F. Skinner (1904 -1990). De theorie van Skinner zegt: je kunt niet in iemands hoofd kijken, maar je kunt wel kijken naar wat iemand doet als hij onder druk staat. En kijk eens wat er volgens Shavit onder druk uit de zwarte doos van het Zionisme komt: massamoord en handgebaar-deportatie!

“Toen ik mij twintig jaar geleden realiseerde dat Lydda onze zwarte doos was, trachtte ik de geheimen ervan te ontraadselen. Ik spoorde de brigadecommandant op en bracht vele uren met hem door. Ik vond de militaire gouverneur terug en bracht vele uren met hem op zijn kibboets door. Ik praatte met soldaten van het 3e regiment en ondervroeg studenten van het jeugddorp. Voor het schrijven van dit hoofdstuk diepte ik audiocassettes op die ik in die tijd had opgenomen en luisterde ik ernaar, want ze vertelden het verhaal van het einde van Lydda.” [mijn vet]

In één bijzinnetje laat Shavit de lezer hier weten dat de interviews die hij met overlevende deelnemers aan de strijd om Lydda heeft gehouden van 20 jaar geleden zijn op het moment dat hij in 2014 zijn, eh . . . . . roman schrijft. Hieronder nog meer impressionisme uit die interviews opdat u zo dadelijk de kritiek van Martin Kramer kunt begrijpen:

“In de brigadecommandant woedt duidelijk een innerlijke strijd. De stem die nu uit de bandrecorder komt, is weinig overtuigend. Het is niet zo dat hij welbewust iets voor me wil achterhouden. Hij weet zelf niet wat er door hem heen gaat. Zijn verhaal over Lydda is vaag: de kleuren, de geuren, de details ontbreken. Hij heeft levendige herinneringen aan zijn jaren in Ben Shemen, maar de verovering van Lydda weet hij zich nog maar vaag te herinneren. Hij heeft het niet over de scholen die hij bezocht of over de families die hij leerde kennen of over de gemeenschap waar hij zo dol op was. Hij spreekt met geen woord over de stad die hij liefhad en verwoestte. Alleen zijn doffe stem verraadt wat hij achterhoudt. Excuus één: we waren omsingeld. Excuus twee: we zaten met een dreigend gevaar van binnenuit en van buitenaf. Excuus drie: er was geen tijd meer; ik moest meteen een beslissing nemen. Excuus vier: in een oorlog gebeuren afschuwelijke dingen. Toch leek geen van die rechtvaardigingen hemzelf te overtuigen of een begin van een verklaring te bieden voor die drie verdrongen dagen van Lydda’s einde. ‘Bulldozer’ is een heel andere man dan de brigadecommandant. Hoewel ook hij getraumatiseerd is door de oorlog van ’48, is zijn geestelijk litteken niet hetzelfde. Ongepolijst en grof als hij is, heeft hij de neiging zijn stem te veel te verheffen. Hij is gespannen, gauw aangebrand, rusteloos. Hij geeft toe dat hij door die rot-oorlog uit het lood is geslagen. Sindsdien is het hem niet meer gelukt innerlijke rust te vinden.”

“Eind mei zit hij [‘Bulldozer’] in de Jordaanvallei. Daar kent hij een van zijn beroerdste uren wanneer hij met zijn piat-raketwerper eropuit wordt gestuurd om de oprukkende Syrische tanks tegen te houden die kibboets Degania naderen. Hij is in zijn eentje wanneer hij de eerste tank op zich af ziet rijden en deze op de korrel neemt. Op het allerlaatste ogenblik vuurt hij als eerste, met zijn piat; hij brengt de tank tot staan, maar verwondt zich. Hij heeft nog een slecht moment wanneer hij de overlevenden ziet van twee kibboetsen in de Jordaanvallei; ze zijn ontsnapt uit hun in brand gestoken huizen. Die schokkende aanblik van vluchteling geworden kibboets-bewoners doet hem voor het eerst beseffen dat een nederlaag heel goed mogelijk is. Hij realiseert zich dat de oorlog waaraan hij deelneemt, het doodvonnis kan betekenen voor het zionisme. En als het zionisme ten onder gaat zal er in het Land van Israël weer gebeuren wat er keer op keer in Europa is gebeurd. De Joden zullen weer Joden zijn: ze zullen hulpeloos zijn. Tegen de tijd dat ‘Bulldozer’ in de Lydda-vallei aankomt, is hij uitgeput. Hij heeft te veel gezien, te veel gedaan, veel te veel gemoord.” [mijn vet]

“En wanneer de zon opkomt, zwerft hij door de straten van Lydda, op zoek naar een fotowinkel die hij kan plunderen – hij is gek op camera’s. Plotseling wordt er geschoten. Er zijn geruchten dat er pantserwagens aankomen, dat er vrienden klem zitten in de vijver bij de kleine moskee. Hiervandaan worden handgranaten geworpen. Hij geeft een van zijn ondergeschikten opdracht een antitankgranaat de kleine moskee in te schieten. Wanneer de getraumatiseerde soldaat weigert en wegloopt, pakt ‘Bulldozer’ de piat zelf op. ( . . .) Hij mikt niet op de minaret waarvanaf de granaten klaarblijkelijk zijn afgeworpen, maar op de moskee-muur waarachter hij stemmen van mensen hoort. Hij vuurt zijn piat af op de moskee, van zes meter afstand, en hij doodt er zeventig.”i

“ ‘Bulldozer’ kan zich de colonne niet herinneren, want hij raakte gewond toen hij de piat-antitankgranaat op de kleine moskee afvuurde; hij verloor het bewustzijn en werd naar het ziekenhuis gebracht. Maar toen hij dagen later bijkwam, zochten zijn kameraden hem op en vertelden ze hem dat hij goed werk had verricht; hij had zeventig Arabieren gedood. Ze zeiden ook dat ze toen ze hem bloedend hadden zien liggen, woedend de kleine moskee waren ingerend en de overlevenden hadden doorzeefd met kogels uit automatische wapens. Daarna waren ze de huizen in de buurt ingegaan en hadden ze iedereen die ze aantroffen neergeschoten. Toen ze ’s avonds het bevel hadden gekregen de kleine moskee te ontruimen, de zeventig lichamen weg te halen en te begraven, hadden ze acht andere Arabieren meegenomen om het spitwerk op de begraafplaats te doen; nadien hadden ze ook hen doodgeschoten en met de zeventig lijken meebegraven. [Mijn vet]

Martin Kramer heeft een vernietigende analyse gemaakt van het verhaal van Shavit over Lydda. Kramer is veel te bescheiden als hij zegt:

“ Ik kan geen absoluut zeker verhaal maken van de gebeurtenissen in Lydda op 12 juli 1948. Er zijn te veel hiaten en tegenstrijdigheden in het verslag. Maar met een beetje graven, heb ik er geen moeite mee gehad om twijfel te zaaien over Shavits dramatisering met behulp van eendimensionale stereotypen (…). “

“Maar wat ik in slechts een paar dagen archiefonderzoek ontdekte, was meer dan genoeg om mijn aanvankelijke twijfels over Shavit’s verhaal te versterken, en zou genoeg moeten zijn om op zijn minst een zaadje van twijfel te zaaien in de geest van elke lezer van ‘Mijn Beloofde Land’.”

Laat me de kern van de beschuldiging van Ari Shavit herhalen:

 “In 30 minuten, rond het middaguur, worden meer dan 200 burgers gedood. Het zionisme voert een bloedbad uit in de stad Lydda. “

Dit was op 12 juli 1948, midden in de Onafhankelijkheidsoorlog van Israël in een Lydda die vol zat met Arabische guerrilla’s en sluipschutters. Shavit heeft achteraf gezegd, in een poging om de schade te minimaliseren en zijn verraad en zijn spel in de handen van de Palmaffia-propaganda te bagatelliseren: “Ik maak echt bezwaar tegen mensen die Lydda uitkiezen en de rest van het boek negeren.”

Waarop Kramer antwoordt dat deze klacht het beste kan worden gericht aan de New Yorker, het tijdschrift dat, met toestemming van Shavit, precies het hoofdstuk over Lydda koos voor een voorpublicatie. Kramer beschrijft de verdere pogingen van Shavit om schade te beperken:

“In interviews en optredens van de afgelopen maanden is hij verder gegaan en heeft erop aangedrongen dat de daden van Israël in Lydda gezien moeten worden in de context van een meedogenloze oorlog in een meedogenloos decennium; dat de Arabieren de Joden slechter zouden hebben aangedaan; en dat westerse democratieën het slechter deden dan hun eigen “anderen”, van indianen tot Aboriginal Australiërs, dus wie zijn zij om morele rechtschapenheid te prediken aan Israël? Dit soort schadebeperking, ongeacht het effect op korte termijn, zal waarschijnlijk niet de enige waarschijnlijke impact op lange termijn van het boek van Shavit teniet doen: de bevestiging van de beschuldiging van een bloedbad in Lydda, uitgevoerd door het Zionisme zelf en daarmee de belichaming van het voortdurende historische schandaal dat is de staat Israël.”

Inderdaad: met behulp van Shavit kan Lydda op gelijke hoogte komen met de gruwel-mythe van Deir Yassin.

De belangrijkste vraag blijft, zegt Kramer, of het Zionisme, zoals Shavit beweert, een opzettelijk bloedbad heeft gepleegd in Lydda, een bewering die zonder enige kritiek is geslikt door bijna alle grote recensenten. Het wantrouwen van Kramer, zo meldt hij, werd aangewakkerd door verschillende factoren. Ten eerste paste het rapport van Shavit over de strijd om Lydda te mooi in zijn bredere bewering dat “het Zionisme” was geprogrammeerd om de Arabieren in Palestina te verdrijven en dat de Zionistische soldaten moordenaars van onschuldigen werden. Ten tweede is het een bekend verhaal dat Israëlische soldaten worden beschuldigd van oorlogsmisdaden, terwijl ze alleen doen wat alle soldaten doen in een oorlog: terugschieten als iemand op je schiet.

Shavit, zegt Kramer, beweert dat zijn verhaal is gebaseerd op interviews uit het begin van de jaren negentig. In die tijd, zo’n twintig jaar voor de publicatie van zijn boek, sprak Shavit ten eerste met Shmarya Gutman, de militaire gouverneur van Lydda, die na de slag om Lydda het vertrek van de Arabische inwoners regelde, ten tweede met Mula Cohen, de commandant van de Yiftah-brigade die de opstand in Lydda had neergeslagen en ten derde met iemand die Shavit identificeert met zijn bijnaam “Bulldozer”, de man die met een PIAT (Projector Infantry Anti tank) met een granaat de deur van de “kleine moskee” (Damash-moskee) in Lydda binnendrong en met één klap 30 of 70 of honderd mensen doodde: dit aantal hangt af van wie het verhaal vertelt.

Natuurlijk weet ik niet, zegt Kramer, hoe eerlijk Shavit van deze interviews uit de jaren negentig gebruik maakt, maar Kramer ontdekte dat al degenen die door Shavit werden geïnterviewd en die vochten in Lydda — Shmarya Gutman, Mula Cohen, “Bulldozer” en anderen — later ook door andere onderzoekers zijn geïnterviewd en dat die interviews ter plaatse in Lydda werden afgenomen, en. ​ ​ ​ ​ ​ op film. De tegenstrijdigheden die ik vond, zegt Kramer, tussen het verhaal van Shavit en die interviews vormden een patroon.

Ik vat verder het 9000 woorden tellende essay van Kramer parafraserend samen:

De slag in Lydda vond plaats van 11 tot 13 juli 1948. Op dat moment namen de reguliere Arabische legers al twee maanden deel aan de oorlog. Lydda ligt aan de weg tussen Tel Aviv en Jeruzalem, waar het Transjordaanse Arabische Legioen zeer actief was. Israëlische troepen, geregelde en ongeregelde, namen deel aan wat werd genoemd “de oorlog van de wegen” ook wel operatie “larlar” genoemd — (een acroniem voor de steden Lydda, Ramleh, Latrun, Ramallah) — een operatie die bedoeld was om een doorgang naar het uitgehongerde en belegerde Jeruzalem te forceren. (Onder de naam Latrun viel ook het nabij Latrun gelegen Deir Yassin.)

In die tijd had de Arabische stad Lydda ongeveer 40.000 inwoners, waarvan de helft vluchtelingen uit Jaffa en omgeving. Er waren ongeveer 125 soldaten van het Transjordaanse Arabische Legioen in de stad, maar ze werden gesteund door een veel groter aantal Arabische “ongeregelden” die zich al maanden aan het voorbereiden waren op de strijd. Op 11 juli voerde Moshe Dayan een korte aanval uit met een kleine strijdmacht op de randen van zowel Ramleh als Lydda. Diezelfde avond trok de Yiftah-brigade van 300 man Lydda binnen en nam de Grote Moskee en de Sint Joris-kathedraal in. Een groot aantal Arabische mannen werd opgesloten in de Grote Moskee. Het grootste deel van de stad bleef echter nog onder Arabische controle. Met name het politiebureau, dat eigenlijk een soort fort was, bleef een Arabisch bolwerk.

De volgende dag, 12 juli rond het middaguur, verschenen plotseling twee of drie Trans-Jordaanse gepantserde voertuigen aan de rand van de stad. De Arabieren van Lydda, die dachten dat het Transjordaanse Arabische legioen hen te hulp kwam, barstten uit in geweld: sluipschutters werden actief en granaten werden van de daken gegooid. Dat gebeurde vanuit de zogenaamde “Kleine Moskee”, de Dahmash-moskee : dus niet vanuit de grote moskee met de gevangen Arabieren. De Israëli’s vreesden een gecoördineerde aanval door Arabische soldaten van het Transjordaanse Arabische Legioen en de “ongeregelden” in de stad. Israëlische commandanten gaven de Israëlische eenheden het bevel om “vernietigend vuur”) te geven. De Grote Moskee met de gevangen Arabieren bleef intact, maar de Israëli’s doorboorden de Kleine Moskee (Dahmash Moskee) met een anti-tank raket afgevuurd vanaf de schouder met een PIAT door een man met de bijnaam “Bulldozer”.

Na een half uur was de strijd voorbij. De Arabische soldaten en “ongeregelden” ontruimden zonder verdere strijd het politiebureau. DE dag erna, op 13 juli, kreeg de hele burgerbevolking van Lydda het bevel de stad te verlaten. Daar waren redenen voor: vóór 11 juli hadden de Arabische leiders van Lydda zich overgegeven en de bevolking van Lydda was verzekerd dat ze in hun stad konden blijven, maar toen de Jordaanse gepantserde voertuigen verschenen, besloten de leiders van de stad om opnieuw te vechten. Ze hadden dus hun woord gebroken en nu werd de hele bevolking op weg naar Jordanië gestuurd. Op deze manier zorgden de Israëli’s ervoor dat ze geen vijandige stadsbevolking in hun achterhoede hadden tijdens de voortdurende strijd om de weg naar het uitgehongerde Jeruzalem.

Het opzettelijke bloedbad, dat volgens Shavit zo goed past in het karakter dat hij aan het Zionisme toeschrijft, zou hebben plaatsgevonden rond 12 uur op 12 juli 1948 in de Kleine Moskee, genaamd de Dahmash-moskee. Dat is tijdens dat half uur van intense gevechten die volgden op de verschijning van de gepantserde Jordaanse voertuigen. Als verhalenverteller, zegt Kramer, is Shavit een beetje chaotisch en gevoelvol, dus haalt Kramer de relevante passages in de tekst van Shavit aan en legt dan zijn vinger op de kern van wat die passages suggereren of beargumenteren. Kramer noemt dat een “meeneem-punt”, d.w.z. de kern van wat een gemiddelde lezer zou “meenemen” uit die passage. Vervolgens beoordeelt Kramer wat de “uitvoerders” in het verhaal elders in interviews hebben gezegd. Ik zal de punten van Kramer samenvatten, maar er zullen er minder zijn dan Kramer zelf noemt, omdat ik enkele punten van Kramer bij elkaar veeg.

1) Shavit wekt de indruk dat de stad op 11 juli al veilig in handen was van de Israëli’s en dat de Israëli’s niets te vrezen hadden van het Trans-Jordaanse Legioen. Maar dat is niet waar. Er waren soldaten van dat legioen in het politiebureau dat geen gewoon gebouw was, maar een zogenaamd “Tegart Fort”, gebouwd door de Britten en hoog gelegen in de stad Lydda. Shavit verbergt het fort-karakter van dat politiebureau en de aanwezigheid van die soldaten. Vandaaruit hadden de Arabieren een vrij schootsveld over een groot deel van de stad, en ze schoten inderdaad die dag rond 12 juli om 12 uur ’s middags vanaf het fort. Tijdens die beschietingen vanuit het fort van Tegart kwamen ook de reeds genoemde Jordaanse pantservoertuigen schietend aan de randen van de stad aan. Tegelijkertijd openden op dat moment in de hele stad openden “ongeregelde”het vuur en gooiden handgranaten. De Jordaanse soldaten gaven uiteindelijk het politie-fort op, waarschijnlijk vanwege gebrek aan munitie en het intense vuur dat de Israëli’s erop los lieten, maar dat feit werd pas op 13 juli opgemerkt door de Israëlische commandanten.

2) Shavit beweert dat niet alleen in de Grote Moskee, maar ook in de Kleine Moskee (Dahmash Moskee) gevangenen werden vastgehouden. Maar dat is gewoon niet waar: de Kleine Moskee lag buiten het door de Israëli’s ingenomen gebied, er werden geen gevangenen vastgehouden in de Kleine Moskee en de Israëli’s wisten gewoon niet wie of wat er in de Kleine Moskee aanwezig was. Tijdens het half uur van de intense schietpartij rond het middaguur werd echter vanaf een hoog punt van de Kleine Moskee een handgranaat naar de Israëli’s gegooid. De getuigenissen over wat de gevolgen van die granaat waren, verschillen: sommigen zeggen dat een soldaat een hand verloor, anderen zeggen dat twee Israëli’s gedood werden.

3) Daarop werd een schot afgevuurd met een PIAT op de deur van de Kleine Moskee door iemand die Shavit “Bulldozer” noemt. (Zijn echte naam was Shmuel Ben-David.) Shavit beschrijft hem als iemand die “getraumatiseerd” was en die “genot vond in doden”. Shavit wekt de indruk dat de deur van de Kleine Moskee door “Bulldozer” met die PIAT eruit werd geschoten in een sfeer van wraakzuchtige bloeddorst zonder dat een commandant daartoe een bevel had uitgevaardigd.

Maar commandant Gutman heeft in een later interview, opgenomen op film, verteld dat nadat twee Israëli’s waren gedood door een handgranaat die vanuit de Kleine Moskee werd gegooid, hij de moskee tot een legitiem militair doelwit verklaarde. Shavit wekt ook de indruk dat “Bulldozer” er helemaal niet zeker van was dat de handgranaat vanuit de Kleine Moskee werd gegooid. Dat hij werd geprovoceerd door de aanblik van een medesoldaat wiens hand werd afgescheurd door de granaat en dat hij op eigen initiatief met de PIAT dwars door de deur van de Kleine Moskee schoot. Dat “Bulldozer” dus met opzet de mensen wilde vermoorden die in de kleine moskee waren :

“Hij mikt niet op de minaret waarvandaan de granaten schijnbaar zijn gegooid, maar op de moskee-muur waarachter hij menselijke stemmen kan horen. Hij schiet zijn PIAT op de moskee-muur van een afstand van zes meter, waarbij hij zeventig mensen doodt.”

In bovengenoemd gefilmd interview heeft commandant Gutman echter zelf, met “Bulldozer” ter plaatse staande, verklaard dat hij inderdaad het bevel heeft gegeven om met de PIAT de deur te doorboren. Ook “Bulldozer” verklaarde zelf dat hij uitdrukkelijke opdracht had gekregen om met de PIAT naar de Kleine Moskee te gaan. De commandanten ter plaatse gingen er terecht van uit dat de granaat waarschijnlijk van binnenuit de moskee was gegooid, omdat niemand zo gek zou zijn geweest om dat vanaf de minaret te doen.

Het aantal van zeventig slachtoffers is een wilde gok, zegt Kramer. Het komt waarschijnlijk van een oude Arabische dorpeling die in 2002 door Shavit werd geïnterviewd voor een artikel. De man meldde dat dit aantal “werd genoemd”. In Joodse verslagen wordt een aantal van 30 slachtoffers genoemd en in Arabische verhalen soms honderden. Waarom Shavit het aantal 70 heeft gekozen, zegt Kramer, is onduidelijk.

4) Als “Bulldozer” de PIAT vanaf zijn schouder afvuurt in de kleine ruimte van de smalle steeg raakt hij ernstig gewond door de terugslag van het wapen. Shavit schrijft:

“En als de PIAT-operator zelf gewond raakt, wordt het verlangen naar wraak nog sterker. Sommige soldaten van het 3e Regiment besproeien de gewonden in de moskee met geweervuur.”

Shavit zegt dat “Bulldozer” hem vertelde dat zijn kameraden, die hem in het ziekenhuis bezochten, het volgende zeiden:

 “Ze vertelden hem dat ze, vanwege de woede die ze voelden toen ze hem zagen bloeden, de kleine moskee waren binnengelopen en de overlevende gewonden met automatisch vuur hadden besproeid.”

Maar Kramer heeft drie getuigenissen gevonden die in tegenspraak zijn met wat de kameraden in de herinnering aan Bulldozer zouden hebben gezegd toen zij aan zijn ziekbed stonden. Maar deze getuigenissen tonen niets van bloeddorstigheid. Integendeel. Deze getuigen die daadwerkelijk de moskee binnengingen waren geschokt door wat ze aantroffen. De getuigen waren verbaasd over de mate van vernieling die de PIAT had aangericht en vroegen zich af of er misschien een stapel granaten in de moskee geraakt was. De getuigenissen tonen voorts aan dat het standaardprocedure was om een dergelijk gebouw binnen te gaan al vurend en handgranaten gooiend, omdat je niet weet of er overlevende vijanden zijn met wapens die je opwachten om je te doden. In de moskee zijn inderdaad wapens gevonden.

5) Direct nadat de ramp zich in de Kleine Moskee heeft voltrokken, gebeurt er volgens Shavit het volgende:

 “Anderen gooien handgranaten in naburige huizen. Weer anderen brengen machinegeweren in de straten in stelling en schieten op alles wat beweegt. Na een half uur van wraak zijn er tientallen lijken in de straten en 70 lijken in de moskee. ​In 30 minuten, tegen de middag, worden meer dan 200 burgers gedood.”

 In de voorpublicatie In de New Yorker werd het nog erger:

 “In 30 minuten werden 250 Palestijnen vermoord”.

Kramer, zo merk ik op, is in zijn kritiek erg feitelijk en besteedt nauwelijks aandacht aan de bevooroordeelde en demoniserende toon van Shavits beschrijvingen van het verloop van de strijd. Een lezer die zich laat meeslepen door het proza van Shavit, zou gemakkelijk de indruk kunnen krijgen dat de Joden de enigen waren die aan het schieten waren.

Shavit, zegt Kramer, baseert dat aantal van 200 gedode Arabische burgers op Benny Morris, voor wie dat onbevestigde getal reden is om te beweren dat het een bloedbad was. Morris speculeert: als je kijkt naar de weinige Israëli’s die werden gedood, kan er nauwelijks sprake zijn geweest van “strijd”. Maar Shavit, aldus Kramer, verbergt het feit dat niet alleen Morrris over Lydda heeft geschreven en dat er een controverse bestaat onder historici over dit aantal en over de bewering dat al deze slachtoffers burgers waren. Shavit doet alsof de kwestie duidelijk is en misleidt zijn internationale lezerspubliek. Shavit suggereert ook dat de Israëli’s — “het Zionisme” — zijn uitgebarsten in een ongecontroleerde orgie van geweld. Dat is niet zo: de Israëli’s handelden gedisciplineerd en onder bevel terwijl ze van alle kanten onder sluipschutters-vuur lagen.

6) Shavit schrijft

“Maar dan komt er nieuws over wat er in de kleine moskee is gebeurd. De militaire gouverneur beveelt zijn mannen om de doden te begraven en het belastende bewijsmateriaal te verwijderen.”

“ ‘ S Nachts, toen ze het bevel kregen om de kleine moskee schoon te maken en de zeventig lijken naar buiten te brengen en ze te begraven, namen ze acht andere Arabieren mee om de begraafplaats te graven en schoten hen daarna ook neer, en begroeven de acht met de zeventig. [mijn vet]

Shavit probeert de indruk te wekken dat ”het Zionisme” net zo erg was als het Holocaust-Nazisme en dat de joden hun Nazi-achtige misdaad zo snel mogelijk wilden verdoezelen. Maar de snelheid waarmee de doden werden begraven, had waarschijnlijk te maken met de “zware hitte” waarover Shavit ook spreekt. Verder is er een interview uit 2003 met . . . . . een van die vermoorde grafdelvers, Fayeq Abu Mana (“Abu Wadi”), die twintig jaar oud was in 1948. Hij vertelt de begrafenis te hebben gedaan met zijn broer en neef in een ploeg van tien man. De verklaring van zijn vrouw dat alle doodgravers gevangen zijn genomen nadat ze hun werk hadden gedaan, stond een paar maanden geleden nog online, maar is nu verdwenen.

Ik vind het merkwaardig dat Kramer zo weinig ophef maakt over dit laatste essentiële punt: het feit dat de moord op de doodgravers een fabeltje is en dat het ontmaskeren ervan berust op solide bewijsmateriaal. Ik was in het bijzonder geschokt door dit detail, dat inderdaad een Nazi-achtige mentaliteit zou hebben weerspiegeld, hoewel het zelfs in dat geval een incidentele misdaad zou zijn gepleegd door een beperkte groep Joodse daders.

Kramer vat zijn oordeel samen:

 “(…) Zijn niet alleen enkele van de beweringen van Shavit onmogelijk te verifiëren, maar door te vertrouwen op dezelfde ooggetuigen die door Shavit zijn geïnterviewd (en een paar die hij had moeten interviewen), kan men vrij gemakkelijk een heel ander verhaal construeren dan het zijne. Dat is niet het verhaal van een wraakzuchtig ‘bloedbad’ gepleegd door ‘het Zionisme’, maar van collateral damage in een stad die in een slagveld is veranderd. Dit is Lydda niet als een ‘zwarte doos’ maar als een grijze zone — een bekende zone, aangezien vele honderden Israëlische militaire operaties in stads- en dorpskernen daaronder vielen. In deze grijze zone, niet in de ‘zwarte doos’ van Shavit, schuilt de echte complexiteit. Maar nergens geeft Shavit zijn lezers een idee dat iets in zijn dramatische verhaal van Lydda wordt betwist. Integendeel, aan het einde van zijn bronnen-notities staat deze verzekering.” [mijn vet]

En dan citeert Kramer die geruststelling van Shavit aangaande zijn gewetensvolle bronnen-gebruik:

“[Shavit]Ik heb honderden boeken en duizenden documenten gelezen. ​Om er zeker van te zijn dat alle details kloppen, werden mondelinge geschiedenissen gecontroleerd en dubbel gecontroleerd aan de hand van de geschreven geschiedenis van Israël. Het opwindende proces van het interviewen van belangrijke personen was verweven met een nauwgezet proces van gegevens-verzameling en feiten-controle.”

 “Een nauwgezet proces van gegevens-verzameling en feiten-controle”? Kramer wijst op het feit dat Shavit in deze zelfde “bronnen-notities” zichzelf tegenspreekt. Want Shavit zegt ook dit:

“Het is geen academisch geschiedkundig werk. Het is eerder een persoonlijke reis door hedendaags en historisch Israël.”

Inderdaad zou ook mijn vraag luiden: wat zal het zijn? Een persoonlijke reis of een nauwgezet proces van gegevens-verzameling en feiten-controle.”

Dat is trouwens dwaasheid, zegt Kramer, want niemand kan een persoonlijke reis boeken naar een dag in 1948. Ook Simon Schama, een van de “grandees” van de Engelse geschiedschrijving, krijgt een sneer van Kramer. Schama, zegt Kramer, gelooft dat het boek van Shavit tegelijkertijd “zonder het minste spoor van fictie” is en ook een daad van “fantasierijke herbeleving”. Ja, ook ik zelf ken Schama zelf als een gepassioneerde herbelever van de geschiedenis.

Wat ik in Savits boek Stockholm-syndromatische schizofrenie heb genoemd, heeft ook de aandacht van Kramer getrokken. De tegenstrijdigheden van Shavit met betrekking tot het karakter van het Zionisme zijn onoplosbaar, zegt Kramer. En citeert er twee:

“Het bloedbad in de kleine moskee zou een misverstand kunnen zijn, veroorzaakt door een tragische reeks toevallige gebeurtenissen.”
“Gutman voelt dat hij zijn doel heeft bereikt. Bezetting, bloedbad en mentale druk hebben het gewenste effect gehad.”

 Wat gaat het worden, vraagt Kramer? Zionisme als een kwaadaardige ideologie van massamoord en etnische zuivering, of niet? Dat is de fundamentele vraag. Omdat we het hebben over de stichtings-ideologie van Israël. Dus als Shavit het Zionisme als inherent slecht wil karakteriseren, wat hij inderdaad doet, kan hij niet eisen dat deze ideologie wordt erkend als een afspiegeling van de geest van de grondlegger van Israël.

Kramer citeert nóg zo’n onoplosbaarheid van Shavit:

“Laten we Lydda niet vergeten, laten we Lydda erkennen. Maar laat niemand Lydda gebruiken om te twijfelen aan de legitimiteit van Israël.”

Maar dat, zegt Kramer, is natuurlijk precies wat de propaganda van Israëls vijanden gaat doen. En dat had Shavit moeten weten.

Ik wil Kramer niet verbeteren, maar volgens mij is de kern van het probleem dat Shavit op dit punt eindelijk éénmalig de consequenties van zijn tegenstellingen-gegoochel onder ogen ziet. Hij zegt namelijk dit:

Eén ding is me wel duidelijk: de brigadecommandant en de militaire gouverneur waren terecht kwaad op de krokodillentranen huilende progressieve Israëliërs die jaren later afkeurden wat ze in Lydda hadden gedaan, maar wel de vruchten plukten van hun daad. Ik keur af wat ‘Bulldozer’ deed. Ik veroordeel de sluipschutter. Maar ik spreek geen banvloek uit over de brigadecommandant, de militaire gouverneur en de jongens van het trainingsteam. Integendeel, zo nodig schaar ik me achter deze verdoemden. Ik besef namelijk dat als zij er niet waren geweest, de geboorte van de staat Israël niet zou hebben plaatsgevonden. Zij hebben het smerige, vuile werk gedaan waardoor mijn volk, ikzelf, mijn dochter en mijn zoons kunnen leven.” [mijn vet]

Shavit: “Lydda is een integraal en essentieel onderdeel van ons verhaal. En als ik er eerlijk over probeer te zijn, zie ik dat de keuze grimmig is: ofwel het zionisme afwijzen vanwege Lydda, of het zionisme accepteren samen met Lydda.”

Dus Shavit wil allesbehalve de Stockholm-syndromatische patiënt zijn die ik van hem heb gemaakt. Hij wil een volwassen en zelfs stoere vent zijn, die zich bewust is van de feiten van het leven. En van de oorlog. Hij is geen bleeding-heart progressieveling. Hij is complexer dan dat. Zoals hij zegt in zijn “Inleiding”:

“En als columnist vecht ik zowel rechtse als linkse dogma’s aan. Ik heb geleerd dat er geen eenvoudige antwoorden zijn in het Midden-Oosten en geen snelle oplossingen voor het Israëlisch-Palestijnse conflict. Ik heb me gerealiseerd dat de Israëlische toestand buitengewoon complex is, misschien zelfs tragisch.”

En dat geldt natuurlijk ook voor Ari Shavit zelf: “buitengewoon complex, misschien zelfs tragisch”. Misschien is Ari Shavit complexer dan het leven, zoals John Wayne groter was dan het leven. Maar Stockholm-syndroom of niet, onder Shavit’s dualistische woord-diarree ligt één boodschap: de joden zijn schuldig, Israël is schuldig, het zionisme is schuldig en Shavit wil deelnemen aan de schuld. Hij zegt: kijk naar mij, de immens begaafde, gekwelde en tragische Jood. Hij vermengt het met die typische linkse variant van zelfmanifestatie die een Gutmensch betaamt: veel begrip tonen voor “de Palestijnen”, wat hem natuurlijk een zoveel betere man maakt dan rechtse “Likudniks”.

Zelfmanifestatie, zelfverheffings-neurose, better-than-thou-ism: het boek staat vol met die typische linkse narcistisch-hedonistische ijdelheid. En het maakt hem schijnbaar niet uit of zijn beschuldigingen in de kaart spelen van Israëls en Shavits eigen doods-vijanden, de vertegenwoordigers van de oudste manifestatie van een Nazi-mentaliteit op aarde: de islam.

Het grote feit blijft natuurlijk dat hij de fouten van een Zionisme erkent die hij zelf heeft opgeblazen tot oorlogsmisdaden.

Ook Efraim Karsh heeft bijgedragen aan de Shavit-Lydda-discussie. Karsh, die de leugens heeft ontkracht van de ‘bezetting’ door Israël van Samaria-Judea (“de Westbank) fundamenteel heeft ontkracht, is ook de auteur van ‘Palestine Betrayed‘ (2010), een studie waarin, op basis van nieuwe vrijgegeven Britse archieven, gedetailleerd bewijs wordt geleverd dat er geen etnische zuivering plaatsvond tijdens de Onafhankelijkheidsoorlog van Israël in 1948. De uitzonderlijke uitzettingen van Arabieren door de Joden werden gedicteerd door de omstandigheden van oorlog, een oorlog die werd gestart en ondersteund door de Arabische landen.

 Gesteund door deze gespecialiseerde kennis kwam Karsh tussenbeide in het Shavit-Lydda-debat met een artikel van 6 juli 2014 getiteld “The Uses of Lydda“. Karsh wijst erop dat er vanaf 1948 tot op heden altijd lasterlijke beschuldigingen zijn geweest van bloedbaden en etnische zuiveringen gericht tegen Israël en Israëli’s. Deze beschuldigingen hebben zelfs een terugwerkende kracht aangenomen: de “nieuwe historici” van de generatie Benny Morris, Avi Shlaim en Ilan Pappé hebben beweerd —heel vaak aantoonbaar via opzettelijke vervalsing van de geschiedenis! — dat deze slachtpartijen en etnische zuiveringen een integraal onderdeel waren van het zionisme. Met “My Promised Land”, zegt Karsh, heeft Shavit zich aangesloten bij dit kamp van dat lasterlijke “post-Zionisme”. Later heeft Shavit geprobeerd zich te distantiëren van deze leugenachtige verraders door te beweren dat het helemaal niet zo bedoeld was. Maar de schade, meent Karsh, is aangericht en de islamitisch-Arabisch-Palmafiose propaganda in samenwerking met de westerse mainstream-pers zal goed gebruik maken van Shavit’s laster om de haat tegen Joden en de Israëlische haat wereldwijd te stimuleren.

In zijn “The Uses of Lydda” prijst Kramer’s “Wat gebeurde er in Lydda“. De verdrijving van de bevolking van Lydda in 1948, zegt Karsh, was de uitzondering die de regel bewees: “het Zionisme” had geen plannen voor massamoord en etnische zuivering. Tegen Shavit, die beweert dat de verdrijving van de bevolking van Lydda “een onvermijdelijke fase van de Zionistische revolutie” was, antwoordt Karsh:

Als er echter iets onvermijdelijks was aan de verdrijving van Lydda, dan lag de oorzaak niet bij het Zionisme, maar bij de acties van Palestijnse Arabische leiders en hun tegenhangers in aangrenzende Arabische staten. Als deze notabelen de VN-verdelings-resolutie hadden aanvaard waarin werd opgeroepen tot de oprichting van twee staten in Palestina, zou er in de eerste plaats geen oorlog en geen ontwrichting zijn geweest. Wat Lydda zelf betreft, was er geen uittocht voorzien in de Israëlische militaire plannen voor de verovering van de stad, of werd overwogen in de beginfase van de bezetting. Integendeel: de Israëlische commandant verzekerde lokale hoogwaardigheidsbekleders dat de inwoners van de stad mochten blijven als ze dat wilden. In overeenstemming met die belofte heeft de Israëlische bezettingsmacht ook een bekwame administrateur en ander personeel verzocht om de zaken van de burgerbevolking te behartigen.”

Dit alles werd irrelevant toen de notabelen en inwoners van de stad, in plaats van zich te houden aan hun overlevering-sovereenkomst met de IDF, probeerden de Israëli’s met geweld te verjagen. Toen de zwakke grip op Lydda van het IDF genadeloos werd blootgelegd besloot het IDF het vertrek ‘aan te moedigen’ van de bevolking van Lydda naar door de Arabieren gecontroleerde gebieden een paar mijl naar het oosten, om geen potentieel broeinest van gewapend verzet achter te laten. In een gebied waar het Arabische Legioen van Jordanië met kracht in de tegenaanval was, was het essentieel om elke verstoring van lopende oorlogsoperaties te voorkomen.

Deze spontane reactie van de IDF op een reeks onverwachte ontwikkelingen ter plaatse was niet kenmerkend voor het algemene Israëlische gedrag. Toen [in Lydda] en gedurende de gehele oorlog mochten inwoners van andere Arabische plaatsen die zich vreedzaam hadden overgegeven aan Israëlische troepen op hun plek blijven. In dit opzicht was Lydda een van de weinige uitzonderingen die de regel bevestigden, niet — zoals Shavit beweert — de regel zelf.

Die paar uitzonderingen vertegenwoordigde bovendien slechts een klein deel van de totale uittocht. Er werden aanzienlijk meer Palestijnen uit hun huizen verdreven door hun eigen leiders en/of door Arabische strijdkrachten dan door het Israëlische leger. In feite zijn er geen hedendaagse bronnen die de ineenstorting en verspreiding van de Palestijnse samenleving beschrijven als, in de woorden van Shavit, ‘een onvermijdelijke fase van de zionistische revolutie’.” [mijn vet]

Nog één keer Martin Kramer:

“[De beweringen van de ‘nieuwe historici’] zijn steeds extravaganter geworden: ten eerste de sluipende herclassificatie van complexe veldslagen als ‘bloedbaden’ en vervolgens de verspreiding van het idee dat de leiders van Israël ‘de officieren dekten die de moordpartijen uitvoerden’. En tenslotte de bloemrijke uitwerking van die pas ontdekte ‘bloedbaden ‘ in populaire werken, variërend van ‘tot de verbeelding sprekende herbeleving’ [imaginative reenactments] tot theatrale toneelstukken. Gedurende de laatste 30 jaar hebben nieuwe mythen (onder het mom van “nieuwe geschiedenis”) de oude vervangen (de veel bespotte “oude geschiedenis”). Dit proces heeft nu zijn hoogtepunt bereikt in een enkele decadente zin, geschreven door Ari Shavit en verschuldigd aan Benny Morris: “Het zionisme pleegt een bloedbad in de stad Lydda.” [mijn vet]

Rest mij nog op te sommen wat ik verder nog aan interessants vond om te lezen rond “Lydda”, maar waaraan ik niet toegekomen ben. Zoals ik al zei: het weerleggen van de laster-leugens over Israël is een wetenschap op zich geworden:

Benny Morris, “Zionism’s ‘Black Boxes’ “, (July 13, 2014), Martin Kramer, “Distortion and Defamation”, (July 20, 2014), Martin Kramer, “The Meaning of ‘Massacre”, (July 28, 2014, Alex Safian, “Ari Shavit’s Lydda Massacre”, Naomi Friedman, “What primary Sources tell us about Lydda 1948”, Sol Stern, “The Triumph and Tragedy of Ari Shavit’s My Promised Land