************************************************************
LAATSTE UPDATE EN BEWERKING:  24 februari 2021. Ik zit even in ’n periode van intensieve bewerking van de tekst en dat kan betekenen dat u wat meer typo’s tegenkomt , soms de indeling van het opstel korte tijd niet helemaal klopt en er dubbele alinea’s in zitten.
************************************************************

Onderstaande “Korte geschiedenis van Israël” is voor het eerst gepubliceerd in februari 2013. Gaandeweg heb ik tot mijn eigen verbazing gemerkt dat het misschien wel de beste en meest beknopte inleiding-op-Israël is die er in het Nederlands bestaat. Wie dit gelezen en werkelijk begrepen heeft, kan zich voegen bij degenen die in verbijstering leven over het totale gebrek aan werkelijke kennis in media, politiek en onderwijs inzake die geschiedenis .

De tekst valt natuurlijk altijd te verbeteren en de geschiedenis staat ook niet stil. Vandaar de titel: “Werk in Uitvoering”. Aanvankelijk mede-auteur Roelf-Jan Wentholt heeft na de “oerpublicatie” door omstandigheden moeten afhaken. Ik had ‘m graag blijven opvoeren als co-auteur, maar inmiddels heb ik alles zo vaak en grondig omgewerkt dat het gewoon niet meer waar is.

De dagelijkse strijd zoals ik die voer tegen het duo Israëlhaat & islamofilie in de mainstream-media kunt u hier en hier en hier en hier en hier volgen. (MARTIEN PENNINGS)

NABLUS ROAD PICTURE

EEN KORTE GESCHIEDENIS VAN ISRAËL 

Door Martien Pennings

INHOUD:

1) De historische en morele rechten van de Joden in Palestina: dé-kolonisatie en humanisering door de Joden vanaf 1880
2) De historische en morele rechten van de Joden in Palestina geformaliseerd: San Remo 1921
3) De in San Remo geformaliseerde historische en morele rechten van de Joden in Palestina versterkt door het oorlogsrecht
a) 1920 – 1945: Moefti-terreur en samenwerking met Hitler

b) 1945 – 1948: oorlog en stichting van Israël
c) 1948 – 1973: juni-oorlog van 1967, Israël gedwongen tot “bezetting”
d) 1973 – 2016: Jom Kippoer-oorlog van 1973, Arafats verraad in Oslo, Obama
4) Ontwikkelingen onder president Trump
5) Verenigde Naties, Israël,  Internationaal Recht
6) Samenvatting

1) De historische en morele rechten van de Joden in Palestina: dékolonisatie en humanisering door de Joden vanaf 1880

We hoeven het onstaan van het Zionisme hier niet uitgebreid te bespreken. Theodor Herzl woonde het Dreyfuss-proces van 1894 bij en de rest is geschiedenis. Die geschiedenis van het Zionisme was trouwens vanaf 1880 al van zichzelf begonnen, want gedreven door de pogroms in Oost-Europa, en vooral die in Rusland, waren Europese Joden toen al bezig in bescheiden aantallen richting Palestina te trekken. De pogroms waren een push-factor, maar er was ook een pull-factor: in de 19e eeuw bestond in Joodse kringen een veel te rooskleurige beeld van de aard van de islam. Nóg een pull-factor: al vele eeuwen luidde de rituele wens in vele Joodse gezinnen in de diaspora bij religieuze feesten: “Volgend jaar in Jeruzalem”. Al vluchtten vele Joden vanuit Europa ook richting Amerika.

De landstreek Palestina zuchtte vanaf het jaar 638 na Christus voortdurend onder islamitische bezetters. Het wordt eigenlijk altijd door zo’n beetje iedereen vergeten, maar de Arabieren zijn in Palestina koloniale, imperialistische veroveraars. Palestina werd door de moslims veroverd in het kader van een veel grotere veroveringsoorlog die de islamitische hordes vanaf het jaar 632, het jaar van de dood van de mythische “Profeet Mohammed”, tenslotte in 100 jaar tijds in het oosten tot in Afghanistan en in het westen tot in Zuid Frankrijk bracht. Toen de Arabische moslims Palestina binnenvielen hadden de Joden daar al een geschiedenis van 2000 jaar achter de rug. Regressief-linkse Israëlhaters en verdere islamofiele antisemieten mogen alléén al op deze grond nooit meer spreken over Israël als een “neokoloniale” onderneming.

Á propos “neo-koloniaal”: men moet de aliyah van Joden vanuit de wereldwijde diaspora naar Palestina zien als een daad van dé-kolonisatie na 1300 jaar islamitische bezetting. Wil men het per se zien als kólonisatie, dan was het toch een uiterst humane kolonisatie, eigenlijk een vorm van ontwikkelingshulp. Want Palestina was in 1880 een nagenoeg ontvolkt en desolaat gebied, door verwaarlozing vervallen tot een streek van woeste gronden, moerassen en tot op de rotsgrond geërodeerde heuveltoppen. De Joden brachten in Palestina vanaf 1880 een ongekende welvaart op gang. Door een geweldige krachtsinspanning van de Joden werden armoede en stagnatie overwonnen. Het gewetenloze irrationalisme van de islam dat altijd en overal de vorm aanneemt van maffioos, feodaal bestuur, werd, waar de joden bestuurden, verdrongen door de Joodse cultuur van redelijkheid en rechtvaardigheid.

Klaus-MichaelMallmann en Martien Cüppers zeggen het in hun baanbrekende studie “Halbmond und Hakenkreuz”(2006) als volgt:

“( . . .) het project had weinig gemeen met het bestaande Westerse kolonialisme in Afrika en Azië. De verwerving van kolonieën gebeurde in het algmeen om controle te krijgen over grond- en delfsoffen en om de arbeid van inheemse mensen te exploiteren. Terwijl Palestina aan de Joodse immigranten geen gunstige economische siutatie bood. Er moest zwaar geïrrigeerd en ontgonnen worden en er er kwam zwaar lichameljk werk bij kijken, jaren van wachten op de beloning van hun arbeid en een beust afzien van de meeste vomen van relateve welvaart en urbaniteit. Dit was de enige manier, zo geloofde de Joodse pioniers, om zich te bevrijden van het getto en deszelfs mentaliteit en om hun historische cliam op Eretz Israël te transfomeren in een morele claim.”

Deze schrijvers geven weliswaar een eenzijdig beeld van het Westerse kolonialisme, want dat bracht inheemse bevolkingen natuurlijk ook het een ander aan positiefs, maar het contrast met wat de Joden in Palestina deden is inderdaad groot.

De geschiedschrijving van Israël is totaal verpropagandiseerd. Alleen al de vraag hoe de demografie van Palestina was bij de komst van de Joden, dus vanaf 1880 en hoe die zich sindsdien heeft ontwikkeld, is een kwestie geworden waarin oprecht zoeken naar waarheid en manipulatie zich vermengen. De demografen buitelen over elkaar hen in nietes-welles inzake de volgende vragen: wie woonden in Palestina tussen 1880 en 1948 en wie kwamen er nieuw wonen? En was er een flinke Arabische instroom vanuit de buurlanden? Of ging het om een natuurlijke aanwas van de alreeds in Palestina wonende Arabieren? En was het nou de verdienste van de Joden dat Palestina economisch en demografisch bloeide of kwam zulks doordat het hele Middellandse Zeegebied sowieso in de lift zat?

Datzelfde geldt voor de staat van de landbouw vóór de komst van de Joden: was die nou weelderig bloeiend met zwaar-arige korenvelden, volsappige sinaasappelplantages en persklare olijfbomen of was Palestina nou woest, ledig, dor met hier en daar een malariamuggenmoeras? Ik zou ook niet meer weten waaraan je je vast moet houden . . . . . of toch! The Jewish Virtual Library is een prachtbron, maar dan mag je wel een maand of drie uittrekken voor je studiën.

Hoe dan ook: er bestaan nogal wat getuigenissen dat in de periode van 40 jaar tussen 1880 tot 1920 de Joden in Palestina een metamorfose ten goede teweeg brachten. U zou daartoe kunnen lezen “Palestine, a land virtually laid waste with little population” en “George Gilder, De Economie van Nederzetting: Joden en Palestijnen sinds 1880”.

Ik heb voorts de kwesties van demografie & grondbewerking bestudeerd via een alleraardigst literatuuroverzicht op Wikipedia: “Demographics of the Palestinian territories”. Daar leren we inzake grondbewerking dat in de 19e eeuw Palestina weliswaar voor misschien wel 90% woest en ledig was, maar dat er bepaalde streken waren waar de landbouw wél ontwikkeld was. Dat mag zo zijn, maar mij zijn geen verhalen bekend van Joden die Palestijnse Arabieren uit die vruchtbare streken hebben verdreven en het land hebben gestolen. Misschien hebben ze ooit incidenteel zo’n vruchtbaar stuk voor veel te veel geld gekocht van de Turkse of Syrische, feodale en absenteïstische landheer, maar de gangbare praktijk was dat de Joden een onmogelijk dor stuk land kochten met eventueel nog een malariamuggenmoeras erin en dat dan tot bloei brachten.

Ik denk dat de kwestie tenslotte vrij simpel is, want alleen al uit de ontwikkeling van de bevolkingsaantallen kan men concluderen dat de komst van de Joden naar Palestina een zegen voor de aldaar wonende Arabieren was. Want oftewel de Arabieren waren zich ineens geweldig aan het voortplanten oftewel er is tussen 1920 en1948 een enorme instroom van Arabieren geweest. Misschien wel beide. In elk geval ging hun aantal van ongeveer zevenhonderd-duizend naar ongeveer twee miljoen in nog geen 30 jaar. Mijn natte vinger en nekharen zeggen: er is een geweldige instroom geweest en dus waren die Arabieren in Palestina grotendeels net zulke nieuwkomers als de Joden. Daarom is het idee dat  de “Palestijnse vluchtelingen” allemaal echte, authentieke oerbewoners zouden zijn van Palestina, niets dan kwaadaardige propaganda. Nog afgezien van de aanwezigheid van de Joden in Palestina gedurende millennia.

Zie voor de cijfers (1): in 1920 meldde de Volkenbond (Interim Report on the Civil Administration of Palestine) dat er niet meer dan 700.000 (zevenhonderd-duizend) mensen in Palestina woonden: “Het land is onderbevolkt door dit gebrek aan ontwikkeling. Er zijn nu in heel Palestina nauwelijks 700.000 mensen, een bevolking veel minder dan die van alleen al de provincie Gallilea in de tijd van Christus. ”
Zie voor de cijfers (2): in 1948, dus in nog geen 30 jaar tijd, was het bevolkingsaantal volgens een VN-rapport (UNSCOP) gestegen naar 1.900.000 (bijna twee miljoen dus), waarvan 68% Arabieren en 32% Joden. De Jewish Virtual Library geeft 1.970.000 voor het jaar 1947.

Vandaar de grote vraag: wat had het kunnen betekenen als niet Amin-al Husseini, de Moefti van Jeruzalem – over hem verderop veel meer! – met koran en soenna in de hand vanaf 1920 haat had gepredikt en terreur had georganiseerd zowel tegen Joden als goedwillende Arabieren?

(Tussen haakjes en vooruitlopend op de geschiedenis: datzelfde verschijnsel van welvaartsgroei voor Palestijnse Arabieren deed zich nóg een keer voor na Israëls overwinning in juni 1967 in de door de Arabieren begonnen Zesdaagse Oorlog. Israël werd toen, door de weigering van de Arabieren om ueberhaupt te onderhandelen – het drie keer nee van Khartoemgedwongen het bestuur van Samaria-Judea (“de Westbank”) op zich te nemen. Vrijwel meteen ontstond er meer welvaart en dynamiek, waardoor Arabieren uit vooral Jordanië naar “de bezette gebieden” trokken. Dat was mogelijk door het “open bruggen beleid” richting Jordanië dat Israël aanvankelijk voerde en dat mogelijk bleef zolang de terroriserende Palmaffia’s nog geen greep hadden kunnen krijgen op de bevolking en Israël overal het bewind voerde.)

2) De historische en morele rechten van de Joden in Palestina geformaliseerd in het Verdrag van San Remo: april 1920

Na en door de afloop van de Eerste Wereldoorlog kreeg de Joodse migratie naar Palestina een beslisende impuls. Het verhaal begint bij de Balfourverklaring. Dat essentieële document bij het ontstaan van Israël kwam tot stand in onderhandelingen tussen de Zionistische leider Chaim Weizmann en de Engelse minister van Buitenlandse Zaken Arthur Balfour. Op 31 oktober 1917 stemde het Engelse kabinet in met de voorgestelde tekst ten gunste van een Joods nationaal thuisland in Palestina, een tekst die gepubliceerd werd op 2 november daaraanvolgend, direct na de Britse overwinning op de Turkse troepen in de derde slag om Gaza.

Balfour had, behalve Joodlievende, vooral opportunistisch-strategische overwegingen. Hij meende dat een Engelse pro-zionistische verklaring via de “nationale” Joodse lobbies in Ruslan en Amerika de Russen in de oorlog zou houden en de Amerikanen aan zou moedigen zich in de strijd te mengen. En een tweede paard om op te wedden behalve de Arabieren was altijd handig in verband met de kwetsbaarheid van het Suezkanaal. Balfour wenste voorts de Duitse pogingen te verijdelen om de Zionistische beweging voor zich te winnen.

Het Ottomaanse rijk, dat aan de kant van Duitsland-Oostenrijk-Hongarije had gevochten, behoorde dus tot de verliezers en werd opgedeeld. Bij de conferentie van San Remo vaN APRIL 1921 werd aan de Britten de opdracht verstrekt om in Palestina een Joods nationaal tehuis te stichten. Palestina besloeg toen het gebied van het huidige Israël plus het gebied ten westen van de Jordaan dat al eeuwen Samaria-Judea heette(“de Westbank”) plus het hele gebied ten oosten van de Jordaan dat nu Jordanië heet  en indertijd Trans-Jordanië plus Gaza plus de Golan-hoogte  De Britten gingen het bestuur over dit gebied voeren met een mandaat van de Volkenbond.

Vanaf die tijd spreekt men van het Britse Mandaat. Er wordt door Israëlhaters wel eens gezegd dat die Volkenbond een club van koloniale imperialisten was, die toevallig de Eerste Wereldoorlog had gewonnen, maar het was op dat moment het fatsoenlijkste wat de wereld te bieden had en in elk geval een stuk fatsoenlijker dan de huidige Verenigde Naties die sinds de jaren 1970 steeds meer in een club van misdadiger-staten is veranderd en inmiddels een speelbal is geworden van een hechte maffia van 57 islamitische staten, verenigd in de OIC, de Organisation of the Islamic Cooperation. Israelhaters kennen met hetzelfde gemak als waarmee zij het gezag en de wettigheid van de Volkenbond verwerpen, een geweldig moreel gezag toe aan de door de OIC overheerste Algemene Vergadering van de VN. Geestelijke lenigheid kan je hen niet ontzeggen.

Je kunt daar cynisch over dat Mandaat doen en uiteraard waren er Franse en Engelse strategische overwegingen en olie-belangen in het spel – het Suezkanaal! – maar de Volkenbond was direct na de Eerste Wereldoorlog wel het humaanste en legitiemste dat de wereld op dat moment te bieden had. President Woodrow Wilson van Amerika heeft misschien te weinig invloed op de conferentie van San Remo kunnen uitoefenen, maar zijn slogan voor die bijeenkomst was “Make the world safe for Democracy”. Dat tekent de geest waarin met de erfenis van de Ottomaanse Turken werd omgegaan.

Die Conferentie van San Remo van april 1921 besloot dus dat er zogenaamde Mandaat-gebieden zouden komen. “Mandaat”, het woord zegt het al: er werd gezag verleend maar ook een opdracht. De Fransen kregen als Mandaatgebieden Syrië en Libanon. De Engelsen kregen – als gezegd – Palestina plus Trans-Jordanië als mandaatgebied. Ook Irak werd Engels Mandaatgebied. De opdracht aan de Engelsen was heel duidelijk: de stichting in dat mandaatgebied van een Joods nationaal tehuis. Waarbij expliciet werd gesteld dat dit tehuis ook Joden van buiten het gebied welkom moest heten en dat de rechten van de al aanwezige bevolking in acht moesten worden genomen. Dat laatste is ook gebeurd: wat door Joden aan land werd verworven, werd altijd dik betaald. Vóór 1948 werd geen enkele Arabier van zijn land verdreven en ná 1948 alleen vanwege de oorlog die door de Arabische landen en de Moefti was begonnen. Dat verdrijven gebeurde dan bovendien nog slechts incidenteel uit puur militaire overwegingen: de optrekkende Joodse troepen konden geen vijandige bevolking in hun rug achterlaten.

Een van de eerste daden van de Engelsen bij het ingaan van het Mandaat was om 70% van het gebied ontoegankelijk te maken voor de Joden door het weg te geven aan ene koning Abdullah. In 1922 kregen ze daar de toestemming van de Volkenbond voor. Deze Abdullah was door de zogenaamde Wahabitische revolutie, die in Saoedi-Arabië het huis van de Saoeds aan de macht had gebracht, zijn functie van beheerder van de Kaaba in Mekka kwijt geraakt. Diezelfde Abdullah had, tegen forse betaling, de Engelsen af en toe geholpen tegen de Ottomanen en de Engelsen vonden dat deze feodale roverhoofdman met een enorm gebied beloond moest worden.

Zeventig procent van het Mandaatgebied! Dat wil zeggen: het hele tegenwoordige Jordanië. Er vallen hier dus alvast twee dingen op te merken: dat de Joden meteen zéér fors benadeeld werden, maar ook dat Samaria-Judea (“de Westbank”), en Gaza en de Golan-hoogte tot het vestigingsgebied van de Joden bleven behoren volgens het verdrag van San Remo.

Dit is inzake Israël het belangrijkste feit: tot op de dag van vandaag geldt het Verdrag van San Remo van april 1920 nog steeds: de Joden zijn alleen al vanwege San Remo honderd procent gerechtigd zich te vestigen in dat gebied, waarin de Joden al millennia woonden, dat al die tijd Samaria & Judea heette en door de linkse collaboratie-propaganda nu bekend staat als “de Westbank”. Het was zeer terecht dat San Remo de Joden rechten gaf in Palestina. Ten eerste omdat de Joden al sinds mensenheugenis in het gebied woonden (waar je maar een gat graaft vind je de archeologisch bewijzen van die aanwezigheid) en ten tweede omdat de Joden sinds 1890 met succes een humane samenleving bouwden die alle bewoners, dus ook de Arabieren, zeer ten goede kwam. Er werd absoluut niemand benadeeld door de komst van de Joden. Nou ja: reactionaire islamisten als Amin-al Husseini, de lateren Moefti van Jeruzalem. Want die bezagen met haat de dynamiek, welvaart en humaniteit die de Joden brachten.

3) De in San Remo geformaliseerde historische en morele rechten van de Joden in Palestina versterkt door het oorlogsrecht

a) 1920-1945: Moefti-terreur en samenwerking met Hitler

De moordpartijen die de Arabieren ondernamen, versterkten al vanaf de jaren 1920 de toch al moreel en juridisch onaanvechtbare positie van de Joden in Palestina. Al onder het alleen-maar-militaire bestuur van de Engelsen, dus nog voor het Mandaat in 1921 werd toegekend en in 1922 inging, vielen bedoeïenen in 1919 Joodse kolonisten in Galilea aan. Van januari tot maart 1920 vielen er acht doden bij Arabische overvallen op Tel Chai, (Tel Hai) in Noord-Palestina.

Daaraanvolgend, in mei 1920, in Jeruzalem bij de zogenaamde Nebi Musa-rellen, vielen vijf doden, 216 gewonden en 18 zwaargewonden. De Arabieren in de stad plunderden onder hevig geweld de Joodse wijken. Een van de voornaamste agitatoren was ene Amin al-Husseini, de latere Moefti, die vanaf het balkon van de Arabische club de menigte ophitste. Het Arabische gepeupel scandeerde “Palestina is ons land, de Joden zijn onze honden!” en “De regering staat aan onze kant!” Inderdaad waren er hoogstwaarschijnlijk niet toevallig geen Britse troepen in de stad. Want hoezeer de Britten de Joden van dienst wilden zijn, vooral de Arabieren wilden ze aan hun zijde houden, vanwege de olie en het strategisch belang van het Suez-kanaal. De overweging uit de oorlog, namelijk de Joodse lobbies in Rusland en Amerika te vriend houden, was weggevallen. Niettemin werd al-Husseini door een Britse militaire rechtbank veroordeeld tot tien jaar gevangenisstraf wegens opruiing.

In het volgende jaar, in 1921 vonden nieuwe gewelddaden tegen Joden plaats, omdat onder Arabieren bezwaren leefden tegen het feit dat Herbert Samuel een Jood was. Startpunt was Jaffa, waar het gepeupel op 1 mei 1921 Joodse winkels en instellingen aanviel. Doel was vooral een immigranten-opvangcentrum, waarin zowel mannen als vrouwen logeerden en vandaar als poel der zonden werd beschouwd. De Arabische politiemannen keken toe, terwijl men zelfs kinderen doodde en van menig slachtoffer de schedel werd gespeleten. In de dagen tot 7 mei 1921 werden 47 Joden en 48 Arabieren gedood. (Arabieren werden steeds bijna zonder uitzondering gedood vanwege of onder het plegen van terreurdaden door Britse politie-agenten of militairen.) De Joden ontvluchtten nu Jaffa, naar een voorstad van Jaffa, Tel-Aviv. Vervolgens kreeg Tel-Aviv in dat jaar 1921 autonomie van de Britse mandaats-macht.

Het is lang een raadsel geweest waarom de pas aangetreden Britse hoge commissaris in Palestina, de liberaal Herbert Samuel – Joods en pro-zionistisch! – deze Amin al-Husseini, die nog geen 25 jaar oud was, op 10 mei 1921 tot Grootmoefti van Jeruzalem benoemde. Inmiddels is dat raadsel minder groot: toen al-Husseini inzag dat het pan-islamisme van de Ottomanen kansloos was en dat Turkije de oorlog ging verliezen, koos hij al vanaf 1917 de kant van het Arabische nationalisme dat destijds door de Engelsen werd gesteund om de Ottomanen te ondermijnen. In dat kader werkte al-Husseini als een spion voor de Engelsen! Samuel hield al_Husseini,  zei hij, voor een “gematigd man”. Dit dus ondanks zijn grote aandeel in de terreur van 1920 in Jeruzalem. Als Moefti bekleedde Amin al-Husseini het hoogste islamitische geestelijke ambt. Hij kreeg daarmee de machtspositie om de islam geheel in dienst van zijn Jodenhaat te stellen. Het instrument van de “fatwa”, de bindende religieuze uitspraak, maakte hem tot beslisser in alle rechtskundige aangelegenheden, privé of publiek.

De aanstelling van al-Husseini is misschien wel de grootste inschattingsfout van de Engelsen geweest, want als ook als Moefti hield niet op om met Koran en Soenna in de hand een Jihadistische terreur-campagne te voeren, niet alleen tegen de Joden, maar ook tegen die Arabieren die samenwerkten met de Joden, dus tegen die Palestijnse Arabieren die inzagen dat de Joden welvaart brachten. Al-Husseini zorgde voor een steeds dwingender opleggen van de sharia, het instellen van sharia-rechtbanken en verkondigde Jodenhaat als plicht van alle moslims. Die terreur bestond concreet uit steeds meer moorden óp en geweld tégen Joden alsmede zogenaamde “collaborateurs” uit eigen islamitische kring.

Op 2 november 1921 trok Arabisch gepeupel opnieuw plunderend en geweld plegend door de oude Joodse wijk van Jeruzalem ter gelegenheid van de verjaardag van de Balfour-declaratie van 1917. Vijf Joden en drie Arabieren werden gedood, de laatsten door dynamiet aangebracht voor Joodse zelfverdediging. Engeland durfde de schuld aan de moordpartijen niet eenduidig te leggen waar zij thuishoorde, namelijk bij de Arabieren, omdat ze, zoals gezegd, op de landbrug en rond de waterweg (het Suezkanaal) naar India zaten, een belangrijk stuk “empire”. Voorts maakten de Engelse media zich erg veel zorgen om de financiën: wat kostte dat allemaal, die problemen met die Joden?

Al op 23 september 1922, dat is dus twee maanden na het verkrijgen door Engeland van de mandaats-opdracht (24 juli 1922 ) stemde de Volkenbond in met een Brits voorstel tot wijziging van het Mandaat, namelijk om het gebied ten oosten van de Jordaan, “Trans-Jordanië” geheten, omvattende het hele huidige Jordanië, uit te sluiten van Joodse vestiging. De Britten hadden het in die twee maanden namelijk al verkwanseld aan Abdullah bin al-Husseini (1882 – 1951), Sherif van Mekka. Dat betekende een onmiddellijke immigratiestop voor Joden voor twee-derde van het gebied.

Terwijl dus overduidelijk was waar het geweld vandaan kwam, werd toch na elk “incident” een Britse commissie ingesteld om de oorzaken te verhelderen. De commissies adviseerden steeds hetzelfde middel, zij het in verschillende doseringen: beperking van de Joods immigratie. De aangevallenen werden dus tot de schuldigen verklaard en het signaal aan de Arabieren was: met geweld tegen de Joden kunnen we de Britten dwingen geen of veel minder Joden toe te laten. Omdat het Britse mandaats-bestuur chantabel bleek, ontwikkelde zich een Arabische strategie die zich ook tegen de Britten richtte.

Na de laatste gewelddadigheden op 2 november 1921 in Jeruzalem bleef het relatief rustig tot 1929. In dat jaar 1929 ging het om bewust door de Arabische “elite” opgewekte spanningen bij de Klaagmuur, de heiligste plek voor de Joden en de op twee na heiligste plek voor de Arabieren. Aanleiding was een draagbare en dus tijdelijke scheidingswand geplaatst tussen biddende Joodse vrouwen en Joodse mannen.

Dat was de Arabische moslims teveel en de Britten verwijderden het wandje. In de dagen daarna verspreidde al-Husseini het gerucht dat de Joden van plan waren de al-Aqsa-moskee, die bij de Klaagmuur staat, te vernielen om hun tempel op die plek te bouwen. Op 16 augustus 1929, de geboortedag van de Profeet Mohammed, werden de moslims tijdens het vrijdaggebed opgeroepen de “heilige plekken” tegen de Joden te gaan verdedigen want dat de Joden Arabieren aan het afslachten waren. Onder de parolen “Allahu-akbar”, “De muur is van ons” en “Vermoord de Joden” stroomden zo’n 2000 man naar de Klaagmuur alwaar biddende Joden in elkaar werden geslagen en Thora-rollen verbrand. Op 23 augustus 1929 kwamen duizenden Arabische boeren, bewapend met messen en knuppels, naar Jeruzalem en vielen in de hele stad Joden aan. Diezelfde middag bereikte het gerucht dat Joden in Jeruzalem Arabieren aan het afslachten waren, ook Hebron.

Dat waren allemaal verzinsels, maar wat in dat jaar 1929 volgde in Hebron was geen verzinsel, namelijk een massamoord. Zeven-en-zestig Joden werden gedood, onder wie vrouwen en  kinderen.

Alan Dershowitz tekent in zijn “The Case for Israël” de volgende getuigenis op van de Engelse politiechef van Hebron over deze door de Moefti ontketende pogrom in Hebron:

“Bij het horen van gegil in een kamer, ging ik door een soort van tunneldoorgang en zag een Arabier bezig met het afsnijden van het hoofd van een kind met een zwaard. Hij had het kind al getroffen en wilde opnieuw toeslaan, maar toen hij mij zag probeerde hij de slag op mij te richten, maar miste. Hij stond bijna tegen de loop van mijn geweer aan en ik schoot hem laag in zijn kruis. Achter hem bevond zich een Joodse vrouw gesmoord in bloed met een man die ik herkende als een [Arabische] politieagent genaamd Issa Sheriff uit Jaffa in Mufti. Hij stond boven de vrouw met een dolk in zijn hand. Hij zag me en snelde een aangrenzende kamer in en probeerde me buiten te sluiten, terwijl hij schreeuwde in het Arabisch: ‘Edelachtbare, ik ben een politieagent.’ Ik ging de kamer binnen en schoot hem neer.”

Ook in Jeruzalem waren er gewelddadigheden en die verspreidden zich vervolgens over het hele land. Zes kibboetsen werden volledig verwoest. Arabieren probeerden ook Tel Aviv, toen nog een autonome kleine Joodse voorstad van Jaffa, te overvallen. Op 30 augustus 1929 werden 20 Joden vermoord in Safed.

Het idee van vreedzaam naast elkaar leven was nu wel definitief een illusie gebleken. Moefti Amin al-Husseini werd veroordeeld voor zijn rol in de moorddadige rellen. Staande voor een Britse onderzoekscommissie vergeleek de Moefti het Britse Lagerhuis met “een Raad van de Wijzen van Zion”.

Het internationale communisme zag overigens bij monde van de Komintern veel revolutionairs in de religieus geïnspireerde moordpartijen. Wat dat betreft is het progressieve gedachtengoed bij het begin van deze 21ste eeuw niet veel veranderd. De Komintern constateerde “dat het religieuze nationale conflict omslaat in een algemene, anti-imperialistische boerenactie” en eiste Arabisering van de kleine communistische partij in Palestina die gedomineerd werd door Joden. De Joodse minderheid kreeg van de Komintern het etiket van “imperialistische agent van de onderdrukking” opgeplakt. De moordpartijen van de Arabieren werden geduid als fenomenen van een “nationale bevrijdingsbeweging”. Daarmee had al-Husseini een trouwe partner gevonden in de Sovjet-Unie en de communisten inzake Palestina een politiek jargon dat tot in de dagen van Arafat bruikbaar zou blijken.

Op 13 oktober 1933 brak onder Arabieren een algemene staking uit, gericht tegen de immigratie van Joden. Bij de gewelddadige demonstraties werden voor het eerst ook op grotere schaal vuurwapens en dynamiet gebruikt. De Britse politie trad nu beslist op: er werden 27 Arabieren neergeschoten die Britten aangevallen hadden. Januari 1935 gaf al-Husseini, die zoals gezegd het oppergezag in religieuze zaken in Palestina bezat, een “fatwa” uit. Hij beriep zich op de koran en dreigde met het weigeren van een islamitische begrafenis voor wie land aan Joden verkocht. Kort daarop volgde de stichting van een soort toezichtsorgaan van islamitische “rechtsgeleerden”, de “Centrale Raad ter Bevordering van het Goede en de Verhindering van het Verwerpelijke”. Niet alleen moest die Raad op de landverkopen letten, maar ook op islamitische kleding, ongeoorloofd samen zijn van mannen en vrouwen, alsook literatuur, film en theater censureren.

In 1935 was een zekere Izz al-din al-Qassam leider van een bende jonge islamitische radicalen. In dat jaar trok hij met zijn groep de bergen in. Nadat hij een Joodse politieman had vermoord werd hij door een Britse patrouille doodgeschoten. Zijn begrafenis groeide uit tot een enorme demonstratie van Arabisch nationalisme en islamisme. Zijn graf werd tot een bedevaartsoord. Vandaag de dag noemt Hamas nog steeds de raketten die deze terreurbeweging in willekeur op Israël afschiet “Qassam-raketten.

De 25ste april 1936 werd bekend dat alle zes recent gevormde ontstane Arabische politieke partijen in Palestina zich hadden aaneengesloten tot een ”Arabisch Hoog Comité” dat opriep tot een algemene staking, met als eisen: directe stop op immigratie van Joden, verbod op landverkoop aan Joden en vorming van een Arabische regering. De staking sloeg snel om in een gewapende opstand over heel Palestina die niet alleen tegen de Joden maar ook tegen de Britten was gericht. Islamitische gezagsdragers, en vooral de Moefti, riepen overal op zich bij de opstand aan te sluiten. Arabische burgermilities beschoten vanaf strategische punten patrouilles, voorbijgangers en auto’s. Britse politiebureaus werden bestormd, telefoon- en telegraafleidingen werden afgesneden, straten en spoorrails door mijnen verwoest. De Arabieren vielen Joodse nederzettingen aan, verwoestten hun velden en plantages, kapten fruitbomen en slachtten het vee af. De boeren-bendes kregen al gauw versterking door guerillero’s uit Syrië en Irak, die onder de rebellenleider Fauzi el-Qawukschi in Palestina actief werden.

Verkoolde resten van autobussen en auto’s, waarin velen door bommen of in de vlammen waren omgekomen, werd een vertrouwd beeld in de straten van de steden van Palestina. Aanslagen, ook met vuurwapens, werden ook op klaarlichte dag gepleegd. Het waren vaak Arabische vrouwen of kinderen die het wapen op het laatste moment aan de aanslagpleger overhandigden en die het ook weer meenamen na gedane arbeid. Kinderen konden gemakkelijk wegkomen en vrouwen, die de geweren onder hun kleren verborgen, dorst de politie niet te fouilleren.

Toen deze “algemene staking” (25 april tot 12 oktober1936) eindigde, waren er honderden doden en meer dan duizend gewonden gevallen. Maar het “Arabisch Hoog Comité” werd niet ontbonden en de positie van de Moefti bleef onaangetast. Van de Arabische politie viel voor de Joden geen enkele bescherming te verwachten, omdat ze dan door de terroristen van collaboratie en verraad beschuldig werden. Het “Hoog Arabische Comité” verklaarde, dat als eenmaal de Engelsen weg zouden zijn “we alle Joden in een enkele stormloop de zee injagen.” Dat betekende natuurlijk: genocide. Ook al-Husseini persoonlijk maakte in gesprekken met William Robert Peel, voorzitter van de nieuwste onderzoekscommissie die de Britten hadden samengesteld, toespelingen op massamoord. Als zestig miljoen Duitsers de aanwezigheid van 600.000 Joden niet konden verdragen, aldus de Moefti, hoe kon men dan verwachten dat de Palestijnse Arabieren 400.000 Joden in een veel kleiner land wel konden verdragen?

De terreur, die in de loop van 1937 steeds grootschaliger werd en duurde van 1936 tot 1939, heet in de geschiedschrijving eufemistisch de “Grote Arabische Opstand”. Deze terreur-opstand werd mede gefinancierd door Nazi Duitsland waarmee de Moefti, nauw samenwerkte.

De gelijkenis tussen de wijze waarop Hitler door terreur en geweld te gebruiken aan de macht kwam en hoe de Moefti dat deed, zijn treffend. Het is hetzelfde proces. De aanstelling van de Moefti is een poging geweest van de Engelsen de extreme krachten te paaien door hem deze belangrijke post te gunnen. Precies zoals Hitler door Duitse conservatieven werd gepaaid. Met precies dezelfde gevolgen. De Moefti kan zonder meer aanspraak maken op de titel: de Arabische Hitler. Hij zou er buitengewoon trots op zijn geweest, Hitler is in de Arabische wereld tot vandaag een zeer geliefde en bewonderde figuur. Dat is geen toeval en ook niet verbazend: Islam en nazisme zijn nauw aan elkaar verwant: ze worden gekenmerkt door dezelfde soort tijdloze en universele misdadigheid.

Gezien de woedende terreur besloot de commissie Peel in 1937 dat Arabieren en Joden niet konden integreren en dat er twee aparte staten moesten komen. Probleem was alleen dat er in de geplande Joodse staat naast een kwart miljoen Joden ook een kleine kwart miljoen Arabieren zouden leven. Voorts bevonden zich een heleboel Joodse enclaves in het gedeelte van Palestina dat Arabisch zou worden. Een bevolkings-uitruil werd door de Britten als te rigoureus van de hand gewezen. Het Zionisten-congres van 20 augustus 1937 stemde toe, omdat er geen andere keus was. Maar het “Arabisch Hoog Comité” wees het plan totaal af, zeggende dat men niet moest doen alsof er twee partijen met gelijk recht in Palestina waren.

Van 9 tot 10 september 1937 vond een “pan-Arabische conferentie” plaats in het Syrische Bloudan waar nieuw geweld werd aangekondigd en waar gewaarschuwd werd dat de Britten moesten kiezen tussen hun vriendschap voor de Arabieren en voor de Joden, want dat de Arabieren zich anders zouden verbinden met de Duitsers.

Op 26 september 1937 werd Lewis Andrews, een hoge Britse beambte, door Arabieren vermoord. Nu hadden de Engelsen er genoeg van, werd het “Arabisch Hoog Comité” ontbonden en de leiders verbannen. Behalve Moefti Amin al-Husseini die zich in de al-Aqsah-moskee verborg en waar de Britten niet durfden binnen dringen. Op 12 oktober 1937 wist de Moefti te vluchten om in Libanon nieuwe commandostructuren op te richten. De Fransen lieten hem begaan onder het motto: dat zijn onzen zaken niet en het is altijd goed de Engelsen dwars te zitten.

De overeenkomst tussen Chamberlain en Hitler in Oktober 1938, gaf een groot gevoel van teleurstelling bij de Joden in Palestina. De Britse regering werd, naarmate de Duitse dreiging toenam, ook steeds meer geneigd tot appeasement van de Arabieren, die, nogmaals, op de landbrug naar India zaten en een gevaar voor het Suezkanaal konden vormen. Op 7 februari 1939 zei Chamberlain tegen ministers uit zijn kabinet “als we al een bepaalde kant moeten krenken, dan liever de Joden dan de Arabieren.”

In november 1938 kwam een “witboek” uit van alweer een Engelse onderzoeks-commissie, deze keer onder leiding van John Woodhead, waarin het delingsplan van Peel als onuitvoerbaar werd afgewezen. De regering Chamberlain zag vervolgens geen andere mogelijkheid dan, tegen beter weten in, te verklaren dat de vrede alleen bereikt kon worden door een overeenkomst tussen Joden en Arabieren.

Dat was inderdaad een merkwaardige stellingname, want 1938 vormde een nieuw hoogtepunt in de Arabische terreur. De terroristen werden steeds meer baas in het land. Politieposten van de Mandaats-regering werden opgeheven omdat het in vele gebieden te gevaarlijk werd. Elke Arabier, van welke stand dan ook, van boer tot koopman tot moslimische geestelijke, die niet precies deed wat de terroristen wilden, liep grote kans vermoord te worden. Dat kon op straat gebeuren, maar men kon ook ontvoerd worden, ook uit de steden en ook op klaarlichte dag, om ergens in de bergen of op het platteland voor een islamitische revolutionaire “rechtbank” gesleept te worden. Lijken die gevonden werden waren meestal verminkt. Uit naburige Arabische landen mengden zich moslim-fanatici bij de terroristen. Er werd voortdurend Joods bouwland en Joodse aanplanting verwoest.

Ondergronds waren sharia-rechtbanken gevormd die beslisten over “fouten” in eigen kring en over het lot van Joodse gegijzelden. De terreur richtte niet alleen tegen de Joden en de Britten, maar vooral ook tegen “verraders” uit eigen kring. Tussen 1936 en 1939 werden 547 Joden en 494 Arabieren gedood door Arabische terreur. Wie van de Arabieren tot enig compromis bereid was met de Engelsen of de Joden, dan wel weigerde de terroristen het geld te geven dat ze vroegen, werd bedreigd en vervolgens, bij volharding, gedood. Een Arabische ambtenaar die voor de Engelse mandaats-macht werkte, werd bijvoorbeeld verplicht tot spioneren. Alle mannen werden door de terroristen verplicht dezelfde hoofdbedekking te gaan dragen als de terroristen zelf, de hoofddoek met hoofdband. De “tarbush”, die omgekeerde grote beker met vaak een kwastje, de dracht van de Arabische stedeling, verdween uit het straatbeeld. Niet alleen islamitische vrouwen, ook christelijke werden gedwongen zich te behoofddoeken en zwaar in de lappen te hullen. Vrouwen die weigerden werden voor “hoer” uitgescholden en een eventuele hoed werd ze van het hoofd getrokken. Terroristenleiders dreigden met straf voor de vrouwen die “volharden in hun lichtzinnigheid”.

Op 15 maart 1939 deed de Britse regering een voorstel aan Arabieren en Joden, dat door beide partijen afgewezen werd. Het was dezelfde dag waarop de nazi’s, die eerst in München (1938) het Sudetenland (“Bohemen en Moravië”) uitgeleverd hadden gekregen, de rest van Tsjechië binnen trokken.

Op 17 mei 1939 publiceerde de Britse regering een “witboek” van zijn minister van koloniën Malcolm McDonald. De voorgestelde deling in een Palestijnse en Joodse staat, zoals voorzien in het Peel-plan van 1937, was nu definitief van tafel. De opbouw van het “nationale tehuis”, zoals beloofd in de Balfour-declaratie van 1917, werd voor afgesloten verklaard. De komende vijf jaren, zei het witboek, zouden nog 75.000 Joden naar Palestina mogen immigreren. Daarna zou verdere immigratie van Arabische toestemming afhankelijk zijn. De sleutelzin in het witboek luidde, dat de Britse regering niet van plan was Palestina “tegen de wil van de Arabische bevolking van het land in een Joodse staat te veranderen”.

Churchill stemde tegen de aanvaarding van de tekst van het witboek. Voor het eerst werden door Joden in Tel-Aviv Engelse vlaggen verbrand. Maar Weizmann schreef niettemin op 29 augustus 1939 aan Chamberlain: “De Joden staan Groot-Brittannië bij en zullen aan de zijde van de democratieën strijden.”

De Moefti was, na de moord door Arabieren in september 1937 op de hoge Britse beambte Lewis Andrews en de opheffing van het “Arabisch Hoog Comité” gevlucht naar Libanon en ontvluchtte dat land weer in datzelfde jaar. Na omzwervingen via Irak, Iran en fascistisch Italië slaagde hij er tenslotte in om op 6 november 1941 Nazi-Duitsland te bereiken. Hij was zeer welkom bij de nazi’s die hem al goed kenden als toegewijde handlanger en medestrijder. Op 28 november 1941 had hij een gesprek met Hitler.

Inmiddels is duidelijk geworden dat de Moefti een grote en waarschijnlijk beslissende invloed heeft gehad invloed heeft gehad op het definitieve besluit van Hitler om alle Joden te vermoorden en dat te doen via een industriële vergassingsmethode. In mijn opstel met de titel “Gaf de Moefti van Jeruzalem, Amin al-Husseini, de laatste stoot tot Adolf Hitlers Endlösung?” kunt u nalezen hoe dat in zijn werk is gegaan. Ik geef hier de korte en puntsgewijze samenvatting van het betoog in dat opstel:

1) Hitler vond samenwerking met de Moefti – en via hem met de islam en de Arabieren – van het grootste belang, zowel strategisch als ideologisch.
2) Nog eind juli 1941, getuige een brief van Göring aan Heydrich, hield Hitler de mogelijkheid open de Joden uit Duitsland te verdrijven.
3) Toen volgde dat gesprek tussen de Moefti en Hitler op 28 november 1941 waar de Moefti de eis stelde dat er geen Joden meer naar Palestina zouden komen. De verslagen van dat gesprek reppen met geen woord over massamoord als eindoplossing, maar het is volstrekt ondenkbaar dat het onderwerp niet aan de orde is geweest. Al in januari 1941 had de Moefti per brief laten weten grote bewondering voor de vergassingstechniek van de nazi’s te hebben. Dus staat het vast dat Hitler, in het besef van de kosmische misdadigheid van de gezamenlijk nazistisch-islamitische plannen, bevolen heeft dat onderwerp weg te laten, te schrappen uit het verslag en dat massale vergassing van de Joden als methode absoluut zeker ter sprake is geweest.
4) Enkele uren (!) na de ontmoering met de Moefti besloot Hitler de Wannsee-conferentie van 20 januari 1942 bijeen te roepen waarop officieel werd besloten tot de industriële vergassings-genocide.
5) In mei 1942 — dus zes maanden na dat gesprek tussen de Moefti en Hitler en vijf maanden na de Wannsee-conferentie — begonnen de echt serieuze daadwerkelijke proefvergassingen in Sachsenhausen, die moesten leiden tot de industriële vergassings-genocide.
6) In juni 1942 kregen vier hoge Arabieren, onder wie in twee vertegenwoordigers van de Moefti, een rondleiding door Sachsenhausen.

Er bestaat een heleboel literatuur over die Moefti en als er één ding daaruit duidelijk wordt dan is het dat hij volledig gedreven werd door uitsluitend Jodenhaat. Alles wat hij deed, stond in het teken van zijn ene grote doel: zoveel mogelijk Joden vermoorden. Vanaf zijn aankomst in Nazi-Duitsland, waar hij ook Himmler en Eichmann ontmoette, werkte de Moefti vervolgens samen met de nazi-top om op de Balkan, waar vanwege de eeuwenlange Turks-islamitische agressie veel moslims wonen, SS-moslim-divisies op te richten. Hij was erop gebrand gedurende de hele oorlog geen Joden te laten ontsnappen en is zonder enige twijfel verantwoordelijk voor duizenden Joodse doden, waaronder veel kinderen. U kunt dat nalezen bij Mallmann en Cüppers, “Halbmond und Hakenkreuz”, vertaald in het Engels onder de titel “Nazi Palestine”. Daarin staat een speciaal hoofdstuk over de Moefti en daarin wordt bewezen dat de Moefti meerdere malen zijn persoonlijke invloed bij bijvoorbeeld Eichmann heeft gebruikt om te voorkomen dat er Joden gered zouden worden. Er zou bijvoorbeeld eind 1942 door bemiddeling van het Rode Kruis aan Joodse kinderen uit Slowakije, Polen en Hongarije worden toegestaan om naar Palestina te emigreren in ruil voor het vrijlaten van Duitse gevangenen. De Moefti heeft dat persoonlijk voorkomen. Mallmann en Cüppers leggen zeer, zéér veel nadruk op dat feit dat die Moefti gedreven werd door Jodenhaat. Één enkel citaatje:

“Talloze notulen van vergaderingen, toespraken, memoranda, brieven en andere verklaringen getuigen ervan dat zijn haat voor de Joden de fundamentele impuls was die hem dreef.”

Vanaf 1942 organiseerde de Moefti in samenwerking met de nazi’s vanuit een voorstadje van Berlijn, Zeesen, radio-uitzendingen vol Jodenhaat, die in het hele Midden-Oosten in alle thee- en koffiehuizen uit de luidsprekers schalden. Als Rommel in de herfst van 1942 had kunnen doorstoten naar Egypte, zouden er mobiele vergassingsinstallaties, bestemd voor massamoord op de Joden in Palestina, die in de haven van Athene klaar stonden, naar Palestina zijn verscheept. (Zie: Mallmann en Cüppers, p. 145-46 in de Duitse en p. 123-24 in de Engelse versie)

De Moefti dook na de Tweede Wereldoorlog weer op in Egypte en leidde van daaruit de haat- en terreurcampagne van de Arabieren tegen de Joden, die vanaf 1945 groeide naar een volslagen oorlog tussen de Joden en Arabieren.

De Moefti heeft gezegd dat de Jodenhaat-traditie van de islam geen enkele aanvulling nodig had vanuit het nazi-antisemitisme. Dat klopt. Mallmann en Cüppers wijzen er dan wel op dat er twee elementen van de nazistische Jodenhaatleer zouden zijn opgenomen in die van de islam, maar dat blijken bij nader beschouwing alleen wat afwijkende formuleringen voor wat in het islamitische antisemitisme al eeuwen leefde.

Ten eerste een soort van Darwinistisch biologisme. Mallmann en Cüppers citeren uitspraken van de Moefti die daarop wijzen en waarin hij de Joden vergelijkt met virussen en bacteriën. Anderzijds kan je zeggen dat dit biologisme eigenlijk al voorkwam in de islamitische Jodenhaat. Maar omdat de islam niet bekend staat om zijn natuur-wetenschappelijk onderzoek, hadden ze zich altijd moeten behelpen met een primitiever soort biologisme: “De Joden zijn onze honden!” zoals de moslims bij de pogroms in Jeruzalem in de jaren 1929 en 1930 uitriepen. Of zoals mijnheer Morsi, president van Egypte van 2000 tot 2005 nog tijdens zijn regeerperiode zei: “De Joden zijn afstammelingen van apen en varkens.” Misschien moet je dat toch ook “Darwinistisch” noemen.

Het tweede element dat de moslims van de nazistische Jodenhaatleer overnamen was de gedachte dat de Joden dan wel biologisch inferieur waren, maar ook almachtig, dat ze dus achter de macht van zowel Amerika, als Rusland als Engeland zaten en verder achter elk complot ter wereld. Dus zoals de “Protocollen van de Wijzen van Zion” leren. Ook dat element is eigenlijk niet zo nieuw voor de islam, want de Joden zijn ook in de eigen islamitische traditie altijd afgeschilderd als slimme schurken met wie je moet oppassen.

De moefti had gelijk dat de islam weinig of geen aanvulling behoefde vanuit het nazisme. In elk geval hadden de islam en het nazisme de belangrijkste karakteristieken gemeen. Zoals hier boven al een keer is gezegd: die vaststelling is niet “a-historisch”, want het gaat om tijdloze haat-elementen die deel uitmaken van zowel islam als nazisme.

De islam, het Mohammedanisme, is puur nazistisch in ten eerste de Jodenhaat, in ten tweede de expansieve oorlogszucht compleet met Blut-und-Boden-Prinzip (grond die eenmaal islamitisch is geweest moet altijd islamitisch blijven). Ten derde in het Führer-Prinzip (Mohammed, die misschien niet bestaan heeft, was volgens de islamitische mythologie een massamoordenaar, sluipmoordenaar, roofmoordenaar, slavenhaler, kinderverkrachten en extreme polygamist. Maar geldt niettemin als dé voorbeeldige mens die nagevolgd móét worden). Ten vierde in het racisme tegen vrouwen. Ten vijfde in de principiële gewelddadigheid. Ten zesde in de superioriteitswaan (Übermenschen-waan) die net als in het nazisme gepaard gaat met, ten zevende, ziekelijk wantrouwen (zoals de waard is . . . .) dat de vorm aanneemt van xenofobie, conspirisme (verslaving aan complotdenken) en slachtoffergedrag (rancunisme), dus het voortdurend wijzen naar de “vijand” als oorzaak van de eigen ellende.

b) 1945–1948: oorlog en stichting van Israël

Aangeklaagd wegens oorlogsmisdaden wist de Moefti na 1945 niettemin te ontsnappen naar Egypte. Daar gaf hij mede leiding aan de Arabische terreur tegen de Joden die na WO II gewoon was doorgegaan en die tenslotte naadloos zou overlopen in de oorlog van 1948 en de inval in Israël van de reguliere Arabische legers van vijf Arabische staten op 15 mei 1948, dus op dezelfde dag dat de staat Israël werd uitgeroepen.

Je ziet derhalve concreet, historisch, via die constante terreur de lijn vanaf 1921 van de Moefti via Hitler naar de aanval in mei 1948 van de Arabische legers op de pas uitgeroepen Joods staat lopen. Ook na 1948 is die nazistische lijn nooit onderbroken geweest. Arafat heeft altijd de Moefti van Jeruzalem als zijn grote mentor erkend. En de tegenwoordige leider van Fatah, Abbas, laat er ook geen enkele twijfel over bestaan dat hij in die Hitler-Moefti-traditie staat. De traditie van Hitler is dus gelijk aan die van Arafat en Abbas en van Hamas en Hezbollah en eigenlijk van het hele Midden Oosten en nog eigenlijker van de hele islam.

Er wordt beweerd dat Israëls “expansie” al begon in 1948, toen de pas geboren staat tegen alle verwachting in overwinnaar bleef tegen het Arabische geweld. Inderdaad wist Israël in die oorlog méér land te bezetten dan in het verdelingsplan van de VN van november 1947 aan Israël was toebedeeld. Maar ten eerste waren de Joden (“Israël”) al in 1922 beroofd van 70 % van hun vestigingsgebied. Vervolgens hadden ze er ook nog eens mee ingestemd dat het VN-plan van 1947 nog eens een stuk van de overblijvende 30% aan de Arabieren gaf. Niettemin weigerden de Arabieren weigerden en trokken ten oorlog. Ten derde was Israël derhalve verwikkeld in een verdedigingsoorlog. Dit is essentieel en zou Israël het recht hebben gegeven nog veel meer land te bezetten, zelfs stukken van de aanvallende Arabische landen. Ten vierdde heeft Israël wel degelijk bepaalde stukken veroverd land aan bijvoorbeeld Egypte teruggegeven. Ten vijfde heeft Jordanië illegaal, want na een aanvalsoorlog, vanaf 1948 tot de overwinning van Israël in de juni-oorlog van 1967, gedurende bijna 20 jaar, Samaria-Judea (“de Westbank”) bezet gehouden.

En dan is er nog een ten zesde. Er zijn een aantal leugenwoorden rond de anti-Israël-propanda erg belangrijk: “bezetting” en “Palestijnen”, maar ook “vluchtelingen” , “verdrijving” en “etnische schoonmaak”. Israël heeft natuurlijk in Samaria-Judea al helemáál geen Palestijnse Arabieren verdreven. Maar ook vanaf het gebied dat nu het huidige Israël vormt, zijn “Palestijnen” in de oorlog alléén verjaagd omdat de Joden daartoe gedwongen werden door de agressie van hun eigen Arabische leiders. Voor een goed begrip van het Joods-Israëlische handelen is het van essentieel belang steeds in het oog te houden dat er voor het geweld dat Joden toepasten steeds maar éen verklaring is geweest: de Palmaffialeiders begonnen ermee en dwongen de Joden tot zelfverdediging. Dat geldt van 1921 tot heden. Dat geldt dus ook voor de oorlog van 1948. Behalve de geschiedvervalsingsschool van Benny Morris, Ilan Pappé en Avi Shlaim beweert geen enkele serieus te nemen historicus dat er in de oorlog van 1948 sprake was van systematische en planmatige verdrijving van Palestijnse Arabieren door de Joden. Integendeel: een historicus die wat mij betreft nog veel te veel uitgaat van de “gelijkwaardigheid” van de cultuur van de Palestijnse Arabieren en van Palestijnse Joden en die toch nog best wel een beetje “links “ is, namelijk Yoav Gelber, schrijft:

“In feite werden de Palestijnen niet verdreven tijdens de burgeroorlog; ze liepen gewoon weg. Gedurende het grootste deel van de volgende fasen van de oorlog ( . . .) waren lokale deportaties het resultaat van militaire behoeften, vooral gebruikt om aan de indringers bases te ontzeggenin de buurt van de joodse nederzettingen en voor het veiligstellen van de controle van belangrijke wegen.” [Mijn schuine vet]

Efraim Karsh heeft in 2010 op grond van nieuw ontsloten bronnenmateriaal een studie gepubliceerd van de oorlog van 1948: “Palestine Betrayed”. Het punt waarop Karsh (onderbouwd!) telkens en telkens weer veel nadruk legt, is dat de paniekvlucht van vele Arabische Palestijnen ontstond door oproep of voorbeeld van hun eigen elites. De Joodse leiders, ook locale leiders, drongen bij de Arabische Palestijnen er juist op aan om te blijven en op gelijkberechtigd en vreedzaam samenleven. Zelfs in april 1948, zegt Karsh, dus slechts weken voor het uitroepen van de staat Israël op 14 mei, was géén van de stedelingen en was slechts een “handvol” plattelanders van de Palestijnse Arabieren verdreven door de Joden. Er waren uitzonderingen, maar dat zijn dezelfde als waarvan ook Yoav Gelber melding maakt. Karsh:

“De uitzonderingen die zich voordeden, in het heetst van de strijd, werden steeds gedicteerd door ad-hoc militaire overwegingen. Ze gingen bovendien gepaard met pogingen om vlucht te voorkomen en/of de terugkeer te bevorderen van mensen die gevlucht waren – op een moment dat enorme aantallen Palestijnen actief uit hun huizen verdreven werden door hun eigen leiders en/of Arabische gewapende strijdkrachten, hetzij uit militaire overwegingen hetzij om te voorkomen dat zij burgers zouden worden van de voorziene Joodse staat.” [mijn schuine vet]

De laatste jaren heeft de links-islamofiele propaganda-machine een nieuw leugenwoord in het Westerse bewustzijn geïnjecteerd. Dat woord is “Nakba” en het betekent “ramp”. Onder de vlag van dat leugenwoord wordt tegenwoordig jaarlijks op 19 mei herdacht dat “de Palestijnen” met tienduizenden door de Joden zouden zijn verdreven van hun geboortegrond. Zó succesvol is de propaganda geweest dat ex-burgemeester Eberhard van der Laan van Amsterdam, toen nog minister van integratie, in 2009 in het dagblad Trouw Auschwitz vergeleek met het roversnest Gaza, waar zoveel Westerse subsidie naar toe gaat dat ze niks anders hoeven te doen dan neuken, aldus een demografische explosie creëren en raketten produceren om Israël te terroriseren. Nou ja: terreurtunnels bouwen die tot in Israël reiken doen ze ook nog. Daarna is er nog zat geld over dat de Hamas-Palmaffia deels besteedt aan luxe en deels op Zwitserse banken zet.

Toenmalig burgemeester van Amsterdam Eberhard van der Laan in 2009:

“Zo zouden Arabieren zich kunnen verdiepen in de Holocaust en Israëliërs in de Nakba, het verdrijven van Arabieren uit Israël in en na 1948. ‘Er is leed van beide kanten’, benadrukte Van der Laan.”

Op zich is het gelijkstellen van de Holocaust en het lot van de Palestijnse Arabieren al walgelijk en diep idioot. Aan de ene kant de industriële Jodenmoord en aan de andere kant één van de vele grotere en kleinere volksverhuizingen die in het kader van WO II en de dekolonisatie overal ter wereld plaats vonden. Maar het belangrijkste is natuurlijk dat Van der Laan simpelweg niet weet dat die “Nakba” aan de Palestijnse Arabieren is aangedaan door hun eigen maffiose “elites”, die het “vluchtelingenprobleem” gecreëerd hebben en vervolgens dik 60 jaar in stand hebben gehouden alleen om de haat tegen Israël gaande te houden en het wereldwijde antisemitisme te bevorderen.

c) 1948–1973: juni-oorlog van 1967, Israël gedwongen tot “bezetting”

We hebben dus nu gezien dat de lijn van terreur vanaf de Moefti vanaf 1921 ononderbroken via Hitler naar de oorlog van 1948 loopt. Vervolgens loopt de lijn, net zo ononderbroken, naar een leerling van de Moefti, namelijk Yasser Arafat. En de Jodenhaatlijn gaat vervolgens natuurlijk gewoon naar Abbas en Hamas.

We moeten het even over Arafat hebben. Toen in de zomer van 1942 Erwin Rommel met zijn tanks nog verwacht werd in Palestina, toen de ophitsende stem van de Moefti via radio Zeesen vanuit Berlijn overal weerklonk in de koffiehuizen van het Midden-Oosten en toen de mobiele vergassings-installaties klaar stonden in de haven van Athene om verscheept te worden, was er in Gaza onder de Arabische terroristen onenigheid over de vraag of er metéén massaal aanslagen tegen de Joden moesten worden gepleegd of dat het beter was te wachten op Rommel en de vergassings-wagens. Abdul al-Qudwa was leider van de voorstanders van wachten. Deze Abdul al-Qudwa had een 14-jarige zoon, genaamd Rahman al-Qudwa, die op dat moment besloot over te stappen naar de geweld-nú-groep van de tegenstanders van zijn vader. De latere nom de guerre van deze 14-jarige luidde: Yasser Arafat.

Arafats “Palestinian Liberation Organisation” (PLO) werd in 1964 opgericht en was een voortzetting van de “Palestijnse” guerilla-beweging Fatah (van 1959) die aanslagen in Israël pleegde. Nee, de “bezetting” van Samaria-Judea (“de Westbank”) van na de juni-oorlog van 1967 was níét de reden van de terreur, dat was het bestaan van Israël tout court. Het openlijk in het Handvest van de PLO gestelde doel was Israël te vernietigen en “de Joden de zee in te drijven”. De bijkomende “bevrijdings-ideologie” kwam uit het Sovjet-kamp en moet gezien worden in het kader van de Koude Oorlog. Arafat had namelijk in 1964 zijn vertrouweling Abu Jihad naar Noord-Vietnam gestuurd om te leren hoe Ho Chi Minh zijn “bevrijdingsstrijd” voerde. Fatah vertaalde toen al, vóór 1964, de revolutionaire handboeken van generaal Giap, van Mao en Che Guevarra, van wie we inmiddels toch wel allemaal kunnen weten dat het massamoordenaars waren. Ja, óók die Jezus van de guerrilla. Giap schreef aan Arafat:

“Stop met praten over de vernietiging van Israël en verander in plaats daarvan je terreur-oorlog in een worsteling om mensenrechten, dan zal het Amerikaanse volk uit je hand eten.”

Na 1967, toen de liefde in Westerse linkse kringen voor “de Derde Wereld” en “bevrijdingsbewegingen” steeds groter werd en Israël in de Juni-Oorlog (Zesdaagse Oorlog) die arme “Palestijnen” (en de legers van Syrië, Egypte en Jordanië) had verslagen, zou steeds meer blijken hoezeer Giap gelijk had.

Arafat, die door de Sovjets werd gezien als een bruikbare pion in de Koude Oorlog tegen het Westen, werd door de Russische KGB in de leer gedaan bij “het genie van de Karpaten”, Nicolai Ceauçescu, dictator van Roemenië. Vanaf midden jaren 1960 waren Arafat en zijn entourage meermalen te gast bij deze moordenaar en megalomane krankzinnige. Het opvoedende werk werd in de praktijk gedaan door Ion Mihai Pacepa, hoofd van de militaire inlichtingendienst in Roemenië. Ik vertaal en citeer nu Meir-Levi ( “History upside Down”, p. 30):

“Maar terwijl Arafat tenslotte de lessen die hij had geleerd van zijn Roemeense en Noord-Vietnamese gastheren en coaches oppikte en toepaste, waren de Sovjets, zoals Pacepa het beschrijft in ‘Red Horizons’, nog steeds niet zeker van zijn betrouwbaarheid. Dus maakten ze, met Pacepa’s hulp een zeer speciale “verzekerings-polis”. Gebruik makend van de goede diensten van de Roemeense ambassadeur in Egypte, filmden de Sovjets Arafats bijna elke avond plaats vindende homoseksuele interactie met zijn lijfwachten en met de ongelukkige weesjongetjes, jonger dan tien, die Ceauçescu aan Arafat leverde als onderdeel van de ‘Roemeense gastvrijheid’. Met videotapes van Arafats gulzige pedofilie in hun kluizen, en op de hoogte van de traditionele houding jegens homoseksualiteit in de islam, was de KGB van gevoelen dat Arafat een betrouwbare aanwinst was voor het Kremlin.”

En dan de Zesdaagse Oorlog, ook wel bekend als de Juni-oorlog. Er valt over die oorlog heel wat te zeggen en uiteraard – (Had ik al aangestipt dat de hele geschiedschrijving over Israël totaal verpropagandiseerd is?) – zijn er weer stemmen die menen dat die slimme Joden de oorlog hebben uitgelokt. In het Historisch Nieuwsblad van juni 2017 vinden we in een artikel,  geschreven door Maurice Blessing, de volgende stellingname.

“In 1967 had de Israëlische regering een oorlog nodig om de landsgrenzen te verleggen. Toen de Arabische buurlanden zich provocerend gedroegen was een casus belli snel gevonden. Zo brak de Zesdaagse Oorlog uit – een strijd die Israël niet kon verliezen.

Provocerend gedroegen? Noem je dreigen met genocide tegewoordig zo? Enfin. Bovenstaande stelling verkondigde Blessing op grond van een boek van Tom Segev, een van de “Nieuwe Historici”. Hij noemt echter ook dé klassieker die over de Zesdaagse oorlog is geschreven: Michael B. Oren ,“Six Days of War: June 1967 and the Making of the Modern Middle East” (2003). Oren vermeldt weliswaar dat er in mei 1967 inderdaad pre-emptive-strike-hawks in de Israëlische legerleidig zaten, maar toch ook dat Chef-Staf Yitzhak Rabin aan de vooravond van de oorlog zodanig ontregeld was dat hij totaal katatoon in een stoel zat en zich een tijdlang niet meer kon bewegen. Dan ben je volgens mij best wel bang. Oren spreekt in 2015 van “de zenuwslopende weken van mei 1967 ( . . .) toen mijn ouders mompelden over het getuige zijn van een tweede Holocaust.”

De angst in heel Israël was enorm. Efraim Halevy, Mossad-agent, in een interview in 2021: “Aan de vooravond van de oorlog had ik een bijeenkomst in het Dan Hotel in Tel Aviv. Alle ramen waren verduisterd en er waren maar heel weinig gasten omdat alle toeristen het land hadden verlaten. In de lobby zag ik minister van Welzijn Yossef Burg. ( . . .) Hij ( . . .) begon te praten over hoe ze tijdelijke begraafplaatsen aan het graven waren in de parken en dat hij een naderend onheil voelde, dat we op de rand van een nieuwe Holocaust stonden. En dit was een man die in het kabinet zat en alle details kende. Ik voelde me helemaal niet zo. Van wat ik wist, dacht ik dat we zouden zegevieren.”

Een andere “nieuw historicus”, Avi Shlaim, schreef in “The Guardian” in 2002:

“( . . .) het niveau van incompetentie van de Arabische leiders was behoorlijk onthutsend. Na 10 jaar voorbereiding ( . . .) en nadat ze populaire passies tot koorts hadden gebracht met hun bloedstollende retoriek, waren de leiders van de confrontatiestaten totaal verrast toen Israël hun dreigementen serieus nam en de eerste klap uitdeelde.” [mijn vet]

Die eerste klap lijkt verstandig te zijn geweest. Hoe bloedstollend de Arabische retoriek was, kunt u lezen en zien (Arabische cartoons!) in de artikelen over de juni-oorlog van “Vlaamse Vrienden van Israël”. Vooruit, we doen één citaatje! Op 20 mei zei de Syrische minister van Defensie Hafez Assad het volgende:

“Onze strijdkrachten zijn nu helemaal klaar om niet alleen de agressie af te weren, maar ook om de daad van bevrijding zelf in gang te zetten en om de zionistische aanwezigheid in het Arabische thuisland te doen ontploffen.

Het Syrische leger, met de vinger aan de trekker, is verenigd ( . . .) Ik, als militair, geloof dat de tijd is gekomen om een vernietigingsstrijd aan te gaan.”

Overigens: het definitieve bewijs dat Israël in 1967 helemaal niet van plan was uitbreiding te zoeken in Samaria-Judea levert het feit dat, aldus Efraim Karsh, Israël probeerde Jordanië buiten de oorlog te houden:

“Bij het uitbreken van de Israëlisch-Egyptische vijandelijkheden op 5 juni 1967 smeekte de Israëlische regering in het geheim koning Hoessein van Jordanië, de feitelijke heerser van de Westelijke Jordaanoever, om af te zien van elke militaire actie: het pleidooi werd afgewezen door de Jordaanse monarch, die het verafschuwde de verwachte buit kwijt te raken in wat de ‘laatste ronde’ van de Arabieren met Israël zou worden.”

In elk geval was de Zesdaagse Oorlog in mijn morele orde een aanvalsoorlog van de kant van de Arabieren.

Na zijn overwinning heeft Israël direct in diezelfde zomer van 1967 aan de Arabieren nog een genereuze vrede aangeboden, waarin alleen gevraagd werd om een paar kleine gebieden te mogen behouden die essentieel zijn voor de verdediging van Israël vlak tegen de bestandslijn van 1948 aan. Die “groene lijn” is inderdaad géén “grens” maar een bestandslijn in de oorlog van 1948 waarin Israël werd aangevallen! Die genereuze vrede werd door de Arabische landen, in augustus 1967 in vergadering bijeen in Khartoum, geweigerd middels het beruchte drie keer nee van Khartoum: nee, tegen onderhandelingen, nee tegen vrede en nee tegen erkenning.

Nogmaals: Samaria-Judea, waar de Joden volgens alle morele en juridische principes recht hadden om te wonen, werd in 1948 als springplank gebruikt in een poging tot genocide op de Joden. Dat was drie jaar na Auschwitz. Na 1948 werd Samaria-Judea (de Westbank”) door Jordanië gedurende 19 jaar illegaal bezet. In die periode 1948 -1967 hielden de Jordaniërs verschrikkelijk huis in Oost-Jeruzalem, vernielden en ontheiligden Joodse begraafplaatsen en synagoges en ontzegden christenen en Joden de toegang. In 1967 werd de landstreek voor de tweede maal gebruikt in een poging tot genocide op de Joden in Israël. Vervolgens werd door het drie keer nee van Khartoum Israël gedwongen om het bestuur van Samaria-Judea (“de Westbank”) op zich te nemen. Anno nu eisen de Palmaffia’s nog steeds dat juist dit gebied Judenrein aan ze uitgeleverd wordt!

Israël had en heeft dus het allervolste recht niet alleen om Samaria-Judea blijvend in te lijven, maar ook om de Arabieren te verdrijven naar Jordanië. Dat is namelijk precies wat de Arabieren in 1948 wél deden met de Joden die daar woonden, waarna ze zoals gezegd, overgingen tot het vernielen van alle synagoges en begraafplaatsen van Joden om vervolgens van 1948 tot 1967 een achterlijk terreurbewind te voerden over “de Westbank”.

Dat achterlijke bewind in Samaria-Judea werd vanaf 1967, dus onder “de bezetting” door Israël, afgelost door het dynamische “open-bruggen-beleid”: er werden door Israël twee bruggen aangelegd over de rivier de Jordaan en de handel tussen Jordanië en “de Westbank” bloeide op.

Efraim Karsh:

“Bij het begin van de bezetting waren de omstandigheden in the territories behoorlijk nijpend. De levensverwachting was laag, ondervoeding, infectieziekten en kindersterfte waren wijdverbreid en het opleidingsniveau was erg laag. Vóór de oorlog van 1967 had minder dan 60 procent van alle mannelijke volwassenen een baan, en de werkloosheid onder vluchtelingen liep op tot 83 procent. Binnen korte tijd na de oorlog leidde de Israëlische bezetting tot dramatische verbeteringen in het algemene welzijn, waardoor de bevolking van de gebieden voor kwamt te liggen op de meeste Arabische buren.”

Karsh vult deze stelling aan met verbluffende en gedetailleerde cijfers over de enorme vooruitgang op het gebied van economie, werkgelegenheid, levensverwachting, kinderziektes en kindersterfte, electriciteit, stromend water, beschjikbare keukenappararuur, aantallen schoolkinderen, alfabetisering en hoger onderwijs.

Maar Israël maakte volgens Karsh één cruciale fout: de “Palestijnse” cultuur van Jodenhaat, Israëlhaat in Samaria-Judea werd niet aan banden gelegd. De PLO kon vrijelijk propaganda maken en zich steeds meer opwerpen als de enige vertegewnwoordiger van “de Palestijnen” daar. Er was geen poging van kant van Iraël om een gematigde en tot samenwerking geneigde organisatie te faciliteren, die de werkelijke belangen en vreedzaam samenleven met Israël kon bevorderen.

Karsh: “Inderdaad, zelfs toen de PLO (tot 1982 met hoofdkantoor in Libanon en daarna in Tunesië) haar blijvende inzet voor de vernietiging van de Joodse staat verkondigde, deden de Israëli’s verrassend weinig om de politieke invloed ervan in the territories te beperken. De publicatie van pro-PLO-artikelen was toegestaan ​​in de lokale pers en anti-Israëlische activiteiten door PLO-aanhangers werden getolereerd zolang ze geen openlijke aansporingen tot geweld inhielden.”

Zodoende had Arafat, toen hij in Oslo in 1993 de wereld voorloog dat hij ging werken aan vrede, terwijl hij in werkelijkheide direct overging tot terreur, de organisatorische PLO-infrastructuur klaar liggen in Samaria-Judea. Maar dat is voor een volgende paragraaf.

Nu eerst nog even de leugen behandelen dat de Palmaffia-terreur veroorzaakt zou zijn door “de bezetting” van Samaria-Judea. Het is eeen leugen omdat de terreur in 1920 is begonnen en zich richtte tegen de aanwezigheid ueberhaupt van Joden in Palestina. En die terreur is nooit meer opgehouden. De Palmaffia’s zelf maken zélfs als er Westerse oren meeluisteren vaak geen onderscheid tussen voor en na 1967. En wat kan de eis van “recht op terugkeer” van miljoenen vluchtelingen van de oorlog van 1948 tot in het vierde geslacht anders betekenen dan dat Israël moet ophouden te bestaan? Alom klinkt bij anti-Israël-demonstraties de slogan “From the river to the sea, Palestine will be free”.

Dat de Palmaffia’s géén onderscheid maken tussen vóór en ná 1967, wordt nu juist bewezen door het feit dat pas ná “de bezetting” van Samaria-Judea het statuut van PLO-Fatah werd veranderd en Arafat daar een staat ging eisen. Vóór 1967, toen Jordanië nog heerste in Samaria-Judea en Egypte in Gaza, was er geen sprake van een dergelijke eis ondanks het feit dat Israël vooral in de eerste jaren na 1967 oneindig veel humaner optrad dan Jordanië en Egypte. Ik citeer David Meir-Levi:

“De Jordaanse bezetting van de Westbank en de Egyptische controle van de Gazastrook waren gekenmerkt door totalitaire repressie. In de woorden van Arafat zelf, voerden de Egyptenaren de Palestijnen in 1948 in vluchtelingenkampen, sloten ze op achter prikkeldraad, zonden spionnen naar binnen om de Palestijnse leiders te vermoorden en executeerden degenen die probeerden te vluchten. Er was geen enkel Palestijns protest tegen deze onderdrukking in naam van enige zelfbeschikking die hen zou zijn geweigerd.”

Als in 1948 niet Israël maar de Arabieren hadden gewonnen, was Gaza naar Egypte, Samaria-Judea naar Jordanië en de Golan naar Syrië gegaan. Die eis van een staat is namelijk alleen maar een wapen om Israël te chanteren. En als het lukt een Judenreine staat te vestigen in Samaria-Judea, zal die landstreek binnen de kortste keren zijn omgetoverd tot een uitvalsbasis om Israël te vernietigen. Zoals met Gaza is gebeurd nadat Israël zich in 2005 daaruit terugtrok. Het bewijs dat de Palmaffia’s in Samaria-Judea enkel een “staat” willen die tot zo’n uitvalsbasis omgebouwd kan worden, is dat in de loop van de decennia elk voorstel van Israël, hoe genereus ook, door Arafat en Abbas zijn geweigerd. Waarom? Omdat er te veel waarborgen in zaten die moesten voorkomen dat van Samaria-Judea zo’n uitvalsbasis gemaakt kon worden.

Na 1967 (Khartoem ) hebben ze aanbiedingen gehad die eigenlijk alsmaar genereuzer werden:1993 (Oslo met Clinton, Arafat en Begin), 2000 (Camp David met Clinton, Arafat enBarak), 2001 (Taba met Bush, Arafat , Barak), 2007 (Annapolis met Bush, Abbas en Olmert), 2008 (met Olmert en Abbas), 2011 (met Hillary Clinton, Obama,Abbas en Netanyahu). In die vredesvoorstellen hadden de Palmaffia’s gemiddeld zo’n beetje voor 98% hun zin kunnen krijgen, maar steeds duidelijker is gebleken dat de Palmaffia’s geen vrede willen, dat ze leven van terreur, corruptie en parasitisme, geen normale staat willen en kunnen runnen en alleen maar uit zijn op genocide op de Joden en de vernietiging van Israël, zoals inderdaad nog steeds in de beginselprogramma’s van Hamas en Fatah staat. En vergeet niet: de Palestijnse Arabieren hebben dus al vanaf 1922 een staat in Jordanië (70% van het Mandaatgebied). Zelfs van die resterende 30% die toch wel voor de Joden had mogen zijn, hebben ze óók nog een stuk aangeboden gekregen: in 1937 (Peelplan) en in 1948 (VN). En ze weigerden. Ze weigeren altijd.

Ook nu geldt nog steeds: op het moment dat de Arabieren met terreur ophouden, zal het vrede zijn. Andersom geformuleerd, zoals Dennis Prager dat doet: het Palestijns-Israëlische conflict laat zich in zes woorden vatten: de Arabieren willen de Joden vermoorden. Meer is het inderdaad niet. Of in de woorden van kinderen: “Zij zijn begonnen.” En zo is het. Als de Arabieren niet steeds opnieuw beginnen met terreur, is er vrede.

Nog eens: als er iets duidelijk is geworden dan is het dat de Palmaffia’s niet alleen geen vrede wíllen, maar ook niet kúnnen sluiten. Het zijn letterlijk maffia’s die van geweld, haat, onderdrukking, corruptie en parasitisme leven, zoals de hele islam al 1400 jaar doet. Vrede zou hen dwingen tot een normaal bestuur waarin ze een echte economie zouden moeten opbouwen, waarin ze zelf ook gewoon zouden moeten wérken, productief en creatief zijn. Dat kunnen ze en willen ze niet. En . . . . . dat verbiedt ook de islam! Want de islam is de enige “godsdienst” ter wereld die haat en oorlog als goddelijke en onveranderlijke plicht voorschrijft.

Als er ooit “Palestijnen” hebben bestaan, dan waren het natuurlijk de Joden, maar de gecoördineerde Arabisch-islamitisch-linkse propaganda is er in geslaagd om sinds 1964 dat etiket, “Palestijnen” te plakken op die vluchtelingen die door de Arabische landen en de UNWRA vanaf 1948 zorgvuldig in hun vluchteling-status zijn gehouden om als propagandawapen tegen Israël ingezet te kunnen worden. Die naam “Palestijnen” heeft de links-islamofiele propaganda tegelijk met de namen “Arafat” en “PLO” en “Bezetting” in het collectieve bewustzijn van het Westen gegrift.

d) 1973 – 2016: Jom Kippoer-oorlog, Arafats verraad in Oslo, Obama

En toen was er de Jom Kippoer-oorlog van 1973. Dit keer waren het alleen Egypte en Syrië die deel namen aan deze volgende genocidaal bedoelde overval van de Arabieren op Israël. Koning Hoessein van Jordanië nam geen deel en zodoende werd het Israël bespaard dat Samaria-Judea voor de derde keer als springplank diende. Maar dat kon nauwelijks een troost zijn. Want koning Hoessein van Jordanië bleef niet uit principe, maar alleen om opportunistische redenen buiten de Jom Kippoer-oorlog. Dat de koning niet meedeed aan het derde genocidaal bedoelde feest was te wijten aan zijn zwakke binnenlandse positie. Hoessein had drie jaar eerder, in september 1970 – (in de mythologie van het Palestinisme “Zwarte September” geheten) – met grof geweld en ten koste van heel veel dode “Palestijnen” Arafat en zijn terreurbendes uit Jordanië verjaagd, omdat die Hoesseins staat dreigden over te nemen. Vanwege deze zwakke binnenlandse positie volstond hij met het sturen van één symbolische pantserdivisie naar het Syrische front op de Golan-hoogte. Hij had overigens eerst wel aan Israël toestemming gevraagd of hij op deze manier zijn gezicht mocht redden in de Arabische wereld en of er geen sancties van de kant van Israël zouden volgen. “Dat kan alleen in het Midden-Oosten”, commentarieerde Henry Kissinger.

Niet alleen de oorlog van 1973, maar ook de voortgaande terreuraanslagen van de Palmaffia’s onder leiding van Arafat maakten een einde aan de illusies van de Israëli’s. Opnieuw werd bewezen wat al 1400 jaar lang duizenden malen bewezen werd: islam is oorlog, waar islam daar geen vrede. De Israëli’s werden gedwongen tot steeds rigoureuzere veiligheidsmaatregelen: wegversperringen om explosieven en zelfmoordterroristen op te sporen en tenslotte een veiligheidsbarrière rond het gebied dat tegen de bestandslijnen van 1948 aanligt en dat Israël essentieel acht voor zijn veiligheid.

De “rechtse” Israëli’s, en dat waren ook meestal de Israëli’s met kennis van de geschiedenis, waren sceptisch toen de Oslo-Accoorden werden gesloten. Deze realisten kregen gelijk. De geschiedenis vanaf 1993, toen de Oslo Accoorden tot stand kwamen, verschilt niet van de algemene trend die het voorgaande liet zien: voortgaande pogingen van Israël om tot vrede te komen en voortgaande sabotage van die pogingen door de Palmaffia’s. Meteen na Oslo 1993 is Arafat begonnen met een bewust en grootscheeps haat-propaganda-annex-terreur-offensief om de Akkoorden te ondermijnen.

Caroline Glick, geboren 1969, zat als jonge kapitein van het Israëlische leger, de IDF, in de periode 1994-1996 bij alle belangrijke vergaderingen met de PLO waarin gedetailleerde invulling gegeven moest worden aan het op 13 september 1993 op het gazon van het Witte Huis gesloten Oslo-Accoord. Ze schrijft:

“Gedurende de hele periode van mijn werk vond ik nooit enige reden te geloven dat het vredesproces waarvan ik deel uitmaakte zou leiden tot vrede. Dezelfde Palestijnse leiders die grappen met ons maakten in luxe vergaderzalen in Cairo en Taba, verbraken elke belofte die ze aan Israël deden op hetzelfde moment dat de vergaderingen eindigden. Om te beginnen slaagde de PLO er niet in om zijn oprichtings-acte aan te passen die in bijna elke paragraaf opriep tot de vernietiging van Israël; ze weigerden te voldoen aan de limieten die ze hadden geaccepteerd aan het aantal wapens en veiligheidstroepen die ze mochten ontplooien in de gebieden die onder hun controle waren. Ze overtraden voortdurend de wetten en regelingen betreffende zone-grenzen en bouw-activiteiten. En tenslotte waren er hun constante nazi-achtige antisemitische propaganda en hun ophitsen en uitlokken van terreur tegen Israël. Het was zonneklaar dat ze te kwader trouw onderhandelden. Ze wilden geen vrede met Israël. Ze waren bezig het vredesproces te gebruiken om Israël in stukken te scheuren.”

En:

“Iedere keer werd van Israël geëist terroristen uit de gevangenis te laten als een voorwaarde voor onderhandelingen met de PLO. En die onderhandelingen dienden op hun beurt om weer meer terroristen vrij te laten en meer land af te staan, meer geld te geven, meer internationale legitimiteit aan de terroristen te verlenen en nóg meer terroristen uit te leveren aan de PLO.”

Gewoontegetrouw werden de westerse media door Arafat gevoerd met fraaie leugens, ontkende Arafat dat hij zelf leiding gaf aan de terreur, maar sprak hij in het Arabisch en voor Arabisch gehoor openlijk zijn sabotage-plannen uit. Terwijl Arafat en zijn opvolgers de kernopdracht van de Oslo-Akkoorden vertrapten – (ophouden met het plegen en propageren van terreur) – hielden de Israëli’s zich wel precies aan de aan hen gestelde voorwaarden.

Inmiddels zijn we ontelbare terreurdaden van de Palmaffia’s verder, de bouw van een veiligheidshek verder (2003), een ontruiming van Gaza en de metamorfose van Gaza in een Hamas-terreur-basis verder (2005) en een flink aantal door de Palmaffia’s afgewezen vredesvoorstellen verder. Zie de vorige paragraaf.

Aan Barack Obama heb ik op mijn website een forse analyse gewijd. Hier heb ik het alleen over zijn buitenlandse politiek. Niemand heeft Obama’s buitenlandse politiek beter geduid dan de onvolprezen Caroline Glick in een overzichts-artikel van 13 januari 2017 dat vertaald is in het Nederlands door de website OpinieZ. In het volgende vat ik Glick parafraserend samen.

Obama heeft zijn voorgenomen buitenlandse politiek in zijn Cairo-speech van 4 juni 2009 uiteengezet en hij heeft zich strikt daaraan gehouden. Hij heeft tot op de laatste dag van zijn ambtstermijn Israël dwars gezeten en de islamitische wereld bevoordeeld. Het Westen, zo verklaarde hij, moest boeten voor kolonialisme en racisme jegens de moslimwereld en zorgen dat moslims zich weer veilig en gerespecteerd voelden. De aanslag op de Twin Towers was niet gepleegd door de echte islam, een buitengewoon rijke religie. Obama citeerde in die speech vol bewondering driemaal “de Heilige Koran”. Hij prees de grote bijdragen van de islamitische beschaving aan de wereld en benadrukte dat de islam altijd een belangrijk deel van de Amerikaanse manier van leven was geweest. Obama beloofde de Amerikaanse troepen terug te trekken uit Irak, ongeacht de gevolgen. En dat deed hij. Hij behieldd wel de Amerikaanse troepen in Afghanistan, maar gaf ze als opdracht: aardig zijn en veel geld uitdelen. Israël, meende hij, is een product van het Europese kolonialisme, precies wat ook Iran en Hamas beweren. De Palestijnen noemde hij de oorspronkelijke bewoners van het land en de voornaamste slachtoffers van het koloniale Westerse schuldige geweten na de Holocaust. Hij noemde het verzet van Hamas tegen Israël is legitiem. Wel zou Hamas moeten leren van het geweldloze verzet in Zuid-Afrika, India en van de zwarten in Amerika tegen de blanke koloniale racisten.

In werkelijkheid, zegt Glick, is Hamas de Palestijnse tak van de Moslim Broederschap, die vernietiging van Israël en de uitroeiing van het Joodse volk over de hele wereld beoogt. In het publiek in Cairo zaten die dag leden van de Egyptische tak van die Moslim Broederschap. De toenmalige Egyptische president Hosni Mubarak beschouwde Obama’s uitnodigen van de Moslim Broeders als een vijandige daad, boycotte de toespraak en weigerde Obama te begroeten op het vliegveld van Cairo. Twee jaar later steunde Obama het afzetten van Mubarak en de opkomst van de Moslim Broederschap om hem te vervangen.

Amerika had de haat van de ayatollahs van Iran verdiend, zei Obama, omdat de CIA in 1953 het pro-Sovjet regime in Iran omver had geworpen en de pro-Amerikaanse Shah had geïnstalleerd. Iran had ook recht op een vreedzaam nucleair programma en anderzijds moesten Amerika en de rest van de leden van de nucleaire club hun kernwapenarsenaal vernietigen. In de jaren daarna verkleinde Obama de Amerikaanse kernmacht inderdaad aanzienlijk en keurde grote transporten goed van uranium naar Iran. Al met al heeft Obama het jihadisme en ISIS bevorderd. De islamitische wereld is door zijn beleid in chaos. Na Obama’s terugtrekking, heeft ISIS niet alleen Irak en Syrië gedestabiliseerd, maar ook Europa.

Irans proxy, het sji’itische Hezbollah, heeft genocide gepleegd op de Soennieten in Syrië en de vluchtelingencrisis veroorzaakt die Europese Unie teistert. De slachtoffers van de islamistische moordpartijen in San Bernadino, Boston, Fort Hood, Orlando en meer plaatsen zijn er bewijs van dat ook Amerikaanse burgers de prijs betalen voor Obama’s programma. Iran is nu de opkomende regionale grootmacht. Rusland, partner van Iran, heeft weer een machtspositie in het Midden-Oosten. Erdogan, Turkije’s islamistische leider, surfde mee op Obama’s golf van islam-sympathie en brak de laatste resten af van de seculiere Turkse Republiek.

 De laatste daad van uitvoering van Obama’s plan van Cairo – Amerika en het hele Westen verzwakken – was het zich onthouden van stemming in de VN-Veiligheidsraad over resolutie nr. 2334, slechts een maand voordat hij door Donald Trump zou worden vervangen.

Tot zover Glicks samenvatting van acht jaar buitenlandse politiek van Obama.

Over die resolutie 2334 het volgende. We hebben het hierboven voldoende gehad over hoezeer Joden recht hebben om in Samaria-Judea (“op de Westbank”) te wonen,  hoe dat gebied diende als springplank om genocidale oorlogen tegen Israël te voeren, hoezeer Israël geprobeerd heeft vrede te sluiten met de Palmaffia’s en het gebied te ontwikkelen. En we hebben gezien hoe de Palmaffis alle vredespogingen hebben gedaboteerd omdat ze een staat eisen, geheel vrij van Joden die ze opnieuw tot springplank voor een genocidale oorlog tegen Israël kunnen ombouwen.  

Op 23 december nam de VN-Veiligheidsraad resolutie nr. 2334 aan waarin staat dat Israël moet stoppen met de bouw van nederzettingen Samaria-Judea. Dat was in lijn met de wil van de Palmaffia’s om Samaria-Judea Judenrein te maken. Obama had zijn vertegenwoordigster Samatha Powers opdracht gegeven zich van stemming te onthouden, waardoor de resolutie werd aangenomen. Dat was dus veertien dagen voordat Donals Trump zou aantreden, die daarmee flink gehandicapt werd in zijn pro-Israël-politiek.

Direct na het aannemen van resolutie nr. 2334, dus vlak voor het aantreden van Trump, schreef Caroline Glick een artikel in de Jerusalem Post waarin zij erop wees dat dat de actie van Obama weliswaar gericht was tegen Israël, maar vooral een vijandelijke daad was tegen zijn eigen land. De Sovjets, zegtGlick, hebben de VN altijd als podium gebruikt om de Koude Oorlog met Amerika aan macht te winnen, maar alle voorgaande presidenten hebben altijd het veto-wapen gebruikt om dat te voorkomen. Nu de islam via de OIC, de Organisation of the Islamic Cooperation, in bondgenootschap met Rusland, China en de EU alsmede via omkopen en chanteren van “ongebonden landen” de algemene vergadering van de VN beheerst, is dat slot op de deur van het veto on de Veilgheidsraad des te belangrijker. En dat slot op de deur, dat veto heeft Obama bewust niet gebruikt, want hij wil liever dat de VN een soort wereldregering wordt, die de handen van Amerika bindt. Obama wilde vooral de macht van Amerika beperken.

Obama’s ideologische verblinding past natuurlijk in de hele sfeer van Israël-haat en Palmaffia-liefde waarvan de hele “linkse” beweging sinds de jaren 1970 doortrokken is. Vooral bij veel zwarten in Amerika is de Jodenhaat virulent: Farrakhan’s “Nation of Islam” wordt naadloos voortgezet in “Black Lives Matter”. En nu blijken Obama’s memoires vol te staan met laster-leugens over Israël.

In het volgende ontleen ik veel aan Dov Lipman, die een analyse maakte van het gedeelte van “A Promised Land” waarin Israël behandeld wordt, namelijk de pagina’s 623 tot 636 van hoofdstuk 25. Ik heb die pagina’s zelf ook gelezen. En ik vat Lipman samen, maar pleeg zelf ook een paar aanvullingen en die zijn misschien ietsje scherper geformuleerd dan Lipman gedaan zou hebben. U krijgt dus een zowel kernachtig samengevatte alsook verrijkte visie van Lipman op Obama’s geschiedschrijving van de “Palestijnse kwestie”.

De onwetenden die op een dieet staan van mainstream-media inzake Israël en de Palmaffia’s – de meeste mensen dus – zullen bij Obama opnieuw het beeld bevestigd zien dat die media al decennia schetsen: Israël is de foute agressor en de “Palestijnen” zijn weerloos slachtoffer. In het volgende kan het voorkomen dat leugens die hierboven al behandeld zijn opnieuw aan de orde komen.

De Balfour-verklaring van 1917 was, zoals men weet, een brief van de Britse minster van BZ, Arthur Balfour aan Lord Rothschild waarin Balfour verklaarde dat Engeland welwillend stond tegenover de stichting van een nationaal tehuis voor de Joden in Palestina. De Balfour-verklaring leidde in 1922 tot het verstrekken door de Volkenbond aan Groot-Brittannië van het “Mandaat voor Palestina” dat opdracht gaf tot “de vestiging in Palestina van een nationaal tehuis voor het Joodse volk”. Het “Mandaat voor Palestina” stipuleerde dat die opdracht werd gegeven met in gedachten “de historische verbinding van het Joodse volk met Palestina”.

Maar Obama spreekt in “A Promised Land” over de Britten die “Palestina hadden bezet” op het moment dat ze de Balfour-declaratie publiceerden. Hij geeft niet eens de context dat het Ottomaanse rijk in WO1 een bondgenoot was van Duitsland en dat de oorlog dus ook in het Midden-Oosten werd uitgevochten. En hij noemt het Mandaat, gegeven door de Volkenbond, niet. Obama wil klaarblijkelijk bij de lezer de indruk wekken dat de Balfour-declaratie vanaf het begin een daad van imperialisme was, gericht tegen de Arabieren in Palestina en dat “Israël” vanaf het begin een illegale onderneming was.

Obama: “In de loop van de volgende 20 jaar wisten de Zionistische leiders een golf van migratie naar Palestina op gang te brengen.”

In deze zin zit, in zijn verzwijging van zo’n beetje alles wat van belang is, zóveel smerige suggestie dat we even uitgebreid in herhaling moeten vallen over de werkelijke gang van zaken.

Obama wil dus de indruk wekken dat de Joden, toen eenmaal de Engelsen waren begonnen die illegale Joodse staat te vestigen, de Joden van wereldwijd kwamen om zich op het weerloze Palestina en zijn “Palestijnen” te werpen en de buit te verdelen. De waarheid is dat de Joden al zo’n 3000 jaar in Palestina hadden gewoond, dat ze, ondanks de verbanning door de Romeinen, ook de laatste 2000 jaar met een kleine gemeenschap aanwezig waren gebleven en dat vanaf ongeveer 1880 onder druk van de pogroms in Oost-Europa ongeveer 100.000 Joden naar Palestina waren getrokken. Daar verrichtten ze een wonder van welvaarts-ontwikkeling en humanisering. De landstreek Palestina zuchtte namelijk vanaf het jaar 638 voortdurend onder islamitische bezetters. Het islamitische (Ottomaanse) bestuur was zo beroerd dat de streek tot steeds diepere armoede verviel. Het was een zeer langdurige kolonisatie die pas beëindigd werd door de Britse overwinning op de Ottomanen in 1918.

In de jaren 1920 werd die “golf van migratie naar Palestina” waarvan Obama rept evenmin veroorzaakt door “Zionistische leiders” maar door het groeiende antisemtisme in Europa en . . . . . door het beperken van de migratie van Joden naar Amerika via quota door de Amerikaanse regering. In de jaren 1930 was Hitler in opkomst en hoefden die “Zionistische leiders” al helemaal geen moeite meer te doen om golven van Joden richting Palestina te zenden. In Palestina gingen overigens ook de Engelsen over tot het quoteren van Joden omdat de haat-hetze jegens de Joden die de latere bondgenoot van Hitler, de Moefti van Jeruzalem, Amin al-Husseini had ontketend, steeds meer zijn terroristische vruchten begon af te werpen.

Tot zover over één enkele verzwijg-zin in de memoires van Obama.

Dan Obama’s bewering dat de geïmmigreerde Joden “zeer getrainde gewapende strijdkrachten organiseerden om hun nederzettingen te beschermen”. Maar dat deden de Joden pas noodgedwongen door de terreur die vanaf 1920 structureel werd uitgeoefend door jihadisten die waren opgehitst en georganiseerd door de Moefti van Jeruzalem, Amin al-Husseini.

Nog meer misleiding. Als Obama spreekt over het verdelingsplan van 1947 van de VN, zegt hij dat “de Zionistische leiders” het accepteerden, maar dat de “Arabische Palestijnen alsmede omringende Arabische landen die op dat moment zich bevrijdden van koloniale heerschappij, krachtig bezwaar aantekenden”. Die term “Zionistische leiders” in plaats van “Joodse leiders” past prachtig in het nieuwe internationale antisemitisme, dat irrationele haat-kritiek op Joden modern verpakt als gerechtvaardigde kritiek op Israël en “Zionisten”. Obama’s spreken over de Arabische landen die zich bevrijdden van het koloniale juk dient om de weigering van het vredesplan door de Arabieren goed te praten. Want die hadden, zo wil Obama zeggen, na het kolonialisme van Frankrijk en Engeland geen zin in Joden als nieuwe overheersers. Maar de waarheid is: met uitzondering van Egypte bestond geen van de omringende Arabische landen als staat voor WO1 (1914-1918). Deze Arabieren waren al eeuwen onderdeel van het Ottomaanse Rijk.

Kortom: het beeld van Arabische landen die bezig waren te ontsnappen aan “kolonialisme” en die geen zin hadden in “Zionistische heersers” is vals. En misschien mag ik herinneren aan nóg een paar feiten die hierboven al gereleveerd zijn: dat de Joden als gelijken kwamen van de Palestijnse Arabieren die evenveel rechten zouden krijgen; dat de Joden niet “koloniseerden” maar welvaart en humaniteit brachten; dat de enige oorzaak van het geweld en de noodzaak tot opdeling de jihadistische Moefti-terreur was.

Obama meent de vestiging van de staat Israël in twee zinnen te kunnen vatten:

“Toen Groot-Brittannië zich terugtrok, begon de oorlog tussen de twee kampen al snel. En toen Joodse milities de overwinning claimden in 1948 werd de staat Israël geboren.”

Dit is ronduit kwaadaardige geschiedvervalsing.

Toen Engeland zich terug tok, begon de oorlog niet “al snel”, want de terreur van de jihadisten onder leiding van de Moefti begon in 1920 en vervolgens kan je vanaf de jaren 1930, en zeker bij de “Arabische opstand” van 1936 tot 1939, gewoon spreken van oorlog. En de “twee kampen” waren niet gelijkelijk schuldig aan de oorlogstoestand: het waren altijd uitsluitend de Palmaffia’s die aanvielen en de Joden die zich verdedigden. En er waren geen “Joodse milities” die “de overwinning claimden”, maar er was een regulier Israëlisch leger dat helemaal géén overwinning claimde, want dat leger moest, toen Ben Gurion op 14 mei 1948 de staat Israël uitriep op grond van het VN-verdelingsplan, voorlopig nog de legers van vijf Arabische naties verslaan.

Waarna Obama de volgende dertig jaar, zeg dus van 1948 tot 1978, in één zin samenvat. En opnieuw hebben we hier te maken met kwaadaardige geschiedvervalsing.

“Gedurende de volgend drie decennia, zou Israël deel nemen aan een reeks conflicten met zijn Arabische buren.”

De term die ik hier vertaal met “deel nemen” luidt in Obama’s originele tekst “engage” en dat heeft net iets meer connotatie van “zich bewust en opzettelijk mengen” dan de vertaling die ik gekozen heb: deel nemen. Er zit dus nog net iets meer geschiedvervalsing in de oorspronkelijke Engelstalige zin, want er was natuurlijk geen enkele sprake van initiatief tot oorlogshandelingen van de kant van de Joden en Israël. Net zoals bij de jihadistische terreur van de Moefti tot 14 mei 1948, waren de daaropvolgende oorlogen, die van 1967 en van 1973, alle twee aanvalsoorlogen van de kant van de Arabieren.

Hier is een man aan het woord met maar één doel: de haat tegen Israël en de Joden in Amerika en overal ter wereld opstoken.

En kijk eens naar deze zin over de oorlog van 1967:

“Een Israëlisch leger dat zwaar in de minderheid was, versloeg de gecombineerde legers van Egypte, Jordanië en Syrië. Al doende ontnam Israël aan Jordanië de controle over de West-bank en Oost-Jeruzalem, aan Egypte die over Gaza en de Sinaï en aan Syrië die over de Golan-hoogte.”

Waarvandaan dat compliment komt van “zwaar-in-de-minderheid-en-toch-een-klinkende-overwinning” kan ik slechts raden. De slimme doortraptheid van de Joden benadrukken? Of de zieligheid van de Arabieren? Beiden?

In het kader van de totale verzwijging van het feit dat sinds 1920 de enige agressors de Arabieren waren, verzwijgt Obama ook de directe voorgeschiedenis van de juni-oorlog van 1967. Ik citeer en vertaal hier Dov Lipman:

“Hier verzuimt hij in te gaan op de aanleiding tot de oorlog, toen al die Arabische legers zich langs de grenzen van Israël verzamelden en verklaarden dat het hun voornemen was het land van de kaart te vegen. Hij beschrijft niet Israëls smeekbedes richting Jordanië om niet deel te nemen aan de oorlog, noch dat Jordanië helemaal geen legale rechten had op de Westelijke Jordaanoever, die het in 1948 bezette en in 1950 indruisend tegen het internationale recht annexeerde. Het meest tekenende is dat Obama geen melding maakt van Israëls bereidheid, direct na de oorlog, zich in ruil voor vrede terug te trekken uit alle gebieden die het in zijn defensieve strijd had veroverd. Voorts verzuimt hij te vertellen van de ‘drie nee’s’ van de Arabische Liga als reactie op dat aanbod: geen vrede met Israël, geen erkenning van Israël en geen onderhandelingen met Israël. Deze omissie dient opnieuw om Israël af te schilderen als de agressieve bezetter die conflict zoekt en geen vrede.”

Dat verzwijgt Obama allemaal, klaarblijkelijk teneinde zijn politiek van steun aan de Palmaffia’s te rechtvaardigen en vervolgens trekt hij die lijn van geschiedvervalsing door met nóg een leugen. Hij beweert dat de opkomst van de PLO (Palestinian Liberation Organisation = Palestijnse Bevrijdings Organisatie) het “resultaat” was van de oorlog van 1967. Maar de PLO werd in 1964 opgericht. Wat wilden ze toen “bevrijden”? Dat zal dan gewoon Israël zelf wel geweest zijn. Toch?

En al die Obamaiaanse leugens, die overal ter wereld in de mainstream-media en in beleidsbepalende kringen van de internationale politiek worden herhaald, dienen maar één doel: de “bezetting” van Samaria-Judea en de weigering van Israël om die landstreek Judenrein uit leveren aan de Palmaffia’s aan te wijzen als de oorzaak van het uitblijven van “vrede”.

Obama’s politiek werd wel aangeduid als de “geen enkele steen-politiek” (“not one brick-policy”) dat wil zeggen: geen enkele nederzetting in Samaria-Judea erbij, maar omgekeerd juist graag alles afbreken en dan Israël terug achter de onverdedigbare bestandslijn van de oorlog van 1948, de zogenaamde “groene lijn”.

Nog een stukje geschiedvervalsing uit die 13 pagina’s van hoofdstuk 25 van “A Promised Land”. Bij het overleg van Camp David in 2000 was Ehud Barak bereid meer dan 90% van Arafat’s eisen in te willigen. Obama schrijft: “Arafat eiste echter meer concessies en het overleg bezweek onder onderlinge verwijten.” Maar het overleg “bezweek” niet, want de “Tweede Intifada” die op de mislukking volgde en waarbij 1137 Israëlische burgers werden vermoord en 8341 verminkt, was vooraf gepland door Arafat. Hij is nooit van plan geweest aan de minimale eisen van Barak, betrekking hebbend op de veilgheid van Israël, te voldoen.

Na aldus op zijn minst de helft van de schuld voor het mislukken van Camp-David-2000 bij Barak en Israël gelegd te hebben, probeert Obama die ene helft verantwoordelijkheid die hij Arafat toedicht ook nog weg te poetsen. Namelijk door het bezoek van Sharon aan de Tempelberg van september 2000 als een grove provocatie neer te zetten. Hij spreekt letterlijk van dat bezoek als van “provocerend” en een “stunt” waardoor “Arabieren overal in woede ontstaken”. Maar de waarheid is: Sharon had van de hoogste verantwoordelijken van de “Palestijnse Autoriteit” te horen gekregen dat er geen probleem zou zijn zolang hij maar geen moskee zou binnengaan of ging bidden. Waaraan Sharon zich uiteraard heeft gehouden.

Obama beschrijft voorts de Tempelberg als “een van de heiligste plekken van de islam”, maar heeft de ongelooflijke brutaliteit onvermeld te laten dat de Tempelberg niet “een van” maar kortweg dé heiligste plek is van de Joden.

Kortom: na de valse indruk gewekt te hebben dat de mislukking van Camp-David-2000 voor een flink deel aan Israël was te wijten, is bij Obama alles erop gericht om te zorgen dat het bezoek van Sharon bij de lezer overkomt als een totaal onnodige provocatie op een heilige islamitische plek waardoor het bloedvergieten van de “Tweede Intifada” geheel op rekening van Israël komt.

Verzwijgen is een standaard-techniek van de “Israël-critici” en Obama maakt er ruim gebruik van zoals u hierboven al hebt kunnen zien. Zo maakt hij geen enkele melding van het feit dat Israël in 2005 Gaza ontruimde en 9000 Israëli’s dwong hun huizen te verlaten. Hij schrijft: “De Palestijnen zelf waren gefragmenteerd na Arafats dood in 2004: Gaza kwam onder de controle van Hamas en zat spoedig onder een strak opgelegde Israëlische blokkade, terwijl de Palestijnse Autoriteit, waarin Fatah de dienst uitmaakte . . . . “. Enzovoort. Maar Obama vermeldt niet dat Israël in 2005 Gaza ontruimde. Dat is natuurlijk op zich al kras, maar hij vertelt ook niet hoe dat ging en wat Hamas al deed nog voor er sprake kon zijn van een “Israëlische blokkade” al dan niet “strak opgelegd”.

En wat deed Hamas dus al enige tijd? Aaron Klein beschrijft in zijn boek “The Late Great State of Israel” scènes uit de ontruiming van Gaza in 2005. Hij beschrijft de Joodse nederzetting Gush Katif vóór de ontruiming:

“Ik werd getroffen door de natuurlijke schoonheid van de plek. Het zag eruit als Orange County, Californië, overgezet naar de woestijn van Gaza.”

Klein beschrijft hoe nog vóór de Israeli’s waren vertrokken, Hamas al een begin had gemaakt met het ombouwen van Gaza tot een raketbasis en bezig was met het afschieten van raketten op Israël. De prachtige broeikassen in Gaza werden geheel intact achtergelaten door de Joden en direct vernield door Hamas, dat dus eigenlijk al in 2005 aan de macht was, twee jaar voordat zulks in 2007 via “verkiezingen” officieel werd.

Dat verzwijgt Obama dus allemaal: dat de Palmaffia die we Hamas noemen al sinds 2005, dus gedurend 15 jaar, dat onafhankelijke islamitische paradijs had kunnen scheppen, maar dat zulks niet gelukt is ondanks de miljarden aan subsidie die Hamas heeft gekregen van EU en VN, want die zijn opgegaan aan beloning van “martelaren” (zelfmoord-terroristen), besteed aan raketten en terreur-tunnels, overgezet op buitenlandse bankrekeningen van Hamas-kopstukken en besteed aan luxe enclaves en villa’s voor diezelfde Hamas-kopstukken binnen Gaza. In Gaza gaat een onvoorstelbare luxe voor de Hamas-elite samen met een onvoorstelbare armoede van de gewone bevolking die getracteerd wordt op een dieet van Jodenhaat.

Nog meer geschiedvervalsing en misleiding in die luttele dertien pagina’s. Zoals bekend vuurt Hamas voortdurend in het wilde weg raketten af op de Israëlische bevolking. Daar heeft Obama geen problemen mee, althans: daarover zegt hij niks. Het probleem voor Obama is het antwoord van Israël op die raket-aanvallen. Daarmee is Obama helemaal in line met alle mainstream-media in de Westerse wereld en dus valt dit soort misleiding, dat alleen bedoeld kan zijn om de haat jegens Israël en de Joden wereldwijd aan te wakkeren, op vruchtbare geestesbodem bij een publiek dat gewend is aan de demonisering van Israël. Het antwoord van Israël op Hamas-raketbeschietingen is onder meer, zegt Obama, “door de VS geleverde Israëlische Apache-helicopters die hele buurten met de grond gelijk maken”.

Wat zegt u? Hele buurten met de grond gelijk maken! Zozo! Nounou. Daaruit moet je toch wel concluderen dat Amerika wapentuig (Apaches)levert aan oorlogsmisdadige Joden! Natuurlijk zijn het allemaal leugens, gebaseerd op de gruwelsprookjes van Hamas die door het internationale journaille gedwee over de wereld verspreid worden.

Lipman schrijft terecht: “Het probleem is dat het vals is. Israël neemt terroristenleiders onder vuur en de raketten die ze op Israëlische steden afschieten. Tragisch genoeg gebruiken Hamas-leiders onschuldige Palestijnen als menselijke schilden door zich achter hen te verschuilen in burgerwijken en door daarvandaan raketten naar Israël af te schieten en ook vanuit ziekenhuizen en moskeeën. Israël doet zijn best geen onschuldige mensen te doden door zelfs pamfletten te droppen die een aanstaande luchtaanval aankondigen en blaast missies af die ten doel hebben raketinstallaties te vernietigen of terroristenleiders te doden als er zich teveel burgers in het gebied bevinden. Israël voert zeer zeker geen vergeldingsaanvallen uit die in het wilde weg ‘hele buurten met de grond gelijk maken’.” [mijn vet]

Lipman gaat niet in op het geneuzel dat Obama ten beste geeft over het karakter van Netanyahu, die door Obama wordt beschreven als “slim, geslepen, onbuigzaam en een begaafde communicator” die zich “charmant en zijn minst betrokken” kan gedragen als het hem voordeel kan opleveren, maar die zichzelf ziet als “de voornaamste verdediger van het Joodse volk tegen onheil“ en daarmee, aldus Obama, meent hij “zo’n beetje alles te kunnen rechtvaardigen dat hem aan de macht zou houden”. Obama vraagt zich af of de zaken anders hadden kunnen lopen met een andere premier van Israël. Dat lijkt mij wel: een linkse goedmenselijke naïvist had misschien wel gevonden dat Israël best achter de onverdedigbare bestandslijnen van voor 1967 terug kan met daar vlak naast een “Palestijnse Staat” die in nóg kortere tijd dan Gaza in 2005 omgebouwd zou worden tot een raketlanceer-installatie en een thuisbasis voor IS, maar zo iemand komt in Israël niet aan de macht, want het Midden-Oosten dwingt tot iets meer realisme dan Obama-land.

Uit de kwalijke zinnetjes die Obama heeft geschreven over Israël, kiest Lipman er op zijn laatst eentje uit als het meest smerige. Dit zinnetje:

“For the next three decades, Israel would engage in a succession of conflicts with its Arab neighbors . . . .”

Dan heeft hij het dus over de oorlogen van 1948, 1967 en 1973, die alle drie genocidaal bedoelde aanvallen waren door de Arabische landen op Israël.

I rest my case.

4) Ontwikkelingen onder president Trump (2016-2020)

President Donald Trump zag in dat het rejectionisme van de Palmaffia’s niet doorbroken kon worden zonder rigoureuze maatregelen en dus begon hij Abbas en zijn “Palestijnse Autoriteit” in Samaria-Judea voor het blok te zetten. Het eerste publieke teken daarvan kwam toen zijn Secretary of State Mike Pompeo op 18 november 2018 publiekelijk het standpunt bekend maakte dat Amerika de nederzettingen in Samaria-Judea niet langer als “per se illegaal” beschouwt. (Uit het betoog hierboven kunt u afleiden dat naar mijn gedocumenteerde mening “niet per se illegaal” zéér zwak is uitgedrukt: de Israëli’s hebben duizend procent recht op vestiging in Samaria-Judea.) Een tweede publieke teken kwam toen op zeven december 2018 Trump bekend maakte dat de Amerikaanse ambassade van Tel-Aviv naar Jerusalem verplaatst zou worden.

Die verklaring van Pompeo en die verplaatsing van de ambassade bleken slechts de inleiding op een Copernicaanse wending in de Amerikaanse politiek ten opzicht van de kwestie Israël-Palmaffia’s. Want dertien maanden later, op 28 januari 2020, maakte Trump een vergaand plan bekend. Trump erkende als eerste Amerikaanse president dat Jeruzalem de ongedeelde hoofdstad is van Israël, dat de Joden recht hebben op een Joodse staat in Palestina op grond van een millennia oud en ononderbroken verbond met de grond daar en dat ze een legitieme claim hebben op Samaria-Judea, óók internationaal-rechtelijk.

Copernicaans is vooral Trumps omdraaiïng van rollen. De Israëli’s waren tot nu toe – en vooral onder Obama – altijd degenen geweest die vertrouwenwekkende maatregelen moesten nemen en hun goede wil tonen terwijl de Palmaffia’s door konden gaan met elk compromis afwijzen, saboteren, haat zaaien en parasiteren. Trump pakte de zaken anders aan: hij legde een plan voor Judea-Samaria neer, dat slechts in detail gewijzigd kon worden en de Palmaffia’s kregen vier jaar de tijd om aan het plan mee te werken. Zou er over vier jaar te weinig resultaat zijn, dan zou Israël de handen vrij krijgen om in Samaria-Judea de eigen wetgeving van toepassing te verklaren en feitelijk het gebied te “annexeren”.

Als het over het plan-Trump ging, viel in de mainstream-pers voortdurend het woord “annexatie”, maar dan zonder aanhalingstekens. Ik zet “annexatie” wél tussen aanhalingstekens omdat het slechts de uitbreiding betreft van de Israëlische soevereiniteit over een beperkt gebied waarop Israël voor duizend procent en eigenlijk in zijn geheel moreel en internationaal-rechtelijk legaal het gezag kan claimen. Ik gebruik het woord “annexatie” tussen aanhalingstekens tóch omdat de meer waarheidsgetrouwe omschrijving – (de uitbreiding van de Israëlische soevereiniteit over een beperkt gebied waarop Israël voor duizend procent en eigenlijk in zijn geheel moreel en internationaal-rechtelijk het gezag kan claimen) – te lang is om telkens te gebruiken. Bovendien kreeg de Palmaffia van Abbas de kans om dat beperkte gebied – (waarover zij het bewind voeren en dat Israël dus zou mogen claimen bij in gebreke blijven van Abbas cum suis) – flink uit te breiden als ze zich normaal zouden gaan gedragen, dus zonder terreur en haatpropropaganda. En precies daarom was Caroline Glick zo blij met het plan. Want Glick wéét dat de Palmaffia’s existentieel slechts in staat zijn tot haat en terreur en dat betekende dat Glicks plan doorgevoerd zou kunnen worden: totale annexatie van de hele “Westbank” volgens haar plan zoals neergelegd in haar boek “The Israeli Solution”.

Trumps plan is vooral een wereld van verschil met de politiek van Obama, die er alles aan gedaan heeft om Israël te ondermijnen. Volgens Caroline Glick is onder Obama de Democratic Party geobsedeerd geraakt door het verlangen de Israëlische gemeenschappen in Samaria-Judea te vernietigen en de landstreek Jodenvrij uit te leveren aan de PLO. Voor de kracht van die obsessie verwijst zij naar het niet-vetoën van Veiligheidsraad-resolutie 2234 van 23 december 2016 door Samantha Power, die namens Obama zich onthield van stemming in de VN-Veiligheidsraad en zo zorgde dat de (weliswaar niet-bindende) resolutie 2234 werd aangenomen. De motie voorzag in het terugtrekken van de Israëli’s naar de onverdedigbare bestandslijnen van 1948 en stelde dat alle Israëlische nederzettingen in Samaria-Judea, óók die in Oost-Jeruzalem, illegaal waren. Let wel: Donald Trump was toen in november al tot president gekozen, maar Obama wilde op de valreep het voor Trump zo moeilijk mogelijk maken het juiste te doen in Samaria-Judea. Velen geloven zelfs dat Obama zelf de indiening van die resolutie heeft ingestoken. In ieder geval beweerde Netanyahu dat openlijk op een persconferentie, echter pas toen hij van het Engels was overgeschakeld op Hebreeuws. De Palmaffia’s waren blij uiteraard blijn met resolutie 2234.

Begin augustus 2020 luidde het nieuws dat de “annexatie” van Samaria-Judea volgens het plan Trump werd uitgesteld. De voornaamste redenen die aanvankelijk voor dat uitstel gegeven werden, waren Corona, Black Lives Murder-rellen, de Amerikaanse verkiezingen en Netanyahu’s noodzaak-coalitie met Blue-and-White waarin teveel tegenstanders van “annexatie”.

Maar een dieper liggende reden was waarschijnlijk toen al het Abraham-accoord tussen de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) en Amerika dat op 13 augustus uit de lucht kwam vallen. Abraham-accoord?Aan het slot van zijn aankondigende persconferentie liet Trump ambassadeur Friedman uitleggen dat de naam was gekozen omdat Abraham kan gelden als de stamvader van alle drie belangrijke monotheïsmen in het Midden-Oosten: het Jodendom, het christendom en de islam. Trump voegde er ironiserend aan toe dat hij het liever het Trump-accoord had genoemd, maar dat de pers daar ongetwijfeld nare ijdelheid in gezien zou hebben.

Dat Abraham-accoord veranderde het karakter van die vier-jarige termijn waarbinnen in het plan Trump de Palmaffia’s tot een aanvaarding moesten komen van de grote lijnen van het plan Trump. Want het Abraham-accoord met de VAE betekent dat de soennitische Arabische wereld toe was aan een erkenning van Israël en bereid was de Palmaffia’s onder druk te zetten om tot vrede te komen. Dat is alweer Copernicaans omgekeerd vergeleken bij de afgelopen 70 jaar, waarin Israël eerst altijd met de Palmaffia’s tot overeenstemming moest komen alvorens de Arabische landen hun goedkeuring wilden geven aan een vredesverdrag. Anders gezegd: in feite hadden de afgelopen 70 jaar de Palmaffia’s een veto over elk vredesplan. Van de Arabische wereld mochten ze zich totaal onverzoenlijk en compromisloos opstellen. Maar nu werd dat anders: als de Palmaffia’s nu zouden volharden in hun rejectionisme, dan zouden de Arabische landen hun steun aan Abbas intrekken en zou Israël alsnog de vrije hand krijgen  voor totale “annexatie” volgens het plan Glick in haar “Israeli Solution”.

Maar waarom hebben de VAE nou dat acoord met Trump gesloten? Dat komt omdat de soennitische Arabische wereld, inclusief Saoedi-Arabië, bang is voor de expansieve terreur van het sji’itische Iran en Israël en Amerika nodig heeft om Iran van een atoombom af te houden. Dit accoord zou nooit gesloten zijn zonder de instemming van minstens Saoedi-Arabië.

Caroline Glick bleek op 21 augustus 2020 overigens slechts tevreden over het “Abraham-Accoord” als nog vóór de Amerikaanse presidents-verkiezingen op 3 november 2020 het plan Trump ten uitvoer zou worden gelegd. Zij was toen al bang dat als Trump de verkiezingen verliest en de Democrats aan de macht zouden komen de kaarten anders geschud zouden gaan worden en het plan Trump teruggedraaid zou gaan worden.

Half september 2020, dus nog onder Trump, en toe net er nog naar uitzag dat Trump de verkiezingen zou gaan winnen, begon duidelijk te worden dat de Abraham-Accoorden tot gevolg hadden dat Israël de “annexatie” van delen van de Westbank voor onbepaalde tijd uitstelde. Blijkbaar was de verwachting dat de Arabische landen de Palmaffia’s onder druk zouden gaan zetten om een normaal accoord te sluiten zonder aan onmogelijke eisen vast te houden. Voorlopig echter bleven de Palmaffia’s gewoontegetrouw alleen maar iedereen voor verrader uitschelden en weigerden ze ook maar te dénken aan onderhandelen.

Wat Glick vreesde, is inderdaad inmiddels onder de regering Biden-Harris aan het gebeuren: de onderhandelingen van het Witte Huis met Abbas zijn weer geopend en de Palmaffia’s zullen dus weer snel hun oude positie kunnen innemen: sabotage van elk redelijk vredesvoorstel en ermee wegkomen. Biden is een groot liefhebber van de islam en vooral van de moslim-verkiezings-stem, en ook van de stemmen van dat deel van de zwarte bevolking waarin het antisemitisme en de sympathie voor de islam groot is (Farrakhans Nation of Islam).

De Palmaffia’s bleven al bij het vernemen van het plan Trump wat ze al 100 jaar zijn: onverzoenlijke islamitische terroristen en onder Biden heben ze opnieuw vrij spel. Abbas en Hamas zullen  niet rusten voordat Israël is weggevaagd en er zoveel mogelijk Joden zijn vermoord. Al zouden ze willen (!) dan nog zijn deze Palmaffia’s niet in staat om Israël erkennen en in vrede met Israël te leven. Want ze hebben hun eigen bevolkingen dermate in Jodenhaat gedrenkt dat elke leider die een werkelijk compromis met Israël zou voorstellen ten dode is opgescheven. De Palmaffia’s berijden een tijger die ze zelf dagelijks voeden met haat en ze kunnen er nooit meer af. Een eventuele “Palestijnse Staat” zou binnen de kortste keren zijn overgenomen door ISIS-al-Qaeda-al Nusra and what have you aan islamitische slachters-clubs. Die hele “Westbank” zou binnen een paar maanden een raket-lanceer-inrichting zijn geworden en een springplank om Israël binnen te vallen. Die door de Palmaffia’s nagestreefde “Palestijnse staat” maakt deel al decennia deel uit van de 2-fasen strategie die vanaf Arafat gevolgd is: zo’n “Palestijnse staat” moet vervolgens een uitvalsbasis worden voor de vernietiging van Israël. Die strategie leerde Arafat van Amin al-Husseini (1897 – 1974), Moefti van Jeruzalem en bondgenoot van Hitler. Al-Husseini paste in zijn tijd die strategie zelf niet toe omdat hij meende met behulp van de Britten en later met die van de nazi’s meteen héél Palestina te kunnen krijgen zonder die tussenstap van een Palestijnse staat te hoeven nemen. Maar het einddoel is altijd hetzelfde gebleven: alle Joden in Palestina dood of weg. Zoals Abou Jahjah dat formuleert: “la valise ou le cercueil”: de dood of de reiskoffer.

De Palmaffia’s proberen via de islamofiel-antisemitisch-links-regressieve krachten in Amerika en Europa, en uiteraard via de door de OIC beheerste Verenigde Nazi’s, erkenning af te dwingen van een Jodenvrije (!) “Palestijnse staat” in Samaria-Judea (“de Westbank”) zonder met Israël te hoeven onderhandelen en zonder Israël te hoeven erkennen.

We kunnen enige hoop putten uit het feit dat nu zelfs de Arabische wereld de Palmaffia’s zat begint te worden, al valt te bezien hoeveel werkelijke welwillendheid tegenover Israël en de Joden is ontstaan en of de toenadering tot Israël en Amerika niet totaal opportunisme is, afgedwongen door de dreiging van Iran. Want de Jodenhaat die ook in bijvoorbeeld Saoedi Arabië al decennia van staatswege wordt gepropageerd, is onder de bevolking echt niet meteen weg, al zóú de elite inderdaad de irrationaliteit ervan inmiddels inzien.

5) Verenigde Naties, Israël,  Internationaal Recht

Door het Trump-plan laaide de discussie over het “internationaal recht” en de “bezette gebieden” weer op. Dus is het misschien handig nog eens fundamenteel uiteen te zetten hoe dat zit met Israël en het internationale recht. Je hoort altijd dat Israël volgens ”het internationale recht” niet aanwezig mag zijn in Samaria-Judea (op “de Westbank”) en op de Golan-hoogte. Maar wie maakt dat “internationale recht”? Wie is de internationale wetgever? Die is er niet! Het zijn níét de Verenigde Naties. Die ik graag de Verenigde Nazi’s noem omdat de Algemene Vergadering en de meeste VN-commissies tegenwoordig gemanipuleerd worden door de 57 landen van de OIC, de Organisation of the Islamic Cooperation, onder andere door arme landen om te kopen om met hen mee te stemmen. En de islam – dat wist u niet, maar dat is zo – is een ideologie die één op één elk wezenskenmerk met het nazisme deelt. Dus gelukkig zijn die Algemene Vergaderaars van de Verenigde Nazi’s níét de internationale wetgever. Ook volgens hun eigen Charter zijn ze dat niet. Er bestáát geen internationale wetgever. Wat deze Algemene Vergaderaars, ook in hun vele commissies, te berde brengen, heeft niet méér status dan een advies, een mening.

Echter! De Veiligheidsraad van de VN kan onder bepaalde omstandigheden internationaal bindende rechtsregels opleggen met sancties, maar alleen onder bepaalde omstandigheden. En dat kan alleen omdat de volken van de wereld dat overeengekomen zijn en zulks in het Charter van de Veiligheidsraad staat. Overigens: alléén besluiten gebaseerd op artikel 39 hoofdstuk VII van het VN-Veilgheidsraad-Charter (“Peace-enforcement”) zijn bindend. Dan kan een land inderdaad te maken krijgen met een militaire interventie op gezag van de Veiligheidsraad. Maarrrrr . . . . . . . let goed op! Geen enkele resolutie van de VN-Veiligheidsraad ter zake van Israël is gebaseerd op dit artikel 39 van hoofdstuk VII. Ook resolutie 242 niet. (Lees: college Eugene Kontorovich en Roelf-Jan Wentholt, “Israël en het internationale recht”)

Voor het overige zijn er nog twee bronnen van echt en legitiem internationaal recht. Ten eerste: een verdrag (treaty) tussen landen. Dat spreekt voor zich: een verdrag is een verdrag en daar hou je je aan. Ten tweede: de gewoonte (custom). Wanneer landen de gewoonte hebben iets te doen en ze vinden dat in onderling overleg best okay, dan wordt dat een gewoonterecht (customary rule). Wat is de overeenkomst tussen dat verdragsrecht en dat gewoonterecht? Dat het gebeurt tussen landen. Dat is het criterium. Alleen landen kunnen vrijwillig onderling besluiten zich aan een regel te houden, door verdrag of gewoonte. Dat geldt dus ook voor de bovenvermelde Veilgheidsraad-resoluties onder artikel 39 van hoofdstuk VII.

De Algemene Vergadering van de VN heeft een heleboel resoluties aangenomen waarin handelingen van Israël illegaal werden verklaard. Zelfs het bestaan van Israël is door die Algemene Vergadering illegaal verklaard. Dat is slechts een mening en bovendien een mening van een verzameling van overwegend schurken-staten. Ook het “Internationaal Gerechtshof” (ICC), een “arm” van de VN, is geen producent van internationaal recht en maakt slechts opinies kenbaar. Dat staat in hun eigen Charter. Dat geldt bijvoorbeeld ook voor de met weinig analyse onderbouwde uitspraak van het Gerechtshof dat “de Muur” (de barrière tussen Israël en de Westbank) illegaal is.

Maar als we nou die Algemene Vergadering van die Verenigde Nazi’s puur als gedachtenexperiment even serieus nemen, waar komen we dán uit inzake de aanwezigheid van Joden in Samaria-Judea, ook wel bekend als “de Westbank”? Dat serieus nemen is inderdaad gedaan door Michel Calvo die als vertegenwoordiger van Israël lid was van het Internationaal Hof van Arbitrage. Deze expert in internationaal recht publiceerde in mei 2020 een fundamenteel stuk inzake de zogenaamde “bezette gebieden”: “The Settlements Are Not Illegal: the annexation of lands in Judea and Samaria is not contrary to international law”.

Calvo wijst op de “United Nations Declaration on the Rights of Indigenous Peoples” (UNDRIP), die werd aangenomen door de Algemene Vergadering van de VN in 2007. Dat verdrag erkent dat inheemse volken (ook wel: eerste of oorspronkelijke volken genoemd) een onvervreemdbaar recht bezitten op een gegeven land en zijn hulpbronnen. Engeland, Frankrijk en Duitsland stemden voor deze Verklaring en in 2010 hebben ook Australië, Canada, Nieuw-Zeeland en de Verenigde Staten de Verklaring formeel bekrachtigd. Volgens het internationaal recht zijn de Joden de sinds meer dan 3000 jaar inheemse bevolking van Palestina, inclusief Samaria-Judea.

Dus, zo zeg ik: zelfs als je de Algemene Vergadering van de VN serieus neemt, ondanks het feit dat hij geleid word door misdadigerstaten, dan moet je deze “anti-koloniale” Verklaring ook voor de Joden laten gelden.

Calvo wijst voorts ook op de “gewone” bewijzen voor het internationaal-rechtelijke recht van de Joden om te wonen in Samaria-Judea, volgens de lijnen die hierboven in dit opstel uitgebreid zijn uiteengezet en die samengevat kunnen worden in de trefwoorden “San Remo” en “oorlogsrecht”.

Ook de beruchte Obama-resolutie 2334 van de Veiligheidsraad van 23 december 2016 waarbij het zich onthouden van stemming van Amerika (Samantha Powers) het aannemen van de resolutie mogelijk maakte, is niet aangenomen in het kader van hoofdstuk VII van het Handvest en dus niet bindend. In die resolutie staat dat de nederzettingen van Israël een “flagrante schending” van het internationaal recht vormen. Maar heeft dus geen enkele rechtsgeldigheid.

Deze resolutie, zo meldt Calvo, is dus in strijd niet alleen met “San Remo” en al wat daaraan vast hangt – (met name het feit dat het recht van Joden om daar te wonen in 1948, 1967 en 1973 versterkt werd door het oorlogsrecht en in feite door 100 jaar terreur van de Palmaffia’s vanaf 1920) – maar ook met genoemde “United Nations Declaration on the Rights of Indigenous Peoples”

Het passeren van deze resolutie verstoot bovendien tegen artikel 8 van het VN-Charter dat zegt dat de VN de rechtsgeldigheid erkent van de besluiten van zijn voorganger, van de Volkenbond. De resolutie heeft dus alleen daarom alleen al geen enkele rechtsgeldigheid en kan geen effect hebben.

Het plan Trump, de Abraham-Accords en de bijbehorende stellingname op 18 november 2019 van Trumps minister van BZ Pompeo dat de nederzettingen in Samaria-Judea (“de Westbank”) niet “per se” illegaal zijn, gaf een boel fyne luyden aanleiding tot juridische scherpslijperij. Want domme Jodenhaat slaapt nooit, vooral niet onder deftige mensen met een hoge linkse moraal. Ik zelf heb aan die stelling van Pompeo onmiddellijk een fundamenteel artikel gewijd, waarin ik uitlegde dat Pompeo’s “per se” er echt wel vanaf kon. Ik herhaalde in dat stuk wat u hierboven al een aantal keren heeft kunnen lezen en wat ik nog maar eens kort zal samenvatten, want het wil alsmaar niet doordringen, althans: blijkbaar had die waarheid ruim vijftig jaar na de juni-oorlog van 1967 nog steeds géén kans gezien de platinum platen voor de koppen van de “internationale gemeenschap” te doorboren.

1) de Arabieren plegen vanaf 1920 terreur, 2) vallen Israël twee keer binnen (1948 en 1967) vanuit Samaria-Judea, een gebied waar de Joden dus volkenrechtelijk vestigingsrecht hebben en het gebeurde in 1973 bij de Jom Kippoer-oorlog alleen maar geen derde keer omdat koning Hoessein eventjes te veel had te stellen met Arafat, 3) wijzen elk compromis af, 4) dwingen Israël, dat in 1967 bereid is Samaria-Judea voor 98% weer op te geven, het bestuur ervan op zich te nemen en dat noem je dan: “bezetting”.

Er was overigens in de jaren voordat Pompeo zijn stelling wereldkundig maakte, al wel een enkel haarscheurtje gesignaleerd in de genoemde platinum voorhoofdsplaten. Zo kon in 2014 Caroline Glick in een artikel in de Jerusalem Post het volgende zeggen:

“( . . .) jarenlang is de valse Arabische claim dat de Israëlische gemeenschappen buiten de wapenstilstandslijnen van 1949 illegaal zijn onaangevochten gebleven. Maar de vorige week heeft de Australische minister van Buitenlandse Zaken, Julie Bishop, een bom laten vallen, toen zij in een interview met de Times of Israel brak met de consenus van leugenachtigheid en zei: ‘Ik zou wel eens willen zien welke internationale wet ze [de nederzettingen] illegaal heeft verklaard.’ “

Maar zoals gezegd: de fyne luyden der juridische scherpslijperij in dienst van de Jodenhaat slapen nooit. Op 8 mei 2020 publiceerde Caroline Glick een artikel waarin zij de pseudo-legale landmijnen besprak die er nog lagen op de weg naar het uitroepen, volgens het plan Trump, van Israëls soevereiniteit over (delen van) Samaria-Judea. Ikzelf had nog nooit gehoord van die kliek van rechtsgeleerden aan de top van (nota bene!) het Israëlische rechtssysteem die niettemin deze landmijnen heeft gelegd en die hun best doen om hun eigen natie in levensgevaar te bengen door te proberen Israël te verplichten zich achter de onverdedigbare bestandslijnen van 1948 terug te trekken en de Palmaffia’s in de gelegenheid te stellen een Judenreine “Palestijnse staat” te stichten in Samaria-Judea, een staat die uiteraard binnen de kortste keren een uitvalsbasis voor jihadi’s van allerlei soort zou zijn.

De staat Israël, aldus Glick, heeft in zijn internationale contacten altijd wijselijk de internationaal-rechtelijke status van Samaria-Judea in het midden gelaten, het gebied netjes bestuurd volgens de richtlijnen van de Accoorden van Geneve en de Haagse Conventie, maar altijd benadrukt dat dit niet betekende dat Israël toegaf een bezettende macht te zijn en dat Israël handelde uit goede wil, niet omdat Israël daartoe internationaal-rechtelijk verplicht was. Maar toen was er ineens, zei Glick, de voorzitter van het Hooggerechtshof Aharon Barak, die in 2004 in een inleidende zin van een beslissing aangaande de bouw van het veiligheidshek in Samaria-Judea, zomaar ineens, zonder enige onderbouwing de zin neerschreef:

“Since 1967, Israel holds the areas of Judea and Samaria in a belligerent occupation.”

Belligerent occupation! Militaire bezetting! Er ontstond destjds weinig ophef, waarschijnlijk omdat Baraks beslissing ten gunste van het veiligheidshek was. Maar stiekemweg, aldus Glick, begon men in die juridische staats-top-kliek die opvatting uit te werken. Het voornaamste lid van die kliek , zegt Glick, is Avichai Mandelblit die via verschilende “arresten” buitenlandse machten als de EU en het Internationaal Gerechtshof in Den Haag (ICC) in de gelegenheid heeft gesteld Israëls Knessset-besluiten inzake Samaria-Judea aan te vallen. Inmiddels is die aanval van het Internationaal Gerechtshof, het ICC, daadwerkelijk in gezet.

De laatste poging (5 februari 2021 ) om Israël van zijn rechten in en op Samaria-Judea te beroven komt van het ICC, van het International Criminal Court , het Internationale Strafhof in Den Haag: “Trying individuals for genocide, war crimes, crimes against humanity, and aggression”. Het Strafhof heeft zich op aangematigd dat het kan oordelen over het recht van Israël om zijn eigen wetten toe te passen in Samaria-Judea. Daarmee zou Israël zijn soevereiniteit in dat gebied verliezen. Israël noch Amerika erkennen overigens het Strafhof dat volgens het eigen charter trouwens géén nieuw internationaal recht schept, maar slechts ten doel heeft om vanwege misdaden tegen de menselijkheid onderdanen van staten te berechten die geen geloofwaardig rechtssysteem hebben, onderdanen van wrede en wetteloze dictaturen dus. Maar in het geval van Israël wil het Strafhof een uitzondering maken en ook Israël tot schurkenstaat, eh . . . . bombarderen. Joden uitzonderen: héél uitzonderlijk, gebeurt anders nooit!

Netanyahu commentarieerde dan ook:”Dit Hof werd opgericht om wreedheden te voorkomen zoals de Nazi-Holocaust jegens het Joodse volk en is nu bezig de enige staat van het Joodse volk aan te vallen.” Hij wordt geciteerd door Caroline Glick in een stuk met de titel “The ICC’s European Puppet Masters” waarin zij erop wijst dat 60% van het budget van het Strafhof van de EU komt en dat de EU het blijkbaar eens is met dit internationale Dreyfus-proces, waarin Israël de Jood is. Volgens Glick was zonder de actieve instemming van de EU op de weg naar deze uitspraak van het Strafhof, dus zonder de regeringen van landen als Duitsland, Nederland, Frankrijk, Noorwegen, Groot-Brittannië en Zweden, deze antisemitische farce niet mogelijk geweest.

Alan Dershowitz:  “Het zeer gepolitiseerde Internationaal Strafhof [ICC] heeft zojuist de Palestijnen uitgeroepen tot staat. Ze deed dat zonder enige onderhandeling met Israël, zonder enig compromis, en zonder erkende grenzen. Ze deden het ook zonder enig wettelijk gezag, want het Statuut van Rome, dat het Internationaal Strafhof oprichtte, voorziet er niet in dat dit strafhof nieuwe staten erkent. Het Internationaal Strafhof is geen echte rechtbank in welke betekenis van dat woord dan ook. In tegenstelling tot echte rechtbanken, die statuten en gewoonterecht moeten interpreteren, verzint het Internationaal Strafhof het gewoon. Zoals de afwijkende rechter zo treffend opmerkte, is het Palestina-besluit niet gebaseerd op bestaand recht. Het is gebaseerd op pure politiek. De Palestijnen – zowel op de Westelijke Jordaanoever als in Gaza – die hebben geweigerd te goeder trouw te onderhandelen en terrorisme hebben gebruikt als hun voornaamste aanspraak op erkenning, zijn door deze beslissing beloond voor hun geweld. De echte slachtoffers van deze selectieve vervolging zijn de burgers van deze derdewereldlanden wier leiders hen vermoorden en verminken.Al met al is de beslissing van het Internationaal Strafhof over Palestina een tegenslag voor één enkele standaard van mensenrechten. Het is een overwinning voor het terrorisme en de onwil om over vrede te onderhandelen. En het is een sterk argument tegen de toetreding van de Verenigde Staten en Israël tot dit bevooroordeelde ‘hof’, en tegen het verlenen van enige legitimiteit aan dit hof.”

Behalve een verzameling juridische antisemieten-annex-Joodse zelfhaters en natuurlijk het ICC heeft ook  algemeen geleerde Professor Dr. Martin Kamer, die ik nog wel eens té hard ben gevallen (excuses!)een poging gedaan zijn vaderland Israël onderuit te halen door twijfels te zaaien over de rechtskracht van het Verdrag van San Remo. De lezer kan gemerkt hebbn dat ik nogal wat waarde hecht aan dat verdrag. En nu heeft Kramer zeer recent een essay gepubliceerd waarin hij de betekenis van “San Remo” kapot relativeert. Ten onrechte.

Kramer betoogt dat in het Verdrag van San Remo de tekst van de Balfour-declaratieliedend was, dat wil zeggen dat de Joden een tehuis werd beloofd in Palestina, niet dat zij Palestina als Joodse staat zouden krijgen. Voorts stipuleerde de Balfour-verklaring dat de burgerlijke en religieuze rechten van de reeds in Palestina wonende Arabieren niet aangetast mochten worden. We moeten er vanuit gaan, zegt Kramer, dat in die burgerlijke rechten ook de politieke rechten  van de Palestijnse Arabieren waren begrepen. Dus als in mei 1948 Ben Goerion Israël als Joodse staat uitroept, kan dat nooit op San Remo berusten. Kramer noemt zijn tegenstanders, die vasthouden aan san Remo als lehitimatie van de stichting van Israël de “San Remo celebrants”. Ik hoor bij die San Remo-verheerlijkers en ik zal uitleggen waarom.

Prima dat Kramer aantoont dat de San Remo-mandaatstekst bedoelde om de Palestijnse Arabieren politieke rechten te geven. Zelfs als dat betekent: rechten op een staat. Die rechten hebben de Joden in Israël en de internationale gemeenschap immers nooit aan de Palestijnse Arabieren willen ontzeggen. Om te beginnen kan je volhouden dat Jordanië die Arabisch-Palestijnse staat is, want al in juli 1922 gaven de Engelsen 70 % van het mandaatgebied aan de Arabieren en dat ís het huidige Jordanië. De Palestijnse Arabieren kregen nóg een tweede staat aangeboden, namelijk zowel in het Peel-plan van 1937 alsook in de resolutie van de VN van november 1947. Ze weigerden echter beide keren en antwoordden met terreur en oorlog. Wat betreft burgerlijk-politiek-democratische rechten: Ben Goerion bleef hen die rechten zelfs nog beloven in het heetst van de oorlog, in april 1948. Het antwoord van de Palestijnse Arabieren was massale vlucht. Conclusie: de Joodse rechten vastgelegd in San Remo waren vanaf die tijd alleen maar versterkt en wel door het recht zich te weren tegen terreur en door het oorlogsrecht.

Kramer maakt het dan nog eens extra ingewikkeld door de “San Remo celebrants”aan te wrijven dat zij, op  grond van de zinsnede in de mandaatstekst: “encourage . . . close settlement by Jews on the land” beweren dat de Joden exclusieve staatsrechten kunnen laten gelden in Samaria-Judea. Maar dat beweer ik in elk geval niet. Ik beweer wel dat het recht van vestiging van Joden in Samaria-Judea door San Remo internationaal-rechtelijk werd gelegitimeerd en dat vervolgens het oorlogsrecht (1936 -1938, 1948, 1967, 1973) dat recht versterkte tot het recht het hele gebied te annexeren. En als we niet in internationaal-rechtelijke, of oorlogsrechtelijke, maar in gewone morele termen spreken, alledaagse fatsoensnomen aanhouden, dan kunnen we zeggen dat 100 jaar rejectionisme, sabotage, parasitisme en terreur van de Palmaffia’s die annexatie-stap anno 2021 geheel zou rechtvaardigen.

Eugene Kontorovich heeft het betoog van Kramer inmiddels ook gekritiseerd. Zijn artikel van 15 februari 2021 in Mosaic heeft tot titel “The San Remo Treaty Sits at the Foundation of Israel’s Legitimacy in International Law”. Kontorovich  wijst erop dat de de naties van de wereld hadden afgesproken dat de Volkenbond de macht kreeg nieuwe staten te creëren in die gebieden die door nazi-Duitsland en het Ottomaanse Rijk beheerst waren geweest en ook de grenzen ervan te bepalen. En dat deed de Volkenbond in San Remo: Libanon, Syrië, Irak en Jordanië zijn voorbeelden. Het karakter van de nieuwe staat “Palestina” bleef onduidelijk: wat alleen vast stond was dat de Joden er een tehuis zouden vinden en de Palestijnse Arabieren hun rechten zouden behouden.

Omdat in Palestina een oorlogssituatie was ontstaan tussen Joden en Palestijnse Arabieren, stelde de VN in 1947 per resolutie 181 een deling van Palestina voor: een staat voor elke partij. Maar die resolutie had en heeft geen enkele internationaalrechtelijke betekenis, want het charter van de VN geeft geen recht op het scheppen van staten en de vaststelling van de grenzen ervan. Als de Joden en de Palestijnse Arabieren ingestemd zouden hebben met resolutie 181, zou het een andere verhaal zijn geworden, maar de Palestijnse Arabieren weigerden.

In Palestina werden nu de gebeurtenissen “op de grond” bepalend. Nooit in de geschiedenis heeft een staat de goedkeuring van andere staten nodig gehad om zich internationaal-rechtelijk legitiem te vestigen. Als een natie een grondgebied claimt, een staat uitroept en die staat en dat grondgebied weet te verdedigen, dan is die staat internationaal-rechtelijk legitiem. Israël bleek daartoe in staat en werd dus een staat. Meer is het niet. Dat de Volkenbond gedurende een unieke periode in de geschiedenis óók het recht had staten te scheppen doet daaraan niks af.

De Balfour-declaratie (1917) heeft op zich geen rechtskracht, maar kreeg die pas door San Remo en de Volkenbond. San Remo schiep aldus de voorwaarden voor het ontstaan van Israël, maar Israël heeft zichzelf op eigen kracht geschapen. Dus ondanks dat San Remo voorwaarde was voor Israëls ontstaan, is Israël totaal niet afhankelijk van goedkeuring van de internationale gemeenschap om te mogen bestaan.

En dan is er nog de kwestie van de grenzen van Israël. Hoort Samaria-Judea (“de Westbank”) erbij? Ja, zegt Kontorovich want als een nieuw staat zich vestigt dan erft die staat automatisch de grenzen van de vorige machthebber. En dat was Mandaat-Engeland en volgens het Mandaat hoorde Samaria-Judea bij het gebied waar de Joden zich mochten vestigen. Als Israël alsnog succesvol dat gebied weet te claimen en verdedigen heeft Israël daartoe het volste internationale recht.

Het erven van de grenzen door een nieuwe machthebber adstrueert Kontorovich als volgt:

“Volgens het internationaal recht erft een nieuw land automatisch de grenzen van de laatste bestuurseenheid op het hoogste niveau van dat grondgebied. Zo hebben nieuwe onafhankelijke post-Sovjetstaten de precieze grenzen van de voorgaande Socialistische Sovjetrepublieken. Staten die voortkwamen uit mandaten van de Volkenbond erven de grenzen van de Mandaats-entiteit, zelfs als het resultaat rechtvaardige aanspraken op zelfbeschikking schaadt, zoals van de Koerden in Irak. Als New Hampshire zich morgen zou afscheiden van de Verenigde Staten, zouden de grenzen die van de huidige staat zijn.”

 6) Conclusie

De Joden hadden en hebben een moreel recht zich in Samaria-Judea te vestigen omdat ze er al duizenden jaren woonden en het land Palestina in de diaspora vele eeuwen lang een centrale mythe voor de Joden bleef. Omdat de Joodse immigratie vanaf 1890 een eind maakte aan een wrede koloniale bezetting door Arabieren en Turken die in 638 na Christus begon en 1300 jaar lang duurde. Omdat ze vanaf 1880 in een leeg en desolaat land vol woeste gronden een maatschappij-orde brachten die in alle opzichten volstrekt superieur was aan het wrede en irrationalistische islamitische feodalisme dat er heerste. Omdat dit morele recht geformaliseerd is in het Verdrag van San Remo van 1921 tot een volkenrechtelijk recht. Omdat het oorlogsrecht gedurende de hele periode van 1921 tot op heden dat morele en volkenrechtelijke recht versterkt heeft.

Dat versterken door het oorlogsrecht gebeurde omdat er vanaf 1921 terreur op islamitische grondslag door de Arabieren werd uitgeoefend onder leiding van de Moefti van Jeruzalem, Amin al-Husseini. Omdat de Moefti vanaf 1936 die terreur uitvoerde met behulp van Hitler en de verdere nazi-top. Omdat die terreur genocide op de Joden tot bedoeling had. Omdat Samaria-Judea twee maal, in 1948 en in 1967 als springplank is gebruikt in een aanvalsoorlog die beide malen de bedoeling had om genocide op de Joden te plegen. Omdat Jordanië van 1948 tot 1967 illegaal, want na een aanvalsoorlog, Samaria-Judea bezet hield en Judenrein had gemaakt. Omdat het toeval was dat in de derde aanvalsoorlog door de Arabieren van 1973 Samaria-Judea niet als springplank werd gebruikt. Omdat vanaf Khartoem 1967 de Arabieren weigeren serieus te onderhandelen over vrede en daardoor Israël in 1967 dwongen (!) het bestuur over Samaria-Judea op zich te nemen. Dat de Arabieren en “Palestijnen” onderhandelingen, vrede en erkenning weigeren blijkt ook uit het feit dat ze het Vredesverdrag van Oslo 1993 vanaf het begin gesaboteerd hebben en dat ze steeds genereuzer wordende nieuwe vredesaanbiedingen tot op heden consequent afgewezen hebben. Omdat zowel Arafat als Abbas en Hamas openlijk in de traditie van de Moefti van Jeruzalem, Amin al-Husseini, zijn blijven staan en dus in de nazi-traditie.

TOEGIFTEN:
Dit is een eveneens fundamenteel stuk over Israël uit 2014 in de Telegraaf:Blog Leon de Winter: de publiciteitsoorlog

5 minuten geschiedenisles door Alan Dershowitz over Israëls uitzonderlijk legitieme . . . . . eh . . . . . legitimiteit:

Dennis Prager legt in 5 minuten uit wat het “Palestijns-Israëlisch probleem” is:

Pat Condell legt hetzelfde óók in 5 minuten uit . . . . . . nou ja twéé keer 5 minuten dan:

En dan hebben we nog een 12 minuten-teken-filmpje gebaseerd op het geniale boekje van Sol Stern:

En misschien is voor wat luieren van geest deze hapklare brok geschiedenis-met-lichtbeelden van de geniale Gil White aufschlussreich:

De laatste ontwikkelingen inzake Israël & de Palmaffia’s worden misschien het beste samengevat in mijn zeer korte bespreking van een 7-minuten-interview met Caroline Glick dat 1-4-2015 op YouTube verscheen onder de titel: “Annex Judea and Samaria Now – in Wake of US Policy”.

_________________