(Het papieren boek is hier te bestellen )

 

OMSLAG ISRAEL BESTAAT

achterflap

 

KIEV DE GROEP VOOR DE EXECUTIE

Bovenstaande foto toont Joden, enige momenten voor hun executie, in de omgeving van Kiev in de Oekraïne in oktober 1941. De foto is hier om technische redenen aan de linkerkant afgesneden. Daar is op het origineel een weglopende nazi-officier zichtbaar, ongetwijfeld op weg om het vuurpeloton te gaan commanderen. De foto op de omslag vestigt de aandacht op de jonge vrouw op de voorgrond die in ontzetting en verbijstering is neergestuikt omdat ze beseft dat ze waarachtig vermoord gaat worden. Achter haar roepen andere Joden haar op om staande te sterven.

INHOUD:
Inleiding
Woord Vooraf door Wim van Rooy
Waarom Israël de meest legitieme natie ter wereld is
1)  Wie is toch de auteur van dit prachtboek?
2)  Hersenspoeling door de media: anti-Israël en pro-Palmaffia
3)  De historische en morele rechten van de Joden in Palestina: dé-kolonisatie en humanisering door de Joden vanaf 1880
4)  De historische en morele rechten van de Joden in Palestina geformaliseerd in het Verdrag van San Remo: april 1920
5)  De in San Remo geformaliseerde historische en morele rechten van de Joden in Palestina versterkt door het oorlogsrecht
a)  1920 – 1945: Moefti-terreur en samenwerking met Hitler
b)  1945 – 1948: oorlog en stichting van Israël
c)  1948 – 1973: Juni-Oorlog van 1967, Israël gedwongen tot “bezetting”
d)  1973 – 2016: Jom Kippoer-oorlog van 1973, Arafats verraad van Oslo
6)  Verenigde Naties, Israël, Internationaal Recht
a) Er bestaat geen internationale wetgever
b) Gedachten-experiment: de Algemene Vergadering van de VN serieus nemen
c) San Remo en de “bezette gebieden”: Samaria-Judea
d) Fyne luyden der juridische scherpslijperij óók binnen Israël
e) Martin Kramer slaat de plank mis inzake San Remo
f) Zullen we het nog eens even kernachtig samenvatten?
7)  Barack Obama: Islamofilie en Israëlhaat (2008-2016)
8)  Donald Trump: de Copernicaanse Wending (2016-2020)
9)  Apartheid
10) Deir Yassin
11) Ari Shavit: zionisme-kritiek als Stockholm-syndroom
12) Ari Shavit en Lydda
13) Chris van der Heijden: “Israëlkritiek” als psychotherapie
14) Biden is qua Israël erger dan Obama
15) Concluderende Epiloog
Naschrift eind mei 2021: Gaza
Noten


“In Saoedi-Arabie werd alles wat slecht was, veroorzaakt door Joden. Als de airconditioning kapotging of er geen water meer uit de kraan kwam, gaven de Saoedische buurvrouwen daar de Joden de schuld van. Hun kinderen moesten bidden voor de gezondheid van hun ouders en de vernietiging van de Joden. Toen we na verloop van tijd naar school gingen, klaagden onze leraren eindeloos over alle duivelse dingen die de Joden al tegen moslims hadden gedaan en nog van plan  “Toen ik als tiener nog een vrome moslim was, verrichtte ik regelmatig mijn rituele wassingen. En bij elke plons water vervloekte ik de Joden. Ik bedekte mijn lichaam, spreidde een gebedsmat uit richting Mekka en vroeg Allah me te beschermen tegen het kwaad dat de Joden verspreidden ( . . .) Bij elke smeekbede die de imam tot Allah richtte, riepen we in koor ‘amen’ en elke keer dat hij Allah opriep de Joden te vernietigen, zei ik met evenveel enthousiasme ‘amen’. Ik hoorde de ene na de andere leugenaar uitleggen dat de Joden de islam de oorlog hadden verklaard. Ik leerde dat de profeet Mohammed – de heiligste der heilige mannen, in wiens voetstappen wij allemaal geacht worden te treden – had gewaarschuwd voor de verraderlijke en verachtelijke handelwijze van de Joden. Ze hadden hem verraden en geprobeerd hem te vermoorden. Elke Jood, waar die zich ook bevindt, smeedt snode plannen om de islam ten val te brengen. ( . . .) De Joden waren de baas over de hele wereld en wij moesten rein zijn om hun duivelse invloed te weerstaan. De islam werd aangevallen( . . .). Pas als alle Joden waren vernietigd, zouden de moslims in vrede kunnen leven.”

(Dit is ook een citaat van Ayaan en ik heb me suf gezocht waar ik het ook alweer vandaan had, maar tevergeefs. Ach, feilbare mens!)

*************************************************

“De Europese Unie behandelt Israël als een grotere internationale schurk dan Iran, Noord-Korea of Syrië. Anti-Israëlische indoctrinatie is de norm op universiteits-campussen in de hele westerse wereld. Een generatie wordt volwassen die nog nooit de waarheid over de Joodse staat heeft gehoord. Caroline Glick, september 2013

Inleiding

Allereerst ben ik zeer vereerd dat Wim van Rooy, die ruim zijn sporen heeft verdiend in de ‘goede strijd’ waartoe wijlen Hans Jansen altijd opriep als hij een mail afsloot, een “Woord Vooraf” bij mijn boek heeft willen schrijven. Als collega-genie is Wim vol lof over mij, al ben ik bang dat Wims IQ een puntje of 25 boven het mijne ligt. Wie Wim wil leren kennen, kan het best naar de website rond zijn boek en dat van zijn zoon, Sam, die eveneens een enigszins islamkritische Israëlofiel is:  “Waarover men niet spreekt”.

U ziet dat de laatste regel van bovenstaand motto, ontleend aan Caroline Glick, vet is gemaakt. Dat is in het origineel niet zo en dat hoor je eigenlijk aan de lezer te vertellen. Ik doe dat altijd door achter het citaat tussen haken de mededeling [“mijn vet”] te plaatsen en als ik iets cursief heb gemaakt uiteraard door de toevoeging [“mijn cursief”] dan wel [“mijn schuin”] als ik in een jolige bui ben. Maar dit boek bevat zoveel citaten waarin ik bepaalde passages vet heb gemaakt dat de herhaalde mededeling [“mijn vet”] ietwat komisch wordt. Dus dat heb ik nagelaten, maar gaat u er maar vanuit dat al dat vet in al die citaten van mij is.

Dit boek is vrij uniek in die zin dat het ook online staat. Ga naar “Martien Pennings Word Press Een Archief” en dan vindt u het vanzelf. Van dit boek werd de eerste versie on-line gepubliceerd in februari 2013, toen nog met co-auteur Roelf-Jan Wentholt die dit land inmiddels ontvlucht is, maar die een groot vriend van me blijft en die de eer toekomt mede het fundament onder die oerversie te hebben gelegd. Dit boek is echter van een andere orde dan het opstel van toen en telt meer dan 80.000 woorden. De boodschap van al die woorden is echter simpel, want het probleem Israël-Palmaffia’s laat zich in een paar woorden vatten: Arabierië en Iran (zeg maar: de islam) willen de Joden vermoorden. Je kunt er nog aan toevoegen: in samenwerking met westers regressief-links, maar dat is het dan ook wel in a nutshell. Die vele woorden zijn niettemin nodig omdat het weerleggen van de Isräel-bashende lieglasterindustrie die de westerse cultuur beheerst een wetenschap op zich is geworden.

Heel veel woorden zijn bijvoorbeeld gewijd aan een kritiek op het lieglasterboekje van Chris van der Heijden: “ISRAËL — een onherstelbare vergissing” (2008) dat een belangrijk hoofdstuk van mijn boek vormt. Zonder die close-read-filering van deze Israël-irrationalist zou dit boek vele pagina’s minder hebben kunnen tellen. Het voordeel van die filering is overigens dat de lezer een tweede keer een soort korte geschiedenis van Israël krijgt voorgeschoteld maar dan via het chronologisch weerleggen van die lieglaster. Een topdeskundige inzake Israël als ikzelf vond het zelfs heel leerzaam. Dat het boek van Van der Heijden een juiste keus was, blijkt uit het feit dat nu in de meidagen van 2021 de terreur van Hamas weer voluit op Israël neerdaalt en Israël gedwongen is te antwoorden, de centrale stelling ervan steeds meer als ondertoon in de nette mainstream-pers weerklinkt: Israël heeft eigenlijk geen recht van bestaan.

Dit boek staat ook online en u kunt dat gratis lezen of downloaden. Tik in op Google: “ISRAËL BESTÁÁT — en is de meest legitieme natie ter wereld Martien Pennings Een Archief Word Press”. In die online-versie ziet u vele tientallen links die u kunt aanklikken en waaronder u even zovele verwijzingen, artikelen en boeken kunt vinden. Daarom beslaat het notenapparaat van dit boek slechts 19 noten en is er ook geen uitgebreide literatuurlijst toegevoegd. Bovendien heb ik mijn relaas nagenoeg geheel gebouwd op slechts enkele degelijke historische onderzoeks-monografieën die ik hier zal opsommen: 1) Klaus-Michael Mallmann & Martin Cüppers, “Halbmond und Hakenkreuz”(2006) en vertaald in het Engels als “Nazi Palestine” (2010). 2) Efraim Karsh, Palestine Betrayed‘ (2010) 3) Dezelfde “Fabricating Israeli History: The ‘New Historians’ “. Barry Rubin & Wolfgang Schwanitz, “Nazis, Islamists and the Making of the Modern Middle East” vertaald (onder mijn eindredactie) als “Nazi’s Islamisten en het Moderne Midden-Oosten”. Ik wil ook het boek noemen dat me tijdens een vacantie in 2006 op het spoor zette van de lieglastercultuur die westerse media, universiteiten en politiek inzake Israël doordrenkt, namelijk Wim Kortenoeven, “De kern van de Zaak” (2005). Het CIDI heeft een hele reeks van boeken over “Israël”, maar het allerbeste heeft u natuurlijk nu in handen.

Voorts zou ik vele websites moeten noemen die u absoluut moet kennen om een béétje Israëlkenner te worden. Om te beginnen de website “Middle East Piece”, gerund door een zekere Mark Lewis, die zeer degelijk onderzoekswerk heeft gedaan op allerlei essentiële punten in de Israëlische geschiedenis. Op “Vlaamse Vienden van Israël” schrijft Hugo van Minnebruggen dagelijks (!) minstens vier blogs over Israël. “Likoed Nederland” is ook prima. Maar terwijl ik dit zit op te schrijven, besef ik dat er geen beginnen aan is. Er is zóveel goeie informatie, maar het probleem is dat de mainstream cultuur zich ervoor afsluit. Misschien moest u gewoon maar eens de pagina met mijn ongeveer 300 stukken aanklikken — “Contra de Israëlhaat – teksten tegen de antisemitische bierkaai” — die ik in 15 jaar heb geschreven.

Overigens: dit is géén academisch proefschrift, maar wel net zo degelijk qua bronnenvermelding: wie doorklikt op de links in de website-versie komt tenslotte altijd uit bij de bronnen van mijn wijsheid, althans voor zover die wijsheid basering op bronnen verdient. Wat dit wel is: een degelijk pamflet, zij het wat ruim uitgevallen, om te dienen als tegenwicht tegen het alom aanwezige ongeïnformeerde Israël-bashen op grond van leugenlaster of op zijn best op grond van niks.

In mijn boek val ik Multatuliaans veel in herhaling. Dat is goed want bepaalde waarheden inzake Israël kunnen niet vaak genoeg herhaald worden. Dit boek is geschreven met de bedoeling de betonnen koppen van regressief-links Nederland te penetreren, terwijl ik tegelijk géén illusie heb dat dit boek gelezen gaat worden door datzelfde narcistisch-hedonistisch Nederland. Maakt niet uit: in magnis voluisse sat est! En als ze het al lezen, zal het geen effect hebben. Regressief-links is feitenresistent en prefereert het hoogneuzig wegkijken boven het argumenteren met tegenstanders. Dat is ook niet zo raar: in de meeste gevallen hebben ze geen poot om op te staan en dat is zeker het geval inzake Israël. En mocht er ergens een verdwaalde linksregressieveling publiekelijk iets gaan zeggen over dit boek, dan zal het uitsluitend ad hominems en verdachtmakingen bevatten. Let maar op!

Woord Vooraf door Wim van Rooy

Israël bestààt. Een provocerender titel vandaag voor een boek bestaat niet, want Israël is dan ook het enige land ter wereld waarvan de legitimiteit op alle mogelijke vlakken in twijfel wordt getrokken: juridisch, ethisch, politiek, internationaalrechtelijk. En precies omdat Israël blijkbaar het enige land is waaraan het bestaansrecht ontzegd wordt, word ik zéér achterdochtig, vooral omdat er bijna zeven miljoen Joden wonen. Immers, de planeet aarde wordt, eerder dan met zware metalen, vergiftigd met landen waarvan het democratisch gehalte zowat nihil is — ik druk me voorzichtig uit.Toch worden de toxische pijlen gericht op een fatsoenlijk democratisch land met een liberale rechtsorde en een Hooggerechtshof van extreme gravitas,een land dat zich met een overdosis ‘zware’ ethiek, in fine voortkomend uit een twistgesprek met een bijzonder merkwaardige woestijngod, letterlijk uit het moeras heeft getild, en de Arabische fellahs erbij, want die werden door de Sublieme Porte aan hun lot overgelaten en voeren wel bij de Joodse geesteskracht, die zowel het intellectuele als het handvaardige omvatte. En waar gehakt wordt, vallen spaanders, al zien de media blijkbaar alleen dikke balken in het oog van Israël. Dat alleen al zou degenen die hun geschiedenis kennen zéér wantrouwig moeten maken, maar ‘historia non magistra’.

Die permanente aanval op Israël, afgevuurd vanuit alle kieren en gaten, zou een menetekel moeten zijn dat ons leert dat er hier méér aan de hand is, juist omdat het ontkennen van het bestaansrecht van die staat ons regelrecht leidt naar de krochten en riolen van wat de Franse denker André Taguieff ‘la nouvelle judéophobie’ heeft genoemd. Het is gewoon een reprise van vroegere vormen van antisemitisme in een nieuw kleedje, want zoals men weet: antisemitisme is de meest proteïsche vorm van het kwaad. Deze hernieuwde gedaante van het antisemitisme heeft vandaag een democratisch en legitiem aanvaarde vermomming gevonden via de larmoyante tranen van het gepalestiniseerde geteisem, en die opperste schandvlek bevindt zich zoals altijd overal: vandaag in de straten van zowat alle grote Europese steden waar men mag roepen dat ‘men’ eraan komt om ze te vermoorden en bij heel wat ‘fatsoenlijke’ politici die nuffig beweren dat Israël apartheid cultiveert, en vanzelfsprekend bij de ‘natuurlijke’Jodenhaters, die vandaag hun nazistische kritiek kunnen leveren zonder ook maar een zuchtje tegenwind.

De pensée unique is ook wat de houding ten opzichte van de Joden betreft overal doorgedrongen, en het Israël bashen gaat van de meest pretentieuze gremia – denk aan de VN met hun zevenvijftig moslimlanden – tot de goorste krochten in de islamwereld, vaak opgepookt door de wilde weldoeners van het geglobaliseerde woke-verhaal  — met immigratie als verbeten inzet en de vele westerse NGO’s die als een staat in de staat werken. Zeg maar: van Van Agt tot Abbas, van Oxfam tot Soros, van de groene tot de rode partijen, met een wankelende liberale partij, van de apocalyptische gekken in Iran tot de do-gooders van de oecumenische kerk, van Biden en zijn verwerping van Trumps ‘Abraham Akkoorden’ tot de democratische partij in de VS waarin antisemieten unverfroren de toon mogen aangeven. Alle actoren keuren eendrachtig de vele resoluties goed tegen Israël, terwijl ze ondertussen de bloedigste dictaturen ongemoeid laten.

Antisemitisme: van het oeroude katholicisme met een kowtowende paus die oecumeniseert met de islam tot de theologie die van antisemitisme een sport heeft gemaakt. Ze organiseren allemaal zonder uitzondering een olympiade van leugenachtigheid tegen een klein land waarvan men eist dat het zich slechts met zijn humane ethiek mag verdedigen. En als dat kleine stukje fatsoen te midden van een zee van bloed en ellende zijn moeilijke ethiek noodgedwongen en na genocidale aanvallen doortrekt naar zijn leger en het een fatsoenlijke modus operandi oplegt, halen de nieuwe antisemieten in een perverse omkering van alle waarden de nazi’s van stal. Het is een combinatie van ‘wilful ignorance’ en ‘malice’, van bewust niet willen weten tot het soort verdorvenheid die men exemplarisch aantreft in de romans van Dostojevski, en helaas,vaak is het de combinatie van de twee.

Kritiek op Israël is nodig en uiteraard is die kritiek niet volautomatisch als antisemitisme te kwalificeren. Israël is een liberale democratie en leeft elke dag met de soms felle aanvallen die de eigen media spuien, en die zijn niet bepaald zachtzinnig. Ook het linkse antizionisme tiert er welig, net zoals in de Joodse wereld in de VS, waar de zionistische en antizionistische schakeringen vaak onontwarbaar zijn. Het hangt er dus vanaf aan welke al dan niet vergiftigde bron die kritiek ontspringt, en dan zitten de schurkenstaten en de westerse collaborateurs van het kwade met hun hypocriete frasen op de eerste rij. Wie realiseert zich dat in Israël en de betwiste gebieden zowat vijfhonderd geaccrediteerde buitenlandse journalisten gevestigd zijn, meer dan in welk land ook? Vijfhonderd mediamensen op een zakdoek groot: ook dat zou ons zéér argwanend moeten stemmen. Dat journaille vegeteert in een fanatiek-politiek correcte en gezapige bubbel. Ze zijn de gedachteloze herkauwers van het Palestijnse narratief met zijn eeuwige slachtoffers en zijn valse islamitische jeremiades. Westerse journalisten brengen opgewonden verslag uit van wat in wezen een klein probleem is geworden, zeker nu de Arabische broeders de Palestijnen meer dan beu zijn en alleen nog lippendienst bewijzen aan het terrorisme van de verschillende clans en families van die gangsterwereld.

In Jemen vielen op drie jaar tijd in de eeuwige interreligieuze strijd tussen shia en soenni meer dan honderdduizend doden (tien keer meer dan in het conflict tussen Israël en de Palestijnen, en dat loopt ondertussen over dertig jaar!). Als de Oeigoeren in Chinese heropvoedingskampen gehersenspoeld en erger worden, dan zwijgt de islamitische wereld. Maar Joden weet men altijd te treffen — omdat het Joden zijn . . . .

De Amerikaanse historicus Yuri Slezkine noemt de moderniteit het tijdperk van de Joden, maar ondertussen heeft dat hele tijdperk zich alleen maar tégen de Joden gekeerd. Niet alleen het nazisme komt dan in beeld, maar vandaag ook het vulgaire en gepalestiniseerde antisemitisme dat alle lagen van de bevolking en alle media, elke vorm van academisch onderwijs, de cultuur en de politiek heeft geïnfecteerd. Via Israël wordt de Jood immers opnieuw gedemoniseerd, nu onder het mom van kritiek op de sterkste partij, die steevast disproportionaliteit wordt verweten, een loze bewering die nooit geëxpliciteerd wordt, want wat bedoelt men nu juist? Eén Hamasraket tegen één Joodse of misschien een halve Joodse raket? Waren de aanvallen van Amerikanen, Engelsen en Fransen op IS ook niet disproportioneel, of telt dat niet? Het is inderdaad erg disproportioneel te noemen dat Hamas lukraak op zoveel mogelijk Israëlische burgers schiet, terwijl het Israëlische leger er alles aan doet om via alle mogelijke middelen zoveel mogelijk Palestijnse burgers te sparen en daardoor het meest ethische leger ter wereld kan worden genoemd. Een oorlog waarin, ondanks de zware middelen, zo weinig slachtoffers vallen, is inderdaad ongezien, ook al valt het de mainstream media blijkbaar niet op. En wie zou beweren dat de Engelsen gedurende de ‘Blitz’ zich niet hadden mogen verweren, zou nu krankzinnig worden verklaard. Israël vecht om zijn naakte bestaan, net zoals wij er tijdens de tweede wereldoorlog alles aan deden om het nazisme te verslaan, niet een beetje, maar helemaal. De vorm van weerstand en oorlog voeren die de Joden hanteren, leidt ons naar de ware betekenis van het begrip ‘uitverkoren volk’: een volk dat de loden last op zich nam deugd en fatsoen in de samenleving te brengen en een bijzondere geesteskracht te ontwikkelen om de maatschappij ten volle van nut te zijn. Het is allicht één van de centrale punten waarop de jaloezie van de modale antisemiet gericht is.

De Jood wordt met krokodillentranen gehuldigd tijdens de herdenkingen van de nazistische judeocide. Toen werd de Jood vermoord en dus is het een goede Jood, maar liever niet als hij vandaag verzet pleegt tegen degenen die hem opnieuw willen uitroeien. Het Charter van Hamas laat daarover niet de minste twijfel bestaan. De erfgenamen van het nazisme vindt men vandaag dan ook in het Midden-Oosten én bij de westerse linkerzijde waarvan het hijgerige antifascisme de nieuwe vorm van fascisme is geworden. Er is ondertussen een monsterverbond gegroeid tussen de islam en de rode en groene progressieven, de gelijkgeschakelde media en de academische wereld. Die hertalen (re-framen) het actuele conflict tussen de Palestijnen en Israël, dat al decennia aan de gang is, tot een oorlog tegen de Jood. Het is antisemitisme dat zijn naam niet durft te noemen. De haat die eruit voortvloeit, vormt een unieke pathologie, een obsessie die nazistische en communistische wortels heeft. Het islamisme als politieke beweging werd immers in de jaren dertig bijna één op één gekopieerd op nazisme en communisme. En zei de Algerijnse auteur Boualem Sansal, op wiens hoofd een fatwa werd gezet, niet dat het islamisme gewoon de islam in actie is, en de islam het islamisme in rust? En wie een mini-versie wil zien van hoe het er in de Palestijnse gebieden onder Abbas en Hamas aan toegaat, moet maar naar de pro-Palestijnse manifestaties in westerse steden kijken, en het geweld en antisemitisch gebral dat er organisch uit voortkomt.

Het narratief over Israël is zo verwrongen en bevooroordeeld en de modale kijker van het tv-journaal dermate eenzijdig geïnformeerd — als het werkwoord informeren hier nog van toepassing is — dat hij of zij zich bijna verplicht voelt partij te trekken voor de door zijn strot geramde ‘underdog’, wiens leugenachtige verhaal larmoyant in de verf wordt gezet. Altijd weer opnieuw het verhaal van de Palestijnse vluchtelingen, en de meer dan honderd resoluties erover in de VN sinds 1949, maar nooit dat van de negenhonderd duizend Joden die vanaf 1947 uit Irak, Egypte en Syrië moesten vluchten, met achterlating van have en goed, als ze al niet in een pogrom vermoord werden, en die zich in Israël en in andere landen settelden, zonder compensaties. Het is maar een voorbeeld.

Dit alles om als kleine intro mijn volle instemming te betuigen met voorliggend en noodzakelijk boek over Israël, een land onder vuur. Het is een savant werk, gedrenkt in de verontwaardiging van een integer man wiens overweldigende en factuele argumentatie pro-Israël onontkoombaar is. Ik realiseer me dat de emotie van eerlijke verontwaardiging zoals hier vertoond passé is en eerder uitzonderlijk in postmoderne tijden die zonder ruggengraat zijn. We leven in een era van laffe witgekalkte graven zonder enig historisch besef. Vanuit een lui soort denken zetten ze de toon, en dat in een valse en verraderlijke toonaard. Ze beschouwen censuur als een terechte vorm van handelen en willen de gedachtenpolitie via een geregenereerd fascisme globaliseren, van China tot de VS.

In dit boek leest men het vernietigende oordeel over de vijanden van Israël, en dus van de Jood, gestoeld op rijk geschakeerde bronnen, men leest geschiedenis met achtergrond en context, con brio opgetekend door een man gebeiteld aus einem Guss, een ketter die in de huidige mediale constellatie ‘l’esprit d’onorthodoxie’ representeert, een oneigentijdse iconoclast, ‘l’adversaire de tout son siècle’, een dwaalgast in een dolende en pervers globaliserende wereld, een intellectuele plebejer met het hart op de juiste plaats en het verstand op scherp. Op Martien Pennings is de boutade van toepassing “Don’t try too hard to fit in when you were born to stand out”.Alleen een man van karakter, ‘un caractériel’ zoals men dat zo treffend in het Frans uitdrukt, een eigenheimer met een groot onbehagen in deze tijd, kon dus dit averechtse boek schrijven.

Ik weet dat het motto van de grote Duitse historicus Leopold von Ranke, namelijk dat het beschrijven van de geschiedenis neerkomt op het ‘bloss sagen wie es eigentlich gewesen ist’, in een postmodern-eclectische tijd die het perspectivisme hanteert en de waarheid relativeert, al lang niet meer gehuldigd wordt. Toch kiezen de media, velen in de politiek en de academies, en vooral de koket-fascistoïde, onwetende en nuffige culturo’s, partij voor de door de mainstream media uitgeroepen underdog, waarbij al decennia een Palestijns narratief bijeen gefabuleerd wordt.Deze valse morele deugers denken dus toch te weten ‘wie es eigentlichgewesen ist’. Welnu, zij zijn het die als conformisten uit allerlei bewuste en onbewuste overwegingen, uit gemakzucht en narcisme, de ongemakkelijke waarheid over de Palestijnen en hun lamentabele geschiedenis ontwijken.

Israël is altijd levend geweest, vol libido en geesteskracht, ook in de bangste dagen. Laat dit boek van Martien Pennings een rechtvaardiging zijn voor dat land, met objectieve informatie over het conflict, maar geschreven met de cassante verontwaardiging en de onversneden pen van Multatuli. Israel redivivus.

Wim van Rooy

Waarom Israël de meest legitieme natie ter wereld is

En nou moet ik dus even zo kort mogelijk vertellen waarom Israël de meest legitieme natie ter wereld is, want dat gelooft u natuurlijk niet zomaar. Ik leg het uit. En trek daartoe een aantal passages samen die u verder verspreid over dit boek in iets anders vorm nóg een keer kunt tegenkomen.

Joden zijn de uitvinders van het geweten en van de wetenschap. Dat komt omdat ze niet altijd zomaar bevelen uitvoeren van “God”, zoals bijvoorbeeld de moslims. Ze maken zelfs ruzie met “God”, ze redetwisten met Hem. Nu bestaat er natuurlijk geen “God”, want “alles van boven komt van beneden”. Praten en ruzie maken met “God” is gewoon de manier waarop de mens in zijn evolutie een geweten heeft ontwikkeld. De mens klaagt bij “God” en klaagt “God” zelfs aan, maar tenslotte komt de mens er achter dat hij in zichzelf aan het praten is en bij zichzelf te rade moet gaan. Door dat soort redenerende zelfhulp ontstaat er ook “wetenschap”.

Zo komt het dus dat de Joden nooit in de geschiedenis een probleem zijn geweest, altijd een oplossing. Een denkend volk met een geweten dat nooit agressie pleegt als je ze met rust laat en moeilijke monetaire, medische en technische problemen voor de andere mensen oplost. Pas als je Joden aanvalt, gaan ze zich verdedigen. Tegen de Babyloniërs, de Romeinen en de moslims. Vaak verloren ze en tenslotte vertrokken ze merendeels uit thuisland Palestina. Hoe en op welk moment de Grote Verspreiding van de Joden, de Diaspora, over de wereld is begonnen, is onduidelijk, maar dat het is gebeurd, is zeker.

Omdat ze slim, gewetensvol en nuttig zijn, wekten de Joden overal veel jaloezie op en zijn ze in de loop van de geschiedenis de favoriete zondebok van de mensheid geworden. Ik zeg dat nou wel zo, maar eigenlijk weet ik dat niet en kan ik het niet bewijzen, maar ik zoek een verklaring voor het enorme Kwaad van de Jodenhaat door de eeuwen heen. Want dat Kwaad is er. Een mens zoekt nu eenmaal verklaringen voor de verschijnselen. Toch? Luie mensen komen dan al gauw tot de conclusie: de Joden hebben het gedaan. Wel zo makkelijk.

Enfin, vanaf 1880 was de Jodenhaat in Europa zo erg geworden dat veel Joden terug wilden naar Palestina. Dat kwam — door allerlei omstandigheden in de Europese politiek — goed uit en dus kreeg Engeland na de Eerste Wereldoorlog van de Volkenbond de opdracht om een Joods tehuis te stichten in Palestina. De Volkenbond was in die tijd zo’n beetje het geweten van de wereld, het redelijkste wat die wereld op dat moment te bieden had. Dus die Joden begonnen al op een veel nettere manier aan hun natievoming in Palestina dan al die andere veroveraars en volksverhuizers die in de loop der millennia hún naties hadden vormgegeven.

Palestina was een diep achterlijke landstreek, nauwelijks bevolkt, vol kale vlaktes, geërodeerde heuveltoppen en malariamoerassen. De Joden kochten in Palestina land en betaalden vaak exorbitante prijzen. Met harde arbeid ontwikkelden ze het land, brachten er een verbeterde levensstandaard en levensverwachting, ook voor de Palestijnse Arabieren. Dat zinde de Moefti van Jeruzalem, Amin al-Husseini, niet en hij begon met de Koran in de hand de bevolking tegen de Joden op te hitsen. Deze Moefti zou zich later met Hitler verbinden en is centraal in de samensmelting van de Jodenhaat-tradities van de islam en het Nazisme. Deze Moefti bleef tot in onze tijd het grote voorbeeld voor Arafat, Abbas en Hamas.

De Joden, op de vlucht voor het Absolute Kwaad, kwamen dus het Relatief Goede brengen met instemming van “het geweten van de wereld”, de Volkenbond, en werden opnieuw geconfronteerd met datzelfde Absolute Kwaad. In die strijd zijn ze overeind gebleven en die voeren ze nog steeds. Daarom is Israël de meest legitieme natie ter wereld en uit de wereldgeschiedenis.

De gedachte dat de Holocaust de ultieme rechtvaardiging vormt voor het bestaan van Israël is omstreden. Israël heeft die rechtvaardiging internationaalrechtelijk niet nodig. Israël als vrije natie tussen andere naties heeft sowieso internationaalrechtelijk recht van bestaan door die daad van zelfbevestiging op 14 mei 1948. Maar er is ook een Israël als historische noodzaak. Van dát Israël is de Holocaust wel degelijk de ultieme rechtvaardiging . Een reeks van gebeurtenissen ligt objectief ten grondslag aan het ontstaan van Israël: groeiend antisemitisme en pogroms in Europa sinds 1880, eerste wereldoorlog, mandaatsperiode, tweede wereldoorlog, nazisme, bondgenootschap tussen de Moefti en Hitler, het voortleven van de gemengd nazistisch-islamitische traditie in de islamitische wereld. Het is voorts een objectief feit dat het ontstaan van Israël in de hele islamitische wereld subjectief gekoppeld wordt aan de Holocaust. En terecht! Voor zover het althans Israël-als-noodzaak betreft . . . . .

Voor mij bestaat Israël twee keer: als vrije natie via zelfdefinitie en als historische noodzaak. Noodzaak opgevat in twee betekenissen: toevluchtsoord voor als het wéér misloopt en product van de geschiedenis zoals die nu eenmaal is geweest.

Tot zover moraal-historisch gesproken. Nu nog even technisch-juridisch.

De stichting van Israël werd mogelijk gemaakt door de Volkenbond in de Resolutie van San Remo van 25 april 1920. De Volkenbond had hiertoe internationaalrechtelijk het recht omdat dit vrijwillig was afgesproken door de naties van de wereld. Maar de stichting van Israël vond feitelijk plaats door een unilaterale daad van zelfbevestiging en doordat Israël zich wist te handhaven als staat en zijn grondgebied wist te verdedigen en besturen. Meer is internationaalrechtelijk niet nodig.

San Remo blijft voorts van belang als legitimatie van het recht van de Joden om zich óók te vestigen in Samaria-Judea, alias “de Westbank”. Want internationaalrechtelijk erft een nieuwe machthebber, Israël, automatisch de grenzen van het grondgebied van de oude machthebber, in dit geval Mandaats-Engeland. Dat laatste recht, vestiging van de Joden in Samaria-Judea, is versterkt door het oorlogsrecht, met name door de aanvallen die via dat gebied gepleegd zijn op “klein-Israël”, in 1948 en 1967 en slechts door toeval niet in 1973 en wel zodanig dat Israël het volste recht zou hebben Samaria-Judea te annexeren. Al wat de Verenigde Nazi’s en haar verdere organen te berde hebben gebracht is een mening, maar heeft verder geen rechtskracht omdat zulks volgens het eigen Charter van de VN zo is.

1) Wie is toch de auteur van dit prachtboek?

U, als intelligente lezer, wilt misschien wel een beetje weten wie die bejaarde is (geboren 1945) die er zo’n rare ónlinkse mening over Israël op na houdt. Bovenaan mijn website “Martien Pennings Word Press Een Archief” staat een “Ten Geleide” dat een eerste korte indruk van mijn karakter geeft. Dan kunt u in de linkerbovenhoek ook nog eens About aanklikken en daar laat ik mij ietsje dieper in mijn ziel kijken. Ten overvloede is er voorts een interview met mij van april 2018. Als u googelt “TPO Martien Pennings, misschien wel de bekendste online islamcriticus van Nederland dan krijgt u het ongetwijfeld op uw beeldscherm. Ik vermoed overigens dat redacteur Bert Brussen van “The Post Online” op de plek van “bekendste” eerst het epitheton “beruchtste” had staan. Maar daarover meer hieronder. Als u niet nieuwsgierig bent naar mijn persoontje dan staat het u geheel vrij om dat allemaal over te slaan en direct door te stoten naar het Israël-gedeelte.

Mijn onlinkse mening over Israël is een héél andere dan bijvoorbeeld die van Chris van der Heijden, die in 2008 een spraakmakend essay schreef onder de titel Israël — een onherstelbare vergissing”. Mijn opstel draagt dan ook een titel die diametraal staat tegenover die van het opstel van Van der Heijden. Ik vind zijn pamflet afschuwelijk en waarom dat zo is, kunt u lezen in mijn kritiek erop die in dit boek staat onder de titel: “Chris van der Heijden: “Israël-kritiek” als psychotherapie”.

Ik heb in de loop van de tijd dat mijn website bestaat, sinds juni 2006, heel veel geschreven ter verdediging van Israël. Een opsomming van die circa driehonderd opstellen kunt u vinden als u googelt “Contra de Israëlhaat – teksten tegen de antisemitische bierkaai“. Algemener gesteld zijn mijn stukken gericht tegen de islam en de multikul en nog algemener gesproken tegen het cultuurmonopolie van wat ik ben gaan noemen het met de islam collaborerende links-regressieve narcistisch-hedonistische zelfverheffingsneuroten-machtsconglomeraat.

Wát zegt u?

Ik zei: het met de islam collaborerende links-regressieve narcistisch-hedonistische zelfverheffingsneuroten-machtsconglomeraat.

Deze facet-rijke definitie van regressief links vraagt misschien wat toelichting. Gedurende de afgelopen 40 jaar heb ik mij afgevraagd wat er in de hersens gebeurt van types die ik kortweg ben gaan aanduiden als “regressief links”.

Een van de verklaringen is het “Trotskisme”, een stroming die teruggaat op Leon Trotski die contra Jozef Stalin volhield dat de socialistische wereldrevolutie zich niet alleen in het achterlijke Rusland kon voltrekken, maar dat, naar goed marxistisch dogma, die revolutie op zijn minst moest beginnen in de geïndustrialiseerde landen, met name Duitsland. Stalin dacht van niet en propageerde de “socialistische revolutie in één land”, te weten Rusland. Wat zegt u? Nationaal socialisme? Zeker, zeker. Soort van.

In elk geval gaat de gedachte dat het proletariaat internationaal is terug op Trotski. Nu in de jaren 1960 de arbeidersklasse in het kapitalistische Westen burgerlijk is geworden, is de westerse linkse mens op zijn eigen manier “globalist” en kijkt voor revolutionair potentieel uitsluitend nog over de nationale grenzen. En vindt daar onder andere de arme, onderdrukte moslims — die zich toevallig ook als “gastarbeiders” en hun nazaten binnen de nationale grenzen bevinden — en nog altijd slachtoffer zijn van dat kapitalistisch-imperialistische westen met die vooruitgeschoven post geheten Israël. Dat er Joden wonen in Israël vindt de linkse mens toeval: heeft niks te maken met begrippen uit de oude doos als “internationales Finanzjudentum”. Want antisemieten zijn ze niet, die linksen, alleen “anti-zionisten”.

Dat Trotskisme, dat zoeken naar de verbinding met het revolutionaire potentieel van het internationale proletariaat, moet één van de verklaringen zijn dat “linksen” met begripvolle tolerantie een ideologie tegemoet treden die alle wezenskenmerken deelt met het nazisme, namelijk de islam. Dat is natuurlijk niet meer progressief, maar regressief. En dat is nog mild uitgedrukt. Wie zich op de hoogte wil stellen van de onderbouwing van deze stelling, islam = nazisme, moet gaan naar mijn opstel met de krachtige titel “In Memoriam Hans Jansen: islam is genocide”.

Ik ben niet de enige die zich over het links-regressieve raadsel het hoofd heeft gebroken. Een lijst van boeken, essays, columns, interviews terzake van mensen die veel geleerder zijn dan ik zou op zichzelf vele pagina’s kunnen vullen. En na lezing van nogal wat van die geleerden kom ik op twee elkaar aanvullende verklaringen van het raadsel van de linkse solidariteit met de meest achterlijke ideologie die deze aardkloot ooit heeft aanschouwd, de islam. 

Er zijn, zeg ik dan, twee Grote Emotie-stromen aanwijsbaar in de “beweging van 1968” die zich via een “mars door de instituties” meester heeft gemaakt van alle belangrijke posities en subsidie-niches in politiek, bureaucratie, universiteiten en media. Die emotiestromen zijn schuldgevoel en genotzucht. Ze manifesteren zich, verwarrenderwijs, in de “progressieve” psyche tegelijkertijd.

Zoals ik ooit eerder schreef:

“Wat een heerlijk mechanisme! Helemaal toegesneden op het complex waaraan ‘links’ al vanaf de jaren 1960 tot anno nu in het westen lijdt: het narcistisch-hedonistische schuldcomplex. Enerzijds vervuld van prachtige schuldgevoelens over het Westerse kolonialisme-imperialisme-slavernij-verleden, met dewelke, mits openbaar beleden, men zichzelf kon en kan manifesteren als de Betere Mens. En ook als je die last van het verleden niet echt voelde was en ben je ‘antifascist’ en heel erg géén nazi. Daarmee vermengd was en is er die hang naar gnot-gnot-gnot. Wij herinneren ons ‘rookmagiër’ Robert-Jasper Grootveld:

HI-HA-HAPPENING/ DOE VOORAL JE EIGEN DING/ VERZET, VERZET, VERZET/ GEEN LEVEN ZONDER PRET/ GNOT, GNOT, GNOT/ HET VLOT DAT IS ONS LOT/ TOT VLOT TOT VLOT TOT VLOT/ GNOT GNOT GNOT/ JE BENT JE EIGEN GOD

Vzet als gnot: daar kwam het wel op neer. Maar ja, hoe combineer je grijs Auschwitz met roze neukie-neukie-hasj-dromen, een promiscue hipsterleven en maak je tegelijk carrière? Dat doe je aldus: dan verklaar je dat die Joden en Israëli’s eigenlijk zelf nazi’s zijn en de ‘Palestijnen’ de nieuwe concentratiekamp bewoners. Dan ben je ‘revolutionair’ en ‘non-conformistisch’ terwijl de Westerse machts-elite met tevredenheid naar je kijkt omdat ze Arabische olieboeren boven alles te vriend willen houden. Zo word je Cohn-Bendit.”

Het schuldgevoel komt voort uit de Europese erfenis van kolonialisme, imperialisme, racisme, twee wereldoorlogen en vooral de Holocaust. De genotzucht, het hedonisme, werd vanaf de jaren 1960 in seksueel opzicht mogelijk gemaakt door de anticonceptie-pil en in materieel opzicht door de toegenomen welvaart. Het uitleven van de seksualiteit kwam ook voort uit het, misschien onderbewuste, besef dat seksualiteit een oerkracht is die, indien niet uitgeleefd, zich kan ontladen in haat en oorlog.

Dat tweesporen-hedonisme (seksueel en materieel) versterkte het al aanwezige “historische” schuldgevoel inzake “kolonialisme”, want hadden “wij”, in ons Westen, het niet alléén maar zo goed omdat wij nog steeds de “Derde Wereld” aan het uitbuiten waren? Zo werd de zich seksueel uitlevende en materieel welvarende “linkse” hedonist een morele narcist, een zelfverheffings-neuroot, een deugmens die het er weliswaar zelf goed van nam, zich uitleefde, maar ook solidair was met de onderdrukten over de hele wereld, vooral als die een kleurtje hadden. “Victimisme” is deze ideologie wel genoemd en dat denken ging gepaard met een vernauwing van het christendom tot alléén nog maar Één Groot Erbarmen. Ook solidariteit dus met de “gastarbeiders”, de migranten en de asielzoekers in Nederland, wier ideologie, bijvoorbeeld de islam, je niet ging kritiseren vanuit je bevoorrechte positie. Bovendien leerde de postmoderne sociologische antropologie dat alles relatief en een “narratief” was, een subjectief verhaal en dat daarom een zwarte peniskokerdragende mensen-eter niet per se beter was dan een blanke vegetarische DNA-specialist.

Zo werd het “linkse” schuldgevoel vanwege kolonialisme en welvaartsgenot omgezet in alleen nog maar genot om de eigen hoge moraal en om de verdienste te strijden tegen de “rechtse” fouteriken. Links beklom het morele krukje en daarvandaan klonk het richting realistisch ingestelde medemensen: better than thou! De links-regressieve mens is vooral bezig met het behouden van een prettig gevoel in eigen hoofd en organisme.

Een van de links-regressieve projecten is, behalve uiteraard “het klimaat”, de EU: een antidemocratische en incompetente “technocratie” die Europese landen tegen elkaar opzet en alle Europeanen armer en ongelukkiger maakt, onder andere door Europa te islamiseren en een anti-Israël beleid te voeren. Het gevaarlijkste aspect van deze gecombineerde islamofilie en Israël-demonisering is het legitimeren en aanwakkeren van de Jodenhaat van moslims, die ook onder Europese moslims heel vanzelfsprekend is. We zien bij het ter perse gaan van dit boek in mei/juni 2021 de gevolgen: in vele grote steden in Europa werd door moslims, vooral islamitische jeugd, vergezeld door een minderheid van links-regressieve autochtonen, openlijk “dood aan de Joden” geroepen. Ze hebben het niet eens meer alleen over Israël.

Een bijzonder woord moet nog gewijd worden aan de regressief-linkse ontsporing van het feminisme, dat, toen links nog ouderwets links was, gelijkheid van behandeling en seksuele autonomie opeiste voor de vrouw. Dat was het feminisme van de “strijd tegen het patriarchaat” weet u nog wel? En van het ronduit manvijandige “Een vrouw zonder man is als een vis zonder fiets”. Het tegenwoordige “feminisme” dat zich als “links” afficheert is dol op de islam, keurt dus de voogdij over de behoofddoekte vrouw goed van alle piemelhebbers rondom haar geschaard: vaders, broers, ooms en neven, maar zwijgt over het wegsnijden van clitorissen bij moslima’s en over een extreem onderdrukkend systeem waaronder ongetelde miljoenen in de islamitische wereld, maar ook in het Westen, moeten leven. Dat moet voor mij, heteroseksuele oude blanke man, een raadsel blijven.

Er bestaat een studie uit 2019 van Kees Broer die speciaal de geschiedenis van de links-regressieve beweging contra Israël behandelt “Vijftig jaar Palestina Komitee; ontkennen, goedpraten, meedoen”. Ik heb dat boek gekritiseerd onder de titel “Kees Broer (Keesje Maduraatje) laat zich niet verleiden tot zionisme”. Broer ziet speciaal voor de nep-linkse hetze tegen Israël nog een paar extra factoren. Ten eerste de afbraak van het beeld dat Nederland een verzetsland was geweest. Dat deed afbreuk aan de Bijbelse voorstelling van Nederland als zeer verwant met het dappere kleine Israël, een voorstelling die teruggreep op de Opstand tegen Spanje van 1568-1648. Daardoor kreeg het verzet van de langharige jeugd tegen hun ouders weer extra vleugels, want aldus verloor de kreet “God, Nederland en Oranje” geheel zijn kracht. Vooral de reformatorische jeugd meende op grond van dezelfde Bijbel die hun ouders tot steun aan Israël bracht “het neo-koloniale project” Israël te moeten gaan aanvallen. 

En nou moet ik tenslotte een voor mij heikel punt aanraken. Ik citeer daartoe een passage uit bovengenoemd interview met mij dat in 2018 op TPO verscheen. Want naarmate de jaren vorderden en ik rond het jaar 2000 mijn toch al geringe podium als free-lancer in de mainstream-media kwijtraakte, sloeg ik in stukken op mijn eigen weblog steeds harder aan het schelden. Het schuimbekkende ad hominem werd jarenlang een vaste stijlfiguur in de polemische teksten waarmee ik het verraad van regressief-links te lijf ging. Steeds ál argumenterend, dat dan weer wel. In mijn ervaring, die enige decennia telt, is de enige mogelijkheid om tot regressief-linkse koppen door te dringen: zo grof mogelijk te keer gaan. Als je dat niet doet, merken ze je niet eens op. Overigens: als je dan eenmaal hun aandacht via beledigingen hebt getrokken, gaan ze lopen zeuren over “de toon van het debat”. Een echte Catch 22! Enfin: de passage uit het interview met TPO die ik wil citeren luidt als volgt:

“Je staat bekend als iemand die niet voor een plat scheldwoord terugdeinst
Ik provoceer om gelezen te worden. Je hebt als marginaal blogger de keuze tussen niet gehoord worden en provoceren. Doctor Erik Bink, Hegel-specialist, die inmiddels een eind in de tachtig is en de oorlog als kind heeft meegemaakt, heeft eens een mooi stuk geschreven waarin hij mij vergelijkt met een heldinnetje uit een column van Simon Carmiggelt. Dat meisje ziet hoe NSB-ers Joden aan het opdrijven zijn en ze begint dat tuig tomeloos uit te schelden. Ik scheld niet alleen, maar heb ook gewelddadige neiging. Ik vertel soms in mijn stukken ook over mijn aanvechtingen tot hele erge geweldpleging. Niet als ‘oproep tot geweld’, maar als waarschuwing: wanneer in een edele inborst als de mijne regelmatig het verlangen naar vlammenwerpers en mitrailleringen opkomt, hoe zal het er dan uitzien in het gemoed van mijn vaak zo veel minder deftige medemensen?”

Tot zover ikke in dat interview van 2018.

Het dilemma rond mijn eigen heftigheid heb ik ooit in hoge gewetensnood als volgt geformuleerd:

“Ik denk dat ik gelijk op met veel Israëli’s ben gaan haten. Dat mogen Joden natuurlijk niet, want alleen “Palestijnen” mogen haten en er ongeremd uiting aan geven. Dan krijg je kusjes van Gerdi Verbeet. Samen met de verstandige Joden ben ik de geschiedenis van de islam onder ogen gaan zien, de omvang van het Kwaad gaan beseffen, de omvang van de linkse collaboratie, het genotzuchtige linkse wegkijken van de werkelijkheid. De linkse gemakzucht, de linkse zelfmanifestatie, het linkse narcisme. Ik ben een soort Israël geworden. Ik vecht voor mijn humaniteit, die ik dreig te verliezen in een oceaan van geweld en gekte. Wat is lafheid, wat begrip? Wat is compromis, wat collaboratie? Wat is een legitiem vitaal instinct, wat een fascistische onderbuikreactie? Hoe het Kwaad adequaat te bestrijden zonder zelf deel ervan te worden?Etcetera et ad infinitum.”

Bovenstaande passage stamt uit een stuk dat ik schreiend van verontwaardiging schreef op 11 februari 2012. Ik gaf in dat stuk uiting aan mijn razernij over het bagatelliseren (door vijf dames die ik in de titel noemde) van de gruwelijke onderdrukking die de boerka symboliseert. Die titel luidde:

“Ik hoop dat de executie van de nazislamitische hoeren Femke Halsema, Jolande Sap, Karin Dekker, Ineke van Gent en Claudia de Breij verloopt als die van . . . . . . . .”

U ziet dat de titel in puntjes eindigt. Dat is omdat ik de titel meteen liet overgaan in een citaat uit “De Woede en de Trots” van Oriana Fallaci, waarin beschreven wordt hoe een drietal vrouwen in boerka op een parkeerplaats in Kaboel (Afghanistan) uit de achterkant van een bestelwagen stappen en vervolgens ter plekke casual met een nekschot worden afgeknald door een moslimisch geklede baardmeneer. Mijn bedoeling was natuurlijk het in de titel genoemde vijfwijfschap met de neus op de feiten te drukken. Maar dat lukte niet, want de dames waren alleen maar beledigd en vonden dat juist zij het slachtoffer waren en door Martien Pennings werden bedreigd. Er ontstond rumoer tot in de “Haagse Post” en mensen die ik tot nu toe als bondgenoten en realisten had beschouwd waren ook ineens van mening dat ik erop uit was al die dames en hun extended families om te brengen. Twitter ontplofte en de website waarop het stuk in eerste instantie was verschenen (Amsterdam Post van wijlen Jaap Mollema) telde op een gegeven moment 30.000 views and counting. Door een toeval kwam ik er later achter dat Halsema zelfs aangifte had gedaan, maar dat de zaak geseponeerd was.

Ik hoop werkelijk dat u, lezer van dit boek, begrip kunt opbrengen voor de vele Theo van Gogh-achtige scheldpartijen, die u gaat tegenkomen als u mocht gaan grasduinen in de vele honderden opstelletjes die ik in de loop van de afgelopen 15 jaar schreef op mijn website. Al moet ik zeggen dat ik zeer zelden de grofheid heb benaderd van sommige delen van Van Goghs invectief proza. Men herinnert zich bijvoorbeeld de aubade van Theo aan Paul Rosenmöller waarin een tumor voorkwam. Ja, ook ik heb de gevreesde ziekte één keer gebruikt in mijn gezegende extase. En er staat allang een excuus bij. Nee, ik ga niet zeggen waar u het kunt vinden, maar ik ga zo’n scheldpartij ook niet off-line halen: historici die hun eigen onwelgevallige sporen uitwissen, dat moeten we niet willen met zijn allen.

Bij Theo kwam het allemaal uit een goed hart — ik stond op 2 november 2004 twintig minuten nadat het gebeurd was bij zijn lijk in de Linnaeusstraat — en sommigen zeggen dat zulks bij mij ook het geval is. Een opstel waarin mij (via Carmiggelt en de oorlog) wordt toegedicht mijn schelden vanuit de juiste morele impuls te hebben gedaan, vindt u onder de passende titel “Het schelden van Martien Pennings door auteur “Erik Mokum”. Ik ben eigenlijk, zo blijkt daaruit, een ruwe bolster welks blanke pit heilig verontwaardigd is.

Overigens: razend schelden om de goede redenen — en daarbij ook nog blijven argumenteren — is wat mij betreft láng niet zo erg als in nette taal de gruwelijkste werkelijkheden goedpraten en verbloemen. Kijk, de koppen boven sommige van mijn on-line-stukken zijn heftig, maar de inhoud verklaart veel van die heftigheid als je eenmaal gaat lezen. Ik ben hoe dan ook dankbaar dat ik die razende woede heb mogen voelen waaruit mijn invectieven voortkwamen. Daar ga ik op mijn sterfbed met tevredenheid op terugkijken!

En nou nog even iets waar ik me wél voor schaam: dat ik in mijn razernij soms ben gaan afgeven op het uiterlijk van mensen. Eigenlijk is me dat wezensvreemd. Uit mijn polemische teksten zou je het misschien niet zo gauw afleiden, maar in het dagelijkse leven houd ik van hoffelijkheid.

Als u zich afvraagt wat u nu zojuist gelezen hebt, kan ik misschien helpen. Ik heb verteld waarom ik het zichzelf als progressief etalerende “links” benoem als “regressief”, wat daarvan volgens mij de historische oorzaken zijn, hoe ik door dat regressieve links ben kaltgestellt wegens het niet onderschrijven van de progressieve orthodoxie en hoe ik vervolgens alsmaar schuimbekkender op dat regressieve links ben gaan inhakken. Vooral die regressief-linkse combinatie van stompzinnige islamofilie en stompzinnige crypto-Jodenhaat (“kritiek op Israël”) ben ik, eh . . . . . gaan haten.

Jodenhaat is overigens van alle tijden. In ieder geval werd al in de 1ste eeuw na Christus in Egypte voor het eerst beweerd dat Joden het bloed van niet-joodse kinderen drinken. Ik weet dat vanwege de ophef om een academische afscheidsrede in 2006:

“Op 16 juni hield de Utrechtse hoogleraar Pieter W. van der Horst in de aula van de Universiteit van Utrecht zijn afscheidsrede ‘De mythe van het Joodse kanibalisme’. Daarin ontleedde hij het ontstaan en de manifestatie van het zogenaamde bloedsprookje, dat door de eeuwen heen door de antisemieten werd aangegrepen om Joden te vervolgen. Van der Horst onthulde dat het gruwelverhaal, over het door Joden consumeren van bloed van niet-Joden, in de wereld werd geholpen door Apion, een in de eerste eeuw levende vergriekste Egyptenaar. In de middeleeuwen circuleerde het bloedsprookje in het christelijke Europa, de nazi’s gebruikten het in hun anti-Joodse propaganda en na de Tweede Wereldoorlog werd het opgenomen in het antisemitische discours in de islamitische wereld. Het door Van der Horst wijzen op dat laatste viel niet in goede aarde bij de top van de Universiteit Utrecht.” (1)

2) Hersenspoeling door de media: anti-Israël en pro-Palmaffia

“Op een dag reisde ik per trein naar Assen. Tegenover mij zit een vriendelijke jongen van een jaar of zestien. Met een noordelijke tongval schetst hij zijn leven: vmbo-leerling, stage bij een installatiebedrijf,  fietscross als hobby en hij heeft al enige tijd een vriendin. Op zijn beurt vraagt hij naar mijn werk. Ik vertel hem dat ik mij bezig houd met het Midden-Oosten en de ontwikkelingen aldaar. Dit roept bij hem een concrete vraag op: waarom willen de Joden toch al die Palestijnen dood maken?” (2)

Dit is een citaat uit De misleidings-industrie: hoe Nederlandse media ons dagelijks beet nemen” van Els van Diggele” (geboren 1967). Zij is is géén groentje inzake het Midden-Oosten. Toen haar boekje in 2019 verscheen, had ze al drie titels op haar naam: “Een volk dat alleen woont: de strijd om de joodse identiteit van de staat Israël” (2000), “Heilige ruzies: christenen in Israël” (2007, “We haten elkaar meer dan de Joden: tweedracht in de Palestijnse maatschappij”. Van Diggele is historica en journaliste, schreef voor De Telegraaf, Trouw en NRC en leefde jarenlang afwisselend in Israël en Nederland.

Er is overigens iets merkwaardigs aan de hand met de buitenkant van “De misleidings-industrie”. Uit de tekst van 200 woorden op de achterflap kan je niet opmaken dat de misleiding gaat over de eenzijdige anti-Israël en pro-Palmaffia-journalistiek in de Nederlandse media. Op de afbeelding steekt slechts een miniem Palestijnse vlaggetje uit een schoorsteen van een fabriek die natuurlijk de “misleidingsindustrie” moet voorstellen. Zou dat bewust gedaan zijn omdat uitgever en schrijfster beseffen dat bij aankondiging van het echte thema op de achterflap de regressief-linkse medemens het boekje sowieso niet zou willen lezen of kopen? Want als er iets is dat de links-regressieve mens kenmerkt, dan is het wel dat hij geen kennis wenst te nemen van wat nare rechtsmensen schrijven.

Tsja, zegt Van Diggele: de schade aan het publieke bewustzijn is enorm en dat krijg je als de mensen groot vertrouwen hebben in de media en vooral in het NOS-journaal, terwijl hun berichtgeving eigenlijk nauwelijks te onderscheiden is van eenzijdige anti-Israël-propaganda.

Van Diggele stelt, behalve de eenzijdige berichtgeving van het NOS-journaal, vooral Palmaffia-propaganda en Israël-bashing bij de redactie van de NRC aan de kaak. Dat was eerder al gedaan door Hans Moll, die van 1987 tot 2010 op verschillende redacties van diezelfde NRC werkte. De titel van zijn boek luidt Hoe de nuance verdween uit een kwaliteitskrant: NRC-handelsblad neemt stelling tegen Israël”. Net zoals de omslag van Van Diggeles boekje te denken geeft over de voorzichtigheid waarmee de links-regressieve mens blijkbaar benaderd moet worden — linksen hebben langzamerhand net zo’n gevoelig huidje als moslims — is ook die titel van het boek van Hans Moll te mild, want uit de inhoud blijkt dat niet slechts de nuance, maar elk gevoel voor objectiviteit inzake Israël was verdwenen bij de NRC en dat er voorts geen zweem van ook maar een begin van zelfreflectie te ontdekken viel bij de zelfgenoegzame hoofdredactie. Dat signaleert Van Diggele trouwens ook.

Hun verklaringen voor dat fenomeen en voor de links-regressieve liefde voor het achterlijk-totalitair-terroristische liggen in de dezelfde sfeer als die ik al vele malen eerder beschreef, dus in die van het met de islam collaborerende links-regressieve narcistisch-hedonistische zelfverheffingsneuroten-machtsconglomeraat. En dat machtsconglomeraat is enorm. Regressief links heeft via de “mars door de instellingen” sinds de jaren 1970 alle subsidie niches in alle bureaucratieën, op de universiteiten en in alle de media bezet. Hun greep op de cultuur is nagenoeg totaal. Dus de eenzijdige berichtgeving — anti-Israël, pro-Palmaffia — beperkt zich niet alleen tot de NRC en het NOS-journaal. Ook RTL-nieuws en de Volkskrant, Trouw en het AD doen mee. De mainstream-nieuwsconsument hoort en ziet sinds de jaren 1970 in toenemende mate niks anders. Met name de Israël-annex-Jodenhaat onder moslims wordt daardoor gestimuleerd, als dat al nodig was. En dat was en is niet nodig, want in alle gebieden waar de islam heerst, is het antisemitisme niet alleen ongeschonden, maar zeer versterkt uit WO II gekomen. Ik laat hier twee getuigenisjes volgen, van jaren geleden, maar er niets veranderd.

Kees Beekmans was vroeger Volkskrant-journalist, maar raakte dermate bewogen door het gruwelijke lot van de allochtone jeugd in Nederland dat hij leraar werd op een VMBO. Vervolgens ging hij in Marokko wonen en trouwde een Marokkaanse vrouw. Bepaald geen bevooroordeelde  “racist”, deze Beekmans. Maar lees eens wat hij schreef in “de Groene” van 13 oktober 2006:

“Het is beter met Marokkanen geen gesprek over joden te beginnen, want de doorsnee Marokkaan moet niets van joden hebben. Ik ben een paar keer tegen wil en dank in zo’n gesprek verzeild geraakt en dan zie je iemand van wie je dacht dat-ie een redelijk man was veranderen in een paranoïde krankzinnige. In Israël eten de joden Palestijnse baby’s! Ze hebben Jezus (Issa) verraden want ze hebben gekozen voor de weg van de sjeitan, de duivel. Bush doet alles wat de joden zeggen. Et cetera.”

Ik citeer Trouw van 2 maart 2004:

Zo erg kan de Arabische wereld toch niet zijn, dacht Rudi Rotthier (46). Vlak na 11 september ergerde de Vlaamse reisschrijver zich aan het stereotiepe beeld van moslims in de westerse pers. ,,Ik dacht: wij doen moslims onrecht aan, wij diaboliseren hen.’ En daarom ging hij op reis: om te bewijzen dat niet alle moslims agressief of onderdrukt zijn. Om het beeld van dé moslim en dé islam te versplinteren en te vermenselijken. Gedurende 13 maanden trok hij door 14 moslimlanden, waaronder Marokko, Egypte, Tunesië, Syrië en de Golfstaten. En dat, vertelt Rotthier, ‘was niet de beste ervaring in mijn leven. De realiteit was erger dan ik verwacht had’.

Hij ervoer de Arabische wereld als uitzichtloos, als ‘oneindig veel zuurder, bitterder en minder creatief’ dan toen hij er achttien jaar geleden voor het eerst reisde. Met deze sombere conclusie besluit ‘De koranroute’, het vuistdikke reisverslag waarvoor Rotthier afgelopen vrijdag de Bob den Uyl Prijs ontving. Het is een vol, veelkantig boek dat raakt aan zeer uiteenlopende thema’s: de Palestijnse vluchtelingenkampen in Libanon, het arbeidsethos in Saoedi-Arabië, de ex-slaven in Mauretanië en de koers van tv-zender Al Jazeera in Katar. Maar voor al die landen geldt hetzelfde: Rotthier ontmoette er nauwelijks gelukkige mensen.”

Rotthier zelf: “Het gigantische vermogen om de schuld niet bij zichzelf te zoeken, het gebrek aan zelfkritiek. ( . . .) Wat ik niet voor mogelijk hield is gebeurd: zeven maanden in moslimgebied hebben mijn sympathie voor Israël hersteld. ( . . .) Ik heb zeker geen dag rondgelopen zonder te horen dat Hitler gelijk had, dat Israël moet verdwijnen, dat joden verantwoordelijk waren voor 11 september. Ik begrijp nu beter hoe de Israëliërs zich bedreigd voelen in die haatdragende mensenzee.”

Ik citeerde nu uit respectievelijk de linkse “Groene” en het linkse “Trouw”, maar trek daaruit niet de conclusie dat deze bladen islam-kritisch zijn geworden. Dit soort publicaties blijven incidenten en tasten de algemene trend van islamofilie en Israëlhaat niet aan. Net zo min als deze bladen, of alle andere mainstream-media, iets verontrustends zien in de alsmaar niet aflatende instroom van migranten uit moslimlanden in Nederland en Europa.

Er bestaan echter wel linksen, althans mensen die de linkse traditie voor zichzelf blijven claimen, die dwars tegen deze neurose ingaan. Zo bijvoorbeeld de Spaanse journaliste Pilar Rahola, die door Hans Moll wordt geciteerd als zij een van de jaarlijkse sessies toespreekt van het “Global forum for combatting anti-Semitism”. Pilar Rahola:

“Vandaag, net als gisteren, vent links totalitaire ideologieën uit, wordt verliefd op dictators en negeert in de aanval op Israël de vernietiging van fundamentele rechten. Links haat rabbijnen, maar houdt van imams; schreeuwt tegen Israëlische soldaten, maar klapt voor de terroristen van Hamas; huilt voor Palestijnse slachtoffers, maar heeft minachting voor de joodse slachtoffers. En wanneer de linkse media worden geraakt door Palestijnse kinderen, dan is dat alleen om Israël de schuld te geven. Links zal nooit de cultuur van de haat verwerpen, de voorbereidingen tot moord.[…] Waarom zien we in Europa nooit demonstraties tegen islamitische dictaturen? Waarom zijn er geen demonstraties voor de miljoenen moslimvrouwen die slaaf zijn? Waarom komt links niet op tegen het gebruik van kinderen als bommendragers in conflicten waarin de islam een rol speelt? Waarom is links geobsedeerd door de strijd tegen twee van de meest solide democratieën op aarde, democratieën die door de bloedigste terreuraanvallen zijn getroffen: de Verenigde Staten en Israël? Omdat links niet langer ideeën heeft, maar alleen slogans. links verdedigt geen rechten meer, maar vooroordelen. En het grootste vooroordeel dat links koestert, is tegen Israël.” (3)

Een van de oorzaken en tegelijk symptomen van deze wereldwijde regressief-linkse verblinding werd in 2015 geanalyseerd door Matti Friedman. Te weten: de sociaal-ideologische bubbel waarin de correspondenten uit de westerse landen in Israël leven. Friedman opende voor het eerst mijn ogen voor de mogelijkheid dat al die opeenvolgende NOS-correspondenten misschien tóch geen antisemieten waren en dat hun lieglasterlijke berichtgeving eerder voortkomt uit een mengsel van onwetendheid, opportunisme en de bekende linkse zelfverheffingsneurose.

Genoemde Matti Friedman is een insider. Van 2006 tot eind 2011 was hij verbonden aan Associated Press (AP) in Jeruzalem, dé nieuws-producent bij wie journalisten overal ter wereld als eerste te rade gaan. Hij woont sinds 1995 in Israël en rapporteert erover sinds 1997. En hij schrijft een onderbouwde aanklacht tegen vooral AP en de bemensing van die hele links-regressieve nieuwsmachinerie die is ontstaan binnen de grenzen van Israël:

“Veel vers aangekomen verslaggevers in Israël, op drift in een nieuw land, ondergaan een snelle socialisatie in de kringen die ik noemde. Die kringen voorzien hen niet alleen van bronnen en vriendschappen, maar ook met een kant en klaar kader voor hun verslaggeving, met gereedschap om uit complexe gebeurtenissen een simpel en tegelijk verwrongen verhaal te destilleren, waarin er een slechterik is die geen vrede wil en een goede kant die dat wel wil. Dit is het ‘Israël-verhaal’ en het heeft het voordeel een verhaal te zijn dat gemakkelijk te vertellen is. Iedereen hier beantwoordt zijn mobiele telefoon en iedereen weet wat-ie moet zeggen. Je kinderen kunnen naar een goede school en je kunt eten in goede restaurants. Het is prima als je homo bent. Je kansen om op YouTube onthoofd te worden zijn gering. Bijna alle informatie die je nodig hebt — en dat is in de meeste gevallen informatie die kritiek bevat op Israël — is niet alleen gemakkelijk te verkrijgen, maar is al gerapporteerd door Israëlische journalisten of samengesteld door NGO’s. Je kan beweren dat jij de machthebbers de waarheid vertelt en je hebt daarvoor de enige ‘machthebber’ in de regio gekozen die geen bedreiging vormt voor jouw veiligheid.” 

De kritiek van Friedman is des te geloofwaardiger omdat hij, naar mijn bescheiden mening, eigenlijk zelf óók een linkse zelfverheffer is gebleven. Hij presenteert zijn relaas als zijnde “niet een conservatieve polemiek, of een verdediging van het Israëlische beleid. (Ik geloof in het belang van de ‘mainstream’ media en ik ben een ‘liberal’ en kritisch over veel in het beleid van mijn land.)

Een “liberal” dus, een “progressief”, een linkserd. Dat blijkt ook als hij het heeft over “de lompe regering die momenteel de leiding heeft in dit land. Dat moet de realist Netanyahu zijn.

In een van zijn stukken heeft hij het over een demonstratie op de “Palestijnse” Al-Quds-universiteit in Jeruzalem. Hij laat een foto afdrukken waarop te zien is dat in militaire outfits geklede, in het gelid staande en behelmde studenten de Hitlergroet brengen. En dan zegt hij:

“Ik probeer niet met behulp van deze foto te bewijzen dat de Palestijnen nazi’s zijn. Palestijnen zijn geen nazi’s. Ze zijn, net als de Israëli’s, menselijke wezens die op een soms lelijke manier in het reine moeten komen met een moeilijk heden en verleden. Ik citeer de foto nu om een andere reden.”

En dan gaat Friedman die reden uitleggen:

“Zo’n gebeurtenis in een instelling als de Al-Quds Universiteit, op dat moment geleid door een bekende gematigde professor, en verbonden met zusterinstellingen in Amerika, zegt iets over de wind die nu waait in de Palestijnse samenleving en in de hele Arabische wereld. De rally is interessant vanwege de visuele verbinding die hij maakt tussen de radicale islam hier en elders in de regio. Een beeld als dit zou kunnen helpen verklaren waarom veel perfect rationele Israëliërs bang zijn hun militairen uit Oost-Jeruzalem en de Westelijke Jordaanoever terug te trekken, zelfs als ze de bezetting verafschuwen en in vrede met hun Palestijnse buren willen leven. De beelden van de demonstratie waren, zoals fotoredacteuren graag zeggen, ‘sterk’. De rally had, met andere woorden, alle noodzakelijke elementen van een krachtig nieuwsbericht.”

Om te beginnen verraadt het gebruik van het woord “bezetting” hem al. Hét links-regressieve leugen-trefwoord. Maar vooral dit: dus die studenten, die “Palestijnen”, zijn géén nazi’s met hun nazi-groet, maar ze maken wel iets duidelijk over “de wind die nu waait”. Dat is die van de “radicale islam”? Toch? Dat zegt-ie toch?

Maar wéét Friedman dan niet dat de islam – de gewone islam, niet eens alleen het “islamisme” – één op één alle wezenskenmerken met het nazisme deelt? Dat het dus een nazisme avant, pendant et après la lettre is? En dat Amin al-Husseini, de Moefti van Jeruzalem, die de terreur tegen de Joden in Palestina vanaf 1920 organiseerde een verbond met Hitler aanging teneinde ook de Joden in Palestina te vermassamoorden en ook aldaar zo mogelijk op industriële wijze te vergassen? Dat genoemd verbond tot stand kwam vanuit de geheel eigen Jodenhaat-traditie van de islam? En dat de moslims dus níét de leerlingen waren en de nazi’s de leermeesters, maar dat ze gelijkwaardige partners waren in Jodenhaat die elkaar herkenden als bondgenoten? Dat die gemengd-nazistisch-islamitische Jodenhaat-traditie na WO II tot op heden in het Midden-Oosten de leidende ideologie bleef van islamitische dictators, een ideologie die tijdens de “Arabische Lente”, die in 2010 begon, alleen maar sterker werd? Dat gezegde traditie alléén in de islamitische wereld ongerept én succesvol bleef en nergens anders ter wereld? Dat die nazistisch-islamistische traditie ook en vooral de “Palestijnse” maffia’s van Arafat tot Abbas tot Hamas altijd heeft aangedreven? Dat de huidige links-regressieve Israëlhaters in diezelfde oude traditie staan, want dat reeds in de jaren 1930 de Communistische Internationale de Joodse minderheid in Palestina de rol toebedeelde van “imperialistische agent van de onderdrukking” en de moordpartijen van de islamitische Arabieren voorzag van het etiket “nationale bevrijdingsbeweging”?

Nee, Friedman weet duidelijk niet welke wind dit écht is, al verontrust dit soort briesjes hem blijkbaar wel. Vanuit die verontrusting snapt hij dan de angst die dat “sterke” plaatje van die militante Hitlergroet-studenten teweeg bracht bij “veel perfect rationele Israëliërs”. Gelukkig maar!

Dat Friedman eigenlijk zelf altijd nog steeds een links-regressieve zelfmanifestant was toen hij dit schreef — en dus als onverdacht moet gelden in zijn kritiek op de eenzijdige anti-israël-berichtgeving door het internationale correspondentendom in Israël — blijkt ook uit zijn opmerking dat “het Israëlische nederzettingen-project ( . . .) volgens mij een ernstige morele en strategische fout is van Israël”.

Als hij dat vindt, zou hij eens moeten uitleggen welke aanbieding van Israël — behalve die van zelfopheffing — door de Palmaffia’s aanvaard zou worden. Hij heeft wel het benul te zien dat het “nederzettingen-project” niet de oorzaak is van het conflict maar “een van de destructieve symptomen”. Ja, precies en dat destructieve komt uitsluitend van de kant van de Palmaffia’s die hun eigen bevolking al 100 jaar zodanig in de Jodenhaat marineren dat geen enkele leider zelfs maar een reëel compromis met Israël kan voorstellen zonder vermoord te worden.

Ach, de stemmen van de Rede, wat zijn ze schaars! Dit is een citaat uit 2015 van “Blog of Reason” van een anonieme “Jaap”, die ik echter persoonlijk ken en die een prima vent is:

“De recente geschiedenis van het Midden-Oosten in ogenschouw nemend zijn twee zaken evident. Ten eerste: Israël heeft in de afgelopen zestig jaar meer aan de vooruitgang van de mensheid bijgedragen dan al haar buurlanden in de afgelopen duizend jaar. Ten tweede: als de Arabische wereld morgen haar wapens neerlegt, dan is het overmorgen vrede. Als Israël hetzelfde doet, dan drijft het Joodse volk overmorgen in zee; conform Artikel 7 uit het handvest van Hamas! In weerwil van alle bloedsprookjes, mediaverdraaiingen en aperte leugens daarom: “toda raba Israel!” heb mijn dank.”

Maar nogmaals: Friedmans identiteit van linkse zeurkous maakt zijn kritiek op de lieglastermachine die het internationale pers-corps in Israël sinds de Juni-Oorlog van 1967 steeds meer is geworden, des te geloofwaardiger. U kunt Friedmans kritieken gaan lezen in Nederlandse vertaling op mijn website, alwaar u ook links vindt naar de originele versie in het Engels. Ik ga niet aangeven waaruit Friedmans kritiek bestaat, want als u mijn boek hebt gelezen, zal alles wat Friedman beschrijft u bekend voorkomen.

Voorts vindt u op mijn website vele honderden opstellen en opstelletjes contra de islam en pro Israël. Die pro-Israël-stukken heb ik in een aparte lijst ondergebracht. Het zijn er ruim driehonderd. Ga naar: “Contra de Israëlhaat – teksten tegen de antisemitische bierkaai”.

3) De historische en morele rechten van de Joden in Palestina: -kolonisatie en humanisering door de Joden vanaf 1880

In zijn pamflet van 2011 — “Israël aangeklaagd: de cognitieve oorlog tegen de Joodse staat”— geeft Yochanan Visser in een notendop de geschiedenis van het zionisme. Visser begint vanaf het jaar Onzes Here 138 na het neerslaan in Palestina van de laatste Joodse opstand tegen de Romeinen onder Bar Kochba.

“De Joden wonen vanaf 138 aanvankelijk in het noorden van Israël, in Tiberias en later Safed. In Safed woonde rond het jaar 1600 een gemeenschap van 10.000 Joden. Later vestigden zich opnieuw Joden in Jeruzalem en Hebron. In de dertiende eeuw vindt de eerste groepsaliyah (immigratie van Joden) plaats vanuit Engeland en Frankrijk; ook in Akko wordt dan een Joodse gemeenschap gesticht. In 1492 en 1498 komen groepen Spaanse en Portugese Joden, na hun verdrijving uit die landen, in Israël aan. In 1700 komt een groep van duizend Joden uit Polen aan in Israël om zich in Jeruzalem te vestigen. Vanaf 1764 volgen meer groepen Joden uit Europa, deze vestigen zich in Safed en Tiberias. Vanaf het begin van de 19e eeuw vestigen zich volgelingen van de kabbalistische rabbijn Kalisher in het land. Deze beweging voorspelt dat er snel een Messiaans tijdperk aanbreekt. Om dit proces te versnellen, waren de terugkeer naar het land en de opbouw van Joodse gemeenschappen vereisten. In 1834 wordt een groot deel van de Joodse gemeenschap in Safed door moslims uitgemoord.” (4)

Het eigenlijke zionisme begint natuurlijk met Theodor Herzl die uiteraard op de hoogte was van de pogroms in Oost-Europa vanaf 1880. Na bijwoning van het Dreyfuss-proces van 1894 wist hij het zeker: weg uit Europa! In 1896 verscheen de Engelse versie van “De Jodenstaat”.

Joden waren vanaf 1880, angstig geworden door de pogroms, begonnen ook zonder Herzls aanmoediging in bescheiden aantallen vanuit Europa richting Palestina te trekken. De pogroms waren een push-factor, maar er was ook een pull-factor: in de 19e eeuw bestond in Joodse kringen een veel te rooskleurig beeld van de aard van de islam. Nóg een pull-factor: al vele eeuwen luidde de rituele wens in vele Joodse gezinnen in de diaspora bij religieuze feesten: “Volgend jaar in Jeruzalem”. Al vluchtten vele Joden vanuit Europa ook richting Amerika. Overigens heeft Herzl bewust de “mythe” van Zion ingezet om zoveel mogelijk enthousiasme voor zijn project te genereren.

De landstreek Palestina zuchtte vanaf het jaar 638 na Christus voortdurend onder islamitische bezetters. Het wordt eigenlijk altijd door zo’n beetje iedereen vergeten, maar de Arabieren zijn in Palestina koloniale, imperialistische veroveraars. Palestina werd door de moslims veroverd in het kader van een veel grotere veroveringsoorlog die de islamitische hordes vanaf het jaar 632, het jaar van de dood van de mythische Profeet Mohammed, tenslotte in 100 jaar tijds in het oosten tot in Afghanistan en in het westen tot in Zuid-Frankrijk bracht. Toen de Arabische moslims Palestina binnenvielen hadden de Joden daar al een geschiedenis van 2000 jaar achter de rug. Regressief-linkse Israëlhaters en verdere islamofiele antisemieten mogen alléén al op deze grond nooit meer spreken over Israël als een “neokoloniale” onderneming.

Á propos “neokoloniaal”: men moet de aliyah van Joden vanuit de wereldwijde diaspora naar Palestina zien als een daad van dé-kolonisatie na 1300 jaar islamitische bezetting. Wil men het per se zien als kólonisatie, dan was het toch een uiterst humane kolonisatie, eigenlijk een vorm van ontwikkelingshulp. Want Palestina was in 1880 een nagenoeg ontvolkt en desolaat gebied. De Joden brachten daar vanaf 1880 een ongekende welvaart op gang. Door een geweldige krachtsinspanning van de Joden werden armoede en stagnatie overwonnen. Het gewetenloze irrationalisme van de islam dat altijd en overal de vorm aanneemt van maffioos, feodaal bestuur, werd, waar de Joden bestuurden, verdrongen door de Joodse cultuur van redelijkheid en rechtvaardigheid.

Klaus-Michael Mallmann en Martien Cüppers zeggen het in hun baanbrekende studie “Halbmond und Hakenkreuz”(2006) als volgt:

“( . . .) het project had weinig gemeen met het bestaande Westerse kolonialisme in Afrika en Azië. De verwerving van koloniën gebeurde in het algemeen om controle te krijgen over grond- en delfstoffen en om de arbeid van inheemse mensen te exploiteren. Terwijl Palestina aan de Joodse immigranten geen gunstige economische situatie bood. Er moest hevig geïrrigeerd en ontgonnen worden en er er kwam zwaar lichamelijk werk bij kijken, jaren van wachten op de beloning van hun arbeid en een bewust afzien van de meeste vormen van relatieve welvaart en urbaniteit. Dit was de enige manier, zo geloofden de Joodse pioniers, om zich te bevrijden van getto en getto-mentaliteit en om hun historische claim op Eretz Israël te transformeren in een morele claim.” (5)

Deze schrijvers geven weliswaar een eenzijdig beeld van het Westerse kolonialisme, want dat bracht inheemse bevolkingen natuurlijk ook het een ander aan positiefs, maar het contrast met wat de Joden in Palestina deden is inderdaad groot.

De geschiedschrijving van Israël is totaal verpropagandiseerd. Alleen al de vraag hoe de demografie van Palestina was bij de komst van de Joden — dus vanaf 1880 — en hoe die zich sindsdien heeft ontwikkeld, is een kwestie geworden waarin oprecht zoeken naar waarheid en manipulatie zich vermengen. De demografen buitelen over elkaar heen in nietes-welles inzake de volgende vragen: wie woonden in Palestina tussen 1880 en 1948 en wie kwamen er nieuw wonen? En was er een flinke Arabische instroom vanuit de buurlanden? Of ging het om een natuurlijke aanwas van de alreeds in Palestina wonende Arabieren? En was het nou de verdienste van de Joden dat Palestina economisch en demografisch bloeide of kwam zulks doordat het hele Middellandse Zeegebied sowieso in de lift zat?

Datzelfde geldt voor de staat van de landbouw vóór de komst van de Joden: was die nou weelderig bloeiend met zwaar-arige korenvelden, volsappige sinaasappelplantages en persklare olijfbomen of was Palestina nou woest, ledig, dor met hier en daar een malariamuggenmoeras? Ik denk dat ik het wel weet, want ik heb nog nooit één geloofwaardige getuigenis gelezen van de idylle die bijvoorbeeld Chris van der Heijden schetst in zijn “Israël — een onherstelbare vergissing”. Zie bijvoorbeeld “Palestine, a land virtually laid waste with little population” en “George Gilder, De Economie van Nederzetting: Joden en Palestijnen sinds 1880”. Daar zijn niet-Joods Amerikaanse landbouwdeskundigen aan het woord die ter plekke gewerkt hebben.

Maar het stevigste houvast in deze kwestie, en niet alleen deze kwestie, is een website getiteld “Middle East Piece”, gerund door een zekere Mark Lewis, die op essentiële punten in die verpropagandiseerde “geschiedschrijving” rond Palestina het degelijke onderzoekswerk heeft gedaan. Die essentiële punten zijn: landonteigening, verdrijving, demografie, vluchtelingen, “Apartheid” en Deir Yassin.

Over Mark Lewis heb ik niet méér kunnen vinden dan wat hij over zichzelf vertelt, namelijk dit:

“Mijn naam is Mark Lewis en ik ben de enige onderzoeker/schrijver voor Middle East Piece. Ik bestudeer al meer dan tien jaar het Arabisch-Israëlische conflict, het Midden-Oosten en de islamitische religie. Ik heb een masterdiploma in National Security Studies met een concentratie in het Midden-Oosten en ben momenteel werkzaam als Cyber Security Engineer in het metrogebied van Washington DC.”

En:

“Veel van de informatie die ik verstrek, is, wanneer je er genoeg tijd aan besteedt, online te vinden, maar een aanzienlijk deel komt uit de honderden boeken, tijdschriften en rapporten waarmee ik me bezig heb gehouden in een poging om deze kwesties tot op de bodem uit te zoeken.”

Hij heeft wijze woorden aangaande al die “kwesties” inzake “Palestina”:

De geschiedschrijving van het Arabisch-Israëlische conflict is ( . . .) door de politiek gegijzeld. De massa’s aan literatuur die over dit conflict zijn geschreven, illustreren veeleer een ideologische oorlog die op boekenplanken wordt gevoerd dan een accurate weergave van historische gebeurtenissen in Palestina. Elke hedendaagse component van dit conflict heeft wortels in gebeurtenissen die zich meer dan 100 jaar geleden begonnen te ontvouwen. De omvang en complexiteit van de strijd is door de jaren heen geëvolueerd, maar elk twistpunt leidt onvermijdelijk terug naar een kern van grieven waarnaar wordt verwezen alsof ze gisteren zijn gebeurd. Bij een oplossing van dit conflict kan het verleden niet genegeerd worden en als dat verleden dermate instrumenteel is bij het bepalen van de toekomst, is het van vitaal belang om dat verleden correct in beeld te krijgen. Geen van beide partijen zal meewerken aan een oplossing van het conflict als die oplossing is gebaseerd op aantoonbare leugens.Deze website is het resultaat van een jarenlange studie van dit conflict. Het is bedoeld om te dienen als een verzameling citaten en feiten met betrekking tot belangrijke kwesties van het Arabisch-Israëlische conflict ( . . .).“

Ik heb maar één probleem met deze beschrijving: de Arabisch-islamitische partij in dit conflict lééft van leugens, het is een cultuur die onder invloed van Allah, immers de “grootste listensmid”, de “taqiyya”, het liegen om de ongelovige te misleiden tot iets heeft gemaakt wat genetisch in de islamitische cultuur is gaan zitten. “Het mooiste is”, zei Arabist Hans Jansen me ooit, “dat ze het zelf geloven”. En daartoe vertelde hij de volgende anekdote. Hassan ligt ‘s middags onder een boom in de schaduw te slapen, als kinderen hem komen storen met hun luidruchtig spel. Hassan verzint een list en roept tegen de kinderen: “Waarom gaan jullie niet naar de vijgenboomgaard van Ali, aan de andere kant van het dorp, want daar is het vandaag gratis vijgen eten!” De kinderen gaan op weg en Hassan vervolgt zijn dutje, maar staat na enige tijd weer op en zegt tegen zichzelf: “Wat lig ik hier toch te slapen, terwijl het gratis vijgen eten is in de boomgaard van Ali!” Lewis zegt ergens dat hij de islam heeft bestudeerd, maar dat is dan, voorzover ik kan beoordelen, met te weinig vrucht gebeurd.

Dat is ook te merken in zijn voor de rest voortreffelijke analyse van de vraag of de zionisten in de periode vóór de oorlog van 1948 Arabische boertjes van hun land verdreven hebben en Palestina in de ellende hebben gestort. Zijn onderbouwde antwoord is duidelijk nee, maar even duidelijk slaat hij de factor “islam” als oorzaak van de terreur over en spreekt hij alleen van nationalisme en etnicisme. Ik vind dat onbegrijpelijk. Ik citeer Lewis:

“Er brak geen conflict uit tussen Arabieren onderling toen door [Arabische] afpersing, [Arabische] economische onderdrukking, diefstal van land door Bedoeïenen en bedrog door de stedelijke Arabisch elite het eigendom van de Palestijnse plattelandsbevolking werd weggenomen. De Ottomaanse regering was medeplichtig aan de onteigening en deed er niets tegen. Er werd geen compensatie betaald aan Arabieren [kleine boeren] die van land waren getrapt waarop ze generaties lang hadden geleefd en gewerkt door effendi-Arabieren die land verzamelden om hun sociaaleconomische status op te vijzelen. Normaal gesproken had het conflict — als het echt voortkwam uit onrecht — in alle opzichten in volle gang moeten zijn toen Joden in Palestina aankwamen.

Het zionisme kwam naar Palestina en betaalde de hoogste prijs voor land, in dollars. zionistische kopers onderhandelden rechtstreeks met Arabische pachtboeren op het land en bereikten wederzijds voordelige overeenkomsten om de bouwgrond te verlaten. Een overweldigende meerderheid van de Arabische boeren verliet vrijwillig het land voor geld en werd niet met geweld ontworteld en verdreven.Een ongekend aantal wetten en verordeningen werd aangenomen om de onteigende of landloze Arabieren op alle denkbare manieren bij te staan.Een uitgebreid vangnet werd door de regering gehangen onder de Palestijnse onteigenden, waardoor ongemak bij de armen méér dan werd voorkomen. Op het hoogtepunt van de overheidsbescherming gingen de rechten van de Arabische legale huurders en illegale bewerkers zelfs boven die van de rechtmatige eigenaar, en het netto-effect van het zionisme in Palestina was een drastische verbetering van de levensstandaard van de Arabische gemeenschap.

Dit betekent echter niet dat de Arabieren niet vrij waren om nationalisme en raciale zuiverheid in Palestina te kiezen ten nadele van zichzelf. Als nationalistisch-etnische zorgen groter waren dan die voor een betere economie, betere gezondheidszorg, beter onderwijs, betere productiviteit en een in het algemeen betere levensstandaard, dan hadden ze ruimschoots het recht om het eerste prioriteit te geven boven het laatste.”

Aldus Lewis. Hij citeert vervolgens luitenant-kolonel Sir Arnold Wilson die op 20 juli 1939 in het Engelse Lagerhuis de Arabische zaak bepleitte. Wilson deed geen poging om het materiële voordeel dat de Arabische inwoners van Palestina van de Joodse immigratie hadden te ontkennen. Maar hij voegde er dit aan toe:

“Ik heb lang genoeg tussen Perzen en Arabieren geleefd om te weten dat ze zich niet uitsluitend bezighouden met materiële voordelen ( . . .) Nationalisme is een groeiende kracht, met zowel goede als slechte kanten. Er is geen enkele mogelijkheid dat de Arabieren, als troost voor het verlies van hun vaderland, nog een paar bioscopen en nog een paar tandartsen en twee paar schoenen aanvaarden waar ze voorheen één of geen hadden. Er is geen oplossing via die weg ( . . .).”

Lewis concludeert:

“Het was dit beginnende nationalisme dat broeide onder Palestijnse Arabieren dat het beste de reden verklaart waarom het conflict uitbrak. Het was niet dat zionisten Palestina onrecht brachten, maar dat een niet-Arabisch nationalisme wortel schoot. De verontwaardiging van de politieke klasse van Palestijnse Arabieren over onteigening en landloze Arabieren was helemaal niet omdat ze bezorgd waren over de boeren: het was gewoon een politieke strijdkreet om oppositie te genereren. Als de meest uitgesproken critici van de zionistische landaankoop überhaupt oprecht waren geweest in hun zorgen, zouden ze niet hebben deelgenomen aan de verkoop van land aan zionisten. Laten we dus niet doorgaan met de vermoeiende, generaliserende bewering dat het zionisme Palestina ontwrichtte en zijn Arabieren onteigende, wetende dat dit niets meer was dan een politieke manoeuvre ( . . .).”

Mijn tweede houvast, naast Mark Lewis is The Jewish Virtual Library en met name medewerker Mitchell Bard die een aparte wetenschap heeft gemaakt van het weerleggen van lasterlijke leugens over Israël via zijn Myths & Facts. Ik citeer zijn “Myth” met de titel “De traditionele positie van de Arabieren in Palestina werd in gevaar gebracht door Joodse vestiging”. Waarna hij vertelt wat er “Fact” is. Ik citeer en vertaal Mitchell Bard, zonder de voetnoten, maar wel met de links erin:

“Eeuwenlang was Palestina een dunbevolkt, slecht gecultiveerd, algemeen verwaarloosd en uitgestrekt gebied van geërodeerde heuvels, zandwoestijnen en malariamoerassen. Nog in 1880 meldde de Amerikaanse consul in Jeruzalem dat in het gebied de historische achteruitgang voortging. ‘De bevolking en de rijkdom van Palestina zijn de afgelopen veertig jaar niet toegenomen’, zei hij.”

Het ‘Rapport van de Palestijnse Koninklijke Commissie’ citeert een verslag van de Maritieme Vlakte in 1913:

‘De weg die van Gaza naar het noorden leidde was slechts een zomerspoor, geschikt voor vervoer met kamelen en karren ( . . .) er waren geen sinaasappelboomgaarden, boomgaarden of wijngaarden te zien totdat men [het Joodse dorp] Yabna [Yavne] bereikte ( . . .) Huizen waren allemaal van modder. Er waren nergens ramen te zien ( . . .) De gebruikte ploegen waren van hout ( . . .) De opbrengsten waren erg slecht ( . . .) De sanitaire omstandigheden in het dorp waren vreselijk. Scholen bestonden niet ( . . .) Het westelijke deel, richting zee, was bijna een woestijn ( . . .) De schaarse dorpen in dit gebied waren dunbevolkt. Veel ruïnes van dorpen lagen verspreid over het gebied, omdat door het vele voorkomen van malaria veel dorpen door hun inwoners waren verlaten.’

Lewis French, de Britse Directeur Ontwikkeling, schreef over Palestina:

‘We constateerden dat het bewoond werd door fellahin die in modderhutten woonden en zwaar leden aan de heersende malaria ( . . .) Grote gebieden ( . . .) waren onbebouwd ( . . .) De fellahin, als ze zelf geen veedieven waren, stonden altijd klaar om veedieven en andere criminelen een schuilplaats te bieden. De individuele percelen ( . . . ) wisselden jaarlijks van eigenaar. Er was weinig openbare veiligheid en het lot van de fellahin bestond uit een afwisseling van plundering en chantage door hun buren, de Bedoeïenen.’

Verrassend genoeg geloofden veel mensen die niet sympathiek stonden tegenover de zionistische zaak dat de joden de toestand van de Palestijnse Arabieren zouden verbeteren. Zo schreef Dawood Barakat, redacteur van de Egyptische krant Al-Ahram:

‘Het is absoluut noodzakelijk dat er overeenstemming wordt bereikt tussen de zionisten en de Arabieren, omdat een woordenoorlog alleen maar kwaad kan doen. De zionisten zijn nodig voor het land. Het geld dat ze meebrengen, hun kennis en intelligentie, en de hen kenmerkende ijver, zullen ongetwijfeld bijdragen tot het herstel van het land.’

Zelfs een vooraanstaande Arabische nationalist geloofde dat de terugkeer van de Joden naar hun vaderland het land nieuw leven in zou blazen. Volgens Sherif Hussein, de bewaker van de islamitische heilige plaatsen in Arabië:

‘De hulpbronnen van het land bestaan uit nog maagdelijke gronden en ze zullen worden ontwikkeld door de Joodse immigranten. Een van de meest verbazingwekkende dingen tot voor kort was dat de Palestijn zijn land verliet en in alle richtingen over de zeeën zwierf. Zijn geboortegrond kon hem niet meer vasthouden, hoewel zijn voorouders er al 1000 jaar hadden gewoond. Tegelijkertijd hebben we de Joden uit het buitenland naar Palestina zien stromen vanuit Rusland, Duitsland, Oostenrijk, Spanje, Amerika. De oorzaak der oorzaken daarvan kon niet ontsnappen aan degenen met de gave van dieper inzicht. Ze wisten dat het land voor zijn oorspronkelijke zonen ( . . .) ondanks al hun verschillen, een heilig en geliefd vaderland was. De terugkeer van deze ballingen ( . . .) naar hun vaderland zal blijken in materieel en geestelijk opzicht een school-van-ervaring te zijn voor hun broeders die bij hen zijn in de velden, fabrieken, ambachten en in alles wat met zwoegen en arbeid te maken heeft.’

Zoals Hussein voorzag, ontstond er pas een heropleving van Palestina en een groei van de bevolking nadat de Joden massaal waren teruggekeerd.

Mark Twain, die Palestina bezocht in 1867, beschreef het als:

‘ ( . . .) een verlaten land waarvan de grond rijk genoeg is, maar geheel aan onkruid ten onder is gegaan – een stille, treurige uitgestrektheid ( . . .) Er heerst hier een verlatenheid die zelfs de verbeelding niet kan versieren met de pracht van leven en actie ( . . .) We zagen geen mens op de hele route ( . . .) Er was nauwelijks ergens een boom of struik. Zelfs de olijf en de cactus, die snelle vrienden van de waardeloze grond, hadden het land bijna verlaten.’ “

Tot zover dit lange citaat van Mitchell Bard. Ik heb voorts de kwesties van demografie & grondbewerking bestudeerd via een alleraardigst literatuuroverzicht op Wikipedia: “Demographics of the Palestinian territories”. Daar leren we inzake grondbewerking dat in de 19e eeuw Palestina weliswaar voor misschien wel 90% woest en ledig was, maar dat er bepaalde streken waren waar de landbouw wél ontwikkeld was. Dat mag zo zijn, maar mij zijn geen verhalen bekend van Joden die Palestijnse Arabieren uit die vruchtbare streken hebben verdreven en het land hebben gestolen. Misschien hebben ze ooit incidenteel zo’n vruchtbaar stuk voor veel te veel geld gekocht van de Turkse of Syrische, feodale en absenteïstische landheer, maar de gangbare praktijk was dat de Joden een onmogelijk dor stuk land kochten met eventueel nog een malariamuggenmoeras erin en dat dan tot bloei brachten.

Ik denk dat de kwestie tenslotte vrij simpel is, want alleen al uit de ontwikkeling van de bevolkingsaantallen kan men concluderen dat de komst van de Joden naar Palestina een zegen voor de aldaar wonende Arabieren was. Want oftewel de Arabieren waren zich ineens geweldig aan het voortplanten oftewel is er tussen 1920 en 1948 een enorme instroom van Arabieren geweest. Misschien wel beide. In elk geval ging hun aantal van ongeveer zevenhonderdduizend naar ongeveer twee miljoen in nog geen 30 jaar. Mijn natte vinger en nekharen zeggen: er is een geweldige instroom geweest en dus waren die Arabieren in Palestina grotendeels net zulke nieuwkomers als de Joden. Daarom is het idee dat de “Palestijnse vluchtelingen” allemaal echte, authentieke oerbewoners zouden zijn van Palestina, niets dan kwaadaardige propaganda.

Ziehier de cijfers (a): in 1920 meldde de Volkenbond (Interim Report on the Civil Administration of Palestine) dat er niet meer dan 700.000 (zevenhonderdduizend) mensen in Palestina woonden: “Het land is onderbevolkt door dit gebrek aan ontwikkeling. Er zijn nu in heel Palestina nauwelijks 700.000 mensen, een bevolking veel minder dan die van alleen al de provincie Galilea in de tijd van Christus. “
Ziehier de cijfers (b): in 1948, dus in nog geen 30 jaar tijd, was het bevolkingsaantal volgens een VN-rapport (UNSCOP) gestegen naar 1.900.000 (bijna twee miljoen dus), waarvan 68% Arabieren en 32% Joden. De Jewish Virtual Library geeft 1.970.000 voor het jaar 1947.

Vandaar de grote vraag: wat had het kunnen betekenen als niet Amin-al Husseini, de Moefti van Jeruzalem — over hem verderop veel meer! — met Koran en Soenna in de hand vanaf 1920 haat had gepredikt en terreur had georganiseerd zowel tegen Joden als goedwillende Arabieren?

(Tussen haakjes en vooruitlopend op de geschiedenis: datzelfde verschijnsel van welvaartsgroei voor Palestijnse Arabieren deed zich nóg een keer voor na Israëls overwinning in juni 1967 in de door de Arabieren begonnen Zesdaagse Oorlog. Israël werd toen, door de weigering van de Arabieren om ueberhaupt te onderhandelen – het drie keer nee van Khartoemgedwongen het bestuur van Samaria-Judea (“de Westbank”) op zich te nemen. Vrijwel meteen ontstond er meer welvaart en dynamiek, waardoor Arabieren uit vooral Jordanië naar “de bezette gebieden” trokken. Dat was mogelijk door het “open bruggen beleid” richting Jordanië dat Israël aanvankelijk voerde en dat mogelijk bleef zolang de terroriserende Palmaffia’s nog geen greep hadden kunnen krijgen op de bevolking en Israël overal het bewind voerde.)

4) De historische en morele rechten van de Joden in Palestina geformaliseerd in het Verdrag van San Remo: april 1920

Na en door de afloop van de Eerste Wereldoorlog kreeg de Joodse migratie naar Palestina een beslissende impuls. Het verhaal begint bij de Balfourverklaring van 1917. Dat essentiële document bij het ontstaan van Israël kwam tot stand in onderhandelingen tussen de zionistische leider Chaim Weizmann en de Engelse minister van Buitenlandse Zaken Arthur Balfour. Op 31 oktober 1917 stemde het Engelse kabinet in met de voorgestelde tekst ten gunste van een Joods nationaal tehuis in Palestina, een tekst die gepubliceerd werd op 2 november daaraanvolgend, direct na de Britse overwinning op de Turkse troepen in de derde slag om Gaza.

Balfour had, behalve Joodlievende, vooral opportunistisch-strategische overwegingen. Hij meende dat een Engelse pro-zionistische verklaring via de “nationale” Joodse lobbies in Rusland en Amerika de Russen in de oorlog zou houden en de Amerikanen aan zou moedigen zich in de strijd te mengen. En een tweede paard om op te wedden behalve de Arabieren was altijd handig in verband met de kwetsbaarheid van het Suezkanaal. Balfour wenste voorts de Duitse pogingen te verijdelen om de zionistische beweging voor zich te winnen.

Het Ottomaanse rijk, dat aan de kant van Duitsland-Oostenrijk-Hongarije had gevochten, behoorde dus tot de verliezers en werd opgedeeld. Bij de conferentie van San Remo van april 1920 verstrekte de Volkenbond aan de Britten de opdracht om in Palestina een Joods nationaal tehuis te stichten. Palestina besloeg toen het gebied van het huidige Israël plus het gebied ten westen van de Jordaan dat al eeuwen Samaria-Judea heette (“de Westbank”) plus het hele gebied ten oosten van de Jordaan dat nu Jordanië heet (en indertijd Trans-Jordanië) plus Gaza plus de Golan-hoogte. De Britten gingen het bestuur over dit gebied dus voeren met een mandaat van de Volkenbond.

Vanaf die tijd spreekt men van het Britse Mandaat. Er wordt door Israëlhaters wel eens gezegd dat die Volkenbond een club van koloniale imperialisten was, die toevallig de Eerste Wereldoorlog had gewonnen, maar het was op dat moment het fatsoenlijkste wat de wereld te bieden had en in elk geval een stuk fatsoenlijker dan de huidige Verenigde Naties die sinds de jaren 1970 steeds meer in een club van misdadiger-staten zijn veranderd en inmiddels een speelbal zijn geworden van een hechte maffia van 56 islamitische staten, verenigd in de OIC, de Organisation of the Islamic Cooperation. Israelhaters kennen met hetzelfde gemak als waarmee zij het gezag en de wettigheid van de Volkenbond verwerpen, een geweldig moreel gezag toe aan de door de OIC overheerste Algemene Vergadering van de VN.

Je kunt cynisch over dat Mandaat doen en uiteraard waren er Franse en Engelse strategische overwegingen en oliebelangen in het spel — het Suezkanaal! — maar de Volkenbond was direct na de Eerste Wereldoorlog wel het humaanste en legitiemste dat de wereld op dat moment te bieden had. President Woodrow Wilson van Amerika heeft misschien te weinig invloed op de conferentie van San Remo kunnen uitoefenen, maar zijn slogan voor die bijeenkomst was “Make the world safe for Democracy”. Dat tekent de geest waarin met de erfenis van de Ottomaanse Turken werd omgegaan.

Die Conferentie van San Remo van april 1920 besloot dus dat er zogenaamde mandaatgebieden zouden komen. “Mandaat”, het woord zegt het al: er werd gezag verleend maar ook een opdracht. De Fransen kregen als mandaatgebieden Syrië en Libanon. De Engelsen kregen, als gezegd, Palestina plus Trans-Jordanië en tevens Irak. De opdracht aan de Engelsen was heel duidelijk: de stichting in dat mandaatgebied van een Joods nationaal tehuis. Waarbij expliciet werd gesteld dat dit tehuis ook Joden van buiten het gebied welkom moest heten en dat de rechten van de al aanwezige bevolking in acht moesten worden genomen. Dat laatste is ook gebeurd: wat door Joden aan land werd verworven, werd altijd dik betaald. Vóór 1948 werd geen enkele Arabier van zijn land verdreven en ná 1948 alleen vanwege de oorlog die door de Arabische landen en de Moefti was begonnen. Dat verdrijven gebeurde dan bovendien nog slechts incidenteel uit puur militaire overwegingen: de optrekkende Joodse troepen konden geen vijandige bevolking in hun rug achterlaten.

Een van de eerste daden van de Engelsen bij het ingaan van het mandaat was om 70% van het gebied ontoegankelijk te maken voor de Joden door het weg te geven aan ene koning Abdullah. In 1922 kregen ze daar de toestemming van de Volkenbond voor. Deze Abdullah was door de zogenaamde Wahabitische revolutie, die in Saoedi-Arabië het huis van de Saoeds aan de macht had gebracht, zijn functie van beheerder van de Kaaba in Mekka kwijt geraakt. Diezelfde Abdullah had, tegen forse betaling, de Engelsen af en toe geholpen tegen de Ottomanen en de Engelsen vonden dat deze feodale roverhoofdman met een enorm gebied beloond moest worden.

Zeventig procent van het mandaatgebied! Dat wil zeggen: het hele tegenwoordige Jordanië. Er vallen hier dus alvast twee dingen op te merken: dat de Joden meteen zéér fors benadeeld werden, maar ook dat Samaria-Judea (“de Westbank”), en Gaza en de Golan-hoogte tot het vestigingsgebied van de Joden bleven behoren volgens het verdrag van San Remo.

In de controverse rond de “bezette gebieden” is dit het belangrijkste feit: tot op de dag van vandaag geldt het Verdrag van San Remo van april 1920 nog steeds en vanwege dat verdrag alléén al — nog afgezien dus van de versterking van dat recht door het oorlogsrecht: 1948, 1967, 1973 — zijn de Joden honderd procent gerechtigd zich te vestigen in het gebied, waarin de Joden al millennia woonden, dat al die tijd Samaria-Judea heette en door de linkse collaboratie-propaganda nu bekend staat als “de Westbank”. Het was zeer terecht dat San Remo de Joden rechten gaf in Palestina. Ten eerste omdat de Joden al sinds mensenheugenis in het gebied woonden (waar je maar een gat graaft vind je de archeologisch bewijzen van die aanwezigheid) en ten tweede omdat de Joden sinds 1880 met succes een humane samenleving bouwden die alle bewoners, dus ook de Arabieren, zeer ten goede kwam. Er werd absoluut niemand benadeeld door de komst van de Joden. Nou ja: reactionaire islamisten als Amin-al Husseini, de latere Moefti van Jeruzalem. Want die bezagen met haat de dynamiek, welvaart en humaniteit die de Joden brachten.

Overigens is het een misverstand dat Israël-als-geheel-en-als-zodanig door San Remo-plus-oorlogsrecht recht van bestaan zou hebben: Israël heeft recht van bestaan doordat het zichzelf als staat heeft uitgeroepen en in staat bleek het grondgebied te verdedigen en te besturen. Is het zo simpel? Ja, zo eenvoudig is het in het internationale recht. Zie daarvoor het hoofdstuk “Verenigde Naties, Israël, Internationaal Recht”.

5) De in San Remo geformaliseerde historische en morele rechten van de Joden in Palestina versterkt door het oorlogsrecht

a) 1920-1945: Moefti-terreur en samenwerking met Hitler

De moordpartijen die de Arabieren ondernamen, versterkten al vanaf de jaren 1920 de toch al moreel en juridisch onaanvechtbare positie van de Joden in Palestina. Al onder het militaire bestuur van de Engelsen, dus nog voor het Mandaat in 1920 werd toegekend en in 1922 inging, vielen Bedoeïenen in 1919 Joodse kolonisten in Galilea aan. Van januari tot maart 1920 vielen er acht doden bij Arabische overvallen op Tel Chai, (Tel Hai) in Noord-Palestina.

Daaraanvolgend, in mei 1920, in Jeruzalem bij de zogenaamde Nebi Musa-rellen, vielen vijf doden, 216 gewonden en 18 zwaargewonden. De Arabieren in de stad plunderden onder hevig geweld de Joodse wijken. Een van de voornaamste agitatoren was ene Amin al-Husseini, de latere Moefti, die vanaf het balkon van de Arabische club de menigte ophitste. Het Arabische gepeupel scandeerde “Palestina is ons land, de Joden zijn onze honden!” en “De regering staat aan onze kant!” Inderdaad waren er hoogstwaarschijnlijk niet toevallig geen Britse troepen in de stad. Want hoezeer de Britten de Joden van dienst wilden zijn, vooral de Arabieren wilden ze aan hun zijde houden, vanwege de olie en het strategisch belang van het Suezkanaal. De overweging uit de oorlog, namelijk de Joodse lobbies in Rusland en Amerika te vriend houden, was weggevallen. Niettemin werd al-Husseini door een Britse militaire rechtbank veroordeeld tot tien jaar gevangenisstraf wegens opruiing.

In het volgende jaar, in 1921 vonden nieuwe gewelddaden tegen Joden plaats, omdat onder Arabieren bezwaren leefden tegen het feit dat de door de Engelsen aangestelde Hoge Commisssaris Herbert Samuel een Jood was. Startpunt was Jaffa, waar het gepeupel op 1 mei 1921 Joodse winkels en instellingen aanviel. Doel was vooral een immigranten-opvangcentrum, waarin zowel mannen als vrouwen logeerden en om die reden als poel der zonden werd beschouwd. De Arabische politiemannen keken toe, terwijl men zelfs kinderen doodde en van menig slachtoffer de schedel werd gespleten. In de dagen tot 7 mei 1921 werden 47 Joden en 48 Arabieren gedood. (Arabieren werden steeds bijna zonder uitzondering gedood vanwege of onder het plegen van terreurdaden door Britse politieagenten of militairen.) De Joden ontvluchtten nu Jaffa, naar een voorstad van Jaffa, Tel-Aviv.

Het is lang een raadsel geweest waarom de pas aangetreden Britse hoge commissaris in Palestina, de liberaal Herbert Samuel – Joods en pro-zionistisch! – deze Amin al-Husseini, die nog geen 25 jaar oud was, op 10 mei 1921 tot Grootmoefti van Jeruzalem benoemde. Inmiddels is dat raadsel minder groot: toen al-Husseini inzag dat het panislamisme van de Ottomanen kansloos was en dat Turkije de oorlog ging verliezen, koos hij al vanaf 1917 de kant van het Arabische nationalisme dat destijds door de Engelsen werd gesteund om de Ottomanen te ondermijnen. In dat kader werkte al-Husseini als een spion voor de Engelsen! Samuel hield al-Husseini, zei hij, voor een “gematigd man”. Dit dus ondanks zijn grote aandeel in de terreur van 1920 in Jeruzalem. Als Moefti bekleedde Amin al-Husseini het hoogste islamitische geestelijke ambt. Hij kreeg daarmee de machtspositie om de islam geheel in dienst van zijn Jodenhaat te stellen. Het instrument van de “fatwa”, de bindende religieuze uitspraak, maakte hem tot beslisser in alle rechtskundige aangelegenheden, privé of publiek.

De aanstelling van al-Husseini is misschien wel de grootste inschattingsfout van de Engelsen geweest, want ook als Moefti hield hij niet op om met Koran en Soenna in de hand een jihadistische terreurcampagne te voeren, niet alleen tegen de Joden, maar ook tegen die Arabieren die samenwerkten met de Joden, dus tegen die Palestijnse Arabieren die inzagen dat de Joden welvaart brachten. Al-Husseini zorgde voor een steeds dwingender opleggen van de sharia, het instellen van sharia-rechtbanken en verkondigde Jodenhaat als plicht van alle moslims. Die terreur bestond concreet uit steeds meer moorden óp en geweld tégen Joden alsmede zogenaamde “collaborateurs” uit eigen islamitische kring. Het is een methode die nog steeds volop wordt toegepast door de Palmaffia’s van Abbas en Hamas en is in feite zo ingeburgerd dat geen mens het meer in zijn hoofd haalt vrede met Israël voor te stellen.

Op 2 november 1921 trok Arabisch gepeupel opnieuw plunderend en geweld plegend door de oude Joodse wijk van Jeruzalem ter gelegenheid van de verjaardag van de Balfour-declaratie van 1917. Vijf Joden en drie Arabieren werden gedood, de laatsten door dynamiet aangebracht voor Joodse zelfverdediging. Engeland durfde de schuld aan de moordpartijen niet eenduidig te leggen waar zij thuishoorde, namelijk bij de Arabieren, omdat ze, zoals gezegd, op de landbrug en rond de waterweg (het Suezkanaal) naar India zaten, een belangrijk stuk “empire”. Voorts maakten de Engelse media zich erg veel zorgen om de financiën: wat kostte dat allemaal, die problemen met die Joden?

Al op 23 september 1922, dat is dus twee maanden na het verkrijgen door Engeland van de mandaats-opdracht (24 juli 1922 ) stemde de Volkenbond in met een Brits voorstel tot wijziging van het mandaat, namelijk om het gebied ten oosten van de Jordaan, Trans-Jordanië geheten en omvattende het hele huidige Jordanië, uit te sluiten van Joodse vestiging. De Britten hadden het in die twee maanden namelijk al verkwanseld aan Abdullah bin al-Husseini (1882 – 1951), Sherif van Mekka. Dat betekende een onmiddellijke immigratiestop voor Joden voor twee-derde van het gebied.

Terwijl dus overduidelijk was waar het geweld vandaan kwam, werd toch na elk “incident” een Britse commissie ingesteld om de oorzaken te verhelderen. De commissies adviseerden steeds hetzelfde middel, zij het in verschillende doseringen: beperking van de Joodse immigratie. De aangevallenen werden dus tot de schuldigen verklaard en het signaal aan de Arabieren was: met geweld tegen de Joden kunnen we de Britten dwingen geen of veel minder Joden toe te laten. Omdat het Britse mandaats-bestuur chantabel bleek, ontwikkelde zich een Arabische strategie die zich ook tegen de Britten richtte.

Na de laatste gewelddadigheden op 2 november 1921 in Jeruzalem bleef het relatief rustig tot 1929. In dat jaar ging het om bewust door de Arabische “elite” opgewekte spanningen bij de Klaagmuur, de heiligste plek voor de Joden en de op twee na heiligste plek voor de Arabieren. De aanvankelijke aanleiding was een draagbare en dus tijdelijke scheidingswand geplaatst tussen biddende Joodse vrouwen en Joodse mannen. Dat was de Arabische moslims teveel en de Britten verwijderden het wandje. Dat was in september 1928. In de maanden daarna bleef de spanning oplopen door de agitatie van de Moefti. In augustus 1929 kwam het weer tot een uitbarsting bij de Klaagmuur uitsluitend door provocaties in opdracht van de Moefti. Wim Kortenoeven, “De Kern van de Zaak”, citeert en vertaalt uit het opstel van Ze’ev Aner, “The Events of 1929” in de verzamelbundel “The Western Wall“:

“De Moefti gaf opdracht een van de muren nabij de Westmuur te repareren en liet een doorgang creëren die vanaf de Tempelberg direct in de [Joodse] gebedsruimte bij de Muur uitkwam. Daarna liepen dagelijks ezels door de gebedsruimte en verstoorden de Joodse gelovigen. Daarna begonnen de moslims in dezelfde buurt verschillende grote bouwprojecten, als gevolg waarvan de Joodse toegang tot de Muur werd bemoeilijkt en de gelovigen op die plaats nog meer hinder gingen ondervinden. Bovenop dat alles begon men in de aangrenzende Mograbiwijk wilde en luidruchtige ceremonies te organiseren, met de bedoeling de bij de Muur biddende Joden te storen en hen te provoceren.”

In de dagen daarna, dus begin augustus 1929, verspreidde al-Husseini het gerucht dat de Joden van plan waren de al-Aqsa-moskee, die bij de Klaagmuur staat, te vernielen om hun tempel op die plek te bouwen. Op 16 augustus 1929, de geboortedag van de Profeet Mohammed, werden de moslims tijdens het vrijdaggebed opgeroepen de “heilige plekken” tegen de Joden te gaan verdedigen want dat Joden bezig waren Arabieren af te slachten. Onder de parolen “Allahu-akbar”,De muur is van ons” en “Vermoord de Joden” stroomden zo’n 2000 man naar de Klaagmuur alwaar biddende Joden in elkaar werden geslagen en Thora-rollen verbrand. Op 23 augustus 1929 kwamen duizenden Arabische boeren, bewapend met messen en knuppels, naar Jeruzalem en vielen in de hele stad Joden aan. Diezelfde middag bereikte het gerucht dat Joden in Jeruzalem Arabieren aan het afslachten waren, ook Hebron.

Dat waren allemaal verzinsels, maar wat in dat jaar 1929 volgde in Hebron was geen verzinsel, namelijk een massamoord. Zeven-en-zestig Joden werden gedood, onder wie vrouwen en kinderen. De gruwelijke details vindt u bij Wim Kortenoeven in het bovenvermelde boek op de pagina’s 186-187, welke pagina’s verderop in hoofdstuk 13 “Chris van der Heijden: Israëlkritiek als psychotherapie” worden gereproduceerd.

Alan Dershowitz tekent in zijn “The Case for Israël” de volgende getuigenis op van de Engelse politiechef van Hebron over deze door de Moefti ontketende pogrom in Hebron:

“Bij het horen van gegil in een kamer, ging ik door een soort van tunneldoorgang en zag een Arabier bezig met het afsnijden van het hoofd van een kind met een zwaard. Hij had het kind al getroffen en wilde opnieuw toeslaan, maar toen hij mij zag probeerde hij de slag op mij te richten, maar miste. Hij stond bijna tegen de loop van mijn geweer aan en ik schoot hem laag in zijn kruis. Achter hem bevond zich een Joodse vrouw gesmoord in bloed met een man die ik herkende als een [Arabische] politieagent genaamd Issa Sheriff uit Jaffa in Mufti. Hij stond boven de vrouw met een dolk in zijn hand. Hij zag me en snelde een aangrenzende kamer in en probeerde me buiten te sluiten, terwijl hij schreeuwde in het Arabisch: ‘Edelachtbare, ik ben een politieagent.’ Ik ging de kamer binnen en schoot hem neer.” (6)

Ook in Jeruzalem waren er gewelddadigheden en die verspreidden zich vervolgens over het hele land. Zes kibboetsen werden volledig verwoest. Arabieren probeerden ook Tel Aviv, toen nog een autonome kleine Joodse voorstad van Jaffa, te overvallen. Op 30 augustus 1929 werden 20 Joden vermoord in Safed.

Het idee van vreedzaam naast elkaar leven bleek vanaf 1929 definitief een illusie. Moefti Amin al-Husseini werd veroordeeld voor zijn rol in de moorddadige rellen. Staande voor een Britse onderzoekscommissie vergeleek de Moefti het Britse Lagerhuis met “een Raad van de Wijzen van Zion”, openlijk refererend dus aan de vervalsing van de tsaristische geheime politie.

Het internationale communisme zag overigens bij monde van de Komintern best veel revolutionairs in de religieus geïnspireerde moordpartijen. Wat dat betreft is het progressieve gedachtegoed bij het begin van deze 21ste eeuw niet veel veranderd. De Komintern constateerde “dat het religieuze nationale conflict omslaat in een algemene, anti-imperialistische boerenactie” en eiste arabisering van de kleine communistische partij in Palestina die gedomineerd werd door Joden. De Joodse minderheid kreeg van de Komintern het etiket van “imperialistische agent van de onderdrukking” opgeplakt. De moordpartijen van de Arabieren werden geduid als fenomenen van een “nationale bevrijdingsbeweging”. Daarmee had al-Husseini een trouwe partner gevonden in de Sovjet-Unie en de communisten inzake Palestina een politiek jargon dat tot in de dagen van Arafat bruikbaar zou blijken.

Op 13 oktober 1933 brak onder Arabieren een algemene staking uit, gericht tegen de immigratie van Joden. Bij de gewelddadige demonstraties werden voor het eerst ook op grotere schaal vuurwapens en dynamiet gebruikt. De Britse politie trad nu beslist op: er werden 27 Arabieren neergeschoten die Britten aangevallen hadden. Januari 1935 gaf al-Husseini, die zoals gezegd het oppergezag in religieuze zaken in Palestina bezat, een “fatwa” uit. Hij beriep zich op de Koran en dreigde met het weigeren van een islamitische begrafenis voor wie land aan Joden verkocht. Kort daarop volgde de stichting van een soort toezichtsorgaan van islamitische “rechtsgeleerden”, de “Centrale Raad ter Bevordering van het Goede en de Verhindering van het Verwerpelijke”. Niet alleen moest die Centrale Raad op de landverkopen letten, maar ook op islamitische kleding, ongeoorloofd samenzijn van mannen en vrouwen, alsook literatuur, film en theater censureren.

In 1935 was een zekere Izz al-din al-Qassam leider van een bende jonge islamitische radicalen. In dat jaar trok hij met zijn groep de bergen in. Nadat hij een Joodse politieman had vermoord werd hij door een Britse patrouille doodgeschoten. Zijn begrafenis groeide uit tot een enorme demonstratie van Arabisch nationalisme en islamisme. Zijn graf werd tot een bedevaartsoord. Vandaag de dag noemt Hamas nog steeds de raketten die deze terreurbeweging in willekeur op Israël afschiet “Qassam-raketten”.

De 25ste april 1936 werd bekend dat alle zes recent gevormde Arabische politieke partijen in Palestina zich hadden aaneengesloten tot een ”Arabisch Hoog Comité” dat opriep tot een algemene staking, met als eisen: directe stop op immigratie van Joden, verbod op landverkoop aan Joden en vorming van een Arabische regering. De staking sloeg snel om in een gewapende opstand over heel Palestina die niet alleen tegen de Joden maar ook tegen de Britten was gericht. Islamitische gezagsdragers, en vooral de Moefti, riepen overal op zich bij de opstand aan te sluiten. Arabische burgermilities beschoten vanaf strategische punten patrouilles, voorbijgangers en auto’s. Britse politiebureaus werden bestormd, telefoon- en telegraafleidingen werden afgesneden, straten en spoorrails door mijnen verwoest. De Arabieren vielen Joodse nederzettingen aan, verwoestten hun velden en plantages, kapten fruitbomen en slachtten het vee af. De boeren-bendes kregen al gauw versterking van guerillero’s uit Syrië en Irak, die onder de rebellenleider Fauzi el-Qawukschi in Palestina actief werden.

Verkoolde resten van autobussen en auto’s, waarin velen door bommen of in de vlammen waren omgekomen, werd een vertrouwd beeld in de straten van de steden van Palestina. Aanslagen, ook met vuurwapens, werden ook op klaarlichte dag gepleegd. Het waren vaak Arabische vrouwen of kinderen die het wapen op het laatste moment aan de aanslagpleger overhandigden en die het ook weer meenamen na gedane arbeid. Kinderen konden gemakkelijk wegkomen en vrouwen, die de geweren onder hun kleren verborgen, durfde de politie niet te fouilleren.

Toen deze “algemene staking” (25 april tot 12 oktober1936) eindigde, waren er honderden doden en meer dan duizend gewonden gevallen. Maar het “Arabisch Hoog Comité” werd niet ontbonden en de positie van de Moefti bleef onaangetast. Van de Arabische politie viel voor de Joden geen enkele bescherming te verwachten, omdat de agenten dan door de terroristen van collaboratie en verraad beschuldigd werden. Het “Arabische Hoog Comité” verklaarde, dat als eenmaal de Engelsen weg zouden zijn “we alle Joden in een enkele stormloop de zee in jagen.” Dat betekende natuurlijk: genocide. Ook al-Husseini persoonlijk maakte in gesprekken met William Robert Peel, voorzitter van de nieuwste onderzoekscommissie die de Britten hadden samengesteld, toespelingen op massamoord. Als zestig miljoen Duitsers de aanwezigheid van 600.000 Joden niet konden verdragen, aldus de Moefti, hoe kon men dan verwachten dat de Palestijnse Arabieren 400.000 Joden in een veel kleiner land wel konden verdragen?

De terreur, die in de loop van 1937 steeds grootschaliger werd en duurde van 1936 tot 1939, heet in de geschiedschrijving eufemistisch de “Grote Arabische Opstand”. Deze terreur-opstand werd mede gefinancierd door nazi-Duitsland waarmee de Moefti nauw samenwerkte.

De gelijkenis tussen de wijze waarop Hitler door terreur en geweld te gebruiken aan de macht kwam en hoe de Moefti dat deed, is treffend. Het is hetzelfde proces. De aanstelling van de Moefti is een poging geweest van de Engelsen de extreme krachten te paaien door hem deze belangrijke post te gunnen. Precies zoals Hitler door Duitse conservatieven werd gepaaid. Met precies dezelfde gevolgen. De Moefti kan zonder meer aanspraak maken op de titel: de Arabische Hitler. Hij zou er buitengewoon trots op zijn geweest, Hitler is in de Arabische wereld tot vandaag een zeer geliefde en bewonderde figuur. Dat is geen toeval en ook niet verbazend: islam en nazisme zijn nauw aan elkaar verwant: beide ideologieën worden gekenmerkt door dezelfde soort tijdloze en universele misdadigheid.

Gezien de woedende terreur besloot de commissie Peel in 1937 dat Arabieren en Joden niet konden integreren en dat er twee aparte staten moesten komen. Probleem was alleen dat er in de geplande Joodse staat naast een kwart miljoen Joden ook een kleine kwart miljoen Arabieren zouden leven. Voorts bevonden zich een heleboel Joodse enclaves in het gedeelte van Palestina dat Arabisch zou worden. Een bevolkings-uitruil werd voorgesteld, maar door de Britten als te rigoureus van de hand gewezen. Het Zionistencongres van 20 augustus 1937 stemde toe, omdat er geen andere keus was. Maar het “Arabisch Hoog Comité” wees het plan totaal af, zeggende dat men niet moest doen alsof er twee partijen met gelijk recht waren in Palestina.

Van 9 tot 10 september 1937 vond een “pan-Arabische conferentie” plaats in het Syrische Bloudan waar nieuw geweld werd aangekondigd en waar gewaarschuwd werd dat de Britten moesten kiezen tussen hun vriendschap voor de Arabieren en voor de Joden, want dat de Arabieren zich anders zouden verbinden met de Duitsers.

Op 26 september 1937 werd Lewis Andrews, een hoge Britse beambte, door Arabieren vermoord. Nu hadden de Engelsen er genoeg van, werd het “Arabisch Hoog Comité” ontbonden en de leiders verbannen. Behalve Moefti Amin al-Husseini die zich in de al-Aqsah-moskee verborg en waar de Britten niet durfden binnendringen. Op 12 oktober 1937 wist de Moefti te vluchten en begon in Libanon nieuwe commandostructuren op te richten. De Fransen lieten hem begaan onder het motto: dat zijn onze zaken niet en het is altijd goed de Engelsen dwars te zitten.

De overeenkomst tussen Chamberlain en Hitler in Oktober 1938, gaf een groot gevoel van teleurstelling bij de Joden in Palestina. De Britse regering neigde, naarmate de Duitse dreiging toenam, ook steeds meer tot appeasement van de Arabieren, die, nogmaals, op de landbrug naar India zaten en een gevaar voor het Suezkanaal konden vormen. Op 7 februari 1939 zei Chamberlain tegen ministers uit zijn kabinet “als we al een bepaalde kant moeten krenken, dan liever de Joden dan de Arabieren.”

In november 1938 kwam een “Witboek” uit van alweer een Engelse onderzoekscommissie, deze keer onder leiding van John Woodhead, waarin het delingsplan van Peel als onuitvoerbaar werd afgewezen. De regering Chamberlain zag vervolgens geen andere mogelijkheid dan, tegen beter weten in, te verklaren dat de vrede alleen bereikt kon worden door een overeenkomst tussen Joden en Arabieren.

Dat was inderdaad een merkwaardige stellingname, want 1938 vormde een nieuw hoogtepunt in de Arabische terreur. De terroristen werden steeds meer baas in het land. Politieposten van de mandaats-regering werden opgeheven omdat het in vele gebieden te gevaarlijk werd. Elke Arabier, van welke stand dan ook, van boer tot koopman tot moslimische geestelijke, die niet precies deed wat de terroristen wilden, liep grote kans vermoord te worden. Dat kon op straat gebeuren, maar men kon ook ontvoerd worden, ook uit de steden en ook op klaarlichte dag, om ergens in de bergen of op het platteland voor een islamitische revolutionaire “rechtbank” gesleept te worden. Lijken die gevonden werden waren meestal verminkt. Uit naburige Arabische landen mengden zich moslim-fanatici bij de terroristen. Er werd voortdurend Joods bouwland en Joodse aanplanting verwoest.

Ondergronds waren sharia-rechtbanken gevormd die beslisten over “fouten” in eigen kring en over het lot van Joodse gegijzelden. De terreur richtte zich niet alleen tegen de Joden en de Britten, maar vooral ook tegen “verraders” uit eigen kring. Tussen 1936 en 1939 werden 547 Joden en 494 Arabieren gedood door Arabische terreur. Wie van de Arabieren tot enig compromis bereid was met de Engelsen of de Joden, dan wel weigerde de terroristen het geld te geven dat ze vroegen, werd bedreigd en vervolgens, bij volharding, gedood. Het is dezelfde dynamiek die vandaag de dag nog steeds valt waar te nemen in Gaza en “op de Westbank”. Een Arabische ambtenaar die voor de Engelse mandaats-macht werkte, werd bijvoorbeeld verplicht tot spioneren. Alle mannen werden door de terroristen verplicht dezelfde hoofdbedekking te gaan dragen als de terroristen zelf, de hoofddoek met hoofdband. De “tarbush”, die omgekeerde grote beker met vaak een kwastje, de dracht van de Arabische stedeling, verdween uit het straatbeeld. Niet alleen islamitische vrouwen, ook christelijke werden gedwongen zich te behoofddoeken en zwaar in de lappen te hullen. Vrouwen die weigerden werden voor “hoer” uitgescholden en een eventuele hoed werd ze van het hoofd getrokken. Terroristenleiders dreigden met straf voor de vrouwen die “volharden in hun lichtzinnigheid”.

Op 15 maart 1939 deed de Britse regering een voorstel aan Arabieren en Joden, dat door beide partijen afgewezen werd. Het was dezelfde dag waarop de nazi’s, die eerst in München (1938) het Sudetenland (“Bohemen en Moravië”) uitgeleverd hadden gekregen, de rest van Tsjechië binnen trokken.

Op 17 mei 1939 publiceerde de Britse regering een “Witboek” van zijn minister van koloniën Malcolm McDonald. De voorgestelde deling in een Palestijnse en Joodse staat, zoals voorzien in het Peel-plan van 1937, was nu definitief van tafel. De opbouw van het “nationale tehuis”, zoals beloofd in de Balfour-declaratie van 1917, werd voor afgesloten verklaard. De komende vijf jaren, zei het witboek, zouden nog slechts 75.000 Joden naar Palestina mogen immigreren. Daarna zou verdere immigratie van Arabische toestemming afhankelijk zijn. De sleutelzin in het witboek luidde, dat de Britse regering niet van plan was Palestina “tegen de wil van de Arabische bevolking van het land in een Joodse staat te veranderen”.

Churchill stemde tegen de aanvaarding van de tekst van het witboek. Voor het eerst werden nu door Joden in Tel-Aviv Engelse vlaggen verbrand. Maar Weizmann had geen keus en schreef dus niettemin op 29 augustus 1939 aan Chamberlain: “De Joden helpen Groot-Brittannië en zullen aan de zijde van de democratieën strijden.”

De Moefti was, na de moord in september 1937 door Arabieren op de hoge Britse beambte Lewis Andrews en de opheffing van het “Arabisch Hoog Comité” gevlucht naar Libanon en ontvluchtte dat land weer in hetzelfde jaar. Na omzwervingen via Irak, Iran en fascistisch Italië slaagde hij er tenslotte in om op 6 november 1941 nazi-Duitsland te bereiken. Hij was zeer welkom bij de nazi’s die hem al goed kenden als toegewijde handlanger en medestrijder. Op 28 november 1941 had hij een gesprek met Hitler.

Inmiddels is duidelijk geworden dat de Moefti een grote en waarschijnlijk beslissende invloed heeft gehad op het definitieve besluit van Hitler om alle Joden te vermoorden en dat te doen via een industriële vergassingsmethode. In mijn opstel met de titel “Gaf de Moefti van Jeruzalem, Amin al-Husseini, de laatste stoot tot Adolf Hitlers Endlösung?” kunt u nalezen hoe dat in zijn werk is gegaan. Ik geef hier de korte en puntsgewijze samenvatting van het betoog in dat opstel:

1) Hitler vond samenwerking met de Moefti — en via hem met de islam en de Arabieren — van het grootste belang, zowel strategisch als ideologisch.
2) Nog eind juli 1941, getuige een brief van Göring aan Heydrich, hield Hitler de mogelijkheid open de Joden uit Duitsland te verdrijven.
3) Toen volgde dat gesprek tussen de Moefti en Hitler op 28 november 1941 waarin de Moefti de eis stelde dat er geen Joden meer naar Palestina zouden komen. De verslagen van dat gesprek reppen met geen woord over massamoord als eindoplossing, maar het is volstrekt ondenkbaar dat het onderwerp niet aan de orde is geweest. Al in januari 1941 had de Moefti per brief laten weten grote bewondering voor de in ontwikkeling zijnde vergassingstechniek van de nazi’s te hebben. Dus staat het voor mij vast dat Hitler, in het besef van de kosmische misdadigheid van de gezamenlijk nazistisch-islamitische plannen, bevolen heeft dat onderwerp te schrappen uit het verslag en dat massale vergassing van de Joden als methode absoluut zeker ter sprake is geweest.
4) Enkele uren (!) na de ontmoering met de Moefti besloot Hitler de Wannsee conferentie van 20 januari 1942 bijeen te roepen waarop officieel werd besloten tot de industriële vergassings-genocide.
5) In mei 1942 — dus zes maanden na dat gesprek tussen de Moefti en Hitler en vijf maanden na de Wannsee conferentie — begonnen de echt serieuze daadwerkelijke proefvergassingen in Sachsenhausen, die moesten leiden tot de industriële vergassings-genocide.
6) In juni 1942 kregen vier hoge Arabieren, onder wie in twee vertegenwoordigers van de Moefti, een rondleiding door Sachsenhausen.
7) Zeer recent is duidelijk geworden dat de Moefti ook zelf minstens één concentratiekamp heeft bezocht, namelijk in 1942. Zie beneden.

MOEFTI IN CONCENTRATIEKAMP

De Moefti van Jeruzalem, Amin al-Husseini, in het concentratiekamp Trebbin bij Berlijn in 1942. Zie voor uitleg het artikel van Wolfgang Schwanitz in “Tablet”. Op de foto zijn te zien vlnr op de voorste rij: Fritz Grobba, Seyss Inquart, de Moefti en Martin Luther die op Himmler lijkt, maar Himmler was kleiner.

Er bestaat een heleboel literatuur over die Moefti en als één ding daaruit duidelijk wordt dan is het dat hij volledig gedreven werd door uitsluitend Jodenhaat. Alles wat hij deed, stond in het teken van zijn ene grote doel: zoveel mogelijk Joden vermoorden. Vanaf zijn aankomst in nazi-Duitsland, waar hij ook Himmler en Eichmann ontmoette, werkte de Moefti vervolgens samen met de nazi-top. Op de Balkan, waar vanwege de eeuwenlange Turks-islamitische agressie veel moslims woonden, richtte de Moefti SS-moslim-divisies op. Hij was erop gebrand gedurende de hele oorlog geen enkele Jood te laten ontsnappen en is zonder enige twijfel verantwoordelijk voor duizenden Joodse doden, waaronder veel kinderen. U kunt dat nalezen bij Mallmann en Cüppers, Halbmond und Hakenkreuz”, vertaald in het Engels onder de titel Nazi Palestine”. Daarin staat een speciaal hoofdstuk over de Moefti en daarin wordt bewezen dat de Moefti meerdere malen zijn persoonlijke invloed bij bijvoorbeeld Eichmann heeft gebruikt om te voorkomen dat er Joden gered zouden worden. Er zou bijvoorbeeld eind 1942 door bemiddeling van het Rode Kruis aan Joodse kinderen uit Slowakije, Polen en Hongarije worden toegestaan om naar Palestina te emigreren in ruil voor het vrijlaten van Duitse gevangenen. De Moefti heeft dat persoonlijk voorkomen. Mallmann en Cüppers leggen zéér veel nadruk op dat feit dat die Moefti gedreven werd door Jodenhaat.

“Talloze notulen van vergaderingen, toespraken, memoranda, brieven en andere verklaringen getuigen ervan dat zijn haat voor de Joden de fundamentele impuls was die hem dreef.” (7)

Vanaf 1942 organiseerde de Moefti in samenwerking met de nazi’s vanuit een voorstadje van Berlijn, Zeesen, radio-uitzendingen vol Jodenhaat, die in het hele Midden-Oosten in alle thee- en koffiehuizen uit de luidsprekers schalden. Als Rommel in de herfst van 1942 had kunnen doorstoten naar Egypte, zouden er mobiele vergassingsinstallaties, bestemd voor massamoord op de Joden in Palestina, die in de haven van Athene klaar stonden, naar Palestina zijn verscheept. Zie: Mallmann en Cüppers, p. 145-46 in de Duitse en p. 123-24 in de Engelse versie. En op de pagina’s 165-66 respectievelijk 140-41 beschrijven dezelfde auteurs hoe de Joden in Palestina leden onder de dreiging:

“De dodelijke bedreiging die in de zomer van 1942 ontstond uit de vernietigende opmars van Rommel enerzijds en de openlijke vijandigheid van de Arabieren anderzijds, werd binnen de jischuw precies geregistreerd. [ jischuw = Joodse gemeenschap in Palestina vóór 1948] Er daalde een gespannen sfeer neer over de Joodse gemeenschappen; de reacties van de mensen vielen echter heel verschillend uit. Velen probeerde zich, met het oog op het naderen van de Duitsers te verbergen in christelijke kloosters; anderen zorgden in het bezit te zijn van cyanide, omdat ze de voorkeur gaven aan zelfmoord boven een leven onder nationaal socialistische bezetting. ( . . .) Een voor de Duitsers werkende agent-provocateur berichtte ( . . .) dat na de inname van Tobroek, alleen al vóór september 1942, 15000 emigranten uit Egypte in Jeruzalem waren aangekomen. Naar zijn zeggen heerste daar een gedrukte en bezorgde stemming. ( . . .) In deze zeer gevaarlijke situatie, waarin de troepen van Rommel nog slechts weinige dagmarsen verwijderd waren en de bevolking bestond uit grotendeels vijandige en tot collaboratie bereid zijnde Arabieren die in afwachting waren van het verschijnen van de Duitsers, verschenen van de een op de andere dag plotseling geheimzinnige gekalkte tekens op Joodse huizen. Nadat aanvankelijk niemand dat kon verklaren, werd het met de tijd duidelijk, dat Arabieren, in de zekere verwachting van de komst van Rommel en een daaruit resulterende machtswisseling, vast bezitsclaims op het onroerend goed publiek maakten. Willekeur, dagelijks geweld en existentiële bedreiging waren voor de Joden in Palestina in de zomer van 1942 allang niets nieuws meer.”

De Moefti dook na de Tweede Wereldoorlog weer op in Egypte en leidde van daaruit de haat- en terreurcampagne van de Arabieren tegen de Joden, die vanaf 1945 groeide naar een voldragen oorlog tussen Joden en Arabieren.

De Moefti heeft gezegd dat de Jodenhaat-traditie van de islam geen enkele aanvulling nodig had vanuit het nazi-antisemitisme. Dat klopt. Mallmann en Cüppers wijzen er dan wel op dat er twee elementen van de nazistische Jodenhaatleer zouden zijn opgenomen in die van de islam, maar dat blijken bij nader beschouwing alleen wat afwijkende formuleringen voor wat in het islamitische antisemitisme al eeuwen leefde.

Ten eerste een soort van Darwinistisch biologisme. Mallmann en Cüppers citeren uitspraken van de Moefti die daarop wijzen en waarin hij de Joden vergelijkt met virussen en bacteriën. Anderzijds kan je zeggen dat dit biologisme eigenlijk al bestond in de islamitische Jodenhaat. Maar omdat de islam niet bekend staat om zijn natuurwetenschappelijk onderzoek, hadden ze zich altijd moeten behelpen met een primitiever soort biologisme: “De Joden zijn onze honden!” zoals de moslims bij de pogroms in Jeruzalem in de jaren 1929 en 1930 uitriepen. Of zoals mijnheer Morsi, president van Egypte van 2000 tot 2005 nog tijdens zijn regeerperiode zei: “De Joden zijn afstammelingen van apen en varkens.” Misschien moet je dat toch ook “Darwinistisch” noemen.

Het tweede element dat de moslims van de nazistische Jodenhaatleer overnamen was de gedachte dat de Joden dan wel biologisch inferieur waren, maar ook almachtig, dat ze dus achter de macht van zowel Amerika, als Rusland als Engeland zaten en verder achter elk complot ter wereld. Kortom: zoals de “Protocollen van de Wijzen van Zion” leren. Ook dat element is eigenlijk niet zo nieuw voor de islam, want de Joden zijn ook in de eigen islamitische traditie altijd afgeschilderd als slimme schurken met wie je moet oppassen. Op dit moment leeft die theorie vooral onder zwarte “activisten” in Amerika.

De moefti had gelijk dat de islam weinig of geen aanvulling behoefde vanuit het nazisme. In elk geval hadden de islam en het nazisme de belangrijkste karakteristieken gemeen. Zoals hier boven al een keer is gezegd: die vaststelling is niet “a-historisch”, want het gaat om tijdloze haat-elementen die deel uitmaken van zowel islam als nazisme.

De islam, het Mohammedanisme, is puur nazistisch in ten eerste de Jodenhaat, in ten tweede de expansieve oorlogszucht compleet met Blut-und-Boden-Prinzip (grond die eenmaal islamitisch is geweest moet altijd islamitisch blijven). Ten derde in het Führer-Prinzip (Mohammed, die misschien niet bestaan heeft, was volgens de islamitische mythologie een massamoordenaar, sluipmoordenaar, roofmoordenaar, slavenhaler, kinderverkrachten en extreme polygamist. Maar geldt in de islam niettemin als dé voorbeeldige mens die nagevolgd móét worden). Ten vierde in het racisme tegen vrouwen, weliswaar onder het mom van moederverering en “bescherming”. Ten vijfde in de principiële gewelddadigheid. Ten zesde in de superioriteitswaan (Übermenschen-waan) die net als in het nazisme gepaard gaat met, ten zevende, ziekelijk wantrouwen (zoals de waard is . . . .) dat de vorm aanneemt van xenofobie, conspirisme (verslaving aan complotdenken) en slachtoffergedrag (rancunisme), dus het voortdurend wijzen naar de “vijand” als oorzaak van de eigen ellende. (Zie voor de onderbouwing mijn on-line opstel uit 2010: “Nazisme, Islam, Israël: de islam is een nazisme avant, pendant et après la lettre”)

b) 1945–1948: oorlog en stichting van Israël

Aangeklaagd wegens oorlogsmisdaden wist de Moefti na 1945 niettemin te ontsnappen naar Egypte. Daar gaf hij mede leiding aan de Arabische terreur tegen de Joden die na WO II gewoon doorging en die tenslotte naadloos zou overlopen in de oorlog van 1948 en de inval in Israël van de reguliere Arabische legers van vijf Arabische staten op 15 mei 1948, dus op dezelfde dag dat de staat Israël werd uitgeroepen.

Men ziet derhalve concreet, historisch, via die constante terreur van de Moefti de lijn vanaf 1921 lopen naar Hitler en vandaar naar de aanval in mei 1948. Ook na 1948 is die nazistische lijn nooit onderbroken geweest. Arafat heeft altijd de Moefti van Jeruzalem als zijn grote mentor erkend. En de tegenwoordige leider van Fatah, Abbas, laat er ook geen enkele twijfel over bestaan dat hij in die Hitler-Moefti-traditie staat. De traditie van Hitler is dus gelijk aan die van Arafat en Abbas en van Hamas en Hezbollah en eigenlijk van het hele Midden Oosten en nog eigenlijker van de hele islam.

Er wordt beweerd dat Israëls “expansie” al begon in 1948, toen de pasgeboren staat tegen alle verwachting in overwinnaar bleef tegen het Arabische geweld. Inderdaad wist Israël in die oorlog méér land te bezetten dan in het verdelingsplan van de VN van november 1947 aan Israël was toebedeeld. Maar ten eerste waren de Joden (“Israël”) al in 1922 beroofd van 70 % van hun vestigingsgebied. Vervolgens hadden ze er mee ingestemd dat het VN-plan van 1947 nog eens een stuk van de overblijvende 30% aan de Arabieren gaf. Niettemin weigerden de Arabieren en trokken ten oorlog. Ten derde was Israël derhalve verwikkeld in een verdedigingsoorlog. Dit is essentieel en gaf Israël het recht nog veel meer land te bezetten, zelfs stukken van de aanvallende Arabische landen. Ten vierde heeft Israël wel degelijk bepaalde stukken veroverd land aan bijvoorbeeld Egypte teruggegeven. Ten vijfde heeft Jordanië illegaal, want na een aanvalsoorlog, vanaf 1948 tot de overwinning van Israël in de Juni-Oorlog van 1967, gedurende bijna 20 jaar, Samaria-Judea (“de Westbank”) bezet gehouden.

En dan is er nog een ten zesde. Er zijn een aantal leugenwoorden rond de anti-Israël-propaganda erg belangrijk: “bezetting” en “Palestijnen”, maar ook “vluchtelingen” , “verdrijving” en “etnische schoonmaak”. Israël heeft natuurlijk in Samaria-Judea al helemáál geen Palestijnse Arabieren verdreven. Maar ook vanaf het gebied dat nu het huidige Israël vormt, zijn “Palestijnen” in de oorlog alléén verjaagd omdat de Joden daartoe gedwongen werden door de agressie van Arabische leiders. Voor een goed begrip van het Joods-Israëlische handelen is het van essentieel belang steeds in het oog te houden dat er voor het geweld dat Joden toepasten steeds maar éen enkele verklaring is geweest: de Palmaffialeiders begonnen ermee en dwongen de Joden tot zelfverdediging. Dat geldt van 1921 tot heden. Dat geldt dus ook voor de oorlog van 1948. Behalve de geschiedvervalsings-school van Benny Morris, Ilan Pappé en Avi Shlaim — “de Nieuwe Historici” — beweert geen enkele serieus te nemen historicus dat er in de oorlog van 1948 sprake was van systematische en planmatige verdrijving van Palestijnse Arabieren door de Joden. Integendeel: een historicus die wat mij betreft nog veel te veel uitgaat van de “gelijkwaardigheid” van de cultuur van de Palestijnse Arabieren en van Palestijnse Joden en die toch nog best wel een beetje “links “ is, namelijk Yoav Gelber, schrijft:

“In feite werden de Palestijnen niet verdreven tijdens de burgeroorlog; ze liepen gewoon weg. Gedurende het grootste deel van de volgende fasen van de oorlog ( . . .) waren lokale deportaties het resultaat van militaire behoeften, vooral gebruikt om aan de indringers bases te ontzeggen in de buurt van de joodse nederzettingen en voor het veiligstellen van de controle van belangrijke wegen.”

Efraim Karsh heeft in 2010 op grond van nieuw ontsloten bronnenmateriaal een studie gepubliceerd van de oorlog van 1948: “Palestine Betrayed”. Het punt waarop Karsh (onderbouwd!) telkens en telkens weer veel nadruk legt, is dat de paniekvlucht van vele Arabische Palestijnen ontstond door oproep of voorbeeld van hun eigen elites. De Joodse leiders, vooral Ben Goerion zelf, maar ook locale leiders, drongen bij de Arabische Palestijnen er juist op aan om te blijven en op gelijkberechtigd en vreedzaam samenleven. Zelfs in april 1948, zegt Karsh, dus slechts weken voor het uitroepen van de staat Israël op 14 mei, was géén van de stedelingen en was slechts een “handvol” plattelanders van de Palestijnse Arabieren verdreven door de Joden. Er waren uitzonderingen, maar dat zijn dezelfde als waarvan ook Yoav Gelber melding maakt. Karsh:

“De uitzonderingen die zich voordeden, in het heetst van de strijd, werden steeds gedicteerd door ad-hoc militaire overwegingen. Ze gingen bovendien gepaard met pogingen om vlucht te voorkomen en/of de terugkeer te bevorderen van mensen die gevlucht waren — op een moment dat enorme aantallen Palestijnen actief uit hun huizen verdreven werden door hun eigen leiders en/of Arabische gewapende strijdkrachten, hetzij uit militaire overwegingen hetzij om te voorkomen dat zij burgers zouden worden van de voorziene Joodse staat.” (8)

De laatste jaren heeft de links-islamofiele propagandamachine een nieuw leugenwoord in het Westerse bewustzijn geïnjecteerd. Dat woord is “Nakba” en het betekent “ramp”. Onder de vlag van dat leugenwoord wordt tegenwoordig jaarlijks op 19 mei herdacht dat “de Palestijnen” met tienduizenden door de Joden zouden zijn verdreven van hun geboortegrond. Zó succesvol is de propaganda geweest dat ex-burgemeester Eberhard van der Laan van Amsterdam, toen nog minister van integratie, in 2009 in het dagblad Trouw Auschwitz vergeleek met het roversnest Gaza, waar zoveel Westerse subsidie naar toe gaat dat ze niks anders hoeven te doen dan voortplanten, aldus een demografische explosie creëren en raketten produceren om Israël te terroriseren. Nou ja: terreurtunnels bouwen die tot in Israël reiken doen ze ook nog. Daarna is er nog zat geld over dat de Hamas-Palmaffia deels besteedt aan luxe en deels op Zwitserse banken zet.

Toenmalig burgemeester van Amsterdam Eberhard van der Laan in 2009:

“Zo zouden Arabieren zich kunnen verdiepen in de Holocaust en Israëliërs in de Nakba, het verdrijven van Arabieren uit Israël in en na 1948. ‘Er is leed van beide kanten’, benadrukte Van der Laan.”

Op zich is het gelijkstellen van de Holocaust en het lot van de Palestijnse Arabieren al walgelijk en diep idioot. Aan de ene kant de industriële Jodenmoord en aan de andere kant één van de vele grotere en kleinere volksverhuizingen die in het kader van WO II en de dekolonisatie overal ter wereld plaatsvonden. Maar het belangrijkste is natuurlijk dat Van der Laan simpelweg niet wist dat die “Nakba” aan de Palestijnse Arabieren is aangedaan door hun eigen maffiose “elites”, die het “vluchtelingenprobleem” gecreëerd hebben en vervolgens inmiddels 80 jaar in stand hadden gehouden alleen om de haat tegen Israël gaande te houden en het wereldwijde antisemitisme te bevorderen.

c) 1948–1973: Juni-Oorlog van 1967, Israël gedwongen tot “bezetting”

We hebben dus nu gezien dat de lijn van terreur vanaf de Moefti vanaf 1921 ononderbroken via Hitler naar de oorlog van 1948 loopt. Vervolgens loopt de lijn, net zo ononderbroken, naar een leerling van de Moefti, namelijk Yasser Arafat. En de Jodenhaatlijn gaat vervolgens natuurlijk gewoon naar Abbas en Hamas.

We moeten het even over Arafat hebben. Toen in de zomer van 1942 Erwin Rommel met zijn tanks nog verwacht werd in Palestina, toen de ophitsende stem van de Moefti via radio Zeesen vanuit Berlijn overal weerklonk in de koffiehuizen van het Midden-Oosten en toen de mobiele vergassingsinstallaties klaar stonden in de haven van Athene om verscheept te worden, was er in Gaza onder de Arabische terroristen onenigheid over de vraag of er metéén massaal aanslagen tegen de Joden moesten worden gepleegd of dat het beter was te wachten op Rommel en de vergassings-wagens. Abdul al-Qudwa was leider van de voorstanders van wachten. Deze Abdul al-Qudwa had een 14-jarige zoon, genaamd Rahman al-Qudwa, die op dat moment besloot over te stappen naar de geweld-nú-groep van de tegenstanders van zijn vader. De latere nom de guerre van deze 14-jarige luidde: Yasser Arafat.

Arafats “Palestinian Liberation Organisation” (PLO) werd in 1964 opgericht en was een voortzetting van de “Palestijnse” guerilla-beweging Fatah (van 1959) die aanslagen in Israël pleegde. Nee, de “bezetting” van Samaria-Judea (“de Westbank”) van na de juni oorlog van 1967 was níét de reden van de Palmaffia-terreur, dat was het bestaan van Israël tout court. Het openlijk in het Handvest van de PLO gestelde doel was Israël te vernietigen en “de Joden de zee in te drijven”. De bijkomende “bevrijdings-ideologie” kwam uit het Sovjet-kamp en moet gezien worden in het kader van de Koude Oorlog. Arafat had namelijk in 1964 zijn vertrouweling Abu Jihad naar Noord-Vietnam gestuurd om te leren hoe Ho Chi Minh zijn “bevrijdingsstrijd” voerde. Fatah vertaalde toen al, vóór 1964, de revolutionaire handboeken van generaal Giap, van Mao en Che Guevarra, van wie we inmiddels toch wel kunnen weten dat het allemáál massamoordenaars waren. Ja, óók die Jezus van de guerrilla. Giap schreef aan Arafat:

“Stop met praten over de vernietiging van Israël en verander in plaats daarvan je terreur-oorlog in een worsteling om mensenrechten, dan zal het Amerikaanse volk uit je hand eten.” (9)

Na 1967, toen de liefde in westerse linkse kringen voor “de Derde Wereld” en “bevrijdingsbewegingen” steeds groter werd en Israël in de Juni-Oorlog (Zesdaagse Oorlog) die arme “Palestijnen” (en de legers van Syrië, Egypte en Jordanië) had verslagen, zou steeds meer blijken hoezeer Giap gelijk had.

Pas nà de Zesdaagse Oorlog in juni 1967 besloot de PLO dat de Westelijke Jordaanoever en Gaza deel uitmaakten van de “Palestijnse staat”. Toen die delen van Palestina nog onder respectievelijk Jordanië en Eg ypte vielen, hoefden die regio’s niet “bevrijd” te worden. Kortom: de PLO wil alleen die delen van Palestina “bevrijden” die door Joden worden gecontroleerd. Nog zoiets: die hysterie over “Al Quds” ( Jeruzalem) is kunstmatig opgewekt. Zelfs in het PLO-handvest van 1968 wordt Jeruzalem nog helemaal niet genoemd. Maar tegenwoordig heeft elke Palmaffiabaas een grote foto van de Rotskoepel in zijn kantoor.

Arafat, die door de Sovjets werd gezien als een bruikbare pion in de Koude Oorlog tegen het westen, werd door de Russische KGB in de leer gedaan bij “het genie van de Karpaten”, Nicolai Ceauçescu, dictator van Roemenië. Vanaf midden jaren 1960 waren Arafat en zijn entourage meermalen te gast bij deze moordenaar en megalomane krankzinnige. Het opvoedende werk werd in de praktijk gedaan door Ion Mihai Pacepa, hoofd van de militaire inlichtingendienst in Roemenië. Ik vertaal en citeer nu Meir-Levi ( “History upside Down”):

“Maar terwijl Arafat tenslotte de lessen die hij had geleerd van zijn Roemeense en Noord-Vietnamese gastheren en coaches oppikte en toepaste, waren de Sovjets, zoals Pacepa het beschrijft in ‘Red Horizons’, nog steeds niet zeker van zijn betrouwbaarheid. Dus maakten ze, met Pacepa’s hulp een zeer speciale ‘verzekeringspolis’. Gebruik makend van de goede diensten van de Roemeense ambassadeur in Egypte, filmden de Sovjets Arafats bijna elke avond plaats vindende homoseksuele interactie met zijn lijfwachten en met de ongelukkige weesjongetjes, jonger dan tien, die Ceauçescu aan Arafat leverde als onderdeel van de ‘Roemeense gastvrijheid’. Met videotapes van Arafats gulzige pedofilie in hun kluizen, en op de hoogte van de traditionele houding jegens homoseksualiteit in de islam, was de KGB van gevoelen dat Arafat een betrouwbare aanwinst was voor het Kremlin.” (10)

En dan de Zesdaagse Oorlog, ook wel bekend als de Juni-Oorlog. Er valt over die oorlog heel wat te zeggen en uiteraard — (Had ik al aangestipt dat de hele geschiedschrijving over Israël totaal verpropagandiseerd is?) — zijn er ook nu nog stemmen die menen dat die slimme Joden de oorlog hebben uitgelokt. In het Historisch Nieuwsblad van juni 2017 vinden we in een artikel, geschreven door Maurice Blessing, de volgende stellingname.

“In 1967 had de Israëlische regering een oorlog nodig om de landsgrenzen te verleggen. Toen de Arabische buurlanden zich provocerend gedroegen was een casus belli snel gevonden. Zo brak de Zesdaagse Oorlog uit – een strijd die Israël niet kon verliezen.

Provocerend gedroegen? Noem je dreigen met genocide tegenwoordig zo? Enfin. Bovenstaande stelling verkondigde Blessing op grond van een boek van Tom Segev, een van de “Nieuwe Historici”. Hij noemt echter ook dé klassieker die over de Zesdaagse oorlog is geschreven: Michael B. Oren, “Six Days of War: June 1967 and the Making of the Modern Middle East” (2003). Oren vermeldt weliswaar dat er in mei 1967 inderdaad pre-emptive-strike-hawks in de Israëlische legerleiding zaten, maar toch ook dat Chef-Staf Yitzhak Rabin aan de vooravond van de oorlog zodanig ontregeld was dat hij totaal katatoon in een stoel zat en zich een tijdlang niet meer kon bewegen. Dan ben je volgens mij best wel bang. Oren spreekt in 2015 van “de zenuwslopende weken van mei 1967 ( . . .) toen mijn ouders mompelden over het getuige zijn van een tweede Holocaust.” (11)

De angst in heel Israël was enorm. Efraim Halevy, Mossad-agent, in een interview in 2021: “Aan de vooravond van de oorlog had ik een bijeenkomst in het Dan Hotel in Tel Aviv. Alle ramen waren verduisterd en er waren maar heel weinig gasten omdat alle toeristen het land hadden verlaten. In de lobby zag ik minister van Welzijn Yossef Burg. ( . . .) Hij ( . . .) begon te praten over hoe ze tijdelijke begraafplaatsen aan het graven waren in de parken en dat hij een naderend onheil voelde, dat we op de rand van een nieuwe Holocaust stonden. En dit was een man die in het kabinet zat en alle details kende. Ik voelde me helemaal niet zo. Van wat ik wist, dacht ik dat we zouden zegevieren.”

Zelfs “nieuwe historicus” Avi Shlaim, schreef in “The Guardian” in 2002:

“( . . .) het niveau van incompetentie van de Arabische leiders was behoorlijk onthutsend. Na 10 jaar voorbereiding ( . . .) en nadat ze populaire passies tot koorts hadden aangewakkerd met hun bloedstollende retoriek, waren de leiders van de confrontatiestaten totaal verrast toen Israël hun dreigementen serieus nam en de eerste klap uitdeelde.”

Die eerste klap lijkt verstandig te zijn geweest. Hoe bloedstollend de Arabische retoriek was, kunt u lezen en zien (Arabische cartoons!) in de artikelen over de Juni-Oorlog van “Vlaamse Vrienden van Israël”. Vooruit, we doen één citaatje! Op 20 mei zei de Syrische minister van Defensie Hafez Assad het volgende:

“Onze strijdkrachten zijn nu helemaal klaar om niet alleen de agressie af te weren, maar ook om de daad van bevrijding zelf in gang te zetten en om de zionistische aanwezigheid in het Arabische thuisland te doen ontploffen. Het Syrische leger, met de vinger aan de trekker, is verenigd ( . . .) Ik, als militair, geloof dat de tijd is gekomen om een vernietigingsstrijd aan te gaan.”

Overigens: het definitieve bewijs (!) dat Israël in 1967 helemaal niet van plan was uitbreiding te zoeken in Samaria-Judea levert het feit dat — aldus Efraim Karsh in zijn fundamentele opstel “What Occupation?” — Israël probeerde Jordanië buiten de oorlog te houden:

“Bij het uitbreken van de Israëlisch-Egyptische vijandelijkheden op 5 juni 1967 smeekte de Israëlische regering in het geheim koning Hoessein van Jordanië, de feitelijke heerser van de Westelijke Jordaanoever, om af te zien van elke militaire actie: het pleidooi werd afgewezen door de Jordaanse monarch, die het verafschuwde de verwachte buit kwijt te raken in wat de ‘laatste ronde’ van de Arabieren met Israël zou worden.”

In elk geval was de Zesdaagse Oorlog in mijn morele orde een aanvalsoorlog van de kant van de Arabieren.

Na zijn overwinning heeft Israël direct in diezelfde zomer van 1967 aan de Arabieren nog een genereuze vrede aangeboden, waarin alleen gevraagd werd om een paar kleine gebieden te mogen behouden die essentieel zijn voor de verdediging van Israël vlak tegen de bestandslijn van 1948 aan. Die “groene lijn” is inderdaad géén “grens” maar een bestandslijn stammend uit de oorlog van 1948 waarin Israël werd aangevallen! Die genereuze vrede werd door de Arabische landen, in augustus 1967 in vergadering bijeen in Khartoum, geweigerd middels het beruchte drie keer nee van Khartoum: nee, tegen onderhandelingen, nee tegen vrede en nee tegen erkenning.

Nogmaals: Samaria-Judea, waar de Joden volgens alle morele en juridische principes recht hadden om te wonen, werd in 1948 als springplank gebruikt in een poging tot genocide op de Joden. Dat was drie jaar na Auschwitz. Na 1948 werd Samaria-Judea (“de Westbank”) door Jordanië gedurende 19 jaar illegaal bezet. In die periode 1948 -1967 hielden de Jordaniërs verschrikkelijk huis in Oost-Jeruzalem, vernielden en besmeurden Joodse begraafplaatsen en synagoges en ontzegden christenen en Joden de toegang. In 1967 werd de landstreek voor de tweede maal gebruikt in een poging tot genocide op de Joden in Israël. Vervolgens werd door het drie keer nee van Khartoum Israël gedwongen om het bestuur van Samaria-Judea (“de Westbank”) op zich te nemen. Anno nu noemen de westerse media dat “bezetting” — als het niet zo dieptriest was, zou je dat hilarisch kunnen vinden — en eisen de Palmaffia’s nog steeds dat juist dit gebied Judenrein aan ze uitgeleverd wordt! En dat vinden die westerse media dan best wel weer een redelijke eis. Het is in feite totaal krankzinnig en het gáát maar door!

Israël had en heeft dus het allervolste recht niet alleen om Samaria-Judea blijvend in te lijven, maar ook om de Arabieren te verdrijven naar Jordanië. Dat is namelijk precies wat de Arabieren in 1948 wél deden met de Joden die daar woonden — ze joegen hen de “grens” (groene lijn, bestandslijn) over — waarna ze zoals gezegd, overgingen tot het vernielen van alle synagoges en begraafplaatsen van Joden om vervolgens van 1948 tot 1967 een achterlijk terreurbewind te voerden over “de Westbank”.

Dat achterlijke bewind in Samaria-Judea werd vanaf 1967, dus onder “de bezetting” door Israël, afgelost door het dynamische “open-bruggen-beleid”: er werden door Israël twee bruggen aangelegd over de rivier de Jordaan en de handel tussen Jordanië en “de Westbank” bloeide op.

Efraim Karsh:

“Bij het begin van de bezetting waren de omstandigheden in de gebieden [the territories] behoorlijk nijpend. De levensverwachting was laag, ondervoeding, infectieziekten en kindersterfte waren wijdverbreid en het opleidingsniveau was erg laag. Vóór de oorlog van 1967 had minder dan 60 procent van alle mannelijke volwassenen een baan, en de werkloosheid onder vluchtelingen liep op tot 83 procent. Binnen korte tijd na de oorlog leidde de Israëlische bezetting tot dramatische verbeteringen in het algemene welzijn, waardoor de bevolking van de gebieden voor kwam te liggen op de meeste Arabische buren.”

Karsh vult deze stelling aan met verbluffende en gedetailleerde cijfers over de enorme vooruitgang op het gebied van economie, werkgelegenheid, levensverwachting, kinderziektes en kindersterfte, elektriciteit, stromend water, beschikbare keukenapparatuur, aantallen schoolkinderen, alfabetisering en hoger onderwijs.

Maar Israël maakte volgens Karsh één cruciale fout: de Palmaffiaanse cultuur van Jodenhaat annex Israëlhaat in Samaria-Judea werd niet aan banden gelegd. De PLO kon vrijelijk propaganda maken en zich steeds meer opwerpen als de enige vertegenwoordiger van “de Palestijnen” daar. Er was geen poging van de kant van Israël om een gematigde en tot samenwerking geneigde organisatie te faciliteren, die de werkelijke belangen en vreedzaam samenleven met Israël kon bevorderen.

Karsh: “Inderdaad, zelfs toen de PLO (tot 1982 met hoofdkantoor in Libanon en daarna in Tunesië) haar blijvende inzet voor de vernietiging van de Joodse staat verkondigde, deden de Israëli’s verrassend weinig om de politieke invloed ervan in de gebieden [the territories] te beperken. De publicatie van pro-PLO-artikelen was toegestaan ​​in de lokale pers en anti-Israëlische activiteiten door PLO-aanhangers werden getolereerd zolang ze geen openlijke aansporingen tot geweld inhielden.

Zodoende had Arafat, toen hij in Oslo in 1993 de wereld voorloog dat hij ging werken aan vrede, terwijl hij in werkelijkheid direct overging tot terreur, de PLO-infrastructuur klaar staan in Samaria-Judea. Maar dat is voor een volgende paragraaf.

Nu eerst nog even de leugen behandelen dat de Palmaffia-terreur veroorzaakt zou zijn door “de bezetting” van Samaria-Judea. Het is een leugen omdat de terreur in 1920 is begonnen en zich richtte tegen de aanwezigheid ueberhaupt van Joden in Palestina. En die terreur is nooit meer opgehouden. De Palmaffia’s zelf maken zélfs wanneer westerse oren meeluisteren geen onderscheid tussen voor en na 1967. En wat kan de eis van “recht op terugkeer” van miljoenen vluchtelingen van de oorlog van 1948 tot in het vierde geslacht anders betekenen dan dat Israël moet ophouden te bestaan? Alom klinkt bij anti-Israël-demonstraties de slogan From the river to the sea, Palestine will be free”. Ga eens kijken naar de 45 seconden van dat YouTube-filmpje waarin, helemaal aan het begin, David Horowitz (DH) een Vette Hoofddoek (VH) ondervraagt die als extra kuisheids-symbool ook nog een forse Palestijnen-sjaal over de borst heeft hangen. Rood is de kleur van haar hoofddoek en de ruime arbeidersjas die ze draagt herinnert aan proletarische bijeenkomsten in de Weimar-republiek. En net als in de jaren 1930 in Duitsland gaat het over Joden. Ga kijken, hoor en zie de dialoog tussen de Vette Hoofddoek, die aan een Amerikaanse universiteit studeert, en David Horowitz:

DH: “Veroordeel je Hamas?”
VH: “Zou ik Hamas veroordelen . . . .?”
DH: “Als een terroristische en genocidale organisatie . . . . .”
VH: “Vraag je mij mezelf te kruisigen? Als ik iets zeg, ben ik er zeker van dat ik gearresteerd zal worden. Om redenen van binnenlandse veiligheid.”
DH: “Ik zal het je anders vragen. Ik ben een Jood. Het hoofd van Hezbollah heeft gezegd dat hij hoopt dat wij ons verzamelen in Israël, zodat hij ons niet over de hele wereld hoeft na te jagen. Vóór of tégen?!”
VH: “Vóór
.”

Dat de Palmaffia’s géén onderscheid maken tussen vóór en ná 1967, wordt nu juist bewezen door het feit dat pas ná “de bezetting” van Samaria-Judea het statuut van PLO-Fatah werd veranderd en Arafat daar een staat ging eisen. Vóór 1967, toen Jordanië nog heerste in Samaria-Judea en Egypte in Gaza, was er geen sprake van een dergelijke eis ondanks het feit dat Israël vooral in de eerste jaren na 1967 oneindig veel humaner optrad dan Jordanië en Egypte. Ik citeer David Meir-Levi:

“De Jordaanse bezetting van de Westbank en de Egyptische controle van de Gazastrook waren gekenmerkt door totalitaire repressie. In de woorden van Arafat zelf, voerden de Egyptenaren de Palestijnen in 1948 naar vluchtelingenkampen, sloten ze op achter prikkeldraad, zonden spionnen naar binnen om de Palestijnse leiders te vermoorden en executeerden degenen die probeerden te vluchten. Er was geen enkel Palestijns protest tegen deze onderdrukking in naam van enige zelfbeschikking die hen zou zijn geweigerd.”

Als in 1948 niet Israël maar de Arabieren hadden gewonnen, was Gaza gegaan naar Egypte, Samaria-Judea naar Jordanië en de Golan naar Syrië. Die eis van een staat is namelijk alleen maar een wapen om Israël te chanteren. En als het lukt een Judenreine staat te vestigen in Samaria-Judea, zal die landstreek binnen de kortste keren zijn omgetoverd tot een uitvalsbasis om Israël te vernietigen. Zoals met Gaza is gebeurd nadat Israël zich in 2005 daaruit terugtrok. Het bewijs dat de Palmaffia’s in Samaria-Judea enkel een “staat” willen die tot zo’n uitvalsbasis omgebouwd kan worden, is dat in de loop van de decennia elk voorstel van Israël, hoe genereus ook, door Arafat en Abbas zijn geweigerd. Waarom? Omdat er te veel waarborgen in zaten die moesten voorkomen dat van Samaria-Judea zo’n uitvalsbasis gemaakt kon worden.

Na 1967 (Khartoem ) hebben de Palmaffia’s aanbiedingen gehad die eigenlijk alsmaar genereuzer werden:1993 (Oslo met Clinton, Arafat en Begin), 2000 (Camp David met Clinton, Arafat en Barak), 2001 (Taba met Bush, Arafat , Barak), 2007 (Annapolis met Bush, Abbas en Olmert), 2008 (met Olmert en Abbas), 2011 (met Hillary Clinton, Obama, Abbas en Netanyahu). In die vredesvoorstellen hadden de Palmaffia’s gemiddeld zo’n beetje voor 98% hun zin kunnen krijgen, maar steeds duidelijker is gebleken dat de Palmaffia’s geen vrede willen, dat ze leven van terreur, corruptie en parasitisme, geen normale staat willen en kunnen runnen en alleen maar uit zijn op genocide op de Joden en de vernietiging van Israël, zoals inderdaad nog steeds in de beginselprogramma’s van Hamas en Fatah staat. En vergeet niet: de Palestijnse Arabieren hebben dus al vanaf 1922 een staat in Jordanië (70% van het Mandaatgebied). Zelfs van die resterende 30% die toch wel voor de Joden had mogen zijn, hebben ze óók nog een stuk aangeboden gekregen: in 1937 (Peelplan) en in 1948 (VN). En ze weigerden. Ze weigeren altijd.

Ook nu geldt nog steeds: op het moment dat de Arabieren met terreur ophouden, zal het vrede zijn. Andersom geformuleerd, zoals Dennis Prager dat doet: het Palestijns-Israëlische conflict laat zich in zes woorden vatten: de Arabieren willen de Joden vermoorden. Meer is het inderdaad niet. Of in de woorden van kinderen: “Zij zijn begonnen.” En zo is het. Als de Arabieren niet steeds opnieuw beginnen met terreur, is er vrede.

Nog eens: als er iets duidelijk is geworden dan is het dat de Palmaffia’s niet alleen geen vrede wíllen, maar ook niet kúnnen sluiten. Het zijn letterlijk maffia’s die van geweld, haat, onderdrukking, corruptie en parasitisme leven, zoals de hele islam al 1400 jaar doet. Vrede zou hen dwingen tot een normaal bestuur waarin ze een echte economie zouden moeten opbouwen, waarin ze zelf ook gewoon zouden moeten wérken, productief en creatief zijn. Dat kunnen ze en willen ze niet. En . . . . . dat verbiedt ook de islam! Want de islam is de enige “godsdienst” ter wereld die haat en oorlog als goddelijke en onveranderlijke plicht voorschrijft.

Als er ooit “Palestijnen” hebben bestaan, dan waren het natuurlijk de Joden, maar de gecoördineerde Arabisch-islamitisch-regressief-linkse propaganda is er in geslaagd om sinds 1964 dat etiket, “Palestijnen” te plakken op die vluchtelingen die door de Arabische landen en de UNRWA vanaf 1948 zorgvuldig in hun vluchtelingstatus zijn gehouden om als propagandawapen tegen Israël ingezet te kunnen worden. Die naam “Palestijnen” heeft de links-islamofiele propaganda tegelijk met de namen “Arafat” en “PLO”, “Bezetting” en “Apartheid” in het collectieve bewustzijn van het westen gegrift.

d)1973 – 2016: Jom Kippoer-oorlog van 1973, Arafats verraad van Oslo

En toen was er de Jom Kippoer-oorlog van 1973. Dit keer waren het alleen Egypte en Syrië die deelnamen aan deze volgende genocidaal bedoelde Arabische overval op Israël. Koning Hoessein van Jordanië nam geen deel en zodoende werd het Israël bespaard dat Samaria-Judea voor de derde keer als springplank diende. Maar dat kon nauwelijks een troost zijn. Want koning Hoessein bleef niet uit principe buiten de Jom Kippoer-oorlog maar alleen om opportunistische redenen. Dat de koning niet meedeed aan het derde genocidaal bedoelde feest was te wijten aan zijn zwakke binnenlandse positie. Hoessein had drie jaar eerder, in september 1970 — (in de mythologie van het Palestinisme “Zwarte September” geheten) — met grof geweld en ten koste van heel veel dode “Palestijnen” Arafat en zijn terreurbendes uit Jordanië verjaagd, omdat die Hoesseins staat dreigden over te nemen. Vanwege deze zwakke binnenlandse positie volstond hij met het sturen van één symbolische pantserdivisie naar het Syrische front op de Golan-hoogte. Hij had overigens eerst wel aan Israël toestemming gevraagd of hij op deze manier zijn gezicht mocht redden in de Arabische wereld en of er geen sancties van de kant van Israël zouden volgen. “Dat kan alleen in het Midden-Oosten”, commentarieerde Henry Kissinger.

Niet alleen de oorlog van 1973, maar ook de voortgaande terreuraanslagen van de Palmaffia’s onder leiding van Arafat maakten een einde aan de illusies van de Israëli’s. Opnieuw werd bewezen wat al 1400 jaar lang duizenden malen bewezen werd: islam is oorlog, waar islam daar geen vrede. De Israëli’s werden gedwongen tot steeds rigoureuzere veiligheidsmaatregelen: wegversperringen om explosieven en zelfmoordterroristen op te sporen en tenslotte een veiligheidsbarrière rond het gebied dat tegen de bestandslijnen van 1948 aan ligt en dat Israël essentieel acht voor zijn veiligheid.

De “rechtse” Israëli’s, en dat waren en zijn uiteraard ook meestal de Israëli’s met kennis van de geschiedenis, waren sceptisch toen de Oslo-Akkoorden werden gesloten. Deze realisten kregen gelijk. De geschiedenis vanaf 1993, toen de Oslo Akkoorden tot stand kwamen, verschilt niet van de algemene trend die het voorgaande liet zien: voortgaande pogingen van Israël om tot vrede te komen en voortgaande sabotage van die pogingen door de Palmaffia’s. Meteen na Oslo 1993 is Arafat begonnen met een bewuste en grootscheeps haat-propaganda-annex-terreur-offensief om de Akkoorden te ondermijnen.

Caroline Glick, geboren 1969, zat als jonge kapitein van het Israëlische leger, de IDF, in de periode 1994-1996 bij alle belangrijke vergaderingen met de PLO waarin gedetailleerde invulling gegeven moest worden aan het op 13 september 1993 op het gazon van het Witte Huis gesloten Oslo-Akkoord. Ze schrijft:

“Gedurende de hele periode van mijn werk vond ik nooit enige reden te geloven dat het vredesproces waarvan ik deel uitmaakte zou leiden tot vrede. Dezelfde Palestijnse leiders die grappen met ons maakten in luxe vergaderzalen in Cairo en Taba, verbraken elke belofte die ze aan Israël deden op hetzelfde moment dat de vergaderingen eindigden. Om te beginnen slaagde de PLO er niet in om zijn oprichtings-acte aan te passen die in bijna elke paragraaf opriep tot de vernietiging van Israël; ze weigerden te voldoen aan de limieten die ze hadden geaccepteerd aan het aantal wapens en veiligheidstroepen die ze mochten ontplooien in de gebieden die onder hun controle waren. Ze overtraden voortdurend de wetten en regelingen betreffende zonegrenzen en bouwactiviteiten. En tenslotte waren er hun constante nazi-achtige antisemitische propaganda en hun ophitsen en uitlokken van terreur tegen Israël. Het was zonneklaar dat ze te kwader trouw onderhandelden. Ze wilden geen vrede met Israël. Ze waren bezig het vredesproces te gebruiken om Israël in stukken te scheuren.”

En:

“Iedere keer werd van Israël geëist terroristen uit de gevangenis te laten als een voorwaarde voor onderhandelingen met de PLO. En die onderhandelingen dienden op hun beurt om weer meer terroristen vrij te laten en meer land af te staan, meer geld te geven, meer internationale legitimiteit aan de terroristen te verlenen en nóg meer terroristen uit te leveren aan de PLO.”

Gewoontegetrouw werden de westerse media door Arafat gevoed met fraaie leugens, ontkende Arafat dat hij zelf leiding gaf aan de terreur, maar sprak hij in het Arabisch en voor Arabisch gehoor openlijk zijn sabotage-plannen uit. Terwijl Arafat en zijn opvolgers de kernopdracht van de Oslo-Akkoorden vertrapten – (ophouden met het plegen en propageren van terreur) – hielden de Israëli’s zich wel precies aan de aan hen gestelde voorwaarden.

Inmiddels zijn we ontelbare terreurdaden van de Palmaffia’s verder, de bouw van een veiligheidshek verder (2003), een ontruiming van Gaza en de metamorfose van Gaza in een Hamas-terreur-basis verder (2005) en een flink aantal door de Palmaffia’s afgewezen vredesvoorstellen verder.

6) Verenigde Naties, Israël, Internationaal Recht

a) Er bestaat geen internationale wetgever

Dit boek verdedigt de stelling dat Israël de meest legitieme natie is die de wereld ooit heeft gezien. Dat verplicht mij ook me te verdiepen in het onvermijdelijke en strontvervelende juridische gehakketak. Daar gaan we.

Door het Trump-plan — waarover hieronder meer — laaide de discussie over het “internationaal recht” en de “bezette gebieden” weer op. Dus is het misschien handig nog eens fundamenteel uiteen te zetten hoe dat zit met Israël en het internationale recht. Je hoort altijd dat Israël volgens dat “internationale recht” niet aanwezig mag zijn in Samaria-Judea (“op de Westbank”) en op de Golan-hoogte. Maar wie maakt dat “internationale recht”? Wie is de internationale wetgever? Het antwoord luidt: die is er niet! Het zijn níét de Verenigde Naties. Die ik graag de Verenigde Nazi’s noem omdat de Algemene Vergadering en de meeste VN-commissies tegenwoordig gemanipuleerd worden door de 56 landen van de OIC, de Organisation of the Islamic Cooperation, onder andere door arme landen om te kopen om met hen mee te stemmen. En de islam — dat wist u niet, maar dat is zo — is een ideologie die één op één elk wezenskenmerk met het nazisme deelt. Dus gelukkig zijn die Algemene Vergaderaars van de Verenigde Nazi’s níét de internationale wetgever. Ook volgens hun eigen Charter zijn ze dat niet. Nogmaals: er bestáát geen internationale wetgever. Wat deze Algemene Vergaderaars in hun vele commissies ook te berde brengen: het heeft allemaal niet méér status dan een advies, een mening. Van een totaal verrotte instelling bovendien.

Echter! De Veiligheidsraad van de VN kan internationaal bindende rechtsregels opleggen met sancties, maar uitsluitend en alleen onder bepaalde omstandigheden. En dat kan weer uitsluitend en alleen omdat de volken van de wereld dat overeengekomen zijn en zulks in het Charter van de Veiligheidsraad staat. In dat kader zijn alléén besluiten gebaseerd op artikel 39 hoofdstuk VII van het VN-Veiligheidsraad-Charter (“Peace-enforcement”) bindend. Dan kan een land inderdaad te maken krijgen met een militaire interventie op gezag van de Veiligheidsraad. Maarrrrr . . . . . . . let goed op! Geen enkele resolutie van de VN-Veiligheidsraad ter zake van Israël is gebaseerd op dit artikel 39 van hoofdstuk VII. Ook resolutie 242 niet. (Lees: college Eugene Kontorovich en Roelf-Jan Wentholt, “Israël en het internationale recht”)

Behalve dit artikel 39 van hoofdstuk VII van het VN-Veiligheidsraad-Charter zijn er nog twee bronnen van echt en legitiem internationaal recht. Ten eerste: een verdrag (treaty) tussen landen. Dat spreekt voor zich: een verdrag is een verdrag en daar hou je je aan. Ten tweede: de gewoonte (custom). Wanneer landen de gewoonte hebben iets te doen en ze vinden dat in onderling overleg best okay, dan wordt dat een gewoonterecht (customary rule). Wat is de overeenkomst tussen dat verdragsrecht en dat gewoonterecht? Dat het gebeurt tussen landen. Dat is het criterium. Alleen landen kunnen vrijwillig onderling besluiten zich aan een regel te houden, door verdrag of gewoonte. Dat geldt dus ook voor de bovenvermelde Veiligheidsraad-resoluties onder artikel 39 van hoofdstuk VII, want dat is tussen landen vrijwillig afgesproken.

De Algemene Vergadering van de VN heeft een heleboel resoluties aangenomen waarin handelingen van Israël illegaal werden verklaard. Zelfs het bestaan van Israël is door die Algemene Vergadering illegaal verklaard. Nogmaals: dat is slechts een mening en bovendien een mening van een verzameling van overwegend schurkenstaten. Ook het “Internationaal Gerechtshof” (ICC), een “arm” van de VN, is geen producent van internationaal recht en maakt slechts opinies kenbaar. Dat staat in hun eigen Charter. Dat geldt bijvoorbeeld ook voor de met weinig analyse onderbouwde uitspraak van het Gerechtshof dat “de Muur” (de barrière tussen Israël en “de Westbank”) illegaal is.

b) Gedachten-experiment: de Algemene Vergadering van de VN serieus nemen

Maar als we nou die Algemene Vergadering van die Verenigde Nazi’s puur als gedachtenexperiment even serieus nemen, waar komen we dán uit inzake de aanwezigheid van Joden in Samaria-Judea, ook wel bekend als “de Westbank”? Dat serieus nemen is inderdaad gedaan door Michel Calvo die als vertegenwoordiger van Israël lid was van het “Internationaal Hof van Arbitrage”. Deze expert in internationaal recht publiceerde in mei 2020 een fundamenteel stuk inzake de zogenaamde “bezette gebieden”: “The Settlements Are Not Illegal: the annexation of lands in Judea and Samaria is not contrary to international law”.

Calvo wijst op de United Nations Declaration on the Rights of Indigenous Peoples (UNDRIP), die werd aangenomen door de Algemene Vergadering van de VN in 2007. Dat verdrag erkent dat inheemse volken (ook wel: eerste of oorspronkelijke volken genoemd) een onvervreemdbaar recht bezitten op een gegeven land en zijn hulpbronnen. Engeland, Frankrijk en Duitsland stemden vóór deze verklaring en in 2010 hebben ook Australië, Canada, Nieuw-Zeeland en de Verenigde Staten de verklaring formeel bekrachtigd. En nu zijn volgens het internationaal recht de Joden toevallig de sinds meer dan 3000 jaar inheemse bevolking van Palestina, inclusief Samaria-Judea.

Dus: als je de Algemene Vergadering van de VN serieus neemt, ondanks het feit dat hij geleid wordt door misdadigerstaten, dan moet je deze “antikoloniale” Verklaring ook voor de Joden laten gelden.

  1. c) San Remo en de “bezette gebieden”: Samaria-Judea

Calvo wijst voorts ook op de “gewone” bewijzen voor het internationaalrechtelijke recht van de Joden om te wonen in Samaria-Judea, volgens de lijnen die hierboven in dit opstel uitgebreid zijn uiteengezet en die samengevat kunnen worden in de trefwoorden “San Remo” en “oorlogsrecht”.

Ook de beruchte Obama-resolutie 2334 van de Veiligheidsraad van 23 december 2016 waarbij het zich onthouden van stemming van Amerika (Samantha Powers) het aannemen van de resolutie mogelijk maakte, is niet aangenomen in het kader van hoofdstuk VII van het Handvest en dus niet bindend. In die resolutie staat dat de nederzettingen van Israël een “flagrante schending” van het internationaal recht vormen. Maar dat heeft dus geen enkele rechtsgeldigheid.

Deze resolutie, zo meldt Calvo, is in strijd niet alleen met “San Remo” en al wat daaraan vast hangt — met name het feit dat het recht van Joden om daar te wonen in 1948, 1967 en 1973 versterkt werd door het oorlogsrecht en in feite door 100 jaar terreur van de Palmaffia’s vanaf 1920) — maar ook met genoemde “United Nations Declaration on the Rights of Indigenous Peoples”.

Het passeren van deze resolutie verstoot bovendien tegen artikel 8 van het VN-Charter dat zegt dat de VN de rechtsgeldigheid erkent van de besluiten van zijn voorganger, van de Volkenbond. De resolutie heeft dus daarom alleen al geen enkele rechtsgeldigheid en kan geen effect hebben.

d) Fyne luyden der juridische scherpslijperij, óók binnen Israël

Het plan Trump, de“Abraham-Accords” en de bijbehorende stellingname op 18 november 2019 van Trumps minister van BZ Pompeo dat de nederzettingen in Samaria-Judea (“de Westbank”) niet “per se” illegaal zijn — waarover hieronder meer — gaf een boel fyne luyden aanleiding tot juridische scherpslijperij. Want domme Jodenhaat slaapt nooit, vooral niet onder deftige mensen met een hoge linkse moraal. Ik zelf heb aan die stelling van Pompeo onmiddellijk een fundamenteel artikel gewijd, waarin ik uitlegde dat Pompeo’s “per se” er echt wel vanaf kon. Ik herhaalde in dat stuk wat u hierboven al een aantal keren heeft kunnen lezen en wat ik nog maar eens kort zal samenvatten, want het wil alsmaar niet doordringen, althans: blijkbaar had die waarheid ruim vijftig jaar na de Juni-Oorlog van 1967 nog steeds géén kans gezien de platinumbeplate koppen van de “internationale gemeenschap” te doorboren.

1) de Arabieren plegen vanaf 1920 terreur, 2) vallen Israël twee keer binnen (1948 en 1967) vanuit Samaria-Judea, een gebied waar de Joden dus volkenrechtelijk vestigingsrecht hebben en het gebeurde in 1973 bij de Jom Kippoer-oorlog alleen maar geen derde keer omdat koning Hoessein eventjes te veel had te stellen met Arafat, 3) wijzen elk compromis af, 4) dwingen Israël, dat in 1967 bereid is Samaria-Judea voor 98% weer op te geven, het bestuur ervan op zich te nemen en dat noem je dan: “bezetting”.

Er was overigens in de jaren voordat Pompeo zijn stelling wereldkundig maakte, al wel een enkel haarscheurtje gesignaleerd in de genoemde platinum voorhoofdsplaten. Zo kon in 2014 Caroline Glick in een artikel in de Jerusalem Post het volgende zeggen:

“( . . .) jarenlang is de valse Arabische claim dat de Israëlische gemeenschappen buiten de wapenstilstandslijnen van 1949 illegaal zijn onaangevochten gebleven. Maar de vorige week heeft de Australische minister van Buitenlandse Zaken, Julie Bishop, een bom laten vallen, toen zij in een interview met de Times of Israel brak met de consensus van leugenachtigheid en zei: ‘Ik zou wel eens willen zien welke internationale wet ze [de nederzettingen] illegaal heeft verklaard.’ “

Maar zoals gezegd: de fyne luyden der juridische scherpslijperij in dienst van de Jodenhaat slapen nooit. Op 8 mei 2020 publiceerde Caroline Glick een artikel waarin zij de pseudo-legale landmijnen besprak die er nog lagen op de weg naar het uitroepen, volgens het plan Trump, van Israëls soevereiniteit over (delen van) Samaria-Judea. Ikzelf had nog nooit gehoord van die kliek van Joodse zelfhaters aan de top van (nota bene!) het Israëlische rechtssysteem. Welke kliek niettemin deze landmijnen heeft gelegd en welke kliek best doet om de eigen natie in levensgevaar te brengen door te proberen Israël te verplichten zich achter de onverdedigbare bestandslijnen van 1948 terug te trekken en de Palmaffia’s in de gelegenheid te stellen een Judenreine “Palestijnse staat” te stichten in Samaria-Judea, een staat die uiteraard binnen de kortste keren een uitvalsbasis voor jihadi’s van allerlei soort zou zijn.

De staat Israël, aldus Glick, heeft in zijn internationale contacten altijd wijselijk de internationaalrechtelijke status van Samaria-Judea in het midden gelaten, het gebied netjes bestuurd volgens de richtlijnen van de “Akkoorden van Geneve” en de “Haagse Conventie”, maar heeft altijd benadrukt dat dit niet betekende dat Israël toegaf een bezettende macht te zijn en dat Israël handelde uit goede wil, niet omdat Israël daartoe internationaalrechtelijk verplicht was. Maar toen was er ineens, zei Glick, de voorzitter van het Hooggerechtshof Aharon Barak, die in 2004 in een inleidende zin van een beslissing aangaande de bouw van het veiligheidshek in Samaria-Judea, zomaar ineens, zonder enige onderbouwing de zin neerschreef: “Since 1967, Israel holds the areas of Judea and Samaria in a belligerent occupation.”

“Belligerent occupation” Oorlogszuchtige bezetting! (Of zoiets). Er ontstond destijds weinig ophef, waarschijnlijk omdat Baraks beslissing ten gunste van het veiligheidshek was. Maar stiekemweg, aldus Glick, begon men in die juridische staats-top-kliek die opvatting uit te werken. Het voornaamste lid van die kliek , zegt Glick, is Avichai Mandelblit die via verschillende “arresten” buitenlandse machten als de EU en het Internationaal Gerechtshof in Den Haag (ICC) in de gelegenheid heeft gesteld Israëls Knessset-besluiten inzake Samaria-Judea aan te vallen. Inmiddels is die aanval van het het ICC, het International Criminal Court in Den Haag daadwerkelijk ingezet.

Aangaande die poging van 5 februari 2021 om Israël van zijn rechten in en op Samaria-Judea te beroven het volgende. De algemene opdracht van het Strafhof luidt:“Trying individuals for genocide, war crimes, crimes against humanity, and aggression”. Dan zou je verwachten dat het Strafhof de Palmaffia’s en hun terreur zou aanpakken. No such luck. Het Strafhof heeft zich nu juist aangematigd dat het kan oordelen over het recht van Israël om zijn eigen wetten toe te passen in Samaria-Judea. Daarmee zou Israël zijn soevereiniteit in dat gebied verliezen. Israël noch Amerika erkennen overigens het Strafhof dat volgens het eigen Charter trouwens géén nieuw internationaal recht schept, maar slechts ten doel heeft om vanwege misdaden tegen de menselijkheid onderdanen van staten te berechten die geen geloofwaardig rechtssysteem hebben, onderdanen van wrede en wetteloze dictaturen dus. Maar in het geval van Israël wil het Strafhof een uitzondering maken en ook Israël tot schurkenstaat, eh . . . . bombarderen. Joden uitzonderen: héél uitzonderlijk, gebeurt anders nooit!

Netanyahu commentarieerde dan ook:”Dit Hof werd opgericht om wreedheden te voorkomen zoals de Nazi-Holocaust jegens het Joodse volk en is nu bezig de enige staat van het Joodse volk aan te vallen.” Hij wordt geciteerd door Caroline Glick in een stuk met de titel The ICC’s European Puppet Masters waarin zij erop wijst dat 60% van het budget van het Strafhof van de EU komt en dat de EU het blijkbaar eens is met dit internationale Dreyfus-proces, waarin Israël de Jood is. Volgens Glick was zonder de actieve instemming van de EU op de weg naar deze uitspraak van het Strafhof, dus zonder de regeringen van landen als Duitsland, Nederland, Frankrijk, Noorwegen, Groot-Brittannië en Zweden, deze antisemitische farce niet mogelijk geweest.

Alan Dershowitz heeft er ook een deskundige mening over: “Het zeer gepolitiseerde Internationaal Strafhof [ICC] heeft zojuist de Palestijnen uitgeroepen tot staat. Ze deed dat zonder enige onderhandeling met Israël, zonder enig compromis, en zonder erkende grenzen. Ze deden het ook zonder enig wettelijk gezag, want het Statuut van Rome, dat het Internationaal Strafhof oprichtte, voorziet er niet in dat dit strafhof nieuwe staten erkent. Het Internationaal Strafhof is geen echte rechtbank in welke betekenis van dat woord dan ook. In tegenstelling tot echte rechtbanken, die statuten en gewoonterecht moeten interpreteren, verzint het Internationaal Strafhof het gewoon. Zoals de afwijkende rechter zo treffend opmerkte, is het Palestina-besluit niet gebaseerd op bestaand recht. Het is gebaseerd op pure politiek.De Palestijnen – zowel op de Westelijke Jordaanoever als in Gaza – die hebben geweigerd te goeder trouw te onderhandelen en terrorisme hebben gebruikt als hun voornaamste aanspraak op erkenning, zijn door deze beslissing beloond voor hun geweld. De echte slachtoffers van deze selectieve vervolging zijn de burgers van deze derdewereldlanden wier leiders hen vermoorden en verminken. Al met al is de beslissing van het Internationaal Strafhof over Palestina een tegenslag voor één enkele standaard van mensenrechten. Het is een overwinning voor het terrorisme en de onwil om over vrede te onderhandelen. En het is een sterk argument tegen de toetreding van de Verenigde Staten en Israël tot dit bevooroordeelde ‘hof’, en tegen het verlenen van enige legitimiteit aan dit hof.”

e) Martin Kramer slaat de plank mis inzake San Remo

Behalve een verzameling juridische antisemieten-annex-Joodse zelfhaters en natuurlijk het ICC heeft ook  algemeen geleerde Professor Dr. Martin Kamer, die ik nog wel eens té hard ben gevallen (excuses!) een poging gedaan zijn vaderland Israël onderuit te halen door twijfels te zaaien over de rechtskracht van het Verdrag van San Remo. De lezer kan gemerkt hebben dat ik nogal wat waarde hecht aan dat verdrag als het gaat om Samaria-Judea, alias “de bezette gebieden”, alias “de Westbank”. En nu heeft Kramer zeer recent een essay gepubliceerd waarin hij de betekenis van “San Remo” kapot relativeert. Ten onrechte.

Kramer betoogt dat in het Verdrag van San Remo de tekst van de Balfour-declaratie leidend was, dat wil zeggen dat de Joden een tehuis werd beloofd in Palestina, niet dat zij Palestina als Joodse staat zouden krijgen. Voorts stipuleerde de Balfour-verklaring dat de burgerlijke en religieuze rechten van de reeds in Palestina wonende Arabieren niet aangetast mochten worden. We moeten er vanuit gaan, zegt Kramer, dat in die burgerlijke rechten ook de politieke rechten van de Palestijnse Arabieren waren begrepen. Dus als in mei 1948 Ben Goerion Israël als Joodse staat uitroept, kan dat nooit op San Remo berusten. Kramer noemt zijn tegenstanders, die vasthouden aan San Remo als legitimatie van de stichting van Israël de “San Remo celebrants”. Ik hoor bij die San Remo-verheerlijkers: niet als legitimatie van de staat Israël, maar wel als legitimatie van het recht voor Joden om óók in Samaria-Judea te wonen. En het oorlogsrecht heeft dat in 1948, 1967 en 1973 versterkt, ja zelfs Israël het recht gegeven Samaria-Judea te annexeren.

Prima dat Kramer aantoont dat de San Remo-mandaatstekst bedoelde om de Palestijnse Arabieren politieke rechten te geven. Zelfs als dat betekent: rechten op een staat. Die rechten hebben de Joden in Israël en de internationale gemeenschap immers nooit aan de Palestijnse Arabieren willen ontzeggen. Om te beginnen kan je volhouden dat Jordanië die Arabisch-Palestijnse staat is, want al in juli 1922 gaven de Engelsen 70% van het mandaatgebied aan de Arabieren en dat is het huidige Jordanië. De Palestijnse Arabieren kregen nog een tweede staat aangeboden, namelijk zowel in het Peel-plan van 1937 alsook in de resolutie van de VN van november 1947. Ze weigerden echter beide keren en antwoordden met terreur en oorlog. Wat betreft burgerlijk-politiek-democratische rechten: Ben Goerion bleef hen die rechten zelfs nog beloven in het heetst van de oorlog, in april 1948. Het antwoord van de Palestijnse Arabieren was: oorlog en massale vlucht. Conclusie: de Joodse rechten vastgelegd in San Remo waren vanaf die tijd alleen maar versterkt en wel door het recht zich te weren tegen terreur en door het oorlogsrecht.

Kramer maakt het dan nog eens extra ingewikkeld door de “San Remo celebrants”aan te wrijven dat zij, op grond van de zinsnede in de mandaatstekst: “encourage . . . close settlement by Jews on the land” zouden beweren dat de Joden exclusieve staatsrechten kunnen laten gelden in Samaria-Judea. Wellicht doen een paar “celebrants” dat, maar ik beweer dat in elk geval niet. Ik beweer wel dat het recht van vestiging van Joden in Samaria-Judea (“op de Westbank”) door San Remo internationaalrechtelijk werd gelegitimeerd en dat vervolgens het oorlogsrecht — (terreur vanaf 1920, aanvalsoorlogen van1948, 1967 en 1973) — dat recht versterkte tot het recht het hele gebied te annexeren. En als we niet in internationaalrechtelijke, of oorlogsrechtelijke, maar in gewone morele termen spreken, dus alledaagse fatsoensnormen aanhouden, dan kunnen we zeggen dat 100 jaar rejectionisme, sabotage, parasitisme en terreur van de Palmaffia’s die annexatie-stap anno 2021 geheel zou rechtvaardigen.

Ook rechtsgeleerde Eugene Kontorovich heeft het betoog van Kramer gekritiseerd. Zijn artikel van 15 februari 2021 in Mosaic heeft tot titel “The San Remo Treaty Sits at the Foundation of Israel’s Legitimacy in International Law”. Kontorovich wijst erop dat de naties van de wereld hadden afgesproken dat de Volkenbond de macht kreeg nieuwe staten te creëren in die gebieden die door nazi-Duitsland en het Ottomaanse Rijk beheerst waren geweest en ook de grenzen ervan te bepalen. En dat deed de Volkenbond via San Remo: Libanon, Syrië, Irak en Jordanië zijn voorbeelden. Het karakter van de nieuwe staat “Palestina” bleef onduidelijk: wat alleen vast stond was dat de Joden er een tehuis zouden vinden en de Palestijnse Arabieren hun rechten zouden behouden.

Omdat in Palestina een oorlogssituatie was ontstaan tussen Joden en Arabieren, stelde de VN in 1947 per resolutie 181 een deling van Palestina voor: een staat voor elke partij. Maar die resolutie had en heeft geen enkele internationaalrechtelijke betekenis, want het Charter van de VN geeft geen recht op het scheppen van staten en de vaststelling van de grenzen ervan. Als de Joden en de Palestijnse Arabieren vrijwillig ingestemd zouden hebben met resolutie 181, zou het een andere verhaal zijn geworden, maar de Palestijnse Arabieren weigerden.

In Palestina werden nu de gebeurtenissen “op de grond” bepalend, stelt Kontorovich. Nooit in de geschiedenis heeft een staat de goedkeuring van andere staten nodig gehad om zich internationaalrechtelijk legitiem te vestigen. Als een natie een grondgebied claimt, een staat uitroept en die staat en dat grondgebied weet te verdedigen, dan is die staat internationaalrechtelijk legitiem. Israël bleek daartoe capabel en werd dus een staat. Meer is het niet. Dat de Volkenbond gedurende een unieke periode in de geschiedenis óók het recht had staten te scheppen doet daaraan niks af.

De Balfour-declaratie (1917) heeft op zich geen rechtskracht, maar kreeg die pas door San Remo en de Volkenbond. San Remo schiep aldus de voorwaarden voor het ontstaan van Israël, maar Israël heeft zichzelf op eigen kracht geschapen. Dus ondanks dat San Remo voorwaarde was voor Israëls ontstaan, is Israël totaal niet afhankelijk van goedkeuring van “de internationale gemeenschap” om te mogen bestaan.

En dan is er nog de kwestie van de grenzen van Israël. Hoort Samaria-Judea (“de Westbank”) erbij? Ja, zegt Kontorovich want als een nieuw staat zich vestigt dan erft die staat automatisch de grenzen van de vorige machthebber. En dat was mandaat-Engeland en volgens dat mandaat hoorde Samaria-Judea bij het gebied waar de Joden zich mochten vestigen. Als Israël alsnog succesvol dat gebied weet te claimen en verdedigen heeft Israël daartoe het volste internationale recht. En dan hoeven we dus niet eens het argument aan te halen dat Israël twee keer vanuit Samaria-Judea is aangevallen en een derde keer slechts per ongeluk niet.

Het erven van de grenzen door een nieuwe machthebber adstrueert Kontorovich als volgt:

“Volgens het internationaal recht erft een nieuw land automatisch de grenzen van de laatste bestuurseenheid op het hoogste niveau van dat grondgebied. Zo hebben nieuwe onafhankelijke post-Sovjetstaten de precieze grenzen van de voorgaande Socialistische Sovjetrepublieken. Staten die voortkwamen uit mandaten van de Volkenbond erven de grenzen van de Mandaats-entiteit, zelfs als het resultaat rechtvaardige aanspraken op zelfbeschikking schaadt, zoals van de Koerden in Irak. Als New Hampshire zich morgen zou afscheiden van de Verenigde Staten, zouden de grenzen die van de huidige staat zijn.”

f) Zullen we het nog eens even kernachtig samenvatten?

De stichting van Israël werd mogelijk gemaakt door de Volkenbond in de Resolutie van San Remo van 25 april 1920. De Volkenbond had hiertoe internationaalrechtelijk het recht omdat dit vrijwillig was afgesproken door de naties van de wereld. Maar de stichting van Israël vond feitelijk plaats door een unilaterale daad van zelfbevestiging en doordat Israël zich wist te handhaven als staat en zijn grondgebied wist te verdedigen en besturen. Meer is internationaalrechtelijk niet nodig. San Remo blijft van belang als legitimatie van het recht van de Joden om zich óók te vestigen in Samaria-Judea, alias “de Westbank”. Want internationaalrechtelijk erft een nieuwe machthebber, Israël, automatisch de grenzen van het grondgebied van de oude machthebber, in dit geval mandaat-Engeland. Dat laatste recht, vestiging van de Joden in Samaria-Judea, is versterkt door het oorlogsrecht, met name door de aanvallen die via dat gebied gepleegd zijn op “klein-Israël”, in 1948 en 1967 en slechts door toeval niet in 1973 en wel zodanig dat Israël het volste recht zou hebben Samaria-Judea te annexeren. Al wat de Verenigde Naties en haar verdere organen te berde hebben gebracht is een mening, maar heeft verder geen rechtskracht omdat zulks volgens het eigen Charter van de VN zo is.

7) Obama: islamofilie en Israël-haat (2008-2016)

Over de islam-liefde van Barack Obama zal het hier minder gaan dan over zijn Israël-haat, die vooral bleek uit zijn buitenlandse politiek. Niemand heeft Obama’s buitenlandse politiek beter geduid dan de onvolprezen Caroline Glick in een overzichts-artikel van 13 januari 2017 dat vertaald is in het Nederlands door de website OpinieZ. In het volgende vat ik Glick parafraserend samen.

Obama heeft zijn voorgenomen buitenlandse politiek in zijn Cairo-speech van 4 juni 2009 uiteengezet en hij heeft zich strikt daaraan gehouden. Hij heeft tot op de laatste dag van zijn ambtstermijn Israël dwars gezeten en de islamitische wereld bevoordeeld. Het Westen, zo verklaarde hij, moest boeten voor kolonialisme en racisme jegens de moslimwereld en zorgen dat moslims zich weer veilig en gerespecteerd voelden. De aanslag op de Twin Towers was niet gepleegd door de echte islam, een buitengewoon rijke religie. Obama citeerde in die speech vol bewondering driemaal “de Heilige Koran”. Hij prees de grote bijdragen van de islamitische beschaving aan de wereld en benadrukte dat de islam altijd een belangrijk deel van de Amerikaanse manier van leven was geweest. Obama beloofde de Amerikaanse troepen terug te trekken uit Irak, ongeacht de gevolgen. En dat deed hij. Hij behield wel de Amerikaanse troepen in Afghanistan, maar gaf ze als opdracht: aardig zijn en veel geld uitdelen. Israël, meende Obama, is een product van het Europese kolonialisme, precies wat ook Iran en Hamas beweren. De Palestijnen noemde hij de oorspronkelijke bewoners van het land en de voornaamste slachtoffers van het koloniale westerse schuldige geweten na de Holocaust. Hij noemde het verzet van Hamas tegen Israël legitiem. Wel zou Hamas moeten leren van het geweldloze verzet in Zuid-Afrika, India en van de zwarten in Amerika tegen de blanke koloniale racisten.

In werkelijkheid, zegt Glick, is Hamas de Palestijnse tak van de Moslim Broederschap, die vernietiging van Israël en de uitroeiing van het Joodse volk over de hele wereld beoogt. In het publiek in Cairo zaten die dag leden van de Egyptische tak van die Moslim Broederschap. De toenmalige Egyptische president Hosni Mubarak beschouwde Obama’s uitnodigen van de Moslim Broeders als een vijandige daad, boycotte de toespraak en weigerde Obama te begroeten op het vliegveld van Cairo. Twee jaar later steunde Obama het afzetten van Mubarak en de kandidaat van de Moslim Broederschap die hem verving.

Amerika had de haat van de ayatollahs van Iran verdiend, zei Obama, omdat de CIA in 1953 het pro-Sovjet regime in Iran omver had geworpen en de pro-Amerikaanse Shah had geïnstalleerd. Iran had ook recht op een vreedzaam nucleair programma en anderzijds moesten Amerika en de rest van de leden van de nucleaire club hun kernwapenarsenaal vernietigen. In de jaren daarna verkleinde Obama de Amerikaanse kernmacht inderdaad aanzienlijk en keurde grote transporten van uranium naar Iran goed. Al met al heeft Obama het jihadisme en ISIS bevorderd. De islamitische wereld raakte door zijn beleid in chaos. Na Obama’s terugtrekking, heeft ISIS jarenlang niet alleen Irak en Syrië gedestabiliseerd, maar ook Europa.

Irans proxy, het sjiitische Hezbollah, heeft genocide gepleegd op de Soennieten in Syrië en de vluchtelingencrisis veroorzaakt die Europese Unie teisterde. De slachtoffers van de islamistische moordpartijen in San Bernadino, Boston, Fort Hood, Orlando en meer plaatsen zijn er bewijs van dat ook Amerikaanse burgers de prijs betaalden voor Obama’s programma. Iran is nu de opkomende regionale grootmacht. Rusland, partner van Iran, heeft weer een machtspositie in het Midden-Oosten. Erdogan, Turkije’s islamistische leider, surfde mee op Obama’s golf van islam-sympathie en brak de laatste resten af van de seculiere Turkse Republiek.

De laatste daad van uitvoering van Obama’s “plan van Cairo” — Amerika en het hele Westen verzwakken — was het zich onthouden van stemming in de VN-Veiligheidsraad over resolutie nr. 2334, slechts een maand voordat Obama door Donald Trump zou worden vervangen.

Tot zover Glicks samenvatting van acht jaar buitenlandse politiek van Obama.

Over die resolutie 2334 het volgende. We hebben het hierboven voldoende gehad over hoezeer Joden recht hebben om in Samaria-Judea (“op de Westbank”) te wonen, hoe dat gebied diende als springplank om genocidale oorlogen tegen Israël te voeren, hoezeer Israël geprobeerd heeft vrede te sluiten met de Palmaffia’s en het gebied te ontwikkelen. En we hebben gezien hoe de Palmaffia’s alle vredespogingen hebben gesaboteerd omdat ze een staat eisen, geheel vrij van Joden die ze opnieuw tot springplank voor een genocidale oorlog tegen Israël kunnen ombouwen.

Op 23 december, veertien dagen voordat Donald Trump zou aantreden, nam de VN-Veiligheidsraad resolutie nr. 2334 aan waarin staat dat Israël moet stoppen met de bouw van nederzettingen in Samaria-Judea. Dat was in lijn met de wil van de Palmaffia’s om Samaria-Judea Judenrein te maken. Obama had zijn vertegenwoordigster Samantha Powers opdracht gegeven zich van stemming te onthouden, waardoor de resolutie werd aangenomen. Trumps pro-Israël-politiek werd daarmee nog voor de start meteen flink gehandicapt.

Direct na het aannemen van resolutie nr. 2334 schreef Caroline Glick een artikel in de Jerusalem Post waarin zij erop wees dat de actie van Obama weliswaar gericht was tegen Israël, maar vooral een vijandelijke daad was tegen zijn eigen land. De Sovjets, zegt Glick, hebben de VN altijd als podium gebruikt om in de Koude Oorlog aan macht te winnen, maar alle voorgaande Amerikaanse presidenten hebben altijd hun veto gebruikt om dat te voorkomen. Nu de islam via de OIC, de Organisation of the Islamic Cooperation, in bondgenootschap met Rusland, China en de EU alsmede via omkopen en chanteren van “ongebonden landen” de algemene vergadering van de VN beheerst, is dat slot op de deur, dat veto in de Veiligheidsraad des te belangrijker. En dat heeft Obama bewust niet gebruikt, want hij wil liever dat de VN een soort wereldregering wordt, die de handen van Amerika bindt. Obama wilde vooral de macht van Amerika beperken en Amerika schaden. Obama was een anti-Amerikaanse president, de Manchurian Candidate die het wél gehaald heeft.

Obama’s ideologische verblinding past natuurlijk in de sfeer van Israël-haat en Palmaffia-liefde waarvan de hele “linkse” beweging sinds de jaren 1970 doortrokken is. Vooral bij veel zwarten in Amerika, en met name in New-York, is de Jodenhaat virulent: Farrakhan’s “Nation of Islam” wordt naadloos voortgezet in “Black Lives Matter”. En nu blijken Obama’s mémoires vol te staan met laster-leugens over Israël.

In het volgende ontleen ik veel aan Dov Lipman, die een analyse maakte van het gedeelte van Obama’s boek “A Promised Land” waarin Israël behandeld wordt, namelijk de pagina’s 623 tot 636 van hoofdstuk 25. Ik heb die pagina’s zelf ook gelezen. En ik vat Lipman samen, maar pleeg zelf ook een paar aanvullingen en die zijn misschien ietsje scherper geformuleerd dan Lipman gedaan zou hebben. U krijgt dus een zowel kernachtig samengevatte alsook verrijkte visie van Lipman op Obama’s geschiedschrijving van de “Palestijnse kwestie”.

De onwetenden die op een dieet staan van mainstream-media inzake Israël en de Palmaffia’s — de meeste mensen dus — zullen bij Obama opnieuw het beeld bevestigd zien dat die media al decennia schetsen: Israël is de foute agressor en de “Palestijnen” zijn de weerloze slachtoffers. (In het volgende kan het voorkomen dat leugens die hierboven al behandeld zijn opnieuw aan de orde komen.)

De Balfour-verklaring van 1917 was, zoals men weet, een brief van de Britse minister van BZ, Arthur Balfour aan Lord Rothschild waarin Balfour verklaarde dat Engeland welwillend stond tegenover de stichting van een nationaal tehuis voor de Joden in Palestina. De Balfour-verklaring leidde in 1922 tot het verstrekken door de Volkenbond aan Groot-Brittannië van het “Mandaat voor Palestina” dat opdracht gaf tot “de vestiging in Palestina van een nationaal tehuis voor het Joodse volk”. Het “Mandaat voor Palestina” stipuleerde dat die opdracht werd gegeven met in gedachten “de historische verbinding van het Joodse volk met Palestina”.

Maar Obama spreekt in “A Promised Land” over de Britten die “Palestina hadden bezet” op het moment dat ze de Balfour-declaratie publiceerden. Hij geeft niet eens als context dat het Ottomaanse rijk in WO1 een bondgenoot was van Duitsland en dat de oorlog dus ook in het Midden-Oosten werd uitgevochten. En hij verzwijgt het door de Volkenbond gegeven Mandaat. Obama wil klaarblijkelijk bij de lezer de indruk wekken dat de Balfour-declaratie vanaf het begin een daad van heel erg kolonialistisch imperialisme was, gericht tegen de Arabieren in Palestina en dat “Israël” vanaf het begin een illegale onderneming was.

Obama: “In de loop van de volgende 20 jaar wisten de zionistische leiders een golf van migratie naar Palestina op gang te brengen.”

In deze zin zit, in zijn verzwijging van zo’n beetje alles wat van belang is, zóveel smerige suggestie dat we even uitgebreid in herhaling moeten vallen over de werkelijke gang van zaken.

Obama wil dus de indruk wekken dat de Joden, toen eenmaal de Engelsen waren begonnen die illegale Joodse staat te vestigen, van wereldwijd kwamen om zich op het weerloze Palestina en zijn “Palestijnen” te werpen en de buit te verdelen. De waarheid is dat de Joden al zo’n 3000 jaar in Palestina hadden gewoond, dat ze, ondanks de verbanning door de Romeinen, ook de laatste 2000 jaar met een kleine gemeenschap aanwezig waren gebleven en dat vanaf ongeveer 1880 onder druk van de pogroms in Oost-Europa ongeveer 100.000 Joden naar Palestina waren getrokken. Daar verrichtten ze een wonder van welvaartsontwikkeling en humanisering. De landstreek Palestina zuchtte namelijk vanaf het jaar 638 voortdurend onder islamitische bezetters. Het islamitische (Ottomaanse) bestuur was zo beroerd dat de streek tot steeds diepere armoede verviel. Het was een zeer langdurige kolonisatie die pas beëindigd werd door de Britse overwinning op de Ottomanen in 1918.

In de jaren 1920 werd die “golf van migratie naar Palestina” waarvan Obama rept evenmin veroorzaakt door “zionistische leiders” maar door het groeiende antisemitisme in Europa en . . . . . door het beperken van de migratie van Joden naar Amerika via quota door de Amerikaanse regering. In de jaren 1930 was Hitler in opkomst en toen hoefden die “zionistische leiders” al helemaal geen moeite meer te doen om golven van Joden richting Palestina te zenden. In Palestina gingen overigens ook de Engelsen over tot het quoteren van Joden omdat de haat-hetze jegens de Joden die de latere bondgenoot van Hitler, de Moefti van Jeruzalem, Amin al-Husseini had ontketend, steeds meer zijn terroristische vruchten begon af te werpen.

Tot zover over één enkele smerige verzwijg-zin in de memoires van Obama.

Dan Obama’s bewering dat de geïmmigreerde Joden “zeer getrainde gewapende strijdkrachten organiseerden om hun nederzettingen te beschermen”. Maar dat deden de Joden pas noodgedwongen door de terreur die vanaf 1920 structureel werd uitgeoefend door jihadisten die waren opgehitst en georganiseerd door de Moefti van Jeruzalem, Amin al-Husseini.

Nog meer misleiding. Als Obama spreekt over het verdelingsplan van 1947 van de VN, zegt hij dat “de zionistische leiders” het accepteerden, maar dat de “Arabische Palestijnen alsmede omringende Arabische landen die op dat moment zich bevrijdden van koloniale heerschappij, krachtig bezwaar aantekenden”. Die term “zionistische leiders” in plaats van “Joodse leiders” past prachtig in het nieuwe internationale antisemitisme, dat irrationele haat-kritiek op Joden modern verpakt als gerechtvaardigde kritiek op Israël en “zionisten”. Obama’s spreken over de Arabische landen die zich bevrijdden van het koloniale juk, dient om de weigering van het vredesplan door de Arabieren goed te praten. Want die hadden, zo wil Obama zeggen, na het kolonialisme van Frankrijk en Engeland geen zin in Joden als nieuwe overheersers. Maar de waarheid is: met uitzondering van Egypte bestond geen van de omringende Arabische landen als staat voor WO I (1914-1918). Deze Arabieren waren al eeuwen onderdeel van het Ottomaanse Rijk.

Kortom: het beeld van Arabische landen die bezig waren te ontsnappen aan “kolonialisme” en die geen zin hadden in “zionistische heersers” is vals. En misschien mag ik herinneren aan nóg een paar feiten die hierboven al gereleveerd zijn: dat de Joden als gelijken kwamen van de Palestijnse Arabieren die evenveel rechten zouden krijgen; dat de Joden niet “koloniseerden” maar welvaart en humaniteit brachten; dat de enige oorzaak van het geweld en de noodzaak tot opdeling de jihadistische Moefti-terreur was.

Obama meent de vestiging van de staat Israël in twee zinnen te kunnen vatten:

“Toen Groot-Brittannië zich terugtrok, begon de oorlog tussen de twee kampen al snel. En toen Joodse milities de overwinning claimden in 1948 werd de staat Israël geboren.”

Dit is ronduit kwaadaardige geschiedvervalsing.

Toen Engeland zich terugtrok, begon de oorlog niet “al snel”, want de terreur van de jihadisten onder leiding van de Moefti begon in 1920 en vervolgens kan je vanaf de jaren 1930, en zeker bij de “Arabische opstand” van 1936 tot 1939, gewoon spreken van oorlog. En de “twee kampen” waren niet gelijkelijk schuldig aan de oorlogstoestand: het waren altijd uitsluitend de Palmaffia’s die aanvielen en de Joden die zich verdedigden. En er waren geen “Joodse milities” die “de overwinning claimden”, maar er was een regulier Israëlisch leger dat helemaal géén overwinning claimde, want dat leger moest, toen Ben Goerion op 14 mei 1948 de staat Israël uitriep op grond van het VN-verdelingsplan, voorlopig nog de legers van vijf Arabische naties verslaan.

Waarna Obama de volgende dertig jaar, zeg dus van 1948 tot 1978, in één zin samenvat. En opnieuw hebben we hier te maken met kwaadaardige geschiedvervalsing.

“Gedurende de volgend drie decennia, zou Israël deelnemen aan een reeks conflicten met zijn Arabische buren.”

De term die ik hier vertaal met “deelnemen” luidt in Obama’s originele tekst “engage” en dat heeft net iets meer connotatie van ‘zich bewust en opzettelijk mengen’ dan de vertaling die ik gekozen heb: deelnemen. Er zit dus nog net iets meer gore geschiedvervalsing in de oorspronkelijke Engelstalige zin, want er was natuurlijk geen enkele sprake van initiatief tot oorlogshandelingen van de kant van de Joden en Israël. Net zoals bij de jihadistische terreur van de Moefti tot 14 mei 1948, waren de daaropvolgende oorlogen, die van 1967 en van 1973, alle twee aanvalsoorlogen van de kant van de Arabieren.

Hier is een man aan het woord met maar één doel: de haat tegen Israël en de Joden in Amerika en overal ter wereld opstoken.

En kijk eens naar deze zin over de oorlog van 1967:

“Een Israëlisch leger dat zwaar in de minderheid was, versloeg de gecombineerde legers van Egypte, Jordanië en Syrië. Al doende ontnam Israël aan Jordanië de controle over de Westbank en Oost-Jeruzalem, aan Egypte die over Gaza en de Sinaï en aan Syrië die over de Golan-hoogte.”

Waarvandaan dat compliment komt van ‘zwaar-in-de-minderheid-en-toch-een-klinkende-overwinning’ kan ik slechts raden. De slimme doortraptheid van de Joden benadrukken? Of de zieligheid van de Arabieren? Beiden?

In het kader van de totale verzwijging van het feit dat sinds 1920 de enige agressors de Arabieren waren, verzwijgt Obama ook de directe voorgeschiedenis van de Juni-Oorlog van 1967. Ik citeer en vertaal hier Dov Lipman:

“Hier verzuimt hij in te gaan op de aanleiding tot de oorlog, toen al die Arabische legers zich langs de grenzen van Israël verzamelden en verklaarden dat het hun voornemen was het land van de kaart te vegen. Hij beschrijft niet Israëls smeekbedes richting Jordanië om niet deel te nemen aan de oorlog, noch dat Jordanië helemaal geen legale rechten had op de Westelijke Jordaanoever, die het in 1948 bezette en in 1950 indruisend tegen het internationale recht annexeerde. Het meest tekenende is dat Obama geen melding maakt van Israëls bereidheid, direct na de oorlog, zich in ruil voor vrede terug te trekken uit alle gebieden die het in zijn defensieve strijd had veroverd. Voorts verzuimt hij te vertellen van de ‘drie nee’s’ van de Arabische Liga [in Khartoem] als reactie op dat aanbod: geen vrede met Israël, geen erkenning van Israël en geen onderhandelingen met Israël. Deze omissie dient opnieuw om Israël af te schilderen als de agressieve bezetter die conflict zoekt en geen vrede.”

Dat verzwijgt Obama allemaal, klaarblijkelijk teneinde zijn politiek van steun aan de Palmaffia’s te rechtvaardigen en vervolgens trekt hij die lijn van geschiedvervalsing door met nóg een leugen. Hij beweert dat de opkomst van de PLO (Palestinian Liberation Organisation = Palestijnse Bevrijdings Organisatie) het “resultaat” was van de oorlog van 1967. Maar de PLO werd in 1964 opgericht. Wat wilden ze toen “bevrijden”? Dat zal dan toch gewoon Israël zelf wel geweest zijn. Toch?

En al die Obamaiaanse leugens, die overal ter wereld in de mainstream-media en in beleidsbepalende kringen van de internationale politiek werden herhaald, dienden maar één doel: de “bezetting” van Samaria-Judea en de weigering van Israël om die landstreek Judenrein uit leveren aan de Palmaffia’s aan te wijzen als de oorzaak van het uitblijven van “vrede”.

Obama’s politiek werd wel aangeduid als de “geen-enkele steen-politiek” (“not-one-brick-policy”) dat wil zeggen: geen enkele nederzetting in Samaria-Judea erbij, maar omgekeerd juist graag alles afbreken en dan Israël terug achter de onverdedigbare bestandslijn van de oorlog van 1948, de zogenaamde “groene lijn”.

Nog een stukje geschiedvervalsing uit die 13 pagina’s van hoofdstuk 25 van “A Promised Land. Bij het overleg van Camp David in 2000 was Ehud Barak bereid meer dan 90% van Arafats eisen in te willigen. Obama schrijft: “Arafat eiste echter meer concessies en het overleg bezweek onder onderlinge verwijten.” Maar het overleg “bezweek” niet, want de “Tweede Intifada” die op de mislukking volgde en waarbij 1137 Israëlische burgers werden vermoord en 8341 verminkt, was vooraf gepland door Arafat. Hij is nooit van plan geweest aan de minimale eisen van Barak, betrekking hebbend op de veiligheid van Israël, te voldoen.

Na aldus op zijn minst de helft van de schuld voor het mislukken van Camp-David-2000 bij Barak en Israël gelegd te hebben, probeert Obama die ene helft verantwoordelijkheid die hij Arafat toedicht ook nog weg te poetsen. Namelijk door het bezoek van Sharon aan de Tempelberg van september 2000 als een grove provocatie neer te zetten. Hij spreekt letterlijk van dat bezoek als van “provocerend” en een “stunt” waardoor “Arabieren overal in woede ontstaken”. Maar de waarheid is: Sharon had van de hoogste verantwoordelijken van de “Palestijnse Autoriteit” te horen gekregen dat er geen probleem zou zijn zolang hij maar geen moskee zou binnengaan of ging bidden. Waaraan Sharon zich uiteraard heeft gehouden.

Obama beschrijft voorts de Tempelberg als “een van de heiligste plekken van de islam”, maar heeft de ongelooflijke brutaliteit onvermeld te laten dat de Tempelberg niet “een van” maar kortweg dé heiligste plek is van de Joden.

Kortom: na de valse indruk gewekt te hebben dat de mislukking van Camp-David-2000 voor een flink deel aan Israël was te wijten, is bij Obama alles erop gericht om te zorgen dat het bezoek van Sharon bij de lezer overkomt als een totaal onnodige provocatie op een heilige islamitische plek waardoor het bloedvergieten van de “Tweede Intifada” geheel op rekening van Israël komt.

Verzwijgen is een standaard-techniek van de “Israël-critici” en Obama maakt er ruim gebruik van zoals u hierboven al hebt kunnen zien. Zo maakt hij geen enkele melding van het feit dat Israël in 2005 Gaza ontruimde en 9000 Israëli’s dwong hun huizen te verlaten. Hij schrijft: “De Palestijnen zelf waren gefragmenteerd na Arafats dood in 2004: Gaza kwam onder de controle van Hamas en zat spoedig onder een strak opgelegde Israëlische blokkade, terwijl de Palestijnse Autoriteit, waarin Fatah de dienst uitmaakte . . . . “. Enzovoort. Maar Obama vermeldt niet dat Israël in 2005 Gaza ontruimde. Dat is natuurlijk op zich al kras, maar hij vertelt ook niet hoe dat ging en wat Hamas al deed nog voor er sprake kon zijn van een “Israëlische blokkade” al dan niet “strak opgelegd”.

En wat deed Hamas dus al enige tijd? Aaron Klein beschrijft in zijn boek “The Late Great State of Israel” scènes uit de ontruiming van Gaza in 2005. Hij beschrijft de Joodse nederzetting Gush Katif vóór de ontruiming:

“Ik werd getroffen door de natuurlijke schoonheid van de plek. Het zag eruit als Orange County, Californië, overgezet naar de woestijn van Gaza.” (12)

Klein beschrijft hoe nog vóór de Israëli’s waren vertrokken, Hamas al een begin had gemaakt met het ombouwen van Gaza tot een raketbasis en bezig was met het afschieten van raketten op Israël. De prachtige broeikassen in Gaza werden geheel intact achtergelaten door de Joden en direct vernield door Hamas, dat dus eigenlijk al in 2005 aan de macht was, twee jaar voordat zulks in 2007 via “verkiezingen” officieel werd.

Dat verzwijgt Obama dus allemaal: dat de Palmaffia die we Hamas noemen al sinds 2005, dus gedurende 15 jaar, dat onafhankelijke islamitische paradijs had kunnen scheppen, maar dat zulks niet gelukt is ondanks de miljarden aan subsidie die Hamas heeft gekregen van EU en VN, want die zijn opgegaan aan beloning van “martelaren” (zelfmoord-terroristen), besteed aan raketten en terreur-tunnels, overgezet op buitenlandse bankrekeningen van Hamas-kopstukken en besteed aan luxe enclaves en villa’s voor diezelfde Hamas-kopstukken binnen Gaza. In Gaza gaat een onvoorstelbare luxe voor de Hamas-elite samen met een onvoorstelbare armoede van de gewone bevolking die getrakteerd wordt op een dieet van Jodenhaat.

Nog meer geschiedvervalsing en misleiding in die luttele dertien pagina’s. Zoals bekend vuurt Hamas voortdurend in het wilde weg raketten af op de Israëlische bevolking. Daar heeft Obama geen problemen mee, althans: daarover zegt hij niks. Het probleem voor Obama is het antwoord van Israël op die raketaanvallen. Daarmee is Obama helemaal in linemet alle mainstream-media in de Westerse wereld en dus valt dit soort misleiding, dat alleen bedoeld kan zijn om de haat jegens Israël en de Joden wereldwijd aan te wakkeren, op vruchtbare geestesbodem bij een publiek dat gewend is aan de demonisering van Israël. Het antwoord van Israël op Hamas-raketbeschietingen is onder meer, zegt Obama, het inzetten van “door de VS geleverde Israëlische Apache helikopters die hele buurten met de grond gelijk maken”.

Wat zegt u? Hele buurten met de grond gelijk maken! Zozo! Nounou. Daaruit moet je toch wel concluderen dat Amerika wapentuig (Apaches) levert aan oorlogsmisdadige Joden! Natuurlijk zijn het allemaal leugens, gebaseerd op de gruwelsprookjes van Hamas die door het internationale journaille gedwee over de wereld verspreid worden.

Lipman schrijft terecht: “Het probleem is dat het vals is. Israël neemt terroristenleiders onder vuur die raketten op Israëlische steden afschieten. Tragisch genoeg gebruiken Hamas-leiders onschuldige Palestijnen als menselijke schilden door zich achter hen te verschuilen in burgerwijken en door daarvandaan raketten naar Israël af te schieten en ook vanuit ziekenhuizen en moskeeën. Israël doet zijn best geen onschuldige mensen te doden door zelfs pamfletten te droppen die een aanstaande luchtaanval aankondigen en blaast missies af die ten doel hebben raketinstallaties te vernietigen of terroristenleiders te doden als er zich teveel burgers in het gebied bevinden. Israël voert zeer zeker geen vergeldingsaanvallen uit die in het wilde weg ‘hele buurten met de grond gelijk maken’.”

Lipman gaat niet in op het geneuzel dat Obama ten beste geeft over het karakter van Netanyahu, die door Obama wordt beschreven als “slim, geslepen, onbuigzaam en een begaafdecommunicator” die zich “charmant en op zijn minst betrokken” kan gedragen als het hem voordeel kan opleveren, maar die zichzelf ziet als “de voornaamste verdediger van het Joodse volk tegen onheil“ en daarmee, aldus Obama, meent hij “zo’n beetje alles te kunnen rechtvaardigen dat hem aan de macht zou houden”. Obama vraagt zich af of de zaken anders hadden kunnen lopen met een andere premier van Israël. Dat lijkt mij wel: een linkse goedmenselijke naïvist had misschien wel gevonden dat Israël best achter de onverdedigbare bestandslijnen van voor 1967 terug kan met daar vlak naast een “Palestijnse Staat” die in nóg kortere tijd dan Gaza in 2005 omgebouwd zou worden tot een raketlanceerinstallatie en een thuisbasis voor IS, maar zo iemand komt in Israël niet aan de macht, want het Midden-Oosten dwingt tot iets meer realisme dan Obama-land.

Uit de kwalijke zinnetjes die Obama heeft geschreven over Israël, kiest Lipman er op zijn laatst eentje uit als het meest smerige. Dit zinnetje:

“For the next three decades, Israel would engage in a succession of conflicts with its Arab neighbors . . . .”

Dan heeft hij het dus over de oorlogen van 1948, 1967 en 1973, die alle drie genocidaal bedoelde aanvallen waren door de Arabische landen op Israël.

I rest my case, want ander barst ik uit in een onbedaarlijk, schuimbekkend schelden.

8) Donald Trump: de Copernicaanse wending (2016-2020)

President Donald Trump zag in dat het rejectionisme van de Palmaffia’s niet doorbroken kon worden zonder rigoureuze maatregelen en dus begon hij Abbas en zijn “Palestijnse Autoriteit” in Samaria-Judea én Hamas in Gaza voor het blok te zetten. Aartsracist Trump, deelnemer aan de samenzwering van de Joden om de wereld te onderwerpen, had een speciaal team op het probleem Israël-en-de-Arabische wereld gezet: zijn Joodse schoonzoon Jared Kushner, zijn speciale afgezant voor internationale onderhandelingen de orthodoxe Jood Jason Greenblatt en de Joodse ambassadeur die Amerika in Israël vertegenwoordigde: David Friedman. In juli 2018 stelde dat team iets voor dat nog niemand had durven voorstellen: ophouden met financiële steun aan het totaal corrupte Hamas-regime in Gaza dat zijn miljoenen uitgeeft aan terreur tegen Israël en zelfverrijking terwijl de bevolking crepeert.

Het volgende publieke teken van het einde van Trumps geduld met de Palmaffia’s kwam toen zijn Secretary of State Mike Pompeo op 18 november 2018 het standpunt bekend maakte dat Amerika de nederzettingen in Samaria-Judea niet langer als “per se illegaal” beschouwt. Uit wat ik her en der hierboven heb betoogd, kunt u afleiden dat naar mijn gedocumenteerde mening “niet per se illegaal” zéér zwak is uitgedrukt: de Israëli’s hebben duizend procent recht op vestiging in Samaria-Judea. Een tweede publieke teken kwam toen op 7 december 2018 Trump bekend maakte dat de Amerikaanse ambassade van Tel-Aviv naar Jeruzalem verplaatst zou worden.

Die verklaring van Pompeo en die verplaatsing van de ambassade bleken slechts de inleiding op een Copernicaanse wending in de Amerikaanse politiek ten opzicht van de kwestie Israël-Palmaffia’s. Want dertien maanden later, op 28 januari 2020, maakte Trump een vergaand plan bekend. Trump erkende als eerste Amerikaanse president dat Jeruzalem de ongedeelde hoofdstad is van Israël, dat de Joden recht hebben op een Joodse staat in Palestina op grond van een millennia oude en ononderbroken band met de grond daar en dat ze een legitieme claim hebben op Samaria-Judea, óók internationaalrechtelijk.

Copernicaans is vooral Trumps omdraaiing van rollen. De Israëli’s waren tot nu toe — en vooral onder Obama — altijd degenen geweest die vertrouwenwekkende maatregelen moesten nemen en hun goede wil tonen terwijl de corrupte Palmaffia’s door konden gaan met elk compromis afwijzen, saboteren, terroriseren, haatzaaien en parasiteren. Trump pakte de zaken anders aan: hij legde een plan voor Judea-Samaria neer, dat slechts in detail gewijzigd kon worden en de Palmaffia’s kregen vier jaar de tijd om aan het plan mee te werken. Zou er over vier jaar te weinig resultaat zijn, dan zou Israël de handen vrij krijgen om in Samaria-Judea de eigen wetgeving van toepassing te verklaren en feitelijk het gebied te “annexeren”.

Als het over het plan-Trump ging, viel in de mainstream-pers voortdurend het woord “annexatie”, maar dan zonder aanhalingstekens. Ik zet “annexatie” wél tussen aanhalingstekens omdat het slechts de uitbreiding betreft van de Israëlische soevereiniteit over een beperkt gebied waarop Israël voor duizend procent en eigenlijk in zijn geheel moreel en internationaalrechtelijk legaal het gezag kan claimen. Ik gebruik het woord “annexatie” tussen aanhalingstekens tóch omdat de meer waarheidsgetrouwe omschrijving als volgt zou moeten luiden: uitbreiding van de Israëlische soevereiniteit over een beperkt gebied waarop Israël voor duizend procent en eigenlijk in zijn geheel moreel en internationaalrechtelijk het gezag kan claimen. Dat wordt een beetje lang om telkens te gebruiken. Dus “annexatie” tussen aanhalingstekens, óók al omdat Palmaffiabaas Abbas de kans zou krijgen om zijn deel van het gebied flink uit te breiden als hij en zijn kliek zich normaal zouden gaan gedragen, dus zonder terreur en haatpropaganda. Precies daarom was Caroline Glick zo blij met het plan. Want Glick wéét dat de Palmaffia’s existentieel slechts in staat zijn tot haat en terreur en dat betekende dat Glicks plan doorgevoerd zou kunnen worden: totale annexatie van de hele “Westbank” volgens haar plan zoals neergelegd in haar boek “The Israeli Solution”.

Trumps plan is uiteraard vooral een wereld van verschil met de politiek van Obama — zie de betreffende paragraaf over hem — die er alles aan gedaan heeft om Israël en eigenlijk ook Amerika te ondermijnen. Maar Trumps plan stuitte op hindernissen. Begin augustus 2020 luidde het nieuws dat de “annexatie” van Samaria-Judea volgens het plan werd uitgesteld. De voornaamste redenen die aanvankelijk voor dat uitstel gegeven werden, waren Corona, Black Lives Murder-rellen, de Amerikaanse verkiezingen en Netanyahu’s noodzaak-coalitie met Blauw-en-Wit waarin teveel tegenstanders van “annexatie” zaten.

Maar een dieperliggende reden was waarschijnlijk toen al de Abraham-akkoorden tussen de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) en Amerika die Trump op 13 augustus 2020 uit de hoge hoed toverde. Abraham-akkoorden? Aan het slot van zijn aankondigende persconferentie liet Trump ambassadeur Friedman uitleggen dat de naam was gekozen omdat Abraham kan gelden als de stamvader van alle drie grote monotheïsmen in het Midden-Oosten: het Jodendom, het Christendom en de Islam. Trump voegde er ironiserend aan toe dat hij het liever de Trump-akkoorden had genoemd, maar dat de pers daar ongetwijfeld nare ijdelheid in gezien zou hebben.

Die Abraham-akkoorden veranderden het karakter van die vierjarige termijn waarbinnen in het plan-Trump de Palmaffia’s tot een aanvaarding moesten komen van de grote lijnen ervan. Want de Abraham-akkoorden met de VAE betekenden dat de soennitische Arabische wereld toe was aan een erkenning van Israël en bereid was de Palmaffia’s onder druk te zetten om tot vrede te komen. Dat was alweer Copernicaans vergeleken bij de afgelopen 70 jaar, waarin Israël eerst altijd met de Palmaffia’s tot overeenstemming moest komen alvorens de Arabische landen hun goedkeuring wilden geven aan een vredesverdrag. Anders gezegd: in feite hadden de afgelopen 70 jaar de Palmaffia’s een veto over elk vredesplan. Van de Arabische wereld mochten ze zich totaal onverzoenlijk en compromisloos opstellen. Maar nu werd dat anders: als de Palmaffia’s nu zouden volharden in hun rejectionisme, dan zouden de Arabische landen hun steun aan Abbas intrekken en zou Israël alsnog de vrije hand krijgen voor totale “annexatie” volgens het plan Glick in haar “Israeli Solution”.

Maar waarom hebben de VAE nou dat akkoord met Trump gesloten? Dat komt omdat de soennitische Arabische wereld, inclusief Saoedi-Arabië, bang is voor de expansieve terreur van het sjiitische Iran en omdat de Arabieren Israël en Amerika nodig hebben om Iran van een atoombom af te houden. Dit akkoord zou nooit gesloten zijn zonder de instemming van minstens Saoedi-Arabië.

Inmiddels zijn via de gestolen verkiezingen van november 2020 in Amerika de Democraten aan de macht en worden de successen van Trump teruggedraaid. Biden is een groot liefhebber van de islam en vooral van de moslim-verkiezings-stem, en ook van de stemmen van dat deel van de zwarte bevolking waarin het antisemitisme en de sympathie voor de islam groot is (Farrakhans Nation of Islam). Onder het duo Biden-Harris werden dus de onderhandelingen van het Witte Huis met Abbas weer geopend. Waardoor de Palmaffia’s kunnen blijven wat ze al 100 jaar zijn: onverzoenlijke islamitische terroristen. Onder Biden krijgen ze opnieuw alle ruimte voor sabotage en rejectionisme. De enige factor die hun speelruimte beperkt, wordt gevormd door de Arabische landen die Israël en Amerika nodig hebben om Iran van een atoombom af te houden. Amerika heeft daarvoor Israël weer nodig en dat beperkt weer de mate waarin Biden aan de Palmaffia’s hun zin kan geven. We kunnen ook enige hoop putten uit het feit dat nu de Arabische wereld, zelfs los van de dreiging van Iran die hen richting Israël drijft, de Palmaffia’s zat begint te worden. Anderzijds toch ook weer: de Jodenhaat die ook in bijvoorbeeld Saoedi Arabië al decennia van staatswege wordt gepropageerd, is onder de bevolking echt niet meteen weg, al zóú de elite inderdaad de irrationaliteit ervan inmiddels inzien.

De insteek van Abbas en Hamas zal blijven: Israël wegvagen en zoveel mogelijk Joden vermoorden. Al zouden de Palmaffia’s willen (!) dan nog zijn ze niet in staat om Israël te erkennen en in vrede met Israël te leven. Want ze hebben hun eigen bevolkingen dermate in Jodenhaat gedrenkt dat elke leider die een werkelijk compromis met Israël zou voorstellen ten dode is opgeschreven. De Palmaffia’s berijden een tijger die ze zelf dagelijks voeden met haat en ze kunnen er nooit meer af. Een eventuele “Palestijnse Staat” zou binnen de kortste keren zijn overgenomen door ISIS-al-Qaeda-al Nusra and what have you aan islamitische slachtersclubs. Die hele “Westbank” zou binnen een paar maanden een raketlanceerinrichting zijn geworden en een tweede springplank, naast Gaza, om Israël binnen te vallen. Die door de Palmaffia’s nagestreefde “Palestijnse staat” maakt al decennia deel uit van de 2-fasen strategie die vanaf Arafat gevolgd is: zo’n “Palestijnse staat” moet vervolgens een uitvalsbasis worden voor de vernietiging van Israël. Die strategie leerde Arafat van Amin al-Husseini (1897 – 1974), Moefti van Jeruzalem en bondgenoot van Hitler. Al-Husseini paste in zijn tijd die strategie zelf niet toe omdat hij meende met behulp van de Britten en later met die van de nazi’s meteen héél Palestina te kunnen krijgen zonder die tussenstap van een Palestijnse staat te hoeven nemen. Maar het einddoel is altijd hetzelfde gebleven: alle Joden in Palestina dood of weg. Zoals Abou Jahjah dat formuleert: “la valise ou le cercueil”: de reiskoffer of de doodskist.

De Palmaffia’s zullen blijven proberen via de islamofiel-antisemitisch-links-regressieve krachten in Amerika en Europa, en uiteraard via de door de OIC beheerste Verenigde Nazi’s, erkenning af te dwingen van een Jodenvrije (!) “Palestijnse staat” in Samaria-Judea (“de Westbank”) zonder met Israël te hoeven onderhandelen en zonder Israël te hoeven erkennen.

9)Apartheid

Israël is een Apartheidsstaat net zoals Zuid-Afrika was, zeggen de Israëlhaters en ze krijgen voor die beschuldiging de handen op elkaar in de Algemene Vergadering van de Verenigde Nazi’s. Mark Lewis heeft ook over dit essentiële punt inzake Israël een fundamentele analyse gepleegd. Hij beschrijft eerst de Apartheid in Zuid-Afrika en somt de wetten op die ervoor zorgden dat de mensen-van-kleur geen enkel burgerrecht hadden, de blanken totaal heersten en dat de maatschappelijke wereld van de blanken en die van de “kleurlingen” zich totaal gescheiden voltrokken.

Daar zet Lewis Israël tegenover:

“Israëlische Arabieren kunnen regerings-posities bekleden, in het leger dienen (hoewel niet vereist zoals wel voor de meeste Joden) en stemmen. Israëlische Arabieren worden niet verwezen naar buurten voor alleen-Arabieren of buiten wijken gehouden exclusief bestemd voor Joden. Arabieren mogen met joden naar school, behandeld worden in dezelfde ziekenhuizen als joden door Arabische of joodse doktoren, eten in dezelfde snackbars en restaurants, met dezelfde bussen reizen en in dezelfde winkels en winkelcentra winkelen. Israëlische Arabieren kunnen zwemmen in dezelfde zwembaden en aan dezelfde stranden, picknicken in dezelfde parken, lezen in dezelfde bibliotheken, hun godsdienst beleven in dezelfde kerken, dezelfde uitgaansgelegenheden bezoeken en spelen op dezelfde speelplaatsen. Israëlische Arabieren staan geen Bantustans te wachten. Ze hebben bewegingsvrijheid door het hele land en hebben vrijheid van vergadering. Arabisch is een van de officiële talen van het land.”

Kortom: degene die beweert dat Arabieren in Israël te lijden hebben onder een Apartheid te vergelijken met die in Zuid-Afrika van vóór 1994 is domweg totaal krankzinnig en slecht en erop uit Israël te demoniseren.

Maar Jodenhaters die er inderdaad per se op uit zijn Israël aan te klagen, zijn niet voor één gat gevangen. Ze stellen dat het feit dat Israël een Joodse staat wil zijn inherent racistisch is. Ja, dat is een lastig puntje want Israël was vanaf de oprichting, bijvoorbeeld door de Volkenbond, bedóéld als een Joodse staat. De bekende resolutie 181 van 1947 van de VN wilde die overgebleven 30% van het Mandaatgebied inderdaad verdelen in een “Joodse staat” (30 x zo genoemd in de resolutie) en een “Arabische staat” (ook tig keer aldus aangeduid).

Hoezo is een Joodse staat racistisch, vraagt Lewis, als er ook een Arabische Liga met 22 lidstaten is? We hebben de Verenigde Arabische Emiraten, de Syrische Arabische Republiek, de Arabische Republiek van Egypte, de Islamitische Republiek van Mauritanië, de Islamitische Republiek van Afghanistan en het Hashemitische Koninkrijk van Jordanië. De Arabische landen hebben zich verenigd in de OIC, de “Organisation of the Islamic Cooperation”. Er zijn expliciet katholieke landen als Argentinië, Bolivia, Colombia, Costa Rica, Guatemala, Italië, Luxemburg, Spanje en Venezuela. Er zijn Boeddhistische landen als Cambodja, Sri Lanka en Thailand. Protestantse landen als Denemarken, Finland, Ijsland, Liberia en Noorwegen. Mag Nepal Hindoeïstisch zijn?

En mag ik daar nog een persoonlijk observatie aan toevoegen? In Israël is geen enkele godsdienst verboden, ook niet de islam, een nazistische ideologie die bol staat van de Jodenhaat en die de inspiratie vormt voor de constante jihad die tegen de Joodse staat wordt gevoerd.

Dat de ster van David in de Israëlische vlag voorkomt, is voor sommigen ook al een teken van racisme. Maar, zegt Lewis, ze hebben blijkbaar geen bezwaar tegen de gouden adelaar van Saladin de Veroveraar in de Egyptische vlag. Op de Iraanse vlag staat 22 keer klein geschreven “Allah is de grootste”. Op de Iraakse vlag staat het maar één keer, maar wel heel groot. Dan de vlag van Saoedi-Arabië. Die draagt de tekst “Er is geen andere Allah dan Allah; Mohammed is de boodschapper van Allah”. Oh ja! En onder die tekst is een kromzwaard afgebeeld waarmee al die openbare executies worden uitgevoerd. Hoeveel vlaggen met een islamitische halve maan erop zijn er eigenlijk? En dan is er hier of daar ook nog wel eens een christenkruis op een vlag zichtbaar.

Het is natuurlijk schijtvermoeiend dat je dit soort shit allemaal moet oplepelen om idiote aanklachten van “racisme” tegen Israël te weerleggen puur omdat Israël een Joodse staat wil zijn. Voorts: christen of Jood zijn in een islamitisch land is moeilijk tot onmogelijk, terwijl de Israëlische Verklaring van Onafhankelijkheid spreekt van “de ontwikkeling van het land ten voordele van al zijn inwoners” en van “totale gelijkheid van sociale en politieke rechten van al zijn inwoners ongeacht religie, ras of geslacht; het land zal vrijheid van religie, geweten, taal, opvoeding en cultuur waarborgen”. Die principes werden herbevestigd in 1994. Dat is toevallig hetzelfde jaar als waarin een einde kwam aan de Apartheid in Zuid-Afrika.

Nog een citaatje uit die Israëlische “Verklaring van Onafhankelijkheid” van 1948:

“Temidden van de aanval die nu al maanden tegen ons wordt gelanceerd doen wij een beroep op de Arabische inwoners van de staat Israël om de vrede te bewaren en deel te nemen aan de opbouw van de staat op basis van volledig en gelijk burgerschap en passende vertegenwoordiging in al zijn voorlopige en permanente instellingen. “

Maar Jodenhaters die er per se op uit zijn Israël aan te klagen zijn niet voor één gat gevangen. Had ik die zin hierboven al gebruikt? Ja, verdomd!

Hun gebazel over het “racistische” Joodse karakter van de staat Israël menen antisemieten te kunnen adstrueren met de opmerking dat de Wet op de Terugkeer alleen voor Joden en hun naaste verwanten geldt. Dat is inderdaad een geval van etnisch-religieuze voorkeur, maar dat is iets anders dan etnisch-religieuze onderdrukking van de Ander. Ook niet-Joden kunnen in voorkomende gevallen zich in Israël vestigen via een proces dat normaal is in alle beschaafde landen. De Wet op de Terugkeer discrimineert niet tussen de inwoners van Israël. Lewis geeft vervolgens een opsomming van landen die net als Israël die “etnisch-religieuze voorkeur” voor “eigen mensen” in hun wetten hebben opgenomen. Dan gaat het dus om voorkeur voor “landgenoten” bij immigratie en bij hulp-in-nood in het buitenland: Griekenland, Finland, Polen, Ierland, Armenië, Hongarije, Slovenië, Japan, Korea, China, Filipijnen, Slovenië, Macedonië, Kroatië, Oekraïne, Rusland.

De grondwet van Palestina (1996 en 2003) dus die grondwet die ooit bedoeld was als basis voor een “Palestijnse staat” als de Oslo-Akkoorden niet door Arafat gesaboteerd waren geworden “is bedoeld om alle Palestijnse Arabieren automatisch burgerschap te verlenen, ongeacht waar ter wereld ze wonen, met de volgende regel vanaf de introductie ervan: ‘De tijdelijke bepalingen van deze wet annuleren of vernietigen de rechten van geen enkel Palestijns individu, waar hij ook is, om gelijke rechten te genieten met andere burgers in het vaderland.’”

Artikel 1 van diezelfde grondwet definieert “Palestijns” als specifiek Arabisch om elke twijfel weg te nemen over op wie dit favoritisme van toepassing is.

Refererend aan het “Report on the Preferential Treatment of National Minorities by their Kin-State” van de “Venice Commission” citeert Lewis uit dat rapport:

“( . . .) verschillende behandeling van personen in vergelijkbare situaties is niet altijd verboden ( . . .) naar de mening van de Commissie is de omstandigheid dat een deel van de bevolking een minder gunstige behandeling krijgt op grond van het niet behoren tot een bepaalde etnische groep niet op zichzelf discriminerend, noch in strijd met de principes van het internationaal recht. Inderdaad, etnische targeting wordt vaak gedaan, bijvoorbeeld in wetten over burgerschap. “

Lewis concludeert:

“Dus als het favoritisme dat Joden burgerschap in Israël garandeert niet discriminerend is, niet in strijd met de principes van het internationaal recht en vergelijkbaar met wetgeving die door tientallen andere landen over de hele wereld is aangenomen ( . . .) waarom hebben we het dan over Apartheid?”

De onder Trump gesloten Abraham-Akkoorden hebben, in elk geval voor zolang Iran een bedreiging vormt voor Saoedi-Arabië en de Emiraten, de houding van de Arabische landen richting Israël veranderd. Maar tot voor zeer kort gold onverkort wat Lewis tenslotte zegt:

“Algerije, Bangladesh, Brunei, Djibouti, Iran, Koeweit, Libanon, Libië, Maleisië, Pakistan, Saoedi-Arabië, Soedan, Somalië, Syrië, de Verenigde Arabische Emiraten en Jemen laten mensen met een Israëlisch paspoort niet toe in hun land, maar dat lijkt niemand af te schrikken. (Bahrein, Iran, Koeweit, Libanon, Libië, Qatar, Saoedi-Arabië, Soedan, Syrië en Jemen laten zelfs degenen met een Israëlisch stempel op hun paspoort niet toe.) Een [Israëlische] wet die op zijn ergst gewoon van ieder ander [niet-Jood] eist een standaard naturalisatieprocedure te volgen voordat ze als burger worden verwelkomd, lijkt het niet waard om anti-apartheids-campagnes op de been te brengen.”

Maar goed: Israëlische “Apartheid” is dus het probleem.

10) Deir Yassin

“Critici van Israël hebben er alles aan gedaan om de aanval op Deir Yassin af te schilderen als een schoolvoorbeeld van een bloedbad waarover geen discussie mogelijk is. Anti-Israëlische auteurs zullen je doen geloven dat de Joden een vredig burgerdorp binnen stormden, de inwoners op een rijtje zetten en systematisch ongewapende mannen, vrouwen en kinderen met machinegeweren begonnen te executeren.” (Mark Lewis)

Deir Yassin was een dorp dat hooggelegen was aan de enige weg tussen Tel Aviv en Jeruzalem waarlangs voedsel en water kon worden aangevoerd naar een Jeruzalem dat in 1948 door de Arabieren werd belegerd en uitgehongerd. De trucks die probeerden in konvooi voedsel en ook water naar Jeruzalem te brengen — de belegerende Arabieren hadden ook de pijpleiding doorgesneden die de stad van water voorzag — werden vanuit Deir Yassin beschoten. De inwoners van Deir Yassin hadden vanaf 1920 een geschiedenis van terreur tegen hun Joodse buren in nabijgelegen dorpen. De leiders van het dorp hadden op enig moment een vredesovereenkomst getekend met de Joodse gemeenschap, maar ze hielden er zich niet aan. In de aanloop naar de aanval van de Haganah op Deir Yassin op 9 april, 1948 was er een toename geweest van de terreur richting naburige Joodse dorpen en richting vitale aanvoerweg. Voorts waren er bewijzen dat er een geschatte 150 Irakese soldaten het dorp waren binnengekomen en dat die een mortier in stelling hadden gebracht, gericht op de aanvoerweg.

Met typisch Joodse verraderlijkheid — het doet denken aan de waarschuwingen die het IDF vooraf geeft als ze weer eens een raketinstallatie in een woonwijk in Gaza moeten bombarderen — stuurde de Haganah een geluidswagen met megafoon naar het dorp om te waarschuwen dat de aanval eraan kwam en dat iedereen die niet wenste mee te doen aan de gevechten zich kon begeven naar een weg die leidde naar een bepaald naburig dorp. De belligerenten binnen Deir Yassin namen de geluidswagen meteen onder vuur, maar er zijn getuigenverklaringen van Arabieren die aangeven dat de boodschap wel degelijk aankwam in het dorp. Inderdaad rapporteerde het Rode Kruis dat tenslotte 200 tot 250 dorpelingen veilig geëvacueerd werden. Daarmee werd waarschijnlijker dat wie zich nog in het dorp bevond, had besloten de strijd aan te gaan.

Lewis citeert een aantal getuigenissen over wat er gebeurde toen de Haganah, ondersteund door Joodse milities, de aanval opende: er hingen witte vlaggen uit de dichtstbijzijnde dorps-poort, maar toen de Irgoen-militie naderde werd deze onder vuur genomen. Tijdens de gevechten bleken er Iraakse soldaten te zijn in regulier Irakees legeruniform, maar ook in uniformen die op die van de Haganah leken en er waren Irakezen die verkleed waren als vrouwen. De Joden werden beschoten vanuit de ramen van de huizen. Arabische vrouwen kwamen naar buiten om wapens terug in de huizen te brengen die uit de handen waren gevallen van omgekomen of gewonde Arabieren. Je moest, zegt een Joodse strijder, geen deur openen want dan werd je meteen beschoten en dat kon zomaar zijn door een vrouw. [Of als vrouw verklede man? MP] De enige manier om een huis binnen te komen en een einde te maken aan het schieten was een handgranaat naar binnen gooien en dan konden er dus vrouwen en kinderen verwond of gedood worden.

Voor het overige wijzen de getuigenissen er in het algemeen op dat de “dorpelingen” hevig vochten en dat de Joden de strijd slechts met veel verliezen en moeite wisten te winnen. Een van de gevallen Iraakse officieren bleek bij identificatie dan ook afkomstig te zijn uit een Joegoslavische SS-eenheid die de Moefti van Jeruzalem, Amin al-Husseini, tijdens WO II had opgericht.

Alle krijgsgevangenen werden, aldus Lewis “( . . .) prompt aan Arabische troepen overgedragen zodra Deir Yassin was veilig gesteld. Direct na de aanval leidde een Irgoen-commandant een lid van het Rode Kruis door het dorp. Er werd een persconferentie gehouden. Er mochten foto’s worden gemaakt.”

Waarna Lewis concludeert:

“Dorpelingen worden gewaarschuwd voor de aanval, krijgsgevangenen worden genomen en teruggegeven, humanitaire groepen worden rondgeleid, persconferenties gegeven, foto’s worden gemaakt ( . . . ) dit is niet typisch gedrag na een authentiek bloedbad.

Maar de Arabische reactie — dat zegt niet Lewis, dat zeg ik — ligt helemaal in de lijn van “listensmid” Allah die de moslims opdraagt om de gelovigen te misleiden.

Lewis:

“Toen de Arabieren [in het verdere Midden-Oosten] eenmaal lucht hadden gekregen van de Deir Yassin-aanval, werd een aanzienlijke hoeveelheid creatieve energie afgeleid van het winnen van de oorlog naar het verzinnen van een leugen. Aan een Palestijn genaamd Hussein Khalidi wordt toegeschreven dat hij is begonnen met de leugen van bloedbad en wreedheid. Slechts een paar dagen na de aanval, op 12 april 1948, werden Khalidi’s beschuldigingen door New York Times-correspondent Dana Schmidt als evangelie aanvaard. Schmidts berichtgeving wordt vaak het bewijs genoemd dat er een bloedbad heeft plaatsgevonden. Het probleem hiermee is dat Khalidi’s beweringen verzonnen propaganda waren.”

Waarna Lewis een heel aantal getuigenissen citeert die bewijzen dat er geen “massamoord” op onschuldige burgers plaats vond en dat — zo voeg ik dan maar toe — de New York Times ook toen al een foute Jodenkrant was met minimalisering van de Holocaust en maximalisering van de “misdaden” van de Joden in Palestina.

De leugen van de massamoord in Deir Yassin, zegt Lewis, kreeg ruime verspreiding in Palestina en had ook een ruim boemerangeffect. In plaats van de strijdvaardigheid van de Arabieren te vergroten, veroorzaakte het een vlucht van Arabieren uit steden over heel Palestina. (De hierna nog te noemen David Meir-Levi meent echter te weten dat het juist de bedoeling van die leugen-annex-overdrijving was om de Palestijnse Arabieren op de vlucht te jagen en zo de Arabische landen te dwingen met meer troepen en felheid de strijd aan te gaan.) 

Intussen was de verovering van Deir Yassin een succes in de strijd om de verhongering en verdorsting van de honderdduizend Joden in Jeruzalem te voorkomen: meteen de volgende dag wisten 250 vrachtwagens van een oorspronkelijk konvooi van 280 Jeruzalem te bereiken met suiker, melk, fruit en groenten. (Wie een levendig verslag wil lezen van de toestand in Jeruzalem in die dagen: Zipporah Porat, “Letters from Jerusalem: 1947-1948“)

Hij wil, zegt Lewis, niet de indruk wekken dat de Joodse strijders engelen waren die niet in staat waren om uit woede te moorden. En er is enige bewijs dat in één geval 14 dorpelingen door de Irgoen zijn geëxecuteerd nadat het vechten al gestopt was. De “listen” die de Arabische strijders toepasten — witte vlaggen, verkleed zijn als vrouwen — waardoor Irgoen-strijders waren gesneuveld, kan die woede opgewekt hebben.

Lewis haalt nog “een ander illustratief verslag aan” dat beschrijft hoe

“( . . .) de Irakezen zich als vrouwen hadden vermomd — het is gemakkelijk wapens te verbergen onder de wapperende gewaden van de chador — en zich hadden verstopt tussen vrouwen en kinderen in het dorp. Dus toen de Irgoen-strijders binnen kwamen, kwamen ze onder vuur van ‘vrouwen’ te liggen! ( . . .) Toen ze zich in een groep bevonden, nog steeds verkleed als vrouwen, zich hadden overgegeven en hadden ingestemd om gevangen te worden genomen, openden enkele Irakezen het vuur opnieuw met wapens verborgen onder hun vrouwenkleding. Irgoen-strijders werden overrompeld, meerderen werden gedood en andere Irgoen-strijders openden [dus] het vuur op de groep. Irakezen die zich inderdaad hadden overgegeven, werden gedood, samen met degenen die alleen hadden gedaan alsof ze zich overgaven ( . . .). “

Dat “ander illustratief verslag” haalt Lewis uit David Meir Levi: “Big Lies: Demolishing the Myths of the Propaganda War Against Israel” (2005). Ook in zijn latere boekje “History Upside Down” (2007), behandelt Meir Levi de gebeurtenissen in en bij Deir Yassin.

En tenslotte nog maar eens iets over het vervloekte lasterliegen van de Jodenhaters en de stompzinnige links-regressieve meelopers waardoor het weerleggen van de lieglasterlijkheden een wetenschap op zich is geworden:

“In totaal werden 170 Engelstalige geschiedenisboeken die verwijzen naar de slag om Deir Yassin voor deze studie geanalyseerd. Slechts 8 van de 170 uitten ernstige twijfels of er al dan niet een bloedbad had plaatsgevonden. Van de 162 boeken die vermeldden dat er absoluut een bloedbad had plaatsgevonden, gaven 94, dus 58%, geen enkele bron voor hun beschuldiging. En nog eens 38, dus 23,4%, noemde alleen secundaire bronnen voor de bloedbad-claim. Met andere woorden, een totaal van 81,4 % van de auteurs die beweren dat er bloedbad plaatsvond, deed dit zonder enig origineel onderzoek om hun bewering te staven.”

Voor de voetnoten kunt u zich vervoegen bij Lewis: ik ben alleen de samenvattende en vertalende toegankelijk-maker.

Oh ja! De andere Arabische dorpen in de buurt van Deir Yassin die zich niet hadden gemengd in de strijd werden geheel met rust gelaten. Maar als wraak voor Deir Yassin werden binnen een paar dagen zeven-en-zeventig verpleegsters en dokters gedood die in een colonne op weg waren naar het Hadassah Hospitaal op de berg Scopus. (13)

11) Ari Shavit: Zionisme-kritiek als Stockholm-syndroom

De hype rond “Mijn Beloofde Land” van Shavit begon eind 2013 in Amerika, zette zich door in 2014 en verspreidde zich in 2015 over Europa. Amazon presenteerde het boek met deze woorden:

“New York Times Bestseller, door de New York Times Book Review en The Economist uitgeroepen tot een van de beste boeken van het jaar.Winnaar van de Natan Book Award, de National Jewish Book Award en de Anisfield-Wolf Book Award. “

En dan volgen lovende citaten uit de recensies in de belangrijke kranten. Inderdaad, in de mainstream prezen de recensenten Shavits boek rijkelijk. Een van de uitzonderingen was Sol Stern, de auteur van het mini-prachtboekje A Century of Palestinian Rejectionism. Stern zei dat dit boek een verraad is aan Israël, de doodsvijanden van Israël in de kaart speelt en “een geschenkdoos is voor Mahmoud Abbas en voor haters van Israël, wereldwijd”. Ik ben het met Stern eens.

Een zekere Rob Eshman, “uitgever en hoofdredacteur van TRIBE Media Corp./Jewish Journal”,  definieerde scherp de sfeer van afgoderij die begin 2014 hing rond de Amerikaanse promotie-tour van Shavit: “Als je wilt zien hoe profetie eruitziet onder Joden in het begin van de 21e eeuw, volg Ari Shavit dan in Los Angeles.”

Ik heb het boek ook gerecenseerd en ik heb dat heel, héél uitgebreid gedaan. Het kostte me bijna het hele jaar 2014 om 17 (!) essays te schrijven waarin ik de 17 hoofdstukken van ‘My Promised Land’ analyseerde. U kunt ze vinden op mijn website tussen de honderden andere stukken die ik in de loop van de jaren wijdde aan de verdediging van Israël — Contra de Israëlhaat: teksten tegen de antisemitische bierkaai — en ook als u gaat naar nummer 17 van die essays eveneens op mijn website. Ik schreef ze in het Nederlands.

Maar een enkele hoofdstuk-kritiek vertaalde ik toch ook in het Engels omdat het een extra belangrijk onderwerp betrof, namelijk een mythe vergelijkbaar met het antisemitische gruwel-spookje rond Deir Yassin en welke mythe door Shavit nieuw leven werd ingeblazen, namelijk de mythe rond het Palestijnse stadje Lydda. Daarover kunt u hier beneden lezen onder het kopje, inderdaad, “Ari Shavit en Lydda”.

Maar eerst dus een algemene kritiek op zijn boek. Shavit is in dat boek een man van vele perspectieven, van té veel perspectieven zou ik zeggen:

“De vraag ‘waarom?’ valt niet te beantwoorden via polemiek.Hoe gecompliceerd die vraag ook is, zij leent zich niet voor argumenten en tegenargumenten. De enige manier om daar uit te komen bestaat erin het verhaal te vertellen. Dat heb ik in dit boek ook getracht te doen. Op mijn eigen idiosyncratische manier en door mijn eigen bril heb ik gepoogd ons bestaan als een geheel te benaderen – zoals ik het zie. Dit boek is de persoonlijke Odyssee van één man die vol verbijstering het historische drama beziet. Het is een tijd- en ruimtereis van een persoon op zoek naar het héle verhaal. Via het verleden van mijn familie, mijn persoonlijke geschiedenis en diepte-interviews probeer ik greep te krijgen op dat grotere verhaal en de achterliggende vraag ‘waarom?’ Wat is er gedurende meer dan honderd jaar gebeurd, dat we nu zijn waar we zijn? Wat is er hier tot stand gebracht, wat is hier verkeerd gegaan en waar stevenen we op af? Is mijn grote bezorgdheid wel terecht? Zitten wij gevangen in een uitzichtloze tragedie of kunnen we ons nog nieuw leven inblazen, onszelf eruit redden?” (14)

Zoals u kunt zien aan de cursivering en aanhalingstekens, is het bovenstaande een citaat. Ik kan hier niet veel van begrijpen. U wel? Het is alleen duidelijk dat we hier een man hebben die in grote nood en verwarring verkeert, die een zeer persoonlijke en heroïsche poging doet om iets heel groots en ingewikkelds te begrijpen. Het citaat is de allerlaatste alinea uit de “Introductie” van “Mijn Beloofde Land” door Ari Shavit. Ik heb het gewijzigd, maar slechts een klein beetje, door een paar woorden en zinnetjes te verwijderen die duidelijk maken dat dit over Israël gaat.

Maar zelfs als je weet dat het over Israël gaat, dan is dit een aankondiging dat het heel, heel ingewikkeld gaat worden. En als je het boek van Shavit leest, zul je merken dat het nóg ingewikkelder is dan Shavit aankondigt, omdat hij meer gebruikt dan alleen “het verleden van mijn familie, mijn persoonlijke geschiedenis en diepte-interviews”, namelijk lang uitgesponnen chaotische, essayistische, polemische en filosofisch-speculatieve passages. Oh ja, en nog wat: al schrijvende reist Shavit veel door Israël en ook dat schrijft hij op. Het is bepaald een verwarrend boek. Korter en botter gezegd: het boek is een puinhoop.  Je zou kunnen zeggen: zo is het leven en vooral in Israël. Zeker, maar dat is nog geen reden om een rotzooi van je tekst te maken. Ordnung muss sein!

Halverwege “Mijn Beloofde Land” meende ik nog steeds onder de indruk te zijn en dacht ik dat Shavit toch wel een fantastische schrijver en “componist” was. Maar toen ik verder las, voelde ik steeds meer afkeer van zijn proza. Aangekomen op tweederde begon zijn breedsprakigerheid me misselijk te maken.

Shavit is een man van vele dualismen. Naast de vele, vele, vele perspectieven zijn ook die voortdurende dualismen verantwoordelijk voor de verwarring. De lezer stuit constant op een soort dualistische dialectiek. Of zoiets. Het zelfs zit in de subtitel: “Mijn Beloofde Land: Triomf en Tragedie van Israël”. Ik ben in de verleiding geweest om elke tegenstrijdigheid, antithese, discrepantie, stel antipoden, ambiguïteit, tweedeling, ambivalentie en andere tegenstellingen in dit boek te catalogiseren, maar ik weet niet zeker hoeveel inzicht in het karakter van de tekst dat zou hebben opgeleverd. Bovendien zit het probleem niet in het dualisme zelf — tegenstrijdigheden zijn misschien wel de essentie van het leven — maar het probleem zit hem in het feit dat Shavit geen poging doet om ze op te lossen. Hij gooit ze gewoon in emmers en tonnen op de pagina. Hij heeft dat overigens wel zelf in de gaten:

“De vraag ‘waarom Israël’ valt niet te beantwoorden via de polemiek. Hoe gecompliceerd hij ook is, hij leent zich niet voor argumenten en tegenargumenten. De enige manier om daar uit te komen bestaat erin het verhaal van Israël te vertellen.”

Dus dat is wat hij doet: hij vertelt het verhaal vol contradicties en we moeten het zelf als lezers maar proberen te begrijpen. Dat heb ik inderdaad gedaan en de ultieme betekenis van dit boek is voor mij heel duidelijk: onder de dualistische diarree luidt de boodschap dat de Joden, Israël en het zionisme schuldig zijn! Ik kom zodadelijk terug op dit probleem van Shavits zogenaamde “dualisme”, dat een ​​​​Stockholmsyndroom-dualisme is, dus een dualisme dat zich vereenzelvigt met de islamitische gijzelnemer.

Zowel zijn breedsprakerigheid als zijn onopgeloste dualismen begonnen me meer te ergeren naarmate ik verder in het boek vorderde. Ik vond dat steeds verontrustender, die meanderende redeneringen vol onopgeloste antitheses in die schijnbaar oneindige tekst, vol met enerzijds en anderzijds, goed en slecht, positief en negatief, boordevol sociale, morele en psychologische duo-definities. En nogmaals: Shavit doet geen pogingen om zijn overvloed aan onopgeloste tegenstellingen op te lossen door te redeneren, of . . . . . ze minimaal naar een hoger niveau te brengen, wat de taak van de dialecticus zou zijn. Nee, hij gooit ze gewoon met emmers vol op de pagina en zegt tegen de lezer: ruim het maar op als je zin hebt.

Er is een vroege recensie van november 2013 door Earl Garner in de New York Times die ons eraan herinnert dat Saul Bellow de “storm van de conversatie” die altijd al in Israël woedde zo leuk vond. Garner gebruikt de autoriteit van Bellow in zijn lof voor Shavit:

“(…) Het is een storm van conversatie, van gevoelens, van onheil, van redeneringen.Het neemt een brede en vaak persoonlijke kijk op Israëls verleden en heden, en leest vaak als een liefdesverhaal en een thriller tegelijk.Dat het uiteindelijk een boek van klaagzang wordt, een morele cri de coeur en een spookverhaal, versterkt je verbeelding.”

Ziet u wel? Het is allemaal juist erg interessant, deze onuitgewerkte en onopgeloste tegenstrijdigheden in het boek van Shavit. Ik (1945) ben gewoon een chagrijnige en negatieve ouwe  lul. Maar toch waardeer ik een boek als dat van Caroline Glick, “The Israeli Solution” zeer veel hoger omdat Glick doet wat Shavit nadrukkelijk weigert: de tegenstrijdigheden oplossen, aldus tot conclusies komen en . . . . . de consequenties onder ogen zien!

De bovengenoemde Eshman schrijft: “Shavit, zo zei [tv-producer / schrijver Howard] Gordon ( . . .) is de belichaming van de stelregel van F. Scott Fitzgerald dat ‘de test van een eersteklas intelligentie het vermogen is om twee tegengestelde ideeën tegelijkertijd in gedachten te houden en nog steeds het vermogen te behouden om te functioneren’.”

In dat geval is Shavit een kosmische intelligentie, want hij houdt niet twee tegengestelde ideeën in gedachten, maar honderden paren. Het dualisme van Shavit doet de tekst diepzinnig, subtiel, bedachtzaam lijken, recht doen aan een complexe realiteit, maar verbergt de fundamentele bewering van het boek: de Joden zijn schuldig en “de Palestijnen” zijn slachtoffers!

Shavits dualisme is dus een Stockholm-syndroom-dualisme. Ik leg dat uit. De term Stockholm-syndroom ontleent zijn naam aan een bankoverval in Stockholm in augustus 1973. De overvaller nam vier medewerkers van de bank (drie vrouwen en een man) mee naar de kluis en hield ze 131 uur lang gegijzeld. Nadat de medewerkers eindelijk waren vrijgelaten, leken ze een paradoxale emotionele band te hebben gevormd met hun ontvoerder: ze vertelden verslaggevers dat ze de politie als hun vijand zagen in plaats van de bankrover, en dat ze positieve gevoelens hadden jegens de crimineel. Het Stockholm-syndroom wordt beschouwd als een complexe reactie op een beangstigende situatie. Het Stockholm-syndroom helpt om bepaald gedrag van overlevenden van concentratiekampen uit de Tweede Wereldoorlog te verklaren, van leden van religieuze sekten, van mishandelde vrouwen, van slachtoffers van incest. En dus van lichamelijk of emotioneel mishandelde kinderen en personen die gegijzeld zijn door criminelen of terroristen.

Kortom, een Stockholmsyndroom is een vorm van binding tussen gevangenen en gijzelnemers, waarbij gegijzelden zich beginnen te identificeren met de gijzelnemers: de gegijzelden ontwikkelen dus positieve gevoelens jegens de gijzelnemers.

Het Stockholm-dualisme van Shavit is het gemakkelijkst te ontdekken in zijn slechts vijf pagina’s tellende en iets meer dan 2000 woorden lange “Inleiding”, getiteld “Vraagtekens”. Ja hoor, we snappen het: vraagtekens, dus geen antwoorden op de ladingen dualismen. En deze inleiding is op zichzelf wederom dualistisch omdat het uit twee delen bestaat: het eerste deel gaat over “angst” en het tweede over waarom alle Israëliërs bang zouden moeten zijn: de “bezetting”.

“Zolang ik me kan herinneren, herinner ik me angst, existentiële angst. Het Israël waarin ik ben opgegroeid – het Israël van halverwege de jaren zestig van de vorige eeuw – was energiek, uitgelaten, hoopvol. Toch heb ik altijd het gevoel gehad dat er achter die keurige huizen en tuinen van de welgestelde middenklasse van mijn geboorteplaats een duistere oceaan lag. Op een dag, zo vreesde ik, zou die duistere oceaan omhoog komen en zouden we allemaal verdrinken. Onze kust zou getroffen worden door een tsunami van mythische proporties, die mijn Israël van de kaart zou vegen. Dan zou het een tweede Atlantis worden, verzonken in de diepten van de zee. Op een ochtend in juni 1967 – ik was toen negen jaar – trof ik mijn vader in de badkamer; hij stond zich te scheren. Ik vroeg hem of de Arabieren zouden winnen. Zouden de Arabieren ons Israël veroveren? Zouden ze ons echt allemaal de zee in drijven? Een paar dagen later begon de Zesdaagse Oorlog.”

En dan komt de reden van de angst: namelijk dat “de Palestijnen” zó boos zijn over de “bezetting” die op de Zesdaagse Oorlog volgde dat ze alsnog gaan doen wat de kleine Shavit als negenjarige vreesde: de Israëli’s de zee in drijven. Let vooral op het schuldgevoel dat uit de volgende passage spreekt:

“Zolang ik me kan herinneren, herinner ik me de bezetting. Een week nadat ik mijn vader had gevraagd of de Arabische landen Israël zouden veroveren, veroverde Israël de door Arabieren bewoonde gebieden op de Westoever en in de Gazastrook. Een maand later gingen mijn ouders, mijn broer en ik tijdens een eerste familie-uitje naar de bezette steden Ramalla, Bethlehem en Hebron. Waar we ook kwamen zagen we restanten van uitgebrande Jordaanse jeeps, trucks en andere militaire voertuigen. Aan de meeste huizen hingen, ten teken van overgave, witte vlaggen. Sommige straten waren versperd door de platgewalste, zwartgeblakerde karkassen van luxe Mercedessen die onder de rupsbanden van de Israëlische tanks waren beland. Palestijnse kinderen van mijn leeftijd en nog jonger stond de angst in de ogen. Hun ouders leken uit het lood geslagen, vernederd. In een paar weken tijd waren de machtige Arabieren veranderd in slachtoffers, terwijl de in het nauw gedreven Israëliërs veroveraars waren geworden. De Joodse staat toonde zich nu triomfantelijk en trots en was bedwelmd door een gevoel van macht.”

De vetgedrukte woorden geven een voorproefje van wat er door het hele boek heen aan suggestieve en bevooroordeelde bewoordingen volgt. Shavit probeert constant Israël en het zionisme als kwaadaardig voor te stellen. Als compensatie gooit hij die “luxe-Mercedessen” erin. Ongetwijfeld om te suggereren dat deze Palestijnen niet zo arm waren als men zou denken. In ieder geval niet hun leiders. Maar die Mercedessen zijn echt niet voldoende als “tegenwicht” voor het Israël-bashen in het bovenstaande citaat. Shavit, beter dan arrogantie van de kant van de Israëliërs te suggereren, zou beter hebben kunnen vragen waarom de Israëliërs in de zomer van 1967 onmiddellijk genereuze vrede aanboden, terwijl de overwonnen Arabieren weigerden zelfs maar te onderhandelen. Abba Eban merkte wrang op dat de oorlog van 1967 de eerste was waarin de verliezers de onvoorwaardelijke overgave van de winnaars eisten. Over arrogantie gesproken.

 Shavit ziet wel dat in het begin van “de bezetting” er toch ook nog iets anders was dan angst:

“Toen ik een tiener was, was alles nog oké. De gangbare mening was dat het om een goedaardige militaire bezetting van onze kant ging: het moderne Israël zou voor vooruitgang en welvaart in de Palestijnse gebieden zorgen. Nu kregen onze achterlijke buren de stroom, het leidingwater en de gezondheidszorg die ze nooit eerder hadden gehad. Ze moesten wel beseffen dat ze het nog nooit zo goed hadden gehad. Ze zouden ons vast en zeker dankbaar zijn voor alles wat wij hun schonken. En als er vrede werd gesloten, zouden we de meeste bezette gebieden wel weer teruggeven. Voorlopig echter was alles prima geregeld in het Land van Israël. Arabieren en Joden leefden in het hele land naast elkaar en genoten van de rust en de overvloed.”

Ik zou zeggen: er is niets mis met die “gangbare mening” in Israël in die vroege jaren, behalve dan misschien één fundamenteel ding: die “gangbare mening” realiseerde zich blijkbaar niet dat Israël te maken had met de islam en dat de islam een ideologie is die elk essentieel principe deelt met het nazisme en dat de islam een onveranderlijk totalitarisme is, vooral onveranderlijk in zijn Jodenhaat en expansionistische oorlogs-verslaving inclusief Blut-und-Boden (land dat ooit islamitisch was, kan nooit worden teruggegeven). En dus hadden de islamitische wereld, de Arabieren en het in 1967 nieuw uitgevonden volk “de Palestijnen” nooit de intentie om vrede te sluiten met Israël, vanaf de dagen van de Moefti, dat wil zeggen van 1920 tot het heden van Abbas en Hamas.

Maar dat is uitdrukkelijk dus niet wat Shavit vervolgens zegt. Integendeel, in de volgende alinea begint hij Israël te demoniseren:

“Pas toen ik soldaat was begreep ik dat er iets niet klopte. Een halfjaar nadat ik was ingedeeld bij de elite-paratroepen van een IDF-brigade, werd ik uitgerekend gestationeerd in de bezette steden waar ik tien jaar eerder als kind had rondgetoerd. Nu moest ik het vuile werk opknappen: op wacht staan bij controleposten, meedoen bij huisarrestaties en het met geweld uiteenslaan van demonstraties. De ergste traumatische ervaringen had ik nog wanneer ik huizen moest binnendringen om jongemannen van hun bed te lichten voor nachtelijke ondervragingen. Wat is hier verdomme aan de hand?vroeg ik me af. Waarom verdedigde ik mijn vaderland door burgers de stuipen op het lijf te jagen die werden beroofd van hun rechten en van hun vrijheid? Waarom bezette mijn Israël gebied en onderdrukte het een ander volk?

Dit is ronduit idioot. Wat er “verdomme” aan de hand was, was dit: de Israëli’s waren in 1967 voor de tweede keer aangevallen met genocidale doeleinden – de eerste keer was 1948 – en in de zomer van 1967 weigerden de islamitische landen die in Khartoem bijeenkwamen zelfs te onderhandelen en dwongen Israël tot de regering van Samaria-Judea op zich te nemen, de regio die de Palmaffia-propaganda ons leerde “de Westbank” te noemen. De “tirannisering” was omdat veiligheidsmaatregelen zeer streng moesten zijn en het was gericht tegen “burgers” omdat terroristen geen uniformen dragen.

En dit is nog een andere willekeurige passage uit het boek over “de bezetting”. Dergelijke citaten kan je uit dit boek bij tientallen geven:

“Bijna vijftig jaar nadat mijn familie voor de eerste keer door de bezette Westoever toerde, is die Westoever nog altijd bezet. Hoe laakbaar die bezetting ook is, ze is wel een wezenlijk onderdeelgeworden van het karakter van de Joodse staat. Ze is daarmee ook een wezenlijk onderdeel geworden van mijn leven als Israëliër. Ik mag dan tégen de bezetting zijn, ik ben er wel verantwoordelijk voor. Of ik nu wil of niet, ik kan niet om het feit heen dat mijn land een bezettingsmacht is geworden. Eerst een paar jaar geleden begon het mij ineens te dagen dat mijn existentiële angstbetreffende de toekomst van mijn land wel eens verband kon houden met mijn morele verontwaardiging over het bezettingsbeleid van mijn land. Enerzijds is Israël het enige land in het Westen dat gebied van een ander volk bezet houdt. Anderzijds is Israël het enige land in het Westen dat in zijn voortbestaan bedreigd wordt. Zowel die bezetting als die dreiging maakt dat Israëls situatie uniek is. Dreiging en bezetting zijn allebei een sleutelfunctie gaan vervullen in ons bestaan.”

Ik snap niet hoe een ervaren journalist dit soort bagger kan opschrijven. Weet hij nou echt niet beter? Namelijk dat er helemaal geen “bezetting” bestaat, zoals ik hierboven uitgebreid heb uitgelegd. Maar ik zal het nog een keer doen, want ook in 2021 is het in vele koppen nog steeds niet doorgedrongen en dan hoeft u niet terug te bladeren of te scrollen om te kijken hoe dat ook alweer zat met die niet bestaande bezetting.

Het begint met de historische en morele rechten van de joden om daar te wonen. Historische rechten: ze hebben de oudste bewezen historische aanwezigheid in het land. Morele rechten: Palestina, inclusief Samaria-Judea met Jeruzalem, heeft altijd deel uitgemaakt van de “zelfdefinitie” van Joden over de hele wereld. “Volgend jaar in Jeruzalem!” Morele rechten: toen de zionisten in 1880 met “aliyah” begonnen — “opgang”, terugkeer naar het oer-vaderland — brachten ze een manier van leven mee die veel humaner was dan het bestaande wrede en achterlijke islamitische feodale systeem. Morele rechten: ze brachten welvaart, betere gezondheidszorg, kortom: een beter leven in elk opzicht voor de Arabische inwoners. Morele rechten: met een daad van dé-kolonisatie maakten ze een einde aan een periode van 1300 jaar koloniale bezetting en onderdrukking die begon met de verovering van Palestina rond 638 door de Arabisch-islamitische legers.

Samaria-Judea (“de Westbank”) maakt deel uit van het gebied dat door het verdrag van San Remo in 1920 aan de Joden werd toegewezen als een vestigingsgebied samen met de weinige Arabieren die er al woonden. Dit verdrag van San Remo is nog steeds volledig geldig in het internationaal recht. De morele en historische rechten van de joden plus de wettelijke rechten van de joden in Palestina, inclusief Samaria-Judea, werden versterkt door drie defensieve oorlogen (1948, 1967, 1973) waarin de Joden werden aangevallen met genocidale bedoelingen, en in twee daarvan werden ze uitgerekend via Samaria-Judea aangevallen.

Dat is het. Dat is alles wat er is. Historische rechten. Morele rechten. Rechten volgens internationaal recht. En die historische, morele en wettelijke rechten worden driemaal versterkt door de rechten en wetten van de oorlog.

De morele verontwaardiging van Shavit veronderstelt schuld bij de Joden. Dientengevolge staat Shavits boek vol met beschuldigingen jegens Israël . En het is natuurlijk ook zelfbeschuldiging, omdat Shavit beweert dat hij zich volledig identificeert met Israël. Het is niet voor niets dat Shavits boek “MIJN beloofde land” wordt genoemd. De misdaden waarvan Shavit Israël beschuldigt, somt hij op: kolonialisme, etnische zuivering, bezetting en . . . . . massamoord. Dat laatste komt zo dadelijk aan de orde als we “Lydda” behandelen.

Het zijn allemaal leugens. En ik hoop dat Shavit echt oprecht is over zijn angst en schuldgevoelens en over “de bezetting”. Dat zou hem gewoon een psychiatrische patiënt maken, net zoals de meeste andere regressief-linkse en meegaande Joden in Israël. Een patiënt en geen landverrader. Maar het is moeilijk te geloven dat zijn aansluiting bij de Palmaffiose propaganda alleen het resultaat is van zijn trauma’s. In al die 475 pagina’s van zijn boek geeft hij geen aanwijzingen dat hij de literatuur heeft gelezen die de islamitische en Palmaffiose propaganda aan de kaak stelt en verplettert. Als volwassen Haaretz-journalist had hij in ieder geval iets moeten leren van de krabbeltjes in de “Jerusalem Post” van bijvoorbeeld Caroline Glick. Er is geen enkel teken te vinden in het boek van Shavit dat hij kennis nam van “rechtse”, realistische meningen en analyses. Als Shavit niet ronduit dom is, en dat kan hij niet zijn, zou hij een paar psychiaters moeten zien. Of anders misschien een hooggerechtshof.

Zijn angst is op zich natuurlijk heel verstandig, wijs en gezond. Want de islam bestaat al 1400 jaar uit pure haat. De Koran is een boek vol haat. De mythische Mohammed is de profeet van de haat. Het boek van Wafa Sultan is getiteld Een God die haat en dat van Brigitte Gabriel Omdat ze haten. “MEMRI laat dagelijks zien hoe in het hele Midden-Oosten de dictators de Jodenhaat levend houden en “Palwatch” toont hoe de Palmaffia’s hun volk dag-aan-dag doordrenken met Jodenhaat. En Shavit heeft op zijn minst één ervaring die zo traumatisch moet zijn geweest dat ze op zichzelf al zijn Stockholm-syndroom zou kunnen verklaren:

“In maart 2002 deed een golf van terreur Israël opschrikken.Honderden stierven toen Palestijnse zelfmoordterroristen bussen, nachtclubs en winkelcentra aanvielen.Toen ik op een avond in mijn studeerkamer in Jeruzalem aan het schrijven was, hoorde ik een luide knal.Het moest onze buurtkroeg zijn, besefte ik.Ik pakte mijn schrijfblok en rende de straat op.Drie knappe jonge mannen zaten aan de bar voor hun halfvolle bierpullen — dood.Een tengere jonge vrouw lag levenloos in een hoek.Degenen die alleen maar gewond waren, schreeuwden en huilden.Terwijl ik in de gloeiende lichten van de opgeblazen pub naar de hel om me heen keek, vroeg de journalist die ik nu was: wat moet hiervan komen?Hoe lang kunnen we deze waanzin nog volhouden?Zal er een tijd komen dat de vitaliteit waar wij Israëli’s om bekend staan, zich zal overgeven aan de krachten van de dood?”

Shavit lijdt mogelijk tevens aan een mildere variant van het regelrechte Stockholmsyndroom en dat zou “Palestinisme” kunnen worden genoemd. Dat is weer een variant van het Marxisme. Laat het me uitleggen. Mensen hebben de neiging om naar verklaringen te zoeken wanneer ze met het Kwaad worden geconfronteerd. Het is een troost als slechte mensen niet bij geboorte van karakter slecht zijn, maar slecht werden uit frustratie of ontbering of armoede of alle drie tegelijk. Je verklaart het “naakte” kwaad dan “marxistisch” weg. In het geval van “de Palestijnen” wordt dit argument van frustratie-deprivatie-armoede ook aangevoerd, ondanks het feit dat Gaza en “de Westbank” de zwaarste gesubsidieerde plaatsen ter wereld zijn en er veel, ja zelfs zeer veel luxe te vinden is. Maar in het geval van de “Palestijnen” is er nog een andere methode om het terrorisme van “de Palestijnen” weg te redeneren. De goede linkse mensen zeggen dan: wanneer deze Palestijnen geweld blijven gebruiken, moeten de Israëliërs hen toch wel iets vreselijks aandoen! Dus dan wordt de redenering: hoe gewelddadiger de Palmaffia’s hoe schuldiger de Israëliërs.

Zou het kunnen dat Shavit, als Israëlische Jood, niet alleen zijn vaderland uit angst belastert, maar ook omdat hij, net als de gemiddelde westerse hedonistisch-narcistische linksbuiten, niet in staat is om naakt kwaad in de ogen te kijken? En dat hij dus het kwaad wegverklaart door vreselijke daden toe te schrijven aan de Israëliërs? Want Shavit beschuldigt inderdaad “het zionisme”, dat wil zeggen “Israël”, van vreselijke oorlogsmisdaden.

Het belangrijkste en meest explosieve hoofdstuk in het boek van Shavit is hoofdstuk vijf, getiteld “LYDDA – 1948”. Het had een voorpublicatie in de New Yorker. De bewering van Shavit in dit hoofdstuk luidt dat in de stad Lydda een bloedbad werd aangericht gepleegd door de Joden en dat de maatregelen die werden genomen om de misdaad te verdoezelen op zichzelf een oorlogsmisdaad vormden. Maar dat is niet waar. Ik zal daar in mijn volgende hoofdstuk “Ari Shavit en Lydda” op ingaan. Shavit, in zijn verlangen en behoefte om zich zelf schuldig te voelen en om de joden en het zionisme schuldig te máken, vertelt een zeer bevooroordeeld verhaal en men kan alleen maar hopen en aannemen dat hij zich niet bewust was van de regelrechte leugens in zijn verhaal over het stadje Lydda.

12) Ari Shavit en Lydda

Ik citeer uit hoofdstuk vijf van Shavits “Mijn Beloofde Land” getiteld “LYDDA – 1948”:

“In dertig minuten, tegen het middaguur, worden meer dan tweehonderd burgers gedood.Het zionisme richt een bloedbad aan in de stad Lydda. “ (15)

Dit hoofdstuk vijf is het verraderlijke, schuldbeladen, Stockholm-syndromatische hart van Shavits boek. Het is terecht het onderwerp geweest van harde kritiek. Israël is een “progressief” land en, net als West-Europa, misschien te “tolerant” om de islam te overleven. Net zoals het verraderlijke boek van Shavit in Israël kan worden gepubliceerd, kan in Israël op de voorkant van de Dahmash-moskee in Lydda de volgende Arabische inscriptie staan:

“De moskee werd gesloten als gevolg van het monsterlijke bloedbad dat in 1948 door de bezettingstroepen werd aangericht en werd in 1996 gedeeltelijk heropend.”

Kijk eens aan: je kan niet tolerant genoeg zijn ten opzichte van degenen die hebben gezworen je vrijheden te gebruiken om er een einde aan te maken.

Martin Kramer, prominent en hooggeleerd Israëliër, van en over wie hieronder meer, wijst op de toeristische mogelijkheid om een “Nakba-trip” te maken in Lydda, waar een Arabische gids hem inderdaad vertelde dat massamoord en verdrijving deel uitmaakten van een “systematisch beleid” van “het Zionisme”. Kramer citeert een “Palestijnse professor”:

“Er zat een brein achter de bloedbaden, noem het een masterplan, noem het een schets, want er zit een patroon in de moorden en een logica in dit patroon.Na in verschillende archieven te hebben gewerkt, is mijn beeld dat Palestina in 1948 een theater was van Israëlische bloedbaden, een voortdurende show van afgeslachte Palestijnen, van moord en vernietiging, en van psychologische oorlogsvoering.

Kramer besluit: “Al deze antisemitische onzin kan in Israël worden geuit over Lydda (= Lod), een stad die ver binnen de grenzen van het tolerante Israël ligt.”

Maar dan meegaande Jood Shavit! Die zich laat meevoeren in dit gruwelsprookje:

“Lydda was op niets bedacht. Lydda had geen idee wat er stond te gebeuren. Al 44 jaar had het gezien hoe de zionisten de vallei binnentrokken ( . . .) De stad Lydda telde twee moskeeën en een grote kathedraal die de Sint-Georgius wordt genoemd. Maar hoewel Lydda op grond van de christelijke traditie de stad van Sint Georgius was, zag het volk van Lydda niet aankomen dat het zionisme zou veranderen in een moderne draak. ( . . .) De inwoners van Lydda zagen niet dat het zionisme, dat de vallei was ingetrokken om een natie van wezen weer hoop te geven, een grimmig-vastberaden beweging was geworden die voornemens was het land met geweld in te nemen.”

Zeker. Het zionisme was “een grimmig-vastberaden beweging” geworden en Shavit ziet ook waarom dat zo is:

“Duidelijk is dat het Arabische nationalisme op het punt staat de zionisten uit te roeien en de Joodse gemeenschap in Palestina met bruut geweld te vernietigen. Duidelijk is ook dat de Joden zichzelf zullen moeten verdedigen, aangezien niemand hen te hulp schiet. Tussen december 1947 en mei 1948 woedt er een wrede burgeroorlog tussen Arabieren en Joden.”

Maar op één punt vergist Shavit zich deerlijk: “het zionisme” was nóóit “voornemens het land met geweld in te nemen”, zelfs niet toen de oorlog al woedde. “Het zionisme” heeft nooit iets anders gedaan dan zich verdedigen tegen agressie. Shavit is niet in staat om die extreem voor de hand liggende gevolgtrekking te maken, namelijk dat die goedwillende, humaniserende en welvaart brengende beweging door maar één oorzaak gewelddadig werd: door de terreur en de oorlog die de zionisten werd aangedaan door het Arabische islamisme, nationalisme en etnocentrisme. Het begin van het Kwaad ligt bij de terreur van de Moefti. Dit is de geschiedenis van Israël al 100 jaar: de Palmaffia’s beginnen de terreur en houden hem vol en Israël verdedigt zich zo goed en zo proportioneel mogelijk.

Dat goedwillende, humaniserende en welvaart brengende van het zionisme vergeet Shavit overigens niet breed uit te meten:

“In die 44 jaar dat Lydda zag hoe het zionisme dichterbij kwam, is het de stad voor de wind gegaan. Tussen 1903 en 1947 is de bevolking meer dan verdubbeld, van acht- tot negentienduizend. Die ‘sprong voorwaarts’ had niet alleen een kwantitatief maar ook een kwalitatief karakter. Overal was modernisering zichtbaar. Na de verwoestingen als gevolg van de aardbevingen in 1911 en 1927 waren veel oude lemen woningen vervangen door nieuwe solide huizen van steen. Bij de Grote Moskee en de kathedraal waren een winkelcentrum en een nieuwe moskee gebouwd. Aan de westkant van de stad was een nieuwe moderne wijk met langs de liniaal getrokken straten verrezen. Lydda was een knooppunt in het spoorwegnet van Palestina en de directieleden van de maatschappij woonden in een tuinwijk-op-z’n-Engels die de trots van de stad was. In sommige straten was electrische verlichting en in enkele huizen ook stromend water. Twee openbare scholen en één anglicaanse school gaven — gescheiden — onderwijs aan de jongens en meisjes van Lydda. Twee klinieken, vijf artsen en twee apotheken stonden borg voor goede medische zorg. Het sterftecijfer was gedaald tot 12 per duizend inwoners, terwijl het fertiliteitscijfer drastisch omhoog was gegaan. Uit beide cijfers blijkt dat er in de eerste helft van de 20e eeuw een ware sociale revolutie in Lydda had plaatsgevonden.”

Als Shavit de afloop van de strijd rond Lydda beschrijft is er opnieuw dat onvermogen om oorzaak en gevolg, het Kwaad en de strijd tégen het Kwaad uit elkaar te houden:

“Wanneer de onderhandelingen laat in de ochtend van 13 juli 1948 ten einde zijn, is men overeengekomen dat de bevolking van Lydda en de daar verblijvende vluchtelingen de stad ogenblikkelijk zullen verlaten. Rond het middaguur is al een massale evacuatie op gang gekomen. ’s Avonds verlaten 35.000 Palestijnse Arabieren Lydda in een langgerekte colonne; ze trekken in zuidelijke richting langs het jeugddorp Ben Shemen en verdwijnen naar het oosten. Het zionisme veegt de stad Lydda van de kaart. Lydda is onze zwarte doos, met daarin het duistere geheim van het zionisme. De waarheid is dat het zionisme niet kon leven met Lydda. Van meet af stonden het zionisme en Lydda op gespannen voet met elkaar. Als het zionisme bestaansrecht had, dan Lydda niet. Als Lydda bestaansrecht had, dan het zionisme niet. Terugblikkend is dat maar al te duidelijk.”

Nee, Grote Dialecticus: het zionisme had bestaansrecht en Lydda met al zijn inwoners ook. Wat géén bestaansrecht had, was en is de islamistisch-nationalistisch-etnische terreur van de Arabieren.

Om zijn conclusie te rechtvaardigen — het zionisme is schuldig! — heeft Shavit natuurlijk de hele inhoud van zijn boek geschikt gemaakt, maar ook wil hij heel specifiek de misdadigheid van het zionisme in de gevechten rond Lydda aantonen. En dat doet hij met een zeer eenzijdig verslag dat een ronduit leugenachtig verhaal oplevert. Ik moet nu ruim citeren uit dit Lydda-hoofdstuk om de kritiek die Martin Kramer op Shavit levert — en die ik zo dadelijk zal samenvatten — begrijpelijk te maken:

“Rond zes uur in de middag vertrekt de colonne uit Ben Shemen en rijdt men met grote snelheid de stad Lydda in, daarbij op alles en iedereen schietend. De blitz duurt 47 minuten: meer dan honderd Arabische burgers worden doodgeschoten – vrouwen, kinderen, ouderen. Regiment 89 verliest negen man. Aan het begin van de avond slagen de twee pelotons van het 3e regiment erin Lydda binnen te komen. Binnen een paar uur bezetten de soldaten daarvan sleutelposities in het stadscentrum en drijven ze duizenden burgers bijeen in de Grote Moskee, de kleine moskee en de kathedraal Sint-Georgius. ’s Avonds hebben de zionisten de stad Lydda ingenomen. De volgende dag rijden twee Jordaanse pantserwagens per ongeluk de stad binnen, waarop opnieuw geweld uitbreekt. Het Jordaanse leger zit kilometers verderop in het oosten en de twee voertuigen zijn militair gezien van geen belang, maar sommige inwoners van Lydda zien er ten onrechte de voorbodes van de bevrijding in. Soldaten van het 3e regiment denken ten onrechte dat dit betekent dat ze moeten vrezen voor een onmiddellijk volgende Jordaanse aanval. ( . . .)De soldaten schieten in alle richtingen. Sommigen gooien handgranaten in huizen. Eentje vuurt een antitank-piat-granaat af, de kleine moskee in.In dertig minuten tijd, rond het middaguur, worden meer dan tweehonderd burgers gedood. Het zionisme richt in de stad Lydda een bloedbad aan. Wanneer het nieuws van de slachting bekend wordt in het veroverde Palestijnse dorp Jazzur, het hoofdkwartier van Operatie Larlar, vraag Jigal Allon aan Ben-Goerion wat men met de Arabieren aan moet. Ben-Goerion maakt een handgebaar: deporteren. Uren na de val van Lydda vaardigt Jitschak Rabin, stafofficier Operaties, een schriftelijke order uit aan de Jefta-brigade: ‘De inwoners van Lydda moeten, ongeacht hun leeftijd, snel worden afgevoerd.’ “

In lijn met de islamitisch-Palmaffiose propaganda beweert Shavit niet alleen ten onrechte dat er een “bloedbad” werd aangericht bij Lydda door “het zionisme”, maar hij beweert ook dat dit werd gedaan omdat “het zionisme” inherent slecht was en is. Hij introduceert het begrip “zwarte doos” en deze zwarte doos is niet de vluchtrecorder die je in vliegtuigen aantreft, maar de zwarte doos in de “gedragspsychologie” van B. F. Skinner (1904 -1990). De theorie van Skinner zegt: je kunt niet in iemands hoofd kijken, maar je kunt wel kijken naar wat iemand doet als hij onder druk staat. En kijk eens wat er volgens Shavit onder druk uit de zwarte doos van het zionisme komt: massamoord en handgebaar-deportatie!

“Toen ik mij twintig jaar geleden realiseerde dat Lydda onze zwarte doos was, trachtte ik de geheimen ervan te ontraadselen. Ik spoorde de brigadecommandant op en bracht vele uren met hem door. Ik vond de militaire gouverneur terug en bracht vele uren met hem op zijn kibboets door. Ik praatte met soldaten van het 3e regiment en ondervroeg studenten van het jeugddorp. Voor het schrijven van dit hoofdstuk diepte ik audiocassettes op die ik in die tijd had opgenomen en luisterde ernaar, want ze vertelden het verhaal van het einde van Lydda.”

In één bijzinnetje laat Shavit de lezer hier dus weten dat de interviews die hij met overlevende deelnemers aan de strijd om Lydda heeft gehouden van 20 jaar geleden zijn op het moment dat hij in 2014 zijn, eh . . . . . roman schrijft. Hieronder nog meer impressionisme van Shavit aangaande die interviews opdat u zo dadelijk de kritiek van Martin Kramer kunt begrijpen:

“In de brigadecommandant woedt duidelijk een innerlijke strijd. De stem die nu uit de bandrecorder komt, is weinig overtuigend. Het is niet zo dat hij welbewust iets voor me wil achterhouden. Hij weet zelf niet wat er door hem heen gaat. Zijn verhaal over Lydda is vaag: de kleuren, de geuren, de details ontbreken. Hij heeft levendige herinneringen aan zijn jaren in Ben Shemen, maar de verovering van Lydda weet hij zich nog maar vaag te herinneren. Hij heeft het niet over de scholen die hij bezocht of over de families die hij leerde kennen of over de gemeenschap waar hij zo dol op was. Hij spreekt met geen woord over de stad die hij liefhad en verwoestte. Alleen zijn doffe stem verraadt wat hij achterhoudt. Excuus één: we waren omsingeld. Excuus twee: we zaten met een dreigend gevaar van binnenuit en van buitenaf. Excuus drie: er was geen tijd meer; ik moest meteen een beslissing nemen. Excuus vier: in een oorlog gebeuren afschuwelijke dingen. Toch leek geen van die rechtvaardigingen hemzelf te overtuigen of een begin van een verklaring te bieden voor die drie verdrongen dagen van Lydda’s einde. ‘Bulldozer’ is een heel andere man dan de brigadecommandant. Hoewel ook hij getraumatiseerd is door de oorlog van ’48, is zijn geestelijk litteken niet hetzelfde. Ongepolijst en grof als hij is, heeft hij de neiging zijn stem te veel te verheffen. Hij is gespannen, gauw aangebrand, rusteloos. Hij geeft toe dat hij door die rot-oorlog uit het lood is geslagen. Sindsdien is het hem niet meer gelukt innerlijke rust te vinden.”

“Eind mei zit hij [‘Bulldozer’] in de Jordaanvallei. Daar kent hij een van zijn beroerdste uren wanneer hij met zijn piat-raketwerper eropuit wordt gestuurd om de oprukkende Syrische tanks tegen te houden die kibboets Degania naderen. Hij is in zijn eentje wanneer hij de eerste tank op zich af ziet rijden en deze op de korrel neemt. Op het allerlaatste ogenblik vuurt hij als eerste, met zijn piat; hij brengt de tank tot staan, maar verwondt zich. Hij heeft nog een slecht moment wanneer hij de overlevenden ziet van twee kibboetsen in de Jordaanvallei; ze zijn ontsnapt uit hun in brand gestoken huizen. Die schokkende aanblik van vluchteling geworden kibboets-bewoners doet hem voor het eerst beseffen dat een nederlaag heel goed mogelijk is. Hij realiseert zich dat de oorlog waaraan hij deelneemt, het doodvonnis kan betekenen voor het zionisme. En als het zionisme ten onder gaat, zal er in het Land van Israël weer gebeuren wat er keer op keer in Europa is gebeurd. De Joden zullen weer Joden zijn: ze zullen hulpeloos zijn. Tegen de tijd dat ‘Bulldozer’ in de Lydda-vallei aankomt, is hij uitgeput. Hij heeft te veel gezien, te veel gedaan, veel te veel gemoord.”

“En wanneer de zon opkomt, zwerft hij door de straten van Lydda, op zoek naar een fotowinkel die hij kan plunderen – hij is gek op camera’s. Plotseling wordt er geschoten. Er zijn geruchten dat er pantserwagens aankomen, dat er vrienden klem zitten in de vijver bij de kleine moskee. Hiervandaan worden handgranaten geworpen. Hij geeft een van zijn ondergeschikten opdracht een antitankgranaat de kleine moskee in te schieten. Wanneer de getraumatiseerde soldaat weigert en wegloopt, pakt ‘Bulldozer’ de piat zelf op. ( . . .) Hij mikt niet op de minaret waarvanaf de granaten klaarblijkelijk zijn afgeworpen,maar op de moskee-muur waarachter hij stemmen van mensen hoort. Hij vuurt zijn piat af op de moskee, van zes meter afstand, en hij doodt er zeventig.”

“ ‘Bulldozer’ kan zich de colonne niet herinneren, want hij raakte gewond toen hij de piat-antitankgranaat op de kleine moskee afvuurde; hij verloor het bewustzijn en werd naar het ziekenhuis gebracht. Maar toen hij dagen later bijkwam, zochten zijn kameraden hem op en vertelden ze hem dat hij goed werk had verricht; hij had zeventig Arabieren gedood. Ze zeiden ook dat ze toen ze hem bloedend hadden zien liggen, woedend de kleine moskee waren ingerend en de overlevenden hadden doorzeefd met kogels uit automatische wapens. Daarna waren ze de huizen in de buurt ingegaan en hadden ze iedereen die ze aantroffen neergeschoten. Toen ze ’s avonds het bevel hadden gekregen de kleine moskee te ontruimen, de zeventig lichamen weg te halen en te begraven, hadden ze acht andere Arabieren meegenomen om het spitwerk op de begraafplaats te doen; nadien hadden ze ook hen doodgeschoten en met de zeventig lijken meebegraven.

Martin Kramer heeft een vernietigende analyse gemaakt van het verhaal van Shavit over Lydda. Kramer is veel te bescheiden als hij zegt:

“Ik kan geen absoluut zeker verhaal maken van de gebeurtenissen in Lydda op 12 juli 1948. Er zijn te veel hiaten en tegenstrijdigheden in het verslag. Maar met een beetje graven, heb ik er geen moeite mee gehad om twijfel te zaaien over Shavits dramatisering met behulp van eendimensionale stereotypen ( . . .). “

“Maar wat ik in slechts een paar dagen archiefonderzoek ontdekte, was meer dan genoeg om mijn aanvankelijke twijfels over Shavits verhaal te versterken, en zou genoeg moeten zijn om op zijn minst een zaadje van twijfel te zaaien in de geest van elke lezer van ‘Mijn Beloofde Land’.”

Nog eens de kern van de beschuldiging van Ari Shavit:

 “In 30 minuten, rond het middaguur, worden meer dan 200 burgers gedood. Het zionisme richt een bloedbad aan in de stad Lydda. “

Dit was op 12 juli 1948, midden in de Onafhankelijkheidsoorlog van Israël in een Lydda dat vol zat met Arabische guerrilla’s en sluipschutters. Shavit heeft achteraf, in een poging om de schade te minimaliseren en zijn meegaan in de Palmaffia-propaganda te bagatelliseren, dit gezegd: “Ik maak echt bezwaar tegen mensen die Lydda uitkiezen en de rest van het boek negeren.”

Waarop Kramer antwoordt dat deze klacht het beste kan worden gericht aan de New Yorker, het tijdschrift dat, met toestemming van Shavit, precies het hoofdstuk over Lydda koos voor een voorpublicatie. Kramer beschrijft de verdere pogingen van Shavit om schade te beperken:

“In interviews en optredens van de afgelopen maanden is hij [Shavit] verder gegaan en heeft eropaangedrongen dat de daden van Israël in Lydda gezien moeten worden in de context van een meedogenloze oorlog in een meedogenloos decennium;dat de Arabieren de Joden slechter zouden hebben behandeld;en dat westerse democratieën het slechter deden tegenover hun eigen “anderen”, van indianen tot Aboriginal Australiërs, dus wie zijn zij om morele rechtschapenheid te prediken aan Israël?Dit soort schadebeperking, ongeacht het effect op korte termijn, zal waarschijnlijk niet de enige waarschijnlijke impact op lange termijn van het boek van Shavit teniet doen: de bevestiging van de beschuldiging van een bloedbad in Lydda, uitgevoerd door het zionisme zelf en daarmee de belichaming van het voortdurende historischeschandaal dat door de staat Israël wordt gevormd.”

Inderdaad: met behulp van Shavit kan Lydda op gelijke hoogte komen met de gruwel-mythe van Deir Yassin.

De belangrijkste vraag blijft, zegt Kramer, of het zionisme, zoals Shavit beweert, een opzettelijk bloedbad heeft gepleegd in Lydda, een bewering die zonder enige kritiek is geslikt door bijna alle grote recensenten. Het wantrouwen van Kramer, zo meldt hij, werd aangewakkerd door verschillende factoren. Ten eerste paste het rapport van Shavit over de strijd om Lydda te mooi in zijn bredere bewering dat “het zionisme” was geprogrammeerd om de Arabieren in Palestina te verdrijven en dat de zionistische soldaten moordenaars van onschuldigen werden. Ten tweede, zegt Kramer, is het een bekend verhaal dat Israëlische soldaten worden beschuldigd van oorlogsmisdaden, terwijl ze alleen doen wat alle soldaten doen in een oorlog: terugschieten als iemand op je schiet.

Shavit, zegt Kramer, beweert dat zijn verhaal is gebaseerd op interviews uit het begin van de jaren negentig. In die tijd, zo’n twintig jaar voor de publicatie van zijn boek, sprak Shavit ten eerste met Shmarya Gutman, de militaire gouverneur van Lydda, die na de slag om Lydda het vertrek van de Arabische inwoners regelde, ten tweede met Mula Cohen, de commandant van de Yiftah-brigade die de opstand in Lydda had neergeslagen en ten derde met iemand die Shavit identificeert met zijn bijnaam “Bulldozer”, de man die middels een PIAT (Projector Infantry Anti-tank) met een granaat de deur van “de kleine moskee” (Damash-moskee) in Lydda penetreerde en in één klap 30 of 70 of 100 mensen doodde: dit aantal hangt af van wie het verhaal vertelt.

Natuurlijk weet ik niet, zegt Kramer, hoe eerlijk Shavits gebruik heeft gemaakt van deze interviews uit de jaren negentig, maar Kramer ontdekte dat al degenen die door Shavit werden geïnterviewd en die vochten in Lydda — Shmarya Gutman, Mula Cohen, “Bulldozer” en anderen — later ook door andere onderzoekers zijn geïnterviewd en dat die interviews ter plaatse in Lydda werden afgenomen, en . . . . . . op film staan! De tegenstrijdigheden die ik vond, zegt Kramer, tussen het verhaal van Shavit en die interviews vormden een patroon.

Ik vat verder het 9000 woorden tellende essay van Kramer parafraserend samen:

De slag in Lydda vond plaats van 11 tot 13 juli 1948. Op dat moment namen de reguliere Arabische legers al twee maanden deel aan de oorlog. Lydda ligt aan de weg tussen Tel Aviv en Jeruzalem, waar het Transjordaanse Arabische Legioen zeer actief was. Israëlische troepen, geregelde en ongeregelde, namen deel aan wat werd genoemd “de oorlog van de wegen” ook wel “operatie Larlar” genoemd — (een acroniem voor de steden Lydda, Ramleh, Latrun, Ramallah) — een operatie die bedoeld was om een doorgang naar het uitgehongerde en belegerde Jeruzalem te forceren. (Onder de naam Latrun viel overigens ook het nabij Latrun gelegen Deir Yassin.)

In die tijd had de Arabische stad Lydda ongeveer 40.000 inwoners, waarvan de helft vluchtelingen uit Jaffa en omgeving. Er waren ongeveer 125 soldaten van het Transjordaanse Arabische Legioen in de stad, maar ze werden gesteund door een veel groter aantal Arabische “ongeregelden” die zich al maanden aan het voorbereiden waren op de strijd. Op 11 juli voerde Moshe Dayan een korte aanval uit met een kleine strijdmacht op de randen van zowel Ramleh als Lydda. Diezelfde avond trok de Yiftah-brigade van 300 man Lydda binnen en nam de Grote Moskee en de Sint Joris-kathedraal in. Een groot aantal Arabische mannen werd opgesloten in de Grote Moskee, dus niet in de kleine. Dat zal later een belangrijk “detail” blijken in de ontzenuwing van Shavits Lydda-mythe. Het grootste deel van de stad bleef — en ook dat is belangrijk, zegt Kramer — nog onder Arabische controle. Met name het politiebureau, dat eigenlijk een soort fort was, bleef een Arabisch bolwerk.

De volgende dag, 12 juli rond het middaguur, verschenen plotseling twee of drie Transjordaanse gepantserde voertuigen aan de rand van de stad. De Arabieren van Lydda, die dachten dat het Transjordaanse Arabische legioen hen te hulp kwam, barstten uit in geweld: sluipschutters werden actief en granaten werden van de daken gegooid. Dat gebeurde vanuit de zogenaamde “Kleine Moskee”, de Dahmash-moskee. Dus niet vanuit de grote moskee met de gevangen Arabieren. De Israëli’s vreesden een gecoördineerde aanval door Arabische soldaten van het Transjordaanse Arabische Legioen en de “ongeregelden” in de stad. Israëlische commandanten gaven de Israëlische eenheden het bevel om “vernietigend vuur” te geven. De Grote Moskee met de gevangen Arabieren bleef intact, maar de Israëli’s doorboorden de Kleine Moskee (Dahmash Moskee) met een anti-tank raket afgevuurd vanaf de schouder met een PIAT door een man met de bijnaam “Bulldozer”.

Na een half uur was de strijd voorbij. De Arabische soldaten en “ongeregelden” ontruimden zonder verder verzet het politiebureau. De dag erna, op 13 juli, kreeg de hele burgerbevolking van Lydda het bevel de stad te verlaten. Daar waren redenen voor: vóór 11 juli hadden de Arabische leiders van Lydda zich overgegeven en de bevolking van Lydda was verzekerd dat ze in hun stad konden blijven, maar toen de Jordaanse gepantserde voertuigen verschenen, besloten de leiders van de stad om opnieuw te vechten. Ze hadden dus hun woord gebroken en nu werd de hele bevolking op weg naar Jordanië gestuurd. Op deze manier zorgden de Israëli’s ervoor dat ze geen vijandige stadsbevolking in hun achterhoede hadden tijdens de voortdurende strijd om de weg naar het uitgehongerde Jeruzalem.

Het opzettelijke bloedbad, dat volgens Shavit zo goed past in het wrede karakter dat hij aan het zionisme toeschrijft, zou hebben plaatsgevonden rond 12 uur op 12 juli 1948 in de Kleine Moskee, genaamd de Dahmash-moskee. Dat is tijdens dat half uur van intense gevechten die volgden op de verschijning van de gepantserde Jordaanse voertuigen. Als verhalenverteller, zegt Kramer, is Shavit een beetje chaotisch en gevoelvol, dus haalt Kramer de relevante passages in de tekst van Shavit aan en legt dan zijn vinger op de kern van wat die passages suggereren of beargumenteren. Kramer noemt dat een “meeneem-punt”, d.w.z. de kern van wat een gemiddelde lezer zou “meenemen” uit die passage. Vervolgens voert Kramer aan wat de “uitvoerders” in het verhaal in latere interviews hebben gezegd, dus later dan die afgenomen door Shavit twintig jaar geleden. Ik zal de punten van Kramer samenvatten, maar er zullen er minder zijn dan Kramer zelf noemt, omdat ik enkele punten van Kramer bij elkaar veeg.

1) Shavit wekt de indruk dat de stad op 11 juli al veilig in handen was van de Israëli’s en dat de Israëli’s niets te vrezen hadden van het Transjordaanse Legioen. Maar dat is niet waar. Er waren soldaten van dat legioen in het politiebureau dat geen gewoon gebouw was, maar een zogenaamd “Tegart Fort”, gebouwd door de Britten en hoog gelegen in de stad Lydda. Shavit noemt niet het fort-karakter van dat politiebureau en de aanwezigheid van die soldaten. En verzwijgt ook dat van daaruit de Arabieren een vrij schootsveld hadden over een groot deel van de stad. Inderdaad werd er die middag rond 12 uur ’s middags vanaf het fort geschoten. Tijdens die beschietingen verschenen ook de reeds genoemde Jordaanse pantservoertuigen schietend aan de randen van de stad. Tegelijkertijd openden op dat moment in de hele stad “ongeregelden” het vuur en gooiden handgranaten. De Transjordaanse soldaten gaven uiteindelijk het politie-fort op, waarschijnlijk vanwege gebrek aan munitie en het intense vuur dat de Israëli’s erop los lieten, maar dit feit werd pas op 13 juli opgemerkt door de Israëlische commandanten.

2) Shavit beweert dat niet alleen in de Grote Moskee, maar ook in de Kleine Moskee (Dahmash Moskee) gevangenen werden vastgehouden. Maar dat is gewoon niet waar: de Kleine Moskee lag buiten het door de Israëli’s ingenomen gebied, er werden geen gevangenen vastgehouden in de “Kleine Moskee” (Dhamash Moskee) en de Israëli’s wisten gewoon niet wie of wat er in de “Kleine Moskee” aanwezig was. Tijdens het half uur van de intense schietpartij rond het middaguur werd echter vanaf een hoog punt van de “Kleine Moskee” een handgranaat naar de Israëli’s gegooid. De getuigenissen over wat de gevolgen van die granaat waren, verschillen: sommigen zeggen dat een soldaat een hand verloor, anderen zeggen dat twee Israëli’s gedood werden.

3) Daarop werd een schot afgevuurd met een PIAT op de deur van de Kleine Moskee door iemand die Shavit “Bulldozer” noemt. (Zijn echte naam was Shmuel Ben-David.) Shavit beschrijft hem als iemand die “getraumatiseerd” was en “genot vond in moorden”. Shavit wekt de indruk dat de deur van de “Kleine Moskee” door “Bulldozer” met die PIAT eruit werd geschoten in een sfeer van wraakzuchtige bloeddorst zonder dat een commandant daartoe een bevel had uitgevaardigd.

Maar commandant Gutman heeft in een later interview, opgenomen op film, verteld dat — nadat twee Israëli’s waren gedood door een handgranaat die vanuit de “Kleine Moskee” werd gegooid — hij die moskee tot een legitiem militair doelwit verklaarde. Shavit wekt ook de indruk dat “Bulldozer” er helemaal niet zeker van was dat de handgranaat vanuit de Kleine Moskee werd gegooid. Dat hij werd geprovoceerd door de aanblik van een medesoldaat wiens hand werd afgescheurd door de granaat en dat hij op eigen initiatief met de PIAT dwars door de deur van de Kleine Moskee schoot. Dat “Bulldozer” dus met opzet de mensen wilde vermoorden die in de kleine moskee waren :

“Hij mikt niet op de minaret waarvandaan de granaten schijnbaar zijn gegooid, maar op de moskee-muur waarachter hij menselijke stemmen kan horen.Hij schiet zijn PIAT op de moskee-muur van een afstand van zes meter, waarbij hij zeventig mensen doodt.”

In bovengenoemd gefilmde en latere interview heeft commandant Gutman echter zelf, met “Bulldozer” ter plaatse staande, verklaard dat hij inderdaad het bevel heeft gegeven om met de PIAT de deur te doorboren. Ook “Bulldozer” verklaarde zelf dat hij uitdrukkelijke opdracht had gekregen om met de PIAT naar de “Kleine Moskee” te gaan. De commandanten ter plaatse gingen er terecht van uit dat de granaat waarschijnlijk van binnenuit de moskee was gegooid, omdat niemand zo gek zou zijn geweest om dat vanaf de minaret te doen.

Het aantal van zeventig slachtoffers is een wilde gok, zegt Kramer. Het komt waarschijnlijk van een oude Arabische dorpeling die in 2002 door Shavit werd geïnterviewd voor een artikel. De man meldde dat dit aantal “werd genoemd”. In Joodse verslagen wordt een aantal van 30 slachtoffers genoemd en in Arabische verhalen soms honderden. Waarom Shavit het aantal 70 heeft gekozen, zegt Kramer, is onduidelijk.

4) Als “Bulldozer” de PIAT vanaf zijn schouder afvuurt in de kleine ruimte van de smalle steeg raakt hij ernstig gewond door de terugslag van het wapen. Shavit schrijft:

“En als de PIAT-operator zelf gewond raakt, wordt het verlangen naar wraak nog sterker.Sommige soldaten van het 3e Regiment besproeien de gewonden in de moskee met geweervuur.”

Shavit zegt dat “Bulldozer” hem, twintig jaar geleden, vertelde dat zijn kameraden, die hem in het ziekenhuis bezochten, het volgende zeiden:

 “Ze vertelden hem dat ze, vanwege de woede die ze voelden toen ze hem zagen bloeden, de kleine moskee waren binnengelopen en de overlevende gewonden met automatisch vuur hadden besproeid.”

Maar Kramer heeft drie latere getuigenissen gevonden die in tegenspraak zijn met wat de kameraden in de herinnering aan Bulldozer zouden hebben gezegd toen zij aan zijn ziekbed stonden. Maar deze getuigenissen tonen niets van bloeddorstigheid. Integendeel. Deze getuigen die daadwerkelijk de moskee binnengingen, waren geschokt door wat ze aantroffen. De getuigen waren verbaasd over de mate van vernieling die de PIAT had aangericht en vroegen zich af of er misschien een stapel granaten in de moskee geraakt was. De getuigenissen tonen voorts aan dat het standaardprocedure was om een dergelijk gebouw binnen te gaan al vurend en handgranaten gooiend, omdat je niet weet of er overlevende vijanden zijn met wapens die je opwachten om je te doden. In de moskee zijn inderdaad wapens gevonden.

5) Direct nadat de ramp in de “Kleine Moskee” zich heeft voltrokken, gebeurt er volgens Shavit het volgende:

 “Anderen gooien handgranaten in naburige huizen.Weer anderen brengen machinegeweren in de straten in stelling en schieten op alles wat beweegt.Na een half uur van wraak zijn er tientallen lijken in de straten en 70 lijken in de moskee.​In 30 minuten, tegen de middag, worden meer dan 200 burgers gedood.”

In de voorpublicatie in de New Yorker werd het nog erger: “In 30 minuten werden 250 Palestijnen vermoord”.

Kramer, zo merk ik op, is in zijn kritiek erg feitelijk en besteedt nauwelijks aandacht aan de bevooroordeelde en demoniserende toon van Shavits dramatische beschrijvingen van het verloop van de strijd. Een lezer die zich laat meeslepen door het proza van Shavit, zou gemakkelijk de indruk kunnen krijgen dat de Joden de enigen waren die aan het schieten waren.

Shavit, zegt Kramer, baseert dat aantal van 200 gedode Arabische burgers op Benny Morris, voor wie dat onbevestigde getal reden is om te beweren dat het een bloedbad was. Morris speculeert: als je kijkt naar de weinige Israëli’s die werden gedood, kan er nauwelijks sprake zijn geweest van “strijd”. Maar Shavit, aldus Kramer, verbergt het feit dat niet alleen Morrris over Lydda heeft geschreven en dat er een controverse bestaat onder historici over dit aantal en over de bewering dat al deze slachtoffers burgers waren. Shavit doet alsof de kwestie duidelijk is en misleidt zijn internationale lezerspubliek. Shavit suggereert ook dat de Israëli’s (“het zionisme”) zijn uitgebarsten in een ongecontroleerde orgie van geweld. Dat is niet zo: de Israëli’s handelden gedisciplineerd en onder bevel terwijl ze van alle kanten onder sluipschuttersvuur lagen.

6) Shavit schrijft

“Maar dan komt er nieuws over wat er in de kleine moskee is gebeurd.De militaire gouverneur beveelt zijn mannen om de doden te begraven en het belastende bewijsmateriaal te verwijderen.”

“ ‘s Nachts, toen ze het bevel kregen om de kleine moskee schoon te maken en de zeventig lijken naar buiten te brengen en ze te begraven, namen ze acht andere Arabieren mee om de begraafplaats te graven en schoten hen daarna ook neer, en begroeven de acht met de zeventig.“

Shavit probeert de indruk te wekken dat ”het zionisme” net zo erg was als het Holocaust-nazisme en dat de joden hun nazi-achtige misdaad zo snel mogelijk wilden verdoezelen. Maar de snelheid waarmee de doden werden begraven, had waarschijnlijk te maken met de “zware hitte” waarover Shavit ook spreekt. Verder is er een interview uit 2003 met . . . . . een van die vermoorde grafdelvers! Fayeq Abu Mana (“Abu Wadi”) was twintig jaar oud in 1948. Hij vertelt de begrafenis te hebben gedaan met zijn broer en neef in een ploeg van tien man. De verklaring van zijn vrouw dat alle doodgravers gevangen zijn genomen nadat ze hun werk hadden gedaan, zegt Kramer, stond een paar maanden geleden nog online, maar is nu verdwenen.

Ik vind het merkwaardig dat Kramer zo weinig ophef maakt over dit laatste essentiële punt: het feit dat de moord op de doodgravers een fabeltje is en dat het ontmaskeren ervan berust op solide bewijsmateriaal. Ik was in het bijzonder geschokt door dit detail, dat inderdaad een nazi-achtige mentaliteit zou hebben weerspiegeld, hoewel het zelfs in dat geval een incidentele misdaad zou zijn gepleegd door een beperkte groep Joodse daders.

Kramer vat zijn oordeel samen:

“(…) zijn niet alleen enkele van de beweringen van Shavit onmogelijk te verifiëren, maar door te vertrouwen op dezelfde ooggetuigen die door Shavit zijn geïnterviewd (en een paar die hij had moeten interviewen), kan men vrij gemakkelijk een heel ander verhaal construeren dan het zijne.Dat is niet het verhaal van een wraakzuchtig ‘bloedbad’ gepleegd door ‘het zionisme’, maar van collateral damage in een stad die in een slagveld is veranderd.Dit is Lydda niet als een ‘zwarte doos’ maar als een grijze zone — een bekende zone, aangezien vele honderden Israëlische militaire operaties in stads- en dorpskernen daaronder vielen. In deze grijze zone, niet in de ‘zwarte doos’ van Shavit, schuilt de echte complexiteit.Maar nergens geeft Shavit zijn lezers een idee dat iets in zijn dramatische verhaal van Lydda wordt betwist.Integendeel, aan het einde van zijn bronnen-notities staat deze verzekering.”

En dan citeert Kramer die geruststellende verzekering aan zijn lezerspubliek van Shavit aangaande zijn gewetensvolle bronnengebruik:

Ik heb honderden boeken en duizenden documenten gelezen.​Om er zeker van te zijn dat alle details kloppen, werden mondelinge geschiedenissen gecontroleerd en dubbel gecontroleerd aan de hand van de geschreven geschiedenis van Israël.Het opwindende proces van het interviewen van belangrijke personen was verweven met een nauwgezet proces van gegevensverzameling en feitencontrole.”

“Een nauwgezet proces van gegevensverzameling en feitencontrole”? Kramer wijst op het feit dat Shavit in deze zelfde “bronnen-notities” zichzelf tegenspreekt. Want Shavit zegt ook dit: “Het is geen academisch geschiedkundig werk.Het is eerder een persoonlijke reis door hedendaags en historisch Israël.” Inderdaad zou ook mijn vraag luiden: welke van de twee zal het zijn?

Dat is trouwens dwaasheid, zegt Kramer, want niemand kan een persoonlijke reis boeken naar een dag in 1948. Ook Simon Schama, een van de “grandees” van de Engelse geschiedschrijving, krijgt een sneer van Kramer. Schama, zegt Kramer, gelooft dat het boek van Shavit tegelijkertijd “zonder het minste spoor van fictie” is en ook een daad van “fantasierijke herbeleving”. Ja, ook ik zelf ken Schama als een gepassioneerde herbelever van de geschiedenis.

Wat ik in Shavits boek Stockholm-syndromatische schizofrenie heb genoemd, heeft ook de aandacht van Kramer getrokken. De tegenstrijdigheden van Shavit met betrekking tot het karakter van het zionisme zijn onoplosbaar, zegt Kramer. En citeert er twee:

“Het bloedbad in de kleine moskee zou een misverstand kunnen zijn, veroorzaakt door een tragische reeks toevallige gebeurtenissen.”
“Gutman voelt dat hij zijn doel heeft bereikt.Bezetting, bloedbad en mentale druk hebben het gewenste effect gehad.”

Wat gaat het worden, vraagt Kramer? Zionisme als een kwaadaardige ideologie van massamoord en etnische zuivering, of niet? Dat is de fundamentele vraag. Omdat we het hebben over de stichtings-ideologie van Israël!

Kramer citeert nóg zo’n onoplosbaarheid van Shavit:

“Laten we Lydda niet vergeten, laten we Lydda erkennen.Maar laat niemand Lydda gebruiken om te twijfelen aan de legitimiteit van Israël.”

Maar dat, zegt Kramer, is natuurlijk precies wat de propaganda van Israëls vijanden gaat doen. En dat had Shavit moeten weten.

Ik wil Kramer niet verbeteren, maar volgens mij is de kern van het probleem dat Shavit op dit punt eindelijk éénmalig de consequenties van zijn tegenstellingen-gegoochel onder ogen ziet.

Hij zegt namelijk dit:

“Eén ding is me wel duidelijk: de brigadecommandant en de militaire gouverneur waren terecht kwaad op de krokodillentranen huilende progressieve Israëliërs die jaren later afkeurden wat ze in Lydda hadden gedaan, maar wel de vruchten plukten van hun daad. Ik keur af wat ‘Bulldozer’ deed. Ik veroordeel de sluipschutter. Maar ik spreek geen banvloek uit over de brigadecommandant, de militaire gouverneur en de jongens van het trainingsteam. Integendeel, zo nodig schaar ik me achter deze verdoemden. Ik besef namelijk dat als zij er niet waren geweest, de geboorte van de staat Israël niet zou hebben plaatsgevonden. Zij hebben het smerige, vuile werk gedaan waardoor mijn volk, ikzelf, mijn dochter en mijn zoons kunnen leven.”

En dit:

“Lydda is een integraal en essentieel onderdeel van ons verhaal.En als ik er eerlijk over probeer te zijn, zie ik dat de keuze grimmig is: ofwel het zionisme afwijzen vanwege Lydda, of het zionisme accepteren samen met Lydda.”

Dus Shavit wil allesbehalve de Stockholm-syndromatische patiënt zijn die ik van hem heb gemaakt. Hij wil een volwassen en zelfs stoere vent zijn, die zich bewust is van de feiten van het leven. En van de oorlog. Hij is geen bleeding-heart progressieveling. Hij is complexer dan dat. Zoals hij zegt in zijn “Inleiding”:

“En als columnist vecht ik zowel rechtse als linkse dogma’s aan. Ik heb geleerd dat er geen eenvoudige antwoorden zijn in het Midden-Oosten en geen snelle oplossingen voor het Israëlisch-Palestijnse conflict. Ik heb me gerealiseerd dat de Israëlische toestand buitengewoon complex is, misschien zelfs tragisch.”

En dat geldt natuurlijk ook voor Ari Shavit zelf: “buitengewoon complex, misschien zelfs tragisch”. Misschien is Ari Shavit complexer dan het leven, zoals John Wayne groter was dan het leven. Maar Stockholm-syndroom of niet, onder Shavits dualistische woord-diarree ligt één boodschap: de Joden zijn schuldig, Israël is schuldig, het zionisme is schuldig en Shavit wil deelnemen aan de schuld. Hij zegt: kijk naar mij, de immens begaafde, gekwelde en tragische Jood. Hij vermengt het met die typische linkse variant van zelfmanifestatie die een Gutmensch betaamt: veel begrip tonen voor “de Palestijnen”, wat hem natuurlijk een zoveel betere man maakt dan rechtse “Likudniks”.

Zelfmanifestatie, zelfverheffings-neurose, better-than-thou-ism: Shavits boek staat vol met die typische linkse narcistisch-hedonistische ijdelheid. En het maakt hem schijnbaar niet uit of zijn beschuldigingen in de kaart spelen van Israëls en Shavits eigen doodsvijanden, de vertegenwoordigers van de oudste manifestatie van een nazi-mentaliteit op aarde: de islam.

Groot feit blijft natuurlijk ook dat hij de fouten van een zionisme erkent dat hij zelf eerst heeft opgeblazen tot oorlogsmisdadig.

Ook Efraim Karsh heeft bijgedragen aan de Shavit-Lydda-discussie. Karsh, die de leugens heeft ontkracht van de “bezetting” door Israël van Samaria-Judea (“de Westbank), is ook de auteur van ‘Palestine Betrayed‘ (2010), een studie waarin, op basis van nieuwe vrijgegeven Britse archieven, gedetailleerd bewijs wordt geleverd dat er geen etnische zuivering plaatsvond tijdens de Onafhankelijkheidsoorlog van Israël in 1948. De uitzonderlijke uitzettingen van Arabieren door de Joden werden gedicteerd door de omstandigheden van oorlog, een oorlog die werd gestart en ondersteund door de Arabische landen. En die landen — Egypte, Syrië, Irak en Jordanië — waren slechts uit op gebiedsuitbreiding, het “landjepik” waarvan Israël altijd beschuldigd wordt. Ze hadden helemaal niks goeds met de “Palestijnen” voor. Dat bewees ook de onmenselijke manier waarop ze na de verloren oorlog die Palestijnse Arabieren behandelden in de vluchtelingenkampen die zich op hun gebied bevonden.

Gesteund door deze gespecialiseerde kennis intervenieerde Karsh in het Shavit-Lydda-debat met een artikel van 6 juli 2014 getiteld “The Uses of Lydda“. Karsh wijst erop dat vanaf 1948 tot op heden er altijd lasterlijke beschuldigingen zijn geweest van bloedbaden en etnische zuiveringen gericht tegen Israël en Israëli’s. Deze beschuldigingen hebben zelfs een terugwerkende kracht aangenomen: de “nieuwe historici” van de generatie Benny Morris, Avi Shlaim en Ilan Pappé hebben beweerd — heel vaak aantoonbaar via opzettelijke vervalsing van de geschiedenis! — dat deze slachtpartijen en etnische zuiveringen een integraal onderdeel waren van het zionisme. Met “My Promised Land”, zegt Karsh, heeft Shavit zich aangesloten bij dit kamp van dat lasterlijke “post-zionisme”. Later heeft Shavit geprobeerd zich te distantiëren van deze leugenachtige verraders door te beweren dat het helemaal niet zo bedoeld was. Maar de schade, meent Karsh, is aangericht en de islamitisch-Arabisch-Palmafiose propaganda in samenwerking met de westerse mainstream-pers zal goed gebruik maken van Shavits laster om de haat tegen Israël en de Joden wereldwijd te stimuleren.

In zijn “The Uses of Lydda” prijst hij Martin Kramers “Wat gebeurde er in Lydda“. De verdrijving van de bevolking van Lydda in 1948, zegt Karsh, was de uitzondering die de regel bevestigt: “het zionisme” had geen plannen voor massamoord en etnische zuivering. Aan Shavit, die beweert dat de verdrijving van de bevolking van Lydda “een onvermijdelijke fase van de Zionistische revolutie” was, antwoordt Karsh:

Als er echter iets onvermijdelijks was aan de verdrijving van Lydda, dan lag de oorzaak niet bij het zionisme, maar bij de acties van Palestijnse Arabische leiders en hun tegenhangers in aangrenzende Arabische staten. Als deze notabelen de VN-verdelings-resolutie hadden aanvaard waarin werd opgeroepen tot de oprichting van twee staten in Palestina, zou er in de eerste plaats geen oorlog en geen ontwrichting zijn geweest. Wat Lydda zelf betreft, was er geen uittocht voorzien in de Israëlische militaire plannen voor de verovering van de stad, of werd overwogen in de beginfase van de bezetting. Integendeel: de Israëlische commandant verzekerde lokale hoogwaardigheidsbekleders dat de inwoners van de stad mochten blijven als ze dat wilden. In overeenstemming met die belofte heeft de Israëlische bezettingsmacht ook een bekwame administrateur en ander personeel verzocht om de zaken van de burgerbevolking te behartigen.”

Nog één keer Martin Kramer:

“[De beweringen van de ‘nieuwe historici’] zijn steeds extravaganter geworden: ten eerste de sluipende herclassificatie van complexe veldslagen als ‘bloedbaden’ en vervolgens de verspreiding van het idee dat de leiders van Israël ‘de officieren dekten die de moordpartijen uitvoerden’.En tenslotte de bloemrijke uitwerking van die pas ontdekte ‘bloedbaden ‘ in populaire werken, variërend van ‘tot de verbeelding sprekende herbeleving’ [‘imaginative reenactments‘] tot theatrale toneelstukken.Gedurende de laatste 30 jaar hebben nieuwe mythen (onder het mom van “nieuwe geschiedenis”) de oude vervangen (de veel bespotte “oude geschiedenis”).Dit proces heeft nu zijn hoogtepunt bereikt in een enkele decadente zin, geschreven door Ari Shavit en ontleend aan Benny Morris: “Het zionisme richt in de stad Lydda een bloedbad aan.”

13) Chris van der Heijden: “Israëlkritiek” als psychotherapie

Een fout boekje van Chris van der Heijden over Israël uit 2008, “Israël — een onherstelbare vergissing” heeft naar mijn stellige indruk in Nederland allerlei regressief-linkse spraakmakers legitimatie verschaft om Israël te demoniseren. Zo verdenk ik inmiddels Maarten van Rossem ervan in 2010 in “De Wereld Draait Door” de opmerking “Israël is natuurlijk gewoon een expansionistische staat” gemaakt te hebben onder invloed van Van der Heijden. Stephan Sanders was in 20111 — Zie: “Stephan Sanders leert foute Joden een lesje” — zelfs expliciet over de herkomst van zijn inspiratie: “Ik ken zowel Van der Heijden als Gans en mag ze beiden graag”. Hé, dat is toevallig! Die Gans — “Evelien is een domme Gans en kosmisch arrogant” — heb ik eveneens in 2011 gefileerd. Het grote punt van Gans was dat types als Geert Wilders alleen maar pro-Israël poseerden om de moslims te kunnen bashen. Waarna Arnon Grunberg — op wie ik ooit dermate razend werd dat ik hem een lugubere Jood noemde — die cirkel rond maakte door in zijn 4 mei-lezing van 2011 te verklaren dat hij eigenlijk zélf een Marokkaan was en dus, zo impliceerde hij, eigenlijk een moslim die door types als Wilders en Baudet op transport zou worden gesteld richting gaskamers als die populisten de kans zouden krijgen. Nee, perverser krijgen we het niet.

Er bestaat een voortreffelijke inhoudelijke samenvatting van het denken over Israël van types als Chris van der Heijden. Ik citeer Benjamin Kerstein uit zijn essay “Waarom Israëls critici er niks aan kunnen doen dat ze antisemitisch zijn”:

“Ze nemen op zijn minst de meest essentiële ideeën van Palestijns nationalisme over: de imperialistische, koloniale aard van het zionisme; de wezenlijke onwettigheid van Joodse zelfbeschikking; het vermeende racisme van de huidige Israëlische samenleving; Palestijns terrorisme als een prijzenswaardige daad van verzet; de noodzaak om Israël te vervangen door een staat met een Arabische meerderheid; en de oprichting van Israël als een wereldhistorische catastrofe. Het probleem waarmee alle anti-Israëlische liberalen en progressieven worden geconfronteerd, is echter dat Palestijns nationalisme niet liberaal of progressief is en dat ook nooit is geweest. Het is altijd een racistische beweging geweest die de joden fundamenteel ontmenselijkt. Vanaf de jaren twintig heeft het de pogrom en het afslachten van mannen, vrouwen en kinderen met mes, geweer en zelfmoordterrorisme gebruikt om zijn doelen te bereiken. Het verheerlijkt oorlogsmisdaden en wreedheden. Het werkte openlijk en enthousiast samen met het nazisme ( . . .). Het bracht de PLO en Hamas voort, twee van de meest effectieve terreurgroepen in de geschiedenis, die beide pleiten voor etnische zuivering. En het bezondigt zich regelmatig aan een ruw antisemitisme dat moeilijk, zo niet onmogelijk te onderscheiden is van het rechtse antisemitisme dat links zogenaamd veracht.”

Tsja, daar staat het wel. In grote lijnen. En ik had een essay kunnen schrijven van zo’n tien of twintig pagina’s waarin aan de hand van een paar voorbeelden bovenstaande algemene lijn in Van der Heijdens betoog getoond wordt. Maar deze close reading met vele en lange citaten heeft het voordeel dat het eigenlijk op zich een “korte geschiedenis van Israël” vormt waarin nu eindelijk eens grondig afgerekend wordt met de halve of hele antisemitische rotzooi die de “anti-zionisten” produceren en die inmiddels de hele westerse cultuur vergiftigt.

“Israëlkritiek” staat in bovenstaande titel tussen aanhalingstekens omdat, nou ja, de Israël-kritiek in het geval van Chris van der Heijden geen echte Israël-kritiek is, maar, eh, eigenlijk gewoon psychotherapie. En ook staat het tussen aanhalingstekens omdat die kritiek, zélfs opgevat als psychotherapie, toch wel getuigt van een zeer diep gevoeld trauma, dat de auteur noopt zich als een slangenmens te wringen in allerlei bochten om Israël toch maar te kunnen verklaren tot hét probleem van de wereld. Ongeveer zoals vroeger obsessief door de nazi’s werd beweerd dat de wereld een stuk gelukkiger zou zijn als er geen Joden zouden bestaan. Ik ga niet zeggen dat Van der Heijden — vanaf nu VdH — een antisemiet “is”, maar hoe je hem dan wel zou mogen labelen . . . . . . . We komen er nog op terug!

We gaan zo meteen beginnen aan de uitgebreide kritische close-reading van de Proloog en de Epiloog van het pamflet van VdH uit 2008 getiteld “Israël — een onherstelbare vergissing”. De Proloog is getiteld “De ironie van de geschiedenis” en boven de Epiloog staat de omineuze titel “Something rotten in the state”. Dat zal toch niet de “staat” van de “Palestijnse Autoriteit” van Abbas zijn? Of het Gaza van Hamas? Want dáár is toch niks verrot? Nee toch? Dat zal Israël toch wel wezen?

Behalve een Proloog en een Epiloog heeft het boekje ook twee cursief gedrukte “omlijstingsteksten” die vóórin en achterin staan. Ze zijn getiteld “Makkabeeën I” en “Makkabeeën II”. Alles bij elkaar nog geen dertig pagina’s en nu ik dit publiceer, bleek ik er zelf een stuk of vijf-en-twintig nodig te hebben om het zaakje te kritiseren. De honderddertig pagina’s met de negen eigenlijke hoofdstukjes van het boekje — dat is inclusief de vaak lange eindnoten — heeft me nog eens zo’n 70 pagina’s gekost. Alles bij elkaar zo’n 95 pagina’s kritiek voor een boekje van 160 pagina’s. Tijdens mijn pogingen tot kritiek bleek mij dat je bij deze slang alleen de gevorkte stok achter de kop krijgt als je hem consequent met de ogen volgt en dan nauwkeurig toeslaat. Met andere woorden: je moet deze alsmaar voortkronkelende tekst blijven citeren, constant aanwijzen wat daar nou eigenlijk staat en vertellen waarom het leugens zijn.

Maar eerst dit — en als ik het al een keer gezegd heb in de voorgaande pagina’s moet u mij maar vergeven: ik ben een oude man en sommige dingen kunnen niet genoeg herhaald worden — Joden zijn nooit in de geschiedenis een probleem geweest, altijd een oplossing. Een intelligent volk dat nooit agressie pleegt als je ze met rust laat en moeilijke monetaire, medische en technische problemen voor de mensen oplost. Pas als je Joden aanvalt gaan ze zich verdedigen. Bijvoorbeeld tegen de Romeinen en tegen de moslims, toen die laatsten in 638 na Christus Palestina binnenvielen.

Nou ben ik historicus van mijn oude ambacht en vroeger toen ik jong was, heb ik daarom nog wel ’s wat gelezen over het antisemitisme, maar toen ik onlangs alleen nog maar de betreffende Wikipedia-pagina aanklikte werd ik toch weer getroffen door een eindeloze opsomming van moorddadige uitbarstingen van Jodenhaat in de Europese geschiedenis. Geen wonder dat Joden vanaf 1880 in steeds grotere aantallen begonnen te vluchten voor het Kwaad van het Europese antisemitisme, terug naar waar ze eeuwen geleden vandaan waren gevlucht. Opnieuw waren ze de oplossing voor een probleem: een desolate en verlaten landstreek brachten ze tot bloei en welvaart. Maar ze ondervonden geen dankbaarheid en zelfs geen acceptatie: het Kwaad van het antisemitisme had in het Midden-Oosten en in de islam rond 1900 óók al 13 eeuwen lang een warm tehuis gevonden. Er is blijkbaar een WIL in de wereldgeschiedenis om de Joden te haten en voor zover ik weet heeft niemand daar een overtuigende algemene verklaring voor.

HEIJDEN CHRIS BIJ WELTSCHMERZ

In de recente geschiedenis is er wel een gedééltelijke verklaring voor het antisemitisme, althans voor het “antizionisme”, althans voor het Israël-irrationalisme dat rondwaart als een virus bij regressief links. Ik weet niet in hoeverre VdH in 2008, bij het verschijnen van zijn “essay” leed aan dat links-regressieve complex van schuldgevoel vanwege kolonialisme, racisme en twee wereldoorlogen en dat dan versterkt door schuldgevoel over het eigen welvaarts-hedonisme vanaf de jaren 1960. Maar schuldgevoel vanwege de Holocaust heeft zeker een bijzondere rol gespeeld in de psyche van VdH. Daarvan getuigt hij zelf. Hij meldt dat zijn kritiek op Israël niks te maken heeft met het feit dat hij een kind is “van ouders die tijdens de Tweede Wereldoorlog de kant van de nazi’s hebben gekozen” en dat het verwijt van antisemitisme in zijn geval dus voor de hand ligt. Die omstandigheid, afkomstig zijn uit een NSB-gezin, heeft alleen maar gezorgd, zegt hij, dat hij extra veel belangstelling kreeg voor de Tweede Wereldoorlog. Tot zover tot je dienst en begrijpelijk, zou ik zeggen. Maar!

Maar je zou kunnen verwachten dat het hebben van NSB-ouders hem ertoe zou brengen in elk geval niet het kamp te versterken van degenen die tegenwoordig meehelpen Israël tot de vervolgde Jood van de wereld te maken. Of juist wel natuurlijk, althans als je beweert dat die Joden daar in Israël bijna net zo erg zijn als de de nazi’s. En dat doet VdH. Dat geeft toch opluchting als je gebukt gaat onder het feit dat je ouders in laatste instantie medeverantwoordelijk waren voor Auschwitz. Joden zijn bijna net zo erg als Auschwitz-SS-ers! Dat hij die opluchting nodig had en heeft, blijkt uit het feit dat hij voorafgaande aan dit Israël-beschuldigings-boekje een NSB-verontschuldigings-boek schreef, getiteld “Grijs Verleden” waarin hij aantoonde, terecht, dat de Nederlanders in 1940-45 niet allemaal van die antinazistische helden waren als wel eens werd beweerd. Tegen de achtergrond van een “grijs” verleden steken zijn ouders als “zwarte” NSB-ers natuurlijk minder scherp af als “fout”. Overigens is het onzinnig en immoreel om aan kinderen de fouten van hun ouders te verwijten. Tenzij je die fouten herhaalt, zoals VdH doet, want net als ál die andere links-regressieve dwazen, is VdH er vooral op uit om de Jood onder de naties, Israël, te belasteren.

VdH treedt dus in de voetsporen van zijn NSB-ouders. Maar je mag hem, zo zegt hij expliciet en herhaaldelijk, géén antisemiet noemen. Nou, dat doen we dan ook maar niet. Maar “anti-zionist” mag toch wel? En in elk geval valt VdH binnen een begrip dat ik altijd gebruik als je iemand die er dicht tegenaan schuurt geen antisemiet kan of wil noemen, namelijk: “Israël-irrationalist”. Dat is iemand die aantoonbaar lieglastert over Israël, maar die dus heel misschien géén antisemiet is. En lieglasteren over Israël, dat dóét VdH, zoals ik hier beneden zal aantonen. Maar dat doet-ie dus niet uit antisemitisme, maar vanuit een grote behoefte aan compensatie voor een jeugdtrauma.

Er was een ruime keus aan nog andere pro-Palmaffia en anti-Israël-boekjes om via close-reading te kritiseren, maar dat zou een encyclopedie opgeleverd hebben met heel veel herhalingen, want het is allemaal van hetzelfde laken een pak. Ik geef wat voorbeelden met de aanbevelingen erbij:

Anja Meulenbelt, “Oorlog als er vrede dreigt”(2010): “Hoe is het gesteld met het democratische gehalte van een land dat het leger laat bepalen wanneer er een volgende oorlog moet komen?”

Dries van Agt, “Een schreeuw om recht”(2011): “Jaren nadat Dries van Agt de Haagse politiek vaarwel had gezegd, werd hij gegrepen door het zich al decennialang voortslepende Israëlisch-Palestijnse conflict en vooral door het lot van het Palestijnse volk. Hij maakte er een uitvoerige studie van en zette zijn bevindingen en overpeinzingen op papier. ( . . .) En het is vooral ook een hartstochtelijke steunbetuiging aan een volk dat het slachtoffer van de geschiedenis dreigt te worden.”

Stan van Houcke, “De oneindige oorlog” (2014): “In dit boek wordt de stem gehoord van kritische joodse schrijvers, filosofen en historici, maar ook van het voormalig hoofd van de Israëlische Inlichtingendienst en activisten; mensen die in het Westen te weinig worden gehoord. Zij confronteren de lezer met een ongemakkelijke waarheid. Israël rijst uit De oneindige oorlog op als een dolgedraaide, racistische samenleving. De enige sprankel hoop die er te ontwaren valt, schuilt erin dat Van Houcke sommige van zijn heftigste Israël-critici uitgerekend in dat land zelf gevonden heeft.”

Meindert Dijkstra, “Palestina en Israël” (2018): “Dit boek helpt te begrijpen waarom de Palestijnen, wat ook hun herkomst is geweest, al eeuwenlang geworteld zijn in hun erfgoed Palestina en nog altijd recht hebben op een eigen land, volk en staat.”

Derk Walters, “Israel zegt geen sorry meer”(2018) “Per 1 juli 2017 kreeg Derk Walters geen nieuwe werkvergunning meer van de Israëlische autoriteiten, waarmee er een einde kwam aan zijn tijd als buitenlandcorrespondent voor NRC Handelsblad. De krant schreef het besluit niet anders te kunnen zien dan als “een poging van Israël om vrije en kritische nieuwsgaring over dat land te belemmeren’. In zijn boek beschrijft Walters zijn uitzetting als een goed voorbeeld van Israëls toenemende zelfverzekerdheid. Zo schaamt het land zich niet langer voor de bezetting, maar zegt het nu openlijk: de Westelijke Jordaanoever behoort ons toe. Voor een buitenlandse journalist betekent dit extra inzet en scherpte, meedogenloosheid wat betreft de feiten en een rechte rug.”

U ziet: links-regressieve leugenlaster te kust en te keur, maar ik koos ter filering dit boekje van VdH uit 2008 omdat het indertijd nogal wat positieve belangstelling kreeg, er drie drukken van verschenen en . . . . . . er sinds die tijd niks veranderd is aan de standpunten van de Israëlhaters. Ondanks al het nieuwe bewijs dat toch echt de islam en de Arabieren altijd het probleem hebben gevormd, niet Israël en de Joden. Dennis Prager, die vele jaren van zijn leven besteedde aan pogingen te doorgronden wat nou de onoplosbaarheid veroorzaakt van “het Palestijns-Israëlisch conflict” kwam tot de conclusie dat die in een paar woorden kon worden samengevat: “De Arabieren willen de Joden vermoorden”. Wat ik al zei: er is een WIL tot haat jegens de Joden.

De Proloog heeft dus tot titel: “De ironie van de geschiedenis”. Klinkt beschouwelijk. Maar in de tekst die daaronder volgt, toont VdH totaal geen “ironie” aan. Het is gewoon een woord dat hij inzet om interessant en diepzinnig te lijken. Het enige wat hij doet, is kwalijke “redeneringen” opzetten en botte stellingen poneren.

Die “ironische” proloog dus. In de allereerste alinea ervan vinden we al meteen de inmiddels standaard poging — standaard sinds de “Nieuwe Historici” op het Israëlisch toneel verschenen — om gruwelen die in elke oorlog nu eenmaal plaatsvinden op te blazen tot bewuste massamoord door Joden. Het gaat dan steeds om de oorlog van 1948, waarin Israël zijn bestaansrecht verdedigde. In twee hoofdstukken hierboven heb ik al twee andere voorbeelden behandeld: Deir Yassin en Lydda.

VdH — schrijft:

“Eind 2000 vond in Tel Aviv een rechtszaak plaats tegen een jonge joodse historicus die een jaar tevoren afgestudeerd was op een in het Hebreeuws geschreven scriptie over vijf Palestijnse dorpen aan het noordelijk deel van de Israëlische kust. Een van die dorpen, tegenwoordig een vakantieoord aan het strand, heette Tantura. In zijn scriptie beschreef de jonge onderzoeker, Theodore Katz, wat zich daar in de nacht van 22 op 23 mei 1948 afgespeeld had. In drie woorden samengevat: ‘uitzonderlijk moorddadige acties’. Van de in totaal iets meer dan 1700 Palestijnse inwoners van het dorp zouden er minstens 200 vermoord zijn. Een aantal van hen was op het strand geëxecuteerd, een aantal anderen was, nadat het dorp zich had overgegeven, door de Israëlische soldaten in woede neergeschoten. Vervolgens was de rest van de bevolking weggevoerd.”

Die “jonge historicus” was overigens een gezette kiboetzjnik met een grote snor van middelbare leeftijd. Mogen we hierin een teken zien dat VdH zich niet héél erg verdiept heeft in de zaak? Hij vertelt vervolgens het verhaal van de rechtszaak die Israëlische veteranen van de gevechten bij Tantura hadden aangespannen tegen Katz.

De veteranen wonnen, maar de sympathie van VdH ligt duidelijk bij Katz want “het is heel belangrijk te weten wat in Tantura plaatsgevonden heeft omdat de Palestijnen recht hebben op hun verhaal, Israël zijn verleden onder ogen moet zien en alle anderen, wij dus, dienen te weten onder welke omstandigheden een onder ‘onze’ verantwoordelijkheid geschapen situatie — (Resolutie 181 van de Verenigde Naties leidde tot de stichting van de staat Israël en het was die stichting die tot gebeurtenissen als die in Tantura leidde) — ten uitvoer is gebracht.”

U ziet: de stichting van Israël, waaraan “wij” via de VN hebben meegeholpen, is de oorzaak van wat er in Tantura gebeurde, niet de terreur van de Palmaffia’s vanaf 1920, want die hebben nou juist ‘recht op hun verhaal’. VdH concludeert:

“Vergelijk de discussie over de Armeense genocide. Zolang de Turkse overheid deze ontkent, blijft ruimte voor twijfel. De aanklager in de zaak-Tantura wist dat natuurlijk ook en deed daarom de suggestie dat alleen een (Israëlisch) staatsdocument, zwart op wit, als bewijs voor de door Katz geconstateerde uitzonderlijk moorddadige acties kon gelden. Een dergelijk document bestond niet en dus hadden de acties, zo suggereerde hij, niet plaatsgevonden.Daarmee leek de eer van Israël gered.Het zou mooi zijn als het leven zo simpel was.”

Tsja, zo bestaat er ook geen document om te bewijzen dat ik mijn moeder heb vermoord. Maar dat sluit niet uit dat ik het heb gedaan. Onberispelijke logica. Schuldig tot het tegendeel is bewezen. Let ook op die suggestie in de laatste drie regels dat er in Tantura wel degelijk gemassamoord is door de Joden. Dáár is het VdH om te doen. Hij verzwijgt dat er niet alleen geen “(Israëlisch) staatsdocument, zwart op wit” bestond, maar helemáál geen document, ook geen Arabisch document, officieel of onofficieel.

VdH baseert zich voor zijn verhaal op de school van de “Nieuwe Historici” van welke met name Efraim Karsh inmiddels heeft bewezen dat ze om Israël te besmeuren er niet voor terugdeinzen om bronnen te vervalsen en regelrecht te liegen. Op Middle East Forum verscheen in de herfst van 2001 een artikel over deze school, waarin alle voornaamste representanten in academia van de “progressieve” nieuwlichters werden opgesomd en nog eens werd vastgesteld dat ze behalve leugens ook nog eens een geringe productie hebben die voorts van povere kwaliteit is. “Hun boodschap is simpel: Israël is de belichaming van alles wat kwaadaardig is en is de kolonialistische agressor die alle oorlogen begon met de Arabieren die niets liever wilden dan met rust gelatenworden. Benny Morris, Ilan Pappé en Avi Shlaim ( . . .) zijn de bekendste van de Nieuwe Historici.”

Het bovenstaande is een citaat uit dat bovenvermelde artikel — “Israel’s Academic Extremists” — van een auteurs-collectief dat schrijft onder pseudoniem, “Solomon Socrates”, maar ik ben er vrij zeker van dat in elk geval Martin Kramer en Efraim Karsh erbij horen. En dit collectief van geleerden geeft nou toevallig als voorbeeld van bevooroordeelde Israël-belastering precies dat geval Katz-Tantura. Het collectief vraagt zich af hoe het kan dat zelfs Arabische contemporaine kranten of latere “geschiedschrijvers” in al die vijftig jaar tussen 1949 en 1998 nooit gesproken hebben van een massamoord of iets wat daarop lijkt. Tsja. Goeie vraag.

Ik geef nóg drie citaten van “Solomon Socrates”:

“Misschien wel het recentelijk meest besproken geval van schurken-wetenschap was een werk uit de school van de ”Nieuwe Geschiedenis” dat verder ging dan het presenteren van de Arabische versie om een bloedbad van Arabische burgers door Joden te verzinnen. Dit was in 1998 het werk van een masterstudent aan de Universiteit van Haifa, Theodore (“Teddy”) Katz, 45, een kibbutzjnik van middelbare leeftijd die actief was in Meretz en andere bewegingen van Israëlisch links. Katz schreef zijn masterscriptie onder toezicht van Kais M. Firro, een extremistische druzische hoogleraar bij de afdeling Geschiedenis van het Midden-Oosten. Ook Pappé was scriptiebegeleider.”

“De universiteit van Haifa stelde een interne onderzoekscommissie in naar de zaak en die ontdekte dat Katz systematisch de Arabische getuigen die hij voor zijn masterscriptie had geïnterviewd verkeerd had geciteerd; en dat hij ook anderszins bewijs had vervalst. Niettemin nam de universiteit geen disciplinaire maatregelen tegen de betrokken hoogleraren en werd ook Katz’s diploma niet ingetrokken. Evenmin heeft iedereen in de Israëlische academische wereld afstand gedaan van het Katz-onderzoek; Ilan Pappé blijft volhouden dat niet alleen Katz’s inmiddels ingetrokken aantijgingen juist waren, maar hij heeft aangegeven dat hij zelf van plan is de aantijgingen in zijn eigen geschriften te herhalen.”

Er was dus niet alleen géén bewijs dat het wél gebeurd was, maar wél bewijs dat het níét gebeurd was.

Tot zover dus de behandeling van alleen nog maar de openingsparagrafen van de proloog van het pamflet van VdH, die dus wil, ik zeg het nog maar eens, dat wij denken dat die Joden in 1948 daar in Israël best wel een soort nazi’s waren. Misschien is het toch relevant op te merken dat dit soort kwaadaardige verzinsels sterk bijdraagt om de Jodenhaat die door de media toch al elke dag bij de Nederlandse bevolking erin ingepompt wordt, nog op te voeren.

Ik citeer “Solomon Socrates”, die laat zien hoe dit soort gruwelpropaganda leidt tot nóg meer Jodenhaat in Israël:

“Katz heeft dan misschien afstand gedaan van zijn eerdere aantijgingen, maar het verzonnen bloedbad kreeg al snel een geheel eigen dynamiek, met reële gevolgen. Veel Arabieren die in 1948 in Tantura woonden en hun nakomelingen wonen nu in de Arabische stad Faradis, niet ver weg [van Tantura]. Na de “ontdekking” van het bloedbad begonnen Faradis-scholen uitstapjes te organiseren om de plaats van het vermeende bloedbad te bezoeken. Faradis, dat schrijlings ligt op een van de twee wegen naar Haifa vanuit het zuiden, was in grote lijnen gespaard gebleven van de rellen en het geweld die andere Arabische steden kenmerkten gedurende de jaren van de eerste intifada [in 1987]. Maar in september 2000 kwamen de stadsbewoners met geweld in opstand, blokkeerden snelwegen en vochten met de politie en er werd scherpe munitie gebruikt. Kan het zijn dat de universiteit van Haifa een primeur in de academische geschiedenis heeft gecreëerd — een gewelddadige rel veroorzaakt door verzinsels in een masterscriptie?”

Vervolgens gaat VdH uitleggen dat Israël een héél klein landje is — de helft van Nederland — maar tsjonge-jonge-jonge, zegt hij, wat veróórzaakt dat Jodenlandje een problemen! Hoe komt dat nou, vraagt-ie. En hij antwoordt:

“Sinds de interventies van de Verenigde Staten in Afghanistan en Irak en de wereldwijde botsing tussen de islam en het Westen lijkt de betekenis van Israël nog slechts toegenomen. De geografische ligging en religieuze aard van het land — aan de rand van het oorlogsgebied en een vreemd element in een islamitische omgeving — zijn daarvoor niet de enige verklaring. Een andere verklaring is de speciale verhouding tussen Israël en de wereldmacht van onze tijd, de Verenigde Staten. Deze verhouding is zo intiem dat Israël van die staten regelmatig de 51ste wordt genoemd.”

U proeft in het bovenstaande dat die “Clash of Civilizations” best wel eens aan de agressie van Amerika zou kunnen liggen, aan het massamoordend penetreren van het Fremdkörper Israël in die vredige en bucolisch-idyllisch-islamitische omgeving en aan die intieme verhouding van “Israël” met de leidende kringen in Amerika. Hier wordt natuurlijk voorts geknipoogd naar de “Joodse lobby” die zogenaamd op de achtergrond aan alle touwtjes in Amerika zou trekken. Je weet toch? Joodse wereldheerschappij!

Wat we tot nu toe van het betoog van VdH meenemen is dus dat die Joden in Israël moorddadig tekeer kunnen gaan en dat ze zulks doen met steun van een Amerika waarmee ze “intiem” zijn. Maar waarom steunen volgens VdH die leidende Amerikaanse kringen dat ministaatje dat zoveel reuring veroorzaakt? (Tussen haakjes: dat staatje veroorzaakt niet de reuring, dat doet de islamitische haat en de steun daarvoor van regressief-links en van de oliebelangen in de Noord-Atlantische wereld.)

Nou, zegt VdH, dat doen die kringen vanwege de Holocaust:

“De tegenwoordig grote aandacht voor joden wordt nog opmerkelijker als je naar de lange termijn kijkt. Als het jodendom vóór de Tweede Wereldoorlog in het Westen ter sprake kwam, was dat in negen van de tien gevallen omdat er een nauwe relatie bestond tussen het christelijke en het joodse geloof ofwel omdat het boek van de christenen, de Bijbel, begint met het boek van de joden. Een onbetrouwbare steekproef in de catalogus van de in Nederland aanwezige literatuur met in de titel het begrip ‘joden’ of ‘joods’ mag dat illustreren. Tot ongeveer 1800 hebben bijna al die geschriften betrekking op het christendom. Pas daarna verandert dat en krijgen de joden ook los van het christendom aandacht. Toch duurde het tot halverwege de twintigste eeuw dat hierin werkelijk verandering kwam en joden zelfs in het centrum van de belangstelling raakten. Hiervoor zijn twee redenen, “onontwarbaar met elkaar verstrengeld: Shoah en Israël. De bizarre ironie is dat dezelfde persoon die al het mogelijke heeft gedaan de joden voor eens en altijd van de aardbodem te doen verdwijnen, er in verregaande mate toe heeft bijgedragen dat zij steviger op de kaart staan dan ooit. Bitterder wraak voor Hitlers misdaden valt niet te bedenken. Hitlers bizarre rol is niet de enige ironie in de geschiedenis van Israël. Nee, wie zich in die geschiedenis verdiept, zal ontdekken dat daarin zoveel ironie schuilt dat het onmogelijk is van land en volk een eenduidig verhaal op te hangen. Toch gebeurt dat. Sterker nog, tot voor kort was in het Westen nauwelijks iets anders bekend dan zo’n eenduidig verhaal: van mensen zonder land die recht hadden op een land waar geen mensen woonden en die er na hard werken en harde strijd in geslaagd waren ‘de woestijn te doen bloeien’ en de vijandige omgeving te bedwingen.Het gebied dat tegenwoordig Israël heet, zo luidde de na de Tweede Wereldoorlog algemeen gedeelde overtuiging zoals verankerd in Resolutie 181 van de Verenigde Naties, zou mede om die reden terecht joods zijn. De ironie van de ‘thuiskomst’ van de joden na bijna tweeduizend jaar is echter dat hun vroegere buren van huis en haard verdreven zijn. Tot voor kort bestond daarvoor nauwelijks of geen aandacht.

“Onontwarbaar”, “bizar” en “ironie” zijn in dit citaat wel de sleutelwoorden. Echt goeie chocola kan ik hier nauwelijks van maken. Maar toch meen ik een element waar te nemen dat VdH telkens probeert te benadrukken in de geschiedenis van de stichting van Israël: het was toevallig, die vergissing had niet gemaakt hoeven worden. Hoofdstuk 5 heet zodadelijk óók niet voor niks “Toeval te bitter voor woorden: Israël en de Shoah”. Hier, in deze proloog, begint hij met te stellen dat er niks bijzonders aan de hand was met de Joden in de wereldgeschiedenis. Daarmee ontkent hij waarvan hij zelf een manifestatie is: de millennia oude WIL in de wereld om de Joden dwars te zitten, een WIL die wel bekend staat als antisemitisme. Wat Hitler deed, de Holocaust dus, was niet de consequentie van die oude Jodenhaat, vindt VdH, maar een “bizarre ironie” en het ontstaan van Israël is “wraak” voor die unieke “bizarre” misdaad en wel een wraak die “bitter” is. Kortom: Israël is de ironisch-bittere wraak van de Joden op bizarre Hitler. Allemaal bizar-ironisch toeval. En de wereld zit er maar mee, zo wil VdH zeggen.

Wat VdH in elk geval niet goed ziet, is dat door de ironie van bizarre Hitler met zijn ironisch-bizarre Holocaust de Joden héél toevallig op een bizarre plek zijn terechtgekomen, want in Palestina hadden de Joden een geschiedenis van drie millennia liggen. Er was ook niks bitters aan omdat het inderdaad een godverlaten oord was waar de Joden welvaart en humaniteit brachten en omdat ook de meeste Arabieren in Palestina juist daardoor aangetrokken nieuwkomers waren. Het was inderdaad wél “een eenduidig verhaal”, veel eenduidiger en positiever dan van enige ander land ter wereld valt te vertellen. Het enige bittere was dat de Moefti van Jeruzalem, Amin al-Husseini, met Koran en Soenna in de hand de terreur tegen de Joden predikte. Die terreur had tot gevolg dat de legers van Egypte, Syrië, Irak en Jordanië Israël binnenvielen in 1948. Dát zijn de enige redenen dat “hun vroegere buren van huis en haard verdreven zijn”. Bij het ter perse gaan van dit boek in juni 2021 is er in mei opnieuw een cyclus van geweld geopend tegen Israël door Hamas. In mijn naschrift ga ik verder op deze meimaand in.

En dan die godvergeten chotspe: “Tot voor kort bestond daarvoor nauwelijks of geen aandacht.” Vanaf de door Israël gewonnen Zesdaagse Oorlog in 1967 hebben de antisemieten, islam-liefhebbers en links-regressieve collaborateurs met succes de hele Nederlandse bevolking gehersenspoeld met het verhaal van die zielige “Palestijnen” en dat nazi-achtige Israël. Dat konden ze omdat de “generatie van 68” inderdaad die succesvolle “Mars door de Instituties” heeft afgelegd en een totale monopolistische greep heeft gekregen op de media, de politiek en de universiteiten. VdH is er zelf een product van. De EU is vanaf het begin een Eurabië-en-islamiseringsproject geweest: de droom van De Gaulle was om steunend op het Middellandse Zee-bekken en de olielanden Amerika naar de kroon te steken. In ruil voor de olie moesten de Europeanen lief zijn voor de islam en veel moslim-immigranten toelaten (Bat Ye’Or, Eurabië). Op 27 November 1967 verklaarde De Gaulle openlijk dat Franse samenwerking met de Arabische wereld “de fundamentele basis voor onze buitenlandse politiek” was geworden. Na 1967 was Frankrijk voortaan pro-Arabieren en anti-Israël. En dat sloot heerlijk aan bij de ideologie van regressief-links met hun liefde voor exoten, de islam en hun haat-complex jegens Israël.

Wat hebben we tot nu toe als we VdH volgen?

Die Joden gaan in Israël moorddadig te keer, verdrijven een heel volk en komen daarmee weg vanwege de Holocaust en omdat ze “intiem” zijn met Amerika, maar tegenwoordig hebben we ze beter in de smiezen, die Joden.

VdH presteert het ook om van het voortdurende aannemen van anti-Israël-resoluties in de VN een karakterfout te maken van Israël, de Jood onder de naties. Bij hem hoor je niets over het feit dat de OIC, de Organisation of the Islamic Cooperation met 56 landen in de VN vertegenwoordigd, middels oliegeld telkens Derde Wereldlanden zover krijgt dat ze mee stemmen tegen Israël. Die kongsi is de oorzaak dat al die haat-resoluties aangenomen worden. Na 100 jaar terreur van de Palmaffia’s, drie genocidaal bedoelde oorlogen — 1948, 1967, 1973 — en een stuk of tien genereuze vredesvoorstellen die allemaal afgeslagen zijn door diezelfde Palmaffia’s vindt VdH echter dat de schuld bij Israël ligt omdat Israël de zelfmoord-resoluties niet uitvoert waarin geëist wordt dat Israël zich achter onverdedigbare grenzen terugtrekt en na Gaza ook “de Westbank” laat veranderen in een raket-lanceer-installatie. Israël komt volgens VdH met alles weg door de steun van Amerika en het Holocaust-complex van het westen. Lees maar:

“Een goede illustratie hiervan is dat vele van de hiervoor genoemde resoluties van de Verenigde Naties Israël verplichtten iets te doen of na te laten maar zelden of nooit resultaat hadden. Israël trok zich van de resoluties niets aan en de wereld liet het erbij. Geen enkel ander land, of het zouden de Verenigde Staten moeten zijn, heeft iets dergelijks ooit gedurfd en gekund. Israël wel. Waarom? En waarom heeft de wereldgemeenschap het daarbij gelaten?”

Ik denk dat VdH hier suggereert dat zulks komt omdat de Joden nu eenmaal achter de schermen over de hele wereld aan alle touwtjes trekken. En dan wijst hij er nóg eens op dat we die Joden beginnen door te krijgen: 

In de westerse wereld kon je tot voor kort over bijna elk onderwerp zeggen wat je wilde, desgewenst grof zijn, behalve over Israël. Wanneer je op dat land en zijn bewoners de criteria toepaste die overal van toepassing zouden moeten zijn – humaniteit, internationale rechtsorde, zelfbeschikkingsrecht, kritische reflectie – was het smeken om problemen en kreeg je per omgaande het etiket ‘antisemiet’ opgeplakt. Dit betekende zoveel als: discussie gesloten. Vanuit de context van de jaren zestig en zeventig van de twintigste eeuw is dat eventueel nog te begrijpen. Het besef van de Shoah was zo recent, de woede daarover dermate, zo ook de sympathie voor het kleine, dappere Israël dat nuchtere reflectie moeilijk leek. Begin eenentwintigste eeuw is dat veranderd. Het is helaas onduidelijk waartoe die verandering leidt.”

Dit is pervers. Maar is het antisemitisme? “Nuchtere reflectie” levert volgens mij nu juist het inzicht op dat er een islamitische wereld is die niks anders te bieden heeft dan terreur en chantage en een Israël dat zich zo proportioneel mogelijk te weer stelt. En dat de Israël-demonisering vooral sinds de oliecrisis van 1973 alomtegenwoordig is.

Nee, ik kan niet bewijzen dat VdH een antisemiet “is”. Ik kan alleen aantonen, net als bij al die andere links-regressieve gekken, dat hij er alles aan doet om de Jood onder de naties, Israël, te belasteren. Dat hij de Joden WIL dwarszitten. Maar dat aantonen kost wel ontzaglijke hoeveelheden energie en tijd en veel close-reading. Ik ben dat hier ter plekke, zoals u kunt lezen, opnieuw aan het demonstreren. Zoals ik dat al zo vaak heb gedaan. Neem bijvoorbeeld — en het is echt maar een voorbeeld uit vele — Thomas von der Dunk (Volkskrant), een motorrijdende leernicht met heel veel begrip voor het geloof dat inspireert tot het gooien van homoseksuelen van hoge flatgebouwen. Hem heb ik eindeloos moeten analyseren om telkens opnieuw de vinger te kunnen leggen op wéér een perversie, een lasterleugen of verzwijging inzake Israël. De grote Vlaamse geleerde Etienne Vermeersch bleek ook al iemand met een rugzakje als het op Joden aankwam: met hem voerde ik een polemiek die vooral van mijn kant uitputtend en lang was. Ik kan de keren niet tellen dat ik wéér stuitte op een krantenstuk, televisiedocu, nieuwsuitzending of kwaaksjoo waarin wéér kwaadaardige onzin werd verkocht over Israël door een “linkse” of een moslimische of zelfs ook Joodse zwatelaar. Ja, die laatsten bestaan ook, in Israël zelf heb je er tienduizenden van, van die vertegenwoordigers van het het met de islam collaborerende links-regressieve narcistisch-hedonistische zelfverheffingsneuroten-machtsconglomeraat. In Nederland wordt dit soort Stockholmsyndroom-Joden — Raoul Heertje, Natascha van Weezel — door reisburo NPO erop uit gestuurd om het definitieve bewijs te leveren dat Israël niet deugt. Altijd  handig: Joden die het zelf óók zeggen. Een Jood die het zelf héél uitdrukkelijk zei, dat “het zionisme” en dus Israël niet deugt — en daarmee links-Joods-Amerika nog gekker maakte dan ze al zijn — is Ari Shavit aan wie ik in voorgaande hoofdstukken van dit boek ook wat woordjes heb gewijd.

En ja hoor! Ook VdH brengt een paar Joden in stelling “die het zelf zeggen“. Lees maar:

“Dat brengt mij op de voorlopig laatste en ingrijpendste ironie in de geschiedenis van Israël. Vooral in de afgelopen tijd hebben nogal wat joden (althans mensen van geheel of gedeeltelijk joodse komaf) zich fel tegen de situatie in Israël gekeerd. Noam Chomsky is een van hen – en een van de eersten. Hij beroept zich op voorgangers als Martin Buber en Hannah Arendt en bevindt zich vandaag de dag in het gezelschap van Tony Judt, Ilan Pappe, Norman Finkelstein en minder bekende personen als Jacqueline Rose, Joel Kovel en Richard Cohen, plus, in Nederland, de aanhangers van de in 2001 opgerichte stichting Een Ander Joods Geluid. Hoewel genoemden door een flink deel van de pers gewoonlijk voor idioten worden uitgemaakt, hoef je maar tien minuten hun geschriften of activiteiten te bekijken om te begrijpen dat een dergelijke kwalificatie slechts het effect van de boemerang kan hebben. Antisemieten dan? Joodse antisemieten?

Daar hebben we de zogenaamde “ironie” weer en deze keer van de “ingrijpendste” soort. Ik ga niet beweren dat ik ze allemaal gelezen heb, die Goede Joden die het óók snappen, net als VdH, maar ik ken wel veel van het links-regressieve gespuis dat zich in diezelfde hoek bevindt als deze Stockholmsyndroom-Joden. En ik heb uit die hoek nog nooit één steekhoudend argument gehoord dat mijn verhaal ook maar op een enkel onderdeel onderuit haalt, het ware verhaal namelijk dat de Joden alle juridische en morele rechten hebben om “from the river to the sea” te wonen in Palestina, dat ze er nooit iets anders dan welvaart en humaniteit hebben willen brengen en dat de Arabieren maar één ding behoefden te doen om de vrede te laten uitbreken: ophouden met terreur. En als VdH “maar tien minuten” de “geschriften of activiteiten” van die Goede Joden hoeft te bekijken om fundamentele kritiek op Israël te vinden, dan had hij toch ook wel tien regels kunnen besteden aan een weergave van de argumenten die ze hebben? Maar ik vind ze in zijn hele boekje niet.

VdH is dus geen antisemiet, zo beweert hij zelf, maar hij heeft wel een groot probleem met “Israël”. Iedereen ter wereld heeft een probleem met Israël zegt hij, zou althans een probleem met Israël móéten hebben. Je hoeft, vindt hij, geen antisemiet te zijn om te zien dat die Joden daar in Israël nog eens de wereld in brand gaan steken. 

“Israël is niet alleen het probleem van de joden. Als brandhaard van internationale spanning is het land het probleem van ons allen.”

Men ziet: VdH is geen antisemiet, hij constateert slechts dat Israël een wereldprobleem is, waarvan we allemaal last hebben.

En dan begint hij verward over “humanisme” en “collectivisme” en “nationalisme” te zwatelen. En daarbij moeten we begrijpen — of lees ik dat nou verkeerd? — dat Israël precies net zo’n nationalistische ontsporing is als Nazi-Duitsland. Lees even mee:

“Een van de belangrijkste dingen die ik daarbij geleerd heb, is wat je het ‘humanistisch principe’ zou kunnen noemen: dat het in samenleving en politiek uiteindelijk altijd om individuen gaat, niet om het collectief, en dat het verkeerd loopt wanneer met dat principe geschipperd wordt. Hannah Arendt, een van de meest onafhankelijke joodse denkers van de twintigste eeuw, zou hetzelfde anders zeggen, namelijk dat het uiteindelijk altijd om de moraal gaat, niet om de politiek en dat het misloopt wanneer de moraal in dienst wordt gesteld van de politiek in plaats van andersom. Het beetje water in de wijn wordt meer en nog meer, net zolang tot er van de wijn weinig overblijft. De Tweede Wereldoorlog laat van een dergelijke ontsporing extreme voorbeelden zien. Maar er zijn andere. Over één daarvan, Israël, gaat dit essay.”

Ben ik nou gek? Of hoe zit het? Staat hier nou dat Israël een a-morele, anti-humane en extremistisch-nationalistisch-collectivistische ontsporing is in de orde van grootte van vooral die ene andere extreme ontsporing tijdens de Tweede Wereldoorlog? Dat stáát er toch? Of niet?

Ja, dat staat er en als VdH dat nou vindt — buitensporig idioot natuurlijk — wat vindt hij dan van de reactie van de Arabieren die vanuit een waaráchtig a-morele en antihumanistisch-extremistisch-nationalistisch-collectivistische ideologie hun weldoeners, de Joden, gingen terroriseren? Daarna pas gingen de Joden zich verdedigen en dat konden ze goed, dat is gebleken.

Dat hij wel degelijk vindt dat Israëli’s eigenlijk best wel nazi’s zijn, blijkt uit de voortdurende parallellen die hij trekt. Zo zegt hij in zijn Epiloog — en nu loop ik even vooruit op de analyse daarvan:

“De huidige verhouding tussen Israëliërs en Palestijnen is complexer dan de toenmalige relatie tussen Duitsers en joden. Daar staat tegenover dat ook de te bespreken misdaad niet van dezelfde orde is.”

Toch niet maar eigenlijk wel. Of zo. Israëlische Joden en nazi’s zijn allebei misdadigers, maar de Joden niet precies een-op-een net zulke erge. Hij heeft het hier over de Wiedergutmachung van ex-nazi-Duitsland richting Joden en vergelijkt dat met wat volgens hem Israël ook aan “de Palestijnen” verplicht is in het kader van het herstellen van de onherstelbare vergissing.

VdH probeert zich tegen het verwijt van antisemitisme in te dekken door her en der te verklaren dat hij graag in Israël komt en dat hij er vrienden heeft. En neem nou dat zinnetje waarmee hij “Makkabeën I” besluit:

“De joden konden deze [Balfour-] verklaring niet anders zien dan als een godsgeschenk, vergelijkbaar met de gebeurtenissen ten tijde van Juda en de Makkabeeën. Vandaar dat zij het lichtfeest vanaf dat moment met meer overtuiging gevierd hebben dan voorheen. Daartoe ontsteken zij gedurende acht nachten een kaars in een speciaal voor dit feest bestemde kandelaar. De negende arm van deze kandelaar dient als reserve. Ook worden speciale liederen gezongen, passend (in olie bereid) voedsel gegeten en bijzondere spelletjes gespeeld. Een ontroerende gewoonte.”

Wat een mooi zinnetje nou toch! En de empathie die VdH in die drie woorden weet te leggen. Bovendien staat dat totaal plichtmatige zinnetje aan het einde van een tekst waar dit wordt gezegd:

“De belangrijkste van die zonen heette Juda, bijgenaamd de Makkabeeër. Deze naam is afgeleid van het Hebreeuwse maqqabi, wat strijdhamer betekent. Juda is dus een vroege versie van Karel Martel (martel betekent eveneens hamer), de middeleeuwse vermorzelaar van de Arabieren. Hij was een Terminator uit de oudheid, een mannetjesputter die met zijn vijanden wel raad wist. En inderdaad, na een harde strijd werden ‘de vreemdelingen’ verslagen en begaven Juda en de zijnen zich naar de berg Zion.”

Dan denk je: vooruit maar, die Joden konden dus ook knokkers zijn, maar ja, de tijden waren er ook naar. Maar in “Makkabeën II”, achterin het boekje, komt er toch een aap uit een mouw. Geen idee hoe je die aap moet noemen, het is in elk geval een aap van een goochelaar die ik boven aanduidde als een “Israël-irrationalist”, want als je de Joden in Israël die al honderd jaar het Kwaad van de nazistische islam zo proportioneel mogelijk bestrijden de kinderen van de duisternis noemt dan ben je géén redelijk mens:

 “In het oudtestamentische boek Makkabeeën worden degenen die tot de komst van Juda de tempel in bezit hadden, verslagen, verjaagd en vermoord, om vervolgens geruisloos uit de geschiedenis te verdwijnen. Lange tijd dreigden de Palestijnen eenzelfde lot te ondergaan. Dat is niet gebeurd. Integendeel, zeker in de afgelopen jaren hebben zij zo vaak van zich doen spreken dat een groot aantal westerlingen bij het woord Israël eerder denkt aan het leed van de Palestijnen dan aan de triomf van de joden.Gevolg hiervan is dat geen weldenkend mens op dit moment in het joodse lichtfeest uitsluitend nog het licht en het feest kan zien. Het is onmogelijk te vergeten dat het licht voor anderen duisternis en het feest voor hen verdriet betekent.”

Zou VdH dat nou echt niet weten. Dat als die Moefti . . . . . . . ach: láát maar. De tekst loopt dan uit op een vergelijking met de “muur” die Israël tegen het terrorisme opgericht heeft met de muur die de Makkabeeën bouwden en de hulp die de Makkabeeën van de Romeinen kregen met die hulp die Israël van Amerika krijgt. Maar ook die “muur” — die alléén maar een muur is op plekken waar Palmaffia-sluipschutters Israëlisch gebied kunnen bestoken — gaat de Joden lekker niet redden:

“Om zich te beschermen tegen nieuwe aanvallen omringden de Makkabeeën hun land niet alleen met een muur maar verbonden zich ook met de opkomende grootmacht van hun tijd, de Romeinen. Dat verbond gaf hun net als de muur een grote mate van kracht en zelfstandigheid. Maar ook dit betekende slechts succes op de korte termijn. Aan het begin van onze jaartelling, in 66 na Chr. om precies te zijn, kwam het tot een definitieve botsing tussen de joden en hun beschermheren. Laatstgenoemden hadden weinig clementie, verdreven de opstandelingen en vernietigden dezelfde tempel die Juda de Makkabeeër ruim tweehonderd jaar eerder met zoveel overgave gereinigd had. Tot de dag van vandaag is er van die tempel niets anders over dan een Klaagmuur.”

En nou zou je wéér kunnen gaan uitleggen dat als de Arabieren vandaag met terreur ophouden, het morgen vrede is en overmorgen Gaza en “de Westbank” welvarender, veiliger, vrijer en “inclusiever” zijn dan ooit, maar ik denk dat ik mijn zaak maar eens laat rusten. Intussen heb ik wel het gevoel dat VdH de ondergang van Israël zeer zou verwelkomen.

En dan nu die Epiloog getiteld “Something rotten in the State”.

De eerste drie pagina’s van zijn Epiloog hangt VdH op aan de in 2020 op 74-jarige leeftijd overleden Robert Fisk. Hij introduceert hem in 2008 aldus:

“Een paar jaar geleden publiceerde de correspondent van de Britse krant The Independent een bijna 1400 pagina’s dikke pil over het Midden-Oosten. De man, Robert Fisk, verbleef op dat moment al bijna dertig jaar in de regio. In die tijd was hij overal geweest, had alle kopstukken gesproken (Osama bin Laden drie keer), ontelbare vragen gesteld, duizenden mensen ontmoet, honderden artikelen geschreven en tientallen conflicten verslagen. Tijdens dat alles had hij zoveel ellende gezien dat hij diep somber was geworden. Vandaar dat hij zijn magnum opus besluit met de laatste regels van het enige gedicht dat hem naar eigen zeggen altijd weer tranen in de ogen bezorgt ( . . .).”

We laten dat gedicht, de tranen en de verdere verering van VdH voor Fisk zitten en stellen vast dat er over Fisk heel andere meningen bestaan, bijvoorbeeld bij de beruchte Amerikaanse rooie rechtserd Mark Steyn die in 2002 het volgende schreef

“Drie weken geleden[dus ergens vlak voor de onthoofding van Daniel Pearl op 1 februari 2002] suggereerde Robert Fisk, de Midden-Oosten correspondent van de Britse Independent, aan de ontvoerders van Pearl een bekende redenering: het doden van de Amerikaan zou ‘een grote blunder zijn, een doelpunt in eigen goal van de ergste soort’, ‘de beste manier om ervoor te zorgen dat het lijden ‘ — van Kasjmiri’s, Afghanen, Palestijnen, wat dan ook — ‘niet wordt geregistreerd’. Anderen hadden een soortgelijk idee in de aanbieding: als je Daniel vrijlaat, kan hij jouw verhaal vertellen, je boodschap verspreiden. Op de een of andere manier blijven we het punt missen waarom het gaat : het verhaal kwam wel degelijk naar buiten, het afgehakte hoofd is de boodschap.”

 Diezelfde Mark Steyn schreef in 2007 over Fisk:

“Hij is een van die kerels die te lang in het Midden-Oosten hebben gezeten, en als gevolg daarvan is hij, eh, nou ja . . . . eigenlijk zelfs méér dan inheems geworden. Dit is een man die telkens wanneer hij iets feitelijks probeert vast te stellen, het bij het verkeerde eind heeft. En de rest van de tijd verdwaalt hij in zijn waanzinnige, slijmerige columns.”

En Fisk heeft inderdaad Osama Bin Laden drie keer geïnterviewd, maar VdH vertelt er niet bij hoe dol Bin Laden was op Fisk, de man die het lijden der Arabieren zeer aan het hart ging. Zelfs de Volkskrant meldde bij Fisks overlijden in 2020:

“Hij trok ook van leer tegen de verplichting iedere partij netjes aan het woord te laten om elke schijn van partijdigheid te vermijden. Zijn motto was ‘neutraal en onbevooroordeeld aan de kant staan van diegenen die lijden, wie dat dan ook zijn’. ( . . .) Hij maakte naam als de man die drie keer terroristenleider Osama bin Laden interviewde, in de jaren negentig. Bin Laden vond de Arabisch sprekende Brit ‘een neutrale journalist’. Hun eerste ontmoeting vond plaats in een chique Londens hotel, waar de terroristenleider op slippers Fisk in de lobby opwachtte. Bin Laden zou zelfs het Witte Huis hebben geadviseerd Fisks artikelen te lezen.”

Enfin, samen met deze Fisk verliest VdH zich drie pagina’s lang in handenwringende wanhoop over het kolonialisme dat het vredige Midden-Oosten na de Eerste Wereldoorlog zo overhoop heeft gegooid en boos heeft gemaakt. En oh, wat is dat toch een tragedie met dat Israël! Wát een vergissing! Al honderd jaar moord en doodslag! Al die mislukte vredespogingen! Die muur die maar “kronkelt en kronkelt”! Die nederzettingen! “Met elke centimeter die er bij is gekomen en met elke nieuwe joodse kolonist is en wordt het probleem vergroot.” Geen uitweg! “Een ondertussen bijna honderd jaar oude ontwikkeling is daardoor nog altijd niet gestopt. Het ziet er evenmin naar uit dat iets dergelijks binnen afzienbare tijd zal gebeuren.” Het moet stoppen met dat Israël! Tsja, maar hoe moet dat dan meneer VdH? Door humanisme! Maar dat humanisme moet beginnen “bij de erkenning van de vergissing. Zolang die erkenning er niet is, zal het conflict van kwaad naar erger blijven gaan.”

Israël moet erkennen dat ze een vergissing zijn en dus hetzelfde soort voortschrijdend inzicht tonen als de Nederlandse Jood Herman Cohen:

“Vóór de oorlog emigreerde hij naar Palestina en streed voor Israël. Hoewel hij met de wijsheid van de oude dag altijd begrip heeft gehouden voor zijn jeugdig idealisme, betreurt hij in datzelfde idealisme blind te zijn geweest voor zijn Arabische lotgenoten en ‘de gevolgen die ons streven voor hun leven had’.Bij nader inzien treft de joodse bevolking van Israël dus wel degelijk blaam. Temeer omdat zij joods is, weet zij beter dan wie ook hoe het is om verjaagd, miskend, bedreigd en vermoord te worden. Het is verbazingwekkend dat zij niet inziet dat zij de Palestijnen heeft behandeld en nog steeds behandelt zoals zijzelf tweeduizend jaar lang behandeld is. En het is nog verbazingwekkender dat zij niet al het mogelijke doet aan die situatie een eind te maken. Het argument is bekend: we kunnen dat niet doen omdat mildheid aan onze kant betekent dat we vermorzeld worden. Het is, zoals ook in dit boek herhaaldelijk aangetoond, een oneerlijk argument: van mildheid tegenover en begrip voor de Palestijnen is in de Israëlische politiek nooit sprake geweest, vóór 1948 niet en daarna evenmin.Chaim Weizmann, David Ben-Goerion, Golda Meir en anderen hebben voor de Palestijnen nooit anders dan minachting gehad en zijn er altijd op uit geweest hen uit het ‘beloofde land’ te verwijderen.

De Joden moeten voortschrijdend inzicht tonen. Maar de Palestijnse Arabieren en de hele verdere Arabische wereld hoeven dat natuurlijk niet. Blaam voor de Joden in Israël. Maar uiteraard geen blaam voor Palestijnse Arabieren, die onder leiding en dwang van Amin al-Husseini, de Moefti van Jeruzalem, vanaf 1920 de terreur zijn begonnen en die vervolgens onder Arafat, Abbas en Hamas tot anno nu hebben volgehouden. We noemen die drie genocidaal bedoelde oorlogen van 1948, 1967 en 1973 ook nog maar even. De Joden hebben “de Palestijnen” aanvankelijk, zeker naar de normen van die tijd, zéér fatsoenlijk behandeld, land gekocht voor méér dan goed geld en de arme pachters véél beter behandeld dan ze van hun feodale Arabische landheren ooit gewend waren geweest.

En kijk nou eens welk pervers frame VdH zet rond de constante pogingen van de Israëlische Joden om tot een compromis te komen met de Palestijnse Arabieren. ‘We kunnen niet mild zijn’ legt hij de Israëlische Joden in de mond, ‘want dan worden we vermorzeld’. En inderdaad, zodra de Israëlische Joden “mild” zouden zijn in de zin die de Palmaffia’s en VdH graag zien, dus in de zin van een zelfmoord-overeenkomst met de Palmaffia’s, dan kan je wachten op de genocide. Maar “mild” in de zin van compromis-bereid zijn de Joden altijd geweest, vanaf het voorstel van de Peel-commissie van 1937 tot op heden. De Palmaffia’s vanaf de Moefti tot Arafat, Abbas en Hamas hebben daarentegen constant alle steeds genereuzer wordende voorstellen van Israël afgewezen.

Na 1967 (drie keer nee van Khartoem) hebben ze aanbiedingen gehad die inderdaad alsmaar guller werden:1993 (Oslo met Clinton, Arafat en Begin), 2000 (Camp David met Clinton, Arafat en Barak), 2001 (Taba met Bush, Arafat , Barak), 2007 (Annapolis met Bush, Abbas en Olmert), 2008 (met Olmert en Abbas), 2011 (met Hillary Clinton, Obama,Abbas en Netanyahu). In die vredesvoorstellen hadden de Palmaffia’s gemiddeld zo’n beetje voor 98% hun zin kunnen krijgen, maar steeds duidelijker is gebleken dat de Palmaffia’s geen vrede willen, dat ze leven van terreur, corruptie en parasitisme, geen normale staat willen en kunnen runnen en alleen maar uit zijn op genocide op de Joden en de vernietiging van Israël, zoals inderdaad nog steeds in de beginselprogramma’s van Hamas en Fatah staat. En vergeet niet: de Palestijnse Arabieren hebben dus al vanaf 1922 een staat in Jordanië (70% van het Mandaatgebied). Zelfs van die resterende 30% die toch wel voor de Joden had mogen zijn, hebben ze óók nog een stuk aangeboden gekregen: in 1937 (Peelplan) en in 1948 (VN). En ze weigerden. Ze weigeren altijd.

Hoe durf je dan te schrijven (!): dat de Joden nooit genereus en compromisbereid (“mild”) voor de Palmaffia’s zijn geweest? Ze zijn nooit iets anders geweest en waarschijnlijk precies omdat ze zich herinneren wat VdH beweert dat ze vergeten zijn: de eigen vervolging. En natuurlijk weten ze dat er altijd types zijn als VdH die het zó weten te draaien dat de Joden toch weer de schuld krijgen. Nou ja, u ziet het: dat doet VdH tóch wel, al zijn de Joden nog zo coulant.

En dan die “minachting” die leidende zionisten (Chaim Weizmann, David Ben-Goerion, Golda Meir) voor de Palestijnse Arabieren zouden hebben gehad: ik sluit niet uit dat er in die kringen behoorlijk paternalistische en betuttel-racistisch is neergekeken op de eenvoudige fellahin, maar zeker niet op de Arabische elite. Ik denk bijvoorbeeld niet dat Chaim Weizman minachting had voor Faisal bin Hussein bin Ali al-Hashemi met wie hij in 1919 een overeenkomst sloot. En ik had bij VdH graag wat citaten gezien van uitgesproken minachting voor de Arabieren in het algemeen. Ik kan wel wat citeren van bijvoorbeeld Ben Goerion die zelfs na alle terreur van de kant van de Arabieren, in 1937 in een toespraak het volgende zei:

“Geen Joodse staat, klein of groot, in een deel van het land of in het hele land, zal [waarlijk] gevestigd zijn zolang als het land van de profeten niet getuige is van de verwerkelijking van de grote en eeuwige morele idealen die generaties lang gekoesterd zijn in onze harten: één wet voor alle inwoners, rechtvaardig bestuur, liefde voor je naaste, waarachtige gelijkheid. De Joodse staat zal een rolmodel voor de wereld zijn in zijn behandeling van minderheden en leden van andere naties. Wet en rechtvaardigheid zullen zegevieren in onze staat, en een stevige hand zal alle kwaad uitroeien binnen onze rijen. Dit uitroeien van het kwaad zal geen onderscheid maken tussen Joden en niet-Joden. Net zoals een Arabische politieman die Arabische geweldplegers helpt streng gestraft zal worden, zo zal een Joodse politieman die een Arabier niet beschermt tegen Joodse vandalen streng gestraft worden.” (16)

En zelfs op 16 mei 1948, dus twee dagen ná de onafhankelijkheidsverklaring, zond de officiële Israëlische radio — dat kan ook nooit zonder instemming van Ben Goerion zijn gebeurd — de volgende verklaring uit in het Hebreeuws en Arabisch. Dit dus terwijl de “elites” van vijf Arabische naties een genocidaal bedoelde aanval hadden losgelaten op de twee dagen oude staat Israël:

“Hoewel wij tot een woeste oorlog zijn gedwongen, behoren wij niet te vergeten, dat binnen onze grenzen leden van het Arabische volk de rechten behoren te genieten van burgers en dat de meesten deze oorlog haten. Wij moeten hun rechten op een gelijk niveau handhaven met die van alle burgers. Wij zien uit naar vrede en strekken onze hand uit om hun medewerking te verkrijgen bij het opbouwen van ons vaderland. Burgers, laat ons de integriteit van ons jonge vaderland handhaven.” (17)

Dus het citaatje dat VdH geeft van Ben Goerion uit 1922 — “Wij zijn landveroveraars en we staan tegenover een ijzeren muur. We moeten die muur doorbreken.” — zal dan toch in het licht van het bovenstaande gezien moeten worden: mét respect voor de rechten van de Palestijnse Arabieren en géén geweld tenzij daartoe gedwongen. Maar nee: VdH concludeert iets anders: “Hij zou zoiets dergelijks niet alleen talloze malen herhalen maar ook daadwerkelijk uitvoeren.” Maar dan zou ik toch graag wat meer citaten zien die de gewelddadig bedoelingen en daden van Ben Goerion illustreren en dan citaten die los staan van zelfverdediging. Ben Goerion wordt overigens wel vaker kwaadwillig verkeerd geciteerd. Een beruchte is deze: “We moeten de Arabieren verdrijven en hun plaats innemen” terwijl hij in werkelijkheid zei “we willen en hoeven de Arabieren niet te verdrijven en hun plaats in te nemen”. (18)

Ook een uit de context gerukt citaat van Theodor Herzl wordt door VdH gebruikt om de gewelddadigheid van het Zionisme te suggereren:

“In zoverre is het veelzeggend dat de grondlegger van het zionisme, Theodor Herzl, nog voordat alle kaarten op Palestina werden gezet, de politieke lijnen uitzette die meer dan honderd jaar later nog altijd wordt gevolgd. ‘In het gebied dat ons toegewezen wordt’, schreef hij in 1895 in zijn dagboek, ‘moeten wij de grondbezitters onteigenen. Tevens moeten we de arme bevolking naar de andere kant van de grens zien te krijgen ( . . .). Dat proces van onteigening en verwijdering moet echter wel discreet gebeuren.’ “ 

Hier is een ruimer en accurater citaat en dan zien we dat gewelddadigheid al helemaal niet aan de orde is:

“Als we het land in bezit nemen, zullen we onmiddellijke voordelen brengen aan de staat die ons ontvangt. We moeten het privé-eigendom op de ons toegewezen landgoederen voorzichtig onteigenen. We zullen proberen de straatarme bevolking over de grens te loodsen door werk voor ze te vinden in de doorvoerlanden, terwijl we ze elke baan in ons land ontzeggen. De eigenaren van onroerend zullen onze kant kiezen. Zowel het proces van onteigening als de verwijdering van de armen moeten discreet en omzichtig gedaan worden. ( . . .) Het spreekt voor zich dat we respectvol personen met een ander geloof zullen tolereren en we zullen hun eigendom, hun eer en hun vrijheid beschermen met de hardste dwangmiddelen. Dit is nog zo’n gebied waarop we de hele wereld een prachtig voorbeeld zullen geven. ( . . . ). Mochten er veel van dergelijke onroerend-goed-eigenaren in afzonderlijke gebieden zijn [die hun eigendom niet aan ons willen verkopen], dan zullen we ze gewoon daar laten en onze handel ontwikkelen in de richting van van andere gebieden die van ons zijn. “

Dit klinkt uiteraard, met alle respect voor Herzls goede bedoelingen, toch niet helemáál prettig. Echter: in de praktijk in Palestina is niets gebleken van het planmatig over de grenzen bonjouren van arme fellahin. Integendeel: wel van ruime compensatie en zelfs begeleiding, zoals Herzl ook aankondigde. Voorts moet ter verontschuldiging van Herzl wel gezegd worden dat hij geloofde dat antisemitisme onuitroeibaar zou blijven en dat een deel van de locale bevolking bij een langer verblijf van Joden in hun midden altijd een vorm van Jodenhaat zou ontwikkelen. Vandaar die hang naar “etnische zuiverheid”.

Maar wat VdH uit dat suggestief afgeknotte citaatje van Herzl haalt, is natuurlijk weer uiterst dubieus:

“Gedurende tientallen jaren hebben Israëliërs en hun bondgenoten de kwalijke kanten van deze politiek kunnen verhullen. Die tijd is voorbij. Dat nog niet eens om morele redenen. Bot gezegd: het kan de meeste Israëliërs en zeker de politici van het land vermoedelijk niet zoveel schelen wat er met de Palestijnen gebeurt.”

Hieronder de betreffende passages uit de dagboeken van Herzl in fotokopie:

 

 

(Uit: Volume 1 of The Complete Diaries of Theodor Herzl, edited by Raphaël Patai, translated by Harry Zohn, Herzl Press and Thomas Yoseloff, New York and London)

Het kon “ze” wél schelen — Herzl en Ben Goerion en de “zionisten” in het algemeen. En ook na 1948 hebben Palestijnse Arabieren een betere behandeling van de Joden gekregen dan van hun broeders in de buurlanden. Maar VdH blijft erop hameren dat “we” in het westen die Joden veel te lang hun gang hebben laten gaan, maar dat we ze nu in de gaten hebben met die onmenselijke behandeling van “de Palestijnen”.

“Het kan het Westen tegenwoordig wél en zelfs steeds meer schelen wat er met de Palestijnen gebeurt. Dit om te beginnen omdat de islamitische invloed toeneemt. Vervolgens omdat men zich er sinds september 2001 meer en meer van bewust is dat de Palestijnse kwestie de kern is van een mondiaal conflict. En tot slot omdat het Westen door de toenemende bekendheid met het lot van de Palestijnen met het eigen wereldbeeld in de knoop komt.”

Die Joden gaan de wereld nog eens in brand steken! Dat is het refrein van VdH. Voorts doet hij in 2008 dus net of er nog niet zo lang geleden een Israël-kritisch briesje is opgestoken in het westen. Maar dat is een leugen. Al sinds 1967 hebben de links-regressieve monopolie-media in het Westen Israël in toenemende mate gedemoniseerd en de Palmaffia’s opgehemeld en dat ondanks alle terreur die ze loslieten op zowel Israëli’s in Israël als op westerlingen en Joden in het westen. Ja, de islamitische invloed nam inderdaad toe: in de jaren 1970 via het olie-chantagemiddel en de terreurdreiging met name voor het vliegverkeer. En via de EU die in het geheim verdragen sloot met de Arabische landen om in ruil voor rust op het oliefront de islam en de islamitische immigratie van moslims in Europa te bevorderen. En men werd zich er inderdaad “sinds september 2001” meer bewust van “dat de Palestijnse kwestie de kern ( . . .) van een mondiaal conflict” is, maar dat lag niet aan de Joden en Israël.

Nee, dat kwam niet doordat het ministaatje Israël op zich van zo’n geostrategisch belang was of is, maar omdat de Arabieren en in toenemende mate Iran, kortom “de islam” dat Palestijnen-gedoe bewust hebben opgeblazen tot het allerbelangrijkste in de wereld, onder andere door via de UNRWA het vluchtelingenprobleem niet alleen in stand te houden maar zelfs nog te verergeren, door idioterwijs elke nieuwe generatie als “vluchteling” te boek te stellen. Intussen waren de Palestijnse Arabieren in Israël relatief welvarend en vrij en werden die in de Arabische landen zwaar onderdrukt. Die Bin-Laden die Robert Fisk zo’n geweldige vrijheidsstrijder vond, was niet alleen de opblazer van de Twin Towers, maar ook van die Palestijnse mythe. En verdomd! Die Palestijnse mythe zorgde inderdaad dat het westen steeds meer “met het eigen wereldbeeld in de knoop” kwam. De liefde voor de Palmaffia’s nam namelijk evenredig toe met de angst voor de islam. Ga eens in de eerste drie minuten van deze docu kijkluisteren naar Blair en Bush en Clinton vlak na Nine Eleven. Zie die hypocriete koppen terwijl ze zeggen:

Tony Blair: “Ik wil tenslotte zeggen, zoals ik al vele keren eerder heb gezegd, dat dit geen oorlog tegen de islam is. Het maakt mij kwaad, zoals het de grote meerderheid van moslims kwaad maakt, om Bin Laden en zijn handlangers omschreven te horen als islamitische terroristen. Zij zijn alleen maar terroristen zonder meer. Islam is een vreedzame en tolerante religie. En de daden van deze mensen zijn volledig in tegenspraak met de leringen in de koran.”

George W. Bush: “Ik wil vanavond ook spreken tegen moslims over de hele wereld. Wij respecteren uw geloof. Het wordt vrij beleden door vele miljoenen Amerikanen en door miljoenen meer in landen die Amerika tot zijn vrienden rekent. De leringen ervan zijn goed en vreedzaam. En zij die kwaad doen in de naam van Allah, belasteren de naam van Allah.” (Geweldig applaus in de senaat, o.a. van generaal Colin Powell. Ook van minister van BZ Condoleezza Rice die er intens-moederlijk bij glimlacht en goedkeurend knikt.) 

Bill Clinton: “Ik wil dat u begrijpt , ik wil dat de wereld begrijpt, dat onze acties vandaag niet gericht waren tegen de islam. Het geloof van honderden miljoenen van goede en vredelievende mensen overal ter wereld, met inbegrip van de Verenigde Staten. Geen religie staat het vermoorden toe van onschuldige mannen, vrouwen en kinderen. Maar onze acties waren gericht tegen fanatici en moordenaars die moord aankleden als een daad van rechtvaardigheid en zodoende een grote religie ontheiligen in welks naam zij zeggen te handelen.”

Inmiddel zijn we vele tientallen grote en vele honderden “kleine” islamitische aanslagen en moordpartijen verder. De website “The Religion of Peace” houdt de score bij. Of ga anders, lezer, eens kijken op de website van het MEMRI (Middle East Media Research Institute) of Palwatch (Palestinian Media Watch) en verbaas u over de hoeveelheid uitzinnige bloeddorst die deze twee clubs aantonen in de Arabische en “Palestijnse” media.

VdH heeft nog meer bedreigingen voor Israël in petto. Israël, zo zegt hij, zal ten onder gaan aan de demografie:

“De tijd van verhulling is om nog een andere reden voorbij. Met de dag wordt duidelijker dat ook Israël zelf, met of zonder westerse sympathie, in een uitzichtloze situatie verkeert. Een van de verklaringen daarvoor is de demografie. Het land leeft op een tijdbom. Nog even en de Arabische bevolking in ‘groot Israël’ (Israël plus de bezette gebieden) is groter dan de joodse. Volgens sommige berekeningen is het zelfs al zover. Wat dan? Nog meer en nog hogere muren? Dat is geen optie.”

Ik weet niet hoe het u vergaat, lezer, maar ik voel smullend leedvermaak in deze alinea, ondanks de tragisch-noodlottig-meelevende toon. Gelukkig heeft Caroline Glick in haar meesterlijke boek van 2014 The Israeli Solutionuitgelegd dat annexatie van Samaria-Judea (“de Westbank”) mogelijk én noodzakelijk is. Zie het hoofdstuk getiteld “De Demografische Tijdbom is een Blindganger”. Glick legt uit dat het Palestijnse Bureau voor de Statistiek in 1997 een onderzoek had uitgevoerd dat zei dat in 2015 de “Palestijnen” zodanig in de meerderheid zouden zijn in het geheel van het gebied Israël-Gaza-Westbank dat ze alleen maar inlijving zouden hoeven vragen in Israël om vervolgens via hun stemrecht een democratisch einde te maken aan de Joodse staat. Prominente Likoed-politici als Ariel Sharon, Ehud Olmert en Tzipi Livni geloofden dat en deserteerden toen uit het kamp van Likoed en liepen over naar het linkse suïcidale toegeef-kamp omdat ze dachten dat ze op een gegeven moment anders voor de keus zouden staan om óf de democratie óf de Joodse staat op te geven. Deze drie politici hebben vervolgens leiding gegeven aan het proces van terugtrekking uit Gaza in 2005. Een omineuze en historische vergissing.

Was de Amerikaanse toerist en zakenman Bennett Zimmerman maar eerder dan in 2004 naar Israël gekomen om met een groep vrienden autoritten te maken door de Jordaanvallei en het verdere Samaria-Judea, want dan waren zijn cijfers eerder doorgedrongen tot de politiek en was de dramatische ontruiming van Gaza niet nodig geweest met het aan de macht komen van Hamas en de verandering van het ministaatje in een terroristisch nest. Het viel Zimmerman op dat het landschap van Judea-Samaria waardoor hij reed extreem dun bevolkt was en hij vroeg zich af waar dan toch al die drie miljoen zeshonderdduizend “Palestijnen” zich verborgen die er volgens de volkstelling van 1997 moesten wezen. Hij vertrouwde het niet en stelde een groep onderzoekers samen die aan het werk ging en tot de slotsom kwam dat de volkstelling uitgevoerd door de Palestijnse Autoriteit op fraude berustte. Glick legt in het betreffende hoofdstuk precies de ins-and-outs uit van het onderzoek van team-Zimmerman, maar ze concludeert:

“Joden maken twee-derde deel uit van soeverein Israël en van Samaria en als de huidige trends doorzetten dan zal het aandeel Joden [in de bevolking] ten westen van de rivier de Jordaan stap voor stap toenemen, niet dramatisch afnemen [zoals de 1997 census beweerde].”

Niettemin dreigde nog in mei 2011 Obama in een speech voor de Joodse gemeenschap in Amerika (AIPAC) met precies datzelfde dilemma voor Israël: groeiende “Palestijnse” bevolking zou dwingen tot Joodse dictatuur of opgave van het Joodse karakter van Israël. Maar ja, Obama was dan ook een bevooroordeelde en kwaadwillende onbenul inzake Israël of maakte in elk geval die indruk. Zie hiervoor het betreffende hoofdstuk over Obama.

Verder meende de VdH van 2008 te moeten waarschuwen dat veel mensen in Israël genoeg hadden van al die oorlogen, dat ze nou eindelijk wel eens wilden gaan leven in plaats van overleven. VdH:

“Al sinds geruime tijd vertoeven 400 000 tot 800 000 Israëliërs met een dubbele nationaliteit liever op een veilige plek elders in de wereld dan in het eigen land. In het voorjaar van 2007 was het aantal mensen dat Israël verliet voor het eerst sinds de economische crisis van het begin van de jaren tachtig groter dan het aantal dat het land binnenkwam. Veelzeggender nog is dat een kwart van de Israëlische bevolking emigratie overweegt. Bij jongeren is dat zelfs de helft.”

Een ruime marge “400 000 tot 800 000” en zijn al die 600 000 echt vanwege de veiligheid elders gaan wonen? Omdat ze niet konden léven in Israël? Ik denk dat VdH geen flauw benul heeft van de redenenen van die mensen. In elk geval hebben de trends die hij meende waar te nemen in 2008 zich niet doorgezet tot 2020, want de officiële Israëlische statistieken laten een positief migratiesaldo zien, dus meer mensen kwamen binnen dan er weg gingen:

“Volgens schattingen van het Centraal Bureau voor de Statistiek [van Israël]wordt op 31 december 2020 de bevolking van Israël geschat op 9.291.000 inwoners. 6.870.000 zijn Joden (73,9% van de totale bevolking), 1.956.000 – Arabieren (21,1%) en 456.000 Overigen (5,0%).
In 2020 groeide de Israëlische bevolking met 1,7%. 84% van de toename was het gevolg van natuurlijke groei en 16% van het internationale migratiesaldo.
Gedurende het jaar werden ongeveer 176.000 baby’s geboren (73,8% geboren uit Joodse moeders, 23,4% uit Arabische moeders en 2,8% uit moeders van Anderen).
In 2020 arriveerden ongeveer 20.000 nieuwe immigranten in Israël.”

Ook in deze Epiloog laat VdH geen invalshoek onbenut om de Joden van Israël de les te lezen, hun ondergang te voorspellen, verwijten te maken en nare, foute suggesties te doen. Wel een pagina of vier besteedt hij aan het verwijt dat de Joden, dank zij de diaspora altijd zulke individualistische kosmopolieten waren. Maar toen ze naar Palestina trokken werden ze nationalisten en niet zómaar nationalisten. VdH sluit aan bij “historicus en fascisme-kenner Zeev Sternhell” die de ideologie van het zionisme omschreef als nationalistisch en socialistisch “wat zeker niet hetzelfde is als nationaalsocialistisch maar wel op gemeenschappelijke wortels en verwante idealen wijst”. Bij dit suggestieve zinnetje laat VdH het niet:

“Vanuit dit perspectief mag het niet verbazen dat dezelfde nazi’s die joden met termen als ‘wurzellos’ omschreven, wél begrip hadden voor het zionisme. Dat zionisme maakte de geloofsgenoten in de diaspora immers hetzelfde verwijt, verkondigde eveneens een radicale ideologie en had eenzelfde fascinatie voor het (eigen) land.”

Eenzelfde fascinatie? Nou ja, met dit verschil dat de Joden geen racistische en moorddadige Uebermenschen-ideologie koesterden, geen militaire veroveringszucht vertoonden, pas gedwongen door terreur zich gingen verdedigen en geen plannen hadden voor de uitroeiing van de Palestijnse Arabieren, integendeel hen humaan behandelden en welvarender maakten, niet alleen vóór 1948, maar ook na 1967 in Samaria-Judea (“op de Westbank”). En als er nou één ideologie is die behalve het Führerprinzip (de oorlogszuchtige moordenaar en slavenhaler Mohammed is de absolute leider) en de expansieve oorlogszucht (jihad!) ook het Blut-und-Boden-Prinzip deelt met het nazisme is het de islam wel: Koran en Soenna schrijven voor dat land dat ooit islamitisch is geweest nooit meer in handen van de ongelovigen mag vallen. Trouwens: de hele aarde is voorbestemd onder het gezag van de moslims te komen. Het is werkelijk ongelooflijk dat VdH zulks onbenoemd laat. Bovendien komt de eis van de Palmaffia’s neer op het Judenrein aan hen uitleveren van “de Westbank”, waarna ze er een uitvalsbasis voor de jihad tegen Israël van kunnen maken. Maar VdH besluit met een verwijt aan de Joden dat ze zo ouderwets zijn:

“Het verzet van de post-zionisten tegen Israël heeft door ontwikkelingen in de afgelopen decennia nog een bijzonder tintje gekregen. Het lijdt geen twijfel dat de nationale staat z’n beste tijd gehad heeft en dat individuen in de toekomst in losse, wisselende, internationale verbanden zullen leven. Globalisering, kosmopolitisme en veeltaligheid zijn de tendensen van vandaag. Wat dat betreft hebben joden eeuwenlang op de ontwikkelingen vooruitgelopen. Zij waren de eersten. Zullen zij – zoveel ironie is haast onvoorstelbaar – vanwege Israël uiteindelijk in de achterhoede belanden?”

Daar heb je hem weer met zijn vervloekte “ironie”. En: nee, de Palmaffia’s, díé zijn modern! En zo totaal niet “nationalistisch”. Ze eisen alleen maar dat “de Westbank” Judenrein aan hen wordt uitgeleverd, waarna ze er een uitvalsbasis voor de jihad tegen Israël van kunnen maken.

In de laatste pagina’s van de “Epiloog” vergelijkt VdH Machiavelli (geweld!) met Erasmus (onderhandelen!) en roept de laatste aan om de Joden in Israël een moreel lesje te leren.

(Even tussen haakjes: weet u wat een chotspe (gotspe) is, lezer? Een jiddische grap maakt dat duidelijk: een jongetje van een jaar of twaalf heeft allebei zijn ouders vermoord en voor de rechter staande zegt-ie dan: “Jullie gaan toch geen wees veroordelen?”)

VdH beroept zich dus op Erasmus: “Hij bepleit geen geweld maar overleg, geen oorlog maar onderhandeling.”

Wie werkelijk bekend is met de laatste 100 jaar geschiedenis van de Joden en de Arabieren in Palestina is dit net zo’n chotspe als wat dat weesjongetje te berde brengt. Die geschiedenis namelijk is er een van constante pogingen van de Joden om te onderhandelen en bereidheid tot pijnlijke compromissen en van de kant van de Palmaffia’s eentje van honderd jaar lang antwoorden met haat en terreur.

De docent journalistiek VdH wordt steeds explicieter:

“Water slaat stuk op steen. Eenieder kan dat aan de Israëlische kust met eigen ogen zien. Maar op de lange termijn, zo weten we, liggen de verhoudingen omgekeerd en gaat steen stuk aan water. Het slijt het uit. Water slijpt steen glad. Het slaat er gaten in. Het brokkelt het af. En uiteindelijk verpulvert het water het steen dermate dat het de laatste restjes als gruis wegspoelt. Hetzelfde zou je kunnen zeggen van de politieke opvattingen van Machiavelli en Erasmus. Op de korte termijn heeft eerstgenoemde zonder twijfel gelijk. Het succes van de staat Israël is daarvan het zoveelste bewijs. Geweld werkt. Oorlog lost iets op. Meedogenloosheid legt geen windeieren.

Perversitas perversitatum! Constante perversiteiten en niks anders. Voortdurende totale omkering van alle waarheid en werkelijkheid. Op een gegeven moment moet ik stoppen met weerleggen. Maar ik wil wel wijzen op het feit dat VdH hier verlekkerd de natuur aanroept om te getuigen dat het nationalistische victimisme der Palmaffia’s nooit zal ophouden:

“Er leven op dit moment zo’n tien miljoen Palestijnen op de wereld. Hun aantal groeit snel. Ongeveer de helft van hen beschouwt zich als nakomeling van degenen die vanwege de stichting van de staat Israël op drift zijn geraakt. Er is voorlopig geen kijk op dat zij zich bij hun situatie neerleggen.

Nee, dat hoeven ze ook niet en “de wereld” heeft ze dat mogelijk gemaakt. De speciale organisatie voor “Palestijnse” “vluchtelingen” — (tweemaal aanhalingstekens want veel Arabieren waren net zo hard import als de Joden en ook zijn er nog maar heel weinig van die oorspronkelijke vluchtelingen in leven: we spreken van een tweede en derde en zelfs vierde generatie) — heet UNRWA (United Nations Relief and Works Agency) en is een totaal corrupte NGO met een enorme budget en zwaar overbetaalde ambtenaren die samen met de Arabische landen het “vluchtelingenprobleem” al 70 jaar in stand houden. De UNRWA door gebruik te maken van een regeling die uniek is in de wereld en alleen voor deze “Palestijnse” “vluchtelingen” geldt, namelijk dat tot het einde der tijden alle opeenvolgende geslachten van nakomelingen van deze oorspronkelijke vluchtelingen ook de status van “vluchteling” krijgen en behouden. De Arabische landen werken mee aan de instandhouding door deze “vluchtelingen” uit te sluiten van de normale economie en ze geen enkel burgerrecht te geven. Ik herinner eraan dat in 1948-1949 uit de Arabische landen ongeveer eenzelfde aantal Joden met achterlating van al hun bezittingen werd verdreven als er Palestijnse Arabieren uit Israël waren gevlucht: ongeveer 800.000. Het doodarme Israël, zwaar getroffen door de pas afgelopen oorlog en een land dat nog helemaal opgebouwd moest worden, integreerde die uitgedreven Joden naadloos. Net zoals de Palestijnse Arabieren die niet gevlucht waren en in Israël waren gebleven. En die alle burgerrechten kregen. Dit dus in tegenstelling, zoals ik zojuist al opmerkte, tot de Arabische landen die hun broeders tot op de dag van vandaag burgerrecht ontzeggen.

Ook in de lange eindnoot 192, behorend bij de Epiloog, mijmert VdH over de overeenkomsten tussen zionisme en nazisme. Ik citeer de eerste helft van de noot:

“Over contacten en mogelijke overeenkomsten tussen nazisme en zionisme bestaat een grote hoeveelheid, veelal sterk gekleurd, onbetrouwbaar materiaal. Maar dat er wederzijdse sympathieën hebben bestaan en contacten zijn geweest (Eichmann deed Palestina in 1937 aan maar werd door de Britten niet binnengelaten), staat vast. Een fascinerend bewijs ervan is de medaille die Goebbels in 1934 liet slaan ter herdenking van het bezoek van Leopold von Mildenstein aan Palestina, met aan de ene kant de davidsster en aan de andere de swastika, voor een afbeelding zie trfw: lenni brenner 1455 nazi travels palestine.”

Die laatste link heb ik er onder gezet. Maar als u écht iets wilt weten over deze Joodse zelfhater Lenni Brenner, lees dan Paul Bogdanor, “An Antisemitic Hoax: Lenni Brenner on Zionist ‘Collaboration’ With the Nazis

Contacten zijn er inderdaad geweest, maar die waren van de kant van de zionisten in Palestina vooral gericht op het zoveel mogelijk Joden naar Palestina krijgen. Met “wederzijdse sympathieën” wil VdH opnieuw de suggestie wekken dat die zionisten een soort nazi’s waren. Dat is de grofst denkbare perverse leugen. Het enige wat je kan zeggen is, dat er bij sommige propagandisten van het zionisme een opvatting over etniciteit bestond die ook aan het nazisme ten grondslag lag, maar dat was in die tijd in Europa een brede geestelijke onderstroom. Wat VdH wil, is dat we geloven dat het zionisme in oorsprong als ideologie net zo moorddadig was als het nazisme. Nou, dat hebt u in bovenstaande citaten van Ben Goerion en Herzl kunnen lezen. Op zijn ergst hadden de zionisten patriarchaal-koloniale en eurocentristische opvattingen in de zin van “The White Man’s Burden”. Er is wel bewijs dat de zionistische beweging in de opkomst van Hitler ook een voordeel zag: Ben Goerion zei dat wat decennia aan zionistische propaganda bij de Duitse Joden niet had kunnen bewerken, Hitler in een paar jaar voor elkaar had gekregen. En voor Europese Joden die niet naar Palestina wilden, hebben de zionisten, naar het schijnt, te weinig gedaan. En dan die medaille, met swastika en davidsster: die heeft Goebbels niet laten slaan uit sympathie voor de Joden maar uit sympathie voor de mogelijkheid om zoveel mogelijk Duitse Joden naar Palestina te sturen. Ja, daar hadden de zionisten en de nazi’s een gedeeld belang. Maar ook niet meer.

Het tweede deel van noot 192:

“Een interessante passage in dit verband staat in het ongepubliceerde, bij het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie bewaarde dagboek van Max Blokzijl, een van Nederlands grootste collaborateurs. Een week vóór zijn executie (en dus op een moment dat het zich mooier voordoen geen zin meer had) schreef hij, ‘mijn leven lang heb ik met joden samengewerkt en ben met hen oprecht bevriend geweest… [volgt een lange rij namen]. Wat ik den meesten joden echter blijf verwijten, is hun nationale onbetrouwbaarheid. Ik weet wel dat er ook in Duitschland ‘Duitschnationale Joden’ waren ( . . .) en zeker is dat het percentage Nederlandsche joden, dat zich Nederlander voelde voor 100% nog grooter [was] dan het soortgelijke in Duitschland (in Groot-Brittannië en Amerika is de situatie wellicht nog veel gunstiger). Over de geheele wereld echter zijn de joden, allen tezamen genomen, in de eerste en laatste plaats joden gebleven. En daarom bestrijd ik hun politieke leiding. Dus met uitzondering van het Zionisme’.”

Net als Goebbels dus: geen sympathie voor Joden, wel voor het zionisme. Een sympathie op grond van, ten eerste, het feit dat deze Ariërs eindelijk de Joden kwijt konden in een “wereld-getto” en ten tweede het “etnische” karakter van zowel nazisme als zionisme. Zoals gezegd: beide ideologieën varen op een brede geestelijk onderstroom in Europa, maar verder zijn het in karakter elkaars tegenpolen: vervolger en vervolgde, misdadiger en humanist. Maar VdH wil u laten geloven dat ze in elkaars verlengde liggen.

Het nationalistische victimisme van de Palmaffia’s zal nooit ophouden, constateerde VdH verlekkerd — het water zal de rots verbrijzelen! — en hij vindt ook dat het parasitisme van de Palmaffia’s een extra boost verdient. Al decennia pompten en pompen Europa en Amerika miljarden over in de zakken van Arafat, Abbas en Hamas. Dat geld ging en gaat voor een flink deel naar de bankrekeningen van de Palmaffiosi in Zwitserland en gaat verder op aan directe luxe voor deze terroristen. Een deel gaat naar leeflonen voor de families van omgekomen of gevangen zittende terroristen. Een deel gaat naar raketten, ander wapentuig en terreur-tunnelsdie onder de grenstussen Israël en Gaza door gegraven worden. Die tunnels worden ook naar Egypte gegraven en dienen voor de lucratieve smokkel van de Palmaffia-bazen. Iets productiefs hebben ze nog nooit met al die miljarden gedaan. Wie zei ook alweer dat gezien die miljardensteun Gaza inmiddels net zo welvarend zou moeten zijn als Singapore? Maar die miljarden die de Palmaffia’s al hebben ontvangen wil VdH nog met vele miljarden vermeerderen en dat noemt hij dan herstelbetalingen voor het door de Israëli’s aangerichte leed bij “de Palestijnen”:

“De huidige verhouding tussen Israëliërs en Palestijnen is complexer dan de toenmalige relatie tussen Duitsers en joden. Daar staat tegenover dat ook de te bespreken misdaad niet van dezelfde orde is. Het een afgezet tegen het ander schept wellicht perspectief. Nogmaals: als een proces, zoals in dit geval, fundamenteel verkeerd begonnen is, is de kans zeer klein dat het ooit goed komt. De enige kijk daarop begint met de erkenning van de beginfout en – schuld zonder boete is een wassen neus – de aanvaarding van de consequenties. Die consequenties kunnen om eerder geschetste redenen niet een terugkeer zijn naar de situatie van weleer. Resteert slechts één mogelijkheid: schadeloosstelling. Hoe, hoeveel, door wie (de internationale gemeenschap c.q. de Verenigde Naties kunnen zich niet aan hun verantwoordelijkheid onttrekken) en waarmee, het lijken onoplosbare vragen. Toch moeten ze beantwoord worden. Want zonder de erkenning van de fout én een schadeloosstelling aan de slachtoffers kan het met Israël, de Palestijnen en dus met een van de belangrijkste conflicten op onze wereld alleen maar nóg slechter gaan.”

Zuster, mag ik een teiltje?

Zo. En dan beginnen we nu maar eens de negen hoofdstukjes van dit fijne boekje één voor één te fileren.

“Een eeuw geleden, in de tijd dat onze grootouders en overgrootouders nog leefden, was het strookje wereld dat tegenwoordig Israël heet niet meer dan een van de vele randen van de Middellandse Zee. Het leven aan die randen – Oost-Spanje en Noord-Afrika, Italië, Griekenland, Zuid-Turkije – vertoonde grote overeenkomsten. Dat was al eeuwen zo. Aan de kust lagen havens en haventjes. Boten kwamen, boten gingen. Vracht werd in-en uitgescheept. Handelaars liepen rond. Winkeltjes hadden hun waren uitgestald. Paarden en wagens reden af en aan. Kortom, het was er – naar toenmalige begrippen althans – een drukte van jewelste. Hoe verder je van de kust af kwam, des te stiller het werd.”

Het bovenstaande is de eerste paragraaf van het eerste hoofdstukje getiteld “Een leven als altijd — Palestina aan de vooravond”. Daarin pastel-aquarelt VdH het leven in Palestina in de periode 1880-1920. Dat is, zoals u ziet, een niks-aan-de-hand-samenleving met dromerige dorpjes waarin het leven al sinds generaties vredig en mediterraan voortkabbelt.

En in die trant gaat VdH verder met de beschrijving van het platteland. Het is er hem duidelijk om te doen de komst van de Joden vanaf 1880 voor te stellen als de verstoring van een bucolische idylle. Maar anderzijds is hij er ook op uit de onmiskenbare economische opleving in Palestina die gepaard ging met de komst van de Joden niet aan de positieve invloed van diezelfde Joden toe te schrijven:

“Het is moeilijk te zeggen wie voor deze bloei verantwoordelijk was. Joodse historici hebben over het algemeen de neiging te beweren dat de ontwikkeling aan hun geloofsgenoten te danken is. Tot de Joden in groten getale naar Palestina trokken, zo beweren zij, was het land achterlijk. ( . . .) Palestijnse historici ontkennen niet dat de Joden in de Palestijnse export een rol hebben gespeeld, maar meer was er voor hen niet weggelegd. ( . . .) Eenzelfde discussie speelt omtrent de beroemde vraag of het Palestina aan de vooravond van de komst van de Joden een leeg land was dat met smart wachtte op nieuw aanwas. Talloze uitspraken getuigen daarvan. Er zijn echter net zoveel uitspraken waaruit het tegendeel blijkt.”

U ziet hierboven twee keer het woord “beweren”, maar het is echt wel meer wat die historici doen en het zijn echt niet alleen maar Joden die aan de Joden de bloei toeschrijven en het land voordien achterlijk noemen. Zie voor de talloze getuigenissen het hoofdstuk ”De historische en morele rechten van de Joden in Palestina: dé-kolonisatie en humanisering door de Joden vanaf 1880”. Daar vindt u ook de onderbouwde analyse van Mark Lewis die uitlegt dat in Palestina onder de Ottomanen in die tijd een wreed systeem van uitbuiting van de fellahin door veelal absenteïstische landeigenaren heerste. En dat het effect van de komst van de Joden vooral voor de armere Arabisch bevolking een verbetering van welvaart en rechtspositie betekende.

Bij de “Palestijnse historici” gebruikt VdH het woord “beweren” niet. Voor die getuigenissen van de bloei-op-eigen-Arabische kracht van Palestina in de periode 188-1920 moeten we trouwens helemaal naar achter in het boekje waar we in de eindnoten 12 tot en met 16 een eindeloze opsomming van literatuur vinden over de twee twistpunten ‘door-wie-de-bloei’ en ‘hoe-leeg-was-het land’. In eindnoot 35 bij hoofdstukje drie nog zo’n kale opsomming. Alleen in eindnoot 14 vinden we iets substantieels. Namelijk het volgende:

“Zie bijvoorbeeld de cijfers zoals vermeld in The Jewish Encyclopedia (New York 1901-1906), lemma ‘Palestina’, zie ook Farsoun en Zacharia, o.c. (noot 13) tabel 2.3. De waarde van de export vanuit Jaffa steeg tussen 1857 en 1881 van 156 000 naar 336 000 pond en vervolgens in 1908 naar 1 361 000 pond. De sinaasappelexport steeg tussen 1857 en 1879 van 6 miljoen naar meer dan 26 miljoen stuks. Enzovoort. Omdat de joodse immigratie vanuit Oost-Europa, de eerste aliyah, pas in 1882 begon, is het onmogelijk deze economische groei met de joden in verband te brengen.”

Ik zou zeggen: tussen 1857 en 1881 een verdubbeling, maar toen de Joden begonnen te komen, dus tussen 1881 en 1908, een verviervoudiging. Mijn conclusie uit die cijfers zou zijn: best wel mogelijk die economisch groei met de Joden in verband te brengen.

Het tweede hoofdstukje heet “De droom van Chaim — kracht en zwakte van het zionisme”, maar het gaat alleen maar over de “zwakte”, dat wil zeggen de verderfelijkheid van het zionisme. U moet namelijk weten dat het nationalisme de bron van alle kwaad is. En het zionisme is nationalistisch, toch? Zeg nou zelf. VdH ziet nog wel dat het zionisme zijn oorsprong vond in een ander kwaad, namelijk het antisemitisme dat zijn uiting vond in het Dreyfuss-proces en in de pogroms in Oost-Europa:

“( . . .) het verlangen [naar Zion] werd voor het eerst ook in politieke termen vertaald. ‘Het afschuwelijkste van de pogrom in Chişinău,’ schrijft Weizmann in zijn herinneringen, ‘is dat de joden zich als makke lammeren lieten afslachten en totaal geen weerstand boden.’ Het is een zinsnede waarvan de juistheid enkele decennia later op huiveringwekkende wijze bevestigd werd. Althans volgens de Zionisten. Zolang joden te midden van andere volkeren leefden, zouden ze niet in staat zijn zich te organiseren, te bewapenen en te verdedigen. Daarin moest koste wat het kost verandering komen. En daartoe bestond maar één middel: een eigen staat.”

Rare zionisten! Dat ze in de Holocaust een bevestiging zagen van de pogroms in Chişinău en dus van de noodzaak van het zionisme. VdH ziet hier uiteraard geen tegenstelling tussen het humaniserende en welvaart brengende nationalisme van de Joden en het ontmenselijkende en dood en verderf brengende nationalisme van “Hitler, Stalin en tientallen andere dictatoren” die “hierin het verst zijn gegaan”. U begrijpt: nét effe verder dan de zionisten die óók heel ver gingen in slechtheid! Zelfs de democratieën kwamen er volgens VdH pas na 1945 achter dat

“( . . .) een vergaande vorm van nationalisme ieders ondergang betekende. Sindsdien ligt de klemtoon binnen de nationale staten meer en meer op de burger en gaat men er, althans in het Westen en zeker in een land als Nederland, van uit dat het individu het doel is en de staat het middel, niet andersom. Vandaar uitdrukkingen als de bv Nederland, de burger als aandeelhouder en politici als administrateurs. Het is een standpunt dat haaks staat op het Israëlische – het huidige en zeker dat in de tijd van Weizmann.”

Opnieuw dus die ontkenning dat het nationalisme van het zionisme essentieel-fundamenteel-existentieel-cruciaal verschilde van het Europese nationalisme van vóór en tijdens de Wereldoorlogen en de “kolonisatie” van Palestina door de zionisten veeleer dé-kolonisatie mocht heten en in elk geval een vorm van ontwikkelingshulp was. Voorts: als er nou één staat is geweest die vanaf het prille begin tot nu toe een “BV” is geweest — voor een goed begrip: dat is een Besloten Vennootschap — is dat Israël: vanaf het begin door landaankoop en landontwikkeling, vervolgens door industrialisatie en high tech, met als fundament de chronische bereidheid tot handelen en onderhandelen, tot wheeling and dealing. Typisch Joods!

En ga eens in Arabierië vertellen dat nationalisme en collectivisme slecht zijn! Wat door VdH weer “vergeten” wordt, is dat de Palmaffia’s van Amin al-Husseini tot Arafat, Abbas en Hamas, die zich met terreur verzetten tegen die ontwikkelingshulp, dat deden vanuit een racistisch nationalisme dat zich vooral beriep op de islam, een ideologie die één-op-één elk wezenskenmerk met het nazisme deelt en dat de eerste Palmaffialeider, de Moefti van Jeruzalem, Amin al-Husseini, een bondgenoot van Hitler was en persoonlijk een extreem felle Jodenhater. Niets daarvan bij VdH!

Niet alleen demoniseert VdH het nationalisme van de zionisten, hij maakt het ook belachelijk: “Een onverwoestbare mythe wil dat de joden altijd naar Israël verlangd hebben.” Ik bespaar u VdH’s argumenten en geef direct toe dat, zoals hij claimt, veel voor te zeggen is dat we hier deels te maken hebben met een deelsinvented tradition, een traditie dus die achteraf bedacht is om een bepaalde werkelijkheid glans en legitimiteit te verlenen. Zeg maar zoals de “profeet Mohammed” 200 jaar na de veroveringen van Spanje tot Afghanistan door “de moslims” tot een mythe werd gemaakt om het islamitisch imperium een “spirituele” basis te geven. Maar feit blijft dat Theodor Herzl die mythe van “Zion”, dat is Jeruzalem, bewust en met succes heeft ingezet. Vervolgens maakt VdH van Weizmanns zionisme ook nog een individuele bevlieging:

“In zoverre overkwam Weizmann wat in de loop der tijden zovelen overkomen is, namelijk dat ze gegrepen werden zoals een monnik door God of een revolutionair door de leer van Marx en dat vanaf dat moment niets meer telde, behalve dat ene. Bij Weizmann en de zijnen heette dat ene Zion.Blind gingen zij ervoor, met een kracht die vleugels geeft, muren breekt, bergen verzet en woestijnen doet bloeien.”

Dat trekje komt telkens weer terug bij VdH: hij demoniseert en belastert het zionisme niet alleen, hij doet steeds net alsof het toeval is dat Israël is ontstaan. Hier de “bevlieging” van Weizmann en dadelijk in het hoofdstuk “Een knikje van Grote Broer — de VS,Truman en de joden” zal hij het doen voorkomen alsof het echt van toevalligheden heeft afgehangen dat Truman de stichting van Israël steunde, waarbij hij ook niet verzuimt de invloed van “de joodse lobby” aan de orde te stellen.

Het derde hoofdstuk heet “Heersers van golven en zand — de Britten in Palestina”. Hier gaat VdH in zeven pagina’s met reuzen-misleidings-stappen door de periode van het Britse mandaat. Eerst heeft hij het over Balfour die hij christelijk geïndoctrineerd noemt:

“Eerder in de twintigste eeuw al had Balfour, op dat moment premier van Groot-Brittannië, de zionisten Oeganda aangeboden. Toen zij dat aanbod afwezen, raakte hij nog meer doordrongen van hetgeen hem ook als kind al was ingeprent, en wel dat joden en Palestina bij elkaar horen als de vingers bij de hand. Het was het aloude christelijke, zeker in het Groot-Brittannië van de negentiende eeuw sterk herleefde besef: dat Palestina niet zomaar een land was en dat elke christen tegenover dat land een plicht had.”

Merk op hoe casual die Balfour — vertegenwoordiger immers van wave-rulers die vanaf 1922 ook over de zandduinen gingen heersen — volgens VdH eventjes Oeganda bijna weggaf aan de zionisten. Ach ja: kolonialistische imperialisten onder mekaar, zo knipoogt VdH. Merk ook op dat we volgens VdH in die christelijke bevlogenheid rond Palestina dan weer géén invented tradition moeten zien, maar een diep verbond van christelijke Britten met de christus-moordenaars, de Joden. Ik bedoel: er was in het Engeland van die tijd misschien net zoveel christelijk antisemitisme als christelijke liefde voor Palestina. VdH noteert wel keurig de geostrategische belangen van de Engelsen: Suez-kanaal dus Arabieren te vriend houden en anderzijds kan de lobby van Amerikaanse Joden altijd van pas komen. En dan was er ook nog de white man’s burden:

“Anders gezegd, het Groot-Brittannië dat heerste over de golven zou met behulp van de joden ook in de woestijn wel even orde op zaken stellen. Hoewel de Britten hun vergissing spoedig inzagen en vervolgens ook herhaaldelijk geprobeerd hebben te herstellen, is dat niet gelukt. Vanaf het moment dat Balfour zijn belofte deed, is het met dat zanderige stukje wereld van kwaad naar erger gegaan.

Maar dat laatste kwam niet door de overmoed van de zionisten en Britten en de onverzoenlijkheid van de belangen van Joden en Arabieren, zoals VdH suggereert, maar door het feit dat — ja, het is een eentonig verhaal — de terreur die de Moefti vanaf 1920 organiseerde met Koran en Soenna in de hand.

Efraim Karsh zegt het in “Palestine Betrayed” zo:

“Teneinde de Joden uit Palestina te verdrijven gebruikte de moefti het immens ontvlambare potentieel van de islam, dat meer dan een millennium de kern van de sociale en politieke orde van het Midden-Oosten had uitgemaakt en zijn diepe anti-Joodse sentiment. De woede van de Profeet Mohammed weerspiegelend over de verwerping van zijn religieuze boodschap door de Joodse gemeenschap [in Medina], wemelen de Koran en de latere biografische overleveringen van de negatieve beschrijvingen van de Joden. In deze werken worden zij geportretteerd als bedrieglijk, kwaadaardig en verraderlijk volk, die in hun onstilbare lust tot overheersing met plezier een bondgenoot zouden verraden en een niet-Jood zouden bezwendelen, die knoeiden met de Heilige Schriften, de heilige boodschap van Allah versmaadden, en zowel Zijn boodschapper Mohammed hadden vervolgd alsook Jezus van Nazareth en andere eerdere profeten. Voor deze trouweloosheid zouden zij een reeks van vergeldingen moeten ondergaan, zowel in het hiernamaals, als ze zouden branden in de Hel, en hier op aarde waar zij terecht waren veroordeeld tot een bestaan van verworpenheid en vernedering.“ (19)

En precies dat alles ontkent VdH constant door het hele boekje heen, veelal door verzwijging — als VdH je enige bron is, kom je niet achter de vernietigende hoofdrol die Amin al-Husseini gespeeld heeft — maar ook door pure leugenlasterlijke onzin te verkondigen, bijvoorbeeld bij de beschrijving van de terreur van 1929. Hij gaat voorbij aan de terreur die vanaf 1920-1929 al gepleegd was onder leiding van de Moefti. Beter gezegd hij gaat er niet aan voorbij, maar vat het aldus samen:

“In augustus 1929 liepen duizend kleine irritaties en talloze botsinkjes tussen joden en Arabieren voor het eerst massaal uit de hand. Toeval speelde hierbij een niet geringe rol: de Hoge Commissaris was op vakantie en het hoogste zionistische gezag woonde het jaarlijks congres in Zürich bij. Joodse extremisten, zo gaat althans de meest waarschijnlijke versie van het verhaal, dachten hierdoor vrij baan te hebben, scandeerden leuzen, liepen rond met zionistische vlaggen en provoceerden Arabieren. Dezen trokken richting Klaagmuur, vernietigden joodse gebedsboeken en haalden de papiertjes met wensen tevoorschijn die vrome joden gewoonlijk tussen de stenen steken. Het een leidde tot het ander, de woede verbreidde zich als een olievlek en de bezettingsmacht, op dat moment bestaande uit het lachwekkende aantal van nog geen 300 politiemannen stond machteloos. De balans was ernaar: 133 joden werden gedood, 339 gewond, bij de Arabieren waren de aantallen 116 en 232.”

U ziet: een soort natuurverschijnsel dat door toeval ontstond. (Hé, daar heb je dat toeval weer!) Ja, en toen begonnen die “Joodse extremisten” te provoceren.

Dit is een totaal geperverteerde leugenversie van wat er echt is gebeurd en wat uitgebreid is gedocumenteerd. De geniepige provocaties kwamen uitsluitend van het Arabische Moefti-gespuis en het wrede bloedbad dat volgde — in Jeruzalem, Hebron en Safed — werd aangericht door Arabieren onder Joden. De Arabieren die sneuvelden vielen bijna uitsluitend door de hand van de Britse politie.

In het boek van Wim Kortenoeven, “De Kern van de Zaak” (2005), een goudmijn voor d’Oprechte Israëlverdediger, staan op de pagina’s 186-87 twee beschrijvingen van de Arabische terreur tegen de Joden in 1929. Ik neem ze met toestemming van Kortenoeven hier over:

De gebeurtenissen van 1929

In de zomer van 1929 verslechterde de situatie in Jeruzalem. De Moefti [Amin al-Hoesseini] gaf opdracht een van de muren nabij de Westmuur te repareren en liet een doorgang creëren die vanaf de Tempelberg direct in de [Joodse] gebedsruimte bij de muur uitkwam. Daarna liepen dagelijks ezels door de gebedsruimte en verstoorden de Joodse gelovigen. Kort daarop begonnen moslims in dezelfde buurt verschillende grote bouwprojecten, als gevolg waarvan de Joodse toegang tot de Muur werd bemoeilijkt en de gelovigen op die plaats nog meer hinder gingen ondervinden. Bovenop dat alles begon men in de aangrenzende Mograbiwijk wilde en luidruchtige ceremonies te organiseren, met de bedoeling de bij de Muur biddende Joden te storen en hen te provoceren.

Ondanks Joodse protesten deden de Britten niets om de pesterijen te stoppen en aangemoedigd door deze stilzwijgende toestemming ging de Moefti door met het ophitsen van de Jeruzalemse Arabieren. Toen de [anti-Joodse] ophitsing verder aanzwol, organiseerde de Joodse jeugdbeweging Betar een demonstratieve mars naar de Muur, alwaar de demonstranten, in strijd met eerder gemaakte afspraken, met Joodse nationale vlaggen zwaaiden en zij een korte toespraak aanhoorden.

Op de volgende dag, vrijdag 23 augustus 1929, werd een Arabische demonstratie gehouden en verzamelden zich duizenden Arabische gelovigen op deTempelberg. De kadi’s hielden opruiende preken en de bloeddorstige meute drong zich vervolgens van de Tempelberg richting de Joodse wijk van de Oude Stad en de Joodse buurten van modern Jeruzalem. In het gehele land ontbrandden onlusten. De meeste slachtoffers van deze’gebeurtenissen vielen onder de leden van de Joodse gemeenschappen in Hebron, Safed en Jeruzalem.

(Ze’v Aner,The Western Wall — hoofdstuk “The Events of 1929”)

De massamoord in Hebron

Toen de Arabieren van Hebron op vrijdagavond de 23e augustus hun gebedshuis verlieten, werden aan hen vervalste foto’s uitgedeeld van een in puin liggende Omar moskee [de Rotskoepelmoskee] in Jeruzalem. Op de foto’s was geschreven dat het gebouw door de zionisten was gebombardeerd. Een jood die voorbijkwam op weg naar de synagoge werd met een mes doodgestoken. Toen hij over de moord hoorde, waarschuwde rabijn Slonim (een man die de stad was geboren en opgegroeid en een vriend van de Arabische hoogwaardigheidsbekleders) de Britse politiecommandant. Maar hem werd gezegd dat hij zich met zijn eigen zaken moest bemoeien. Een uur later werd de synagoge door een bende [Arabieren] aangevallen en werden de biddende Joden afgeslacht.

De zaterdag daarop werd de yeshiva, het [Joods] theologische seminarie, geplunderd en werden de studenten vermoord. Daarop ging een delegatie van Joodse inwoners op weg naar het politiebureau, maar zij kwamen de lynchers tegen, keerden terug en zochten een toevlucht in de woning van rabbijn Slomin. Daar bleven zij tot de avond, toen de bende er voor de deur verscheen. Omdat ze er niet in slaagden de deur in te beuken klommen de Arabieren in de bomen achter het huis, sprongen van daaruit op het balkon en gingen door de ramen op de eerste verdieping naar binnen. Inmiddels was er bereden politie aangekomen — Arabische manschappen in overheidsdienst — en sommige Joden renden de trappen van Slonims huis af en de weg op.

Ze klampten zich aan de paardennekken vast en smeekten de politiemannen om af te stijgen en hun vrienden en familieleden in het huis te beschermen. Vanuit de bovenramen kwam intussen het verschrikkelijke geschreeuw van de oude mensen, maar politiemannen galoppeerden weg, de jongens op de weg achterlatend. Die werden neergestoken door de Arabieren, die van alle kanten waren aangekomen om aan de bloedorgie mee te doen.

Wat er in de bovenkamers van Slomins huis gebeurd was, werd duidelijk toen wij daar binnenkwamen en zagen dat de drie meter hoge plafonds onder het bloed zaten. De kamers zagen eruit als een slachthuis. Toen ik de plek bezocht, in het gezelschap van kapitein Marek Schwartz (een voormalig officier bij de Oostenrijkse artillerie), de heer Abraham Goldberg uit New York, en de heer Ernst Davies (correspondent van het Berliner Tageblatt) stond het bloed in een grote plas op de enigszins verzakte stenen vloer van het huis. Klokken, aardewerk, tafels en ramen waren aan diggelen geslagen. Van de spullen die niet waren geroofd was niets heel gelaten, behalve een grote zwartwit-foto vn drTheodor Herzl, de stichter van het politiek zionisme. Rond de fotolijst hadden de moordenaars het in bloed gedrenkte ondergoed van een vrouw gedrapeerd.

 Op dezelfde dag van het bloedbad, in Hebron waren er Arabische rellen in Jeruzalem waarbij er ‘Dood aan de Joden’ werd geroepen en ‘De regering staat aan onze kant’. Het feit dat Joodse gemeenschappen in het gehele land op hetzelfde moment waren aangevallen, werd door de krant van de Moefti [Amin al-Hoesseini] Falastin, geïnterpreteerd als ‘bewijs van de spontaniteit van de Arabische verontwaardiging’.”

(De Nederlands-Canadese journalist Pierre van Paassen over de pogrom van 1929, in “Days of Our Years”, 1939)

In elk geval betekende 1929 de definitieve ommekeer, zo schrijven Mallmann en Cüppers in hun grondige en historisch-ambachtelijke studie “Nazi Palestine”. De verhoudingen waren kapot, er werd aan beide kanten steeds meer in militaire termen gedacht en Martin Buber besefte dat zijn Brit-Sjalom-organisatie, gericht op vrede tussen Palestijnse Arabieren en Joden zinloos was geworden. Maar om deze omslag te markeren kiest VdH een andere insteek. De Joden zijn de schuldigen! Hij citeert daartoe een zekere Arnold Eastwood:

“Zo schreef de particuliere secretaris van de Hoge Commissaris in een brief naar huis dat hij het standpunt van de Arabieren met de dag beter begreep. Hij was niet zozeer meer anti-joods geworden, legde hij uit, als wel meer pro-Arabisch. ‘De Arabieren zijn bevreesd de woestijn ingedreven te worden ( . . .) Die vrees lijkt me gerechtvaardigd. Elk jaar verkopen Arabieren land aan de joden maar geen jood verkoopt ooit land aan de Arabieren.’ Dat moest dus veranderen. Voortaan zouden niet de joden maar de Arabieren van de Britten de meeste steun ontvangen. De gevolgen waren ernaar. ‘Wat een land,’ schreef dezelfde secretaris in een latere brief. ‘Hier is per vierkante kilometer meer haat dan waar ook ter wereld.

Tsja, hoe was dat laatste nou toch gekomen? Deze tijdgenotelijke Engelse meneer Eastwood, van wie ik nauwelijks gegevens heb kunnen googelen en die de zaken maar weer eens omdraait — de Jóden willen de Arabíéren de zee in drijven! — schijnt later toegetreden te zijn tot de regering van Jordanië. Een liefhebber van de islam en de Arabische wereld dus. In elk geval is VdH weer thuis: “Die Juden sind an allem Schuld!” Het rapport dat een onderzoekscommissie onder Walter Shaw in 1930 produceerde, concludeerde uiteraard dat de Arabieren verantwoordelijk waren voor de bloedbaden, maar ook dat de instroom van Joden het grote probleem was. Meneer Shaw bedoelde natuurlijk: als je de instroom van de Joden stopt dan heb je kans dat het echte probleem — het moorden door het Moefti-gespuis — in de hand gehouden kan worden.

VdH springt nu naar 1936:

“In 1936 liep het opnieuw en nog ernstiger fout. Dit keer waren het bijna uitsluitend Arabieren die in opstand kwamen, niet zozeer tegen de joden als wel tegen het Brits gezag dat, ondanks afspraken, onvoldoende deed om joodse immigratie en joodse landaankoop te beperken.”

Dit is ronduit belachelijk. Het liep fout? Het liep uitstekend althans voor de Moefti en de zijnen. Hij was het hoofd van een informele organisatie die de terreur leidde. En niet alleen “dit keer” waren het “bijna uitsluitend Arabieren” die terreur uitoefenden (“in opstand kwamen”) maar dat was álle keren zo geweest sinds 1920. En hoezo “niet zozeer tegen de joden als wel tegen het Brits gezag”? De terreur was wel degelijk zowel tegen Joden als Britten gericht.

Vervolgens was er de Peel-commissie van 1937 die een verdeling van het land voorstelde. Het sinds 1936 bestaande “Arabisch Hoger Comité” verwierp het plan en het Zionisten-Congres was er evenmin blij mee, maar verwierp het niet meteen. In elk geval zag de Britse regering er te weinig in, waarna de volgende commissie aan het werk toog, die in 1939 het White Paper produceerde, waarin een forse beperking van de Joodse immigratie en van Joodse landaankopen werd aanbevolen. Na een periode van 10 jaar moest de Joodse immigratie afhankelijk worden van de toestemming van de Arabische meerderheid in Palestina.

Dat laatste betekende oorlog tussen de Britse Mandaatsmacht en de Joden in Palestina, want de nood van de Joden in Duitsland werd steeds hoger. De manier waarop VdH die oorlog van 1936 – 1939 beschrijft is er een die hij steeds hanteert: die Joden zijn een eenheid van harde jongens die weten wat ze willen en de Palestijnse Arabieren zijn verdeelde softies die geen vastomlijnd doel hebben. Onzin natuurlijk en de snoeiharde en compromisloze Moefti had zich dit oordeel van VdH nooit laten aanleunen:

“De strijd werd nu zo mogelijk nog harder want de joden waren beter georganiseerd en beter bewapend. Zij wisten precies wat ze wilden en hadden weinig te verliezen. Bovendien hadden ze, opgestuwd door de gebeurtenissen in Europa, steeds minder keus.”

Want ook de de Moefti organiseerde prima en wist precies wat hij wilde: compromisloos alle Joden Palestina uit en hij wist binnen het “Arabisch Hoger Comité” voortdurend zijn zin door te drijven ten koste van de gematigden, zoals men kan leren uit het mede door mij vertaalde boek van Rubin & Schwanitz “Nazi’s Islamisten en het Moderne Midden-Oosten”. De samenvatting op de site van Bol.com van dat boek is uitstekend:

“Dit boek behandelt de islam zoals die reëel bestaat in het hedendaagse Midden-Oosten. Daarbij maken de auteurs het onderscheid tussen islam en islamisme, tussen gewone moslims en aanhangers van de politieke islam. De moefti van Jeruzalem, Amin al-Hoesseini (1897-1974), werkte innig samen met Hitler, Himmler en Eichmann. Hij was in staat zijn islamisme te laten domineren in het Midden-Oosten. De gewone moslims wilden samenwerken met de Joden in Palestina. De gematigde heersers in het Midden-Oosten stonden tijdens en vlak van de Tweede Wereldoorlog ook een pragmatische politiek voor. Niettemin wist de moefti van Jeruzalem hen buitenspel te zetten en zo nodig te vermoorden om zijn totalitaire politiek van alles-of-niets door te zetten. De symbiose tussen nazisme en islamisme is tot op de dag van vandaag van grote invloed in het Midden-Oosten. De auteurs volgen de personele en de doctrinaire lijnen van dit proces in detail op grond van pas ontsloten archieven die nog nooit eerder gebruikt zijn. vertalers: Jolanda van der Vorst-Molleman Dijksterhuis en Martien Pennings.”

En dan volgt er een passage in VdH’s boek waarvan je als lezer aanvankelijk vermoedt dat hij bezig is zich in te leven in het leed van de Joden, maar ten slotte volgt dan toch weer die “anti-zionistische” draai:

“Dit laatste [steeds minder keus] geldt vooral de tienduizenden vervolgden die aan het begin van en kort na de Tweede Wereldoorlog naar Palestina probeerden te ontkomen. Hun tochten waren vreselijk. Nadat ze uitgeknepen waren door ambtenaren, douaniers en politiemannen zwierven ze op wrakkige, overvolle boten over zee, hopend op de mogelijkheid ergens, het liefst in Palestina, aan land te gaan. Maar de Britten wilden er niet van weten, hielden zich strikt aan de regels, lieten niemand toe, stuurden de boten terug en beschoten ze zelfs. Geen wonder dat degenen die uiteindelijk in Palestina geraakten, geen scrupules kenden: niet tegenover de Britten, niet tegenover Arabieren, tegenover niemand.

Genadeloos door leed, die zionisten, maar hoe dan ook: genadeloos. Lekker suggestief knoopt VdH daar dan meteen de aanslag op het King David Hotel aan vast:

“Aan het eind van de Tweede Wereldoorlog liep de strijd tussen joden en Britten volstrekt uit de hand, met moorden, executies, kidnappingen en terroristische aanslagen. Een dieptepunt, vanuit Brits perspectief althans, was de aanslag op het King David Hotel in Jeruzalem, eind juli 1946. Hierbij kwamen 91 mensen om het leven, veelal Britse ambtenaren die in dat hotel kantoor hielden.“

Ja, het liep “volstrekt” uit de hand, maar dat kwam ten eerste omdat er al sinds 1920 terreur werd gepleegd door de Moefti-partij die telkens zijn wil wist door te zetten en voor geen enkel compromis open stond en ten tweede omdat de Britten die terreur bleven belonen met beperking van de immigratie van Joden plus de belofte aan de Moefti-clan dat de Arabieren op termijn de baas zouden worden. Uiteraard meldt VdH niet dat er bij de aanslag op het King David Hotel ook 15 Joden omkwamen, dat er via drie kanalen telefonisch is gewaarschuwd dat het hotel ontruimd moest worden en dat in de vleugel die getroffen werd de inlichtingendienst van de Britten zijn archieven bewaarde.

Het is handig dat VdH, historicus tenslotte, zoveel mogelijk chronologisch werkt. We kunnen zijn hoofdstukjes netjes na elkaar kritiseren. Het vierde heet “In naam van ons allen — Israël en de Verenigde Naties”. U moet uit die titel begrijpen dat de hele wereld last heeft van die Joden, maar dat wij, als hele wereld, ook zelf schuldig zijn aan de ‘vergissing-Israël’. “De wereld” dat was indertijd de Verenigde Naties, zij het met minder bevoegdheden dan de Volkenbond, die zelfs nieuwe staten mocht stichten. Logischerwijs behandelt VdH in dit hoofdstukje de “overname” van de problemen in Palestina door de VN die in mei 1947 een commissie naar Palestina stuurde: UNSCOP( United Nations Special Committee On Palestine).

Het was een internationaal samengestelde commissie en VdH maakt bij het beschrijven van de werkzaamheden van die commissie gebruik van de dagboekaantekeningen van een van de deelnemers, Jorge García-Granados uit Guatemala. In dit hoofdstukje probeert VdH weer te suggereren dat de vergissing-Israël helemaal niet begaan had hóéven worden. Dat rottige Israël had er helemaal niet hoeven komen! Het was allemaal een nare en toevallige samenloop van omstandigheden: de commissie werkte onder tijdsdruk want het rapport moest in een paar maanden af, het was heel heet in Palestina en de Arabieren weigerden elke medewerking omdat ze meenden dat “de joden in Palestina niets te zoeken hadden”. De Joden daarentegen waren heel open en lieten de commissie zien hoe goed ze bezig waren in hun kibboetsen. VdH verzuimt overigens, zoals steeds, te vermelden dat het Amin al-Husseini was die via terreur de gematigde Arabieren de mond wist te snoeren.

VdH zet Jorge García-Granados neer als een christen die wel affiniteit had met Joden maar niet met Arabieren. Een man die legalistisch dacht, nog gevangen zat in het oude concept van “naties” — (Ja, belachelijk anno 1947!) — en dus vond dat de VN recht had de oplossing in Palestina voor te schrijven “net zoals zij dat met de Elzas, Danzig, Zuid-Tirol en zoveel andere gebieden hadden gedaan”. En die Jorge was voorts een modern man die dus vond “dat heel de wereld in dezelfde vaart der volkeren opgestuwd moest worden. Joden zouden daartoe in staat zijn, Arabieren niet. Laatstgenoemden waren boeren die een helpend handje goed konden gebruiken.”

Nou, dat vindt VdH helemáál niet. Hij beschreef immers de wereld van de Arabieren in Palestina als idyllisch-bucolisch, zonder malaria-moerassen, lemen hutten, veedieven, wetteloosheid, extreme armoede en zeer geringe levensverwachting. VdH is heel goed in het subliminaal beïnvloeden van zijn lezer. Het is soms moeilijk om er precies de vinger op te leggen, maar alles is er bij hem op gericht het toevallige en vermijdbare van de vergissing-Israël onderhuids te suggereren. Dus wat te denken van deze regels:

“Toch had García-Granados wel een bedenking: de morele kant van de zaak. Palestina, zo schrijft hij naar aanleiding van hetzelfde vooronderzoek, werd sinds mensenheugenis bewoond door Arabieren en gekenmerkt door een Arabische cultuur. Vandaar dat de oorspronkelijke bewoners de joden als indringers zagen. García-Granados begreep dat wel en zegt dat het probleem hem op dit punt ‘in totale verwarring’ bracht.‘Het antwoord was in boeken niet te vinden,’ besluit hij. ‘Het antwoord kon alleen gegeven worden door dit gekwelde land.’”

Het antwoord was en is natuurlijk wél in boeken te vinden, bijvoorbeeld waar vermeld wordt dat de Arabieren dit land in 638 na Christus onder het kromzwaard brachten en er op dat moment 13 eeuwen lang de imperiale heersers waren geweest, waarvan 650 jaar als zetbazen van de Ottomanen. En méér oorspronkelijke bewoners van Palestina dan de Joden bestaan er natuurlijk niet.

En neem nou deze regels:

“Het politieke probleem waarmee de UNSCOP dagelijks te maken had, betrof niet zozeer het conflict tussen joden en Arabieren als wel dat tussen joden en Britten. Anno 1947 konden de twee groepen elkaars bloed wel drinken.”

Wat moet je in godsnaam van zo’n statement zeggen? Minimaal dat hier de oergrond van het conflict weer eens via verzwijging wordt ontkend: de terreur van de Moefti en de zijnen.

En deze regels:

“David Ben-Goerion, na de stichting van de staat de eerste premier van Israël, zei dit laatste tijdens een hoorzitting van de UNSCOP met zoveel aplomb dat de aanwezigen hun ergernis nauwelijks konden verbergen. Heel Palestina was voor de joden, betoogde hij. Over het waarom was hij minder duidelijk. Gewoon omdat het zo was, vanouds. Maar, zo vervolgde hij, omdat de Arabieren weigerden zich daarbij neer te leggen was het misschien verstandig het land in tweeën te delen. ‘Het was de eerste keer,’ noteert García-Granados, ‘dat het gerucht bevestigd werd dat de joden bereid waren als compromis met een deel van Palestina genoegen te nemen.’

Je voelt — ik tenminste voel dat — aan je theewater dat hier Ben Goerion weer eens tendentieus geciteerd wordt. En dat het raar is dat Garcia-Granados opkijkt van compromisbereidheid van de Joden ten aanzien van deling, want compromisbereid waren ze al sinds het Peel-rapport van 1937. Maar je kunt natuurlijk niet alles gaan uitpluizen.

En dan deze:

“Op 1 september 1947 presenteerde de UNSCOP haar rapport. Het werd een lang verhaal, met veel feiten, veel gedachten, veel voorbehouden en een paar aanbevelingen. De belangrijkste daarvan waren aardig conform de joodse verlangens: dat er een einde moest komen aan het Britse mandaat, dat er geen nieuwe toezichthouder aangesteld werd én dat het land verdeeld werd, niet in twee maar in drie stukken: een voor de joden, een voor de Palestijnen en een onafhankelijk Jeruzalem.”

Aardig conform de Joodse verlangens!? In 1923, meteen bij het begin het Mandaat, hadden de Britten al meteen 70% van het Mandaatgebied weggegeven aan ene Abdoellah voor bewezen diensten. Dat werd het “Emiraat van Transjordanië”, het tegenwoordige Jordanië. De Palestijnse Arabieren hádden dus al een staat gekregen. En nu zou het “conform de joodse verlangens” zijn dat van de overgebleven 30% nog een flink stuk wéér naar de Palestijnse Arabieren zou gaan? Doe niet zo mal zeg! De Joden legden zich erbij neer, dat is alles, door de omstandigheden gedwongen weliswaar, maar compromisbereid zoals altijd.

Hij houdt echt niet op, de heer VdH:

“Een aantal overwegingen had de UNSCOP tot deze aanbevelingen gebracht. Om te beginnen een pragmatische. Er moest iets gebeuren en opdeling van het land leek eenvoudiger haalbaar dan samenvoeging. Dan was er de sympathie van het merendeel van de leden voor het jodendom, gekoppeld aan de onmiskenbare successen van de joden in Palestina. Vervolgens was er de weigering van de Arabieren hun standpunt toe te lichten. En tot slot is er een factor van volstrekt andere aard. Met het conflict tussen Palestijnen en joden heeft die op zich niets te maken – en dat terwijl hij voor de door de UNSCOP bedachte oplossing van grote betekenis is geweest: de Shoah.” 

De weigering van de Arabieren hun standpunt toe te lichten!? Het was ietsje sterker dan dat. Zullen we maar eens gewoon Wikipedia doen?

“in Arabische gebieden werden de commissieleden daarentegen genegeerd en ontmoetten ze vijandigheid. Tijdens UNSCOP-bezoeken aan Arabische gebieden kregen ze vaak te maken met lege straten, evenals met een lokale bevolking die weigerden hun vragen te beantwoorden en zelfs restaurants ontvluchtten als ze daar binnen kwamen. In één geval, toen commissieleden een school in Beersheba bezochten, kregen de leerlingen de instructie niet naar de bezoekers te kijken. Tijdens een bezoek aan een Arabisch dorp in Galilea werd de hele bevolking geëvacueerd, behalve de kinderen die achterbleven en de bezoekers vervloekten. UNSCOP-leden waren diep onder de indruk van de netheid en moderniteit van Joodse gebieden, in vergelijking met de smerigheid en wat zij zagen als de achterstand van de Arabische gebieden. Ze waren vooral geschokt door de algemene aanblik van kinderarbeid en uitbuiting in Arabische fabrieken en werkplaatsen.”

U las hierboven dat VdH vindt dat de Holocaust en het conflict tussen Palestijnen en joden “op zich” niets met elkaar te maken hebben. Die stelling maakt uit deel van de opvatting van VdH dat “de Palestijnen” slachtoffer zijn geworden van een schuldgevoel van “het Westen” over de Holocaust. Maar dat is alleen zo als je ervan uitgaat dat islamisme, tribalisme, etnicisme, nationalisme en antisemitisme mooie principes zijn en dat “de Palestijnen” op grond daarvan recht hebben de Joden uit te sluiten. En als je ervan uit gaat dat de komst van de Joden naar Palestina schadelijk was voor de Palestijnse Arabieren. Maar dat was niet zo: het was een zegen in zowel materieel als humanitair opzicht. 

VdH werkt dat punt — namelijk dat het Westen de Israël-vergissing beging doordat mensen onder de indruk waren van Auschwitz — verder uit in zijn hoofdstukje “Toeval te bitter voor woorden — Israël en de Shoah”. U ziet: daar heb je dat toeval weer. Dit keer bitter toeval. Te bitter voor woorden zelfs. VdH’s boodschap luidt: het had niet gehoeven, dat Israël! Echt niet!

VdH voert opnieuw Jorge García-Granados ten tonele, het lid van UNSCOP dat toch al zo Jodenvriendelijk was, want christen, ouderwets gelovend in de natiestaat, eerbiedig het gezag van de VN aanvaardend en bevoordeeld geraakt door de onderling nogal verschillende “presentaties” die Arabier en Joden in Palestina aan de commissie hadden gegeven. En dan was er nog een dominee, die de reis van de Exodus had meegemaakt en wiens verhaal zo’n verpletterende indruk op Jorge had gemaakt dat dat hij er wel twintig pagina’s in zijn dagboek aan wijdde:

Zijn verhaal [van die dominee] is niet alleen vreselijk – het schip had zeven keer zoveel mensen aan boord als waarvoor het was uitgerust, de tocht begon op 11 juli in Marseille en eindigde bijna twee maanden later, op 8 september [1947], in Lübeck – maar ook onheilspellend. De dominee besloot het namelijk met de stellige voorspelling dat alle joden die in Europa in vluchtelingenkampen opgesloten zaten, naar Palestina zouden gaan en zich door niets of niemand zouden laten tegenhouden, behalve door openlijke oorlogsverklaring of dood. Aldus, zei hij, was de onvermijdelijke uitkomst van de ramp die Europa getroffen had. Het was een voorspelling die García-Granados en andere leden van de UNSCOP ernstig aan het denken zette. Hadden ze een keus? Konden ze iets anders doen dan de gekwelde overlevenden van de nazimoord een eigen thuis toezeggen?”

U begrijpt wat VdH wil zeggen: die arme Jorge kon ook niet beter weten, maar heeft wel door zijn goedhartigheid een van de grootste rampen in de wereldgeschiedenis mede veroorzaakt: de stichting van Israël.

Op smaakvolle wijze vertelt VdH hoe de wereldopinie gemanipuleerd werd door de rampreis van het schip de “Exodus”:

“Ondertussen was de internationale pers op de zaak gedoken en was de gebeurtenis uitgegroeid tot een heuse affaire. Naar aanleiding daarvan kwam het in een aantal Britse steden tot rellen en plunderingen. De zaak liep daardoor steeds verder uit de hand. Tot overmaat van ramp werd na veel gedoe besloten de schepen naar, nota bene, Duitsland te sturen, naar het deel van het land dat op dat moment in de Britse zone lag. Daar werden de passagiers ontscheept – de mannen met geweld – en naar een vluchtelingenkamp gebracht. Dit alles onder het oog van de wereldpers én de UNSCOP. Later zou het verhaal in een beroemd boek en een beroemde film gedramatiseerd worden en, op precies hetzelfde moment dat het verhaal van Anne Frank wereldwijd furore maakte, in sterke mate bijdragen aan de westerse sympathie voor Israël en de joden.”

Smaakvol! Had ik dat al gezegd? Dan gaat VdH uitleggen dat de Jodenhaat in Europa “weliswaar een permanent maar tevens betrekkelijk verschijnsel. Dit laatste omdat het, althans in de moderne tijd, zelden of nooit staatszaak was geweest. Het nationaalsocialisme bracht hierin verandering.”

De lezer begrijpt: kom-kom-tut-tut-ho-ho, want als al die mensen die voor de stichting van Israël verantwoordelijk zijn, toen een beetje relativerend vermogen hadden gehad — dat Holocaustje gaat niet nóg een keer gebeuren! — dan had de ramp Israël nooit hoeven plaatsvinden. Want dat antisemitisme staatszaak was geworden in Duitsland, was eenmalig en zou ec ht nooit meer voorkomen. Zegt de zelfs met de hulp van hindsight totaal verblinde VdH. Als ik, Martien Pennings, in een God zou geloven, dan zou ik zeggen dat juist Israël gesticht moest worden om te bewijzen dat de wereldwijde Jodenhaat nooit werkelijk slaapt en nu zijn tehuis heeft gevonden in de landen waar de islam heerst, een “godsdienst” die één op één elk wezenskenmerk met het nazisme deelt. En dat er altijd antisemieten zullen zijn diede Joden de schuld geven van die Jodenhaat.

Hier signaleert VdH wéér zo’n ongelukkig toeval, omdat in Duitsland toevallig de Jodenhaat staatszaak was geworden:

“En inderdaad, nadat het aantal joodse migranten naar Palestina in de tweede helft van de jaren twintig was afgenomen, liep het in de jaren dertig snel op, naar meer dan 12 000 in 1932, ruim 37 000 in 1933, 45 000 in 1934 en 66 000 in 1935.”

Gôh, raar toeval. Daarna, na het toevallig staatszaak worden van Jodenhaat onder Hitler, was er nóg weer een vervelend toeval:

“Eenmaal zover [met die aantallen instromende Joden] kwamen de Arabieren in opstand en besloten de Britten de immigratie te beperken. Het definitieve besluit daartoe viel op een buitengewoon ongelukkig moment, in mei 1939, enkele maanden dus voordat de Tweede Wereldoorlog uitbrak en de Europese joden begrepen dat ze zich halsoverkop uit de voeten dienden te maken.”

En dan komt er weer zo’n passage waarvan je aanvankelijk denkt dat-ie positief voor de Joden is, maar dan tóch weer uitkomt op een sneer naar het zionisme:

“Aan het eind van de oorlog was Europa met zo’n veertien miljoen mensen op drift één groot gekkenhuis. Een klein deel van die veertien miljoen, schattingen lopen op tot ongeveer één miljoen, was joods. Zeer weinigen van hen wilden in Europa blijven. Hun spullen waren weg, hun familie was uitgemoord, zijzelf konden in overgrote meerderheid nog maar één ding bedenken: weg en, indien mogelijk, opnieuw beginnen. Het verbaast niet dat Palestina bij dat verlangen op de eerste plaats stond.”

En zo gaat VdH nog twee empathische alinea’s door, maar dan komt het. Bij VdH komt “het” namelijk altijd:

“De Britten werden in hun volharding [om de Joden ook in 1947 niet toe te laten] gesterkt door de gedachte dat de vluchtelingen door de zionisten gebruikt, om niet te zeggen misbruikt werden: jonge, joodse mannen voor de gewapende strijd en ouderen plus kinderen voor propagandadoeleinden. Die gedachte was niet onjuist. In de laatste jaren van het mandaat (1945-1948) wisten ongeveer 40 000 joden Palestina illegaal binnen te dringen. Het heeft er alle schijn van dat zij merendeels behoorden tot de categorie ‘bruikbaar materiaal’. In ieder geval valt die term of een variant ervan in de zionistische literatuur, zelfs al voordat de oorlog ten einde was, regelmatig. ‘Als we van 50 000 mensen er maar 10 000 kunnen redden,’ schreef een man die in 1943 werkzaam was bij het joods comité dat zich bezighield met de redding van lotgenoten, ‘en als die 10 000 mensen zijn die kunnen bijdragen aan de opbouwvan het land en de herleving van de joodse natie, dan [is dat ver te verkiezen] boven de redding van een miljoen joden die ons tot last zijn of niet bereid zijn iets bij te dragen.’”

He komt er eigenlijk op neer dat die Joden gewoon meewerkten aan de Holocaust door die selectie. VdH zegt het niet, maar zou een lezer niet kunnen denken: wat is het verschil met die SS-ers aan de poort van Auschwitz? Voor ondersteuning van bovenstaande paragraaf verwijst VdH naar Tom Segev, die gerekend wordt tot de “Nieuwe Historici”, waarvan de oude garde al in 2001 zei: “Hun boodschap is simpel: Israël is de belichaming van alles wat kwaadaardig is en is de kolonialistische agressor die alle oorlogen begon met de Arabieren die niets liever wilden dan met rust gelaten worden.”

Dus ik ben wantrouwend als VdH zo’n “nieuwe historicus” citeert die het heeft over “een man die in 1943 werkzaam was bij het joods comité”. Voorts zou ik dan graag wat letterlijke citaten zien die dat harde cynisme bij de zionistische leiding bewijzen. Niet van dat interpreterend werk zoals we dat ook in de volgende alinea zien en waarbij VdH zich óók al op Segev beroept:

De stichting van Israël ging de zionisten boven alles. De staat was het doel, de mensen het middel. Als Ben-Goerion over de Shoah sprak, doelde hij niet op het verlies of het verdriet maar op het feit dat er door de moord wellicht onvoldoende joden overbleven om een staat op te bouwen. Een van zijn beroemdste uitspraken in dit verband deed hij op het moment dat de jodenvernietiging op zijn ergst was, augustus 1943. Tijdens een conferentie van de zionistische Arbeidspartij beweerde hij dat het Joods Agentschap tot taak had alleen joden te redden die naar Palestina gestuurd konden worden. Gingen joden naar elders dan moesten andere commissies zich maar om hen bekommeren.”

Ik ga dit niet allemaal uitzoeken om zeer hoogstwaarschijnlijk te moeten vaststellen dat Ben Goerion weer eens buiten context demoniserend geparafraseerd wordt en dit weer de typische werkwijze is van de “nieuwe historici”,die blijkbaar aan VdH bevalt en die hij tracht na te volgen.

En als er een zekere hardheid in de zionistische leiders was, dan was die voor zover ik kan zien totaal niet verwijtbaar. Wat is er mis met zeggen dat Israël graag weerbare Joden ontving? Of met zeggen dat Joden die er niet voor kozen om hun broeders en zusters mee te helpen in hun strijd op leven en dood in Palestina andere beschermengelen moesten zoeken? 

Het is niet waar, zegt VdH, dat de zionisten de Holocaust vanaf het begin “voor propagandadoeleinden ingezet hebben” en het is ook niet waar, zegt hij, dat “de staat Israël het resultaat is van een westers schuldgevoel” over die Holocaust. Immers: “De belofte van een joodse staat dateert immers van lang voor de Shoah. Bovendien speelde de Shoah tot de jaren zestig ook in het publieke debat van het Westen nauwelijks een rol.”

Hoe hebben we het nu? VdH suggereert voortdurend dat op zijn minst het gedeeltelijk gedogen van de eenmaal begonnen migratie van de Joden naar Israël voortkomt uit westers schuldgevoel over de vervolging van de Joden in Europa en de Holocaust, maar hij ontkent het hier tegelijk expliciet. Zullen we dat maar wijten aan het therapeutisch karakter van zijn tekst? Kijk bijvoorbeeld hoe hij verward goochelt met dat schuldgevoel als hij de invloed bespreekt van de Holocaust op het advies dat de leden van UNSCOP uitbrachten aan de VN en waaruit tenslotte resolutie 181 voortkwam.

“Ze [de UNSCOP-leden] bezochten de kelder van een ziekenhuis in Wenen, provisorisch opgedeeld in kamers. Het was er donker. Het buizensysteem langs het plafond hing vol kleren. In een van de weinige kamers met een raam telde García-Granados mensen. ‘Ik had een gevoel van grote smerigheid,’ schrijft hij.‘De stank drong aan alle kanten in mijn poriën, ik voelde me onwel. Ik ben een gezond mens, nooit voel ik me duizelig maar dit keer begon alles in me te draaien. Nog even, zo wist ik, en ik zou flauwvallen.’ Het laatste kamp waarover García-Granados vertelt is Hahne bij Bergen-Belsen. Het concentratiekamp zelf bezocht hij niet, maar enkele journalisten uit het gezelschap deden dat wel. Zij vertelden over de berg witte stenen in het midden van het kamp, met daarop een bord met opschrift: ‘Aarde, verberg niet het bloed dat op jou is vergoten.’ Vlak vóór het verlaten van kamp Hahne werden de UNSCOP-leden door een van de vluchtelingen toegesproken. Terwijl de man het woord voerde, schaarden zich steeds meer lotgenoten om hem heen. Ze drukten de UNSCOP-leden de hand en smeekten om hulp. Opeens begonnen ze met ontbloot hoofd het Hatikva, de zionistische hymne en het latere Israëlische volkslied, te zingen. De gezanten van de Verenigde Naties namen hun hoed af en luisterden ademloos. ‘Terwijl ik naar al die lachende gezichten, al deze oprecht vrolijke mannen en vrouwen keek,’ schrijft García-Granados, ‘dacht ik bij mezelf: dit zijn de enige gelukkige joden die ik in Europa heb gezien.’ Drie regels verder begint hij het volgende hoofdstuk van zijn boek. Aldus: ‘terug uit de kampen, ontnuchterd door wat we gezien hadden, gingen wij [bij elkaar] zitten om de resolutie uit te werken die op 1 september in Lake Success [het dorp bij New York waar destijds de VN huisden] moest worden ingediend. Het was 17 augustus…’”

“Terug uit kampen” en komend uit “de kelder van een ziekenhuis in Wenen” gingen de UNSCOP-ers die resolutie 181 uitwerken. Hier suggereert de manier waarop VdH dit opschrijft: resolutie 181 kwam er doordat de leden van UNSCOP het leed van de Holocaust hadden gezien. Voor VdH is er dus een duidelijk verband tussen westers schuldgevoel en de stichting van Israël. Maar uiteraard — zie eerder de passage over het toevallige Israël als de ironisch-bittere wraak van de joden op toevallige bizarre Hitler — had dat in de ogen van VdH helemaal niet gemoeten of gehoeven.

Wat mij betreft had het besef van dat verband in het westen er al mogen zijn vanaf de dag dat de omvang van de Holocaust niet meer te ontkennen viel. Bij de Joden, die in Europa en die Palestina, was dat besef er natuurlijk op een existentieel niveau, maar de verdere wereld had wel iets eerder mogen erkennen dat de Holocaust in laatste instantie de fundamentele rechtvaardiging van “Israël” vormt. Niet de rechtvaardiging van Israël als vrij met de wereld samenwerkende en concurrerende natie tussen andere naties — dát Israël heeft sowieso recht van bestaan — maar van Israël alsnoodzaak. Dat Israël als noodzaak is de consequentie van het Kwaad van de eeuwenlange Jodenhaat, belichaamd in vooral de Islam, die er er het christendom mee heeft besmet, waardoor inquisitie, twee Wereldoorlogen en het nazisme ontstonden, waarna islam en nazisme een symbiose aangingen, vooral gepersonifieerd in de figuur van Amin al-Husseini, de Moefti van Jeruzalem. Na 1945 heeft het Kwaad van de Jodenhaat zich teruggetrokken in zijn meest oorspronkelijke thuis, in de islamitische wereld en nagenoeg alléén daar. Hoewel vanuit Arabierië en Iran er alles aan wordt gedaan deze hersenkanker opnieuw in de wereld uit te zaaien, vooral via allerlei links-regressieve rancune-bewegingen als “Black Lives Matter”en “Nation of Islam”. Vooral het zwarte racisme in Amerika mag graag zijn kritiek op het westen en het “kapitalisme” vermengen met Jodenhaat.

We gaan naar hoofdstuk 6 van het boekje van VdH. Dat is getiteld “Politiek als pr — Palestijnen tussen onbegrip en onvermogen”. In dit hoofdstuk tekent VdH de Joden nog maar eens als gewiekste harde jongens die hun public relations goed op orde hebben en “de Palestijnen” als arme, argeloze sloebers die eigenlijk niet weten wat hen overkomt. Dit hoofdstukje is extra pervers, huichelachtig en manipulatief. We zullen opnieuw ruim moeten citeren om dat onomstotelijk aan de kaak te kunnen stellen.

“In het rapport dat de United Nations Special Committee on Palestine op 1 september 1947 aan de Verenigde Naties overhandigde, wordt uitdrukkelijk vermeld dat het Arabische Hoge Comité elke medewerking geweigerd had. Het had tot gevolg dat tal van moslims bij de komst van de buitenlanders het hoofd afwendden. Dat op zijn beurt had weer als resultaat dat het beeld dat in het rapport van de Arabische bevolking gegeven wordt op zijn minst gebrekkig is. Dat heeft de aanbevelingen van de UNSCOP beïnvloed – niet in het voordeel van de Palestijnen. Het is de bevestiging van het oude en al herhaaldelijk gesignaleerde probleem: dat westerlingen de oorspronkelijke bevolking van Palestina niet zagen staan.”

Hier gebeurt het volgende. Om te beginnen verzwijgt VdH dat in het “Arabisch Hoge Comité” de Moefti zijn radicaal-terroristische en compromisloze zin telkens wist door te drijven. Vervolgens doet hij net of het niet ging om terreur en compromisloosheid, maar alleen om ‘niet meewerken’ en dat het vermélden dáár dan weer van de oorzaak was van een vooroordeel bij de leden van de VN. Maar de UNSCOP-leden hadden dus de totale achterlijkheid, materieel en humanitair, van de Arabische cultuur geconstateerd. Voorts zegt VdH dat die westerlingen tóch al steeds minachting hadden gehad voor de “oorspronkelijke bevolking”, terwijl juist de komst van de Joden, dus van “westerlingen” zowel de materiële als de humanitaire omstandigheden in Palestina hadden verbeterd. Het waren de Moefti cum suis die onverschillig waren voor het leed van hun eigen bevolking en dat geldt voor de huidige Palmaffia’s nog steeds. De methodes waarmee de Moefti zijn eigen mensen terroriseerde zijn ook nog dezelfde: Jodenhaat prediken met Koran en Soenna in de hand en iedereen die met de Joden wil samenwerken brandmerken als verrader en zo mogelijk vermoorden.

“Nergens wordt [in het UNSCOP-rapport] met zoveel woorden gezegd dat de ene groep ( . . .) meer waard zou zijn dan de andere en dus ook meer rechten zou hebben, maar de suggestie dat er gekozen moet worden tussen vooruitgang of stilstand is er wel degelijk.”

Gut, wat erg. Wat vreselijk neokoloniaal. Maar het ging niet alleen om materiële vooruitgang, maar vooral ook om morele. Had ik al gezegd dat de Moefti cum suis de eigen bevolking terroriseerden en zo nodig vermoordden? Tuurlijk wel, maar ik zeg het nog een keer:

Ondergronds waren sharia-rechtbanken gevormd die beslisten over “fouten” in eigen kring en over het lot van Joodse gegijzelden. De terreur richtte zich niet alleen tegen de Joden en de Britten, maar vooral ook tegen “verraders” uit eigen kring. Tussen 1936 en 1939 werden 547 Joden en 494 Arabieren gedood door Arabische terreur. Wie van de Arabieren tot enig compromis bereid was met de Engelsen of de Joden, dan wel weigerde de terroristen het geld te geven dat ze vroegen, werd bedreigd en vervolgens, bij volharding, gedood. Een Arabische ambtenaar die voor de Engelse mandaats-macht werkte, werd bijvoorbeeld verplicht tot spioneren. Alle mannen werden door de terroristen verplicht dezelfde hoofdbedekking te gaan dragen als de terroristen zelf, de hoofddoek met hoofdband. De “tarbush” (die omgekeerde grote beker) de dracht van de Arabische stedeling, verdween uit het straatbeeld. Niet alleen islamitische vrouwen, ook christelijke werden gedwongen zich te behoofddoeken en zwaar in de lappen te hullen. Vrouwen die weigerden werden voor “hoer” uitgescholden en een eventuele hoed werd ze van het hoofd getrokken. Terroristenleiders dreigden met straf voor de vrouwen die “volharden in hun lichtzinnigheid”.

VdH definieert dat allemaal heel anders. De “Palestijnen” wisten helemaal niet wie ze waren, hadden gebrek aan identiteit en er was helemaal niemand die in staat was “zich als vertegenwoordiger van de Palestijnse bevolking op te werpen”. Wát een onzin!

“[De Palestijnse Arabieren] zijn nauwelijks in staat ( . . .) geweest hier iets tegenover te stellen. Ja, opstanden, aanslagen en zwijgzaamheid maar niet zoals het, om resultaat te boeken, had gemoeten: lobby, list en beleid. Een verklaring hiervoor is dat de Palestijnse Arabieren in tegenstelling tot de zionisten nooit goed geweten hebben wie of wat zij waren en door wie of wat zij vertegenwoordigd werden. De UNSCOP deed alsof het Arabische Hoge Comité een soort voorlopige regering van een aanstaande Palestijnse staat was. Maar zo was het niet. Een voorlopige Arabische regering is door Londen nooit erkend. Mede daarom is geen enkele groepering in staat geweest zich als vertegenwoordiger van de Palestijnse bevolking op te werpen.”

Jawel hoor! De Moefti bleek daartoe prima in staat! Vanaf 1922 tot 1947 heeft Amin al-Husseini elk compromis met wie dan ook weten te torpederen, zoals Rubin & Schwanitz uitputtend hebben aangetoond. Merk op dat VdH ook nog kans ziet eventjes de Britten mede schuldig te maken aan het ‘gebrek aan leiderschap’ bij de Palestijnse Arabieren en de nare suggestie van de listige Joodse lobby, die we ongetwijfeld bij VdH niet antisemitisch moeten duiden. Zou VdH wel eens gehoord hebben van taqiyya, namelijk dat Koran en Soenna voorschrijven de ongelovigen te misleiden en dat Allah in de Koran “de grootste listensmid” wordt genoemd?

De totale compromisloosheid en volgehouden terreur van de Moefti cum suis worden door VdH wel vermeld, maar uiteraard op een perverse manier:

“De reden dat de Britten zo’n voorlopige regering nooit hebben erkend, is terug te voeren op het dilemma dat de Palestijnen tot op de dag van vandaag parten speelt: dat de voorwaarde van een dergelijke erkenning een andere was, namelijk van het recht van de joden op Palestina – of een deel daarvan. De Palestijnen meenden dat een dergelijke erkenning onmogelijk was omdat ze daarmee instemden met hun eigen vernietiging. Hoe konden ze dat doen? Natuurlijk kregen zij van alle kanten de verzekering dat het zover niet zou komen en dat hun rechten gewaarborgd zouden worden maar dat geloofden ze niet – terecht zoals bleek – en dus erkenden zij de Balfour-declaratie, het mandaat van 1922, Resolutie 181 en alles wat daarop volgde niet.”

Als “de Palestijnen” — vergeet niet dat velen net zo hard nieuwkomers in Palestina waren als de Joden — de Joden geaccepteerd hadden en niet tot terreur waren overgegaan, zouden ze niet zijn ‘vernietigd’ en ook niet verdreven, maar hadden ze vanaf 1922 in een alsmaar meer welvarende en humane maatschappij kunnen leven, met behoud van identiteit en burgerrechten. Dat ze dat niet geloofden, kwam door de haat-ideologie van de islam, waarvan ze de eigenschappen in de Joden projecteerden. Ja, hun wantrouwen bleek terecht, maar dat wantrouwen had richting de islam en de Moefti cum suis moeten gaan, niet richting Joden, Britten en ‘het westen’ in het algemeen.

VdH gaat door met oorzaak en gevolg verwisselen: 

Gevolg van die weigering is dat zij op hun beurt niet erkend werden en in het politieke spel om hun eigen land voortdurend, van het begin van het Engelse mandaat via de stichting van de staat Israël tot het laatste decennium van de twintigste eeuw, langs de zijlijn hebben gestaan. Dit leidde ertoe dat zij zich gedwongen voelden ‘gekke sprongen’ te maken. Die sprongen plaatsten hen nog verder buitenspel, met als gevolg dat ze gekker werden. Op deze wijze ontstond een steeds complexere vicieuze cirkel en een conflict dat almaar groter werd.”

Ik weet niet of je dit nog moet becommentariëren. Maar ik hoop dat inmiddels voor de aandachtige lezer duidelijk is dat niet alléén een weigering om te praten, maar de terreur en elke weigering van compromis de oorzaak was van “langs de zijlijn” staan en dat die “gekke sprongen” en dat nóg gekker worden geen externe oorzaak had maar inherent was aan de nazistisch-islamistische terreur-strategie van de Moefti cum suis. Er wás helemaal geen “steeds complexere vicieuze cirkel” er was alleen maar die constant volgehouden, stompzinnige en moorddadige terreur van de kant van de Moefti cum suis. Waarop de Joden tenslotte óók met incidentele terreur hebben geantwoord. Maar nooit net zo grootschalig en zeker niet zo wreed en nietsontziend. Mijn verhaal wordt eentonig, zei Eduard Douwes Dekker. Ik kan er ook niks aan doen. Maar ook de nu volgende passage is van een stuitende perversiteit:

“Een typerend voorbeeld is het contact dat de hoogste man van het Arabische Hoge Comité, de grootmoefti van Jeruzalem, met de vijand van zijn vijanden zocht. Wie kon dat in de jaren vóór en tijdens de Tweede Wereldoorlog anders zijn dan Hitler? Maar in de naoorlogse jaren, op het moment dus dat er beslist werd over het lot van Palestina, was niets zo nadelig als bondgenoot te zijn geweest van de nazi’s en nog steeds openlijk van antisemitisme te getuigen. Dat het bondgenootschap met de nazi’s van de grootmoefti van volstrekt andere orde was dan dat van Europese collaborateurs en dat het antisemitisme van de Palestijnen niet te vergelijken is met dat van Hitler en zijn bende, niet racistisch maar politiek (tegen de vestiging van joden in het Palestijnse land), was voor de toenmalige verhoudingen veel te complex. Bovendien hadden de voorstanders van een joodse staat bij een dergelijke complexiteit geen belang. Het kwam hun veel beter uit het hele stel – nazi’s, antisemieten én Palestijnen – op één hoop te gooien en van hetzelfde etiket te voorzien. Zo gebeurde.”

VdH doet hierboven dus net of het een gelegenheids-verbond was, terwijl de waarheid is dat Amin al-Husseini een dermate uitzinnige Jodenhater was dat hij Hitlers evenknie was of hem zelfs overtrof. Husseini’s bewondering voor en bondgenootschap met Hitler was niet van “volstrekt andere orde”, want wél “racistisch” en óók “politiek”. Er was niks “complex” aan, want doodgewone pure Jodenhaat, voortkomend uit een atavistisch anti-vooruitgangsgeloof, de islam. En als nazi’s, antisemieten én Palestijnen op één hoop werden gegooid, kwam dat vooral omdat ze zich ook zo gedroegen.

Op deze schandalige passage laat VdH een pagina of zeven gefilosofeer over de “Palestijnse identiteit” volgen. Volgens hem heeft het westen de Palestijnse Arabieren en trouwens heel Arabierië in een identiteitscrisis gestort door na WO I wat toevallige lijnen op een kaart te trekken. Hij vertelt er niet bij wat het Westen dán had gemoeten met al die tribale, etnische, linguïstische en ideologische tegenstellingen. Zijn uiteenzetting knoopt aan bij een discussie die gevoerd werd over het ontwerp van een Palestijnse vlag in een Palestijns-Arabische krant vlak na de uitbarsting van de islamitische Jodenhaat-terreur in oktober 1929. Zie boven. Dat formuleert VdH uiteraard anders. Hij heeft het over “oktober 1929, vlak nadat de Palestijnen voor het eerst massaal tegen de ontwikkelingen in verzet waren gekomen”. In verzet: zo typeert hij de massamoorden van 1929 door Arabieren in Jeruzalem en Hebron.

Hij stipt even de tegenstelling aan tussen de clan van de Moefti en die van de Nashibi’s.“De twee families gunden elkaar het licht in de ogen niet en maakten de toch al grote chaos binnen de Palestijnse gemeenschap zo mogelijk nog groter.” Zo’n zin schrijft VdH dan op tussen heel veel zinnen die allemaal moeten dienen om te benadrukken dat die arme Palestijnse Arabieren in een wanhopige identiteits-crisis zaten, tegenover Joden die verrekte goed wisten wie ze waren. De werkelijkheid is dat de Moefti via terreur steeds meer een islamitische identiteit oplegde aan de Palestijnse Arabieren en eveneens via terreur steevast zijn onverzoenlijke haat-politiek wist door te drukken.

Hoofdstuk 7 heet “Een knikje van Grote Broer — De VS, Truman en de joden” en het geeft VdH de gelegenheid om via Truman aan zijn lezers te laten zien dat er wel meer mensen waren, en zijn, die kritiek op de Joden hadden en hebben. De citaten van Truman die VdH geeft en die “met een beetje kwade wil gemakkelijk als antisemitisch uitgelegd kunnen worden” ga ik hier niet herhalen. Maar vooral dient dit hoofdstuk voor VdH om nog eens te benadrukken dat Israël bestaat door de kracht van de “Joodse lobby” in Amerika en door een reeks ongelukkige toevalligheden:

Weliswaar was de joodse lobby destijds nog niet zo goed georganiseerd als tegenwoordig maar zij was behoorlijk krachtig en zeker invloedrijk. Vooral in de dagen vlak voor de stemming in de Verenigde Naties moet de druk enorm zijn geweest. Een rol daarbij speelde dat er in 1948 presidentsverkiezingen gehouden werden en dat het lang niet zeker was dat Truman de Democratische kandidaat zou zijn, laat staan dat hij die verkiezingen zou winnen. Zijn populariteit was laag. De joodse stem was belangrijk.”

Nee, “tegenwoordig” regeren “ze” de hele wereld, maar ook toen was “de Joodse lobby” al heel actief:

(. . .) Ondertussen was een Amerikaanse commissie in de Europese vluchtelingenkampen poolshoogte gaan nemen. Haar rapport ontving Truman eind augustus (1945). Het overtuigde hem ervan dat er iets moest gebeuren. Datzelfde werd bepleit door joodse lobbyisten en tal van sympathisanten van christelijken huize. Als de cijfers kloppen, zouden er met betrekking tot Palestina en de joodse vluchtelingen tussen 1946 en 1948 bij het Witte Huis maar liefst 48 600 telegrammen, 790 575 brieven en 81 200 andere poststukken binnengekomen zijn. Evenals zijn medewerkers werd Truman er op den duur zo gek van dat hij een sneer niet voor zich kon houden. ‘Zelfs Jezus heeft hen [de joden] tijdens zijn bezoek aan de aarde niet tevreden kunnen stellen,’ zou hij gezegd hebben, ‘hoe zou ik dat kunnen doen?’ “

Maar behalve zeuren over die eeuwige “Joodse lobby” is het hoofddoel van VdH in dit hoofdstuk toch wel, zoals gezegd, nog eens te benadrukken dat Israël bestaat door een reeks ongelukkige toevalligheden:

“De Amerikanen bleven tot het laatste moment twijfelen. Dat hun stem uiteindelijk voor de joden gunstig uitviel, is vermoedelijk vooral het resultaat geweest van een combinatie van factoren die in de geschiedenisboeken meestal weggemoffeld wordt: persoonlijke contacten, toeval en irrationaliteit, de beroemde en onberekenbare ‘samenloop van omstandigheden’ dus.”

“Alle getuigenissen en bronnen vertellen echter hetzelfde: dat het geen haar had gescheeld of het was anders gelopen. Het Israël zoals wij het kennen, was er dan niet en wellicht zelfs nooit gekomen.

Een van die toevalligheden die mede verantwoordelijk was voor de-vergissing-Israël, zo vertelt VdH, was het feit dat Truman met een oude makker ooit een winkeltje — een haberdashery — had gedreven en die makker was toevallig een Jood en het winkeltje ging toevallig failliet en zo kwam Truman toevallig in de politiek terecht. Die Jood werd later door de Joodse lobby-club B’nai B’rith gebruikt om Truman te bewegen Amerika voor resolutie 181 te laten stemmen. En toevallig was een naaste adviseur van Truman ook een Jood: “Hoewel altijd op de achtergrond, schijnt zijn invloed enorm te zijn geweest.” De aldus beïnvloede Truman heeft door al dat Joden-toeval gezorgd dat Amerika achter de schermen enorme druk heeft uitgeoefend op andere landen om ook voor resolutie 181 te stemmen. Zo ongeveer VdH. Joden achter de schermen dus. Waar hebben we dat eerder gehoord? Enfin en kortom: het is te wijten aan reeksen vervelende toevalligheden dat Israël bestaat, maar dat toeval is wel flink geholpen door “de Joodse lobby”.

Hoofdstuk 8 heet “De ene gebeurtenis na de andere — van Palestina naar Israël” en het is weer diezelfde soort onophoudelijke vaak onderhuidse manipulatie afgewisseld met expliciet glashard liegen en vooral veel verzwijgen. VdH doet absoluut moeite voor Israël!

Toen de vreugde omtrent de aanvaarding van resolutie 181 in de straten van Jeruzalem losbarstte, kwam “Goldie Meyerson (Golda Meir ( . . .) naar buiten en sprak de menigte toe. Dit was het ogenblik waar de joden eeuwenlang naar uit hebben gezien, zei ze. Tegelijkertijd stak zij de hand uit naar de Arabieren en beweerde dat de joden vrede en vriendschap wensten.”

Bewéérde. Ik denk dat ik maar eens ophoud citaten te geven waarin, bijvoorbeeld, zelfs nog tijdens de burgeroorlog van 1947-1948 toen de legers van vijf Arabische naties Israël waren binnengevallen en de afloop voor de Joden hoogst onzeker was, Ben Goerion voor de radio een toespraak hield waarin hij de Palestijnse Arabieren opriep te blijven waar ze waren en geen gehoor te geven aan de oproepen van de Arabische naties om te vluchten zodat de legers een vrij schootsveld op de Joden zouden hebben. Zie boven.

Héél integer dat VdH vermeldt dat de Arabische staten woedend reageerden op de poging tot annexatie van het in resolutie 181 aan de Palestijnse Arabieren toegedachte stuk land door Abdoelah van Jordanië. Maar hij meldt uiteraard niet dat die woedende reacties niet waren vanwege de arme “Palestijnen”, maar omdat die Arabische staten zelf stukken van Palestina wilden inlijven. En ook meldt VdH niet dat in al die jaren sinds 1948 — dus anno 2021 zo’n 75 jaar — de gevluchte “Palestijnen” in de “kampen” op Arabische grondgebied nooit ook maar één enkel burgerrecht kregen, terwijl de “Palestijnen” die gebleven zijn in Israël volledige burgerrechten genieten.

“Op hetzelfde moment dat overal in Palestina door joden feest gevierd werd, zo schreven krant en tijdschrift in kleinere letters, begonnen de eerste Arabieren zich te roeren. In een sinaasappelboomgaard ten zuidoosten van Tel Aviv werden twee bussen onder vuur genomen, vijf joden gedood, veertien gewond. In de gevangenis van Akko werden joodse gevangenen aangevallen. ‘Laat ze maar feestvieren,’ zei een christelijke vrouw tegen de journalist van Time, ‘nog even en ze zijn allemaal dood.’

Terreur is dus ‘zich roeren’ en u begrijpt uit het bovenstaande, lezer, dat ook niet alle Christenen in Palestina even dol waren op de Joden.

“Zo belandde het land dat op dat moment nog altijd Palestina heette in een tombola van gebeurtenissen, de ene nog ernstiger dan de andere en alles bijeen met een uitkomst die de wereld nu al zestig jaar parten speelt. De grote lijn ervan is snel gegeven. Meteen nadat de uitslag van de stemming in de Verenigde Naties bekend was geworden, brak in Palestina een burgeroorlog uit, met autobommen, vergeldingen, hinderlagen, landmijnen, lynchpartijen en aanslagen. Weldra bemoeiden ook de omringende landen zich met de strijd zodat burgeroorlog en oorlog onontwarbaar door elkaar begonnen te lopen.”

Ja, als je het zo zegt is het inderdaad een, eh, onontwarbare tombola. Maar het grote feit blijft natuurlijk wel, en ik herhaal het nóg maar eens een keer: de Moefti cum suis zijn de terreur begonnen in 1922 en zijn opvolgers hebben die tot op de dag van vandaag volgehouden. En die “autobommen, vergeldingen, hinderlagen, landmijnen, lynchpartijen en aanslagen” waren óók niet gelijkelijk verdeeld over “Palestijnen” en Joden. Ik citeer de onvolprezen Mark Lewis:

“Om sommige gebieden te verdedigen waar Joden volledig door Arabieren waren omsingeld ( . . .) ging de Haganah over tot afschrik-tactieken die bedoeld waren om de Arabische bevolking angst aan te jagen. ( . . .) Veel Arabieren ( . . .) vluchtten vanwege die tactieken, zoals het verspreiden van geruchten dat een enorme Joods leger uit het westen op het punt stond te landen ( . . .) handgranaten die op veranda’s van huizen werden gegooid, jeeps die voorbij reden en machinegeweren afvuurden op de muren of hekken van huizen, geruchten in de wereld gebracht door Arabisch sprekende Joden deden de ronde dat de Haganah veel groter was dan het werkelijk was ( . . . ) Hier is het belangrijk op te merken dat Joden in zoverre verantwoordelijk waren voor de Arabische vlucht. Maar het was niet omdat ze het land etnisch wilden zuiveren of de Arabieren wilden vernietigen.Het was omdat ze wisten dat een Joodse minderheid onverdedigd in Arabische enclaves zou worden afgeslacht (zoals in feite het geval was ( . . .) in de Gush Etzion-dorpen en in de Joodse wijk van ( . . .) Jeruzalem en ( . . .) Hebron in 1929).

Misschien is het hier ook de plek om een citaat in te voegen dat we vinden op pagina 224 van “Promise and Fulfilment: Palestine 1917- 1949” van Arthur Koestler:

“( . . .) in elk geval begingen de Joden geen individuele daden van sadisme (. . .) Maar op andere plekken werden de lijken van Joden die in Arabische handen waren gevallen gecastreerd gevonden en met hun ogen uitgestoken. ( . . .) Voor ik Tel Aviv verliet heb ik de hand gelegd op een collectie foto’s die ik aan Alexis Ladas van de Commissie van de Verenigde Naties heb doorgegeven. Ze tonen grinnikende mannen in Arabische uniformen poserend voor de fotografen met hun bajonetten verzonken in een stapel naakte en verminkte lijken en dergelijke ( . . . ) ik vermeld dit onderwerp met tegenzin ( . . .) dit soort zaken is niet begonnen met de oorlog; vanaf de dag van de eerste Joodse nederzettingen, was een Jood als hij de langs de kant van de weg vermoord werd gevonden bijna altijd verminkt.”

Vervolgens gaat VdH uitleggen hoe het kwam dat de Joden die een minderheid vormden toch de overhand konden krijgen op de meerderheid van Arabieren. Nou, dat kwam — gááááp — omdat de zielige Arabieren te verdeeld waren en de zionisten eensgezind, doelgericht en strak georganiseerd:

“Ook hadden ze de beschikking over grote hoeveelheden, vooral uit de Verenigde Staten afkomstig, geld. En de Joden hebben zich nooit uit het veld laten slaan en hebben altijd vastgehouden aan die ene gedachte: dat het land tussen Middellandse Zee en Jordaan, Syrië en woestijn van hen was. De hoeveelheid land die de zionisten eind november 1947 door de Verenigde Naties toegezegd kregen, was lang niet zoveel als ze sinds 1948 bezitten.”

Amerika. Joden. Wall Street. Geld. Vervolgens gaat VdH uitleggen wat voor een expansief staatje dat Israël meteen al was:

“Op het moment dat de (burger)oorlog eindigde, zomer 1949, was de situatie volstrekt anders dan de Verenigde Naties hadden voorgesteld en bezat Israël niet slechts 56 maar 78 procent van voormalig Palestina, was van de circa 1,3 miljoen Palestijnen meer dan de helft op de vlucht en waren alle Palestijnse dorpen in het de joden oorspronkelijk toegewezen gebied ontvolkt.”

Uiteraard vergeet VdH te vermelden dat het vestigingsgebied van de Joden in 1923 meteen al met minsten 70% was verminderd doordat Engeland dat stuk weggaf aan Abdoelah van Jordanië. Dus als we nou eens voor het reken-gemak net doen of in het voorstel van de VN niet 56% maar 60% werd toegewezen aan de Joden dan is dat slechts 60% van die overgebleven 30%. Dat komt uit op 18% “van voormalig Palestina” en niet 78%. Dat is dus een verdomd klein stukje. En dat die “Palestijnen” op de vlucht waren geslagen . . . . . hé, dat is verrassend! VdH legt het zelf uit:

De traditionele, Israëlische verklaring voor deze ontwikkeling is dat de Arabieren het er zelf naar gemaakt hebben. Omdat zij het verdelingsplan van de Verenigde Naties niet aanvaardden, kwamen zij in opstand. Daarbij werden zij geholpen door omringende landen. De zionisten konden niet anders dan zich verdedigen en zagen zich gedwongen meer land te veroveren. Het was niet alleen oorlogsbuit, het was ook nodig als bufferzone tussen joods en Palestijns gebied. Dat zoveel Palestijnen tijdens de strijd op de vlucht sloegen, zou eveneens onvermijdelijk zijn geweest. Het was immers oorlog. Bovendien werden zij door de Arabische staten opgeroepen hun land te verlaten om later, in het kielzog van een zegevierend leger, naar hun geboortegrond terug te keren. Sinds het eind van de jaren tachtig van de twintigste eeuw heeft een nieuwe generatie Israëlische historici en hun Palestijnse collega’s zoveel kanttekeningen bij dit verhaal geplaatst dat het stukje bij beetje vergruisd is.”

Die zogenaamde “nieuwe historici” — ik heb dat al meermalen gezegd, maar we doen het nog een keer — zijn door Efraim Karsh uitgebreid aan de kaak gesteld als bronnen-vervalsers en leugenaars. Die hebben dus helemaal niks “vergruisd” of het moest hun eigen reputatie zijn. En van die “Palestijnse collega’s” weet ik niks en ik hóéf ook niks van ze te weten, want ik heb niet het idee dat als het over Joden en Israël gaat, via de islamitische cultuur waarheid gevonden kan worden. Dus als ik lees dat er “nauwelijks nog twijfel [bestaat] over het feit dat de zionisten altijd meer dan het toegewezen stuk van Palestina op het oog hebben gehad”, dan hoef ik de blah-blah die er verder staat eigenlijk al niet meer te lezen. Maar als ik dat dan toch doe, dan vind ik dit:

“Al bij de vredesconferentie na het eind van de Eerste Wereldoorlog claimden zij een gebied met een noordgrens tot diep in het huidige Libanon, een oostgrens tot Amman en een zuidgrens die een flinke lap Sinaïwoestijn insloot. Ben-Goerion was in dezelfde jaren preciezer in zijn omschrijving van de grenzen van de toekomstige joodse staat: ‘In het noorden de rivier de Litani [in Zuid-Libanon], in het noordoosten de Wadi [vallei, rivierbedding) Owja die dertig kilometer ten zuiden van Damascus ligt. De zuidelijke grens is variabel en loopt in elk geval tot aan de Wadi Al-Arish in de Sinaïwoestijn. In het oosten strekt de staat zich uit tot de Syrische Woestijn, inclusief het uiterste puntje van Transjordanië.”

Wat is dit voor vaag geografisch gezwets? Moet ik nou echt al die namen via google maps gaan opzoeken? En moet ik nou echt gaan opzoeken wat Ben Goerion in 1920 écht heeft gezegd en in welke context? Want het zal wel weer verdraaid zijn, zoals bij Ben Goerion bijna altijd gebeurd als Israël-haters hem aanhalen en zeker als dat niet letterlijk maar parafraserend is. De bedoeling van VdH is in elk geval Ben Goerion als een expansief ventje neer te zetten. En dan gaat hij aldus verder:

Het was een ideaal waaraan de zionisten altijd hebben vastgehouden, ook toen duidelijk was dat de internationale gemeenschap hun nooit zo’n omvangrijke staat zou toezeggen. De instemming van Ben-Goerion met het voorstel van de Verenigde Naties was dan ook niet principieel maar tactisch. Wanneer de joden eenmaal ‘legaal’ de beschikking over een stuk eigen land hadden, zo was de gedachte, zou zich vast wel de gelegenheid voordoen dat gebied uit te breiden. Dat het meteen in 1948 al zover kwam, was bijna te mooi om waar te zijn.

“Altijd hebben vastgehouden”? In elk geval toch niet na 1967, toen Israël — na opnieuw, net als in 1948, met genocidale bedoelingen te zijn aangevallen en Samaria-Judea (“de Westbank”) had veroverd — aanbood het hele gebied opnieuw te ontruimen met slechts enkele kleine correcties op de groene bestandslijn van 1948 en de Arabieren in Khartoem drie keer nee zeiden. Die laatste zin — “bijna te mooi om waar te zijn” — is zo smerig dat ik er niet op in ga. Voorts had ik de bewering dat Ben Goerion en de zionisten alleen maar tactisch en met expansieve bedoelingen instemden met resolutie 181 graag gestaafd gezien met concrete citaten en niet met vage verwijzingen in voetnoot nummer 138 over zionistische congressen in 1942 en 1944, dus midden in Holocaust-tijd. Maar dan graag letterlijke citaten en van wie en hoeveel invloed die personen hadden. Overigens: niet raar dat er dus ‘radicale’ stemmen kunnen hebben geklonken op die congressen: de moord op de zes miljoen was in volle gang.

VdH heeft — behalve de leugenverhalen van de “nieuwe historici” — nóg een “bewijs” dat de zionisten vanaf het begin expansieve etnische zuiveraars zijn geweest:

“Dat er van het klassieke Israëlische verhaal over de gebeurtenissen in 1948 weinig klopt, blijkt ook uit het feit dat de zionisten niets moesten hebben van de pogingen van derden om vrede te stichten, zeker niet toen duidelijk werd dat een dergelijke vrede niet in het joodse voordeel zou zijn.”

Waarna VdH een tendentieuze versie van het verhaal vertelt van de moord op graaf Folke Bernadotte op 17 september 1947 door de Lehi of Stern-bende, een verhaal vol met suggesties dat het één groot zionistisch complot is geweest waarbij het vanaf het begin de bedoeling was om Jeruzalem te bezetten: “Op deze wijze legde de moord op Bernadotte de Israëlische regering geen windeieren. Ook viel zij de daders niet hard.”

En “niet in het joodse voordeel”? Het was ietsje ernstiger dan dat. Wim Kortenoeven vat het in zijn Magnum Opus “De Kern van de Zaak” aldus samen:

16 september. De anti-zionistische Zweedse VN-bemiddelaar Graaf Folke Bernadotte wordt in Jeruzalem door leden van Jitschak Shamirs Lehi-militie geliquideerd. De aanslag wordt door de Israëlische regering van Ben Goerion scherp veroordeeld, maar voorkomt wel dat het door Bernadotte gepropageerde nieuwe delingsplan voor Palestina op de internationale agenda blijft. Uitvoering van dat plan zou de staat Israël hebben gereduceerd tot een semi-onafhankelijke entiteit in Galilea en de kuststrook. De rest van het gebied, inclusief heel Jeruzalem en de Negev moest volgens Bernadotte’s voorstellen aan Transjordanië worden toegewezen en migratie van Joden naar de ‘Joodse sector’ na twee jaar aan banden gelegd.”

Ik kan mij voorstellen dat je als Joodse contra-terrorist, de geschiedenis overziende, het niet liet gebeuren dat een tehuis dat aanvankelijk het huidige Israël, plus “de Westbank” plus Jordanië omvatte niet tot een zelfmoord-enclave liet terugbengen. Zo’n liquidatie, en dan vooral van iemand die zoveel Joden had gered, is natuurlijk gruwelijk, maar Bernadottes voorstel was dat ook.

Waarna VdH zijn laatste hoofdstuk aldus inleidt:

“Tot slot is er nog een reden waarom het traditionele Israëlische verhaal over de gebeurtenissen in 1948 niet klopt. Het is in de afgelopen jaren door talloze historici en ontelbare tijdgenoten verhaald en herhaald: dat de zionisten vanaf het allereerste moment dat zij zich daartoe gemachtigd zagen alles in het werk hebben gesteld het hun toegewezen land te zuiveren van ‘vreemde elementen’.”

Wéér die “nieuwe historici” dus met hun zelfhaat en leugenachtige Israël-belastering. Zó expliciet is VdH overigens nog niet geweest: de zionisten waren en zijn expansieve etnische zuiveraars en waarschijnlijk gewone massamoordenaars.

En dat laatste wordt dus de stelling in het laatste hoofdstuk 9 “Het mindere kwaad — ethische dilemma’s en nakba”.

Naarmate de burgeroorlog vorderde hebben inderdaad ook marginale Joodse groepen steeds meer terreur uitgeoefend. Ik moet eerlijk toegeven dat ik de weg nog wel eens kwijt raak tussen de namen Stern-Gang, Irgun of Irgoen, Etzel en LEHI maar een van deze groepen pleegde de aanslag waarmee VdH dit hoofdstuk begint. Voor de feiten rond het volgende gruwelverhaal baseert hij zich nu eens een keer op een, voor zover ik kan beoordelen, fatsoenlijke bron. Maar die feiten blijken niettemin wéér niet te kloppen. Wat wél vaststaat: bij de grote olieraffinaderij van Haifa gooiden Irgun-terroristen op 30 december 1947 handgranaten tussen een groep Arabische arbeiders en doodden negen man. De volgende dag vermoordden Arabische arbeiders bij en op dezelfde raffinaderij 39 Joodse arbeiders.

VdH commentarieert:

“Tot zover waren de gebeurtenissen op de raffinaderij een zoveelste variant op het aloude oog om oog, tand om tand, een moment in een geweldsspiraal. Actie en reactie zijn in een dergelijke spiraal niet alleen moeilijk te onderscheiden, elke poging daartoe is ook gedoemd te mislukken omdat de ene partij altijd wel een moment of gebeurtenis weet aan te wijzen waarop ‘de andere’ begonnen zou zijn. Maar nog voordat het jaar 1947 ten einde was, kwam hierin verandering.”

Leugens! Niks “actie en reactie”. Zal ik het eens met de variant van Rambo zeggen? “They drew first blood”. En we voegen daaraan toe: and second, third, fourth en ninety-nineth blood. De terreur is begonnen vanaf 1922 en volgehouden tot op heden door de Moefti cum suis en zijn opvolgers van Arafat tot Abbas en Hamas. De Joden hebben daar feller op gereageerd naarmate de terreur erger werd. Nu op dit moment, anno 2021, geldt nog steeds: als de Palmaffia’s vandaag ophouden met terreur is het morgen vrede en is overmorgen heel Palestina een welvarende en gelukkige landstreek.

Steeds feller gereageerd, zei ik, maar het is nooit de ideologie geworden van de zionistische leiders om, zoals VdH beweert, massamoord en etnische zuivering tot “staatszaak” te maken. Ik herhaal het nóg maar eens: dezelfde Efraim Karsh die de “nieuwe historici” die dit beweren aan de kaak heeft gesteld als fraudeurs, heeft in 2010 een studie gepubliceerd waarin werd aangetoond dat etnische zuiveringen slechts bestonden uit verdrijvingen en dat die alleen gebeurden als het optrekkende Israëlische leger geen vijandige bevolking in de rug wenste achter te laten. Maar dan VdH:

“Op de dag na het bloedbad viel een joodse militaire macht een dorp [Balad al-Shaykh] binnen waar een aantal Arabische werknemers van de raffinaderij woonde. Hoewel ook in dit geval de precieze toedracht onduidelijk is en er over het aantal slachtoffers geen eensgezindheid heerst, staat vast dat tientallen, weerloze inwoners in koelen bloede vermoord werden. Dit keer gebeurde dat echter niet door de Irgun, Lehi of andere terroristische organisatie maar door de elitetroepen van de Haganah, de militaire organisatie waaruit na de officiële uitroeping van de staat het Israëlische leger is voortgekomen. Tenzij aangenomen wordt dat de Haganah op eigen houtje handelde (dat is onwaarschijnlijk, het legerkorps was ondergeschikt aan de politieke macht) betekent dit dus dat Ben-Goerion en de zijnen tot die aanval de opdracht gegeven moeten hebben. Daarmee was de moord op weerloze mensen niet langer het resultaat van een onbeheersbare geweldsspiraal. Nee, zij was beheerst gepland: staatszaak.

Hier staat het dus: in koelen bloede, beheerst gepland en staatszaak. Werkelijk? Geen sprake van razernij door oorlogsomstandigheden opgewekt? En Ben Goerion die gezegd heeft: ga ze daar maar eens even massamoordend een lesje leren? Ik geloofde hier niks van, dus ben ik gaan zoeken. En vond David Collier die er ook niks van geloofde en ook was gaan zoeken en die in de leger-archieven in Londen stukken vond die hij fotokopiëerde en analyseerde. Ga zelf maar lezen hoe hij tot de volgende conclusie komt:

“Dit betekent dat waarschijnlijk negen Arabieren stierven in Balad al-Shaykh. Zeven volwassen mannen (ervan uitgaande dat Mohammed Hasal een volwassen man is) en twee kinderen. Er waren dertig mensen gewond. De overgrote meerderheid (ongeveer 25) mannen. Vijf van de gewonden waren kinderen. De mannelijke meerderheid geeft een indicatie van wat er werkelijk is gebeurd. Een mix van de twee accounts. Met een slachtofferaantal ontdaan van de overdrijving van beide kanten. De Joden probeerden wraak te nemen voor de gebeurtenissen in de raffinaderij, ze stuitten op verzet dat harder was dan verwacht en werden gedwongen terug te trekken. Het uiteindelijke aantal dodelijke slachtoffers: negen Arabieren, drie Joden. Dit is hoe de Nakba-mythe wordt ontwikkeld en gepropageerd door slordige activistische historici die helemaal niets om de waarheid lijken te geven. Een overschatting van eenentwintig werd een bloedbad van meer dan zestig. In werkelijkheid was het dodental waarschijnlijk negen. En al die tijd wachtte er een dossier met de waarheid om ontdekt te worden in Kew [buitenwijk van Londen].”

Na deze zoveelste hoax gaat VdH verder met deze mededeling:

“In 1987 heeft een Israëlisch historicus voor het eerst onomstotelijk aangetoond dat tussen december 1947 en het formele einde van de Israëlisch-Arabische (burger)oorlog in 1949 honderden Palestijnse dorpen door joodse troepen gezuiverd zijn.”

Enzovoort, enzovoort. Had ik al gezegd dat dezelfde Efraim Karsh die de “nieuwe historici” die dit beweren aan de kaak heeft gesteld als fraudeurs in 2010 een studie heeft gepubliceerd waarin werd aangetoond dat etnische zuiveringen slechts bestonden uit verdrijvingen en dat die alleen gebeurden als de het oprekkende Israëlische leger geen vijandige bevolking in de rug wenste achter te laten? Vast wel. Kan ik niet vergeten zijn. En u, lezer, vergeet het misschien inmiddels ook niet meer.

Vervolgens brengt VdH nog maar eens “Tantura” en de masterscriptie van Katz ter sprake als bewijs voor het expansionisme en etnisch zuiveren van het zionisme: zie boven, zou ik zeggen. Deir Yassin komt weer op de proppen: zie daarvoor de analyse van Mark Lewis. Het zijn allemaal gebeurtenissen, gruwelijk op zich en die in elke oorlog gebeuren, maar omdat er Joden als daders aangewezen kunnen worden, moeten ze opgeblazen worden tot massamoorden-met-voorbedachte-rade.

Gelukkig heeft VdH toch nog één voorbeeld kunnen vinden van een gruweldaad, die “klein” en individueel is, maar ook die blaast hij op tot een symbool van de systemische zionistische verdorvenheid. De mannelijke begeleider van een Bedoeïenen-meisje, zo vertelt VdH, wordt in augustus 1949 in de Negev-woestijn door Israëlische soldaten doodgeschoten, waarna ze dat meisje verkrachten en vermoorden. Het verhaal stond in 2003 in Haaretz en in The Guardian. Het schijnt op betrouwbare leger-documenten gebaseerd en op een dagboekaantekening over de kwestie van Ben Goerion. Afschuwelijk. En ik heb voor deze gruweldaad bij uitzondering niets kunnen vinden dat wijst op opblazen of verzinnen van de anti-zionisten. Maar de conclusie die VdH verbindt aan dit enkele geval is wél weer opgeblazen:

“De soldaten werden aangeklaagd maar kwamen er met zeer lichte straffen af want (in de woorden van de rechtbank): ‘In die tijd heerste er voor de Arabieren een algemeen gevoel van minachting. Vandaar dat soms dergelijke buitensporigheden plaatsvonden en er een sfeer heerste van: ‘alles kan’.”

“Vandaar ook dat het verhaal van het Arabische meisje uit de Negev-woestijn niet alleen aangrijpend maar ook belangrijk is. Het onthult het systeem.”

Dit opblazen van een individuele terreurdaad kan dus alleen gedaan worden tegen de achtergrond van al dat “systemische” opblazen van ongelukken die in elke oorlog gebeuren tot bewuste massamoorden, althans voor zover Joden aangewezen kunnen worden als schuldigen. De werkelijke terreurdaden die wél “systemisch” toen en nu in naam van de islam worden gepleegd, worden door deze opblazers systematisch verzwegen of gedefinieerd als gerechtvaardigd verzet.

Deze zogenaamd gruweldaad die ‘het systeem onthult’ koppelt VdH bovendien direct aan de verhalen van de “nieuwe historici” over het vermeende etnisch zuiverende en expansionistische karakter van het zionisme. En met name aan het “Plan Dalet”. Zich baserend op nieuwe historicus Ilan Pappé komt VdH met een verhaal dat er een speciaal comité was dat door Pappé “The Consultancy” wordt genoemd en dat “vanaf de zomer van 1947 regelmatig in het huis van Ben-Goerion in Tel Aviv bijeenkwam om de politiek ten opzichte van de Arabische bevolking te bepalen. In de adviesgroep zaten vooraanstaande militaire en politieke figuren, kenners van de Arabische samenleving en leden van de geheime dienst”.

Geheime bijeenkomsten van Joden die snode plannen smeden. Waar kennen we dat van? En snode plannen wérden gesmeed, volgens Pappé-VdH:

“Een van hun bijeenkomsten, volgens Pappé de belangrijkste van alle, begon enkele uren voordat Balad al-Shaykh gezuiverd werd, op woensdag 31 december 1947 dus, en werd op de daaropvolgende dagen voortgezet. Daarbij viel een aantal besluiten. Om te beginnen dat de tijd van plannen maken voorbij was en dat ‘het’ zo snel mogelijk moest gebeuren. Wat er met dat ‘het’ bedoeld werd, was al eerder gesuggereerd, een enkele keer opgeschreven maar nog nooit officieel tot politiek verheven. Nu wel: dat een joodse staat met Arabieren geen toekomst had en dat het land dus ‘gezuiverd’ moest worden.

De Joodse “Consultancy” besloot over te gaan tot “agressieve defensie”:

Hier ligt de oorsprong van wat bekend is geworden als Plan D[alet]. Dit plan was de opdracht van de Israëlische regering aan het leger vanaf het moment dat de Britten verdwenen waren en de Israëlische staat uitgeroepen was. Het behelsde de opdracht de Arabische bevolking te verdrijven en hun dorpen te vernietigen. Zo gebeurde. Hoe, waar en wanneer precies wordt zowel in de recente literatuur als op internet uitvoerig beschreven. Samengevat: meer dan 800.000 Palestijnen op de vlucht, meer dan 500 dorpen ontvolkt en een groot aantal – hoeveel weten we niet – mensen vermoord. De slachting in Tantura was dus lang niet de enige.  [We weten nu dus dat “Tantura” een hoax is, net als dat verhaal van Balad al-Shaykh] Zij is niet meer dan een van de talloze gebeurtenissen in wat de Palestijnen hun nakba noemen, ondergang.”

Merk op hoe VdH die Tantura-hoax gebruikt om zijn nog veel grotere claim van planmatige gruwelen gepleegd door de Joden geloofwaardig te maken. Mark Lewis wijst erop dat Israël-haters — net zoals hier VdH — altijd weer komen aanzetten met dat “Plan Dalet” dat dan moet bewijzen dat de Haganah een vooropgezet plan had tot etnische zuivering. Buiten context worden dan een paar regels geciteerd uit een plan van 75 pagina’s dat, zo zegt Lewis, uitsluitend in werking zou treden in geval Arabische landen Israël zouden binnen vallen en — daar is het argument opnieuw — de Israëlische strijdkrachten geen vijandige bevolking in de rug konden dulden of als bepaalde vijandig gezinde dorpen aan belangrijke aanvoerwegen lagen. (Wie wil weten hoe belangrijk die aanvoerwegen waren, zou eens het relaas van de uithongering van Jeruzalem moeten lezen in het verslag van Zipporah Porat, “Letters from Jerusalem: 1947-1948”.)

Een Joodse minderheid die tot een burgeroorlog werd gedwongen en die tenslotte door vijf Arabische staten tegelijk werd aangevallen en in de strijd 6000 kostbare levens verloor: dat klinkt, zegt Lewis, niet echt als een vooropgezet masterplan.

Er zijn, zo heeft Benny Morris bewezen, een klein aantal Arabische dorpen die zich niet openlijk vijandig hadden betoond gedurende de oorlog en die na 1948 alsnog etnisch gezuiverd werden. Lewis: “Dergelijk beslissingen zijn misschien bestraffend bedoeld, of genomen uit wraakzucht, haat en, ja, racisme.” Maar in elk geval betrof dit een miniem deel van de gevallen. En daartegenover staat weer het feit dat er dorpen die in de ogen van sommige zionisten in aanmerking kwamen voor ontruiming, toch met rust gelaten werden.

Lewis hekelt Israël-haters als Norman Finkelstein — deze geobsedeerde gek is óók al een held van VdH — die geen enkele reden goed genoeg vinden voor de verdrijvingen, ook niet de militair-strategische overweging van geen-vijandige-bevolking-in-de-rug-van-je-leger. Maar wat de Joden dan hadden moeten doen, anders dan zich laten afslachten, vertellen de Finkelsteins van deze wereld er niet bij.

Lewis gaat in op de vraag hoe het kan dat uitsluitend en alleen in het geval van Israël ruim 70 jaar na dato de hele wereld zich nog steeds druk maakt over “Palestijnse vluchtelingen”, terwijl de wereldgeschiedenis — waarschijnlijk al vóór de Grote Volksverhuizingen — zo’n beetje uit niks anders bestond en bestaat dan uit veroveringen en “etnische zuiveringen”. Lewis antwoordt niet “antisemitisme”, terwijl zijn analyse toch eigenlijk geen andere conclusie toelaat. Lewis:

De verdrijving van Palestijnse Arabieren door Israël wordt vandaag afgeschilderd als een of ander bijzonder verdorven en uniek kwaad in de geschiedenis. Men krijgt de indruk dat Israël, door tijdens de oorlog het besluit te nemen om Palestijnse Arabieren te verdrijven, een grens overschreed die naties nooit zouden mogen overschrijden. ( . . .) Over de hele wereld vonden al decennia lang bevolkings-overdrachten en verdrijvingen plaats voordat Israël zijn toevlucht nam tot dezelfde tactiek als een laatste redmiddel tijdens oorlog.”

De leugen dat die verdrijving een uniek kwaad is geweest waaraan alleen de Joden zich schuldig maakten, is nog eens aangedikt door de mythe de wereld in te helpen dat de Joden volgens een vooropgezet plan te werk gingen. Zo zijn de antisemieten weer helemaal thuis: de Joden smeden immers altijd plannen om de wereld via complotten en massamoord te onderwerpen.

Hoe is die mythe van een vooropgezet plan van “de Joden” concreet in de wereld gekomen? Van Arabische kant, zegt Lewis, dook meteen na 1948 lasterlijke “geschiedschrijving” op waarin dat beweerd werd. Vervolgens werd door die laster van de “linkse” rebellenclub van de “nieuwe historici” — de al meermalen genoemde bronnen-vervalsers die door Efraim Karsh aan de kaak zijn gesteld — in de jaren 1960 en 1970 nieuw leven is ingeblazen. En vervolgens gingen “anti-zionistische” websites als “Palestine Remembered” op grond daarvan gretig zionisten citeren die zich hebben uitgelaten pro etnische zuivering.

Die uitlatingen door zionisten zijn inderdaad gedaan, maar de kwestie is, zegt Lewis, dat er net zoveel en net zo zwaarwegende uitingen te citeren zijn van zionistische leiders die zich tégen etnische zuivering uitspraken. En er zijn zelfs voorbeelden aan te halen van dezelfde zionisten die zich, op verschillende tijden in de loop van de ontwikkelingen in Palestina, zowel tegen als voor etnische zuivering hebben uitgesproken. Toen de zogenaamde “Arabische Opstand” van 1936 -1939 woedde, werd de stemming onder de zionisten sterker pro-bevolkings-transfers — dus vreedzaam ‘gelijk oversteken’ — wat dus nog echt iets anders is dan etnische-schoonmaak-in-oorlogstijd. Dat transfer-standpunt was niet zo raar als je bedenkt dat ook de Commissie Peel al in 1937 tot de conclusie kwam — en dat met instemming van een flink deel van de internationale gemeenschap — dat opdeling van die overgebleven 30% van het Mandaat nodig zou zijn en uitwisseling van bevolkingsgroepen noodzakelijk. Dit gedeelte uit een toespraak van Ben Goerion van augustus 1937 is in ditzelfde hoofdstuk al een keer geciteerd, maar we doen het nogmaals:

“Geen Joodse staat, klein of groot, in een deel van het land of in het hele land, zal [waarlijk] gevestigd zijn zolang als het land van de profeten niet getuige is van de verwerkelijking van de grote en eeuwige morele idealen die generaties lang gekoesterd zijn in onze harten: één wet voor alle inwoners, rechtvaardig bestuur, liefde voor je naaste, waarachtige gelijkheid. De Joodse staat zal een rolmodel voor de wereld zijn in zijn behandeling van minderheden en leden van andere naties. Wet en rechtvaardigheid zullen zegevieren in onze staat, en een stevige hand zal alle kwaad uitroeien binnen onze rijen. Dit uitroeien van het kwaad zal geen onderscheid maken tussen Joden en niet-Joden. Net zoals een Arabische politieman die Arabische geweldplegers helpt streng gestraft zal worden, zo zal een Joodse politieman die een Arabier niet beschermt tegen Joodse vandalen streng gestraft worden.”

En deze uitspraak van Ben Goerion, gedaan op 16 mei 1948, toen Israël rwee dagen oud was, op de radio uitgezonden het Hebreeuws en Arabisch, citeren we nu ook voor de tweede keer in dit hoofdstuk:

“Hoewel wij tot een woeste oorlog zijn gedwongen, behoren wij niet te vergeten, dat binnen onze grenzen leden van het Arabische volk de rechten behoren te genieten van burgers en dat de meesten deze oorlog haten. Wij moeten hun rechten op een gelijk niveau handhaven met die van alle burgers. Wij zien uit naar vrede en strekken onze hand uit om hun medewerking te verkrijgen bij het opbouwen van ons vaderland. Burgers, laat ons de integriteit van ons jonge vaderland handhaven.”

Vooral Ben Goerion zelf, zo mag men concluderen, was tot op zijn laatst tegen etnische zuivering en juist voor samenwerken met goedwillende Arabieren.

Ook Lewis zegt, zoals ook ik al sinds 2010 betoog, dat de terreur van een deel van de Palestijnse Arabieren de oorzaak is geweest voor uitspraken ten gunste van etnische zuivering door zionisten. Hij geeft ook een opsomming van Arabische terreurdaden door de tijd.

Lewis wijst vervolgens op bevolkings-transfers die in de vrij recente geschiedenis overal in Europa zijn uitgevoerd. Bulgaren en Turken (1913); Grieken en Turken (1923); Grieken en Bulgaren (1930); Duitsers uit Oost- en Zuidoost-Europa na 1945; Pakistan en India in 1945; Sovjet Unie en Tsjecho-Slowakije; Sovjet Unie en Polen; Tsjecho-Slowakije en Hongarije: Italië en Duitsland; Joegoslavië en Hongarije; Denemarken en Duitsland. Het was, zegt Lewis, een geaccepteerde methode om etnische spanningen te voorkomen en op te lossen. Ook voor Palestina waren er — volgens “A Historical Survey of Proposals to Transfer Arabs from Palestine, 1895 – 1947” van Chaim Simons — internationaal allang stemmen opgegaan om de Arabieren van Palestina te herhuisvesten in Syrië, Irak of Jordanië en ze te compenseren met geld en praktische hulp ter plekke, bijvoorbeeld te betalen door de Joden of in ruil voor het vertrek van alle Joden uit Arabische landen en dan met achterlating van al hun bezittingen. Dat laatste gebeurde na 1948 overigens tóch: zo’n 800.000 Joden werden verdreven met alleen de kleren die ze aanhadden.

Zelfs “nieuwe historicus” Benny Morris meende dat achteraf gezien de fatale fout van Ben Goerion is geweest dat hij niet alle Arabieren naar de andere kant van de Jordaan heeft gejaagd. Lewis citeert tenslotte twee specialisten die waarschuwen tegen het laten broeien van minderhedenproblemen in het algemeen. En het zou een ernstige waarschuwing moeten zijn voor de linkse dwazen die denken dat er probleemloos nóg meer islam naar Europa geïmporteerd kan worden.

VdH sluit dit laatste hoofdstuk af met — tsja, wat is het? — humanitaire filosofie. Of zoiets. Het moet, zegt VdH, in de humanistiek altijd gaan over het individu:

“Zes miljoen doden, Shoah, volkerenmoord, het zijn ongrijpbare grootheden. Eén verhaal daarentegen – Anne Frank, Elie Wiesel, Primo Levi – begrijpen we. Een dergelijk begrip spoort met het humanistische principe: dat het uiteindelijk altijd om individuen gaat, niet om het collectief, en dat het verkeerd loopt als met dat principe geschipperd wordt. Vandaar ook dat het verhaal van het Arabische meisje uit de Negev-woestijn niet alleen aangrijpend maar ook belangrijk is. Het onthult het systeem.”

Als VdH dat allemaal vindt, dan zou ik hem aanraden, niet van één gruwelijke moord kort te sluiten naar het “systeem” van het zionisme en dan zou ik me eens afvragen waarom “de Palestijnen” met al hun terreur wél recht hebben op collectivisme en wel zodanig dat ze al 100 jaar de Joden willen verdrijven en vermoorden en tot op heden de eis is dat ze Samaria-Judea (“de Westbank”) Judenrein opgeleverd krijgen.

Waarna VdH overgaat naar de vraag of een kleiner kwaad een groter goed kan rechtvaardigen. “Bij terugkomst van een bezoek aan de Sovjet-Unie deden de Engelse socialisten Sidney en Beatrice Webb in de jaren dertig van de twintigste eeuw de onvergetelijke uitspraak dat het onmogelijk is een omelet te bakken zonder eieren te breken.”

En mag je nou, vraagt VdH, de “Nakba” — (de “Ramp” dus, zoals de Arabische wereld het ontstaan van Israël met een hoofdletter noemt) — zien als het kleinere kwaad dat een toevluchtsoord creëerde voor de slachtoffers van de Holocaust en eventueel ook voor de Joden in de huidige diaspora, als het weer mis mocht gaan? VdH snapt dat gevoel helemaal, maar “zo luidt de direct hierop onvermijdelijke vraag: wat hebben de Palestijnen daarmee te maken?.

Ik zou zeggen: volgens de universele individualistische principes die Vdh graag uitdraagt, hebben “de Palestijnen” daar álles mee te maken, vooral omdat de Joden in Palestina niet kwamen halen, roven of parasiteren, maar welvaart, humaniteit, gezondheidszorg en onderwijs brachten. Een fatsoenlijk rechtssysteem en veiligheid hadden ze ook vanaf het begin kunnen brengen. Maar dat is moeilijk onder terreur.

14) Biden is qua Israël erger dan Obama

Commentatoren wereldwijd hadden uiteraard al ruim van tevoren voorspeld dat een verkiezing van Joe Biden en running mate Kamela Harris een ramp voor Israël zou betekenen en een einde aan het succesvolle realisme van de politiek van Donald Trump in het Midden-Oosten. Maar na Bidens “eerste 100 dagen” waarna traditioneel een eerste evaluatie van een nieuw presidentschap wordt gegeven, waren de signalen die het Biden-presidentschap afgaf nog veel ongunstiger dan verwacht. Het werd door Melanie Phillips op 29 april 2021 kernachtig samengevat:

“Er is al veel bezorgdheid geuit over de verzoenende houding van president Joe Biden ten opzichte van Iran, samen met andere maatregelen, zoals zijn intrekking van de steun voor Saoedi-Arabië en zijn beslissing om uit Afghanistan weg te vluchten. Dit heeft een paar van de gevaarlijkste plaatsen ter wereld nog gevaarlijkere gemaakt. Tot nu toe was het mogelijk te geloven dat Bidens regering slechts hopeloos naïef was ( . . .) of vol waanvoorstellingen zat als gevolg van haar utopisch-progressieve ideologie, en dat Israël toevallig bijzonder kwetsbaar was voor het bijpassende stompzinnige geblunder in het Midden-Oosten. Nu zijn er echter aanwijzingen dat de regering wordt gedreven door daadwerkelijke boosaardigheid jegens zowel Israël als het zionisme zelf, waardoor ze qua schandaligheid en smerigheid een nog lager niveau bereikt dan dat van de vijandige minachting van Obama. Die aanwijzingen houden verband met de beruchte VN-Wereldconferentie tegen Racisme, Rassendiscriminatie, Vreemdelingenhaat en Aanverwante Onverdraagzaamheid in 2001, die een paar dagen voor de aanslagen van 11 september in Durban, Zuid-Afrika, werd gehouden. Dit was een verbijsterend anti-Israël en anti-joden haatfeest, waarvan het enige doel was om Israël te demoniseren en te delegitimeren onder de Orwelliaanse vlag van “mensenrechten”, en dat uitbarstte in openlijk nazi-gerelateerd antisemitisme.”

Onder de deelnemers aan de VN-conferentie van Durban van augustus 2001 werden de “Protocollen van de Wijzen van Zion” uitgedeeld, de beruchte eind-19e eeuwse vervalsing van de tsaristische geheime dienst die een zondenbok zocht voor de deplorabele toestand waarin Rusland zich bevond. Er was ter conferentie waardering voor Hitler en uiteraard de beschuldiging van “Apartheid” en genocide door Israël op “de Palestijnen”. Het joodse informatiecentrum in Durban werd gesloten vanwege bedreigingen. In de slotverklaring werd uitsluitend Israël aangewezen als de enige schuldige aan álle vormen van racistisch geweld in de wereld. In 2011 organiseerden de Verenigde Nazi’s een bijeenkomst om de 10-jarige verjaardag van “Durban” te vieren. Maar de regering Obama boycotte dat feestje samen met nog 13 andere landen onder het motto dat Amerika geen zin had 10 jaar officiële internationale Jodenhaat te vieren. Dat was netjes van Israëlhater Obama, die men, zo voeg ik toe, misschien niet zozeer uit innerlijke overtuiging handelde dan wel omdat de tijden nog niet rijp waren voor Amerika om openlijk antisemitisch te worden. De racistische woke-ideologie van Black Lives Matter was door de Democrats in 2011 nog niet volledig omarmd, maar op de golven van Trump-haat tijdens diens ambtsperiode van 2017-2021 werden de tijden steeds rijper voor dit racisme.

Inderdaad zijn er aanwijzingen dat in de regering Biden-Harris de regressief-linkse extremisten die ruimschoots in de staf zijn vertegenwoordigd de geest van deze puur racistische Durban-conferentie van 2001 aan het aanroepen zijn. Er bestaat een “US Mission to International Organizations in Geneva” en een tak daarvan is blijkbaar, nadat daaraan onder Trump een einde was gekomen, weer actief geworden in “Human Rights Watch”, een in Amerika gevestigde NGO, die grotendeel gefinancierd wordt door de omstreden miljardair George Soros en zich vooral erg Israël-kritisch betoont.  De “Assistant Secretary of State for Democracy, Human Rights and Labor” Lisa Peterson heeft blijkbaar in maart 2021 een speech gehouden waarin werd opgeroepen de racistische geest van Durban 2001 weer op te roepen:

Recalling the twentieth anniversary of the adoption of the Durban Declaration and Program of Action, we are committed to working within our nations and with the international community to address and combat racism, racial discrimination, xenophobia, and related intolerance.”

Omwille van de authenticiteit laten we dit maar eens onvertaald.

Gezien de speech van deze mevrouw Peterson is er blijkbaar een reële kans, aldus Phillips, dat de regering Biden besluit om komende september de vergadering van de Verenigde Nazi’s bij te wonen waarop de geest van Durban gevierd gaat worden. En dat betekent dat het Amerika van Biden moreel totaal van het padje is en wellicht de rest van het westen gaat meeslepen. Inderdaad staan alle seinen op rood. Biden heeft openlijk verklaard dat “de meest dodelijke terroristische dreiging jegens ons thuisland [Amerika] komt van het witte supremacistische terrorisme”. En Israël, ondanks al die licht- tot donkergetinte joden in dat land, valt in de woke-ideologie onder die “witte” supremacistische dreiging. Als we daarbij optellen de liefdesverklaring die Biden al voor de verkiezingen afgaf aan de moslims van Amerika teneinde hun stemmen te winnen, voorspelt dat weinig goeds voor Israël.

15) Concluderende Epiloog

1) Polarisatie

Dit boek is geschreven langs twee lijnen: de ene is het verhaal van Israël zoals ik, verdediger van Israël, denk dat het verteld moet worden en de andere lijn wordt gevormd door mijn kritische behandeling van de Israëlhaters. Zowel bij het vertellen van mijn eigen Israël-verhaal alsook bij de filering van mijn tegenstanders bedien ik mij van hulptroepen, schrijvers van wie ik vind dat ze degelijke geschiedschrijving plegen. Mijn aanpak weerspiegelt een algemene culturele tendens: de polarisatie tussen “links” en “rechts”. Die begrippen worden weliswaar steeds diffuser en verschuiven ten opzichte van elkaar, maar de polarisatie is er niet minder om en bij de kwestie “Israël-en-de Palestijnen zijn de tegenstellingen zelfs extreem.

Ik zal eerst even in het kort vertellen wat het verhaal van Israël volgens mij moet zijn en vervolgens zal ik ingaan op de critici van Israël die ik in dit boek heb behandeld. Tenslotte zal ik nog ingaan op het internationaal recht en het feit dat Israël op grond daarvan, maar ook op morele gronden, de meest legitieme natie is die de wereld ooit gezien heeft.

2) Mijn Israël-verhaal

De Joden hadden en hebben een moreel recht zich in Samaria-Judea te vestigen omdat ze er al duizenden jaren woonden en het land Palestina in de diaspora vele eeuwen lang een centrale mythe voor de Joden bleef. Omdat de Joodse immigratie vanaf 1880 een eind maakte aan een wrede koloniale bezetting door Arabieren en Turken die in 638 na Christus begon en 1300 jaar lang duurde. Omdat ze vanaf 1880 in een leeg en desolaat land vol woeste gronden een maatschappij-orde brachten die in alle opzichten volstrekt superieur was aan het wrede en irrationalistische islamitische feodalisme dat er heerste. Omdat dit morele recht geformaliseerd is in het Verdrag van San Remo van 25 april 1920 tot een volkenrechtelijk recht. Omdat het oorlogsrecht gedurende de hele periode van 1921 tot op heden dat morele en volkenrechtelijke recht versterkt heeft, namelijk het recht van de Joden om zich te vestigen in het hele gebied tussen de Jordaan en de Middellandse Zee: “From the river to the sea”.

Die versterking door het oorlogsrecht betreft concreet: de terreur die vanaf 1921 op islamitische grondslag door de Arabieren werd gepleegd onder leiding van de Moefti van Jeruzalem, Amin al-Husseini. Vanaf 1936 oefende de Moefti die terreur uit met behulp van Hitler en de verdere nazi top. Die terreur had genocide op de Joden tot doel, net als de aanval op 14 mei 1948 op de zojuist uitgeroepen Joodse staat door de legers van vijf Arabische staten.

Jordanië annexeerde na deze oorlog Samaria-Judea (“de Westbank”), verdreef alle Joden, vernielde synagoges en Joodse begraafplaatsen en hield dit gebied tot 1967 illegaal bezet. In de opnieuw genocidaal bedoelde aanvalsoorlog van 1967 werd net als in 1948 opnieuw Samaria-Judea als springplank gebruikt door de Jordaniërs. Dat gaf Israël inernationaalrechtelijk het recht om Samaria-Judea te annexeren. Maar dat deden de Israëli’s niet: ze boden een genereuze vrede aan, waarbij ze alleen kleine stukjes gebied eisten die tegen de Groene Bestandslijn (“grens”) van 1948 aan liggen en die essentieel zijn voor de verdediging van Israël. Dat weigerden de Arabische landen via het drie keer nee van Khartoem: geen onderhandelingen, geen erkenning, geen vrede. Aldus dwóngen de Arabieren Israël dus om het bestuur van Samaria-Judea op zich te nemen. En dat noemde de internationale politiek en het internationale journaille vervolgens “bezetting”.

Na 1967 stegen aanvankelijk welvaart en welzijn voor de Palestijnse Arabieren in Samaria-Judea sterk door het zogenaamde “open-bruggen-beleid” met Jordanië, maar omdat de Israëlische autoriteiten geen paal en perk stelden aan de vijandige propaganda van Arafat en PLO-Fatah in dat gebied kreeg het terrorisme steeds meer vrij spel en eindigde die periode van voorspoed begin jaren 1970.

Het was toeval dat in de derde aanvalsoorlog van de Arabieren van 1973, de Yom Kippoer-oorlog, Samaria-Judea niet voor de derde maal als springplank werd gebruikt: koning Hoessein wilde wel maar durfde niet omdat hij bang was voor zijn eigen “Palestijnen”. Deze derde aanval versterkte nogmaals — (rechten van San Remo, terreur vanaf 1920, aanvalsoorlog van 1948, illegale bezetting door Jordanië 1948-1967, aanvalsoorlog 1967) — het recht van Israël om dit gebied te annexeren. Dat deed Israël niet, maar stond wel toe dat Joden nederzettingen bouwden in dat gebied. Maar zelfs dat gaf al een enorme internationale heissa onder de kreet “bezetting!”. Die leugenterm wordt al 50 jaar door de hele internationale pers gebruikt.

De verdragen van Oslo van 1993 zijn vanaf het begin door Arafat gesaboteerd en zelfs de steeds genereuzer wordende nieuwe vredesaanbiedingen zijn tot op heden consequent afgewezen door de Palmaffia’s. De Palmaffiabazen zijn geen van allen in staat een compromis met Israël te sluiten: ze hebben hun bevolkingen doordrenkt met Jodenhaat en elke serieuze poging van zo’n leider om werkelijke vrede met Israël te sluiten zou hem zijn leven kosten. De Palmaffia’s berijden een tijger die ze dagelijks met bloeddorst voeden en ze kunnen er nooit meer vanaf.

De stichting van Israël werd mogelijk gemaakt door de Volkenbond via de Resolutie van San Remo van 25 april 1920. De Volkenbond had tot die stichting internationaalrechtelijk het recht omdat dit vrijwillig was afgesproken door de naties van de wereld. Maar de feitelijke stichting van Israël vond plaats door een unilaterale daad van zelfbevestiging en doordat Israël zich wist te handhaven als staat en zijn grondgebied wist te verdedigen en besturen. Meer is internationaalrechtelijk niet nodig.

San Remo blijft van belang als legitimatie van het recht van de Joden om zich óók te vestigen in Samaria-Judea, alias “de Westbank”. Want internationaalrechtelijk erft een nieuwe machthebber, Israël, automatisch de grenzen van het grondgebied van de oude machthebber, in dit geval Mandaats-Engeland. Dat laatste recht , vestiging van de Joden in Samaria-Judea, is — ik zeg het nogmaals – versterkt door het oorlogsrecht, met name door de aanvallen die via dat gebied gepleegd zijn op “klein-Israël”, in 1948 en 1967 en slechts door toeval niet in 1973 en wel zodanig dat Israël het volste recht zou hebben Samaria-Judea te annexeren. Al wat de Verenigde Naties en haar verdere organen te berde hebben gebracht is een mening, maar heeft verder geen rechtskracht omdat zulks volgens het eigen Charter van de VN zo is.

Chris van der Heijden brengt op zijn eigen verwarde manier het verband tussen het recht van bestaan van Israël en de Holocaust ter sprake. Wat mij betreft had het besef van dat verband tussen die twee zaken er al mogen zijn vanaf de dag dat de omvang van de Holocaust niet meer te ontkennen viel. Bij de Joden in Europa en Palestina was dat besef er natuurlijk op een existentieel niveau, maar de verdere wereld had wel iets eerder mogen erkennen dat de Holocaust in laatste instantie de fundamentele rechtvaardiging van “Israël” vormt. Niet de rechtvaardiging van Israël als met de wereld samenwerkende en concurrerende vrije natie tussen andere vrije naties — dát Israël heeft sowieso recht van bestaan — maar van Israël alsnoodzaak. Dat Israël als noodzaak is de consequentie van het Kwaad van de eeuwenlange Jodenhaat die nu zelfs niet meer alleen maar “staatszaak” is, zoals onder Hitler, maar is belichaamd in een internationale ”religie” genaamd de islam, die door regressief-links in toenemende mate als bondgenoot wordt gebruikt om de westerse cultuur te vernietigen

3) Het Israël-verhaal van de “anti-zionisten”

a) Apartheid.

De “anti-zionisten” hebben een aantal favoriete lasterleugens richting Israël. Een zeer geliefde is “Apartheid”. Mark Lewis is zeker niet de enige die deze beschuldiging ontzenuwd heeft, maar hij doet het wel grondig. Hij stelt allereerst vast dat onder de Apartheid in Zuid-Afrika de mensen-van-kleur geen enkel burgerrecht bezaten en Arabieren in Israël alle burgerrechten. In Israël staat in de grondwet dat iedereen “ongeacht religie, ras of geslacht” gelijke rechten heeft. En Lewis somt die rechten op. Je mag in Israël moslim zijn, maar in de meeste moslimlanden is elke andere godsdienst verboden. En Jood mag je al helemaal niet zijn. In veel islamitisch landen kom je niet eens binnen als je een stempel van de grenscontrole van Israël in je paspoort hebt. En ja, Israël is een Joodse staat: dat komt omdat Israël zowel door de Volkenbond als door de VN bedóéld was als Joodse staat. In dat VN-delingsplan van 1948 werd Israël een Joodse staat genoemd en als het Arabische deel Arabische staat. Zo heb je in de wereld islamitische, katholieke, Hindoeïstische en Boeddhistische naties. Ja, er staat een ster van David in de Israëlische vlag. Maar ga vooral eens kijken waarmee de vlaggen van sommige islamitische landen zijn getooid. Wel eens het kruis opgemerkt in de vlag van sommige christelijke landen? Ja, de “Wet op de Terugkeer” geldt alleen voor Joden maar ook niet-Joden kunnen in voorkomende gevallen zich in Israël vestigen via een proces dat normaal is in alle beschaafde landen. Essentieel is dat de “Wet op de Terugkeer” niet onderling discrimineert tussen de inwoners van Israël. Er is een groot aantal landen dat, net als Israël die voorkeur voor “eigen mensen” in hun wetten hebben opgenomen.Een grondwet voor de Palestijnse Staat die de uitkomst had kunnen zijn van de Oslo-Akkoorden als Arafat die niet had gesaboteerd.

b) Ari Shavit.

Met zijn demonisering van het zionisme heeft Ari Shavit een enorme invloed gehad op vooral linkse joden in Amerika. Shavits “Mijn Beloofde Land” (2013) was een New-York Times bestseller en is in vele talen vertaald.

Het demoniseren van “Israël, meer specifiek van de Joden in de oorlog van 1948, is in zwang gekomen door de “nieuwe historici” (Benny Morris, Avi Shlaim, Illan Papé) een school die ontstond in het kader van de linkse beweging die vanaf de jaren 1970 het westen verantwoordelijk begon te houden voor al het kwaad en onderdrukking in de wereld: imperialisme, twee wereldoorlogen, Holocaust, neokolonialisme. Israël ging gelden als een neokoloniale macht en “de Palestijnen” werden tot onderdeel verklaard van de uitgebuite en onderdrukte “Derde Wereld”. Shavit beroept zich nauwelijks ergens expliciet op deze “nieuwe historici” maar zeker is dat, als deze school de geesten niet had rijp gemaakt, Shavits kritiek op het zionisme niet zo sterk weerklank zou hebben gevonden.

Efraim Karsh heeft overigens aangetoond dat deze “nieuwe historici” regelmatig via bronnenvervalsing een beeld van het Israëlische leger schilderden als een etnisch zuiverende moordmachine. Zelf heeft Karsh een fundamentele studie geschreven (“Palestine Betrayed”) die bewees dat etnische zuivering slechts bij hoge uitzondering door de Israëlische troepen werd toegepast en dan nog alleen als het optrekkende leger zich niet kon veroorloven een vijandige bevolking in de rug achter te laten.

Het oervoorbeeld van een verzonnen massaslachting door Joden is Deir Yassin. Mark Lewis zegt het treffend:
“Critici van Israël hebben er alles aan gedaan om de aanval op Deir Yassin af te schilderen als een schoolvoorbeeld van een bloedbad waarover geen discussie mogelijk is. Anti-Israëlische auteurs zullen je doen geloven dat de Joden een vredig burgerdorp binnen stormden, de inwoners op een rijtje zetten en systematisch ongewapende mannen, vrouwen en kinderen met machinegeweren begonnen te executeren.” En vervolgens toont Lewis aan dat het allemaal berust op gruwelsprookjes en ook Deir Yassin zo’n gebeurtenis was die in elke oorlog voorkomt en die opgeblazen werd omdat er Joden beschuldigd konden worden.

Ari Shavit probeert in zijn boek zijn eigen “Deir Yassin” te creëren door een enorm nummer te maken van de gebeurtenissen in het stadje Lydda in 1948: “In dertig minuten, tegen het middaguur, worden meer dan tweehonderd burgers gedood.Het Zionisme richt een bloedbad aan in de stad Lydda.“ Onzin! Shavits betoog wordt fundamenteel onderuit gehaald door vooral Martin Kramer en ook door Efraim Karsh.

Het boek van Shavit heb ik besproken in evenzovele on-line-analyses als zijn boek hoofdstukken telt: zeventien. Maar nu beperk ik me tot de essentie die ik uit die analyses gepuurd heb. Naar eigen zeggen wordt Shavit gedreven door de angst dat de Arabieren de Joden alsnog een keer zullen vermassamoorden casu quo in zee zullen drijven. Shavits boek bestaat vooral uit een lawine aan paren tegenstellingen die hij nergens oplost. Het is een voortdurend enerzijds-anderzijds, goed-slecht, vol sociale, morele en psychologische duo-kwalificaties van het zionisme. Door dat dualisme lijkt het boek diepzinnig, genuanceerd en een adequate beschrijving van het nu eenmaal complexe en tragische lot van de Joden en Israël: meer dingen zijn tegelijk waar! Maar. Daardoor wordt de grondtoon gemaskeerd en die grondtoon luidt: de Joden zijn schuldig, het zionisme deugt niet! Daarbij toont Shavit erg veel begrip voor “de Palestijnen” en komt de grote waarheid van “de Palestijnse kwestie” in zijn boek nergens naar voren, namelijk dat de Palmaffia’s de terreur 100 jaar geleden zijn begonnen en er nooit meer mee zijn opgehouden.

c) Chris van der Heijden

Chris van der Heijden had met zijn “Israël — een onherstelbare vergissing” (2008) in Nederland grote invloed: zijn pamflet kende drie drukken, hij verscheen in talkshows en zijn boekje lag indertijd prominent bij de AKO’s op de spoorwegstations naast de kassa als meenemertje. Ik heb de indruk dat vooral VdH’s boekje het demoniseren van Israël in Nederland endgültig salonfähig heeft gemaakt.

Lijkt Ari Shavit een verbose praalhans die oprecht in de war is, Chris van der Heijden schreef simpelweg een gluiperig rotboek. Je zou zeggen dat juist een kind van NSB-ouders — en dat is VdH — weg dient te blijven van de demonisering van Israël. Maar alles is bij hem precies dáárop gericht. De grote lijnen in zijn boek zijn: Israël is een ramp die niet had mogen gebeuren en het enige wat er nu nog op zit is “de Palestijnen” — hij bedoelt dus de Palmaffia’s die hun eigen bevolkingen in Samaria-Judea en Gaza gijzelen en met Jodenhaat doordrenken — nóg veel meer geld te geven ter compensatie. Immers: Israël is een vergissing, maar een onherstelbare. Het nationalistische victimisme van de Palmaffia’s zal nooit ophouden, constateerde VdH verlekkerd — het water zal de rots verbrijzelen! — en hij vindt dus dat het parasitisme van de Palmaffia’s een extra boost verdient. Al decennia pompen Europa en Amerika miljarden over in de zakken van Arafat, Abbas en Hamas. Dat geld gaat voor een flink deel naar de bankrekeningen van de Palmaffiosi in Zwitserland en gaat op aan directe luxe voor deze terroristen. Een deel gaat naar leeflonen voor de families van omgekomen of gevangen zittende terroristen. Een deel gaat naar raketten, ander wapentuig en terreur-tunnelsdie onder de grenstussen Israël en Gaza door gegraven worden. Die tunnels worden ook naar Egypte gegraven en dienen voor de lucratieve smokkel van de Palmaffia-bazen. Iets productiefs hebben ze nog nooit met al die miljarden gedaan. Maar die miljarden die de Palmaffia’s al hebben ontvangen wil VdH nog met vele miljarden vermeerderen en dat noemt hij dan herstelbetalingen voor het door de Israëli’s aangerichte leed bij “de Palestijnen”.

VdH beroept zich telkens expliciet op de “nieuwe historici”, van wie Efraim Karsh bewezen heeft dat ze bronnen vervalsen om Israël te demoniseren en die, net als VdH, hun best doen Israël zoveel mogelijk massamoord aan te wrijven. De massaslachtings-trefwoorden bij VdH zijn “Tantura” en “Balad al-Shayk”. Maar ik hoop dat ik overtuigend heb aangetoond dat ook die beschuldigingen loos zijn. Net zoals Karsh heeft aangetoond dat massaslachtingen door Joden totaal niet hebben plaatsgevonden en alle verdrijvingen van Palestijnse Arabieren slechts gebeurden als het optrekkende Israëlische leger geen grote groepen vijandige bevolking in de rug kon achterlaten.

VdH doet alsof de stichting van Israël zo’n beetje de grootste van alle na-oorlogse catastrofes is geweest en dat het onrechtmatige bestaan van Israël er nog eens voor gaat zorgen dat er een nieuwe wereldbrand zal ontstaan. VdH is geen antisemiet, hij constateert slechts dat Israël een wereldprobleem is, waarvan we allemaal last hebben. Dus ongeveer zoals de nazi’s vonden dat de wereld beter af zou zijn zónder joden. Zo’n wereldbrand zou dus volgens VdH niet voortkomen uit de onverzoenlijke terreur van de Palmaffia’s en de steun daarvoor vanuit regressief-links in het westen en uiteraard vanuit de islamitische wereld. VdH vertelt ons dat Israël bijna net zo’n grote racistisch-extremistisch-nationalistische ontsporing vormt als nazi-Duitsland ooit was. Maar hij geeft er totaal geen blijk van ook maar een spoortje daarvan waar te nemen bij de Palmaffia’s of in de verdere islamitische wereld. Wel probeert hij via vergezochte “verbanden” te suggereren dat er tussen het zionisme en het nazisme “wederzijdse sympathieënzouden hebben bestaan.

Een voornaam trefwoord bij het begrijpen van de tekst van VdH luidt: toeval. De Holocaust was min of meer toevallig omdat het door die bizarre Hitler staatszaak werd. Dus als al die internationale politici nou eens beseft hadden dat zoiets nooit meer zou gebeuren, zo suggereert VdH, dan had die Holocaust een beetje gerelativeerd kunnen worden en had de verschrikkelijke stichting van Israël niet hoeven plaats vinden.

Verder is de teneur: door het schuldbewustzijn over de Holocaust zijn de joden in Israël met veel onwil om mee te werken weg kunnen komen. Maar we krijgen ze gelukkig steeds beter in de gaten. Dit is totale kolder. Israël heeft een geschiedenis van honderd jaar pogingen tot compromis achter de rug en de Palmaffia’s honderd jaar van rejectionisme. De terreur is in 1920 begonnen door de Moefti cum suis en wordt tot op de dag vandaag voortgezet door Abbas en Hamas.

VdH presteert het ook om van het voortdurende aannemen van anti-Israël-resoluties in de VN een karakterfout te maken van Israël, de Jood onder de naties. Bij hem hoor je niets over het feit dat de OIC, de Organisation of the Islamic Cooperation met 56 landen in de VN vertegenwoordigd, middels oliegeld telkens Derde Wereldlanden zover krijgt dat ze mee stemmen tegen Israël. Die kongsi is de oorzaak dat al die resoluties aangenomen worden. Na 100 jaar terreur van de Palmaffia’s, drie genocidaal bedoelde oorlogen — 1948, 1967, 1973 — en een stuk of tien genereuze vredesvoorstellen die allemaal afgeslagen zijn door diezelfde Palmaffia’s vindt VdH echter dat de schuld bij Israël ligt omdat Israël de zelfmoord-resoluties niet uitvoert waarin geëist wordt dat Israël zich achter onverdedigbare grenzen terugtrekt en na Gaza ook “de Westbank” laat veranderen in een raket-lanceer-installatie. Israël komt volgens VdH met alles weg door de steun van Amerika en het Holocaust-complex van het Westen. En herhaaldelijk is er bij VdH de suggestie dat de joden achter de schermen over de hele wereld aan alle touwtjes trekken.

VdH kletst overigens uitermate verward over de vraag in hoeverre het westers schuldgevoel bijgedragen heeft aan de stichting van Israël. Het is niet waar, zegt VdH, dat de zionisten de Holocaust vanaf het begin “voor propagandadoeleinden ingezet hebben” en het is ook niet waar, zegt hij, dat “de staat Israël het resultaat is van een westers schuldgevoel” over die Holocaust. Immers: “De belofte van een joodse staat dateert immers van lang voor de Shoah. Bovendien speelde de Shoah tot de jaren zestig ook in het publieke debat van het Westen nauwelijks een rol.” Hoe hebben we het nu? VdH suggereert voortdurend dat op zijn minst het gedeeltelijk gedogen van de eenmaal begonnen migratie van de Joden naar Israël voortkomt uit Westers schuldgevoel over de vervolging van de Joden in Europa en de Holocaust, maar hij ontkent het hier tegelijk expliciet. Zullen we die verwardheid maar wijten aan het therapeutisch karakter van zijn tekst?

Steeds weer legt VdH de schuld van het gevaar dat een grote oorlog zal ontstaan door het blote bestaan van Israël. Maar de werkelijke reden is natuurlijk dat de de islamitische wereld dat Palestijnen-gedoe bewust heeft opgeblazen tot het allerbelangrijkste in de wereld, onder andere door via de UNRWA het vluchtelingenprobleem niet alleen in stand te houden maar zelfs nog te verergeren, door idioterwijs elke nieuwe generatie als “vluchteling” te boek te stellen. Intussen waren de Palestijnse Arabieren in Israël welvarend en vrij en werden die in de Arabische landen zwaar onderdrukt.

VdH verheugde zich in 2008 nog dat Israël ten onder zou gaan aan de demografie. Hij voorzag een veel sterkere stijging van het aantal Arabieren in Palestina dan van joden. Maar hij baseerde zich op een frauduleuze telling door de Palmaffia van Abbas. Inmiddels is dat aangetoond en is het duidelijke dat juist het Joodse bevolkingsaandeel veel sterker stijgt.

VdH roept Israël op meer Erasmiaans te gaan denken, voor de Palmaffiaanse wereld heeft hij een dergelijk advies niet. Hinderlijk en hatelijk zijn vooral de veelvuldige constateringen van VdH dat het nog slecht gaat aflopen met die joden daar in Israël en dat de Palmaffia’s op den duur zullen overwinnen.

Naschrift eind mei 2021: Gaza

Onder de titel “Een rest keert weer” kwam in 2014 een film uit van Ruben Gischler die de ervaringen vertelt “van een groep jonge Joodse Nederlanders die na de Tweede Wereldoorlog illegaal en met grote hindernissen naar Palestina reisden”. Cameraman was mijn grote vriend Roelf-Jan Wentholt, die co-auteur was van de oerversie van het opstel uit 2013 dat ten grondslag ligt aan dit boek. Hem trof een vraag gesteld door een van de inmiddels uiteraard zeer bejaarde Joodse overlevers, die met wanhoop en oprechte verwondering in de stem werd gesteld: “Waarom dóét Van Agt dat toch?” Bedoeld was de demonisering door Dries van Agt van Israël en zijn heilig verklaren van “het Palestijnse volk”.

Ja, dat is mij ook een raadsel. Ik heb wel eens gehoord dat het was vanwege de moordpartijen in 1982 op Palestijnse Arabieren in de vluchtelingenkampen Sabra en Shatila vlakbij Beiroet door Libanese falangistische milities. Ariel Sharon, toenmalig Israëlisch bevelhebber, onder wiens oppercommando dit was gebeurd, werd verweten de bloedorgie niet voorkomen te hebben. Maar hoe gruwelijk die slachting ook is geweest: zo’n gebeurtenis kan toch niet voorgoed je ogen sluiten voor de islamitische terreur die dit bloedbad heeft uitgelokt, het structurele nazistische karakter van de islam en de al even structurele terreur door diezelfde islam in de geschiedenis van Palestina in de laatste honderd jaar? (Kijk hier voor mijn online-bijdragen aan de oplossing van het raadsel-Van Agt.)

De in 2018 overleden oer-Arabist Bernard Lewis zei over Sabra en Shatila het volgende:  

 “Soms wordt de vergelijking gemaakt tussen de wereldwijde reactie op het bloedbad van Palestijnen door Libanese christelijke milities in Sabra en Shatila in september 1982, waar ongeveer 800 mensen werden gedood, en het bloedbad eerder in hetzelfde jaar in Hama in Syrië, waar tienduizenden werden gedood.  Naar het laatste geval kraaide geen haan. Het verschil zat natuurlijk in de omstandigheden. In beide gevallen waren de daders Arabisch, maar in het geval van Sabra en Shatila was er een mogelijkheid om de Joden de schuld te geven vanwege de dominante Israëlische aanwezigheid in de regio. In Hama bestond deze mogelijkheid niet, daarom ging de massale slachting van Arabieren door Arabieren onopgemerkt voorbij.”

We kijkluisteren naar het journaal van 19 mei 2021, met AnnechienSteenhuis, die normaal Israël-bashende “reportages” aankondigt van de NOS-correspondent ter plaatse:

“Vandaag op de dag af 77 jaar geleden vertrok een trein met ongeveer 1000 gevangenen uit kamp Westerbork. Ze werden naar concentratiekampen in Duitsland en Polen gedeporteerd. Er werd gefilmd als onderdeel van een documentaire. De beelden zijn onlangs gerestaureerd en geanalyseerd.”

En nou moet u eens naar dat journaal gaan en op 20:50 gaan kijken. Dan krijgt u de ingekleurde beelden te zien van een klein meisje en een klein jongetje, beiden misschien rond de 4 jaar, die per trein afgevoerd worden naar de gaskamers. Ze staan tegen de coupé-ramen aangedrukt. Kijk naar die blikken in die kinderogen. Geen idee hebben ze. Het meisje zwaait naar afscheidnemers. Toen ik de drukproeven van dit boek zat te corrigeren, kwam ik ergens de uitdrukking “de zes miljoen” tegen. En normaal gesproken zie ik dan dat gezicht voor me van die jonge Jodin op de omslag van dit boek, ergens in een veld in de Oekraïne die beseft dat ze door een SS-vuurpeloton zal worden vermoord. Maar nu, na het zien van de gerestaureerde beelden uit Westerbork, zag ik ineens dat zwaaiende meisje. En ik begon geluidloos maar hevig te schreien. Ach ja: ook ruw gebolsterden kunnen sentimentalisten zijn.

We schrijven onderhavige last-minute ingelaste reportage naar aanleiding van 11 dagen in mei waarin Hamas vanuit Gaza meer dan 4000 raketten afvuurde teneinde willekeurige Israëlische burgers te doden, dus ook Palestijnse Arabieren als dat zo uit zou komen. Als u meer wilt weten over dat “conflict” moet u naar een YouTube-filmpje dat heet “The photo which tells all you should know about the Israel-Gaza conflict”.

Okay: het volgende dus in de context van 11 dagen in de meimaand van 2021.

Het voortreffelijke Nederlands-Joodse on-line magazine “Opiniez” publiceert elke woensdag wat de redactie aan waanzin uit de woke-wereld heeft geplukt. Op 26 mei 2021 was er een item bij dat niet alleen waanzinnig maar ook huiveringwekkend was. Onder de kop “Studenten doneren geld om Joden te vermoorden” schreef de redactie met een link naar de betreffende video:

“Journalist Ami Horowitz doet zich op de campus van een universiteit in Portland voor als fondsenwerver van de terreurorganisatie Hamas. Hij vraagt aan de aanwezige studenten of ze bereid zijn te doneren voor een nieuwe 2.0 campagne van Hamas: bomaanslagen plegen op ‘zachte doelen’ zoals ziekenhuizen, scholen, winkelcentra, cafés etc. ‘Next level BD’, BDS-plus’. ‘We willen heel Israël vernietigen’ houdt hij de studenten voor, die allemaal, niet één uitgezonderd, instemmend knikken. Geen verbijstering, geen vragen, maar vooral veel enthousiasme. Dit is Woke Amerika anno 2021. Alle horror voorbij. Studenten doneren geld om Joden te doden. Hoe Woke zijn Nederlandse studenten inmiddels?”

Ik herinner aan de allereerste pagina van het boek dat u nu leest met het citaat van Ayaan Hirsi Ali, namelijk hoe ze tijdens haar islamitische opvoeding werd doordrenkt met Jodenhaat. Hoe het getuigen van Jodenhaat dus behoorde tot de kleine dagelijkse rituelen. In deze meidagen van 2021 klonk, niet voor het eerst, maar massaler en openlijker “Dood aan de Joden!” samen met “Allah-hu-Akbar!” in Amerikaanse steden als Los Angeles en New York en Europese steden als Amsterdam, Oslo, Stockholm, Brussel, Rome, Parijs, Londen, Berlijn. De agressieve schreeuwers waren, zo te zien, voor tachtig procent moslims vermengd met twintig procent regressief-linksen. Dit is het resultaat van de historische lijn die al jarenlang, onder andere door mij, wordt blootgelegd, namelijk die van de convergentie van twee Jodenhaat-tradities, de “christelijke” en de islamitische in de personen van Hitler en Amin al-Husseini, de Moefti van Jeruzalem, waarna de gemengde nazislamitische traditie weelderig bloeide in de islamitische wereld.

Zo’n interview afgenomen op een Amerikaanse campus en die demonstraties overal in het westen zijn tekenen aan de wand. Dat geldt ook voor het feit dat 218 van de 222 Democraten in het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden op 18 mei 2021 stemden voor een resolutie die verbood sancties op te leggen aan terreurorganisatie Hamas en eenzelfde aantal stemde op 20 mei voor een resolutie die verbood om extra anti-raketwapens naar Israël te sturen zolang het Gaza-conflict duurde.

Deze uitslag weerspiegelt het feit dat de Democratic Party steeds sterker in de greep van radicaal-links komt en van dat radicaal-links wordt de kern gevormd door een sterk verbond tussen Black Lives Matter en de georganiseerde islam, waarin Israëlhaat, islamliefde en “Palestinisme” virulent zijn. Dat verbond wordt gepersonifieerd in een aantal congresleden die bekend staan als “the squad” met als voornaamste leden, Ilhan Omar, Alexandria Ocasio-Cortez, Ayanna Pressley, Rashida Tlaib en Corey Bush. Bernie Sanders en Elizabeth Warren (“Pocahontas”) zijn in dit geval de helper whiteys.

De Black Lives Matter-beweging — die op zijn best op leugens over zwarte criminaliteit en blank politieoptreden berust en op zijn slechtst een gewone antisemitische, algemeen-racistische en anti-Amerikaanse terreurbeweging is — begint ook in Nederland voet aan de grond te krijgen onder aanhangers van het pigmentistisch victimisme. Sylvana Simons die u hier kunt zien met een vriendschappelijk handje op de schouder van Jodenhater Dyab Abou Jahjah is op weg het boegbeeld te worden van die alliantie tussen rancuneuze pigmentisten en “Palestinisten”. Ze verscheen in de Tweede Kamer met een PLO-badge op haar jasje en diende een motie in met de strekking: “Koop niet bij Joden”.

Zou zo’n mooi zwart meisje, met haar Nefertete-achtige uitstraling en dure garderobe, ooit wel eens naar kopstukken van Hamas hebben geluisterd? Op 18 mei 2021 zette het IDF een kleine compilatie op YouTube waarin de ene uitzinnige massamoord-en-strotafsnij-uitspraak na de andere wordt gedaan door die Hamas-bazen: “Hamas In Their Own Words”. Van de geschiedenis van Israël weet Simons natuurlijk niks, behalve de lieglasterlijke haatpropaganda van de onheilige alliantie tussen regressief-links en de islam.

Commentary, toonaangevend Joods-Amerikaans tijdschrift dat ik onverkort als “intellectueel” zou willen kwalificeren en door veel Nederlandse cultuurdragers met vrucht gelezen zou kunnen worden, had laatst een podcast onder de kop “Het geweld tegen Joden en de Medeplichtigheid van de Democraten”:

“Straatgeweld tegen Amerikaanse Joden neemt in heel Amerika toe. Het wordt uitgelokt en gedoogd door progressieven binnen het democratische establishment, en de partij doet er niets aan. “

Begrijpt u wat hier staat? En hoe ernstig dat is?

Uit een podcast van Caroline Glick van 27 mei kunnen we leren dat deze Biden-regering fundamenteel vijandig is aan Israël. Alle tekenen wijzen erop dat de Israël-politiek van de regering Biden een voortzetting is van die van Obama, maar dan met nog versterkte Israël-haat. Die versterkte Israëlhaat is mogelijk en voor de partij noodzakelijk geworden door de radicalisering van de achterban van de Democrats in de periode Trump, in casu het bovengenoemd verbond tussen islam en een groot deel van de zwarte bevolking in Amerika. In het Witte Huis mag tegenwoordig de term “Abraham Accords” door de staf niet meer in de mond genomen worden. Tegelijk probeert de Biden-regering via minister van BZ Blinken de deal met Iran, die door Trump was beëindigd opnieuw af te sluiten. Een deal die volgens Blinken “longer and stronger” zou moeten zijn dan die onder Obama was beklonken, indertijd met onder andere een vliegtuig vol cash-geld naar Teheran. Iran was toen al verreweg de grootste aanstichter van islamitische terreur in de wereld en de grootste bedreiger van Israël, niet alleen via Hamas, maar vooral aan Israëls noordgrens in Libanon en Syrië.

De realistische politiek van Trump, waarin Saoedi- Arabië en de Emiraten beschermd werden door een alliantie met Israël tegen Iran en waarin de Palmaffia’s hun eeuwigdurend veto verloren tegen elke reëel compromis, wordt nu losgelaten voor een verbond van Amerika met de grootste terreur-sponsor in de wereld, die door de regering Biden verder op weg wordt geholpen richting atoomwapens. Daarmee dwingt deze Biden-regering Israël om op een gegeven moment de ondergronds productiebases van verrijkt uranium in Iran te nuken. Want Israël kan zich simpelweg existentieel niet veroorloven Iran toe te staan atoomwapens te verwerven. Want deze apocalyptisch-messianistische gekken zullen die gebruiken om Israël te vernietigen.

Behalve dat de Palmaffia’s in Gaza en “op de Westbank” hun destructieve veto terugkrijgen, zijn een paar weken geleden ook de miljoenensubsidies aan de Palmaffia’s door de regering Biden weer hervat, zodat opnieuw al dat geld dat eigenlijk bestemd was voor “wederopbouw” opnieuw in bewapening, in tunnels en in luxe voor de Palmaffia-bazen kan worden gestoken. Caroline Glick vertelde in haar podcast een schrijnend detail. Het drinkwater in Gaza is vervuild omdat het vermengd raakt met rioolwater vanwege het ondeugdelijke buizenstelsel. Vele kilometers kunststof buizen werden Gaza binnengebracht ter verbetering daarvan. En dat is allemaal gebruikt om er raketten van te maken.

 Intussen zullen linkse Joden in Amerika, J-Street, moeten instemmen met steeds meer Israël-bashing als ze goede vrienden willen blijven met de radicalen in de Democratic Party. Een Joodse schrijver als Peter Binard stelt openlijk in de New York Times dat de staat Israël moet ophouden te bestaan als Joods staat. Dit is antisemitisme: namelijk het uitzonderen van de Joden. Dit geluid kennen we ook in Nederland uit de kringen: linkse Joden hebben de afgelopen decennia hard gewerkt om het “geloof van de vrede” hier te beschermen en Israël aan te vallen. En het resultaat is dat een realistische publiciste van Joodse huize als Brigitte Wielheesen op 27 mei het volgende meent te moeten schrijven naar aanleiding van de recente openlijke antisemitische bralpartijen met “Dood aan de Joden!” in steden in het hele westen:

“En de politie? Die is niets veranderd sinds de jaren veertig. Ze staan erbij en kijken er naar. Meer woorden wil ik er niet aan vuil maken. Joden eerst, daarna de christenen, gevolgd door LHBTIQ’ers en dan ook nog de ongelovige moslims. Ze gaan er vroeg of laat allemaal aan. Op naar de Oemma en het Nederlandse kalifaat. We zijn te laat om het verval te keren. De kanarie in de kolenmijn leeft allang niet meer.”

Nee, onder meer omdat teveel Joodse spraakmakers nooit kanarie zijn geweest, bijvoorbeeld types als Hanneke Groenteman, die altijd het geloof van de vrede heeft beschermd en inzake Israël op zijn best een totale onbenul bleef. En dat geldt voor zoveel spraakmakers “met  een Joodse achtergrond”: Selma Leydesdorff, Evelien Gans, Natascha van Weezel, Raoul Heertje, Arnon Grunberg, Lodewijk Asscher . . . . . .

Voorts heet intussen onze Nederlandse minister van BZ Sigrid Kaag en is getrouwd met een man die jarenlang een vertrouwensfunctie vervulde in de staf van oer-terrorist Arafat en blijft zij getrouw aan haar blijkbaar diepste loyaliteiten door “ontwikkelingshulp” te geven aan terreurorganisaties. U zou eens moeten gaan kijkluisteren naar Kaag in 1996 in confrontatie met de toen in Israël wonende Jodin Wiesje de Lange, dan krijgt u, lezer, een indruk van Kaags loyaliteiten.

Ja, inderdaad: intussen gaat de morele ontsporing ook in de rest van het westen gewoon door. Ik ben allang opgehouden systematisch kennis te nemen van wat de mainstream-media produceren. Zelfs van de nieuwsbronnen die ik vertrouw, lees ik niet altijd alles. De reden: ik weet het zo langzamerhand wel en ik mis bovendien steeds meer de kracht om het nog maar eens op mijn marginale weblog uit te leggen en dan rond de 100 views te scoren. Ik ben 75 jaar, zet ‘s morgens een bakje met zes soorten pillen klaar en ben soms erg moe. Niettemin heb ik, terwijl ik bezig was de laatste hand aan dit boek te leggen, toch nog een drietal stukken contra de Israëldemonisering gepubliceerd: Grijze eminentie Bertus Hendriks voedt bij EenVandaag weer eens de Jodenhaat (15 mei) Verse brok Jodenhaat bij EenVandaag: Apartheid en Bezetting! Die lusten de dood-aan-de-Joden-roepers wel! (22 mei 2021) Jean-Marie Dedecker: krachtige emoties, maar geen kennis van de geschiedenis van Israël (23 mei 2021)

Ik zou alleen al inzake de gebeurtenissen van deze meimaand vele artikelen kunnen aanbevelen. Bijvoorbeeld van BESA (Begin-Sadat Center for Strategic Studies) of van Middle East Forum maar ik besef steeds meer dat het tegen de bierkaai is.

Wat ik in die mainstreammedia in het hele westen zag en hoorde rond de Hamas-terreur en de reactie van Israël is totaal absurd. Kort gezegd: men slaagde er allerwegen in om Israël de schuld te geven van de moorddadige agressie van Hamas. Zoals Likoed Nederland op 26 mei kopte“Hamas, niet Israël, is verantwoordelijk voor het recente bloedvergieten”. Inderdaad: de Palmaffia’s doen in Palestina al honderd jaar niks anders dan terreur plegen onder het aanroepen van een ideologie die honderd procent nazistisch is: de islam. En onze media doen al 50 jaar niks anders dan Israël de schuld geven van die naziterreur. Likoed Nederland bestookt Nederlandse kwakkeliteits-bladen als Trouw, Volkskrant en en NRC regelmatig met echte informatie over Israël om wat tegenwicht aan de Joden-demonisering te geven en dat is zonder uitzondering altijd tevergeefs.

Vooral het hierboven al genoemde online opinie-magazine OpinieZ heeft voortreffelijke stukken gepubliceerd over de morele ontsporing rond islam en Joden. Ik geef een paar van die artikelen, die u zelf maar eens moet googelen:

1) “Dood de joden!” schalt door de straten in West-Europa: openlijk, onversneden antisemitisme in demonstraties (16 mei) 2) Woke wetenschappers eisen boycot van Israël: academische variant van “Koop niet bij Joden” (22 mei) 3) Iraans regime financiert Palestijnse terreur tegen Israël: Westerse lafheid tegenover ayatollah’s (23 mei) 4) “Gaza” leidt tot slinks verpakt antisemitisme van media en politici: dit nooit meer toch? (25 mei)

Marcel Kurpershoek is islamdeskundige bij uitnemendheid: hij is Arabist en ex-ambassadeur in Pakistan en Afghanistan. Hij spreekt over de onhervormbaarheid van de islam in het laatste hoofdstuk van zijn boekje uit 2007 “De Tragopan van Kohistan” dat getiteld is“Uitpakken”. Die onhervormbaarheid hangt volgens hem samen met het vermogen van de islam ook in het gruwelijkste falen een overwinning van de islam te zien. Ik citeer Kurpershoek:

 “De ‘twee mooiste dingen’ die de Koran de gelovigen in het vooruitzicht stelt zijn, volgens de gangbare uitleg van het vers, overwinning of martelaarschap. Beide zijn even mooi. De islam die zich buiten de muren van de moskee vertoont zit vol van dit soort ongerijmdheden. Er is geen ontkomen aan. Zelfs Saddam Hoesssein, die de politieke islam met harde hand onderdrukte, maakte gebruik van de belevingswereld, gepropageerd door de politieke islam. Zijn nederlagen waren altijd overwinningen. Zo wordt een nederlagenstrategie de zekerste weg naar de overwinning. Een buitenlandse politiek die ontaardt in massale verliezen van mensenlevens, boycots, reisbeperkingen, kolossale economische verliezen, is een succes mits gemotiveerd door het geloof. Een staat die zijn burgers armoede en rampspoed brengt in naam van de islam, kan zich beroemen op de islam. De nederlaag is verzekerd. En dus het martelaarschap. En dus de overwinning. Eigenlijk kan er niets fout gaan. Zolang je je houdt aan deze uitleg van de islam. Armoede is rijkdom, achterlijkheid is wetenschap, de nederlaag is de overwinning, discriminatie is rechtvaardigheid, wreedheid is erbarmen, waanzin is verstand. De buitenwereld kijkt ernaar met ongeloof en verbijstering. De politieke islam verwacht niet anders, want ongeloof is het kenmerk van de buitenwereld.”

We hebben deze waanzin recent in de praktijk kunnen zien. Al Jazeera kopte op 21 mei 2021: “Hamas claimt overwinning terwijl Gaza staakt-het-vuren viert. Stopzetting van de vijandelijkheden tussen Israël en Hamas na een verwoestend 11-daags offensief wordt door Hamas  als overwinning gezien”. Dat is nadat Hamas de verwachte verwoesting en vele doden en gewonden over zichzelf had afgeroepen en de stichting van een “Palestijnse staat” in Samaria-Judea (“op de Westbank”) nóg onwaarschijnlijker zo niet onmogelijk had gemaakt. Want Hamas begon de raketterreur zogenaamd vanwege “Jeruzalem” en in het algemeen geldt dat de invloed van Hamas in Samaria-Judea groeiende is ten koste van de voor het oog van de buitenwereld meer “gematigde” Abbas. Nog veel verder van huis dus dan voor het afvuren van die 4000 raketten. Maar zoals u hierboven uiteengezet zag: zolang rampen in de naam van Allah worden aangericht, zijn het zegeningen.  

Dit wrede en onhervormbare irrationalisme geheten “islam” zal de wereld nog eens in brand steken. En die apocalyps zal inderdaad waarschijnlijk om Israël ontketend worden. Door moslims. En de Joden zullen weer de schuld krijgen. De enige redding is een westen dat bij zinnen komt. Maar daar ziet het voorlopig niet naar uit. Ook in Nederland zal zelfingenomen “links” de kwakkeliteitskranten blijven beheersen. En in de nieuwsuitzendingen en in de toksjoos zullen presentatoren en met zorg geselecteerde gasten zielsgelukkig blijven in hun waan dat ze aan de goede kant van de geschiedenis staan. Met een variant op Komrij: ze staan en zitten in de spotlights, ondragelijk rechtschapen, en zien nog steeds het echte monster niet.

___________________________________

NOTEN

(1)  Voorwoord door Ronny Naftaniel in: Pieter van der Horst, De mythe van het joodse kannibalisme, Den Haag 2006, p. 9
 (2)  Els van Diggele, De misleidingsindustrie, Amsterdam 2019, p. 9
(3) Hans Moll, Hoe de nuance verdween uit een kwaliteitskrant: NRC-handelsblad neemt stelling tegen Israël, Amsterdam 2011, p. 168
(4) 
Yochanan Visser, Israël aangeklaagd: de cognitieve oorlog tegen de Joodse staat, Nijkerk  2011, p. 14-15
(5)  Klaus-Michael Mallmann en Martin Cüppers, Halbmond und Hakenkreuz: das Dritte Reich, die Araber und Palästina,  Stuttgart 2007, pp. 165-166; vertaald als Nazi Palestine, New York 2010, aldaar op pp. 140-41
(6)   Alan Dershowitz, The Case for Israël, Hoboken 2003, p. 43
(7)  Mallmann en Cüppers, Halbmond, p. 113; Nazi Palestine, p. 95
(8)  Efraim Karsh, Palestine Betrayed, New Haven en Londen 2010, p. 237
(9)  David Meir-Levi, History Upside Down  — The Roots of Palestinian Fascism and the Myth of Israeli Aggression,  NewYork en Londen 2007, p. 29
(10) idem, p. 30
(11) Michael B. Oren, Ally — My Journey Across the American-Israeli Divide, New-York 2015, p. 6
(12) Aaron Klein, The Late Great State of Israel, Los Angeles 2009, p. 33
(13) Karsh, Palestine Betrayed, p. 241
(14) Ari Shavit, Mijn Beloofde Land — De triomf en tragedie van Israël, Houten-Antwerpen 2013. Alle citaten in dit hoofdstuk  zijn uit de Inleiding van het boek, getiteld “Vraagtekens”.
(15) Idem, alle citaten in dit hoofdstuk van mij zijn uit Shavits  hoofdstuk “Lydda — 1948”.
(16) Karsh, Palestine Betrayed, p. 26
(17) Idem, p. 236
(18) Idem, p. 1
(19) Idem, p. 18

*******************************************************************

(Vlak na de aanslag op de Twin Towers van 11 september 2001 lopen Ayaan Hirsi Ali en PvdA-prominent Ruud Koole ’s morgens samen op naar kantoor)

“Ruud schudde verdrietig zijn hoofd om wat er was gebeurd. Hij zei: ‘het is zo vreemd dat steeds meer mensen zeggen dat het iets met de islam te maken heeft, vind je niet?’.
Ik kon er niets aan doen: voordat we op kantoor waren had ik het er al uitgegooid: ‘Maar het gáát ook om de islam. Dit is gebaseerd op het geloof. Dit is de islam.’
Ruud zei: ‘Ayaan, natuurlijk kan het zo zijn dat deze mensen moslims waren, maar dan gaat het om een krankzinnige randverschijnsel. Wij hebben ook fundamentalistische christenen die de Bijbel letterlijk interpreteren. De meeste moslims geloven niet in dit soort dingen. Met deze bewering breng je het op een na grootste geloof ter wereld in diskrediet, een beschaafd en vreedzaam geloof.’
Ik liep het kantoor in en dacht: ik moet deze mensen wakker schudden. En het was echt niet alleen Koole. Nederland, dit gezegende land waar nooit iets gebeurde, wilde weer doen alsof er niets was gebeurd. De Nederlanders waren vergeten dat mensen in opstand konden komen om oorlog te voeren, gevangenen te maken, te doden, zedelijkheidswetten op te leggen, en dat allemaal omdat God daartoe had opgeroepen.”

Uit “Mijn Vrijheid” van Ayaan Hirsi Ali pp. 328-329

“U vergeleek de positie van de Joden in Europa in de jaren dertig en veertig met de positie van moslims in het Europa van nu. Die vergelijking gaat niet op. U bent aan het spookrijden op de snelweg van de geschiedenis. ( . . .) U bent bezig te vechten tegen demonen uit het verleden. In het huidige Europa lopen moslims niet het gevaar dat de joden 65 jaar geleden liepen. Haat en onverdraagzaamheid tegen Joden worden nu juist door moslims in Europa uitgedragen. Wanneer u zich in uw analyse van het huidige integratieprobleem laat leiden door de ervaring van de Tweede Wereldoorlog, blijft u die spookrijder: Iedereen probeert u met lichtsignalen te waarschuwen om terug te gaan, maar u blijft hardnekkig in de verkeerde richting rijden. Wat u misschien aanziet voor nobele vastberadenheid is in werkelijkheid onvruchtbare halsstarrigheid.”

Ayaan Hirsi Ali, “Open brief aan burgemeester Job Cohen”, Trouw, 6 maart 2014

_______________