HITLERGROET IRAN AYATOLLAHS

TEN GELEIDE (zei hij deftig)

Er is ook een KORTE VERSIE van dit opstel beschikbaar:  “Nazisme, Islam, Israël: het Essay nader geduid door de Auteur Zelve”. En er is een HEEL ERG KORTE versie onder de lange titel “Islam is nazisme! Waarom word ik niet vervolgd? Waarom doet niemand aangifte?”

Door omstandigheden is onderstaand opstel – oorspronkelijk gepubliceerd 16 oktober 2010 op het (gehackte en voor altijd verdwenen) weblog van Joost Niemöller en op Artikel 7 – een tijdlang niet beschikbaar geweest op internet. Bij deze herpublicatie in januari 2012 (laatstelijk ge-update februari 2015) schrijf ik nu een nieuw voorwoordje. De herpublicatie is ook de reden dat u in de oorspronkelijke tekst van het essay links vindt naar stukken die later geschreven zijn dan het essay zelf.

Het opstel zou oorspronkelijk gepubliceerd worden in een essaybundel die op 15 oktober 2010 in Mechelen werd gepresenteerd: “De Islam: Kritische Essays over een Politieke Religie”, onder redactie van zoon Sam van Rooy en vader Wim van Rooy. Op het laatste moment is mijn essay geweigerd door de redacteuren. Er werden twee redenen gegeven.

Ten eerste: mijn radicale uitlatingen in stukken op “Het Vrije Volk” (als “Kassander”) en “Artikel 7”, waardoor “het sérieux” (aldus Wim van Rooy) van de andere, meer deftige auteurs in de essaybundel aangetast zou worden. “Artikel 7” bestaat niet meer en “Het Vrije Volk” niet meer in de vroegere vorm. Dus ik kan u niet meer doorverwijzen naar mijn aanstootgevende stukken aldaar om voor uzelf te gaan checken hoe onserieus die waren.

Ten tweede: de kwaliteit van mijn  opstel zou te wensen over laten. Dat laatste kunt u hieronder natuurlijk wél zelf checken.

Wie prijs stelt op een korte introductie in mijn gedachten over mezelf kan terecht bij het “about” in de linkerbovenhoek van mijn website.

Het opstel is een beetje lang om van het scherm af te lezen: zo’n 76 A4tjes, bijna 44.000 woorden. Uitprinten kost een paar centen, maar zeker een stuk minder dan als het in de vorm van een boekje zou hebben gekost.

Ik heb inmiddels, samen met Roelf-Jan Wentholt, recente pogingen gedaan om een zo compact mogelijk geschiedenis van Israël op te tekenen onder de titel: “Werk in Uitvoering“.

UPDATE NOVEMBER 2013

Op 9 november 2013 schreef eindredacteur Wim van Rooy mij in een persoonlijke mail:

“Dat we dat opstel niet hebben opgenomen heeft een lange voorgeschiedenis. Vandaag zou ik het wél integreren. ( . . .)  Soms heeft een mens spijt dat gedane zaken geen keer nemen.”

Daar ben ik natuurlijk erg blij mee.

_________________________________________________________________

We weten niet of Hitler een nieuwe islam gaat stichten. Hij is al wel op weg; hij is als Mohammed. De emotie in Duitsland is oorlogsachtig. Zij zijn allemaal dronken van een wilde God. Dat kan de historische toekomst worden.”  (Carl Gustav Jung.)

“Hier had men dan de nieuwe Koran vol blind geloof in de oorlog: gezwollen van taal, breedsprakig en vormloos – maar onheilspellend.” (Winston Churchill over Hitlers “Mein Kampf”.)

“Vermoord de Joden, waar je ze ook maar vindt. Dit is welgevallig aan Allah, de geschiedenis en de religie.” (De Grootmoefti van Jeruzalem, Amin al-Husseini, in een radio-oproep aan het hele Midden-Oosten gedurende de Tweede Wereldoorlog)

____________________________________________________________________

Het moreel-intellectuele falen van Paul Berman inzake nazisme, islam en Israël (I)

Paul Berman

Volgens Paul Berman is Theo van Gogh op 2 november 2004 eigenlijk door de nazi’s vermoord. Berman brengt de  “Open brief aan Ayaan Hirsi Ali” van moordenaar Mohammed Bouyeri ter sprake, de brief dus die Bouyeri met een slagersmes in de borst van de afgeslachte Theo van Gogh vast stak. Berman:

“[De brief] was een product  van de politieke traditie die de wereld binnenkwam met Haj Amin al-Huseini, de moefti van Jeruzalem en met de Duitse radio-uitzendingen en propaganda in de Arabische taal van de jaren 1940 – de traditie van een genazificeerde islam die tenslotte tegenwoordig door een onbepaald aantal mensen wordt gepromoot, niet alleen in de terroristische marges van de islamistische beweging.” [mijn vette cursivering]

Van de 299 pagina’s van Paul Bermans boek “The Flight of the Intellectuals” (2010) waaruit dit citaat komt, heb ik veel geleerd. De internationale discussie over de islam zoals die in de Atlantische wereld gevoerd is, wordt uitstekend in kaart gebracht. Wie een ultieme en vernietigende analyse van Tariq Ramadan zoekt, vindt hem hier. Nou ja, ultiem . . . er is één aspect van Tariq Ramadan dat ontbreekt in de analyse van Berman, namelijk zijn kwaliteit van moreel corrupte nep-historicus. Voor die vernietigend analyse moet je bij Machteld Allan zijn.

Óók destructief: de perverse wijze waarop Ayaan Hirsi Ali steeds is vergeleken met Tariq Ramadan, vooral door Ian Buruma en Timothy Garton Ash. In die vergelijking kwam de bedrieger en krypto-fundamentalist Ramadan steeds als de intellectueel-moreel betere uit de bus tegenover de integere en verlichte liberaal Hirsi Ali. Het intellectueel-morele falen van Ash en Buruma wordt door Berman dermate subtiel-vernietigend beschreven dat ik niet zo goed begrijp waarom die twee nog geen zelfmoord hebben gepleegd of in een klooster zijn gegaan. Te weinig intellect en moraal misschien om ten volle te begrijpen hoezeer ze bij de enkels zijn afgekapt en hun kleinzieligheid is aangetoond?

Sinds jaar en dag publiceert Berman in de “New Republic”, waarin ook zijn essay “Who’s Afraid of Tariq Ramadan” (2007) verscheen. (Een essay met die naam komt in de “Flight of the Intellectuals” overigens niet voor: daar vindt de filering van Ramadan completer plaats en verspreid over de verschillende essays). Berman is wat ze noemen een “New-York intellectual”. Berman woont in New-York, maar je kan “New-York intellectual” zijn zonder in New-York te wonen, het is een soortnaam zoals de Amsterdamse “Canal-Girdle-Intellectual” (Koefnoen). Hij heeft nogal wat naam als politiek filosoof en moralist, met een respectabel aantal boeken op zijn naam.

Zijn “Power and the Idealists” (2005) heb ik ooit zeer aandachtig en met vrucht gelezen. Dat ging over “interventionisme” in misdadigerstaten, dus over moraal en buitenlandse politiek, een kwestie die al minstens vanaf 1993 mijn bijzondere aandacht had. In Trouw schreef ik in dat jaar een stuk onder de titel “Rekolonisatie met de Rechten van de Mens in de hand”. Bermans “Power and the Idealists”  plaatste die kwestie van dat “interventionisme”, in de context van het nazisme, van het “nie wieder!”,“Vietnam” en “de generatie van 1968”. Dat is mijn generatie dus: ik ben van 1945. Precies op dat cruciale punt echter, de vraag waar het nazisme op dit moment leeft, maakt Berman mijns inziens een kapitale intellectueel-morele fout. Hij maakt zich namelijk schuldig aan wat ik noem betuttelracisme (de term is van filmmaker Eddy Terstall) en onder invloed daarvan meent hij vervolgens een onschuldige islam waar te nemen die pas door nazi-invloeden “slecht” is geworden. Voor dat betuttelracisme waarschuwt hij overigens zelf zijn hele essaybundel door.

Berman legt bijvoorbeeld omstandig uit hoe in 1983 door Pascal Bruckner voor het eerst werd  beschreven hoe de  Westerse “linkse” en “progressieve”elite zich belachelijk maakte door op allerlei groteske manieren in de valkuil van dat “betuttelracisme” te donderen. De (Engelse) titel van Bruckners boek is alles zeggend: “The Tears of the White man: Compassion as Contempt”. Desondanks bezondigt Berman zich dus aan dat patriarchale racisme, dat “racisme van de antiracisten” (Bruckner) en wel op dat zeer cruciale punt van de relatie tussen nazisme en islam. Berman slaagt er alsmaar niet in de exotische cultuur van de islam tot Collectief  Zelfstandig Groot Kwaad in staat te achten.  En dat toch na het optreden van exoten als de Hunnen en de Vandalen, de Chinese communisten, de Rode Khmer, het Algerijnse FIS, de Hutu’s en de de Tutsi’s, de Janjaweed en, ja . . . 1400 jaar geschiedenis van de islam, theorie en praktijk.

Er zijn er meer die in dezelfde valkuil van het betuttelracisme lazeren. En niet de eersten de besten. Zo bijvoorbeeld de auteurs van een baanbrekende studie: Klaus-Michaël Mallmann en Martin Cüppers, “Halbmond und Hakenkreuz: das Dritte Reich, die Araber und Palästina“ (2007). Voor de auteur van “Nazi Propaganda for the Arab World” (2009), Jeffrey Herf, geldt hetzelfde.  Beide boeken zijn door Berman gelezen – en ik kan het me bijna niet voorstellen, omdat Berman altijd zeer kritisch is en zich vooral aan grote namen niks gelegen laat liggen -maar  misschien heeft ontzag voor het oordeel van deze specialisten toch meegespeeld in zijn karakterisering van de relatie islam-nazisme.

In zijn “Flight of the intellectuals” neemt Berman een essay op dat getiteld  is “The Cairo Embassy Files”. Die titel slaat op de bronnen die gebruikt zijn door Jeffrey Herf in dat genoemde boek “Nazi Propaganda for the Arab World”. Die bronnen zijn de transscripties die op de Amerikaanse ambassade in Cairo gemaakt werden van de nazi-propaganda die van 1940 tot 1945 per radio onophoudelijk op alle Arabische landen in het Midden-Oosten werd losgelaten. In dat essay, “The Cairo Embassy Files”, wenst Berman een mogelijk oorspronkelijk “nazistisch” karakter van de islam niet te overwegen. Hij wil vasthouden aan een eenzijdige christelijke, Europese, Westerse schuld. Een relatief onschuldige islam is gecorrumpeerd door de nazi-propaganda. Voor Berman dateert de ontsporing van de islam pas van Hassan al-Banna (dood 1946) en Sayyid Qutb (dood 1966).

Je proeft Bermans insteek al meteen scherp in zijn demonisering van de Kruisvaarders die “in hun ijver een heel kwart van de Joodse bevolking van Noord Europa afslachtten, zelfs nog voor ze verder trokken om nog meer Joden en moslims te vermoorden in Jeruzalem”. Terwijl het hier toch echt gaat om een extreme gebeurtenis tijdens de Eerste Kruistocht, veroordeeld door een flink deel van de kerkelijke hiërarchie, voert Berman dit als dé essentie van dé Kruistochten op. Berman noemt niet Rodney Stark, “God’s Battalions: The Case for the Crusades” (2009), een baanbrekend boek dat een paradigmawisseling zou kunnen inleiden en een hele reeks zelfbeschuldigende lectuur over dat onderwerp overbodig kan maken. Stark maakt namelijk duidelijk dat de Kruisvaarders gedreven werden door woede en verontwaardiging over de terreur die de islam pleegde vanaf de 7e eeuw, toen de Mohammedanen in een oceaan van bloed het grootste deel van de toen bekende wereld onderwierpen.

In 732 n. Chr. stonden de hormoongedreven hordes van Mohammed niet alleen tot in Afghanistan, maar ook tot in Zuid-Frankrijk. Bij Poitiers werden ze door Karel Martel, God zij dank, verslagen. Toen paus Urbanus II in 1095 in een weiland in het Franse Clermont opriep tot de eerste Kruistocht, hadden die islamitische hordes al vier eeuwen lang bloedige en slavenhalende raids uitgevoerd, de onderbuik van Europa in. Eeuwenlang hadden ze vreedzame pelgrims die “het land van Jezus”, Palestina, wilden bezoeken geterroriseerd en tot slaven gemaakt,  hadden ze heiligdommen vernield, gemoord en verkracht. Ze hadden, ik herinner er nog maar even aan, precies gedaan wat de islamitische “heilige boeken” voorschrijven. De Kruistochten hebben de Kruisvaarders hun persoonlijke fortuinen en de toenmalige West-Europese economieën schatten gekost. De Kruisvaarders zelf betaalden niet alleen met hun geld en goederen, maar bovendien met gruwelijke ontberingen, angst, gevaar en vaak met hun leven. Wie de voorgeschiedenis van de Kruistochten uitgebreid wil lezen en geen zin heeft in een oceaan aan voetnoten,  moet Paul Fregosi ter hand nemen: “Jihad” (1998). Wie in zéér kort en zeer krachtig bestek iets wil weten van 1000 jaar (tot 1683 toen de Turken de laatste keer voor Wenen stonden) van de bloedige en slavenhalende raids de onderbuik van Europa in, kan terecht bij “De Kracht van de Rede” van Oriana Fallaci (2005) op de pagina’s 43-60, die zich trouwens grotendeels op Fregosi baseert zonder hem te noemen.

Je proeft Bermans insteek eveneens scherp in de manier waarop hij kijkt naar de Joodse immigratie vanaf het einde van de 19e eeuw naar Palestina: het Zionisme. Aanvankelijk, aldus Berman, was de Zionistische onderneming klein en bescheiden, maar toen Hitler aan de macht kwam “openden de sluizen tenslotte en een Joodse vloed stortte zich uit in zuidelijke richting in Palestina”. Berman meent dat “de Arabieren alle reden voor paniek” hadden. Hij betitelt de “grieven van de Arabieren tegen de Joden in Palestina” als “authentiek” en “zichtbaar in het echte leven”. Hij geeft anderzijds wel zijdelings toe dat er een mogelijkheid lag voor “toekomstig leven van wederzijds profijt” voor Palestijnse Arabieren en Joden. Maar hij werkt dat niet uit. De vraag is natuurlijk wat voor uit het leven gegrepen, authentieke grieven en zelfs redenen voor paniek  die Palestijnse Arabieren gehad kunnen hebben tegen een immigratie die sinds 1882 een ongekende dynamiek en welvaart naar Palestina bracht. Want dat was wat er gebeurde. De gedetailleerde en baanbrekende studie van Efraim Karsh, “Palestine Betrayed” (2010) – die wat mij betreft ook een paradigmawisseling zou behoren in te leiden –  citeert bijvoorbeeld de Peel-commissie van 1937 ter zake. In een land dat eeuwen een desolate uithoek was geweest namen levensverwachting en bestaanszekerheid sinds die tijd voortdurend  toe.

Een punt dat Berman evenmin ter sprake brengt is dat door de dynamiek weer vele Arabische immigranten werden aangetrokken. Er is zeer veel discussie over de vraag hoe groot die, vooral informele “illegale” en dus ongeregistreerde immigratie van Arabieren naar Palestina vanuit de omringende Arabische landen is geweest. Fred M. Gotthheil komt in de Middle East Quarterly  (2003) tot de conclusie dat met grote waarschijnlijkheid moet worden aangenomen dat die immigratie omvangrijk is geweest en wel op grond van “het universeel erkende verband ( . . .) tussen regionale economische kwaliteitsverschillen en migratie-impulsen.” Het zou wel eens kunnen zijn dat veel van degenen die nu doorgaan voor afstammelingen van “Palestijnen”, voorouders hadden die pas in de jaren 1920 en1930 naar Palestina waren gekomen,  later dus dan vele Joden. Die voorouders waren dus minder “Palestijn” dan die betreffende Joden.

Berman geeft geen blijk het bovengenoemde boek van Efraim Karsh,”Palestine Betrayed”, te kennen. Anders had hij zeer grondig gedocumenteerd kennis kunnen nemen van het feit dat de Joodse gemeenschap (het latere Israël), altijd, vanaf het allereerste begin in de jaren 1920, zowel ideologisch als geografisch het “inclusieve denken” heeft gepraktiseerd: men was altijd, nu al negentig jaar lang, bereid om de Palestijnse Arabieren op basis van totale gelijkwaardigheid mee te laten delen in de door de Joden gegenereerde dynamiek en welvaart. Men nam genoegen met steeds minder gebied. Slechts gedwongen door de anti-Joodse terreur die door de Palestijns-Arabische “elite”, en met name door de moefti van Jeruzalem, doelbewust  werd opgeroepen – via terreur tegen de eigen bevolking! –  hebben de Joden in 1937 (Peel-commissie) toegestemd in een splitsing van het Mandaatgebied en genoegen genomen met een zeer klein deel ervan. De eerste kans op een “eigen staat” voor de Palestijnen wordt vaak op 1948 gedateerd, maar in feite deed die kans zich 11 jaar eerder voor, in 1937.

Over de vluchtelingen over wie nooit gesproken wordt, spreekt ook Berman niet: Israël, op nog geen 10% van het Mandaatgebied, zonder oliegeld en met onvergelijkbaar veel minder VN-subsidie, heeft iets volbracht wat nauwelijks bekend is bij het grote publiek: Israël heeft 850.000 Joodse vluchtelingen, verdreven uit Arabische landen vlak na 1948, naadloos en soepel geïntegreerd. Dan zijn er dus 100.000 meer dan er ooit “Palestijnse vluchtelingen” waren. Israël had geen behoefte de haat in stand te houden. Israël heeft altijd vrede gewild. Wim Kortenoeven, in zijn “De Kern van de Zaak” komt overigens op “niet meer dan 650.000 ”Palestijnse” vluchtelingen en Efraim Karsh, in “Palestine Betrayed” komt op grond van recent eigen onderzoek op maximaal 609.000 uit.  Dat maakt het verschil nog groter.

Evenmin gaat Berman in op de achtergrond van het Zionisme. Waarom wilden de Joden per se een nationaal tehuis in Palestina? Toen de pas geïslamiseerde Arabieren, met hun nieuw verworven expansionistische ideologie, de islam, in de 7e eeuw A.D. Palestina onder het kromzwaard brachten, leefden de Joden er al millennia. Toegegeven, er woonden in de 19e eeuw in Palestina nog slechts enkele honderdduizenden Joden, want na de diaspora waren ze een minderheid in eigen land geworden, omdat de Romeinen de Joden in 70 A.D grotendeels hadden verdreven en hun tempel vernietigd. Na dat noodlottige jaar 70 A.D. volgde een diaspora over Europa en het Midden-Oosten van zo’n 1800 jaar, waarin de Joden overal voornamelijk werden gediscrimineerd, regelmatig lijdend onder pogroms, waaronder natuurlijk de gruwelijkste van alle pogroms, de Holocaust. Al die achttien eeuwen is het verlangen naar de terugkeer naar het Joodse Heilig Land steeds sterker met de Joodse godsdienstige rituelen versmolten geraakt: “Volgend jaar in Jeruzalem!”, luidt de meest bekende heilwens van de Joden bij feestelijke gelegenheden. De Joden hadden dus zéér goede redenen om aan een veilig bestaan op juist dát stuk land, Palestina, de voorkeur te geven. Zij keerden terug naar een landstreek waar ze een verleden van misschien wel 4000 jaar, maar historisch bewijsbaar dik 3000 jaar hadden liggen.

Berman wekt de indruk dat de islamitische terreur tegen de Joden (en Engelsen) in Palestina vanaf de jaren 1920 niet in het kader gezien moet worden van een Huntingtoniaanse “Botsing der beschavingen” tussen islam en Joods-christelijke wereld. Hij zegt: “Zelfs toen, in de late jaren 1930, bleef het conflict in Palestina de eigenaardigheden weerspiegelen van een locale veldslag ( . . .).”  Locale veldslag! Terwijl vanaf 1920 de moefti van Jeruzalem, teneinde de Joden te verdrijven, een beroep deed op de islam, de godsdienst met de totalitaire wereldpretentie en het Pan-Arabisme, toch ook waarachtig geen “lokale” ideologie.

In de door Berman uitgebreid aangehaalde studie van Klaus-Michaël Mallmann en Martin Cüppers “Halbmond und Hakenkreuz” (2006), wordt niet alleen de concrete geschiedenis van de relatie tussen nazisme en islam verteld, maar ik heb ook zelden zo’n helder verhaal gelezen over de cruciale jaren 1920 tot 1940 in Palestina. Dat verhaal staat in het eerste hoofdstuk van “Halbmond und Hakenkreuz” en ik heb een samenvatting gemaakt van dat hoofdstuk onder de titel “ Arabieren en Derde Rijk in Israël”. Dat heb ik gedaan omdat dit soort teksten anders alleen maar beschikbaar komt voor mensen die vreemde talen machtig zijn. Op een subsidie op een vertaling –commercieel kan dat nooit interessant genoeg zijn – hoef je natuurlijk niet te rekenen. In het politieke klimaat van multikul zoals dat al decennia heerst –  en dat geleid heeft tot het onvoorstelbare, namelijk steeds meer tolerantie voor islamitisch geïnspireerde Jodenhaat in West-Europa –  komen uitsluitend pro-“Palestijnse” en “anti-Zionistische” producties voor subsidie in aanmerking, of het nu een tv-documentaire of tekst is.

In dat eerste hoofdstuk van “Halbmond und Hakenkreuz” wordt een van de eerste agitatie-successen van de moefti vermeld:

“Startpunt was Jaffa, waar het gepeupel op 1 mei 1921 Joodse winkels en instellingen aanviel; doel was in het bijzonder een immigranten-opvangcentrum, waarin zowel mannen als vrouwen logeerden en vandaar als poel der zonden werd beschouwd. De Arabische politiemannen keken toe, terwijl men zelfs kinderen doodde en menig slachtoffer de schedel spleet.” [mijn cursivering]

In de dagen tot 7 mei 1921 werden 47 Joden en 48 Arabieren gedood. (Arabieren werden steeds bijna zonder uitzondering gedood vanwege of onder het plegen van terreurdaden door Britse politie-agenten of militairen.)  De Joden ontvluchtten nu Jaffa, naar een voorstad van Jaffa, Tel-Aviv. Vervolgens kreeg Tel-Aviv in dat jaar 1921 autonomie van de Britse mandaatsmacht. Daarna was het relatief rustig tot 1929, met 133 doden.

Januari 1935 gaf de moefti, die het oppergezag in religieuze zaken in Palestina bezat, een “fatwa”  uit. Hij beriep zich op de koran en dreigde met het weigeren van een islamitische begrafenis voor wie land aan Joden verkocht. Kort daarop volgde de stichting van een soort toezichtsorgaan van islamitische “rechtsgeleerden”, de “Centrale Raad ter bevordering van het Goede en de verhindering van het Verwerpelijke”. (Soortgelijke instellingen floreren nog steeds in alle moderne islamitische staten.) Ook hier werkte de islam, behalve via terreur, met het opeisen van de openbare ruimte, via symbolen. Niet alleen moest die Raad op de landverkopen letten, maar ook op islamitische kleding, ongeoorloofd samenzijn van mannen en vrouwen, alsook literatuur, film en theater censureren. In augustus 1938 werd, door  moordaanslagen op degenen die niet capituleerden, afgedwongen dat Arabische mannen een bepaald soort hoofdbekleding gingen dragen, waarmee ze zich, althans uiterlijk, publiekelijk achter de fanatici schaarden, en dat ook vrouwen zich op specifiek voorgeschreven wijze moesten kleden. Streng islamitisch uiteraard en liefst als tegen stof afgedekte meubelstukken.

De door de Arabische “elite” als “verraders“ gedefiniëerden werden vermoord en zij die nog een laatste kans kregen werden bedreigd en gedwongen extreme bedragen te betalen aan “de opstand” of, wanneer ze voor de Engelse Mandaatsmacht werkten, als spion actief te worden. Een identiteitspas aannemen van de Engelse Mandaatsmacht was al een teken van verraad. Vooral de meer welvarende gematigden vluchtten in drommen, waardoor het overwicht van de fanatici weer toenam. Zo was de keuze voor de gematigden drieledig: meedoen annex betalen, vluchten dan wel vermoord worden. In Palestina reizende nazi’s zagen tot hun vreugde hoe de sharia-volksrechtbanken steeds openlijker opereerden en “in alle zaken van de nationale strijd en de nationale eer recht spreken”. Door deze “massieve, naar binnen gerichte terreur” werd de Arabische moslimgemeenschap een parallelmaatschappij, losgekoppeld van de Mandaatsmacht en van de Joodse gemeenschappen. De Jodenhaat en de terreur culmineerden in de zogenaamde “Arabische Opstand” van 1936 tot 1939.

Jeffrey Herf – van het door Berman bewonderde “Nazi Propaganda for the Arab World” – heeft wel gelijk als hij over de moefti zegt dat het verhaal van de nazi-propaganda in de Arabische wereld “heel wat meer was dan een interessant hoofdstuk in de biografie van één man”, want de moefti stond niet alleen het “Pan-Arabisme” ten dienste, maar ook de gehele leer en traditie van de islam. Efraim Karsh zegt het in “Palestine Betrayed” zo:

“Teneinde de Joden uit Palestina te verdrijven gebruikte de moefti het immens ontvlambare potentieel van de islam, dat meer dan een millennium de kern van de sociale en politieke orde van het Midden-Oosten had uitgemaakt en zijn diepe anti-Joodse sentiment. De woede van de Profeet Mohammed weerspiegelend over de verwerping van zijn religieuze boodschap door de Joodse gemeenschap [in Medina], wemelen de koran en de latere biografische overleveringen van de negatieve beschrijvingen van de Joden. In deze werken worden zij geportretteerd als bedrieglijk, kwaadaardig en verraderlijk volk, die in hun onstilbare lust tot overheersing met plezier een bondgenoot zouden verraden en een niet-Jood zouden bezwendelen, die knoeiden met de Heilige Schriften, de heilige boodschap van Allah versmaadden, en zowel Zijn boodschapper Mohammed hadden vervolgd alsook Jezus van Nazareth en andere eerdere profeten. Voor deze trouweloosheid zouden zij een reeks van vergeldingen moeten ondergaan, zowel in het hiernamaals, als ze zouden branden in de Hel, en hier op aarde waar zij terecht waren veroordeeld tot een bestaan van verworpenheid en vernedering. “ [mijn vertaling en cursivering]

Ja, dat “immens ontvlambare potentieel van de islam”. Mooie formulering van Karsh. Hij spreekt niet van een van de islam onderscheidbaar “islamisme”. Dat woord “potentieel” geeft  mooi aan wat anderen omschrijven als “het islamisme zit in de islam als het kuiken in het ei”.

Inderdaad: in tegenstelling namelijk tot wat politiek “correcte” multikulklutsers geloven, is er maar één islam, een extremistische dan wel fundamentalistische. Ook Berman spreekt steeds van “islamisten”, maar dit onderscheid is zinloos. Het is een wijd verbreid misverstand, zelfs onder deskundigen. Zo maakt de sympathieke Bassam Tibi in zijn “Der Neue Totalitarismus: ‘Heiliger Krieg’ und Westliche Sicherheit”(2004) niet alleen onderscheid tussen islam en “islamisme”, maar ziet zelfs in dat “islamisme” nog weer een gewelddadige onderafdeling die hij “jihadisten” noemt.

Paul Berman citeert Bassam Tibi: “In mijn onderzoek ben ik tot de conclusie gekomen dat al-Banna de geestelijke en politieke bron is van Jihadistisch islamisme, dat het totalitarisme vertegenwoordigt in zijn laatste manifestatie.” Uit mijn cursivering blijkt dat ook bij Tibi die gedachte leeft (net als bij Ian Buruma, Matthias Küntzel en Berman zelf) dat  het totalitaire pas in de islam sloop onder invloed van “verstedelijking”en “Westerse modernisering” in het Midden-Oosten.  Maar ik denk dat het veel eenvoudiger is: dat de islam altijd al totalitair was op een heel vanzelfsprekende manier. En dat die sinds begin 20ste eeuw oprukkende “Westerse modernisering” types als al-Banna (maar ook Sayyid Qutb en niet te vergeten de moefti van Jeruzalem al-Husseini) prikkelde om dat inherente totalitarisme opnieuw te expliciteren.

Als Berman een roman van Boualem Sansal ter sprake brengt, zegt hij: “Zij reageren met morele geschoktheid. En met politieke geschoktheid: de alarmerende erkenning dat nazisme en islamisme iets gemeen hebben, te weten een hartstocht voor irrationele en ideologische haat dat vroeg of laat tot massaslachtingen leidt.” [mijn cursivering]

Daar is het weer. Heeft alleen het “islamisme” of de hele islam “iets gemeen” met het nazisme? Je kunt over de kwestie islamisme-islam eindeloos zeuren en de deskundigen die elkaar tegenspreken tegenover elkaar zetten. Hetzelfde geldt voor de vraag of “historisering” en vervolgens relativering en democratisering van de islam mogelijk is. “Historisering” is zeker mogelijk. Sterker nog, dat is al gedaan, bijvoorbeeld in “De omstreden bronnen van de islam” (2009) van Eildert Mulder en Thomas Milo. En dan blijkt dat de islam een verzameling onhoudbare sprookjes is, maar het zijn wel irrationalistische, bloeddorstige, agressieve, plat-triviale, anti-humane en totalitaire sprookjes waarin vele miljoenen fanatiek geloven. Dus als je klaar bent met “historiseren”, wat hou je dan over van de islam om in een redelijke, humane, rechtstatelijke democratie te laten functioneren? Of zelfs maar als hoogstprivaat stukje spiritualiteit? Ik weet van een cabaretier die ooit eens tijdens een etentje aan Wouter Bos gevraagd heeft wat er positief is aan de islam. Bos begon langdurig te grijnzen, maar het antwoord moet nog steeds komen. En niet alleen van Wouter Bos, maar van de hele multikulklutsende Westerse “elite”. Misschien moeten ze het eens aan een imam gaan vragen. Die schijnen het te weten.

In tegenstelling tot wat Berman en geestverwanten denken  –  inclusief, met alle respect, Bassam Tibi –  hebben “islamisten” en “salafisten” in de islam niet alleen de beste papieren, ze hebben de enige. In de islam zijn niet alleen de agressieve en haatdragende papieren veruit in de meerderheid, ze geven ook tenslotte altijd de doorslag. De koran verbergt namelijk een geheim, dat tot voor kort alleen aan islamitische gezagsdragers en aan islamologen bekend was: de relatief “milde” soera’s (verzen) uit de koran worden alle “overruled”, geabrogeerd, teniet gedaan door de agressieve en haatdragende soera’s. De Koran heeft niet alleen een irrationele inhoud, maar ook een irrationele structuur, want de soera’s zijn niet chronologisch geordend, maar naar lengte. Ibn Warraq zegt in “Weg uit de islam”: “Het abrogatiebeginsel werd in elkaar geflanst als oplossing voor de vele tegenstrijdigheden in de Koran.” Slechts specialisten weten welke soera eerder of later door de engel Gabriël namens Allah aan Mohammed ingefluisterd is. En juist dat eerder of later is van beslissend belang, omdat de soera’s die eerder zijn “neergezonden”, zoals de moslims dat noemen, bijna uitsluitend uit de tijd stammen dat de mythische Mohammed nog in Mekka verbleef en zich nog wat gedeisd moest houden. De agressief-haatdragende soera’s daarentegen stammen bijna uitsluitend uit de tijd na de “hidzjra” (de verbanning van Mohammed uit Mekka) toen de “Profeet” in Medina verbleef. Naarmate Mohammed in Medina meer macht verwierf werden de soera’s openlijker agressief en moorddadig, vooral tegen de Joden die iets te geletterd waren om de platte praatjes van Mohammed te geloven. Kortom: alle deskundigen weten dat de soms relatief milde Mekkaanse verzen door de bijna altijd agressief-haatdragende Medinese soera’s worden geabrogeerd.

Je kunt hier, zoals gezegd, eindeloos over zeuren en de deskundigen die elkaar tegenspreken tegenover elkaar zetten. Ik zal in dit opstel proberen aan te tonen dat de hele islam, theorie en praktijk, altijd totalitair is geweest en van alle totalitairismen het meest verwant aan het nazisme. In Letter & Geest van het dagblad Trouw van 18 augustus 2006 wordt de Franse juriste en arabiste Annemarie Delcambre aldus opgevoerd en geciteerd: “Zijn er twee islams, de een oorlogszuchtig en de ander tolerant en vredelievend? Volgens Delcambre is dit een westers verzinsel om de onaangename waarheid niet onder ogen te hoeven zien: “Tussen islam en islamisme bestaat alleen een gradueel verschil. Het islamisme zit in de islam als het kuiken in het ei.” Er is geen goede en slechte islam, zoals er ook geen gematigde of ongematigde islam bestaat. In stricte zin kunnen gematigde moslims niet bestaan, want de leer verklaart zichzelf inherent onveranderlijk en die leer is niet gematigd. Het gezegde van Bernard Lewis “Er bestaan gematigde moslims, maar de islam is niet gematigd” is in feite een contradictio in terminis. Maar voorzover “gematigde moslims” in het echte leven toch blijken rond te lopen, zijn het degenen die de essentie van hun geloof, de onveranderlijkheid, plus het grootste deel van de inhoud van hun geloof links laten liggen. Mij lijkt dat je dan beter dat hele geloof van je af kan werpen. Tariq Ramadan op zijn officiële website: “Er is slechts een islam, heeft hij [Ramadan] gezegd, maar cultureel kan het Afrikaans, Aziatisch, Europees, of Amerikaans zijn.” Nadat president Obama van de VS had gezegd dat Turkije de gematigde islam vertegenwoordigt en zijn minister van BZ Hillary Clinton dat Turkije een seculiere democratie is, zei Erdogan in een openbare speech in 2009 aan  het Oxford Centre for Islamic Studies: “Het is onacceptabel voor ons om akkoord  te gaan met zo’n definitie. Turkije is nooit een land geweest dat zo’n concept vertegenwoordigde. Bovendien kan de islam niet geclassificeerd worden als gematigd of niet.” Hij waarschuwde ook tegen een “kwaadaardige en beledigende benadering van de gevoelig kwesties in de islamitische wereld door zich te verschuilen achter bepaalde democratische vrijheden zoals vrijheid van meningsuiting”. In ”islamofobie” zag hij een groot kwaad, zo bleek uit zijn woorden

Als het onderscheid tussen islam en islamisme fictie is, wordt het des te meer van belang dat men beseft dat in de islam de verplichting geldt om altijd te proberen de ongelovigen met alle middelen te onderwerpen, vooral ook door list en bedrog. Dit beginsel heet “taqiyya” en wie met taqiyya noch abrogatie bekend is, kan door de propagandisten van de islam alles wijs gemaakt worden. Bijvoorbeeld dat de islam een “geloof van de vrede” is. De islam kan soms “slapend” schijnen, maar elke volksmenner met werkelijke kennis van de teksten,  kan elk moment de ware aard van deze ideologie te voorschijn roepen. Het bovenstaande vindt men uitgelegd in Michael Mannheimer “Het Opheffingsprincipe in de Koran”. Of zie Raymond Ibrahim, “Islam, Oorlog en Misleiding: het concept taqiyya”. Nog recenter van Ibrahim: “How Taqiyya Alters Islam’s Rules of War”. In ruimer verband wees Ibrahim er nog eens op dat leugenachtigheid de hele islamitische cultuur ook intern doortrekt. Liegen in dienst van de islam tegen ongelovigen is al helemaal een een goede daad, een daad van altruïsme, omdat onder de islam iedereen gelukkig zal zijn.

Een verwant, maar veel minder bekend begrip is “taysir”: ”de gemakkelijke weg”. In feite betekent het ongeveer hetzelfde als taqiyya. Als het de moslim te moeilijk lijkt om openlijk voor de verbreiding van het geloof op te komen, mag hij veinzen. Als hij het einddoel maar niet uit het oog verliest: wereldwijd de sharia invoeren! Zie Raymond Ibrahim (23 juli 2010), “Top Muslim Cleric Qaradawi Urges Western Muslims to ‘Liberalize’: Outwardly, Anyway”. Al Qaradawi is overigens de man die te zien is in een filmpje op YouTube, waarin hij meldt dat hij nog graag voor zijn dood als laatste daad at random Joden zou neermaaien, al was het in een rolstoel. Ook Berman verwijst naar dat filmpje.

Terug naar Paul Berman. Ik  ga een eentonig liedje zingen, waarin het refrein luidt dat Berman er alles aan gelegen is de Jodenhaat als iets oorspronkelijk christelijks en Westers neer te zetten. Als hij spreekt over de “Protocollen van de Wijzen van Zion” die rond 1900 door de tsaristische geheime politie werden samengesteld om de Joden van alles de schuld te kunnen geven, dan vergeet Berman niet te vermelden dat de Protocollen waren gebaseerd op “een slimme Franse hoax uit de jaren 1860 – wat de Protocollen maakte tot het zoveelste literaire product van de bandeloze Parijse verbeelding van de moderne tijd”.  En zowel het rijp maken van de geesten in de Arabische wereld voor het antisemitisme alsook de verspreiding van de Protocollen was volgens Berman het werk van christenen:

“Gedurende de eeuw waarin de nazi’s aan de macht kwamen, waren sommige van de Europese vormen van bijgeloof zichtbaar beginnen te bloeien in de Arabische wereld – in een paar christelijke hoeken van de Levant om mee te beginnen. In het midden van de 19e eeuw in Syrië, onder de Franse koloniale auspiciën, begonnen Cappucijner monniken met het verspreiden van de oude Europese volkse sprookjes over duivelse Joden en rituele moord. De christenen van Syrië waren de eersten om de Protocollen te presenteren in een Arabische vertaling. Vervolgens vonden de volkse sprookjes hun weg naar moslim-kringen – een noodlottige ontwikkeling. In 1938 circuleerden  de Protocollen en Mein Kampf al in Arabische vertaling op een Palestijnse solidariteitsconferentie in Cairo —  duidelijk aantonend dat oude Europese bijgeloven, netjes bij de tijd gebracht, een welkome ontvangst konden krijgen onder ontwikkelde Arabische en islamitische lezers en niet alleen onder de christelijke minderheid. De nazi’s moeten zeer vergenoegd geweest zijn.” [Mijn cursivering]

Berman geeft geen bron voor zijn suggestie dat het vooral de slechte christenen zijn geweest die de Arabische moslims verleid hebben met antisemitische pornografie en het  is natuurlijk ook donderdaverende onzin: de eigen traditie van Jodenhaat is in de islam enorm. Er zullen best ook christenen geweest zijn die in het Midden Oosten het verkeerde voorbeeld hebben gegeven, maar het gaat om vrij geïsoleerde historische “feiten”, die al dan niet weerlegd of bevestigd kunnen worden. Veel erger dan die foute christenen in het verre verleden vind ik de extreme wil van Berman om de islam zoveel mogelijk schoon te praten en het christendom de schuld aan de islamitische Jodenhaat in de schoenen te schuiven:

“[De nazi’s] moesten de massa van het Arabische moslimpubliek overtuigen dat Europese en christelijke vormen van bijgeloof gezien moesten worden als authentiek Midden Oosters en islamitisch. En voor allebei deze ideologisch uitdagende zaken, wendden de nazileiders zich voor praktische tips en praktische hulp tot dezelfde capabele en energieke persoon (  . . .) en die begiftigd was met een ziel die de nazi’s konden herkennen als sympathiek en broederlijk ( . . .) de Grootmoefti van Jeruzalem, Haj Amin al-Husseini ( . . .). “ [Mijn cursivering]

Kijk-kijk: is er dan géén sprake van een “ziel”van de islam, bijvoorbeeld een antihumaan-totalitaire en vanouds Jodenhatende ziel? Zou Berman dat te “essentialistisch” vinden? Het gaat slechts om de “ziel”van die ene stoute moslim, de moefti?  Inderdaad vind Berman echt dat de slechtheid in de ziel van de islam-als-geloof er uitsluitend in gebracht is door de christenen. Want als Herf in zijn boek zegt dat het nazisme een “fusie” aanging met de islam, daarbij erkennend dat er elementen waren waarmee “gefuseerd” kon worden, wil Berman graag een uiterst subtiel onderscheid aanbrengen. Hij zou liever spreken van een “mengelmoes: een beetje van dat en een beetje van dit, in slimme combinatie”. Zo maakt Berman, op nogal essentialistische wijze, de nazi-gifmenger, en daarmee de christelijke cultuur, toch weer de enige bron van kwaad. Want in deze visie kunnen de elementen uit de islam onschuldig zijn en pas geselecteerd-plus-in-combinatie-met-nazisme tot iets slechts worden.

Berman heeft het wel meer over “ziel”. Hij zegt: “Hier was de misdaad waartegen Abdelwahab Meddeb en zovele andere moslimliberalen, de antifascisten, hebben geprotesteerd vanuit de diepten van hun ziel.” Dat zijn dus de moderne, witte, individuele moslim-zielen van de islam. En tegen welke misdaad protesteren ze? Nou,  ik ken Meddeb niet, maar als we afgaan op wat Berman van hem zegt – “Meddeb is ook een voorvechter van de islam” – dan zal het protest, zoals gewoonlijk, niet tegen 1400 jaar reëel bestaan hebbende islam wezen, bloeddorst-theorie en terreur-praktijk, maar tegen de misdaad van de besmeuring van het “geloof van de vrede”. En door wie? Wel, natuurlijk door die andere  individuele “ziel”, die zwárte ziel, die ziel van Amin al-Husseini, die de collectieve witte “ziel” van de islam ontheiligd  heeft door de “helse en smerige vermenging van islam en nazisme”. Hierdoor zijn “de grotere islamitische principes van tolerantie en beleefdheid” en de  “islam van groothartigheid en beschaving” gecorrumpeerd. Berman is inderdaad vastbesloten er een kwestie van individuele “zielen” van te maken waar het de islam betreft: de islam als ideologie blijft buiten schot. Nou, “buiten schot”, nee: Berman loopt her en der de islam gewoon  te verheerlijken zoals men ziet. Maar hij had misschien wél even moeten vertellen waar die islam van de groothartigheid, de tolerantie, de beleefdheid en de beschaving te vinden is geweest. En dan zonder met de uitgekauwde en inmiddels uitgebreid weerlegde mythe van “el-Andaloes” te komen.

Bermans  opvatting dat de stralingsbron van het Kwaad uitsluitend  in Europa lag en de islam onschuldig was, wordt rechtsreeks uitgesproken, maar ook  indirecter en subtieler gesuggereerd. Maar het is net zo onmiskenbaar. Hij vergelijkt bijvoorbeeld de  politiek van de nazi’s in het Midden Oosten met de “Revolutionierungspolitik” zoals die door Lenin werd bedreven met op de achtergrond het Duitse opperbevel in WO I, die Lenin in een gepantserde trein naar Rusland stuurde om de revolutie te prediken en de Russische oorlogsinspanning te saboteren. Berman is de term “Revolutionierungspolitiek” tegengekomen in een boek met de titel “The Mind of Jihad” (Laurent Murawiec, 20008), maar desondanks komt het niet in hem op de vergelijking te maken met de stroom dollars richting Westen van de moderne oliesjeiks uit Saoedie Arabië en de Golfstaten teneinde Wahabistische imams en moskeeën in de Westers steden te financieren.  De term “Revolutionierungspolitiek” blijft gereserveerd voor het wroeten van de nazi’s in het Midden Oosten: de nazi-bombast, zegt Berman, “straalde krachtig naar buiten” (“beaming outward”) als een “getuigenis van de kracht van propaganda” en niet, zoals je toch ook zou kunnen vermoeden, van de verwantschap tussen nazisme en islam.

Maar de pervertering gaat bij Berman verder. Hij gebruikt de term “getuigenis van de kracht van propaganda” specifiek voor het injecteren van Jodenhaat door de nazi’s in een blijkbaar relatief puur en rein lichaam van de islam. Maar niet alleen schrijft hij de algemene Jodenhaat van de Arabische wereld aan de nazi-propaganda toe, hij bestaat het om de Jodenhaat van de reeds genoemd moderne, hedendaagse sheik al-Qaradawi, die doorgaat voor een groot en “gematigd” geestelijk leider in de islamitische wereld, toe te schrijven aan . . . . de nazi-propaganda van de jaren 1940-1945!.

“( . . .) wat opnieuw suggereert, dat, toen in de jaren 1940, toen Qaradawi een jonge man was, iets in de moefti’s retoriek en in de Arabisch-talige nazi-propaganda in bredere zin krachtig genoeg resoneerde om een blijvende echo achter te laten.”

Ik geloofde  pas dat ik het bij Berman echt gelezen had, toen ik het citaat vertaald had en opgetyped. Ook hier is dus een “ziel” tot slachtoffer geworden van de nazi’s, net als de ziel van Theo van Gogh, maar toch anders. We hebben het hier over de al-Qaradawi van het beruchte YouTube filmpje waarvan Berman zelf melding maakt en waarin de sheik zich begerig toont naar het willekeurige afslachten van Joden. We hebben het over de al-Qaradawi van wie Berman zelf meldt dat we hier te maken hebben met iemand die een “enorm bewonderde figuur is voor Tariq Ramadan” (en in Nederland door Ahmed Marcouch), de auteur van “Islamic Education and Hassan al-Banna”, die “al enige malen aangeboden heeft gekregen het ambt van ( . . .) Hoogste Leider van de Moslimbroederschap” en die desondanks doorgaat voor “gematigd”.  Hier is, kortom, een alumnus van de al-Azhar-universiteit van Cairo, een islamitische geestelijke van het hoogste niveau, die geacht mag worden de islamitische schriftelijke traditie tot in de puntjes te beheersen. Maar een eigen “ziel” wordt hem door Berman niet toegedicht. De welvarende sheik is alleen maar een misleide, een vroeg en tegelijk laat geestelijk slachtoffer van de nazi’s, zoals Theo van Gogh een lichamelijk slachtoffer was.

Merkwaardig, want hier spreekt Berman zichzelf tegen. Bij Amin el-Husseini, de moefti van Jeruzalem, was blijkbaar bij grote uitzondering een eigen, autonoom zwarte “ziel” wél aanwezig. Waarom niet ook een uitzondering voor al-Qaradawi gemaakt? Berman vindt al-Qaradawi “monsterlijk”. Dat zal toch niet te maken hebben met het rossige uiterlijk en de blauwe ogen van de moefti? Dus dat de moefti eigenlijk een blanke was en dus superieur en tot Zelfstandig Groot Kwaad in staat? Ach nee, zover zal Berman toch niet gaan? Maar racisme is het hoe dan ook van Berman. Minimaal het betuttel-racisme dat “links” als een Pavlov-reactie produceert als er verantwoordelijkheid gelegd dreigt te worden bij exoten.

Mallmann en Cüppers (“Habmond und Hakenkreuz”) volgend, vertelt Berman van de plannen die er bestonden voor een “Endlösung” in het Midden Oosten. Mobiele vergassings-installaties, reeds uitgeprobeerd in Oost-Europa, waren bestemd om eerst in Egypte en vervolgens in Palestina te worden ingezet. Deze mobiele vergassinginstallaties stonden lente 1942 klaar om verscheept te worden naar Egypte. Een “Einsatzkommando” onder SS-er Walther Rauff  had tot taak om, als Rommel in de zomer van 1942 er in zou slagen door de Engelse tank-linies te breken, de Jodenmoord systematisch op te zetten: in Egypte, Palestina en Syrië.  Het “Einsatzkommando” telde slechts 24 man, maar de praktijk in Oost-Europa had geleerd dat zo’n eenheid snel uitgebreid kon worden als het “werk” eenmaal begonnen was en dat er bovendien al vlug willige massamoordenaars onder de locale bevolking gevonden werden.  Echter: zowel in Rusland (Stalingrad) als in Egypte (el-Alamein) leden de nazi-legers rond november 1942 beslissende nederlagen. Het werd het keerpunt in de Tweede Wereldoorlog. De geplande Holocaust voor het Midden-Oosten was afgewend.  Voorlopig althans, want de genocidale aanvallen op Israël van 1948, 1967 en 1973 zouden nog volgen. En president Ahmedinejahd van Iran werkt in onze dagen aan een Holocaust-als-Nucleaire- Apocalyps.

De radio-oproepen van de moefti waren, volgens Berman:

“( . . .) de stem van de SS, op walgelijke wijze vertaald in de geest van de islamitische heilige teksten, die de Arabische bevolking moest voorbereiden om deel te nemen aan de campagne die Rauff en zijn Einsaztgruppe Ägypten al van plan waren te voeren.” [mijn cursivering]

Berman spreekt van “heilige teksten”, zonder kwalificatie. En er was géén authentieke islam-stem die het kwaad predikte. Dat was een SS-stem!  Volgens Berman was het ook erg moeilijk om in de islam aanknopingspunten voor de nazi-ideologie te vinden:

“[Nazi]-Geleerden vlooiden de Koran door op zoek naar pasages die geïnterpreteerd zouden kunnen worden als pro-Hitler, in de hoop om, zoals de kaiser voor hem, de führer te kunnen presenteren als de vervulling van Koranische profetieën. Verzen uit de Koran werden gekoppeld aan ‘Mein Kampf’ en de resultaten werden uitgestraald over de kortegolfzenders naar het Midden Oosten.” [mijn cursivering]

Merk op dat Berman de zelfstandige Duitse naamwoorden Kaiser en Führer met een kleine letter schrijft en Koran met een hoofdletter. Het ontbreekt er nog net aan dat hij, als Obama in zijn Cairo-speech spreekt van de “Heilige Koran”. Of neen, dat ontbreekt er niet aan: de “heilige teksten” waarvan Berman repte, daarmee zal toch ook zeker de Koran bedoeld zijn. Berman bereikt zelfs een zekere woestheid in het claimen dat de nazi’s eenzijdig een onschuldige islam hebben bedorven:

“De nazi’s zelf voelden klaarblijkelijk de kracht van hun propaganda. Ze vroegen zich af hoe ver ze konden gaan. Konden ze nóg wildere claims maken aangaande nazisme en islam en ermee blijven wegkomen? Wat als ( . . .) Hitler nou eens een nieuwe goddelijke openbaring had gekregen, zoals de profeten uit vroeger tijden? Kon Hitler niet gepresenteerd worden als een nieuwe profeet, Mohammed overtreffend ( . . .). Als ze nou eens Hitler aan de Shia van Iran voorstelden als een Sjiïtische Mahdi? Hitler de Twaalfde Imam?” [Mijn cursivering]

Al lezende ben ik langzaam steeds meer gaan twijfelen aan het vermogen tot . . . eh . . . introspectieve zelfanalyse van New-York-top-intellectual Berman. Anderen, althans andermans teksten weet hij aardig te analyseren, maar iemand die tot in het krankzinnige eenzijdig de invloed van het nazisme op de islam benadrukt en niettemin ergens op de helft van zijn essaybundel het volgende schrijft, heeft toch een probleempje met  . . . eh . . .  zelfobjectivering: “Of zal iemand beweren dat ik, in mijn presentatie van deze ontwikkelingen in het Midden Oosten,  te veel maak van de nazi-bijdrage? Ik wil niet toegeven aan de verleiding van een één-oorzaak-verklaring, en het allerminste aan verklaringen die factoren van buiten de regio benadrukken.”

Ik weet het niet zeker, het is een speculatie, maar het lijkt alsof Berman toen hij eenmaal zijn insteek voor zijn opstel (The Cairo Embassy Files) had gekozen en al een flink eind schrijvend op weg was, is gestoten op het werk van Mathias Küntzel (“Djihad und Judenhaß. Über den neuen antijüdischen Krieg”, 2002) en vooral op dat van Andrew Bostom.

De laatste, Bostom, is de man die de expansieve oorlogszucht en de Jodenhaat in de islam vanaf de tijden van Mohammed tot in onze dagen als geen ander heeft vastgelegd in zijn hoofdwerken “Legacy of Jihad: Islamic Holy War and the Fate of the Non-Muslims” (2005) en “Legacy of Islamic Antisemitism: From Sacred Texts to Solemn History” (2008). Want midden in zijn opstel brengt Berman een nuancerende vraag aan, die hem desondanks niet tot nuancering van de strekking van zijn opstel heeft gebracht. Eerst stelt Berman vast dat de moefti “niet droomde van een soort post-islam, in de stijl van het Baathisme” en dat de moefti “trouw aan zijn islamistische gezichtspunt” bleef en dat de moefti vond dat de islam“zichzelf voldoende” was, een “religie perfect in zichzelf en die geen bijkomende programmapunten nodig had van de nazi’s of van iemand anders”-  maar dat de mufti desondanks van mening was dat “de islam, in zijn perfectie, parallel liep met het nazisme ( . . ) hetgeen betekende dat, in de mufti’s inschatting, vrome moslims en militante nazi’s natuurlijke bondgenoten waren en dat een door de nazi’s gesponsorde jihad een goed idee was.”

En vervolgens komt dan die prangende nuancerende vraag die de Berman van dit opstel nauwelijks islamkritischer heeft gemaakt en evenmin coulanter tegenover de Joods-christelijke beschaving:

“De hele discussie over gedeelde waarden [tussen nazisme en islam] roept een vraag op die ik het beste maar rechtstreeks kan beantwoorden. De Groot-Moefti van Jeruzalem – was hij iets op het spoor?”

Goeie vraag! En doe vooral eens rechtstreeks beantwoorden! Was de moefti iets op het spoor, was hij “on to something”, zoals Berman vraagt? Zou toch kunnen? Op het spoor van bijna 1400 jaar Mohammedaanse Jihad en Mohammedaanse Jodenhaat misschien, theorie en praktijk? Zoals vooral gedocumenteerd door Andrew Bostom?  Jihad en Jodenhaat. Jodenhaat en Jihad. Jawel. Dat vat 1400 jaar islam heel behoorlijk samen.

Als men, zoals Berman, een opstel schrijft over het verband tussen nazisme en islam, dan zou hij met het werk van Andrew Bostom moeten beginnen. En als men, zoals Berman, de these verdedigt dat de islam door het nazisme bezoedeld en geperveerterd is, dan lijkt het mij geboden om eerst die twee boeken van Bostom te weerleggen. En bovendien kennis te nemen van een polemiek die hij voerde met Matthias Küntzel

We beginnen met die polemiek van Bostom met Küntzel. De verdiensten van Küntzel worden door Andrew Bostom erkend, maar volgens Bostom gaf Küntzel blijk van een enorme lacune in zijn historische kennis van Jihad en Jodenhaat in de islam. In een dertig pagina’s tellende polemiek met Küntzel onder de titel “Brothers of Invention” (en met name in de paragraaf  “Islam, Totalitarianism, and Nazism”) concludeert Bostom dat Küntzels voorstelling van zowel Jihad als islamitische Jodenhaat “slechts schimmen van deze fenomenen” zijn, kunstmatig geconstrueerde abstracties, niet geworteld in de geschiedenis van de islam. Het aandeel “nazisme” in Jihad en Jodenhaat wordt volgens Bostom door Küntzel veel te groot gemaakt en het eigen aandeel van de islam veel te klein. Er wordt, volgens Bostom, “een excessief groot brok nazisme” door Küntzel in zowel Jihad als Jodenhaat gestopt. Bovendien, zo meent Bostom, doet Küntzel het voorkomen alsof beide, Jihad en Jodenhaat,  pas onder druk van het Westerse imperialisme in de 19e eeuw door de Moslim-broederschap, Sayyid Qutb en Hassan al-Banna, zijn “uitgevonden”.  Berman, die blijk geeft ook Küntzel te kennen, is blijkbaar ook door Küntzel beïnvloed, niet alleen door Mallmann/Cüppers en Jeffrey Herf.

De vraag of de islam een nazisme avant la lettre genoemd mag worden – het pendant en après zijn zeer gemakkelijk te bewijzen – komt grotendeels neer op de vraag of het nazisme iets nieuws toevoegde aan de islamitische leer. Dat de Jood als almachtig werd voorgesteld, was misschien een vernieuwing die de nazi’s inbrachten, maar was en is dat doorslaggevend voor de wil tot massamoord onder vele Arabieren op de Joden? Bat Ye’or, ook niet de eerste de beste in islamibus, meent van niet: “op het niveau van de leer, is de nazi-invloed secundair aan de islamitische basis”. En dat blijkt inderdaad uit de vooral door Bostom beschreven theoretische en praktische Jodenhaat vanaf de oorsprong, door alle eeuwen en overal waar de islam zich bevond. Dat blijkt uit het feit dat de pogroms in Palestina van de 19e eeuw en die van 1921 en 1929,  net zo min als de “Arabische Opstand” van 1936 – 1939 nog niet aan nazi-propaganda  geweten konden worden. Dat blijkt uit het gemak waarmee de nazi-Jodenhaat in de eigen Jodenhaat-traditie van de islam opgenomen kon worden. Je kunt wel alle nadruk op de kiemkracht van het nazi-zaad leggen, maar was het niet eerder de vruchtbaarheid van de bodem?

Bostom heeft overvloedig, met een oceaan aan documentatie, aangetoond dat dé twee bepalende essenties van het nazisme de Jodenhaat en de oorlogszucht óók inherent zijn aan 1400 jaar islam, theorie en praktijk. Maar ik heb de indruk dat Berman de betekenis van Bostom niet goed tot zich heeft laten doordringen, laat staan dat hij er serieus op in gaat. Hij noemt niet Bostoms “Legacy of Jihad”, alleen zijn “Legacy of Antisemitism”, wat hij kwalificeert als een “vette anthologie” met een “voorwoord van de formidabel erudiete geleerde Ibn Warraq”. Ja, vet is Bostoms “anthologie” zeker, met 766 pagina’s die vier keer zoveel woorden bevatten als de pagina’s van Bermans “Flight of the Intellectuals”. En Ibn Warraq is niet alleen “formidabel erudiet”, maar hij heeft met al die eruditie ook een fors essay geschreven waarin Warraq, voorzover dat nog nodig was, aantoont dat de islam een totalitair systeem is, vergelijkbaar met communisme, fascisme en nazisme.

Bovengenoemde twee boeken van Bostom zijn niet zo maar boeken, zelf niet zomaar “vette anthologieën”. Flapteksten zijn altijd jubelend. Maar als Steven T. Katz, de directeur van het “Elie Wiesel Institute for Judaic Studies (Boston University) op de flap van “Legacy of Antisemitism” zegt dat we hier te maken hebben met (we doen even Engels, for authenticity’s sake) “a groundbreaking event of major scholarly, cultural and political significance” dan zegt deze Katz niks te veel. Ayaan Hirsi Ali, Martin Gilbert, Victor David Hanson en Martin Peretz voegen zich in het koor van de flaptekstloftuitingen.  Maar op de een of andere manier schijnt het alsmaar niet door te dringen wat dit boek, wat beide boeken van Bostom betekenen. Ook bij Berman niet. Zijn ze gewoon te dik? Je kunt voorlopig overigens volstaan met het samenvattende overzicht geheten “Islamic Antisemitism: A Survey of Its Theological-Juridical Origins and Historical Manifestations.” Dat zijn de pagina’s 31 tot en met 205. Hou er wel rekening mee dat dat er ongeveer 1000 woorden op een pagina staan. Voor “The Legacy of Jihad” geldt iets dergelijks. Een goed overzicht krijgt men als men leest “Jihad Conquests and the Impostion of Dhimmitude – A Survey” op de pagina’s 24  tot 124.  Hier tellen de pagina’s overigens slechts de reguliere 500 woorden.

Ik kan, geloof ik, toch het beste de auteur zelf laten beschrijven wat het vroegste boek  (“The Legacy of Jihad) behelst. Hier is de samenvatting van dat boek door de schrijver zelf:

“The Legacy of Jihad ( . . .) bevat theologische en juridische teksten, ooggetuigenverslagen van historische gebeurtenissen door zowel moslims als niet-moslims, kroniekschrijvers naast essays door vooraanstaande geleerden die analyses geven van de jihad-oorlog en van de regels van overheersing die werden opgelegd aan niet-moslim-volken die onderworpen waren in die jihad-campagnes. “The Legacy of Jihad” onthult hoe een millennium lang over drie continenten – Azië, Afrika en Europa – niet moslims werden overwonnen middels Jihad-oorlogen, onder dwang vaste tribuut-betalers werden (dhimmi’s in het Arabisch)  met als alternatief afgeslacht te worden. Onder het religieuze dhimmi-kaste-systeem, waren niet-moslims onderworpen aan wettelijke en financiële onderdrukking, alsook aan sociale uitsluiting. Omvangrijk primair en secundair bronnenmateriaal, veel ervan hier voor het eerst vertaald in het Engels, wordt gepresenteerd en maakt duidelijk dat jihad-veroverigen zeer wrede imperialistische rooftochten waren, waardoor golven van moslims werden geprikkeld uitgestrekte stukken land te onteigenen en miljoenen autochtonen te onderdrukken. Tenslotte onderzoekt het boek hoe de Jihad-oorlog, als een permanent en uniek-islamitisch instituut, in laatste instantie tot op de dag van vandaag de verhoudingen regelt van moslims met niet-moslims. “

Dat is één kenmerk waarin de islam – en dus niet het ”islamisme”! – overeen komt met het nazisme:  in de oorlogszucht, de gewelddadige expansiedrang, met het “bijkomende” verschijnsel van het in slavernij brengen van “Untermenschen”. Maar hét onderscheidende kenmerk waarin het nazisme genetisch zit vastgeklonken aan de islam is de Jodenhaat.

En dat kenmerk wordt behandeld in Bostoms “Legacy of Islamic Antisemitism” (2008). Ibn Warraq zegt in het voorwoord van dat boek:

“Gedurende de laatste vijftien jaar hebben bepaalde Westerse geleerden geprobeerd te beargumenteren dat, ten eerste, islamitisch antisemitisme, dat wil zeggen haat tegen Joden, slechts een recent verschijnsel is, geleerd van de nazi’s gedurende en na de jaren 1940, en dat, ten tweede Joden eeuwenlang veilig leefden onder moslim-heerschappij, speciaal gedurende de Gouden Eeuw van moslim-Spanje. Beide beweringen worden niet gesteund door het bewijsmateriaal.” [mijn cursivering]

Die laatste zin lijkt mij het understatement van het millennium: “niet gesteund door het bewijsmateriaal”. De bronnenbasis van dit boek, net als van “Legacy of Jihad”, is overdonderend. In dit boek valt, bijvoorbeeld, zéér zwaar gedocumenteerd te lezen hoe vanaf het jaar Onzes Here 638, waarin de Arabieren Palestina bloedig onder het kromzwaard brachten, tot op de dag van vandaag de terreur tegen de Joden van de kant van de islamitische Arabieren niet aflatend is geweest. Dat is dus gedurende bijna 1400 jaar. Die islamitische Jodenhaat – en niet alleen voor Palestina, voor elk gebied waar de islam in 1000 jaar Jihad zijn vernietigende voet zette! –  wordt door Bostom gedocumenteerd via de primaire “heilige geschriften” van de islam zelf, van Koran tot hadith tot sira en verder de hele canonieke interpretatieleer van de ”grote denkers” van het Mohammedanisme, van de wellicht slechts mythische Profeet zelf (plm. 570- 632) tot al-Maududi (1903-1979). Die islamitische Jodenhaat wordt door Bostom óók gedocumenteerd middels een vracht literatuur die op primaire bronnen steunt. Het maakte niet veel uit of het de Arabieren waren of de Turken die de terreur uitoefenden. In 1356, met de inname van het schiereiland Gallipolis, beginnen de Turken de Arabieren als islamitische heersers af te lossen en begint het Ottomaanse Rijk “dat van Europa zijn favoriete slagveld zou maken” (Oriana Fallaci) op te komen. Als definitieve aflossing van de wacht – Turken ipv Arabieren – geldt in het algemeen de val van Constantinopel in 1453, dat voortaan Istanboel zou heten.

Welke vorm had die bijna 1400 jaar niet aflatende terreur onder de islam? Die terreur had deze vorm: haat jegens Joden, massamoord op Joden, “gewone” moord op Joden, marteling van Joden, het laten betalen door Joden van dermate uitzinnige speciale belastingen dat Joden van uitputting vanzelf crepeerden, plus in het algemeen dagelijkse intense vernedering van Joden. Zelfs van deze lezer, gehard in het kennis nemen van de Jodenhaat in de islamitische wereld, maakte zich bij het lezen van Bostom telkens weer een zekere misselijkheid meester. Hier kreeg de uitdrukking “ad nauseam” een letterlijke betekenis. Wie een “academische“ discussie zou willen aangaan over de vraag of het Mohammedanisme wel een “Hitlerisme avant la lettre” genoemd zou mogen worden, zou na lezing van Bostoms boek die neiging wellicht kwijt kunnen raken.

Ik moet misschien toch maar eens gewoon twee voorbeelden geven van de documentatie van Bostoms “Islamic Antisemitism”:

[juni/juli 1834] “De Arabieren slachtten de Joden af die Safed [in het noorden van het huidige Israël] niet konden ontvluchten. Velen, die zich verborgen hadden in grotten en op begraafplaatsen werden opgespoord door de vandalen en gedood in hun schuilplaatsen . . . Zij toonden geen medelijden tegenover de ouderen of de jongeren, kinderen of zwangere vrouwen. Zij verbrandden Torah-rollen en verscheurden heilige boeken, verscheurden gebedssjaals en phylacteries . . . De relschoppers martelden vrouwen en kinderen in de synagoges en ‘onteerden’ christenvrouwen voor de ogen van hun echtgenoten en kinderen. Degenen die hun vrouwen en kinderen dapper probeerden te verdedigen werden vermoord door de bandieten.”

Wie, ondanks het feit dat alle bronnen hetzelfde verhaal vertellen, deze bron niet gelooft (Malachi, “Studies in the History of the Old Yishuv”) zou het bovenstaande in het licht kunnen zien van wat twee Schotse priesters schreven die datzelfde Safed vijf jaar later  in 1839 bezochten:

“Wij waren onder de indruk van het melancholieke karakter van de Joden in Jeruzalem. De beschamende goedkoopte van hun kleding, hun bleke gezichten en de timide uitdrukking ( . . .) We kwamen tot de bevinding dat al de Joden hier [in Safed] in een staat van grote verontrusting leven ( . . . ) de Bedoeïnen dreigden elke dag de stad aan te vallen en te plunderen ( . . . ) We zagen hoe arm gekleed de meeste Joden schenen te zijn. ( . . .) De diepe angst kon gemakkelijk afgelezen worden alleen al van de uitdrukking op hun gezichten ( . . . ). En dat alles in hun eigen land.” (Bonar en McCheyne, “A Narrative of a Mission of Inquiry to the Jews from the Church of Scotland in 1839”)

“In Europa,  en tot op zekere hoogte in de VS, worden we geconfronteerd met een klasse van intellectuelen of pseudo-intellectuelen die het nu in academia, de kerk, vele staatsinstellingen en grote delen van de pers zo’n beetje compleet voor het zeggen hebben en die van mening zijn dat Europa als beschaving en cultuur waardeloos is. Dat al wat wij onderwezen kregen toen ik naar school ging racistisch is, kapitalistisch, imperialistisch, xenofoob, onderdrukkend en neerbuigend jegens andere delen van de wereld en de grote meerderheid van de mensheid. Deze dagen claimen onze elites dat alle kwaad in de wereld voortkomt uit de verderfelijke invloed en machinaties van het Westen en zijn lakeien in het buitenland. Slechts een paar dagen geleden hoorde ik op radio Denemarken, die een van de grotere verspreiders is van deze anti-Westerse ideologie, dat Israël de schuld is van het feit dat Palestijnse mannen hun vrouw slaan. Het moet een geweldig feest zijn geweest om een vrouw te zijn in die contreien vóór 1948. Maar dit is wat we nu onderwezen krijgen in onze instellingen van hoger onderwijs, in de kerken en in de pers: het Westen is waardeloos en hoe eerder wij vervangen worden door een ras van nobele wilden des te beter.”

Dit zijn woorden die Lars Hedegaard uitsprak op 8 maart 2008 in Kopenhagen bij de uitreiking aan Ibn Warraq van de “Free Press Award”. Door deze Ibn Warraq, die volgens Berman dus “formidabel erudiet” is, heb ik mij bij de nu volgende twintig pagina’s over de islam laten inspireren. Van Ibn Warraq zelf komt overigens een rake typering van de linkse politieke hedonist: “Teneinde deze psychologische spanning (of dissonantie) te elimineren, ontkent Links elementaire feiten of herinterpreteert ze zodanig dat ze consistent gemaakt worden met diep gekoesterde overtuigingen.”

Het totalitaire en nazistische karakter van de islam.

Ibn Warraq

Zoals gezegd heb ik in de volgende twintigtal pagina’s de eer te leunen op de schouders van bovengenoemde Ibn Warraq, het pseudoniem van een veteraan in de strijd tegen het Mohammedanisme. Warraq is een afvallige moslim van Pakistaanse afkomst. In “Why I am not a Muslim” (1995) doet hij verslag van het intellectueel-emotionele proces dat aan zijn uittreding vooraf ging in. In 2007 kwam hij nog verder “uit de kast”, in die zin dat hij zijn gezicht toonde op een internationaal congres van islamcritici. Dat is niet zonder gevaar, want de meest algemene opvatting onder de ”oelema”, de schriftgeleerden van de islam is dat een afvallige dood moet. De gezaghebbende “sheik” Yusuf-al-Qaradawi meent dat de meeste islamitische “juristen” voor de doodstraf zijn inzake afvalligheid.

Warraq schreef een aantal boeken, waaronder  “Leaving Islam: Apostates Speak Out”, vertaald als “Weg uit de Islam: Getuigenissen van Afvalligen” (2003). Dat boek bevat verhalen over de angst, de bedreigingen, de pijn en de sociale terreur waarmee in onze tijd nog steeds het verlaten van de islam gepaard gaat. In het voorwoord bij de Nederlandse uitgave, geschreven door Afshin Ellian, wordt de grote intellectuele en morele betekenis van Ibn Warraq geschetst. “Weg uit de Islam” bevat aan het slot een reeks appendices, met als titel “De islam staat terecht: het tekstuele bewijs”. In deze appendices toont Warraq heel overzichtelijk vele teksten van de Islam waarop de misdadige moraliteit van de islam gebaseerd is. De titels van de appendices die uit de moslimbronnen Hadith en Sira putten, luiden: “De wreedheid van Mohammed”,  “De Jodenhaat van Mohammed”, “Mohammeds opdracht tot moord op zijn tegenstanders”, “Mohammeds leven als bandiet, rover en plunderaar van karavanen”, “De intolerantie tegenover andere godsdiensten”, “Mohammeds racisme” en “Mohammeds houding tegenover vrouwen en zijn relaties”. Voor de Koran heeft Warraq hetzelfde gedaan. Hij geeft precies de soera’s aan die onverdraagzaam en oorlogszuchtig,  anti-Joods, wreed en sadistisch dan wel vrouwvijandig  zijn. Tenslotte geeft hij de nummers van de soera’s die alleen al taalkundig bewijzen dat de Koran nooit het letterlijke woord van Allah kan zijn.

Deze Ibn Warraq heeft in 2009 een speciaal essay gewijd aan de “Apologeten van het totalitarisme”. Warraq valt hierin o. a. “de sentimentele oecumenische traditie” richting islam aan waarin christenen als H.A.R. Gibb, W. M. Watt en John Esposito staan. Ook aan de “linkse”oervader van het islam-mooipraten, Michel Foucault, wijdt hij een speciale paragraaf, om diens domme dwepen met Ayatollah Khomeiny aan de kaak te stellen:

“Michel Foucaults onkritische bewondering voor de islamisten in Iran, vanaf 1978, doet herinneringen herleven aan de grote traditie van de intellectuelen van Links die aanvankelijk het Terreur-regime van Stalin ontkenden, vervolgens de wreedheden minimaliseerden en tenslotte ze privé erkenden maar weigerden ze publiekelijk aan de kaak te stellen. Robert Conquest geeft het voorbeeld van Sartre die vond dat het bewijs voor de dwangarbeidskampen van Stalin genegeerd ( . . .) moest worden om het Franse proletariaat niet te ontmoedigen.”

Warraq begint het essay over de islam-apologeten met citaten van een aantal mensen die in het verleden op het totalitaire karakter van de islam hebben gewezen. Met name óók van een aantal bij uitstek deskundigen, zoals de oervader van de Nederlandse islamografie, Christiaan Snouck Hurgronje (1857 -1936), die meende dat de islamitische wet erop gericht was “het religieuze, sociale en politieke leven van de mensheid in al zijn aspecten te controleren, het leven van volgelingen in absolute zin en degenen die [door de islam] getolereerde religies aanhangen in een mate die voorkomt dat hun activiteiten de islam ook maar iets in de weg leggen.” Andere islam-deskundigen die Warraq opvoert zijn: Charles Watson, schrijvend in de jaren 1930 en toen missionaris in Egypte. Manfred Halpern (1924 – 2001) en Maxime Rodinson (1915 -2004). Beroemde niet-specialisten die Warraq opvoert zijn: Carl Jung (1875 – 1961), Bertrand Russell (1872 – 1970) en Karl Barth (1886 – 1968). Het liefst zou ik ze allemaal citeren, maar dat zou teveel ruimte vragen.

Er blijven trouwens vele stemmen over die Warraq niet noemt zoals Winston Churchill (1874 – 1965) die vernietigend  over het Mohammedanisme oordeelde. Gustave Flaubert (1821- 1880) wenste “de  zwarte steen”, de Kaäba in Mekka, te verbrijzelen. Arthur Schopenhauer (1788 – 1860), vermocht niets waardevols in de islam vinden. Warraq noemt ook Jacob Burkhardt (1818 – 1897) niet. Ik haal hem hier graag aan omdat Burckhardt in fijnzinnige kringen, die felle kritiek op de islam meestal onprettig vinden, als een autoriteit geldt.

Hier ontbreekt mij de ruimte om de hele bloemrijke ontboezeming van Burckhardt omtrent de islam te citeren. Ik zou het graag om sentimentele redenen hebben gedaan: ik heb van Burckhardt als jongeling ooit “Die Kultur der Renaissance in Italien” gelezen in een blauw zijden uitgave met een roodfluwelen leeslint erin. Dat die fijnzinnige man tot zulke genadeloze oordelen over de islam in staat was! Of zou het juist door die erudiete gevoeligheid komen? Enfin, de trefwoorden bij Burckhardt zijn: droog, troosteloos, simpel, onderdrukkend:  „de ellendige Koran“ verhindert elke ontwikkeling van recht en politiek; “de meest troebele Christelijke contemplatie en ascese was voor de cultuur niet zo schadelijk als de islam“; “diabolische hoogmoed tegenover de niet-islamitische inwoners en tegenover andere volken, bij periodieke vernieuwing van de geloofsoorlog”; “erbarmelijke geschiedwetenschap”; ”er ontbrak de algemene drang naar het doorgronden van de wereld en haar [natuurkundige] wetten”.  Enzovoort.

Van de stemmen die Warraq wel en niet optekende, van al die voorlopers van Geert Wilders dus die op het totalitair-antihumane karakter van de islam wezen, lijkt het mij leerzaam, vooral voor de huidige leiders van de Nederlandse PvdA, om de theoloog Karl Barth (1886 – 1968) te citeren. Karl Barth heeft een grote rol gespeeld in de toenadering tussen christenen en seculieren in de politiek na WO II. De gelovige christen Barth was zelf lid van een sociaal-demokratische partij. In Nederland kreeg deze toenadering gestalte in de zogenaamde “doorbraak” van 1946, toen christelijk-kerkelijk geïnspireerden gingen samenwerken met sociaal-democraten in de Partij van de Arbeid.

In St. Michielsgestel hadden de nazi’s een aantal Nederlandse prominenten gevangen gezet met verschillende achtergrond: christelijk, liberaal en sociaaldemocratisch. Ze hadden daar veel tijd om met elkaar te praten en ontdekten dat een samengaan in één partij mogelijk moest zijn. In 1946, bij de oprichting van de PvdA werd de “doorbraak” inderdaad een feit. In dat nader tot elkaar komen van al die gezindten speelden de theologie van Karl Barth en de filosofie van het “personalisme” een grote rol. Mede-opichter van de PvdA, Willem Banning (1888 -1971), was een prominente verspreider voor Nederland van het gedachtegoed van Karl Barth en het personalisme. Over dat Barthiaanse personalisme kan je veel literatuur vinden en heel ingewikkeld doen, maar het kwam erop neer dat juist in de nazi-tijd deze politieke gevangenen beseften dat het aankwam op het individuele standpunt en de individuele keus. Van waaruit de inspiratie kwam – humanisme, liberalisme, sociaal-democratie of christendom – was secundair, zo besloot men. Uit deze geschiedenis hebben de huidige PvdA-leiders een fataal foute conclusie getrokken, namelijk dat moslims vooral áls moslims deel moeten kunnen uitmaken van de partij. Alsof de huidige moslims, in doorsnee, best wel vergelijkbaar zouden zijn met de verlichte christenen en de liberalen van 1946, die als gezamenlijk kenmerk een afwijzing van het nazisme hadden. In dit opstel wordt nu juist betoogd dat moslims een ideologie aanhangen, die verwant is met het nazisme. En dat is ook precies wat Karl Barth beweert. Zowel Wouter Bos als Job Cohen, respectievelijk de gewezen en de huidige leider van de Nederlandse PvdA, hebben meer dan eens naar deze “doorbraak” verwezen om de islamofiele politiek van de PvdA te rechtvaardigen. De grote man achter deze doorbraak had echter een heel andere kijk op de islam:

In de jaren 1930 schreef Barth dat het nazisme:

“(  . . .) op het punt waar het weerstand ontmoet, ( . . .)  alleen kan verpletteren en doden – met de macht en het recht die behoren tot het Goddelijke! Zoals we weten placht de islam op deze manier te werk te gaan. Het is onmogelijk het Nationaal Socialisme te begrijpen tenzij we het zien als een nieuwe islam, en Hitler als Allah’s nieuwe profeet. ( . . .) Maar er is één gebed met betrekking tot het heersende Nationaal Socialisme dat ( . . .) mag en moet worden gebeden, in alle ernst, door Christenen in Duitsland en over de hele wereld. Het is een gebed dat werd gebeden tot in de 19e eeuw volgens de oude Baselse Liturgie: ‘Haal neer de bastions van de valse profeet Mohammed!’ ( . . .) En daar hebben we het – we zijn vandaag, geheel Europa, opnieuw in gevaar vanwege de Turken. En deze keer hebben ze zowel Wenen als Praag al ingenomen. ( . . .) In de tijd van de oude Turkse dreiging wisten ze het wel. En ze wisten het beter, wisten het met meer overgave aan de wil van God en met minder zwak geweeklaag dan wij vandaag.” [cursivering in het origineel]

Het zijn beroemde namen die allemaal in niet mis te verstane bewoordingen de islam met het totalitaire nazisme, dan wel met het totalitaire communisme hebben vergeleken. Maar een systematische analyse van dat totalitaire karakter geven deze grote namen niet. Ibn Warraq zelf ondernam daartoe wel een poging. Hij toetste in zijn opstel “Islam, Middle East and Fascism” uit 2006 de Islam aan 14 “oerkenmerken” van het fascisme die Umberto Eco opsomde. Dat stuk van Eco verscheen oorsponkelijk in de “New York Review of Books”, 22 Juni, 1995.  Ik vat hier Eco’s kenmerken samen tot een elftal: traditionalisme-cultus;  irrationalisme;  activisme;  dogmatisme (verbod op kritiek); rancune; samenzwerings-denken; oorlogsverheerlijking; elitisme; doodsverbonden heroïek; seksualiteit als machtsmiddel in dienst van het machismo; enige vorm van Orwelliaanse new-speak.

Zoals gezegd heb ik mij laten inspireren door Warraq, die zich op zijn beurt heeft laten inspireren door Eco, maar het hier gestelde is uitdrukkelijk mijn betoog. Andrew Bostom  heeft het opstel van Warraq terecht “briljant” genoemd, maar ik wil niet volstaan met een samenvatting van Warraqs essay. Ik schrijf in deze paragraaf een eigen verhandeling over niet alleen het totalitaire, maar ook het specifiek nazistische karakter van de islam, onder erkenning van de intellectuele schuld aan Ibn Warraq en Umberto Eco.

Het totalitaire van de islam komt tot uiting zowel in de inhoud van de leer, alsook in de mate van verplichtendheid van die leer. Over de verplichtendheid kunnen we kort zijn: op afvalligheid van de islam staat een straf ergens tussen sociale uitsluiting (die een sociale dood is) en naarmate de greep van de islam vordert, de doodstraf. Over de inhoud moeten we iets langer van stof zijn. Ik zal er zo’n twintig pagina’s over doen.

Het Mohammedanisme staat diametraal tegenover de Joods-christelijke traditie. “Islam” betekent letterlijk onderwerping” en een “moslim”, een benaming die taalkundig daarvan is afgeleid,  is dus “hij-die-zich-onderwerpt”. Die onderwerping dient totaal en onvoorwaardelijk te zijn. Frans Groenendijk heeft in zijn boek “Islamofobie?” opgemerkt dat in de termen islam, islamiet en moslim een universele claim zit, die onterecht is. De moslims beweren zich te onderwerpen aan dé (enige) God. In moslimse ogen is iedereen moslim, maar beseffen of erkennen vele mensen dat nog niet. De moslimse godheid “Allah”, heeft, volgens de islamitische mythe, via de engel Gabriel tot Mohammed gesproken. In deze mythologie is Mohammed niet alleen de boodschapper van Allah, maar ook de beste mens die ooit leefde. De navolging van Mohammed is het hoogste goed in de islam. Vandaar dat ik in deze tekst naast islam en moslim de term Mohammedanisme en Mohammedaan gebruik.

Waar Groenendijk overigens spreekt van “universele claim” zou men ook kunnen kiezen voor “totalitaire claim”. Temeer is die term verkieslijk omdat in de oerbelijdenis van de Mohammedaan – Hans Jansen heeft er ooit op gewezen – een totalitaire aanmatiging besloten ligt: “Ik getuig dat er geen God is dan Allah. En Mohammed is zijn profeet.” Hier wordt niet alleen het eigen geloof in een God uitgesproken, maar tevens aan ieder ander verteld dat zijn God niet kan bestaan. Ook niet mág bestaan, want onderworpen en geïslamiseerd moet worden zoals de hele geloofsleer van het Mohammedanisme niet ophoudt te betogen.

Net zo min als de hierboven geciteerde prominenten uit tijden van vóór de politiek-corrrecte ziekte, zijn sommige pro-islam-ideologen onduidelijk over het karakter van de islam. Ibn Warraq haalt een van de invloedrijkste aan, al-Maududi (1903 -1979), een die thuishoort in een rijtje van de “groten”,  zoals je dat de sinds de tijd van Ibn Taymiyyah (1263 – 1328) zou kunnen opstellen, en waarin dan namen zouden voorkomen als Hassan al-Banna(1906 – 1949) en Sayyid Qutb (1906 -1966):

“In werkelijkheid is de islam een revolutionaire ideologie ( . . .) die erop uit is de sociale orde van de hele wereld ( . . .) te herbouwen in overeenstemming met zijn eigen leerstellingen en idealen. ( . . .) En ‘Jihad’ heeft betrekking op die ( . .) uiterste inspanning die de islamitische partij in het geding brengt om dat doel te bereiken.”

Nog eens al-Maududi:

“De islam wenst alle staten en regeringen te vernietigen die tegen de ideologie (. . .) van de islam zijn, waar dan ook op aarde.”

Nog meer totale onderwerping. De Koran geldt voor de Mohammedaan als het letterlijke woord van God (Allah) en bovendien als “eeuwig en ongeschapen”. Dat wil zeggen dat de Koran er eerder was dan de dinosaurussen, of sterker nog, al bestond vóór de oerknal. De Koran is pré-kosmisch. Kijk, zo’n boek geeft zekerheid! Soera 2:2 zegt dan “Dat is de schrift waaraan geen twijfel is, een rechte leiding voor de vrezenden.”  En Soera 5:3: “Heden heb ik voor u uw godsdienst volmaakt gemaakt en heb ik mijn weldaad aan u volledig bewezen en de Overgave met welgevallen als godsdienst aanvaard.” Het boek zegt dus over zichzelf dat het volmaakt is en er niet aan getwijfeld dient te worden. En deze Koran nu, waarin God zelf spreekt, laat er geen misverstand over bestaan dat de Koran letterlijk moet worden nagevolgd en dat er buiten de Koran niks van belang bestaat.

Ook in het heelal zelf is volgens de Mohammedanen iets totalitairs aan de hand. Dat heelal is namelijk niet onderworpen aan natuurwetten, die door de mens gekend kunnen worden. Als Allah morgen besluit de baan van Mars heel anders te laten lopen of de aarde voortaan andersom te laten draaien, dan gebeurt dat gewoon. Allah’s kosmische willekeur is ook aanwezig in de kleinste details van natuur en mens. Dat die ene haar van gindse kameel die u daar ziet een beetje dwars ligt, komt omdat Allah dat zo wil. Een gevolg van deze opvatting is geweest dat het onderzoeken en opsporen van natuurwetten nooit populair is geweest in de islamitische cultuur, zodat de Mohammedaanse wetenschappen nooit een erg hoge vlucht hebben genomen. Hier wordt trouwens een verder erkend aspect van het totalitaire zichtbaar: de willekeur en de angst die dat aanjaagt. Je weet het maar nooit met Hitler, Stalin, Mao en Mohammed-Allah.

Islamograaf en Arabist Hans Jansen:“Dat God redelijk is, betekent ook dat de schepping logisch in elkaar steekt, en dat wetenschappelijk werk zinvol is. De islam ziet dat anders. God/Allah is de schepper, maar, leert de islamitische theologie, elk deelmoment herschept hij de wereld met al wat in haar is. Bij die herscheppende arbeid is hij aan geen enkele beperking onderworpen, ook niet aan die van redelijkheid of rechtvaardigheid. Dit leidt tot een wereldbeeld waarin techniek en wetenschap zinloos zijn. Het christendom daarentegen koestert een naïef realisme. De wereld bestaat gewoon, en het heeft zin te proberen de wereld de begrijpen of te verbeteren. Vandaar prachtige uitvindingen als narcose en telefoon.” [mijn cursivering]

Nu is de Koran wel het kosmische woord van Allah waarvan de strekking over het algemeen duidelijk is,  maar toch, voor de echt totalitaire regeling van ook de kleinste details van het dagelijkse leven, niet voldoende eenduidig. Om over alle voorschriften in de koran – de duidelijke en de minder duidelijke, de grote lijnen en de details – volstrekte zekerheid te krijgen, grijpen de Mohammedaanse ideologiebewakers, de “oelema”, de “wetenden” naar het voorbeeld van Mohammed. Wat zei of deed de Profeet in het dagelijks leven in een gegeven geval?

Het geheel van wetten volgens welke moslims worden geacht te leven wordt meestal samengevat in het woord “sharia”. De schriftgeleerden,  de “oelema”, de ”wetenden” zijn zoals gezegd de enige interpretatiegerechtigden en zij communiceren die interpretaties richting de gewone gelovigen in zogenaamde “fatwa’s”. Dat zijn niet per se terdoodveroordelingen, zoals na de fatwa van Khomeiny aangaande Salman Rushdie wel wordt gedacht, maar beslissende uitspraken inzake religieuze kwesties. Maar pas op! In de islamitische cultuur is álles religieus. Daarom is het een totalitair systeem.

De Indiase auteur Arun Shourie laat in zijn boek “The World of Fatwas, or the Sharia in Action” (1995) zien waarom de “ulema” altijd winnen. In de eerste plaats omdat lid worden van deze club van “wetenden” alleen mogelijk is voor de meest vromen onder de gelovigen. En dat zijn, weinig verrassend, altijd de meest fundamentalistische. In de tweede plaats hebben de “wetenden” maar weinig bewegingsruimte omdat zij vast zitten aan de consensusverplichting: wat eenmaal is besloten is voor altijd besloten. In de derde plaats hebben de “wetenden” de macht. Wie zich tegen de “wetenden” keert is zijn leven niet zeker. De leden van de “ulema” zijn rechter en wetgever tegelijk. En wat voor wetgever! Er is geen enkele millimeter in het leven van de islamiet waarover het gezag van de “ulema” niet geldt. Van hoe je op de wc moet zitten tot erfrecht tot huwelijksrecht tot de juiste gebedshouding tot de snit van de baard van de man. Het gaat over ieder denkbaar onderdeel van het leven waarbij opmerkelijk veel ruimte is gereserveerd voor beslissingen over sperma, vaginale afscheiding, voorvocht, pies en poep. Er zijn ook talloze fatwa’s over wat er gebeuren moet met de geit die seksueel is benut. Is er klaargekomen in de geit? Mag hij dan in het andere moslimdorp verkocht worden en daar geslacht en geconsumeerd?  Het gaat tot in de krankzinnigste details. Niets is vrij. Totalitair begint hier als aanduiding tekort te schieten.

Iedere islamiet die zich afvraagt of iets wel of niet is toegestaan heeft maar één bron om zijn vraag aan te stellen: de “ulema” in hun moskeeën en madrassa’s. Iedere andere bron is verboden. Elke poging tot redelijke kritiek van Westerlingen op het totalitaire systeem wordt als volstrekt absurd en heiligschennend gezien. Iedereen van buiten de islam is uitgesloten van het spel. Christiaan Snouck Hurgronje schreef dat “met de Oelama’s (schriftgeleerden) niet te onderhandelen valt daar hun leer en eigenbelang meebrengen dat zij alleen voor geweld zwichten”.  Vandaar dat Snouck destijds de regering aanraadde deze moslimleiders “zeer gevoelig te slaan”.

De Profeet geldt in de islam als hét grote voorbeeld om na te volgen. Maar als Warraq in navolging van Eco spreekt over het elitisme als kenmerk van het oerfascisme en de islam, trekt Warraq de lijn niet door naar het Führer-principe van het nazisme, hoewel daar alle aanleiding toe is. Zowel in Jeffrey Herf (“Nazi-propaganda”) als in Mallmann/Cüppers (“Halbmond”) staan passim de bewijzen dat Hitler naadloos in de islam-ideologie paste en de Profeet met de Führer vergeleken werd. Uitgerekend Benny Morris – wiens frauduleuze en anti-Israëlische geschiedschrijving door Efraim Karsh aan de kaak is gesteld en waaraan ik een opstel heb gewijd (“Israëls ‘nieuwe historici’: de leugenfabriek van Benny Morris cum suis”) – schreef onder de titel “Toen stuurde Allah Adolf Hitler” een recensie van het boek van Herf ( “Die Welt” 30 januari 2010), waarin Herfs sappigste Jodenhaatcitaten van de moefti Van Jeruzalem zijn opgenomen. Morris citeert Sayyid Qutb een geestverwant van de moefti:

“ De Joden keerden naar het Kwaad terug ( . . .) de moslims verdreven hen van het Arabisch schiereiland ( . . .) De Joden keerden opnieuw terug naar het Kwaad ( . . .) toen stuurde Allah Adolf Hitler om hen te beheersen (!!) En tegenwoordig zijn de Joden andermaal naar het Kwaad teruggekeerd in de gestalte van Israël ( . . .).” Allah zou, meende Qutb, nu wel heel gauw “de allerergste straf” uitdelen aan de Joden. [mijn cursivering]

De Profeet, het ultieme rolmodel voor de moslim, was een roverhoofdman en polygamist, die massamoord beging en opdracht tot sluipmoord gaf. We kennen het leven van de mythische Mohammed uit de zogenaamde “hadith” en “sira”. De wijze, overigens, waarop ik Mohammed hierboven benoem, wordt door de relativistisch-deconstructivistische policorgemeente der postmodernen wel “essentialistisch” genoemd en ook het analyseren van de islam zelf in zijn antihumaan-totalitaire trekken, zoals in deze paragraaf van mijn opstel gebeurt, wordt wel met die term gediskwalificeerd.  Maar dan moet dat toch “essentialistisch” zijn zoals in de stelling “Auschwitz was een vernietigingskamp”. Want je kunt van Auschwitz heel veel dingen méér zeggen, zoals je van de mens Mohammed heel veel meer kunt zeggen, maar het bovenvermelde lijkt  toch . . .  eh  . . .  ja, inderdaad: essentieel. Dat blijft dan toch waarachtig het woord. Mohammed Bouyeri stak een dreigbrief richting Ayaan Hirsi Ali met een slagersmes vast in de borst van Theo van Gogh. In die brief noemde Bouyeri zijn voornaamgenoot, de grote Profeet “de lachende doder”. Essentialistisch?

Héél kort en welsprekend vat Machteld Allan het karakter van het Mohammedanisme samen: (“De gewelddadige islam”, Volkskrant 12-01-07):

“De moslimse bronnen over Mohammed vertellen een rijk verhaal uit vroegmiddeleeuws Arabië, dat echter wat ongemakkelijk gaat aanvoelen als je je realiseert dat het geen literatuur is, maar actuele geloofsethiek. Mohammed leidde in totaal 27 militaire campagnes, was op zeker moment met negen vrouwen tegelijk getrouwd, joeg zijn vijanden onbekommerd over de kling, beschouwde de vrouwen en kinderen van een overwonnen vijand als buit en hield er slaven op na. Hij streefde naar politieke macht door een combinatie van gewapende strijd, opportunistische allianties en bedrog van de vijand, stelde die macht gelijk aan de onderwerping aan Allah, beschouwde afvalligheid als desertie en andersom, en liet een complete joodse clan – 700 mannen – onthoofden. Zijn ‘spreekwoordelijke’ vergevingsgezindheid bleef beperkt tot zijn volgelingen; degenen die hem als profeet afwezen, wenste hij allerlei pijnlijkheden toe.” [mijn cursivering]

De hadith zijn de handelingen en woorden van de profeet in het dagelijkse leven, dus als de engel Gabriël even niet bezig was Allah’s woorden aan hem door te geven. De hadith, de “gewone” woorden en daden van de Profeet die door de ”oelema” van het keurmerk van echtheid zijn voorzien, hebben voor de Mohammedaan nagenoeg dezelfde status als de woorden van de koran zelf. Ze zijn “heilig”. Een buitenstaander zou zelfs de indruk kunnen krijgen dat Mohammed voor de gemiddelde moslim belangrijker is dan Allah zelf, gezien de tomeloze razernij die “belediging van de Profeet”, van de voorbeeldige mens bij uitstek dus, bij moslims teweeg kan brengen. Dat is wel verklaarbaar, want “Allah” blijft in het Mohammedanisme wel een erg abstracte en kille willekeursvorm, terwijl de mythische Mohammed met veel bloed naar het triviale leven getekend wordt. Dit Führerprinzip is natuurlijk in het Christendom ook te vinden, als de “Navolging van Christus”, maar de Navolging van Mohammed is toch echt naar inhoud, mate van verplichting en na te volgen persoon totaal anders.

“Mijn gemeente zal niet overeenstemmen in een dwaling”, is een uitspraak van de mythische Mohammed. Dat zou men voor een vorm van democratie kunnen houden, maar het tegenovergestelde is het geval: hier komen het Führerprincipe, het elitisme en het totalitaire samen: de gewone moslim was altijd uitgesloten van die “overeenstemming”, alleen de elkaar coöpterende klieken van “geestelijken” hadden hier “stemrecht”. Van binnenuit lichtjes hervormen is sporadisch door individuen geprobeerd. Dit werd altijd gesmoord. Er is nooit enige vernieuwing tot stand gebracht. Redelijkheid, rationaliteit, het denken in “oorzaken”, is in de islam niet toegestaan. Hervormers zijn altijd vermoord of verbannen. Ongeveer tot 200 jaar na de dood van Mohammed is er nog enige ruimte geweest voor persoonlijke opvattingen, maar daarna was de consensus toch dat geen moslim meer iets kon toevoegen of verbeteren aan de bestaande traditie. Die is vervolgens alleen nog maar verhard. Men kan zich immers voorstellen wat er tegen een would-be hervormer vanaf zo ongeveer 900 a. D. wordt gezegd: “Denk jij nou echt dat er in de afgelopen eeuwen geen enkele geleerde moslim is geweest die gezien heeft wat jij nu ziet? Zag zelfs Mohammed het niet? Zagen de metgezellen van Mohammed het niet? Als het waar is wat jij zegt, zou het allang tot de traditie behoren.” Hans Jansen, “Zelf koranlezen” (2008) zegt:

“Dit gezag van de consensus maakt het moeilijk om iets te bereiken voor wie grootscheepse hervormingsplannen mocht koesteren. ( . . .) Conservatieve tegenstanders ( . . .) kunnen met een beroep op de consensus (die door God gewild moet zijn anders was hij niet tot stand gekomen) gemakkelijk aantonen dat zo’n hervormer niet met hen maar met God zelf de strijd is aangegaan.”

Het onveranderlijke, granieten karakter van die elitaire consensus over de traditie kan niet genoeg benadrukt worden. Daar zit je dan als hervormer tegenover agressieve dan wel quasi-poeslieve baardmannen. Die, als jij niet héél gauw inbindt, jou gaan beschuldigen van “belediging van de Profeet” of “bezoedeling van de islam”. Dat is al zo goed als een doodvonnis. En je poging iets te veranderen aan de interpretatie van de traditie hoeft maar héél subtiel of klein te zijn. De “denkers” van de “ulema” weten de kleinste afwijking voor te stellen als een geweldige misdaad. De gekwetste gevoelens worden luid en met veel misbaar geëtaleerd. De “hervormer” is binnen de kortste keren als een misdadiger neergezet. De schriftgeleerde heren schuwen het geweld niet. Wie “de weg van Allah” blokkeert is oorzaak dat de wereldvrede langer op zich laat wachten. Want als de hele wereld islamitisch is zal iedereen in vrede leven. Wereldvrede verhinderen is een ernstig misdrijf. Alle middelen zijn geoorloofd om zo iemand uit de weg te ruimen.

Dit elitair-totalitaire-onder-een-Führer is tegelijk . . . . . . populisme! In zowel fascisme-nazisme als in het Mohammedanisme berust er wel quasi-legitimiteit in het “Volk”, maar niet als individuen die vrije keuzes maken, maar slechts als kwantiteit, als “eenheid” en bovendien onder de juiste leiding. In zowel islam als fascisme als nazisme is de hoogste leiding in handen van een ideologie gepersonifieerd in een “duce”, een “Führer”. In de islam is dat Mohammed. Een democratie doet echter een beroep op het individu en geeft het individu rechten.

Het elitisme is een aspect van het intern-totalitaire van de islam, maar er is ook een extern-totalitaire kant, die tot uiting komt als Uebermenschen-gedachte en in de vorm van minachting voor andere culturen: xenofobie. De vanzelfsprekendheid waarmee moslims zichzelf superieur achten is de arrogantie voorbij. Warraq citeert “Frithjof Schuon een Westerse bekeerling tot een mystieke variant van de islam”. Deze Schuon moet een merkwaardig mens zijn, want iemand die de koran heeft gelezen en mentaal verder is dan een vierjarige kan in de islam onmogelijk “mystiek” zien. Maar desondanks  ziet deze Schuon dit toch helder:

“( . . .)  de gemiddelde moslim die een merkwaardige neiging heeft te geloven dat oftewel niet-moslims best weten dat de islam de Waarheid is en alleen maar afwijzen uit pure hardnekkigheid, oftewel gewoonweg er niks van weten en bekeerd kunnen worden door een basale uitleg; dat iemand gewetensvol in staat zou kunnen zijn om zich tegen de islam te verzetten gaat de verbeelding van de moslim te boven, juist omdat in zijn geest de islam samenvalt met de onweerstaanbare logica der dingen.”

“Het Westen” mag dan het geheime verlangen van veel gewone ingezetenen van de islamitische wereld uitdrukken naar humaniteit en vooruitgang, de Orwelliaanse praktijk van de islamitische wereld schrijft officieel haat en verachtig voor. In een artikel in de  Internationale Spectator van november 2004 (“De terreur van de brandende afgunst”) zegt Hans Jansen:

“Het zijn vooral de tijdschriften, kranten en televisie-programma’s die druipen van haat. Het stereotiep van een Westerling is ongeveer: een sexueel van de rails gelopen aan alcohol verslaafde atheïstische kindermoordenaar die rijk is geworden door bedrieglijke financiële manipulaties waar moslims het slachtoffer van zijn geworden. Dat beeld wordt er in het openbaar dag in dag uit ingehamerd. Er is niets in het Westen dat qua haatpropaganda bij deze zaken ook maar in de buurt komt, in frequentie, in heftigheid, of in kwaadaardigheid.”

Zelfs luisteren naar Westerse muziek geldt als zeer onwenselijk. Voor zover er wel belangstelling is, wordt die belangstelling gekenmerkt door opportunisme en parasitisme. Warraq citeert “een politieke analist” in de jaren 1990:

“Arabieren kunnen zeer wel op de hoogte zijn van geldkoersen en het nieuwste gerucht rond de vooruitzichten van de Westerse economieën, maar ze weten verrassend weinig over hoe Westerse maatschappijen en regeringen werken. Zelfs zij die in het Westen leven of het vaak bezoeken in vakanties hebben er niet veel begrip van, omdat ze in de meeste gevallen, als ze er zijn, omgaan met andere Arabieren, voornamelijk uit hun eigen bestaande netwerk, ze hebben geen belangstelling voor de cultuur, geschiedenis of instellingen van het land waarin ze leven.”

In de discussie in Nederland over immigratie en integratie van moslims is dat trekje door Paul Scheffer ook wel eens opgemerkt. Scheffer gebruikte het beeld van een boomgaard waarvan de immigranten wel de vruchten willen plukken, terwijl ze geen belangstelling hebben voor de boomgaardenier en zijn werk en werkwijze. Sterker nog, zou ik willen aanvullen, vaak vijandig tegenover die boomgaardenier staan. Hier ligt een parallel met het opportunisme en parasitisme dat de houding van de islam tegenover alle culturen die ooit onderworpen werden kenmerkt. In de veroverde gebieden profiteerde de islam nog een aantal eeuwen van de vrije creativiteit en de verworvenheden van de aanwezige culturen. Ten onrechte worden deze verworvenheden vaak als zijnde islamitisch benoemd. De islam heeft echter nooit een eigen scheppingskracht bezeten. Je kunt het ook anders formuleren: de islam heeft de eigen scheppings-kracht van de veroverde culturen nooit per direct weten te onderdrukken, maar zo gauw de “ulema” overal zijn zuignappen had vastgezet, was het uit met de creativiteit en de vooruitgang. Al kon het wel tweehonderd jaar duren voor de laatste vonken gedoofd waren.

De twee grote sprookjes op dat gebied zijn inmiddels ontmaskerd: ten eerste de fabel van de tolerante islamitische samenleving in “El-Andaloes” en ten tweede de bewering dat de islamitische wereld aan ons de klassieke erfenis van de Grieken en Romeinen en van “Byzantium” zou hebben doorgegeven, zoals Sylvain Gougenheim  in zijn “Aristote au Mont Saint-Michel” (2008) uitlegt.  Een boek waaruit men kan leren dat vooral Sigrid Hunke (1913- 1999), een nazi-ideologe en vriendin van Himmler,  aan de basis van deze geschiedvervalsing stevig heeft meegetimmerd.

Veel moslims staan, zoals gezegd, vijandig tegenover het Westen. Zelfs de moslims die in het Westen wonen en er de vruchten van plukken. Met grote vanzelfsprekendheid wordt alle ellende en stagnatie binnen de islam aan een samenzwering van het Westen onder leiding van de Joden geweten. Maar de ideologie die zichzelf al 1400 jaar superieur acht, is hopeloos achterop geraakt sinds de Verlichting in West-Europa doorzette. Moreel was de islam altijd al inferieur aan het christendom, maar met de waterscheiding van 1683, toen de islamitische Ottomanen (Turken) voor het laatst voor Wenen werden teruggeslagen) bleek ook de technologisch-organisatorische achterstand definitief. De frustratie en rancune daarover moeten een factor zijn in de agressieve beschuldigingen sinds die tijd richting  het Westen. Deze rancune is dermate vanzelfsprekend geworden voor de islamitische cultuur dat men misschien van rancunisme kan spreken, dus van een ziektebeeld. Het rancunisme komt voort uit het onvermogen om zelfs in de primaire behoeftes van de eigen bevolking te voorzien waarbij de evident superieure toestand in het Westen een slag in het gezicht is voor een cultuur die een heel ander zelfbeeld heeft, namelijk vanzelfsprekend superieur. Het resultaat is geweest slachtoffergedrag, een voortdurend naar het Westen wijzen als de schuldige voor alle kwalen in de islam en bijgevolg een voortdurend groeiende haat jegens het Westen, maar ook steeds meer “fundamentalisme” volgens een proces dat Marcel Kurpershoek (zie verderop) beschrijft. Er kunnen in de islam zo’n beetje twee oorzaken zijn voor de problemen: de kwaadaardigheid van het Westen (de Joden) en het feit dat de islam niet streng genoeg wordt toegepast.

In het nazisme stond de oorlogsverheerlijking centraal. Niet minder echter in het Mohammedanisme vanwege de rechtstreekse opdracht van Allah aan de moslim de hele wereld met geweld te onderwerpen en te brengen tot het ene ware geloof, de islam. De gewelddadige Jihad, de heilige oorlog, is een centraal leerstuk van de islam. In het communisme bestond de wereldwijde “permanente revolutie”, de wil tot verspreiding van het socialisme via geweld, maar daar was het geweld toch meer instrumenteel, middel tot een doel en werden in elk geval in de ideologie nog rechtvaardigheid, gelijkheid en humanisme met de mond beleden. Zowel bij nazisme als Mohammedanisme lijkt het geweld meer “genetisch” en is ook in de ideologie niets van enige humane doelstelling te vinden. Integendeel: de wereld moet onderworpen worden aan een Uebermenschen-leer waarin elke “ongelovige” en speciaal de Jood de centrale vijand is. De islam heeft voorts niet alleen de Jood als Jood, maar ook de vrouw als Jood, die nog veel explicieter dan in het nazisme een inferieur wezen is.

Onder de titel “Afgeslacht in naam van de eer”stond in “de Pers” van 12 september 2010 een artikel over “eremoord” op vrouwen waarin natuurlijk de islam niet ontbrak. Het artikel meldde dat “veel vrouwenbewegingen in het Midden-Oosten en Zuidwest-Azië” vermoeden dat het misschien wel om 20.000 vrouwen per jaar zou gaan. Ik zelf schreef naar aanleiding van dit stuk: “( . . .) maar als ik mijn natte vinger zo intuïtief mogelijk gebruik en daarbij mijn gezonde instincten ook verder niet uitschakel dan zou ik zeggen dat, zeker in vergelijking met het persbericht uit 1983 – waarin sprake is van honderden vrouwen dagelijks in de Arabische wereld alleen – een schatting van honderd eerwraaksgewijze vermoorde vrouwen per dag in die hele grote islamitische wereld toch niet zó idioot hoog is. Dan kom ik op zegge zesendertigduizend-vijfhonderd en op schrijve óók 36.500 vrouwen uit. Dat is bijna het dubbele van het vermoeden van “veel vrouwenbewegingen”. Dat zijn er in het glorieuze bestaan van de islam gedurende 1400 jaar dik 50 miljoen. Dat is een moleculaire Holocaust. Een dun uitgesmeerde Holocaust, maar wel een Holocaust en in volume nog veel gigantischer dan die andere van 1939-1945. Ik bedoel: als je dit racistische geweld tegen vrouwen een beetje spreidt over een langere tijd, dan hoef je het niet industrieel aan te pakken en in een paar jaar te proppen, zoals de nazi’s deden.”

Voor wie het genoemd persbericht uit 1983 wil lezen en de verontrusting van Rudy Kousbroek erover, moet even op bovenstaand  linkje klikken. En voor wie een getuigenis wil zien en horen van de ultieme bedoeling van de islam – een stelsel dat oude kerels in staat moet stellen om zoveel mogelijk zo jong mogelijke meisjes te neuken – kijkt even naar de getuigenis van een moslim die vertelt hoe imam Khomeiny een vijfjarig meisje uit elkaar heeft getrokken. Er wordt beweerd dat Khomeiny ook seks met babies mogelijk achtte. Ik ben geneigd het te geloven.

Ik noemde de islam racistisch. Dat zal ik uitleggen. De islam is niet alleen racistisch vanwege het “theologische racisme” en het antisemitisme dat van de Arabische kansels stroomt, dat van de Arabische tv-zenders knalt, dat uit de islamitische school-boeken druipt. Want als wij als definitie van racisme accepteren het inferieur verklaren van medemensen op grond van een lichamelijk kenmerk – bijvoorbeeld van een zwarte huid, van scheve ogen, van een bepaald soort neus en dus ook van een spleetje tussen de benen – dan is ook op die grond de islam racistisch.

De “liberale” en kritische moslims die in de geschiedenis zouden zijn opgetreden, blijken bij nadere beschouwing minder liberaal en kritisch te zijn geweest dan de naïeve Westerling is wijsgemaakt door generaties kritiekloze “islamologen”. Ze blijken bovendien de “heilige oorlog” onverkort te hebben aangeprezen: Ibn Warraq geeft een paar voorbeelden van anti-rede en gewelddadigheid juist bij deze geprezenen: bij Ibn Khaldun (1332 – 1406) en bij Averroës (1126 –1198). Khaldun:

“In de moslim-gemeenschap is de heilige oorlog religieuze plicht, vanwege de universaliteit van de zending van de moslims en de verplichting iedereen te bekeren tot de islam, hetzij door overreding hetzij door geweld.”

Voor overreding mag men hier natuurlijk gerust bedreiging en intimidatie lezen. Vooral Averroës (Ibn Roeshd) wordt vereerd door Westerse islam-apologeten en valselijk als uithangbord voor de liberaliteit van de islam gebruikt. Maar hij klinkt bepaald niet liberaal als hij het heeft over de Jihad:

“Volgens de meerderheid van de geleerden, is de verplichte aard van de jihad gebaseerd op soera ii. 216: ‘vechten is voor u voorgeschreven, ook al staat het u tegen.’ De verplichting deel te nemen aan de jihad is van toepassing op alle volwassen vrije mannen die de middelen hebben om ten oorlog te trekken en die gezond zijn, ( . . .) geleerden zijn het erover eens dat alle polytheïsten bestreden moeten worden. Dit is gebaseerd op soera viii.39 ‘Bevecht hen tot er geen vervolging meer is en de religie geheel van Allah is.’ ( . . .) De meeste geleerden zijn het erover eens dat, bij de behandeling van krijgsgevangenen, de imam verscheidene handelingsmogelijkheden heeft. Hij kan ze pardonneren,  tot slaven maken, vermoorden, of ze vrijlaten voor losgeld of als dhimmi [uitgebuite rechtelozen, wonend in islam-land]. In het laatste geval is de vrijgelaten krijgsgevangene verplicht de bijzondere personele belasting [jizya] te betalen. ( . . .) De Profeet zelf besloot in sommige gevallen krijgsgevangenen buiten het slagveld te doden. Vrouwen bracht hij in slavernij ( . . .) De moslims zijn het erover eens dat de oorlog tegen de mensen van het Boek ( . . .) tweeledig is: bekering tot de islam of betaling van de personele belasting [jizya].”

Tot zover deze 12e eeuwer. Men ziet: de grote Averroës moraaltheoloogt geheel binnen de immorele kaders van de Koran. Maar tenslotte moest hij toch op de vlucht voor zijn islamitische meesters. Dirk Verhofstadt schreef op de website “Liberales” op 12 mei 2006 een recensie ter gelegenheid van de verschijning van de vertaling uit het Arabisch van een werk van Averroës getiteld “Het beslissende woord”. Verhofstadt zegt: “Zo stelde Averroes dat geen enkele (empirische) bewijsvoering kon leiden tot iets wat in tegenspraak was met de heilige tekst.” Nogmaals Verhofstadt: “In de jaren zeventig van de twaalfde eeuw werd hij eerst verbannen naar een geïsoleerde plaats dichtbij Cordoba en vluchtte uiteindelijk voor het geweld van zijn tijdgenoten naar Marrakech. Zijn stellingen werden veroordeeld, hij moest voor een tribunaal verschijnen en zijn boeken werden verboden en verbrand, en veel van zijn werken zijn permanent verloren gegaan als gevolg van de censuur.”

De policor-gemeente voert niettemin Averoës op als parel van de liberale islam. Machteld Allan:

“Terwijl de moslimse orthodoxie Averroës’ werk als heidens had verworpen en zijn boeken in Andalusië waren verbrand, werd het werk in het Westen levend gehouden door zijn joodse leerlingen en in de christelijke scholastiek, tot een aantal van zijn geschriften in de negentiende eeuw, door het werk van Duitse Oriëntalisten, opnieuw beschikbaar kwam in de Arabische wereld. Tot op de dag van vandaag is de Averroës-interpretatie een niet-moslimse aangelegenheid gebleven.“

Het is alsof je Amalrik, Sacharov, Solsjenytsin of Havel opvoert als een icoon van het communisme. En dan dus nog met dien verstande dat de veelgeprezen liberale Averroës  eigenlijk nauwelijks kritisch was ten opzichte van de islam in vergelijking met die Sovjet-dissidenten tegenover het communisme.

In een door de islam veroverd gebied zijn de ongelovigen rechteloos en overgeleverd aan wat  de“oelema” (de “wetenden”, de islamitische heersende klassen) over hen beschikken. Dat is in het beste geval onderdrukking, uitbuiting en vernedering, maar massaslachtingen zijn in de geschiedenis van de islam routineus verricht, vooral als er verzet gepleegd werd tegen het “Geloof van de Vrede”. Bekend is de massaslachting na de val van Constantinopel (tegenwoordig Istanboel) waar in 1453 de islamitische bloedorgie drie dagen duurde. Dat “jihad” zoiets zou betekenen als “innerlijke strijd” van de moslim om een nóg beter mens te worden is een leugen, net als de bewering dat jihad een defensieve oorlog zou zijn. Zowel Koran, als hadith als nagenoeg alle commentaren van de “oelema” door de eeuwen heen, definiëren “jihad” als offensieve gewapende strijd, als op imperialisme gerichte oorlog. Daarnaast moet men erg op zijn hoede zijn als de ulema spreken van “defensief:” deze “wetenden” zien namelijk reeds het afwijzen van de islam als een daad van agressie die de “verdedigingsoorlog” rechtvaardigt.

Typisch voor fascisme en nazisme is de cultus van heroïsme en dood. De doodskop was niet toevallig het SS-embleem bij uitstek. In de islam komen de heroïek en de dood samen in de verering van de “martelaar”. Umberto Eco ziet seksueel machismo als een logisch aspect van oorlogsverheerlijking. Het machismo uit zich in onderdrukking van vrouwen en agressie jegens elk afwijkend seksueel gedrag. Koran, hadith en commentaren van bekende moslim-geleerden staan bol van dit machismo jegens vrouwen. De Koran staat de man, strikt en letterlijk genomen, vier vrouwen, toe. Maar de koran kan, volgens de “oelema” op de meeste plaatsen slechts begrepen worden in het licht van de hadith, het voorbeeld van de Profeet, en dan komt het erop neer dat een moslim naast zijn minimaal vier vrouwen “slavinnen” kan hebben naar hartelust.  “En als jullie vrezen ten aanzien van de wezen niet juist te handelen, trouwt dan met zoveel vrouwen als jullie goeddunkt, twee, drie of vier. Maar als jullie vrezen haar niet rechtvaardig te kunnen behandelen, dan [liever] met één of meer slavinnen waarover jullie beschikken. Dat is het meest voor de hand liggende om onrechtvaardigheid te voorkomen. (IV:3)” Ibn Warraq in “Weg uit de islam” geeft zes pagina’s vol citaten uit koran en hadith die gaan over de discriminatie jegens vrouwen in de islam.

De vrouw als moeder zou men een aparte categorie kunnen noemen: is de vrouw in het algemeen naast seks-object middel om met veel agressief vertoon de “eer” te verdedigen, de “moeder” is alléén nog maar instrument in het eer-vertoon, een drogreden om zich heftig beledigd te kunnen betonen.

Dat punt van geweld, van militarisme is een essentieel moreel punt. Daarom verdient het verschil met het christendom benadrukt te worden: in de bijbel vindt men, zegt specialist Pieter van der Horst , beschrijvingen van specifieke gevallen van geweld door mensen, in de Koran een universele oproep tot in principe eeuwig geweld tegen alle ongelovigen. Hans Jansen, in “Islam voor Varkens, Apen Ezels en andere Beesten”, zegt het zo:

“De Bijbel is een heel ander boek dan de Koran. De Koran is een monoloog van God, terwijl de Bijbel verhalen over God bevat, verhalen van feilbare mensen. De Koran roept op tot bloedvergieten, terwijl de Bijbel wel over allerlei bloederige gebeurtenissen vertelt, maar niet tot geweld oproept. In de islam heeft Allah altijd gelijk, terwijl er in de Bijbel, maar ook in latere teksten als de Talmoed, flink met God wordt geredetwist. Voor de rest is het een eigenaardige gedachte dat linkse intellectuelen met enige geestdrift het christendom beschimpen, maar boos worden als je kritiek uit op de islam.”

Misschien is dit eenvoudigste manier om te zeggen wat de essentie van de islam is: de dode man is het hoogste ideaal. Maar niet zomaar een dode man: hij moet gesneuveld zijn “op het pad van Allah”. En die gesneuvelde man heeft veel geluk. Niet alleen omdat hij absoluut zeker het hellevuur ontloopt, maar ook omdat hem, in flagrant contrast hiermee, voor eeuwig 72 jonge maagden tot zijn beschikking staan. “De liefde voor de dood” waarvan men zoveel hoort in de islam, is tegelijk de liefde voor het Eeuwige Bordeel. En het is speculatief: maar zouden de oudere mannen, die meestal de leiding hadden over de islamitische staat, nooit  hebben getwijfeld aan het bestaan van dat paradijsbordeel? En hebben ze die jonge mannen, prooi van hun hormonen, nooit tegen beter weten in, gesterkt in hun waan? Het misleiden van die jonge mannen en het naar buiten richten van hun ongenoegen en agressie bracht veel voordeel: geen behoefte aan “vadermoord”, gebiedsuitbreiding, waarschijnlijke buit waaronder slaven en slavinnen. En mochten ze sneuvelen, die jonge mannen, dan waren er weer des te meer vrouwen voor de oudere leiders beschikbaar.

Bij totalitarismen gaat aan de externe oorlog een interne oorlog vooraf. Het aan de macht komen van beide moderne totalitaire bewegingen, nazisme en communisme, was in feite niks anders dan één grote “zuivering”, via sluipmoord, massamoord, intimidatie en showprocessen. Zo ook bij de islam. Vervolgens, als de macht veroverd is, trekken alle drie types totalitarisme  – islam, communisme, nazisme – de wereld in om met geweld zuiverheid te verbreiden. Anders gezegd: het Freund-Feind-Prinzip wordt eerst toegepast op de “innere Feind” en als die afdoende geëlimineerd is, dan kan de blik gericht worden op de “aussere Feind.” Dit principe is typisch totalitair en misschien zelfs typisch nazistisch en het huist in elke porie van de islam: wie niet vóór ons is, is tegen ons. Dat er nog zoveel haat naar buiten gericht kan worden is wonderlijk als men bedenkt  dat er in het Mohammedanisme een intern racisme jegens vrouwen heerst.

Er kunnen in de islam, zeiden we, twee oorzaken zijn voor de problemen: de islam wordt niet streng genoeg toegepast of er is een samenzwering van de Joden en het Westen aan de gang.  Samenzwerings-verslaving, de ziekte die we misschien conspirisme kunnen noemen, is typisch voor de islam, maar ook voor de beide andere totalitaire bewegingen, communisme en nazisme. Vooral de Joden worden in dit conspirisme voorgesteld als de samenzweerders bij uitstek en de incarnatie van alle Kwaad. Voor vele moslims zijn de grootste samenzweerders de Joden.

In het NRC-Handelsblad van 12 juni 2010 stond een artikel waarin gesteld werd dat het antisemitisme van Marokkanen in Amsterdam steeds openlijker en agressiever wordt. Aangaande de islamitische ziekte van het conspirisme werd het volgende opgemerkt door de auteur, Paul Andersson Toussaint:

“De meerderheid van de tweede en derde generatie Marokkaanse Nederlanders koestert over joden racistische standpunten die een stuk extremer zijn dan die van het voormalige Vlaams Blok over Noord-Afrikanen. Zelfs met een deel van mijn Marokkaanse vrienden is het onmogelijk om het over Israël en ‘de joden’ te hebben, dan komt er echt geen zinnig woord meer uit. De joden zijn allemaal kindermoordenaars. De joden en Amerikanen zitten overal achter. Osama Bin Laden bestaat helemaal niet. Dat is een verzinsel van Bush en de CIA. De aanval op het WTC op 11 september 2001 werd georganiseerd en uitgevoerd door de CIA en de Mossad (het joodse wereldcomplot). Waren niet toevallig alle joden die in het WTC werkten op 11 september vrij? Nou dan.”  [mijn cursivering]

Zie voor dit conspririsme ook “De Groene Amsterdammer” van 13 oktober 2006, waarin Kees Beekmans een van zijn columns schreef. Beekmans was vroeger Volkskrant-journalist, maar raakte dermate bewogen door het lot van de allochtone jeugd in Nederland dat hij leraar werd op een VMBO. Vervolgens ging hij in Marokko wonen en trouwde een Marokkaanse vrouw. Bepaald geen bevooroordeelde “racist”, deze Beekmans. Hij schreef:

“Het is beter met Marokkanen geen gesprek over joden te beginnen, want de doorsnee Marokkaan moet niets van joden hebben. Ik ben een paar keer tegen wil en dank in zo’n gesprek verzeild geraakt en dan zie je iemand van wie je dacht dat-ie een redelijk man was veranderen in een paranoïde krankzinnige. In Israël eten de joden Palestijnse baby’s! Ze hebben Jezus (Issa) verraden want ze hebben gekozen voor de weg van de sjeitan, de duivel. Bush doet alles wat de joden zeggen. Et cetera.” [mijn cursivering]

Ach, je moet het maar toevallig lezen, zo’n column als van Beekmans en met je naïeve snufferd gewreven worden in wat de mainstream-media constant vergeten te vermelden.

In de moderne islamitische cultuur wordt de indruk  gewekt dat als de Joden niet zouden bestaan het Kwaad uit de wereld zou zijn. Er is geen misdaad of moord in de geschiedenis denkbaar, of moslims hebben de Joden er de schuld van gegeven. Ook de teloorgang van de “ware islam” die de Mohammedaanse wereld had moeten gaan redden, is de schuld van de Joden. Sayyid Qutb (1906 – 1966), een held van bijna elke “bewuste moslim”, schreef over de Joden dat zij eeuwenlang “de islamitische erfenis hebben vergiftigd op een manier die misschien pas weer zal worden onthuld met een inspanning van eeuwen.”  Nog eens Sayyid Qutb geparafraseerd door Jamie Glazov, “United in Hate “(2009) : “Achter de leer van het atheïstische materialisme zat een Jood; achter de leer van de animalistsiche sexualiteit zat een Jood; en achter de vernietiging van het gezin en het versplinteren van geheiligde relaties in de maatschappij ( . . .) zat een Jood.”

Dit conspirisme uit zich dus in slachtoffergedrag en in Jodenhaat en ongelovigenhaat. Daniel Pipes heeft een boek aan de islamitische samenzwerings-verslaving gewijd getiteld , “The Hidden Hand: The Middle East Fears of Conspiracy” (1996). Daarin wordt uiteengezet hoe de weigering om zelf verantwoordelijkheid te nemen, zelfkritiek te plegen en vervolgens samenzweerders te zoeken om de schuld te kunnen geven in de geschiedenis van het Midden-Oosten een constante is. Pipes:

“Hoewel grote samenzweringstheorieën pas in de 19e eeuw opduiken in het Midden-Oosten, is de reikwijdte van hun inhoud veel groter en gaat inderdaad vaak terug tot aan de tijd van de Profeet Mohammed. Meer in het algemeen, samenzweringstheorieën her-interpreteren het hele verloop van de islamitische geschiedenis, middeleeuwse teksten plunderend om gevallen te vinden van samenzwering, vooral van de kant van Christenen en Joden.”

Pipes concludeert dat bijna alle invloedrijke moslim-denkers, Hasan al Banna (1906 – 1949), Sayyid Qutb (1906 – 166),  al-Maududi (1903 -1979) en in feite de hele elite van de islamitische wereld sinds de 19e eeuw voortdurend uitgaan van samenzweringen van Europeanen,  Amerikanen en vooral Joden. Ibn Warraq haalt een typisch voorbeeld van dit conspirisme aan: over een VN- conferentie over geboortebeperking in 1994 zei een Egyptische woordvoerder dat “( . . .) geboortebeperking niet gericht is op ontwikkeling van de arme delen van de wereld. Het is een racistisch plan ontworpen om te kunnen doorgaan ons te beroven en te verzwakken ten gunste van het blanke ras. ( . . .) De conferentie is het hoogtepunt van een plan dat erop gericht is de mensheid en moslims te vernietigen.”

Het rancunisme (structureel ressentiment) en de onmogelijkheid tot zelfkritiek leidt tot steeds intensere islamisering. Marcel Kurpershoek, vroeger ambassadeur in Saoedie Arabië, daarna in Pakistan en vervolgens in Turkije, echtgenoot van Betsy Udink, die zelf ook wel eens een onthullend boek over de islam heeft geschreven, zoals “Allah en Eva”, deze Kurpershoek dan, heeft in 2003 een mooi opstel geschreven onder de titel “Uitpakken”. In  de bespreking  door Martin Sommer in de Volkskrant van 26 januari 2007 wordt de essentie goed samengevat van wat deze in islamibus bij uitstek deskundige te zeggen had. Ik citeer Sommer:

“Wanneer er iets misgaat, is de islam niet goed toegepast, en de gevolgtrekking is dan ook altijd dat de islam zuiverder moet worden nagevolgd. Zodra er ergens een islamitisch bewind komt, verdwijnen reclameborden van de straat, gaan de vrouwen gesluierd, wordt de alcohol afgeschaft en krijgen de mollahs vrij baan. Dat helpt natuurlijk allemaal niet, waarna een volgende ronde wordt ingezet van nog meer zuiverheid. De onontkoombaarheid van de politieke islam wordt nog versterkt door twee ideeën, de overwinning en het martelaarschap. ( . . .) hoe dan ook, de islam zal uiteindelijk zegevieren. En omdat het martelaarschap het hoogst haalbare is voor een gelovige, draagt elke nederlaag automatisch óók bij aan de overwinning. Zo wordt armoede rijkdom, achterlijkheid wetenschap, discriminatie rechtvaardigheid, wreedheid erbarmen, en uiteindelijk wordt waanzin verstand. Deze ideeën worden door vele miljoenen aangehangen, en hebben door Bin Laden nog een extra impuls gekregen. Kurpershoek kan het niet laten schampere regels te wijden aan de ‘arrogant bescheiden, hooggestemde bruggenbouwers’ in Europa die in werkelijkheid vooral bijdragen aan het verdoezelen van groeiende problemen. Overheden doen onder druk van Amerika mee aan de jacht op terroristen, terwijl het politieke debat in Europa beschuldiging op verwijt stapelt, gericht aan de Verenigde Staten. ‘Maar het is beter de feiten onder ogen te zien.’ Dit alles schrijft niet een opgewonden ‘islamofobe’ columnist, maar Harer Majesteits vertegenwoordiger, tot voor kort standplaats Islamabad, tegenwoordig Ankara.”  [mijn cursivering]

Tot zover Kurpershoek in de samenvatting van Sommer. De oorzaak van de wrede onleefbaarheid van de islam – (behalve misschien voor de sjeik in zijn harem) –  de ideologie zelf, wordt dus steeds opnieuw versterkt. Maar dat wordt natuurlijk niet ingezien in islamitische landen en de individuele “moslim”die het inziet en het ook nog zegt kan rekenen op genadeloze vervolging.

De post-koloniale regimes in de islamitische wereld zijn geen van allen in staat gebleken de verworvenheden van de koloniale periode te behouden en er op voort te bouwen. Zie Arab Human Development Report 2009, een publicatie van het United Nations Development Programme (UNDP). Het is altijd even zoeken in dit soort rapporten tussen de schijnoorzaken van de economische malaise in de islamitische wereld (“globalisering”, “financiële crisis”, “opwarming van de aarde” etc.), maar de essentie is toch nog te vinden  en wel op pagina 9 , punt 4:

“Gedurende bijna twee-en-een-half decennium na 1980 gaf de regio nauwelijks enige groei te zien. Data van de Wereldbank laten zien dat het reële BNP per capita in de Arabische landen slechts met 6.4 procent groeide over de gehele periode van 1980 tot 2004 (dat is minder dan 0.5 procent per jaar).”

De Joodse “kolonisten” die op voet van gelijkheid met de moslims en met Westerse kennis en mentaliteit een welvaartsgebied hadden kunnen scheppen – in elk geval in een gebied zo groot als Israël, plus Judea en Samaria plus het huidige Jordanië – zijn door de Arabisch-islamitische elites genocidaal bejegend vanaf midden jaren 1930 tot op heden. Nergens hebben deze post-koloniale regimes tot op heden een minimum aan welvaart en humaniteit aan de gewone bevolking kunnen bezorgen, terwijl ze zelf in extreme luxe baden. Voor de doorsnee bevolking geen riolering, geen tandarts en geen dokter, geen fatsoenlijk huis, transportsysteem of werkgelegenheid. Al geldt voor Gaza dat de miljarden aan ”hulp” die binnen stromen toch tot een zekere luxe ook voor een middenklasse hebben geleid. Blijkbaar lukte het niet al dat geld weg te sluizen naar Zwiterse banken of aan wapens te besteden. In één ding slechts heeft de islamitische wereld steeds uitgeblonken: voortplanting. Een “demografische explosie” wordt het algemeen genoemd, des te gevaarlijker omdat om verklaarbare redenen (racisme tégen en infanticide óp meisjes) veel meer jongens dan meisjes in leven blijven en een overschot aan jonge mannen, zoals bekend, vrij automatisch tot geweld en oorlog leidt. Als we Menno ter Braak en Umberto Eco mogen geloven, dan is de kern van het fascisme rancune, individueel en collectief. Inderdaad werd en wordt de schuld van de morele, intellectuele en technische  achterstand in een zelfkritiekvrije “eer”-cultuur als de islam vanzelfsprekend bij “de vijand” gelegd.

Net als het nazisme maakt de islam gretig gebruik van de materiële en technische vooruitgang die de Verlichting heeft opgeleverd, onder strenge afwijzing van de eigenschappen die deze vooruitgang mogelijk hebben gemaakt, namelijk de Rede, de dialoog, de twijfel en de morele zelfkritiek overgaande in de wetenschappelijke zelfkritiek. Dat alles geldt in de islam, net als destijds in het nazisme, als verwijfd en onmannelijk, ja zelfs als hoogverraad, omdat ze tot verschil van mening, tot twijfel, tot “diversiteit” kunnen leiden, terwijl de eenheid van de beweging, van de ideologie essentieel wordt geacht voor de slagkracht. In plaats van redelijkheid, kritiek, twijfel en dialoog staat een onberedeneerd, instinctief, vitalistisch en oorlogszuchtig “geloof”. Actie, liefst gewelddadig, is een waarde op zich. Islam en nazisme zijn beide gewelddadige irrationalismen.

Essentieel is alles wat “vreemd” is, te weren. De islam is xenofoob vanuit een Uebermenschen-ideologie. Ibn Warraq zegt, met voorbijgaan aan het racisme tegen vrouwen: “Dus de islam is, in theorie, niet racistisch. Islam sluit echter mensen uit op basis van geloof. Heil buiten het islamitisch geloof is niet mogelijk. De wereld is verdeeld in moslims en niet-moslims. Er zijn heel veel spreuken in de koran die haat en vijandigheid jegens niet-moslims prediken en die een pathologische vrees voor ‘de ander’ tonen.”  En vervolgens citeert Warraq zo’n dertig voorbeelden van die pathologische vrees uit de koran.

Dan zijn er in de islamitische maatschappijen natuurlijk altijd – en niet, zoals in het christelijke Westen, gedurende een beperkte periode, waarna een humane impuls uit datzelfde christendom er een einde aan maakte – slaven geweest  om uit te buiten en zich superieur aan te voelen.  M. A. Khan, “Islamic Jihad: A Legacy of Forced Conversion, Imperialism, and Slavery“  geeft  in zijn hoofdstuk over slavernij de soera’s in de Koran die slavernij rechtvaardigen: 16:71, 16:76, 30:28; over vrouwen als slavinnen: 4:3, 4:24, 23: 5-6, 33:50, 70:29-30. De verhullende term die steeds gebruikt wordt in de Koran is “wat uw rechterhand bezit”, namelijk aan slaven. Zie ook het hoofdstuk “Jihad Slavery” in “Legacy of Jihad” van Andrew Bostom.

Ik zei zojuist dat er altijd slavernij is geweest in de islamitisch-Arabische landen: want men denkt toch niet dat de Filippino’s  die in Saoedie –Arabië en de Golfstaten het vuile werk opknappen (het moeilijke werk wordt door Westerlingen opgeknapt) erg vaak de praktische status van slaaf ontstijgen? Niettemin genereert de islamitische maatschappij nog meer dan genoeg haat om naar buiten te richten. Matthias Küntzel zegt het zo:

”Het islamisme heeft in plaats van het biologische racisme van de nazi’s, een soort theocratisch racisme, dat niet is aangewezen op het model van de superioriteit van een volk en een euthanasieprogramma maar dat desondanks de Joden als de zogenaamde wortel van alle kwaad in de wereld wil vernietigen.”

Dit  ‘theocratisch racisme” én het gewone racisme tegen vrouwen is tot op de dag van vandaag hét kenmerk van de Mohammedaanse “cultuur”, in de islamitische landen en in de gastlanden waar moslims hun “stammen”, hun parallelle maatschappijen vormen. In laatste instantie ligt natuurlijk het lot van de onderworpenen in handen van de “Ulema” (”de wetenden”), het netwerk van imams, ayatollahs en moefties: Wer ein Unglaübiger ist, bestimmen sie.

De islam wordt gekenmerkt door irrationalisme, immuniteit voor penetratie door de menselijke Rede. Wat er aan kritisch onderzoek gedaan wordt, komt uit het Westen. In het Nederlands is er nu een boek uit 2009  “De omstreden bronnen van de islam”, van Eildert Mulder en Thomas Milo,  dat in een 400 pagina’s lang betoog vat probeert te krijgen op de materie. De status qaestionis, de stand van de wetenschap rond de islam, zo kan men uit dit boek leren, is zo ongeveer dat de islam een hallucinerende kaleidoscoop van totaal ongefundeerde mythes is. Het hele mythische gebouw is eigenlijk al ingestort.

Ibn Warraq geeft van dat irrationalisme, ook in puur filosofische zin, voorbeelden. In de islam is er nauwelijks strijd geweest over de vraag of Rede dan wel “Openbaring” op de eerste plaats kwam. Voor zover die strijd er geweest is, was die in de tiende eeuw al beslecht met het werk van al-Ashari (dood in 935  A.D). En anders was  al- Ghazali (1058 -1111) wel de laatste die een einde maakte aan het redeneren via “oorzaken” en de Rede uitsluitend in dienst stelde van het begrijpen van de “Openbaring”. Al-Ghazali vond dat als er natuurwetten zouden bestaan, dat Allah’s handen dan gebonden zouden zijn. Dat kon natuurlijk niet. Allah kan alles! Vraag maar aan de Haagse imam Sheik Fawaz Jneid die op 3 april 2010 op zijn weblog al-Yaqeen zegt: “Voorwaar, wanneer Hij iets wil, dan zegt Hij er slechts tegen: “Wees”, en het geschiedt.” (Soerat YaaSien: 82)”. In lijn hiermee verbrandden in 1194 de “oelema” (de wetenden)  van Cordoba (gelegen in het mythische “el-Andaloes”, waar de cultuur zo tolerant bloeide) dan ook alle wetenschappelijke en medische teksten. In 2002 bleek dat het islamitisch cultuurgebied ook in onze dagen inzake fundamenteel wetenschappelijk onderzoek niks van enige belang had voortgebracht. Wel op drie gebieden van toegepast wetenschappelijk onderzoek,  te weten  op de gebieden van ontzouting van zeewater, de valkenjacht en het fokken van kamelen.

En nog eens wat over die Soefi-zweefmeester, al-Ghazali. Bostom citeert hem in zijn “Legacy of Islamic Jihad”inzake de manier waarop de dhimmie behandeld moet worden:

“De dhimmi is verplicht om te vermijden de naam van Allah of zijn Afgezant te noemen ( . . .). Joden, Christenen ( . . .) moeten de jizya betalen ( . . .) bij het aanbieden van de jizya, moet de dhimmi zijn hoofd laten hangen, terwijl de [islamitische] ambtenaar zijn baard pakt en hem op het vooruitstekende bot beneden zijn oor slaat [op de mandible] ( . . .) Het is hen niet toegestaan hun wijn of kerkklokken opzichtig te tonen ( . . .) hun huizen mogen niet hoger zijn dan die van moslims, ongeacht hoe laag die zijn. De dhimmi mag niet op een elegant paard of muilezel rijden; hij mag op een ezel rijden, maar alleen als het zadel van hout is. Hij mag niet aan de goed kant van de straat lopen. Zij [de dhimmi’s] moeten een onderscheidend lapje stof dragen, zelfs vrouwen en zelfs in het publieke bad ( . . .) hun mond houden. “

De islamitische orthodoxie in de negen á tien eeuwen na plusminus het jaar 1000 heeft geen splinter Rede of Vrijheid meer toegelaten in de islam. Luister naar de “grote” Ibn Khaldun (1332 -1406):

“Ons is bevolen om uit te bannen en te onderdrukken elke speculatie over [oorzaken] en ons te richten op de Veroorzaker van alle oorzaken, zo dat de ziel krachtig gekleurd zal worden door de eenheid van God. Een man die zich houdt bij oorzaken is gefrustreerd. Hij wordt terecht een ongelovige genoemd ( . . .) daarom is ons door Mohammed verboden om oorzaken te bestuderen.”

Warraq wijst erop dat voor moslims gezaghebbende schrijvers als al-Maududi (1903 -1979) en Sayyid Qutb (1906 -1966) vanzelfsprekend Geloof boven Rede bleven stellen. Er zijn daarna ook nooit serieuze hervormers opgestaan,  Zowel Christendom als islam, meent Warraq, kunnen hun dogma’s nooit overeind houden tegenover vooral de Duitse godsdienstkritiek. Het Christendom heeft die kritiek geaccepteerd en is er diepgaand door veranderd, niet in de kern van de leer van Jezus natuurlijk, maar wel in zijn geïnstitutionaliseerde vormen en in zijn waarheidsclaims. Zo niet in de islam. Warraq:

“Moslims schijnen zich niet bewust van het feit dat het onderzoek door de Duitse hogere kritiek direct van toepassing is op hun geloofssysteem, dat ondoordringbaar schijnt voor rationeel denken.”

Voor moslims is het Mohammedanisme de hele en onveranderlijke, finale waarheid. Mohammed is het “zegel der Profeten”. Het is verschrikkelijk om te zeggen tegen iemand uit een “schaamte-cultuur” dat juist deze van “eer” vervulde “cultuur” die de totale en finale waarheid claimt in pacht te hebben en zo’n beetje de doodstraf zet op kritisch onderzoek naar de eigen tradities . . . . . dat deze cultuur op historisch drijfzand is gebaseerd, zoals blijkt uit Mulder en Milo’s “De omstreden bronnen van de islam”. Als kosmische klap op een toch al overdonderende vuurpijl, verkeert deze geheel zelfkritiekvrije cultuur in de veronderstelling dat de meest zelf-kritische cultuur ooit, namelijk het Christelijke Westen, gebaseerd is op bijbelse vervalsingen. Het Centre for the Study of Political Islam,  geeft “The Islamic Trilogy,” uit. Neem “Volume 3, A Simple Koran”. Aldaar vinden we dat de Koran in een aantal varianten beweert dat de Joden en de christenen de Torah en de bijbel hebben vervalst. De vermelde soera’s zijn: 3:53, 5:46, 5:47, 5:13, 9:29, 9:30 en 9:31. De soera 3:53, die de Joden en de christenen van vervalsen beschuldigt begint met “Dus de Joden complotteerden en Allah complotteerde, maar Allah is de best complotteur van allen ( . . .)”. Ook in soera 8:30 wordt Allah als een geslepen bedrieger neergezet:  “Herinner u de ongelovigen die tegen u samenzwoeren ( . . .) zij smeedden listen, maar ook Allah. Maar Allah is de beste listensmid van allemaal.” (Merk op dat over Allah in de derde persoon wordt gesproken.  Dus is daar iemand anders aan het woord dan Allah zelf. Maar de Koran was toch het “eeuwige en ongeschapen woord van Allah”?)

Over het gebrek aan kritische intellectuelen dat ook nu, zoals in de 14 eeuwen daarvoor, nog steeds zichtbaar is in de moderne islamitische wereld, zegt Hans Jansen in “Islam voor Varkens”  etc:

“Die kritische intellectuelen zijn er wel, maar ze worden onmiddellijk door de plaatselijke Gestapo monddood gemaakt. Maar er zijn niet veel kritische intellectuelen, en hun positie is ook heel anders dan bij ons. Intellectuelen hebben daar helemaal niets te zeggen. De geest is altijd in staatsdienst. En als een intellectueel iets kritisch durft te roepen, dan krijgt hij een kogel door zijn kop. In elk geval luistert er niemand. Er is gewoon geen maatschappelijke basis voor intellectueel prestige.” [cursivering van mij]

In de Joods-christelijke traditie, is, zoals gezegd, de kritische Rede vanaf de oudste kerkvaders ingebakken, zoals we bij Rodney Stark, “The Victory of Reason: how Christianity Led to Freedom, Capitalism, and Western Success “, (2005)  kunnen leren.  De Reformatie en Contra-Reformatie zijn  uitingen van die kritische Rede. De islam heeft iets dergelijks nooit gekend. Terwijl ook de externe kritiek op het christendom,  zowel de bijbelkritiek als de kritiek op het reëel bestaan hebbende christendom, zeker vanaf de 17e eeuw steeds sterker is geworden. Vanaf  Spinoza (1632 –1677) naar de scherpe bijbelkritiek van de 19e eeuw loopt een rechte lijn. Immanuel Kant  (1724 -1804) werd niet door de straten van Königsberg gesleept en vermoord, toen hij mededeelde dat “God” een lege doos is. Ooit van enige historische islamiet in een islamitisch land gehoord die iets in de orde van Kants stelling  beweerde over “Allah” en het overleefde? In het Westen kan een op tien delen (!) begrote serie (deel negen is inmiddels verschenen)  als die van Karlheinz Deschner verschijnen: “Kriminalgeschichte des Christentums”. Is iets dergelijks in een islamitisch land denkbaar? De islam is totalitair om vele redenen en een van die redenen is dus dat de ideologie geen enkele kritiek verdraagt. Alleen al in de recente geschiedenis zijn vanaf de executie-fatwa van Khomeiny tegen Salman Rushdie de agressieve uitingen van totalitaire onverdraagzaamheid van de islam niet te tellen geweest.

De islamitische cultuur, tenslotte,  is in zijn geheel doordrenkt van een Orwelliaanse leugenachtigheid. Het liegen en misleiden van de tegenstander was voor Hitler en Stalin net zo vanzelfsprekend als het voor de mythische Mohammed en het Mohammedanisme al was. Een verdrag gesloten met ongelovigen valt sowieso onder de wet van de taqiyya en een moslim hoeft zich aan zo’n verdrag niet te houden. Voorts kan een verdrag in de islam alleen voor beperkte tijd geldig zijn, tot de moslims weer sterk genoeg zijn om de ongelovigen met geweld hun wil op te leggen. Dit soort verdrag heet “hudna” in de islam. Efraim Karsh,  in “Palestine Betrayed”,  citeert de Egyptische president Moebarak begin jaren 1980, nadat de Egyptenaren de Sinai (door Israël veroverd  in 1967) hadden teruggekregen:  “( . . .) we hebben al ons land terug gekregen, tot de laatste korrel zand! We zijn ze te slim af geweest. En wat hebben we ze in ruil gegeven? Een stuk papier!” Ein Fetzen Papier: waar hebben we dat eerder gehoord? Moebarak stond in een traditie, zijn voorganger Sadat had in 1953 in een publieke brief nog de hoop uitgesproken dat de geest van Hitler opnieuw over Duitsland vaardig zou mogen worden.

Ook hier ligt een totalitaire parallel tussen islam en nazisme. Het instituut van “taqiyya”, door de Turken en Perzen ook wel “kitman” of “ketman” genoemd, gaat rechtstreeks op Mohammed terug. Deze woorden betekenen: het is de plicht voor elke moslim om de ongelovigen te onderwerpen,  zonodig met voorgewende vriendelijkheid en “respect”, maar alleen zolang de Mohammedanen nog niet sterk genoeg zijn om dat met dwang en geweld te doen. Naast dit liegen tegen de vijand is de islamitische cultuur in het dagelijkse leven doordrenkt van overdrijven, liegen, veinzen, van glashard ontkennen van overduidelijke waarheid en zelfs van agressie tegen degene die de overduidelijke waarheid vertelt. Deze dagelijkse leugenachtigheid staat formeel los van de plicht tot taqiyya (kitman), maar het is moeilijk het externe liegen van een cultuur los te zien van de interne leugenachtigheid.

De interne leugenachtigheid – in islam, communisme en nazisme –  komt voort uit de onleefbaarheid van totalitaire regimes. Ibn Warraq zegt:

“In The Captive Mind, wijdde Czeslaw Milosz een hoofdstuk aan de manier waarop mensen in totalitaire maatschappijen methodes ontwikkelen om publiekelijk om te gaan met alle tegenstellingen van het echte leven. Men kan het bestaan van tegenstellingen tussen het werkelijke leven en de leer niet openlijk toegeven; officieel bestaan ze niet. Vandaar dat mensen leren te huichelen over hun opvattingen, emoties en gedachten en nooit publiekelijk  onthullen wat ze echt geloven. Milosz vindt in de islamitische beschaving een treffende analogie van hetzelfde fenomeen ( . . .).”

Ik vat deze paragraaf samen. Toen “politiek correct” nog betekende “zich aanpassend aan het Stalinisme”, noemde een aantal beroemdheden de hele islam totalitair, zonder ook maar een seconde te overwegen daarvan een “islamisme”af te splitsen als de eigenlijke schuldige. Met name de sociaal-democratische icoon Karl Barth sprak over “Hitler als Allah’s nieuwe profeet”. Totalitair is het Mohammedanisme zowel naar de mate van verplichtendheid als naar inhoud van de leer. De totalitaire claim komt zelfs al tot uiting in de tweeregelige geloofsbelijdenis van de islam. De koran geldt als het letterlijke woord van Allah, dat als pré-kosmisch wordt opgevat. Zelf denken, zowel over morele als over natuurwetenschappelijke zaken, is een oertaboe in de islam. Op de koran is gedurende 14 eeuwen een schriftgeleerd totalitair gebouw neergezet dat de koran heeft geïnterpreteerd op grond van leven en gezegden van de misschien mythische profeet Mohammed. De verharding van dit gebouw tot het graniet waaruit het nu bestaat, is al begonnen een paar eeuwen na de dood van de Profeet (632). Wat eenmaal consensus is geweest in de islam, kan niet meer veranderd worden. De “sharia”, de levensleer van het Mohammedanisme regelt het leven van moslims tot in de krankzinnigste details: totalitair schiet hier welhaast tekort als definitie.  Het gevolg is dat de hele islamitische cultuur doortrokken is van perverse hypokrisie en Orwelliaanse leugenachtigheid, omdat het leven zijn eisen stelt, maar naar buiten toe niet geleefd mag worden. Een zichzelf coöpterende klasse van “wetenden”, de “oelema” behoudt zich het uitsluitende recht voor de gelovigen in concrete gevallen uit te leggen wat de sharia voorschrijft in zogenaamde “fatwa’s”, “beslissingen”. De individuele kritische geest wordt geminacht en gewantrouwd en kritiek wordt zelfs opgevat als hoogverraad aan de goddelijke en vitale principes van de “stam”. In Mohammed mogen we gerust een Hitler avant la lettre zien, niet alleen omdat Hitler sinds de jaren 1940 als een heilige wordt vereerd in het islamitische cultuurgebied, maar ook omdat de islam het Führerprinzip, de “navolging van Mohammed” heiligt en deze Mohammed een massamoordenaar, sluipmoordenaar, oorlogshitser, Jodenhater, slavernijliefhebber en verdragbreker was. Net als bij alle totalitaire systemen berust er in de islam quasi-legitimiteit in een mythisch “volk”, de “oemma” geheten, maar hét kenmerk van de Joods-christelijke traditie, de individuele gewetensvrijheid ontbreekt volkomen.

Het Mohammedanisme is naar binnen totalitair, maar ook naar buiten. Een complex van xenofobie, Ubermenschen-waan, slachtoffergedrag, rancunisme, conspirisme, (verslaving aan complotdenken), leugenachtigheid (“taqiyya”) en oorlogszucht vormen de trekken van het gezicht dat de islam al 14 eeuwen naar buiten keert. Ook dat loopt angstaanjagend parallel met het nazisme. Het racisme van de islam richt zich op alle “ongelovigen” en vooral op de Joden: in zoverre kan men spreken van een “theocratisch racisme”. Maar de vrouw wordt in de islam onderdrukt en vermoord (“eremoorden”) op grond van lichamelijke kenmerken: oerder dan dit racisme kennen we niet. Het Mohammedanisme heeft niet alleen de Jood als Jood, maar ook de vrouw. De oorlogszucht in de islam is zowel doodsverbonden als seksverbonden: het ideaal van de islam is de dode man die is gesneuveld tijdens de “Jihad” de verplichte heilige oorlog tegen de ongelovigen, maar zijn beloning is opname in het islamitisch Paradijs dat een bordeel blijkt te zijn. Aan de al 14 eeuwen durende externe oorlog tegen de ongelovigen, ging zoals bij alle totalitarismen, de interne oorlog vooraf, met showprocessen, zuiveringen en massa-executies.

In het bovenstaande worden vele trekken van de islam genoemd, die deze politieke-ideologie-gemaskerd-als-religie met het nazisme deelt. Maar de twee voornaamste zijn de oorlogszucht en de Jodenhaat. Mijn stelling is dat precies in deze combinatie nazisme en islam, Hitlerisme en Mohammedanisme zich onderscheiden van andere totalitarismen, waardoor ze genetisch aan elkaar vastgeklonken zijn.

Robert Paxton

paxton-robert-o

Hier moet ook enige aandacht besteed worden aan Robert Paxton, niet omdat ik hem belangrijk vind of enig respect voor hem heb, maar omdat deze “anti-Zionistische” dwaas nogal vereerd schijnt te worden aan Westerse universiteiten. En omdat hij zich “fundamenteel” (nou, ja) heeft uitgelaten over wat volgens hem fascisme niet en wel kan zijn.

In een on-line opstel getiteld  “Nazisme en Islam” heb ik de gekunstelde, maar ook kwaadaardige ideeën van Paxton behandeld. Paxton vindt dat Fascisme alleen maar zo mag heten als er in een gemeenschap eerst vrije instituties opgegeven worden en als er eerst democratie was. Maar veel interessanter is natuurlijk de vraag welke universele patronen van menselijk wangedrag in nazisme en fascisme zichtbaar worden. Natuurlijk kan je fascisme en nazisme gaan definiëren, bijvoorbeeld, als iets dat alleen in een geïndustrialiseerde maatschappij voorkomt, maar dan moet je van massamoord als belangrijkste criterium gaan nemen: de industriële toepassing. Is dat echt de essentie van de bloeddorst en vernietigingsdrift? Dat er vergassingsovens en crematoria waren? Natuurlijk niet. Bovendien: hoe verklaar je dan dat de moefti van Jeruzalem alles in het werk heeft gesteld om de industriële techniek naar het Midden-Oosten te krijgen. Hoe kan dat nou, zo’n pré-industriële figuur? Neen, dat kan nooit een echte “nazi” zijn!  Dat dwaze en arbitraire van de fascisme definitie van Paxton was overigens het minst erge,  de kwaadaardigheid van zijn “anti-Zionisme”is erger. Ik concludeerde in mijn on-line opstelletje: “Paxton schrijft pompeuze, ingewikkelde onzin en baseert daar arbitraire stellingen op, die voorbereiding zijn op perverse leugens, die Israël moeten demoniseren.  Arme, maar ook gevaarlijke universiteiten, waaraan dit soort figuren als autoriteit geldt.”

 

Het moreel-intellectuele falen van Paul Berman inzake nazisme, islam en Israël (II)

Paul Berman

Ik stelde hierboven vast, een twintigtal pagina’s geleden, dat Berman het werk van Andrew Bostom niet goed tot zich heeft laten doordringen, dat hij niet beseft wat dit werk allemaal bewijst, laat staan dat hij er serieus op in gaat. Een verdere aanwijzing dat hij Bostom niet op waarde schat, is de vergelijking die Berman maakt tussen het werk van Bostom en dat van Mark Cohen: “Under Crescent and Cross: The Jews in the Middle Ages” (2008). Cohens algemene conclusie in dit boek luidt als volgt: “De Joden van de islam ervoeren geen fysiek geweld op een schaal die ook maar in de verte het Joodse lijden in het Westerse christendom benaderde.” Bostom zelf heeft op Amazon.com een kritiek op Cohen geschreven onder de veelzeggende titel: “Intractable flawed, meaningless analysis”, wat ik vertaal als “moedwillige onvolledigheid en betekenisloze analyse”.

Onder die titel zet Bostom uiteen dat Mark Cohen noch naar plaats noch naar tijd een geldige vergelijking maakt tussen islam en christendom. Niet naar tijd: hij vergelijkt slechts de periode  640 – 1240. Niet naar plaats: Mark Cohen vergelijkt (behandeling van Joden ) in het Noord-Westelijk Europese christendom niet met (behandeling van Joden) onder de islam in de Arabische landen, Noord-Afrika en de Sahara. Dat zou, stelt Bostom, een heel ander plaatje hebben opgeleverd dan de vergelijking die Cohen wél maakt, namelijk die tussen(de behandeling van Joden) in het door de islam veroverde Byzantijnse keizerrijk, een gebied met een rijke en tolerante cultuur, met een inherent religieus en etnisch puralisme dat de islam niet per direct heeft weten te vernietigen. Voorts, meent Bostom, laat Mark Cohen de meest positieve Noord-West-Europese ervaring van de Joden onder de christenen in die periode (640-1240) erbuiten, namelijk die in Polen. De kritiek van Bostom is nog veel gedetailleerder en nogal vernietigend, maar dit volstaat wel om vast te stellen dat Berman in geen geval Mark Cohens algemene conclusie serieus zou moeten nemen.

En hoe kwam dat verschil in lijden volgens Mark Cohen? Door het “ontbreken van het irrationele element van Joods-satanische vijandigheid”, zegt Cohen.  Niet alleen is de stelling zelf onzinnig – “Het Joodse lijden in het christendom was veel groter dan onder de islam” – ook deze reden die ervoor gegeven wordt is  in strijd met de feiten. Want dat “satanische”, dat“irrationele element” zou in twee delen uiteen moeten vallen, maar noch Cohen noch Berman maken dat onderscheid.

In de eerste plaats bestaat dat “irrationele” uit de beschuldiging van godsmoord door de Joden en in de tweede plaats uit het sataniseren van de Joden op grond daarvan. Maar het “irrationele element” van de godsmoord bestaat wel degelijk in de islam, namelijk in een poging tot profetenmoord. Allah komt als kille willekeursabstractie natuurlijk niet in aanmerking vermoord te worden, maar wel Mohammed en van pogingen de Profeet te vermoorden zijn de Joden gedurende de hele geschiedenis van de islam beschuldigd. De Profeet is voor de moslims qua “gevoelswaarde” het equivalent van Jezus, de zoon van God,  . Op grond van die “poging tot profetenmoord” zijn de Joden wel degelijk door de islam gesataniseerd.

Maar er is meer! In het Midden-Oosten bestond al vanaf de derde eeuw vóór Christus en dus tien eeuwen vóór Mohammed een eigen traditie van demonisering van de Joden die in Egypte ontstond. Die traditie had niks met godsmoord, christendom of  islam, te maken, maar met rancune.  (Overigens heeft de islam, net als het nazisme, álles met rancune te maken. Misschien had Menno ter Braak toch meer gelijk dan we wel eens denken.)

Pieter van der Horst, hoogleraar Judaica, beschreef in 2006 hoe die demonisering van de Joden  in Egypte begon, bij de priester Manetho. Deze Manetho schreef rond de derde eeuw vóór Christus in Alexandrië, dus lang voordat er christelijk bijgeloof kon zijn ontstaan. Manetho reageerde, volgens Van der Horst, op het verschijnen van de vertaling van een deel van de Tora, waaronder het boek Exodus, waarin de Egyptenaren niet zo’n fraaie rol vervullen. Hier, in de derde eeuw vóór Christus in Egypte, begint dus volgens Van der Horst een eigen Midden-Oosterse traditie van Jodenhaat, pre-christelijk en pre-islamitisch. Van der Horst:

“Toch is dit nog maar het begin van een proces van demonisering van het Joodse volk dat in de eeuwen daarna hoe langer hoe grimmiger vormen zal aannemen. Het meest in het oog vallende is daarbij dat er sprake is van een proces van generalisering waarin de afkeer van Egypte en zijn goden wordt verbreed tot haat tegen de mensheid in het algemeen en ontkenning van de godenwereld. Kortom, het Joodse volk krijgt als wezenskenmerken opgeplakt: misantropie en atheïsme.”

In de eerste eeuw na christus, vertelt Van der Horst,  wordt er namelijk een nieuw element aan de Jodenhaat toegevoegd – Joden zijn kannibalen – en wel door de priester Apion, óók een Egyptenaar, die werkte in Alexandrië. Apions lastercampagne, zegt Van der Horst, heeft “vrijwel zeker ( . . .) bijgedragen aan de grote uitbarsting van fysiek geweld tegen de Joden in Alexandrië (in 38 n.C.), waarmee de eerste pogrom in de geschiedenis een feit werd.”  In Egypte, bij Manetho en Apion, ligt dus een van de oorsprongen, zo niet dé oorsprong, van een beeld van de Joden als Untermenschen. Van der Horst:

“Als kannibalen zijn ze in feite wetteloos, primitief, immoreel, gewelddadig, en conspiratoir. Ik wijs er nadrukkelijk op dat deze extreme vorm van defamering, voortkomend uit een intense Jodenhaat, er al was vóórdat het christendom ontstond en lang voordat er racistische theorieën over de inferioriteit van de Joden werden ontwikkeld.” [Mijn cursivering]

Misschien had Paul Berman deze oeroude traditie van Jodenhaat beter aangeroepen, plus die van de islam die daarop kon voortbouwen, toen hij schreef dat “de Joden van Alexandrië  niet dwaas waren om in reactie op Rommels opmars te vluchten voor hun leven.” Maar Bermans verhaal is eentonig, want zijn volgende zin luidt: “Maar nu kennen we de exacte zinnen die naar buiten richting Arabische wereld uitstraalden op de kortegolf zenders.” Jaja: alles Duits en christelijk, niks eigen voorchristelijks, Egyptisch’ of islamitisch’.

Het verhaal van de oorsprong van de Jodenhaat haal ik uit de afscheidsrede van Pieter van der Horst uit 2006. In feite ging deze oratie over de historische incorporatie van het nazi-antisemitisme in de eigen Jodenhaat-traditie van de islam, zoals die met name tot uiting komt in het “Palestinisme”. Deze rede werd – in een  aanval op een fundament van de Westerse Beschaving, namelijk het Vrije Academische Woord – gecensureerd door de toenmalige magnifieke rector van de Universiteit Utrecht, Willem Hendrik Gispen. Het gedeelte dat niet uitgesproken mocht worden was precies het gedeelte waarin de koppeling van deze “kannibalen-mythe” via het nazisme naar de huidige islam en vooral het “Palestinisme” werd gelegd. De rede is in zijn geheel, inclusief het gecensureerde gedeelte, uitgegeven door het CIDI (Centrum Informatie en Documentatie Israël in Den Haag) bij de uitgeverij Aspekt onder de titel “De Mythe van het Joods Kannibalisme”. In Trouw verscheen een artikel van Van der Horst over de kwestie.

Kortom: er is wél sprake van een equivalent van godsmoord (profetenmoord) in de islam en de oergrond van de Jodenhaat moeten we in Egypte zoeken, drie eeuwen voor christus (het jaar nul) in het cultuurgebied dat later (7e eeuw) Mohammedaans werd. Ik vermeldde al dat Mark Cohens stelling dat er veel minder geweld tegen Joden in het christendom dan in de islam is geweest op geheel niets berust en door de documentatie van Bostom wordt gelogenstraft. Nu zien we dat de “verklaring” voor die “stelling”ook onzin is, namelijk dat er geen “irrationeel element” in de islamitiscche Jodenhaat zou schuilen. Want er is a) wél sprake van een equivalent van godsmoord in de islam, namelijk poging tot profetenmoord en er is b) wél een satanisering van de Joden die daarop voortbouwt en er is c) bovendien een geheel eigen lijn van demonisering (Kannibalisme) die in Egypte in de derde eeuw voor Christus begint.

Bermans perverteringen zijn soms tegelijk direct-grof en subtiel-kronkelend:

“Soms hadden de  radio-uitzendingen van de moefti een oprecht conventionele islamitische klank. In een van de transscripties van de State Department archieven die Herf heeft opgedoken, verzekert de moefti zijn Arabische gehoor, ‘Houd in gedachten dat jullie nooit in de geschiedenis hebben gestreden met de Joden zonder dat de Joden de verliezer waren’ — en dit advies weerspiegelde een traditioneel islamitisch zelfvertrouwen: precies die karaktertrek die aan het vroege christendom in het algemeen ontbrak, gegeven de christelijke vrees voor de Joodse godsmoord.” [mijn cursivering]

Je zou er bijna overheen lezen, maar hier gebeurt iets fundamenteels. De moorddadige terreur, de minachting, het vernederen, het in armoede storten, het excessieve uitbuiten van Joden tot de uitputting, de waarlijk nazistische Uebermenschen-attitude die de islam bijna 1400 jaar lang bijna overal heeft gekenmerkt wordt hier gedefinieerd als “traditioneel islamitisch zelfvertrouwen”. Tegelijk verklaart Berman dat ontbreken van dit “zelfvertrouwen” bij de vroege christenen uit de “vrees voor de Joodse godsmoord”. Vrees? Maar dat was nou toch juist altijd een overheersend “positief” motief voor de christelijke haat bij pogroms en niet “vrees”? Maar ik vrees dat ik begrijp waarom Berman deze idiote kronkel hier maakt: hij wil nog eens zijdelings benadrukken dat in de islam de “vijandigheid jegens de Joden niet-theologisch” is, niet op godsmoord is gebaseerd. De stelling dus die ik hierboven heb weerlegd.

In de inleiding van zijn boek “Under Crescent and Cross”haalt ook Mark Cohen nog eens deze volstrekt achterhaalde bewering van Bernard Lewis aan: “In de islamitische maatschappij is vijandigheid jegens de Joden niet-theologisch”. We weten nu waar dat op slaat: de “godsmoord” die wel degelijk als “profetenmoord” in de islam opgeld doet. Ik zal bij uitzondering even de pagina’s noemen waar Bostom begint aan een systematische destructie van de ronduit ongeïnformeerde en naïeve stelling van Lewis/Cohen, namelijk in “Islamic Antisemitism” op  pagina 164 rechterkolom. Ondersteunend bewijsmateriaal  op de pagina’s 34 tot 56 (antisemitisme in de Koran) en door de beschrijving van “Antisemitisme in de Hadith en de Vroege Biografieën van Mohammed” (pagina’s 56 tot 76).

Niettemin vraagt Berman retorisch of Andrew Bostom gelijk heeft of Mark Cohen. Maar zijn antwoord is wel duidelijk. Cohen! Luister maar:

“Maar als Mark Cohen gelijk heeft, dan was de moefti bezig met een fundamenteel perverse en onnatuurlijke poging de islam in een nieuwe richting te buigen. De moefti waagde een poging. Hij en zijn collega’s zochten ijverig in de Koran en de heilige geschriften naar bruikbare vijandige opmerkingen, en zij vonden ze, zelfs als deze passages ( . . .) van  de bodem van het vat van de islam geschraapt moesten worden. En door de meest woeste passages uit  de geheiligde literatuur te benadrukken vonden de moefti en zijn collega’s een manier de nazi-theorie over de diabolische Jood opnieuw uit te drukken in een taal van pure islam.” [mijn cursivering]

Dit is een buitensporige, waanzinnige conclusie. Want zoals hierboven is aangetoond heeft Mark Cohen géén gelijk. Cohen doet iets wat de Westerse wereld al te veel gedaan heeft: zichzelf beschuldigen. Cohen herkauwt nog eens wat we nou inmiddels wel weten: het is héél, héél erg geweest met de christelijke Jodenhaat. Trouwens ook met de godsdienstoorlogen van de 16e en 17e eeuw, het industriële kapitalisme, het imperialisme-kolonialisme, de moord op autochtonen van Latijns-Amerika vanaf de 16e eeuw, de moord op de indianen van Noord –Amerika vanaf de 17e eeuw, de Grote Europese Zelfverscheuring van 1914-1945 met die wapenstilstand tussen 1918 en 1939 en de Holocaust, Vietnam . . . . .

Maar dat wéten we nu wel een keertje. Het gewetensonderzoek is wel klaar, té klaar, want doorgeschoten in een verlammende zelfbeschuldiging, waarvan het mooipraten van het Mohammedanisme een belangrijk aspect is. De islam is echter een doodsvijand die naar de woorden van Samuel Huntington vele malen gevaarlijker is dan het communisme ooit was.  Berman blijft echter liever  kritisch op Amerika: “Maar er is altijd iets verkeerd geweest met Amerika ( . . .).  De verkiezing [van Obama] pas geleden is de eerste grote gebeurtenis in de Amerikaanse geschiedenis die opgetekend kan worden zonder een sterretje.” Een kritische noot, bedoelt Berman met “sterretje”. Amerika heeft eindelijk iets puurs en goeds kunnen doen: Obama kiezen!

Hier wordt de mentaliteit van “links” in optima forma door Berman verpersoonlijkt. Ik noem dat de mentaliteit van het politieke hedonisme. Of in Bermans woorden, die ik beter onvertaald laat, “a feel-good excercise for soft-heads”. Men is de betere mens, barmhartiger, genuanceerder, moreel verfijnder. Men staat op een moreel krukje en verheft zich boven de eigen maatschappij, ook als dat ten koste gaat van de beste tradities in die maatschappij en het schoonpraten van een doodsvijand van die maatschappij, namelijk een bewezen totalitaire en antihumane ideologie, de islam, die wat mij betreft allang voor Hitler een Hitlerisme avant la lettre was, namelijk een Mohammedanisme.

In ongetelde golven van agressie hebben de hordes onder het vaandel van de islam tussen 622 en 1683  –  eerst onder de Arabieren en daarna onder de Turken – Europa overspoeld.  Tot 1683 heeft Europa zich alleen maar verdedigd tegen die hordes hormoongedreven moslims die niks anders brachten dan massamoord, verkrachting, roof en marteling. Degenen die ze te bruikbaar of seksueel te aantrekkelijk vonden om te vermoorden, voerden ze in slavernij weg. Moreel was het christelijke Europa altijd al superieur aan de islam. Jezus is echt een ander soort profeet dan Mohammed. En anders dan de islam, die irrationalistische haat als wezenskenmerk heeft, is het christendom in zijn kern gebouwd op de Liefde en de Rede. Na 1683 neemt Europa door de Verlichting niet alleen op moreel, maar ook op technisch gebied een definitieve voorsprong op de islam. En daarna werd Europa “kolonialistisch” en “imperialistisch”, jazeker! En het kolonialisme had zeer zwarte kanten, maar ook lichte en verlichte. Het parasitaire kolonialisme van de islam heeft nooit ergens iets ander gebracht dan gruwelijke terreur en heeft de creatieve prestaties die overwonnen volken ondanks de onderdrukking nog leverden, lang leugenachtig kunnen claimen voor zichzelf, geholpen door sprookjesvertellers in het Westen. Het Westen bracht na 1683 vooruitgang op economisch, technisch, organisatorisch, medisch en tenslotte ook op humanitair gebied. In de geschiedenis van het Westers kolonialisme gaan uitbuiting en winstbejag rond 1870 langzaam over in wat wij nu “ontwikkelingshulp” noemen.  En dat was mogelijk omdat het christendom, hoe verborgen het soms ook bleef onder het onrecht dat Westerse machthebbers hebben aangericht, altijd weer kon teruggrijpen op zijn kern: de Liefde en de Rede. In de islam zal men vergeefs naar zo’n kern zoeken. Slavernij in de islam was er eerder en wreder dan in het christendom en is nooit verdwenen. Zie Saoedie-Arabië, zie Soedan. Dat komt omdat in het christendom een humaan-individualistische gelijkheids-impuls is te vinden om die slavernij af te schaffen. In de islamitische teksten is slavernij vanzelfsprekend. In de islam is niets positiefs te vinden. Daarom is de islam ook onhervormbaar, want er bestaat nergens een fatsoenlijk element in de islam rond hetwelk een hervorming zou kunnen clusteren.

Berman vermag dat onderscheid tussen islam en christendom in het geheel niet waar te nemen. Integendeel, hij ziet meer zeer vage en uitgestrekte wateren die ongeveer hetzelfde zijn:

“De islam is net zo uitgestrekt en vloeibaar als de oceaan, net als het christendom, de golven rollen voorbij als eeuwen en secten en ketterijen dobberen temidden van de golven en elke provincie of land volgde een eigen geschiedenis, en ik vraag me af hoe iemand – wie dan ook, maakt niet uit hoe goed ingevoerd in oude manuscripten – tot een algemene kijk zou kunnen komen over deze onderwerpen.”

Vreemd. Berman komt namelijk, terwijl hij verre van “ingevoerd in oude manuscripten” is, zelf in een opstel van 45 pagina’s tot de “algemene kijk” dat het nazisme, wortelend in het christendom, de relatief reine islam heeft gecorrumpeerd. En voorts: wat een afschuwelijke kletskoek! Misschien is het omgekeerd. Misschien is er geen volume aan bewijsvoering die de “algemene kijk”, te weten de hardnekkige ontkenning van de werkelijkheid rond het Mohammedanisme bij politiek “correct” links kan doorbreken. Want als je Bostoms “Legacy of  Islamic Antisemitisme” in handen hebt gehad, waarvan je opzichtig zegt, zoals Berman doet, dat je een bepaald gegeven hebt gevonden in de voetnoten en er zijn je toch nog twee fundamentele zaken ontgaan — namelijk het verpletterende bronnenbestand van dat boek en het feit dat er een net zo’n volumineuze voorganger was, namelijk “Legacy of Jihad”met ook heel véél voetnoten — dan is er echt iets mis met je toegankelijkheid voor nieuwe informatie.

Zoals de Arabist en islamograaf Hans Jansen op de website “Hoeiboei” op 12 september 2010 uitlegde:

Sinds 11 september 2001 hebben er volgens www.thereligionofpeace.com meer dan zestienduizend aanslagen plaats gevonden, waarbij de omstanders steeds weer met jaloersmakende hardnekkigheid willen blijven geloven dat deze aanslagen los van elkaar staan en niets met elkaar te maken hebben.”

Jansen had er aan toe kunnen voegen dat de reeksen van culturele incidenten, waarbij het altijd weer gaat om “belediging van de islam” en de reeksen mensen die ondergedoken zitten of met zware bewaking door het leven moeten vanwege kritiek op de islam, bij politiek- “correct” links ook al geen neiging opwekken om de puntjes via lijntjes te verbinden. Die feitenresistentie van fout links als het om de islam gaat, neemt bij Berman pathologische vormen aan. In een interview van maart 2009 zegt hij:

“Het Hamas Charter is vol wilde taal – niet alleen dat over het doden van de Joden, maar er is ook het aanroepen van de Protocollen van de Wijzen van Zion en van een antisemitische theorie van de geschiedenis. Maar misschien moet dat allemaal gezien worden als een overdreven kreet van pijn – een uitdrukking van machteloosheid. Misschien is er een soort van pathetisch slachtofferschap en lijden in de ideeën van Hamas en niet veel meer.” [mijn cursivering]

Het is bij de wilde beesten af. Hoe feitenresistent kan je zijn? Het is bij Berman inderdaad iets wat boven feitenresistentie uitgaat, namelijk pathologie. Hij schrijft zelf over Hamas als “ ’s werelds beroemdste hogepriesters van de cultus van de zelfmoordaanslagen – een organisatie bekend om zijn aannslagen op willekeurige mensenmenigtes in pizzatenten en disco’s ( . . .).” Dus hij wéét dat je alleen maar “Hamas” hoeft in te tikken op YouTube om een idee te krijgen van de moorddadige wreedheid waarmee ze ook hun “broeders” van de PLO hebben afgeslacht. Dus als Berman denkt dat het wel mee gaat vallen als er Joden in hun handen vallen, dan is hij ronduit geschift. Mijn verstand staat hier verder stil, mijn vocacbulaire is op en ik word alleen nog maar razend. Ook bij mij heeft de Cultuur van de Rede zijn limieten. Maar het Politieke Hedonisme – dat zowel omvat het poseren als Gutmensch alsook het ontkennen van harde waarheden – is schijnbaar grenzenloos.

Tot in de volle idiotie gaat Bermans politieke“correctheid”. Hij citeert een van de moefti’s radio-uitspraken waarin de moefti waarschuwt voor de expansie van de Joden vanuit Palestina tot helemaal langs de kust van Noord-Afrika tot aan Marokko:

“Amerika, dat nu de Joodse vlag draagt, wil een tweede Joods thuisland scheppen in de islamitische Maghreb en in Noord-Afrika, een thuisland waarin de Joden die uit Europa zijn verdreven en een deel van de Joden en negers van Noord-Amerika een schuilplaats zouden vinden.”

Waarop Berman: “De opmerking over de negers van Noord-Amerika schijnt een beetje raadselachtig, moet ik zeggen. Maar waarom zou het ons raadselachtiger moeten voorkomen dan wat-dan-ook in de moefti’s theorie?”

Mij is meer een raadsel hoe Berman deze huichelarij durft te debiteren. Alsof  het racisme van de moefti niet met de islam samenhangt. Berman weet heel goed – móét weten! – dat de moefti hier het racisme bespeelt van Arabieren en Berbers jegens zwarten, van een cultuur die een geschiedenis heeft van zwarten in slavernij brengen die vele malen wreder is dan die van de “blanken”, die veel volumineuzer is geweest en ook veel langer geduurd heeft. Die in feite niet afgelopen is en dan doel ik niet eens op de moderne slavernij van voornamelijk Philippino’s in Saoedie-Arabië en de Golfstaten, maar op Soedan, waar tot op dit moment van schrijven (2010) voortdurende genocide door Arabieren gerechtvaardigd wordt met de islam (theocratisch racisme), maar in welke genocide ook een sterke etnisch-racistische component zit: het gaat hier om “negers”.

Maar om terug te komen op de inherente Jodenhaat in de islam, die dus echt niet alleen in de “ziel” van de moefti bestond: ondanks de vermeende almacht van de Joden schilderde de nazislam-propaganda de Joden als een inferieur ras, die krankzinnige rituele wreedheden bedreven. Die nazislam-propaganda sloot zo precies aan bij de opvatting van de Jood als inferieure Untermensch in het hele islamitische Midden-Oosten. Dat beeld was al sinds de dagen van Mohammed, dus tijdens WO II al zo’n 1300 jaar, volstrekt gangbaar. Een Jood gold als een soort dier, met soms niet onaanzienlijke talenten, waarvan door de Mohammedaanse Uebermensch gebruik gemaakt kon worden, maar in elk geval diende de Jood uitgebuit en vernederd te worden. De Jood werd niet als gevaarlijk gezien, wel als verraderlijk, maar niet in die zin dat de “oemma”, de wereld van de gelovigen, als zodanig van de soort iets te vrezen had. De Profeet had immers middels een paar massamoorden ook vrij gemakkelijk met de Joden in Medina afgerekend.

Als vanaf Mohammed niet het beeld ontstaan zou zijn van de Jood als uit te buiten maar ongevaarlijke Untermensch – een beeld dat in de praktijk ook constant  bevestigd werd – welke vorm zou de Jodenhaat dan aangenomen hebben in het Midden-Oosten? Misschien toch een vorm van bijgeloof met als oergrond de kannibalisme-mythe van Apion? Met andere woorden: voor Jodenhaat is het niet nodig, zoals Mark Cohen en in zijn spoor Berman menen, dat er almachtsmythes en bloedsprookjes de ronde doen: veertien eeuwen islamitische terreur tegen Joden bewijzen het.

Niettemin zou je kunnen zeggen dat de islamitische Jodenhaat  op één punt verrijkt werd door het nazisme: de Jood gold voortaan wel degelijk veel meer als onbetrouwbaar, niet alleen als inferieur, maar tegelijk als “superieur”, niet alleen als minderwaardig, maar ook veel meer als “almachtig”. Kortom: de Jood werd het tegelijk verachtelijke en satanische genie dat achter alle kwaad stak.

Berman heeft uit Jeffrey Herfs boek zeer  pregnante citaten van de moefti’s radiotoespraken gehaald. Zoals deze:

“Moeten we niet de tijd vervloeken die dit lage ras de gelegenheid heeft gegeven hun begeerten te realiseren via landen als Engeland, Amerika en Rusland? De Joden hebben deze oorlog veroorzaakt in het belang van het Zionisme. De Joden zijn verantwoordelijk voor het bloed dat vergoten is. ( . . .) De wereld zal nooit vrede kennen tot het Joodse ras is uitgeroeid ( . . .) . De Joden zijn ziektekiemen die alle ellende in de wereld hebben veroorzaakt.”

Of deze: “Arabieren van Syrië, Irak en Palestina, waarop wachten jullie? De Joden zijn van plan jullie vrouwen te verkrachten, jullie kinderen te vermoorden en jullie zelf te vernietigen.”

Of deze: “Vermoord de Joden, verbrand hun eigendommen, vernietig hun winkels, roei uit deze laaghartige supporters van het Britse imperialisme. Jullie enige hoop op redding ligt in de uitroeiing van de Joden voordat de Joden jullie uitroeien.”

Nu moet Berman toch behoorlijk kennis hebben genomen van de geschiedenis van de islam van de laatste 80 jaar, want hij heeft een boekje geschreven “Terror and Liberalism”, dat de geschiedenis van het Midden Oosten oppikt bij het ontstaan van dat dialectische mengsel van islam en marxisme dat de naam “Baath”  heeft gekregen. Hij heeft één boek van Bostom althans gezien en Mallmann en Cüpers ook. Herf  heeft hij blijkbaar daadwerkelijk helemaal gelezen. Dat zou toch de ogen moeten openen voor de verpletterende bewijzen die Bostom aanvoert voor het karakter van “nazisme avant la lettre” van de islam?  Berman zegt  ergens: “Tariq Ramadan blijft een man die niet kan zien dat een monsterlijk figuur als Yusuf al-Qaradawi een monsterlijke figuur is.” Maar voor Berman hoop ik waarachtig dat hij niet blind blijft voor het feit dat een monsterlijke ideologie als de islam een monsterlijke ideologie is. Maar ik vrees met grote vreze. Ten eerste  omdat Berman misschien als denker toch overschat wordt. Berman is bijvoorbeeld iemand die van mening is dat een “subtiele buitenlandse politiek” van Amerika in het Midden- Oosten zal helpen de moslimziel te winnen voor de “progressieve zaak”.  Een Homerisch gelach dondert van de Olympus van de deskundigen die écht iets weten van het Midden-Oosten. “Subtiliteit”! Ja, daar zijn de  bazen in Saoedie-Arabië, Syrië, Egypte, Irak en Iran erg van onder de indruk. En ook van Redelijkheid en Rechtvaardigheid en Vrijheid.

Het moreel-intellectuele falen van Mallmann/Cüppers en Herf inzake islam en nazisme.

Klaus Michael Mallmann

Mallmann/Cüppers en Jeffrey Herf noemen Bostom niet. Mogelijk dat zij, anders dan Berman, wel tot andere inzichten inzake de islam zouden zijn gekomen na een grondige kennismaking met Bostoms beide boeken, maar feit is dat alle drie deze auteurs, zowel Herf als het duo Mallmann/Cüppers politiek “correct” blijven. Mallmann en Cüppers blijven steken in absurde retoriek en Herf zet alles op alles om, net als Berman, eenzijdig de nadruk op de invloed van het nazisme op de islam te leggen.

Martin Cüppers

In hun inleiding van “Halbmond und Hakenkreuz” zeggen Mallmann en Cüppers : “Uitdrukkelijk zij op deze plek beklemtoond dat het de auteurs van dit boek het er in geen geval om gaat, de islam als wereldreligie te discrediteren of alle Arabieren in het algemeen tot verdachten te maken van collaboratie met het nationaal-socialisme.” Aan dat laatste zou de auteur van dit opstel zich evenmin schuldig willen maken. Maar waarom wordt door Mallmann en Cüppers die uiterst merkwaardige koppeling gemaakt: een ideologische aanduiding (islam) en een etnische aanduiding  (Arabieren)? Ik ben bang dat hier een handreiking wordt gedaan aan de heersende “politiek correcte” kringen, waarin het mode is om ideologie-kritiek op de islam als “racisme” verdacht te maken. Zoals de Nederlandse filmmaker Eddy Terstall ooit opmerkte: “Kritiek op het katholicisme is toch niet hetzelfde als kritiek op Limburgers?” Zoals, zou ik zeggen, kritiek op het communisme, het fascisme, het boeddhisme, het hindoeïsme, het protestantisme, de vrijmetselarij en enzovoort en et cetera niet hetzelfde is als kritiek op “de Chinezen” of op de bewoners van de panden met oneven nummers in de Tweede van der Helststraat in Amsterdam. Kritiek op een ideologie mag! En als op grond van die ideologie-kritiek een veroordeling kan worden uitgesproken over die ideologie, dan kunnen de willens-en-wetens-aanhangers van die ideologie daarop worden aangesproken en moreel veroordeeld.

Jeffrey Herf

In zijn boek “Nazi Propaganda for the Arab World” geeft Jeffrey Herf ook blijk van een dergelijke hang naar politiek correctisme. Alleen al uit zijn regelmatige gebruik van de term “islamisme” blijkt dat ook Herf gelooft in een van de “gematigde islam” onderscheidbaar “islamisme”. Herf, sprekende over nazisme en islamisme: “Ze bouwden op en braken beiden met elementen van hun respectieve beschavingen.”  En nog explicieter: “In dit amalgaam van passies en belangen, waren zowel de nazi’s als hun Arabische collaborateurs bezig hun tradities selectief te interpreteren, zich beroepend op de meest verachtelijke aspecten van de culturen van Europa en de islam en deze accentuerend.” Herf spreekt van “de Koran en de selectieve toeëigening en interpretatie ervan” door de nazi’s. De cursivering is van Herf zelf, die heel weinig cursiveert. Dit wordt dan gecompleteerd door dezelfde merkwaardige – overigens niet in één en dezelfde zin, zoals bij Malmann en Cüppers –  suggestie dat een algemene kritiek op de islam kritiek op “Arabieren” en “moslims” zou zijn. Herf meldt bijvoorbeeld dat de memo’s van zowel de Amerikaanse als de  Engels ambassadeur in Egypte “vrij waren van generalisaties  over ‘de Arabieren’ en ‘moslims’ “.

In de trant van Berman, die daarin veel explicieter is, legt Herf  verklaringen af die moeten suggereren dat het nazisme existentieel, genetisch los stond van het nazisme. Hij is daarin heel subtiel. Je zou het ook nevelig taalgebruik kunnen noemen. Zijn bevindingen, zo meent Herf, verlenen “plausibiliteit aan de stelling van continuïteit en verwantschap tussen de propaganda in de Arabische taal van het nazisme ( . . .) en de radicale islam in de volgende decaden [na WO II]”.

Hier gebeurt iets ingewikkelds, maar wel iets fundamenteels, iets dat tekenend is voor de aan politiek correctisme verslaafde geest: eerst koppelt Herf de radicale islam dus los van de  islam en vervolgens bestaat er ook geen “verwantschap” meer tussen nazisme en radicale islam (zoals bijvoorbeeld tussen zaad en bodem):  de verwantschap bestaat nog slechts tussen de nazi-propaganda en de radicale islam. Door die die subtiele toevoeging is het weer een eenrichtingsverkeer geworden, zoals bij Bermans “outward beaming” van de radiopropaganda. Ook Herf legt dus de oerbron van het Kwaad zo toch weer bij de Westerlingen. Ook voor Herf geldt dus: de exotische medemens wordt niet serieus, genomen want blijkbaar niet in staat tot zelfstandig Groot Kwaad. Als er door exotische mensen Groot Kwaad wordt aangericht dan moet dat toch op de een of andere manier bij de superieure Europeanen vandaan komen. Het is een vorm van verfijnd racisme, minstens van neerbuigendheid.

Dezelfde achterliggende gedachte is terug te vinden wanneer Herf schrijft: “een hoofdstuk van zijn geschiedenis [van het islamisme] werd geschreven in het door het nazisme gedomineerde Europa en met name in ( . . .) Berlijn”.

Als Herf nazi Johannes von Leers (1902 – 1965) ter sprake brengt, die de succesvolle terreur bezong van de islam door de eeuwen heen tegen de Joden (“hield ze in een staat van onderdrukking en angst”) waardoor volgens Von Leers  “de islam een eeuwige dienst aan de wereld “  bewees – dan vraagt Herf zich niet af of deze Hitleriaan Von Leers misschien een goed  instinct voor ideologische  zielsverwantschap zou kunnen hebben gehad. Herf: “Door zo te handelen, deelde hij in de poging van Himmler en anderen in de SS om gemeenschappelijke grond te vinden tussen het nationaalsocialisme en de islam.” Maar vaststellen dat die “common ground” er echt ook wel was, dat is een brug te ver voor Herf.

Als Herf een parallel trekt tussen christendom en Mohammedanisme – “zich beroepend op de meest verachtelijke aspecten van de culturen van Europa en de islam en deze accentuerend”  – dan spreekt daaruit impliciet een hang naar gelijkstelling van de christelijke en de islamitische cultuur. Waar komt die hang vandaan? Hoop, tegen beter weten in, dat de islam in humane zin hervormd kan worden? Maar ik heb het al gevraagd: rond welk principe in de islam zou zo’n hervorming dan moeten clusteren? Waar is dat handvat, die hefboom in de islam om die ideologie 180 graden te doen keren? Het verzoek dat aan Herf gericht zou kunnen worden is: probeer eens “selectief” positieve en humane aspecten in theorie en praktijk van de islam aan te wijzen. Die zijn er simpelweg niet. Jawel: net zoals alle totalitaire terreur-bewegingen, tot aan Hamas toe, roept de islam op “aan de armen te geven”, want zo winnen alle totalitaire bewegingen altijd de sympathie van “de massa’s”, totdat ze  sterk genoeg zijn om “de massa’s” te terroriseren. In het geval van de islam wordt trouwens ook nog uitsluitend aan “gelovige” armen gegeven. En ja, de Koran staat vol met uitroepen dat Allah zo’n Barmhartige Erbarmer is, maar uit de verdere inhoud van de Koran blijkt het tegendeel en steeds wanneer het lijkt alsof er iets humaans in staat,  geldt het principe van de abrogatie waardoor juist de “verachtelijke aspecten” zoals Herf die noemt, ten slotte toch de leer bepalen, zoals ook uit 14 eeuwen praktijk van de islam blijkt.

Het is verontrustend dat het wensdenken inzake de islam resistent tegen feiten is ook en juist bij onderzoekers die zo ontzagelijk veel beter kunnen weten. Herf en Mallmann/Cüppers zijn voorbeelden, maar Berman citeert een Frans onderzoeker, Pierre-André Taguieff, die in 2008 een onderzoek publiceerde naar het groeiende antisemitisme onder islamitische migranten in Frankrijk, maar volgens Berman toch weer keurig sprak over het islamisme als een “ideologische corrumpering van de islam” en die, volgens Berman,  de wortels van dat islamisme ook al niet verder weg zag liggen dan bij Hassan el-Banna en Sayyid Qutb. Lezen die “deskundigen”, zo begin je je af te vragen, wel eens een goed boek over hun onderwerp?

 

Het avant, het pendant en het après.

Midden-Oosten-deskundige, fel islam-criticus en Israël-verdediger Daniel Pipes ontdekte de connectie tussen islam en nazisme pas laat. In april 2010 schreef Pipes:

“Na het lezen van Küntzel en Herf realiseerde ik me dat aan mijn opleiding inzake het Midden-Oosten een vitaal ingrediënt ontbrak: het nazi-ingrediënt.” Inderdaad wees Matthias Küntzel als een van de eersten op de ongebroken invloed van het nazisme op de islam en de hele cultuur van het Midden-Oosten, 60 jaar na het einde van het nazi-regime in Europa.

Ik heb hierboven gezegd: wie een “academische“ discussie zou willen aangaan over de vraag of het Mohammedanisme wel een “Hitlerisme avant la lettre” genoemd zou mogen worden, zou na lezing van Bostoms boek die neiging wellicht kwijt kunnen raken. Maar niettemin zullen we dit woord  “nazi-ingrediënt” nog maar eens, zoals het modejargon luidt in academische kring, “problematiseren”. Want hoe verhoudt zich dit “ingrediënt” tot de andere samenstellende delen van de islam?  Waarom groeide de nazi-ideologie zo voorspoedig op islam-bodem? Lag dat aan de vruchtbaarheid van de bodem, of aan de kiemkracht van het nazi-zaad? Met andere woorden: was de islam al “nazistisch” voor de opkomst van die andere Führer, Hitler?

Voor wat betreft het pendant la lettre, dus de jaren van het reëel bestaan hebbende nazisme, de jaren globaal van 1930 tot 1945  zijn de bewijzen voor het oprapen. De stand van de wetenschap  is daar “Halbmond und Hakenkreuz” van Mallmann en Cüppers. Een recensie van dit boek spreekt terecht van de “schier terneerdrukkende voorraad bronnen” waarop de auteurs Mallmann en Cüppers zich baseren. Deze recensent haalt mijn inziens terecht het volgend inzicht uit het boek: “ Beide, zowel het nationaal-socialisme als het islamisme, verbond een ideologie die haar uitgangs- en eindpunt had in een moorddadig antisemitisme van gelijke kracht.”  Inderdaad:  de groeiende ideologische verknoping tussen islam en nazisme plus de praktische en intensieve samenwerking tussen het Hitler-regime en de moefti van Jeruzalem tussen 1933 en 1945 wordt in extenso door Mallmann/Cüppers beschreven.

Uit de mate waarin de nazi-ideologie, beter gezegd, het giftige mengsel dat ontstond uit het nazisme en de islam, na 1945 is blijven hangen, uit het “après” dus, valt af te leiden hoe diep deze “nazislam” wortel heeft geschoten. Het zegt veel over de vruchtbaarheid van de grond waarin het nazisme kon groeien en dus ook iets over het “avant”. Ik haal Bat Ye’or nog een keer aan: “op het niveau van de leer, is de nazi-invloed secundair aan de islamitische basis”. Inderdaad is er voor deze na-oorlogse jaren aangaande deze “nazislam” steeds meer documentatie. Om te beginnen natuurlijk het boek van Küntzel, “Jihad und Judenhass”, al geeft Küntzel, volgens Bostom,  tegen alle historische evidentie in het nazisme veel te veel gewicht in verhouding tot de eigen oorlogs- en Jodenhaat-traditie van de islam.

Een boek dat genoemd moet worden voor na-oorlogse jaren, voor het “après”, is het 1046 pagina’s  tellende “Van Jodenhaat naar Zelfmoordterrorisme” (2006)  geschreven door de theoloog (niet de Arabist) Hans Jansen. Wel heeft theoloog Jansen, door de jarenlange onderdompeling in deze modern-islamitische jodenhaat-propaganda, waarin voortdurend met juichende instemming naar Hitler en de nazi’s wordt verwezen, blijkbaar eenzelfde blikvernauwing opgelopen als Matthias Küntzel. De ondertitel van zijn boek luidt: “islamisering van het Europees antisemitisme in het Midden-Oosten”. Die subtitel had beter geluid: “incorporatie van het Europese antisemitisme in de eigen islamitische traditie van Jodenhaat”.

Wie dit boek wil begrijpen moet bekend zijn met het MEMRI (Middle East Media Research Institute) dat met teksten en tv-fragmenten uit de Arabisch-islamitische wereld al jaren aantoont hoe totaal aldaar in onze tijd de Jodenhaat is, in elk segment van de maatschappij. Theoloog Jansen heeft in zijn boek vooral heel veel informatie van dat MEMRI opgenomen. De voorlichting van dat MEMRI helpt overigens blijkbaar evenmin als de 1046 pagina’s van het boek van Jansen: in de mainstream-media overal ter wereld blijft de islam gefêteerd en  Israël gedemoniseerd worden.

Desondanks wordt vaak het cliché van de “ge-oliede Israëlische propagandamachine” gebruikt. Joris Luyendijk in zijn “Het zijn net mensen: beelden uit het Midden-Oosten”, (2006) , spreekt over “dat sublieme perscentrum in het Isrotel [van de Israëli’s], waar een hapklare versie van de gebeurtenissen voor mij klaar lag”. Daartegenover wordt door Luyendijk het zielige stemmetje van de Palestijnen met hun zogenaamde houtje-touwtje-voorlichting gezet. Maar hoe komt het dan dat al die honderden Westerse correspondenten van overal ter wereld de Palestijnse propaganda vréten en Israël blijven demoniseren? En waarom is men in kringen van fatsoenlijke mensen, waaronder uiteraard veel verstandige Joden,  juist wanhopig omdat zelfs de pure feiten inzake het “Palestijns-Israëlische conflict” in het Westen niet over het voetlicht te krijgen zijn, niet in de media, niet in het onderwijs (lager, middelbaar of academisch) en niet in de politiek? En dus blijft óók het grote Westerse publiek ontvankelijk voor de “taqiiya”, de haat- en leugen-propaganda van Arabische en islamitische kant. De voorlichting afkomstig uit de gewetens-cultuur van de Joodse en Israëlische kant is in zoverre “ge-olied” dat ze accuraat en waarheidsgetrouw een tsunami aan feiten produceert plus aan-de-kaak-stellingen van bewuste leugens, halve waarheden en regelrechte hoaxen van de kant van de “Palestijnen” en de “Palestijnen”-vrienden. Het MEMRI bijvoorbeeld heeft een dermate grote documentatie op dit gebied dat zij onoverzienbaar is. Punt is alleen dat door de islam-apologeten hiervan geen kennis wordt genomen en als er iets van doordringt in de blijkbaar hermetische schedels dan wordt het afgedaan als “Zionistische” propaganda.

Wie de 1046 pagina’s van “Van Jodenhaat naar Zelfmoordterrorisme” te veel is, kan overigens bij de  57 pagina’s terecht bij de  hierboven besproken rede uit 2006 van professor Pieter van der Horst: “De Mythe van het Joods Kannibalisme”.

Richt het MEMRI zich op het hele Midden-Oosten, Palestinian Media Watch (PMW) houdt al jaren lang specifiek de voornaamste Palestijnse kranten in de gaten en het tv-station van de “Palestijnse Autoriteit”. Dat is de “regering”, die werd ingesteld op grond van de Oslo-Accoorden van 1993 en “welke “regering” had zullen bewijzen dat de Palestijnse Arabische “elite” klaar was een staat te runnen die vrede en veiligheid aan Israël zou bieden. We weten waarop dat is uitgedraaid: de “Palestijnse” leiders bleven de maffia die ze altijd geweest zijn.

Hier zijn twee voorbeelden van een oceaan aan bewijzen die op het internet te vinden zijn dat het hele Midden-Oosten uit alle poriën Jodenhaat zweet. PMW houdt ook de leerstof in de gaten die op “Palestijnse” basisscholen wordt gebruikt. Ook hier is de leidraad: opvoeding tot Jodenhaat en geweld.  Genoemde theoloog Hans Jansen, auteur van het boek “Van Jodenhaat naar Zelfmoordterrorisme”, heeft in 2009 een boekje uitgegeven met een eigen onderzoek naar de leerstof onder de veelzeggende titel: “Onderwijs van Palestijnse Autoriteit moedigt aan tot heilige oorlog tegen Israël.” Er is een toespraak van Hillary Clinton op YouTube te vinden waarin zij expressis verbis eist dat de haatpropaganda uit het Palestijnse onderwijs verdwijnt.

Kortom: uit het “pendant” en het “après” laat zich iets aflezen over het “avant”. Ik meen in mijn paragraaf “Het totalitaire en nazistische karakter van de islam” bovendien aangetoond te hebben dat alle totalitaire trekken van het nazisme ook de islam kenmerken, maar dat de diepste, de genetische verwantschap in de Jodenhaat in combinatie met de oorlogszucht zit.

Het moreel-intellectuele falen van de Nederlandse quasi-elite inzake nazisme, islam en Israël.

Maarten Van Rossem

“Israël is gewoon een expansionistische staat”, hoorde ik op tv ergens in 2009 Nederlands nationaal knuffelbeertje Maarten van Rossem gezellig grommen. Professor Doctor Historiae Van Rossem is altijd op tv en heeft aldaar altijd de lachers op zijn hand. Dat doet hij door voortdurend, op consequent schouderophalende toon, alles wat hem voor de voeten komt af te zeiken. Van Rossem spreekt als een plattelander die bij voorbaat nergens van onder de indruk is. Hij speelt onafgebroken de professor-boerelul. Gewoon, niks bijzonders die Joden met hun Holocaust, tuig als alle ander tuig, leek Van Rossem te willen zeggen. Hij maakte zijn opmerking in “de Wereld Draait Door”, een Nederlands tv-programma, en het was vooral een casual opmerking, even tussendoor, zoals alle received wisdom over Israël de laatste decennia in de media als een vanzelfsprekendheid wordt gebracht. “Bezette gebieden”: dat weet iederéén toch? Er heerst in de nationale televisie-huiskamers van Nederland gezellige overeenstemming over “Israël”: de gastheren, of ze nou Mathijs van Nieuwkerk, Jeroen Pauw of Paul Witteman heten, worden niet gehinderd door enige kennis, de “politiek-correcte” gasten-van-voorkeur ook niet en het publiek thuis en in de studio weet doorgaans al helemáál niks anders dan de domme cliché’s waarmee ze in alle media worden doodgegooid.

Het falen en het verraad van de intellectuelen heeft grote gevolgen voor de geestelijk volksgezondheid.  In “uitgesproken EO” van 30 september 2010 werd een aantal Oost-Nederlandse oudere provincialen, leden van het CDA, gevraagd wat zij gingen doen op het, op dat moment, nog aanstaande Congres van het CDA dat moest beslissen over de samenwerking met de PVV. Om het eens in GeenStijl-stijl te zeggen: maar check dan toch die verwaten zelfingenomenheid waarmee een aantal van deze types de aangekondigde samenwerking met de PVV van Wilders zeiden ongezien te zullen afwijzen! Ongeacht het regeer-en-gedoog-accoord dat zou voorliggen! Men zou, toen het kabinet Rutte-Verhagen-met-gedoogsteun-van-de- PVV in de maak was, de ernstige en bezorgde stemmen eens moeten tellen die in de actualiteiten-rubrieken, gasten ( Tweede Kamer-leden, ministers, CDA-dino’s) zowel als presentatoren, die het “uitsluiten” van de islam een ernstig vergrijp van Wilders vonden. Stemmen die zich afvroegen of de “godsdienstvrijheid” en de “rechtsstaat” niet in gevaar kwamen. De kwasten! Wilders kunnen ze niet integreren, maar massa-immigratie van bewuste of onbewuste vertegenwoordigers van een gedurende 1400 jaar wereldwijd bewezen totalitair en antihumaan systeem dat nog nooit ergens op basis van gelijkwaardigheid heeft kunnen samenleven met andersdenkenden . . . . .  dát is helemaal dikke mik! Geen probleem!

Joost Zwagerman

Je hebt falende intellectuelen in gradaties. Zo heeft Joost Zwagerman sinds ongeveer 2003 een forse draai gemaakt. Ik heb het artikel niet in het Volkskrant-archief terug kunnen vinden maar het moet rond die tijd geweest zijn dat hij schreef over een “(…) uiterst reële kans op een kabinetscri­sis en vervroegde verkiezingen in 2005. Met name de PvdA zal opnieuw het nakijken hebben: de getergde en geradicaliseerde migranten naar de AEL en de eeuwig ontevreden autochtoon weer terug naar de LPF.”

Mij deed die eeuwige autochtoon van Zwagerman denken aan de ewige Jude, maar dat is natuurlijk hineininterpretieren, net zoals ik projecteer dat, als je Hezbollah-man Abou Jahjah typeert als “welbespraakt en mediageniek”, je een terrorist aan het salonfähigen bent. En “getergde migranten”? Omdat de autochtonen dat pamperen overdreven hebben?  Zwagerman tekende de ewige Autochtone daar ergens rond 2003 als een diva, die van verwendigheid niet meer weet welke gril ze nou weer eens zal volgen. “In Neder­land”, vond Zwagerman, “heerst sinds enige tijd substantieel het sociale klimaat van de korte lont. Of, om het iets vriendelijker te zeggen: een collectieve lichte ontvlambaarheid bepaalt tegenwoordig in belangrijke mate onze nationale identiteit.” Substantieel heersen. Klimaat van de lont. Virtuoze beeldspraak, zegt u dat wel. Maar enfin, deze “nieuw-Nederlandse psyche: veranderlijk en wisselvallig” zou volgens de Amsterdamse woordkunstenaar in de toekomst opnieuw tot puberaal gedrag bij de Nederlandse autochtoon kunnen leiden.

Hoe anders spreekt Zwagerman in 2010! “Links helpt Wilders door PVV-kiezer te kleineren” staat er boven het artikel in de Volkskrant  waarin hij vraagt om “erkenning van het onbehagen en gevoelens van uitsluiting onder de witte autochtone kleinburger die zijn ankerplaatsen en leefwereld ingrijpend veranderd ziet door migranten aan wie een linkse bovenlaag een exclusief engagement verbindt.” Natuurlijk vergeet Zwagerman niet aan de “woeste uitspraken van Wilders over kopvoddentaks en aanverwante praat” te herinneren alsmede het “door de knieën schieten van relschoppers”. Ja, soms gaat ook Wilders in zijn woede om de blindheid van het Gutmenschendom te ver.

Heeft de  “eeuwig ontevreden autochtoon”  bij Zwagerman inmiddels plaats gemaakt voor “erkenning van het onbehagen”, op één punt moet Zwagerman nog voorgelicht worden. Hij hoeft zich niet te schamen: hij is in het gezelschap van Berman, Mallmann/Cüppers, Herf en ook Küntzel. Maar niet in dat van Bostom, Ibn Warraq en Bat Ye’Or.

Via Pauw & Witteman, Mathijs van Nieuwkerk, allerlei teksten in dag- en weekbladen en soms ook via een als mooie boekjes uitgegeven pamfletten hebben we de geestelijke ontwikkeling in multicultibus van Joost Zwagerman kunnen volgen. Hij  bundelde in 2009 een aantal opstelletjes onder de titel “Hitler in de Polder & Vrij van God”. Op pagina 25 onderaan zegt Zwagerman:

“Was ik moslim in Nederland, ik zou me inderdaad geschoffeerd voelen door de populistische slogans van Geert Wilders en zijn partijgenoten. Maar ik zou die schofferingen pareren met een lucide argumentatie en mij niet laten verleiden tot de beschuldigingen van de zelfbenoemde ontmaskeraars van het radicale kwaad. Deze moslims die zich hiertoe niet laten verleiden en die inderdaad lucide én valide argumenten aandragen in het debat – deze moslims zijn er en ze laten steeds krachtiger en overtuigender van zich horen. Ze heten – ik doe een greep – Ahmed Aboutaleb, Ahmed Marcouch en Tofik Dibi. Zonder dat zij zich laten gijzelen door de hysterische retoriek van de beschuldigers van het radicale kwaad, spreken deze Nederlandse politici met moslimachtergrond zich uit (. . .). Zij verwijzen niet naar Hitler, Goebbels, Himmler  en andere nazi’s, dank u beleefd. Evenmin laten zij zich gevangen zetten in het woord ‘Jood’ door prat te gaan op vermeend slachtofferschap dat hun wordt opgedrongen door schijnbare autochtone bondgenoten in het debat.”

Deze “Nederlandse politici met moslimachtergrond” en ook Zwagerman zelf zijn hartelijk uitgenodigd  om na lezing van het onderhavige opstel, waarin, in verband met de islam wél verwezen wordt naar “Hitler, Goebbels, Himmler en andere nazi’s” die “lucide argumentatie” te komen verzorgen met al die “valide argumenten”. Dank u bij voorbaat zeer beleefd. Jammer trouwens dat Zwagerman in zijn verfijnd uitgegeven pamfletje die argumenten niet even opschreef. Zal ik eens uit de oceaan aan mogelijke citaten er twee vissen die waarin Hitler, Himmler en nog een andere nazi op Goebbeliaanse wijze met de islam verbonden worden?

Te lezen in “Halbmond und Hakenkreuz“:

“Toen hij van voorbeelden van de fanatieke bewondering voor Hitler in de Arabische landen hoorde, gaf hij [Himmler] aan het Reichssicherheitshauptamt op 14 mei 1943 de groteske instructie om de Koran systematisch te doorzoeken naar passages in de tekst die als bewijzen geïnterpreteerd zouden kunnen worden, dat Hitler ‘reeds voorspeld en van de opdracht was voorzien, het werk van de Profeet te voleinden’.”

Je zou de indruk kunnen krijgen dat die Hitler-bewondering in het Midden- Oosten iets van een eigen inititief op grond van een eigen Führerprinzipe-traditie had. Kaltenbrunner, de chef van het Reichssicherheitshauptamt vond het overigens weer te ver gaan, die gelijkstelling van Hitler met de Profeet. Te heiligschennend voor de Führer die immers de Arabieren in “Mein Kampf” een minderwaardig ras had genoemd, waardoor er een probleempje ontstond bij de Arabische vertaling van dat boek.

Himmler schreef op 2 november 1943 een brief aan degene die hem wellicht de baas was in Jodenhaat,  hadj Amin el-Husseini, de Grootmoefti van Jeruzalem:

“Sinds haar ontstaan heeft de nationaalsocialistische beweging van Groot-Duitsland, de strijd tegen het wereldjodendom in haar vaandel geschreven. Daarom heeft zij steeds met bijzondere sympathie de strijd van de vrijheidslievende Arabieren, vooral in Palestina, tegen de Joodse indringers gevolgd. Het besef dat deze vijand er is en dat daartegen een gemeenschappelijke strijd wordt gevoerd, vormt de vaste grondslag van het natuurlijke bondgenootschap tussen het nationaalsocialistische Groot-Duitsland en de vrijheidslievende Mohammedanen in de gehele wereld.”

Dit citaat komt uit Emerson Vermaat, “Nazi’s, Communisten en Islamisten: Opmerkelijke allianties tussen extremisten” (2008).

Ja, kijk, ik snap wel wat Zwagerman zegt: het waardige smaldeel der Nederlandse moslims doet zich niet voor als slachtoffer, maar laat zich ook niet als nazi demoniseren. Maar het punt is dat een vergelijking tussen islam en nazisme historisch en actueel heel adequaat is. En Zwagerman mag vooral uitleggen hoe hij tot de gotspe komt om die pathetische vergelijking te maken tussen gevangen gezet worden “in het woord“  moslim en “in het woord” Jood. Zou je daar nou een hoger brok van in de keel moeten krijgen? Gevangen gezet worden in een woord is overigens wel weer eens wat anders dan in de martel-gevangenissen van islamitische dictaturen. Ter wetenschappelijke verduidelijking van die perverse vergelijking schrijft Zwagerman: “Bovendien dreigen Nederlanders met moslimachtergrond op valse gronden in een quarantaine van historische onafwendbaarheid te worden geplaatst.”

“Quarantaine van historische onafwendbaarheid”. Dat betekent vast wat. Ik vermoed dat het betekent dat je niet mag zeggen dat de islam de nazi-variant van de Jodenhaat naadloos in de eigen Jodenhaattraditie heeft opgenomen en dat de islam al 1400 jaar “historisch onafwendbaar” ellende produceert. Maar precies dát niet mogen zeggen, lijkt mij nou “historische quarantaine”, dát is de innerlijke logica van de islam continueren, dát is opsluiten in een woord. Niet in het woord Jood, maar in het woord moslim. De moslims, voorzover geen bewuste daders, zijn wel degelijk slachtoffer, niet van autochtone bondgenoten die hen opsluiten in het woord Jood, maar van het taboe op islamkritiek, waardoor ze opgesloten blijven in het woord moslim. Het is een goedkope, perverse en smakeloze retorische truc van Zwagerman om islamkritiek te benoemen als “opsluiten in het woord Jood”. Dat is pervers.  Juist de islam is zijn hele geschiedenis door een Jodenhaat-machine bij uitstek geweest. Kijk: als het deftige, beschaafde en hoogste erudiete deel van de Nederlandse moslimgemeenschap serieus genomen wil worden, dan zou ik graag eens een serieuze Auseinandersetzung van hen lezen met de islam, wereldwijde theorie en praktijk, wereldwijde geschiedenis en actualiteit.

Zwagermans morbide vergelijking “opgesloten in het woord Jood” is een behoorlijk graadje minder erg dan de perversiteit van Geert Mak, toen hij een film, “Submission”, de aanklacht van vrouwen tegen een nazi-ideologie die hen terroriseert vergeleek met . . . . nazi-achtige propaganda:

“( . . .) zonder dat de makers dat waarschijnlijk beseften, hanteerden ze, bijvoorbeeld, hetzelfde schema dat Joseph Goebbels in 1940 toepaste in zijn beruchte film Der Ewige Jude, het tonen van weerzinwekkend beelden van het Jodendom, met daarnaast – in dit geval ook nog gefingeerde – citaten uit de Talmoed.”

Dat staat  in “Gedoemd tot Kwetsbaarheid” (2005). Dit zieke pamfletje verklaarde kritiek op de islam zo’n beetje uit een nazi-achtig autochtoon complot. Een voorpublicatie ervan had gestaan in het politiek “correcte” secteblaadje NRC-Handelsblad, (28 november 2004), onder de titel “Een kleine geschiedenis van een Novembermaand: het moment waarop in Nederland de kelders opengingen”. Artikel en pamflet, geschreven naar aanleiding van het slachten van Theo van Gogh, zijn inmiddels exemplarisch voor de ontspoorde multikul waarin de autochtone Nederlander als vanzelfsprekend tot een haatdragende racist wordt verklaard, waarin verward gecollaboreerd wordt met het islamo-fascisme en waarin de perverse redenering standaard is. Een enkel klein voorbeeld nog van Makkiaanse perversie: “Ayaan Hirsi Ali had haar burgeroorlog terug. Theo van Gogh zijn klucht.” Gadverdamme!

Zwagerman geldt, verbazend genoeg, niet eens als lid van de politiek “correcte” “elite”, die “elite” die een Orwelliaans conglomeraat heeft geschapen dat heerst in media, academia, bureaucratie en politiek. Ik heb elders de psychologie geschetst van deze zelfmanifestanten en multikulklutsers. Hier wil ik er alleen op wijzen dat deze politieke hedonisten  zich in het islam-debat beperken tot een achterover leunen in moreel superieure pose, de bewijslast voor het kwaadaardige karakter van de islam bij de critici leggen en  intussen “racisme” bij deze ideologie-critici suggereren. Er is inmiddels een hele literatuur die de perversiteit van de “politiek correcte” geest tracht te doorgronden. Drie voorbeelden: Jamie Glazov, “United in Hate: The Left’s Romance with Tyranny and Terror”, 2009. Nick Cohen, “What’s Left: How the Left lost its Way”(2007). Jonah Goldberg, Liberal Fascism, 2008. En inmiddels hebben we  natuurlijk onze eigen Nederlandse Martin Bosma met zijn “De Schijn-Elite van de Valsemunters” (2010).

T.S. Eliot verwoordt in 1934 de les van de christelijke kerk voor deze politieke hedonisten aldus:

“She tells them of Evil and Sin, and other unpleasant facts. They constantly try to escape. From the darkness outside and within. By dreaming of systems so perfect that no one will need to be good.”

Pieter Hilhorst

Dat er met de islam niks aan de hand is, schijnt overigens nooit met argumenten gestaafd te hoeven worden. In de Volkskrant van 27 januari 2009  zei vaste columnist en fervente aanhanger van de pc-religie Pieter Hilhorst:

“Volgens het hof maakt Wilders zich met zijn vergelijking van de Koran met Mein Kampf schuldig aan groepsbelediging. Maar ook hierin staat hij niet alleen. Te pas en vooral te onpas worden mensen met nazi’s vergeleken. Het verbod om haat te zaaien wordt massaler ontdoken dan het rookverbod in de horeca. Volksvergiftiging is een nationale sport geworden.“

Ze hebben wel heel behoorlijk een punt, die aanklagers van Geert Wilders, vindt Hilhorst. Normaal gesproken zijn z’n Volkskrant-columns doortrokken van een kortgebroekt denken en van een optimistisch-positieve Gutmenschlichkeit . Maar nu was hij waarlijk boos en ronduit  vernietigend. Hij had dan ook het echte Kwaad ontdekt en aarzelde niet het te benoemen: “Wilders!”

En begin augustus 2010 schreef hij:

‘Waar was jij toen de PVV aan de macht kwam?’ ‘Nou, uhm, ik was op vakantie.’

Dat lijkt sterk op de KVP-leider Romme in de rol van Jezus. Die schijnt, toen er ergens in de jaren 1930 iets katholieks in gevaar was,  in de Tweede Kamer uitgeroepen te hebben: “Kunt gij dan nog geen uur met mij waken!”

Ik kan niet het hele spectrum van Neerlands multikulkluts beschrijven, maar een enkel eminent politiek voorbeeld wil ik nog vermelden. Eminent natuurlijk omdat het de tegenwoordige burgemeester van Amsterdam betreft en een ex-PvdA-minister, maar toch vooral door de totale nitwittitude bij deze gezagsdrager en zijn paladijnen op een punt van wereldhistorisch moreel belang.

Maar eerst moeten we iets te vertellen over de “nakba”. Het bewuste cultiveren, al decennia lang, van het slachtofferschap van de “Palestijnen” door de Arabische wereld’. Ten koste vooral van diezelfde “Palestijnen”, zoals Efraim Karsh in “Palestine Betrayed” aantoont. Die slachtoffercultus heeft een krachtige mythe geschapen, die door Daniel Pipes adequaat wordt samengevat in een recensie van datzelfde “Palestine Betrayed”:

“Nakba, het Arabische woord voor ‘ramp’ is tot onze taal doorgedrongen als verwijzing naar het Israëlisch-Arabische conflict. Volgens de definitie van de anti-Israëlische website The Electronic Intifada, betekent Nakba ‘de uitzetting en verdrijving van honderdduizenden Palestijnen uit hun huizen en hun land in 1948’. Degenen die Israël graag zien verdwijnen, doen hun best om het verhaal van de Nakba zoveel mogelijk te verspreiden. Zo dient bijvoorbeeld de Nakbaherdenking als een sombere Palestijnse tegenhanger van Israëls met festiviteiten omgeven Onafhankelijkheidsdag, waarop elk jaar weer Israëls vermeende zonden worden gepubliceerd. Deze dag is inmiddels zo ingeburgerd, dat Ban Ki-Moon, de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties – uitgerekend het instituut dat de staat Israël heeft gecreëerd – zijn steun gaf aan “het Palestijnse volk op de Nakbaherdenking.” Zelfs Neve Shalom, een Joods-Palestijnse gemeenschap in Israël die beweert ‘zich bezig te houden met voorlichting en onderwijs ten behoeve van vrede, gelijkheid en begrip tussen de twee volken’, herdenkt eerbiedig de Nakba.”

Ook in Nederland wordt deze “nakba” politiek misbruikt. Twee dagen voor de Auschwitz-herdenking in Amsterdam, stond in het Nederlandse dagblad Trouw op 23 januari 2009  de pas aangetreden PvdA-Minister van Integratie, Eberhard van der Laan, aldus geciteerd: “Joden en moslims moeten praten over elkaars leed”. De verslaggever:

“Van der Laan greep zijn toespraak aan om moslims en joden op te roepen tot een dialoog over wat hen in de geschiedenis is overkomen. ‘Als het conflict ooit kan worden opgelost, is dat hoogstwaarschijnlijk alleen door te beginnen met begrip voor elkaars ellende en verdriet. Daar in het Midden-Oosten en hier.’ Zo zouden Arabieren zich kunnen verdiepen in de Holocaust en Israëliërs in de Nakba, het verdrijven van Arabieren uit Israël in en na 1948. ‘Er is leed van beide kanten’, benadrukte Van der Laan.”

Op zich is het gelijkstellen van de Holocaust en het lot van de Palestijnse Arabieren al walgelijk. Aan de ene kant de industriële Jodenmoord en aan de andere kant één van de vele grotere en kleinere volksverhuizingen – hoe dramatisch ook! – die in het kader van WO II en de dekolonisatie overal ter wereld plaats vonden.  Deze mini-volksverhuizing van de “Palestijnen” is hen bovendien aangedaan door hun eigen maffia, die van de moefti en van de capo’s die de moefti opvolgden:  Arafat, Abbas en het tuig dat leiding geeft aan Hamas. Want Karsh, nogmaals, toont aan wat inmiddels al decennia duidelijk was: de “nakba” is geheel en al self-inflicted, maar de bewijzen ervoor liggen nu hoog opgetast in een voortreffelijk boek van diezelfde Karsh. Ik citeer nogmaals de sleutelzin in de introductie van zijn boek: “Het is om de historische waarheid terug op te eisen dat dit boek is geschreven.” Dat is niets teveel gezegd. Dit is een fundamenteel boek en een historiografisch keerpunt. In het Amerikaanse “Commentary” had hij in een artikel van mei 2008 zijn conclusies al onderbouwd weergegeven, maar nu is er dus een heel boek als bewijsvoering.

De Moefti van Jeruzalem: Jodenmoord in de geest van Hitler en Mohammed

De Moefti van Jeruzalem, Amin al-Hoesseini (plm. 1896 – 1974)

Het verhaal van de moefti wordt op het internet op vele plaatsen verteld. “The Association between Nazism and Arab Antisemitism” is een docu met onder anderen Robert Wistrich en Martin Gilbert, waarin in nog geen acht minuten het hele plaatje in grote lijnen wordt geschetst. Ik zelf heb, toen ik voor het eerst wat diepere aandacht aan de rol van de moefti besteedde, een paar enigszins speculatieve internetstukken gepubliceerd***. Er is nogal wat literatuur. Een greep:

Emerson Vermaat, “Heinrich Himmler en de Cultus van de Dood”, (2010) wijdt een hoofdstuk aan de moefti en beschijft de vrienschap en ideologische verwantschap tussen Himmler en de moefti. Chuck Morse (“The Nazi Connection to Islamic Terrorism: Adolf Hitler and Haj Amin al-Husseini” (2003) Morse is goed geïnformeerd over de moefti, maar hij gelooft dat het mogelijk is “om de betere tradities van de islam te herstellen”. Nu moet Morse alleen nog even een boek schrijven waarin die betere tradities van de islam worden blootgelegd. Daartoe volstaan niet de hagiografisch geschetste avonturen van “de gematigde Arabische leider van de periode na WOI, koning Faisal ibn Hussein van Syrië”, over wie Efraim Karsh bovendien een stuk kritischer is. Compleet en “wetenschappelijk” is David G. Dalin en John F. Rothmann, “Icon of Evil: Hitler’s Mufti and the Rise of Radical Islam” (2008). De editie van 2009 heeft een voorwoord door Alan Dershowitz. Ik heb niet gezien het boek van een grote naam op zijn gebied: Robert S. Wistrich, “A Lethal Obsession: Anti-Semitism from Antiquity to the Global Jihad”, waarin de moefti ongetwijfeld een behandeling krijgt.

Om zijn moordddadige agitatie in Palestina was de moefti in 1937 door mandataris Engeland, naar Syrië verbannen. Nadat hij vervolgens achter de schermen had meegewerkt aan een mislukte pro-nazi couppoging in Irak in 1940 kreeg hij de Engelsen opnieuw achter zich aan. Hij wist Duitsland te bereiken en kwam op 6 november 1941 in Berlijn aan. Zijn eerste ontmoeting met Hitler had hij op 28 november 1941. Beiden waren het erover eens dat “de vernietiging van het in de Arabische wereld onder bescherming van de Britse macht levende Jodendom” (Hitler) ter hand genomen moest worden. Van zijn kant wenste de moefti dat, wanneer de Duitse legers in het Midden Oosten zouden arriveren, hij een leidende rol bij de “bevrijding” van de Arabieren zou krijgen. Hij probeerde van Hitler een geheime schriftelijke verklaring te krijgen dat de Arabieren na de eindoverwinning onafhankelijkheid zouden genieten in samenwerking en in zielsverbondenheid met het nieuwe nazi-Duitsland. In ruil bood de moefti de pro-nazi-stemming in het Midden-Oosten (voor zover nog nodig) te bevorderen en zelfs Arabische milities op de been te brengen om met de nazi’s mee te vechten. Maar Hitler wilde niet verder gaan dan een mondelinge toezegging ter plekke.

De moefti raakte snel zeer bevriend met de nazi-top, vooral met Himmler en Eichmann. De rode draad bij elke daad die de moefti in Europa verrichtte was: Jodenhaat.  Zijn hele streven was erop gericht de Joden niet alleen in Palestina, maar in de hele wereld uit te moorden. In een rede in Frankfurt-am-Main in 1943 verklaarde hij dat de koran “het Joodse karakter zo goed schildert” en alle boosaardige eigenschappen van de Joden al opsomt. Daarom, aldus de moefti, rust er een eeuwige vloek van Allah op de Joden. Maar hij schakelde ook gemakkelijk van de islam-variant naar de nazi-variant van de Jodenhaat: “De Joden kan men ziektedragende insecten vergelijken. ( . . .) als men door ze gestoken wordt ( . . .) kunnen alleen nog radicale middelen helpen.” Duitsland, zo hield hij niet op te benadrukken, was het enige land ter wereld dat zowel het Jodendom internationaal aanpakte alsook de “definitieve oplossing” in huis had.

Mallmann en Cüppers zeggen: “Zoals enige van de geciteerde haattiraden verduidelijken, had zijn antisemitisme allang niet meer uitsluitend de Joden van Palestina tot mikpunt. Juist omdat hij op elk moment precies van de actuele stand van de Shoah was geïnformeerd, greep hij overal het initiatief waar de Shoah aan dynamiek dreigde in te boeten en drong erop aan die ten einde te volvoeren. Daarbij had hij in het bijzonder de met het Derde Rijk verbonden regimes in Hongarije, Roemenië en Bulgarije in het oog. Die naar zijn mening niet consequent genoeg tegen de vlucht van Joden naar Palestina optraden. Steeds wanneer hij tekenen daarvan bemerkte, werd hij actief en gebruikte zijn toegang tot de hoogste regeringsinstanties. Ook hierin vereenzelvigde hij de ‘Arabische zaak’ met de Joden-vernietiging.” [mijn cursivering]

Gezien vanuit het standpunt van de moefti was het fanatisme waarmee hij de Joden buiten Palestina wilde houden heel begrijpelijk: de Joden brachten immers een cultuur die in alle opzichten tegengesteld is aan de islamitische, te weten welvaartscheppend, slim, ijverig, gewetensvol, humaan, onderzoekend, vernieuwend, vrijheidslievend en voor het overgrote deel vrouwvriendelijk, vooral in zijn voor Palestina typische “Kibboets-variant”. Tegelijk met het inzicht dat in elk geval een bepaalde “elite” van de islamitische Arabieren met hen ten diepste verbonden was in waarachtige Jodenhaat, werd het de nazi’s duidelijk dat ze de Arabieren heel goed konden gebruiken in de steeds meer onvermijdelijk wordende oorlog tegen Engeland.

Men weet dat in de tweede helft van de jaren 1930 de wereld verdeeld raakte in twee soorten landen: die waarin de Joden niet mochten blijven en die waarin ze niet welkom waren. Door toedoen van de moefti werd Palestina als laatste mogelijkheid steeds moeilijker. Zou het een te ver gaande speculatie zijn om te veronderstellen dat de moefti met het afsluiten van de laatste afschuifmogelijkheid van de Joden, namelijk naar Palestina, een beslissende invloed heeft gehad op het besluit tot de Endlösung? De moefti had zijn gesprek met Hitler op 28  november 1941. In een voor het laatst in 1999 ge-update stuk komt Gord McFee op grond van nieuwe gegevens (het dagboek van Goebbels) plus een plausibele redenering die te ver voert om hier uiteen te zetten tot de volgende conclusie: “Het nieuwe bewijs wekt sterk de indruk dat Hitler vroeg in december 1941 besloot alle Europese Joden uit te roeien.” Als McFee gelijk heeft dan hebben er slechts dagen gezeten tussen de ontmoeting met de moefti en het definitieve besluit.

Precies rond deze tijd, de jaarwisseling van 1941-1942 ontmoette de moefti voor het eerst Eichmann, die zeer ingenomen was met de Arabische gast. Eichmann bracht de moefti op de hoogte van de stand van zaken bij de “oplossing van het Jodenvraagstuk”. Later troffen zij elkaar nog meerdere malen, maar hoe het “Jodenvraagstuk” in Palestina opgelost moest worden schijnt bij deze eerste ontmoeting al overeengekomen te zijn, want voor praktisch kwesties ging de Moefti later bij medewerkers van Eichmann te rade. Medewerkers van de moefti gingen in de leer bij de Sicherheitsdienst en bezochten het concentratiekamp Sachsenhausen bij Berlijn.  De moefti zelf  bezichtigde waarschijnlijk Auschwitz en Majdanek. Dieter Wisliceny, de plaatsvervanger van Eichmann, getuigde 1946 in Neurenberg:

”De moefti was een van de initiators van de systematische vernietiging van de Europese Joden en hij was een medewerker en adviseur van Eichmann en Himmler in de uitvoering van dit plan ( . . .) Hij was een van Eichmanns beste vrienden en had hem constant aangespoord om de vernietigingsmaatregelen te versnellen. In het gezelschap van Eichmann hoorde ik hem zeggen dat hij incognito de gaskamers van Auschwitz had bezocht.”

Paul Berman zegt dat dit citaat niet geverifieerd kan worden. Dat klopt. Althans ik ben niet in de gelegenheid geweest dit uit te zoeken in de protocollen van de Neurenberger processen. Het citaat wordt gegeven in “Icon of Evil”van Dallin en Rothman op pagina 93-94, maar de voetnoot verwijst opnieuw naar secundaire literatuur, namelijk naar p. 159 van Joseph B. Schechtmann, “The Mufti and the Führer” (1965).

Mallmann en Cüppers maken in elk geval duidelijk, dat de moefti verantwoordelijk was voor de dood van duizenden Joden. In elk geval zijn 75 tot 80 duizend Roemeense Joden en 5 duizend Bulgaars-Joodse kinderen “indirect” op het conto van de moefti  te schrijven, want  in de argumentatie van de nazi’s om deze Joden niet naar Palestina te sturen – het betrof een uitruil tussen Duitse krijgsgevangenen en deze Joden –  werd uitdrukkelijk vermeld dat “onze vrienden in het Midden-Oosten” dat niet op prijs zouden stellen. Bij het proces tegen Eichmann in Jeruzalem getuigde bovengenoemde Dieter Wisliceny dat de moefti persoonlijk had gezorgd dat eind 1942 10.000 Joodse kinderen uit Polen niet naar Palestina gingen, maar in de vernietigingskampen verdwenen. Ook hier betrof het een uitruil. De satanische moefti, zo melden Dalin en Rothmann,  heeft verder voortdurend geprobeerd Göring zover te krijgen dat hij Tel-Aviv en verdere bevolkingscentra met concentraties Joden zou bombarderen. Göring heeft dat niet gedaan omdat hij de troepen miste om aan die bombardementen een follow-up te geven. Voorts heeft de moefti een poging gedaan om het watersysteem van Tel-Aviv te vergiftigen. Het politierapport zei dat in de onderschepte vaten genoeg gif zat om 250.000 mensen te vermoorden.

In mijn bespreking van Paul Berman is al duidelijk geworden dat het bepleiten van massamoord op de Joden  niet alleen gebeurde voor de oren van de nazi-bonzen, want in het hele Midden-Oosten werd de stem van de moefti gehoord. Een speciale korte-golf-zender, “Radio Zeesen”, die al vanaf 1939 vanuit nazistisch Berlijn actief was, zond tot 1945 zeven dagen per week en 24 uur lang over het hele Midden Oosten nazi-propaganda uit die was toegesneden op de eigen Jodenhaat-traditie van de islam. Na zijn ontmoeting met Hitler in november 1941 kreeg de Moefti steeds meer invloed op de uitzendingen en werd zijn stem in het hele Midden-Oosten steeds meer gehoord.

Die propaganda greep op vele punten aan. Zo werden Duitsland en de Arabische naties tot slachtoffers van hetzelfde “Dictaat van Versailles” bestempeld. De Duitse eenwording werd tot voorbeeld van toekomstige Arabische eenwording genomen. Frankrijk en Amerika, maar vooral Engeland, als grootste koloniale macht in het Midden-Oosten, werden neergezet  als machtig, wreed, onderdrukkend,  kapitalistisch en imperialistisch, maar tegelijk toch ook als decadent en moreel minderwaardig. Die tweeslachtigheid zat ook in de Jodenhaat van de uitzendingen van “Radio Zeesen”: de Joden waren almachtig, want achter de schermen trokken zij niet alleen aan de touwtjes in de hele Westerse wereld, ook achter het “Bolsjewistische gevaar” schuilden de Joden. De regeringen van niet alleen Amerika, Engeland, Frankrijk, maar ook van de Sovjet-Unie waren Joden-knechten. De kern van al het kwaad in de wereld was dus eigenlijk Joods. Ondanks die vermeende almacht schilderde de propaganda de Joden als een inferieur ras, die krankzinnige rituele wreedheden bedreven. Die nazi-propaganda sloot aan bij de opvatting van de Jood als inferieure Untermensch in het hele islamitische Midden-Oosten. Dat beeld was al sinds de dagen van Mohammed – dus tijdens WO II al zo’n 1300 jaar – volstrekt gangbaar.

De islamitische Jodenhaat werd dus vooral op één punt verrijkt: de Jood gold voortaan wel degelijk als gevaarlijk, niet alleen als inferieur, maar tegelijk als superieur, niet alleen als minderwaardig, maar ook als almachtig. Mallmann en Cüppers melden dat Churchill, op bezoek in Palestina, van een familielid van de moefti, Musa el-Husseini, te horen kreeg dat de Joden schuldig waren aan de ondergang van het tsarenrijk en de nederlaag van Duitsland en Oostenrijk in WO I.  Dat was al in 1921, dus ruim voordat nazi-propaganda het “almachts-aspect” van de Joden naar het Midden-Oosten had gebracht. Maar misschien had deze Husseini al wel kennis genomen van de “Protocollen van de Wijzen van Zion”, waarin die mythe het leidende thema was, want vanaf dat jaar circuleerde dat verzinsel van de Tsaristische geheime politie ook in het Midden-Oosten. Als dat zo is dan kan je, in de trant van Paul Berman redenerend, de nazi’s natuurlijk ook als naïeve slachtoffer van de sprookjes van de tsaristische geheime dienst voorstellen. En dan waren de naïeve moslims op hun beurt weer slachtoffer van de naïeve nazi’s. Maar dan zouden de  Russen weer de Oerbron van Alle Kwaad zijn.  Alhoewel . . . . . het zijn waarschijnlijk wel weer slimme Joden in dienst van de Russen geweest die de tekst geschreven hebben. Enfin, zo zou je tot conclusie kunnen komen dat een Czaristisch-Joods-Bolsjewistisch complot Auschwitz in laatste instantie heeft veroorzaakt.

De nazi-propaganda die uitgestraald werd via de korte golf naar het Midden Oosten liet weten dat de Joden de Duitsers wilden uitmoorden en dat ze hetzelfde van plan waren met de Arabieren. Net zoals 13 eeuwen eerder de Joden hadden geprobeerd zowel de profeet als de islam te vernietigen, zo waren ze dat opnieuw van plan. Onderdeel van dat plan was het bruggenhoofd dat de Joden in Palestina aan het vormen waren. Maar gelukkig had Hitler de Joden door en kwam ook de Arabieren redden. Een door de As-mogendheden gedomineerd Europa zou juist in vrede leven met de Arabieren, vanwege de zielsverwantschap in de tradities.

De nazi’s brachten zoveel mogelijkheid deskundigheid in stelling om te zorgen dat de Jodenhaat-propaganda zo goed mogelijk aansloot bij de eigen traditie van de islam. En dat was, in tegenstelling tot wat Paul Berman beweert, niet moeilijk. Ook pamfletten uit vliegtuigen uitgeworpen werden ingezet en een nazi- spion in Syrië berichtte dat de propaganda zeer werkzaam was en dat de pamfletten als relikwieën bewaard werden, vooral als er woorden van de moefti zelf instonden.

De inname van Tobroek door Rommel op 21 juni 1942  was reden voor groot optimisme bij de moefti cum suis en het sein voor de Pan-Arabische Jodenhaters om de praktische en propagandistische inspanningen te verhevigen. De moefti stelde aan de Duitse legerleiding voor om in het Egyptische achterland Arabische eenheden terreur, sabotage en propaganda achter de Engelse linies te laten bedrijven. Dat scheen realistisch op dat moment, want de haat  tegen Engelsen en Joden en anderzijds de  liefde voor Hitler en de nazi’s waren in de hele Arabische wereld zeer gegroeid. Een Duitse spion berichtte herfst 1942: “In het Jodendom ziet men de erfvijand.” Mijn cursivering.

In Palestina begon het niet ongewoon te worden dat Arabieren elkaar groeten met een “Heil Hitler” en de komst van de nieuwe Messias, of  in elk geval van Zijn adjudant Rommel elk moment te verwachten. De hoop was dat er een nederlaag van de Engelsen van Soedan tot Irak op handen was. Er was in de zomer en het voorjaar van 1942 in het hele Midden-Oosten  – Syrië, Irak, Iran, Libanon en Palestina -een stemming van stijgende Jodenhaat en haat tegen de Engelsen,  van Arabisch nationalisme en van islamisme. (Ja, ik gebruik de term  islamisme ook, maar alleen als aanduiding van een  accute vorm van wat in de islam altijd potentieel aanwezig is.) De cocktail had overal concrete plannen tot terreur opgeleverd en ook al concrete aanslagen. De Engelsen voelden zich verplicht het Egyptische leger te ontwapenen

Er waren dan ook, in samenwerking met de nazi’s en de moefti, concrete putschplannen: de latere presidenten Sadat en Nasser, beide bewonderaars van zowel Hitler als van de “Protocollen van Wijzen van Zion”, namen er aan deel. In Palestina kwam het tot anti-Joodse rellen, waarbij doden vielen en de spanning was daar zo groot dat een deel van de Engelse troepen, die eigenlijk zeer nodig waren aan het Egyptische front, teruggehouden moesten worden om de Joden te beschermen. Tijdens de opmars van Rommel  doken zo’n 7000 Palestijnse-Arabieren, deserteurs uit het Engelse leger, met hun wapens onder in Palestina. Joden dorsten in Palestina na zonsondergang niet meer op straat of in publieke gelegenheden te komen.

Mallmann en Cüppers tekenen de sfeer waarin de Joodse expansionisten in Palestina leefden:

“De dodelijke bedreiging die in de zomer van 1942 ontstond uit de vernietigende opmars van Rommel enerzijds en de open vijandigheid van de Arabieren anderzijds, werd binnen de jischuw precies geregistreerd. [ jischuw = Joodse gemeenschap  in Palestina vóór 1948] Er daalde een gespannen sfeer neer over de Joodse gemeenschappen; de reacties van de mensen vielen echter heel verschillend uit. Velen probeerde zich, met het oog op het naderen van de Duitsers te verbergen in christelijke kloosters; anderen zorgden in het bezit te zijn van cyanide, omdat ze de voorkeur gaven aan zelfmoord boven een leven onder nationaal-socialistische bezetting. ( . . .) Een voor de Duitsers werkende agent-provocateur berichtte ( . . .) dat na de inname van Tobroek,  alleen al vóór september 1942, 15000 emigranten uit Egypte in Jeruzalem waren aangekomen.  Naar zijn zeggen heerste daar een gedrukte en bezorgde stemming. ( . . .) In deze zeer gevaarlijke situatie, waarin de troepen van Rommel nog slechts weinige dagmarsen verwijderd waren en de bevolking bestond uit grotendeels vijandelijke en tot collaboratie bereid zijnde Arabieren die in afwachting waren van het verschijnen van de Duitsers, verschenen van de een op de andere dag plotseling geheimzinnige gekalkte tekens op Joodse huizen. Nadat aanvankelijk niemand dat kon verklaren, werd het met de tijd duidelijk, dat Arabieren, in de zekere verwachting van de komst van Rommel en een daaruit resulterende machtswisseling, vast bezitsclaims op het onroerend goed publiek maakten. Willekeur, dagelijks geweld en existentiële bedreiging waren voor de Joden in Palestina in de zomer van 1942 allang niets nieuws meer “

Rommel kwam niet en de oorlog eindigde in een geallieerde overwinning. De mobiele vergassinginstallaties die klaar stonden om in Palestina ingezet te worden, het “commando Rauff”, zijn nooit aangekomen. De moefti, die zware oorlogsmisdaden op zijn geweten had, liet men om de Arabieren te vriend te houden, dus mede vanwege de oliebelangen, uit Europa ontsnappen. In het Midden-Oosten zelf werd de moefti als een heldhaftige vrijheidsstrijder gezien. Zodoende was hij in 1947 in staat te proberen om in Palestina het scenario van 1936 te herhalen. Zijn Arabisch Hoger Comite (AHC) paste zoveel mogelijk geweld toe om uitvoering te voorkomen van het VN-twee-staten-plan van november 1947. Maar veel “gewone” Palestijnse Arabieren, met de mislukking van 1936-1939 en die van 1942 nog vers in de gedachten, wilden niets te maken hebben met de hernieuwde haat-hetzerij van de moefti en zijn medestanders. Velen gingen door met samenwerken met de Joden en sommigen verzetten zich zelfs metterdaad tegen de oproepen tot geweld tegen de Joden. De oorlogslust onder de Palestijnse Arabieren was zeer gering geworden sinds de zomer van 1942, waarin de plaatsvervangende Messias Rommel werd verwacht maar niet kwam en sinds de definitieve nederlaag van de As in 1945. Drie maanden nadat de haat-campagne door de moefti cum suis was gestart, kon Ben Goerion in februari 1948 niettemin zeggen “dat de Arabieren in de dorpen voor het grootste deel aan de zijlijn zijn gebleven”.

nietzsche-tattoos

Friedrich Nietzsche met symbolische tattoos

Christendom, Verlichting, Islam

Het nazisme zou je, voorzover het de Jodenhaat betreft, een ontsporing van de christelijke leer kunnen noemen. Maar in de islam past het juist precies in het spoor. In het christendom heeft het tegengeluid tegen het antisemitisme nooit ontbroken, maar waar was dat tegengeluid in de islam? Wie ging de Profeet en de Koran en de “oelema” op dat punt tegenspreken? Niemand! Nooit! Voor het overige is het nazisme het anti-christendom bij uitstek: in de irrationaliteit, de oorlogszucht, de haat en de genadeloze wreedheid. Om in de christelijke traditie te staan, is er iets meer nodig dan de inval in Rusland van  juni 1941“Operatie Barbarossa” te noemen naar een bekende kruisvaarder en keizer van “Het Heilige Rooms Rijk”.

De kern van de christelijke cultuur is de Rede en de Liefde en daarop heeft het christendom altijd kunnen teruggrijpen, hoezeer de geïnstitutionaliseerde kerk ook verbonden raakte met de wereldse macht en deel kreeg aan de wreedheden en onrechtvaardigheden ervan. Belangrijk is vast te stellen dat het christendom in zijn oorsprong een godsdienst is van vervolgden in het Romeinse Rijk. Mensen die stierven voor hun geloof van “de andere wang toekeren”. Zij waren niet de doders maar de vermoorden, niet de vervolgers maar de slachtoffers, niet de veroveraars maar de contemplatieven. De islam daarentegen is in zijn oorsprong agressief-expansief, daar is onder historici geen enkele discussie over. Bernard Lewis heeft ooit gezegd dat het begin van de islam een paar duizend “bekeringen” zijn en dat de rest bestaat uit geweld en dwang.

Jezus is ook echt een andere figuur dan Mohammed, de “lachende moordenaar” en de grote afslachter van ongelovigen. Jezus is degene die als een verachte sterft aan het kruis en roept “Mijn God, waarom hebt ge mij verlaten?” Als het alleen maar een mythe is, dan wel een die voor het christendom tekenend is. Het christendom was dus in zijn oorsprong een godsdienst van de verdrukten in het Romeinse Rijk met een Jood als profeet die zich van louter Liefde liet vermoorden. Mohammed is een roverhoofdman die hele Joodse stammen afslachtte. Het christendom verspreidt zich, vanaf de 4e eeuw, erg geholpen door Constantijn de Grote, vervolgens in het algemeen relatief vreedzaam over West-Europa. Dat lieve karakter is, nogmaals,  niet steeds zo gebleven. Als onder het latere Romeinse Rijk het Christendom staatsgodsdienst wordt en institutionaliseert, ook in Noord-West Europa, raakt de oorsprong grotendeels vergeten en wordt de kerk niet zelden een gewelddadig, vervolgend  en onderdrukkend instituut.

Het geïnstitutionaliseerde christendom heeft twee kanten, een zich op de Rede baserende,  kennis, welvaart en humaniteit brengende kant, met name via de kloosters, maar ook een wrede, corrupte, obscurantistische en onderdrukkende kant die zich vooral manifesteerde in de feodale machts-structuur. Voor de Redelijke kant van het christendom, zonder welke de Lichte Kant van de Verlichting niet mogelijk geweest zou zijn, leze men bijvoorbeeld Rodney Stark , “The Victory of Reason”. De Duistere Kant van de Verlichting komt tot uiting in de traditie van het soort linksgerichte “maakbaarheid” die begint met Robespierre en via Stalin en Mao naar Pol Pot loopt.  Maar zowel christendom als Verlichting hebben dus nog altijd twéé kanten.  Maar waar is de humane, redelijke, tolerante, constructieve, liefdevolle kant van het Mohammedanisme?  De oorspronkelijk kern van het christelijk geloof –  vervat in de Gouden Regel  “Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet” –  is nooit verloren gegaan Zo is de slavernij in het Westen afgeschaft onder christelijk morele impuls. In de wereld van de islam heeft slavernij altijd bestaan, wreder ook, en tot op de dag van vandaag. In Soedan bestaat het bijvoorbeeld nog steeds  en verder overal waar geen christen het ziet en dat is op veel plaatsen in de moslimwereld. Achter de voorhangen van een bloedige dictatuur als Saoedie-Arabië bijvoorbeeld, waarheen Nederlandse moslimkinderen op schoolreisje gaan (bedevaart naar Mekka), waarna het jeugdjournaal van de Nederlandse staats-tv vrolijk verslag doet zonder enige kritische noot.

Het Oude Testament bevat ook behoorlijk wat wrede scènes. Een essentieel verschil is echter dat op de Koran nooit een Nieuwe Testament is gevolgd. Nog een essentieel verschil: oproepen tot geweld in het OT zijn altijd concreet en in een specifieke situatie gedaan en  worden nooit universele oproepen tot geweld tegen alle ongelovigen. Dit laatste is in de Koran (en de hele islamitische traditie) voortdurend juist wel het geval. In het Oude Testament zijn bovendien mensen aan het woord die iets beweren over wat God gezegd zou hebben. In de Koran is een agressieve Allah zelf aan het woord.

Israël

De extensieve landroof door Israël in perspectief.

Sommigen denken dat de stichting van Israël een vergissing was. Dat is ook zo. Maar niet om de redenen die door die “sommigen”worden aangevoerd. Niet, bijvoorbeeld, omdat Israël minder recht zou hebben dan al die volken die in de loop van de geschiedenis een land of een stuk land hebben veroverd of gekoloniseerd. Maar omdat de Joden (de Israëli’s) niet hebben beseft dat ze een landstreek koloniseerden met nazi-potentie, doortrokken van een ideologie, de islam, die altijd al verwant was aan het nazisme, een ideologie die tijdens het historische nazisme minstens zo nazistisch werd als het nazisme zelf. Deze nazislam houdt het al veel langer uit dan zijn Duitse broer, namelijk 1400 jaar en in zijn nieuwe jasje al 70 jaar. En ik ben bang dat Israël het in die oceaan van haat niet gaat redden. Ook de Joden hebben zich historisch vergist in de islam, een inherent Jodenhatende en oorlogszuchtige ideologie: dé twee kenmerken ook van het nazisme.

Paul Berman schrijft iets over die historische vergising, over de tijd rond 1900 toen

“( . . .) elke Joodse familie met  een boekenkast en een claim op progressieve en liberale waarden een editie plachten te hebben van het magistrale “ History of the Jews” door een Duitse historicus genaamd Heinrich Graetz. ( . . .) De historicus schrijft, ‘De eerste Mohammedanen behandelden de Joden als hun gelijken; ( . . .) De Joden voelden zichzelf vrijer onder het nieuwe bewind van de islam dan in de christelijke landen.’ ‘Deze religie’ ( . . .) heeft een prachtige invloed uitgeoefend op de loop van de Joodse geschiedenis en op de evolutie van het Judaïsme.’

Hoe krankzinnig wil je het hebben? Berman schrijft dat er behoorlijk wat historici in de 20ste eeuw deze lijn van Greatz hebben gevolgd. Hij geeft wel toe dat er ook een andere ervaring is geweest in de latere 20ste eeuw toen “Joodse vluchtelingen uit de moslimwereld zich verbaasd op het hoofd krabden aangaande die bewondering en vergeefs zochten naar een behoorlijke beschrijving van hun eigen bittere en ellendige levenservaringen als een vervolgde minderheid.” En precies daar brengt Berman het boek van Bostom, “The Legacy of Antisemitism” te berde, maar zonder te begrijpen dat hier het sluistuk van het bewijs geleverd wordt dat de islam altijd een nazisme avant la lettre was. Liever gaat Berman door  in het spoor van Graetz  met het christendom te beschuldigen en de islam te schoon te praten.

Israël is dus een vergissing omdat de Joden zijn teruggekeerd naar een stukje land dat ligt in de woestijn van een inherent onveranderbare ideologie die gekenmerkt wordt door Jodenhaat en oorlogszucht. Niet omdat ze minder “recht” hadden om welvaart, dynamiek, humaniteit en spiritualiteit te brengen in wat eeuwen lang een dooie uithoek van Syrië was geweest. Ze hadden veel méér recht dan de Grieken van Alexander de Grote of de keizers van het Romeinse Rijk. Meer recht dan de Germanen, Franken, Angelen, Saksen, Visigothen,  Ostrogoten, Kelten, Scotti, de Gael, de Hunnen die tijdens Grote Volksverhuizing aan het schuiven sloegen. En dan schijn je in de 7e eeuw een “geloof” gehad te hebben op het Arabisch schiereiland –  “islam” of zo: heb ik dat goed? – dat begon in een oase in Medina en dat honderd jaar later, in 732, in het Westen tot bij Poitiers stond en in het oosten tot in Afghanistan en dat vervolgens 1000 jaar lang bloedig expansionisme pleegde. Het schijnt dat die islam – verlicht me als ik het mis heb! –  in de 7e eeuw ook Palestina bloedig onder de handzhar heeft gebracht en de daar levende Joden 1300 jaar lang uitgebuit en geterroriseerd heeft. Wie nam hier het woord “recht” in de bek? Dan schijnt in de 13e eeuw er ook nog een Djenghis Khan en een Gouden Horde geweest te zijn. Amerika, ook al een kolonie die in de 17e tot de 19e eeuw vanuit de Walstraat een beetje groter is geëxpandeerd dan Israël. Vervolgens had je nog Pakistan, in 1947 gesticht in een zee van bloed omdat de Mohammedanen een “pure” moslimstaat wilden, waarin het sharia-paradijs gevestigd ging worden. Nou dat is gelukt: een islamitische terreurstaat die een spoor van geweld, onderdrukking, leugen, afpersing en moord heeft getrokken tot op de dag van vandaag. Enfin, ik ben geen specialist in irredenta en verdere Heimatvertriebenen, maar na  WO II zijn er toch ook buiten Palestina wel een paar mensen op drift geraakt, die de Heimat nooit meer zagen.  In de moderne geschiedenis werden Armeniërs, Grieken, Turken, Finnen en Bulgaren uit hun land verdreven en opgenomen in nieuwe gemeenschappen.

Maar de gemiddelde politieke correcteling wil het, net als de 57 moslimstaten van de Organisation of the Islamic Conference (OIC) die de Verenigde Naties hebben geïnfiltreerd en gemaakt  tot een Verenigde Nazi’s,  graag vooral over Israël hebben. Precies voor dat doel zijn de “Palestijnen” altijd in “vluchtelingenkampen”gehouden (eigenlijk slums zoals ze overal in de Arabische wereld aangetroffen kunnen worden): om een stok te hebben om Israël te slaan.

Hoe valt nog op te tornen tegen de waanzin die het Westen in zijn greep heeft? Tegen alle historische en wereldwijde evidentie in, wordt mijn tv-scherm avond aan avond bevolkt door uitgestreken gezichten die zalvend vertellen dat deze nazislam iets moois is, in elk geval iets om te “respecteren”. Ernstig zijn zij en moreel verontrust als zij spreken over de rare psychische aandoening van de “islamofobie” en van “uitsluiting”. Er schijnt een geblondeerde man te zijn met magische krachten, die 1400 jaar geschiedenis en wereldwijde actualiteit (theorie en praktijk) van de islam heeft zwart getoverd. Als die Blonde Satan maar eens de vloek zou opheffen, als die zijn mond nou maar eens zou houden, dan kwam er vrede in Nederland, in Europa, in het Midden Oosten, in het Verre Oosten, in de wereld. Gelukkig is de Staat der Nederlanden onder leiding van Nederlandse collaborateurs in dienst van de juridische jihad een proces tegen hem begonnen.

Ik zoek een kuil om snikkend in te vallen. Hoe valt er op te tornen tegen de valse voorlichting, het naïvisme, het politieke hedonisme, het zelfmanifestantendom, het antisemitisme, kortom het GeertMakkisme , het  Abklinkisme, de Pechtkolder? Ik zou me opnieuw kunnen zetten aan wéér de geschiedenis van Israël met de islam te vertellen. Maar dat heb ik al gedaan, heel kort en in een lang opstel onder de titel “Is Israël een expansionistsiche staat?” “Over het “anti-Zionisme” van correspondent Alex Burghoorn van de Volkskrant heb ik hier iets gezegd en voorts hier een en ander over het antisemitisme bij de Volkskrant ueberhaupt.

Wat te doen? Misschien moet ik inderdaad  proberen nog één keer proberen nóg beter te vertellen vertellen hoe dat zit met Israël dan ik al heb gedaan,  in de hoop dat u ook van de Cultuur van de Rede bent,  en niet van de islam, of van de Linkse Kerk, want anders is het natuurlijk zinloos . . .

In zijn baanbrekende boek “Palestine Betrayed” (2010) toont Efraim Karsh aan dat vanaf de eerste immigratie-golven naar Palestina de Joden diep humaan hebben gehandeld en dat ze zulks bleven doen in weerwil van de tsunami’s van haat en de golven van geweld die ze over zich heen kregen. Het is mode een nazistisch expansionisme bij Israël te suggereren. De geestesziekte van het Palestinisme is diep ingevreten in de Westerse cultuur. Steeds extremere beschuldigingen aan het adres van Israël moesten dienen als verklaring voor het “Palestijnse” geweld en de zelfmoordterreur. Die “Palestijnen” moesten wel erg wanhopig zijn! Nou, dan moesten die Israëli’s dus wel net zo erg zijn als het Zuid-Afrikaanse apartheids-regime! Nee, beter nog, net zo erg als de nazi’s! Zo werd de pervertering compleet: de cultuur met de echte nazi-ideologie werd als het slachtoffer voorgesteld. Gaza, het corrupte maffia-nest met de nazipraktijken, waar onder aanvoering van het OIC door de VN honderden miljoenen naar toe werden gepompt, waar een groot probleem met overgewicht is en een bevolkingsexplosie plaats vond werd . . . . met het ghetto van Warschau vergeleken. Neen, Beter nog! Met Auschwitz!

Ik zoek een kuil om snikkend in te vallen.

De nazistische moorddadigheid zit, omgekeerd, bij de Palestijns-Arabische ”elite”, die in Palestina al bijna honderd jaar – te beginnen bij de moefti van Jeruzalem, en via Arafat naar Hamas  – op de Joden en Israël losgelaten wordt. Die nazistische moorddadigheid staat in een islamitische traditie van bijna 1400 jaar die begon met de bloedige onderwerping van Palestina aan de Arabische islam in de 7e eeuw na Christus. Het kan niet genoeg herhaald worden:  de islamitische Arabieren brachten pas in de 7e eeuw Palestina onder het kromzwaard, terwijl de Joden op dat moment daar al minstens 2000 jaar leefden. Het kan niet genoeg herhaald worden:  sinds die tijd hebben de Joden altijd als dhimmies, als extreem uitgebuite en vernederde klasse in Palestina geleefd.  Het kan niet genoeg herhaald worden: voor zeer velen van de Palestijnse  Arabieren gold in 1948 dat ze minder Palestijns waren dan vele geïmmigreerde Joden, omdat ze pas aangetrokken werden door de welvaart en dynamiek die de Joden schiepen, vanuit de buurlanden naar Palestina trokken en dus later dan vele Joden in Palestina arriveerden.

“Palestine Betrayed” geeft  in 341 pagina’s op basis van een overdonderend bronnenbestand en een strakke bewijsvoering een heel ander beeld over het ontstaan van Israël dan de lasterende mythologie van “expansionisme” en van rovende Joden die de arme “Palestijnen” van hun land verjoegen en tot vluchtelingen maakten. De “elite” van de Palestijnse Arabieren is, nogmaals, zélf in de jaren 1920 begonnen met een systematische haatcampagne tegen de Joden en dat was in de meeste gevallen tegen de wensen en het welzijn van hun eigen bevolking in. Die haat-hets elite, die heel erg vreselijk ónmulticultureel was, heeft ervoor gezorgd dat de niet aflatende pogingen van de Joden met de gewone Palestijnse Arabieren in vrede samen te leven mislukten en bleven mislukken tot op de dag van vandaag. Toen de Arabische ”elite” die oorlog van 1948 verloor, heeft die “elite”, bewust, tot in onze dagen in de 21ste eeuw,  het “vluchtelingenprobleem” in stand gehouden om een haat-object te hebben voor hun eigen bevolkingen die leden en lijden onder de terroristische en incompetente dictaturen van diezelfde “elite”.

Het hetzen van de haat-elite rond de moefti begon dus al in de jaren 1920, met pogroms. Karsh toont aan, onder andere via citaten van Ze’ev Jabotinsky, oprichter en leider van de Joodse “militaire ondergrondse” Irgoen Zvai Leoemi (Etsel), van Chaim Weizman en van David Ben Goerion, dat desondanks de gehele periode van het mandaat  de Joden pogingen hebben gedaan de Arabische Palestijnen tot blijven te bewegen en dezelfde rechten te genieten als de Joden in de nieuwe staat. Dat de gewone Arabische Palestijnen dat zouden willen, was geen rare gedachte, want  nogmaals: vanaf het moment dat de Joden hun invloed lieten gelden in Palestina namen welvaart, levensverwachting en bevolking toe. Hier is een stukje uit een toespraak van Ben Goerion van Augustus 1937:

“Geen Joodse staat, klein of groot, in een deel van het land of in het hele land, zal [waarlijk] gevestigd zijn zolang als het land van de profeten niet getuige is van de verwerkelijking van de grote en eeuwige morele idealen die generaties lang gekoesterd zijn in onze harten: één wet voor alle inwoners, rechtvaardig bestuur, liefde voor je naaste, waarachtige gelijkheid. De Joodse staat zal een rolmodel voor de wereld zijn in zijn behandeling van minderheden en leden van andere naties. Wet en rechtvaardigheid zullen zegevieren in onze staat, en een stevige hand zal alle kwaad uitroeien binnen onze rijen. Dit uitroeien van het kwaad zal geen onderscheid maken tussen Joden en niet-Joden. Net zoals een Arabische politieman die Arabische geweldplegers helpt streng gestraft zal worden, zo zal een Joodse politieman die een Arabier niet beschermt tegen Joodse vandalen streng gestraft worden.” (Karsh, p. 26)

Het beeld dat uit het boek van Karsh oprijst is dus klassiek: een minderheid weet via terreur een sfeer van angst en geweld te scheppen die vicieuze cirkels op gang brengt en vervolgens de loop der gebeurtenissen beslissend beïnvloedt. Dat zou in gedachten gehouden moeten worden elk keer als multiculturele Gutmenschen in onze dagen wijs en bedaard zeggen “Ach, het gaat maar om een kleine minderheid.” De vredelievende meerderheid is irrelevant , zoals Paul Marek zegt (en ik voeg eraan toe: vooral als het gaat om een inherent terroristische ideologie als de islam):

“Vredelievende Duitsers, Japanners, Chinezen, Russen, Rwandezen, Bosniërs, Afghanen, Irakezen, Palestijnen, Somaliërs, Nigerianen, Algerijnen, en vele anderen zijn gedood omdat de vredelievende meerderheid niets zei totdat het te laat was. En wij die zien hoe het zich ontvouwt, moeten de enige groep in de gaten houden waar het om gaat: de fanatici die onze manier van leven bedreigen.”

Want ondanks de  afzijdigheid, ja zelfs afwijzende opstandigheid van vele goedwillende Palestijnse Arabieren tégen de hetzers, was de terreur in de periode van het Britse Mandaat, dus van 1920 tot 1948 nooit weg.

Efraim Karsh citeert uit “Promise and Fulfillment: Palestine 1917-1949” (1983) van Arthur Koestler:

“Deir Yasin heeft zijn beruchtheid omdat het een uitzondering was; en in elk geval begingen de Joden geen individuele daden van sadisme (. . .) Maar op andere plekken werden de lijken van Joden die in Arabische handen waren gevallen gecastreerd gevonden en met hun ogen uitgestoken. ( . . .) Voor ik Tel-Aviv verliet heb ik de hand gelegd op een collectie foto’s die ik aan Alexis Ladas van de Commissie van de Verenigde Naties heb doorgegeven. Ze tonen grinnikende mannen in Arabische uniformen poserend voor de fotografen met hun bajonetten verzonken in een stapel naakte en verminkte lijken, en dergelijke ( . . . ) ik vermeld dit onderwerp met tegenzin ( . . .) dit soort zaken is niet begonnen met de oorlog; vanaf de dag van de eerste Joodse nederzettingen, was een Jood als hij de langs de kant van de weg vermoord werd gevonden bijna altijd verminkt.” [mijn cursivering: dat was dus nog vóór de nazi’s de moslimcultuur hadden gecorrumpeerd.]

Inmiddels weten we dat Deir Yasin zelfs geen uitzondering was, in die zin dat de Joodse strijdgroepen hier onnodige wreedheden zouden hebben begaan. David Meir Levi heeft in zijn “History Upside Down: The Roots of Palestinian Fascism and the Myth of Israëli Aggression” (2007) de kwestie Deir Yasin geanalyseerd. Nadat de strijd gestreden was en de Joodse strijdgroep Irgoen de krijgsgevangenen had verzameld, gebeurde er dit:

“Vervolgens, terwijl ze nog steeds een groep vormden, nog steeds gekleed als vrouwen en nadat ze zich hadden overgegeven en akkoord waren gegaan met krijgsgevangenschap, openden een aantal van de Irakezen opnieuw het vuur met wapens verborgen onder de vrouwenkleding. De strijders van de Irgoen werden hierdoor verrast, nog een aantal van hen werden gedood en anderen openden het vuur op de groep. Irakezen die zich inderdaad hadden overgeven werden samen gedood met degenen die alleen maar gedaan hadden alsof en vervolgens toch het vuur hadden geopend.”

En vervolgens, zoals Karsh uitlegt, is deze gebeurtenis bewust uitgebuit door de Palestijns-Arabische propaganda. Inmiddels is sinds de juni-oorlog van 1967 in het Westen een traditie ontstaan van enerzijds het demoniseren van Israël dat in antwoord op de grofste en tegelijk meest ongrijpbare terreur, zich zo humaan mogelijk verdedigt en het anderzijds voorstellen als onschuldige slachtoffers van een “Palestijnse” haat-“elite” die de terreur pleegt, at random in het rond moordt, en de eigen bevolking, “de Palestijnen”, daarbij al negentig jaar, vanaf 1920, genadeloos verraadt en misbruikt. Dat gebeurt tegenwoordig door vanuit dichtbevolkte gebieden raketten af te schieten en de Israëli’s te dwingen tot extra voorzichtig en humaan militair optreden, waarbij niettemin elke vergissing van de Israëli’s maximaal propagandistisch uitgebuit wordt. En als Israël geen foutje maakt, dan worden er wel verzonnen gruwelverhalen verteld. De Westerse media vréten dit soort verzinsels. Deze traditie begon in 1948. De Arabische leugen-propaganda werkt niet alleen erg goed in het heden, maar is er ook in geslaagd het geschiedbeeld totaal te perverteren. Ik herhaal opnieuw wat Efraim Karsh zegt in zijn introductie van “Palestine Betrayed”: “Het is om de historische waarheid terug op te eisen dat dit boek is geschreven.” Bij voorbeeld op de leugens van Edward Said, die ooit schreef dat “vanaf het begin van de serieuze Zionistische planning voor Palestina ( . . .) kan men de toenemende invloed van het idee zien dat Israël gebouwd moest worden op de ruïnes van ( . . .) Arabisch Palestina.”

De Joodse leiders en de Joodse media verzwegen het geweld in de maanden voorafgaande aan 14 mei 1948 niet, maar dikten vooral niets aan om paniek te voorkomen en de kans op verzoening en samenleven in stand te houden. De Arabische haat-elite en hun media bliezen de gebeurtenissen echter zo groot mogelijk op, overdreven schromelijk en verzonnen zelfs gruwelijke gebeurtenissen en details. Het doel van de Arabische hets-elite was uiteraard de Joden als beesten af te schilderen en het geweld op te voeren. Maar het resultaat was niet zozeer woede richting Joden, maar veel meer paniek onder de gewone Palestijnse Arabieren. In April 1948, dus een maand voor het uitroepen van de staat Israël en het binnenvallen van de vijf Arabische nationale legers op 15 mei, begonnen steeds meer Palestijnse Arabieren te vluchten, naar veiliger plaatsen in “Israël” zelf of naar naburige landen.

Het punt waarop Karsh terecht telkens en telkens weer veel nadruk legt, is dat de paniekvlucht van vele Arabische Palestijnen ontstond terwijl de Joodse leiders, ook locaal, ten eerste bij hen aandrongen op blijven en gelijkberechtigd en vreedzaam samenleven, en, ten tweede, er helemaal geen sprake was van een Joods offensief. De terreur onder leiding van Arabische hets-haat-elite was wél wijd verbreid, maar toch nog hanteerbaar incidenteel. Karsh citeert Safwat, de commandant van de “ALA” (Arabic Liberation Army) die op 23 maart 1948, dus minder dan twee maanden voor  het uitroepen van de onafhankelijkheid op 14 mei 1948, liet optekenen dat het Joodse leger “tot nog toe geen enkel Arabisch dorp heeft aangevallen behalve wanneer het daartoe werd uitgedaagd.” Zelfs op 14 mei 1948 waren van de ongeveer 300.000 Arabische Palestijnen die op de vlucht waren misschien “een handvol” (concludeert Karsh) door de Joden verjaagd en dat dan steeds vanuit specifieke en legitieme locale militaire overwegingen.

Zelfs in april 1948, zegt Karsh, dus slechts weken voor het uitroepen van de staat Israël op 14 mei, was géén van de stedelingen en was slechts een “handvol” plattelanders van de Palestijnse Arabieren verdreven door de Joden:

“De uitzonderingen die zich voordeden, in het heetst van de strijd, werden steeds gedicteerd  door ad-hoc militaire overwegingen. Ze gingen bovendien gepaard met pogingen om vlucht te voorkomen en/of de terugkeer te bevorderen van mensen die gevlucht waren – op een moment dat enorme aantallen Palestijnen actief  uit hun huizen verdreven werden door hun eigen leiders en/of Arabische gewapende strijdkrachten, hetzij uit militaire overwegingen hetzij om te voorkomen dat zij burgers zouden worden van de voorziene Joodse staat.” [mijn cursivering]

Dus nogmaals en met nadruk: geheel in tegenstelling met de Arabische propaganda die tot op onze dagen het beeld bepaalt, namelijk dat agressieve Joden de Palestijnse Arabieren uit hun huizen joegen, was het omgekeerde het geval: de Joden bleven tot op het laatst proberen de Arabische Palestijnen bewegen tot blijven, terwijl het AHC, het “Arabisch Hoger Comité “(de moefti en zijn kliek) alles in het werk stelde hen op de vlucht te doen slaan, omdat ze niet wilden dat ze burgers zouden worden van de Joodse staat die aan het ontstaan was. Ze werden in veel gevallen rechtstreeks door Arabische milities uit hun huizen gedreven. Karsh geeft vele voorbeelden van zowel enerzijds de pogingen van de Joden de Arabische Palestijnen te bewegen tot blijven, alsook anderzijds van het verdrijven van de Arabische Palestijnen door de Arabische milities. De Arabische Palestijnen die wel bleven, en ook daarvan geeft Karsh voorbeelden, werden tenslotte veelal toch bang en vertrokken alsnog naarmate de datum van 14 mei naderde, omdat hun locale leiders overal wegvluchtten en aldus het voorbeeld gaven.

Daniel Pipes schrijft in zijn recensie van “Palestine Betrayed”: “In slechts één geval (Lydda) verdreven Israëlische troepen Arabieren. De uitzonderlijkheid van deze gebeurtenis dient te worden benadrukt.” Inderdaad, maar het was nog uitzonderlijker dan Pipes meldt, want hij vergeet nog te vertellen dat ook in Lydda geen enkele sprake was van verdrijven-om-het-verdrijven. Luister maar naar Efraim Karsh:

“Dit was het eerste en inderdaad het enige geval in de oorlog waarin een substantiële stedelijke bevolking werd verdreven door Israëlische strijdkrachten. In feite ontstond de exodus door een reeks van onvoorziene gebeurtenissen op de grond en was [de uittocht] op geen enkele manier voorzien in de militaire plannen voor het innemen van de stad ( . . .). Het was pas toen de bezettende [Joodse] strijdkrachten in Lydda op hardnekkiger verzet stuitten dan verwacht dat zij besloten om het vertrek te ‘bevorderen’ van de bevolking naar door Arabieren gecontroleerde gebieden, een paar mijl oostelijker, om geen bewapende basis te laten bestaan in de rug van de Israëlische opmars en om de hoofdwegen te verstoppen teneinde een tegenaanval te voorkomen van het Arabische Legioen.” [mijn cursivering]

De verwoede pogingen van de Joden tot vreedzaam samenleven in Palestina met de Arabische Palestijnen liepen dus stuk op geweld dat vanaf 1920 was opgeroepen door de Arabische haat-hets-elite. De Joden hadden in 1947 nog slechts 10% van het oorspronkelijke vestigingsgebied over. Toch hebben de Palestijnse Joden, heeft Israël ingestemd met het twee-staten-verdeel-plan van de VN van November 1947. Daarbij zag Israël af van voor de Joden existentiële plekken als Jeruzalem en de Tempelberg. De Arabische haat-hets-elite weigerde die verdeling en een dag na het uitroepen van de staat Israël, op 14 mei 1948, vielen vijf Arabische legers Israël binnen.

In die oorlog van 1948 bleef Israël overeind, maar kwamen “de West Bank” (Samaria & Judea) en Oost-Jeruzalem onder controle van Jordanië. Egypte vestigde zijn brute heerschappij over de Gazastrook en behandelde de “Palestijnen” daar tot 1967 op de gewone Midden-Oosten-manier: genadeloos en wreed. In 1950 formaliseerde Jordanië de sinds 1948 feitelijk bestaande toestand en annexeerde zowel Samaria-Judea (de “Westbank”) alsook Oost-Jeruzalem, een daad van expansie die geen enkele morele basis had, want volgend op een aanvalsoorlog. De daad, zonder basis in het oorlogsrecht, kreeg dan ook geen internationale erkenning, behalve van het opportunistische Engeland en haar kolonie Pakistan. Van 1948 tot 1967 bleven Gaza en Samaria-Judea (de “Westbank”)  onder het bewind van respectievelijk Egypte en Jordanië.

Het expansionisme, waarvan Israël altijd beschuldig wordt, kwam dus vanaf het begin van de andere kant. Het Joodse streven was altijd het tegenovergestelde van haatdragend en expansionistisch. Misschien zou er voor die Joodse houding een nieuw woord uitgevonden moeten worden. Ik stel voor: humanistisch inpansionisme. Onder de illegale bezetting van 1948 tot 1967 door Jordanië van Samaria-Judea (de “Westbank”) weigerde koning Hoessein om de Joden toegang te geven tot hun heilige steden en plaatsen. In Oost-Jeruzalem, inclusief dus de Oude Stad, de Westelijke Muur en de Tempelberg werden vernielingen aangericht. Jordanië “ontheiligde ook zeer oude Joodse graven op de Berg van Olijven, legde een weg aan dwars door de begraafplaats, gebruikte veel van de grafstenen als latrines voor het Arabisch Legioen, vernielde opzettelijk  tientallen zeer oude synagoges overal in de Oude Stad en gebruikte de Tombe van Simon als een stal. De Joodse inwoners van de Oude Stad en buitenwijken van Oost-Jeruzalem waren intussen uit hun huizen verdreven en gedwongen om voor hun veiligheid naar West-Jeruzalem te vluchten. Gedurende de negentien jaren van de Jordaans-Arabische illegale bezetting ( . . .) protesteerden de Verenigde Naties niet één keer tegen de woeste en systematische vernietiging van de oude Joodse wijk.” [mijn cursivering]

In de aanloop naar de juni-oorlog (Zesdaagse Oorlog) van 1967 stapelden de bewijzen zich op dat de Arabische wereld uit was op een revanche-oorlog met Israël. President Nasser van Egypte kreeg gedaan dat de VN-vredestroepen in de Sinaïwoestijn, daar gestationeerd na de Suez-oorlog van 1956, zich metterdaad terugtrokken. Nasser begon met een  blokkade van de Straat van Tiran, waardoor schepen geen toegang meer hadden tot de Israëlische haven van Eilat. Nasser liet het Egyptische leger vooruitgeschoven posities innemen in de Sinaïwoestijn en sloeg genocidale taal uit tegen Israël: “We weten dat de sluiting van de Straat van Tiran oorlog betekent met Israël ( . . .) Als de oorlog zal komen zal die totaal zijn en het doel zal de vernietiging van Israël zijn (  . . .).”  Assad, de Syische president was zo mogelijk nog ondubbelzinniger: “We beginnen aan een uitroeiingsoorlog!” De Iraakse president Abdul Rahman Arif sprak terzelfdertijd van: “Israël van de kaart vegen”. Enige dagen voor de oorlog uitbrak sloten Jordanië en Egypte een defensie-overeenkomst. In Jordanië verzamelden zich een leger van duizenden Irakese soldaten. Op grond hiervan moet de Zesdaagse Oorlog/juni-oorlog, ondanks dat Israël preventief aanviel, als een defensieve oorlog van de kant van Israël gedefinieerd worden.

Minister van Defensie van Israël, Moshe Dayan, probeerde alles om Jordanië buiten de oorlog te houden en besloot in de vroege morgen van 5 juni 1967 preventief toe te slaan richting Egypte. In een paar uur tijd werd met een verrassingsaanval de hele Egyptische luchtvloot op de grond vernietigd. Diezelfde ochtend stuurde Israël rechtstreeks en via internationale kanalen aan de Jordaanse Koning Hoessein de boodschap dat Israël noch Jordanië noch de “West-Bank” (Samaria en Judea ) zou aanvallen zolang Jordanië zich buiten de oorlog hield. Koning Hoessein begon echter Israëlische steden en het militaire vliegveld te bestoken met artillerie en gevechtsvliegtuigen. “Het uur van onze wraak is aangebroken”, zei Hoessein, een uur nadat zijn artillerie was begonnen met West-Jeruzalem te beschieten. Hoessein was overigens met opzet verkeerd geïnformeerd door Nasser, die de preventieve uitschakeling op de grond van de Egyptische luchtmacht verzweeg en Hoessein wijs maakte dat Egypte met een succesvolle aanval op Israël bezig was.

Vooral in de meest heilige stad voor de Joden, Jeruzalem, ging het Jordaanse leger vlak na 5 juni 1967 flink te keer. Jeruzalem ligt op de grens van Israël met Samaria en Judea ( “de West-Bank”). Na drie dagen van hevige gevechten tussen Israël en Jordanië  veroverde Israël in juni 1967 die “West-Bank” en Oost-Jeruzalem (inbegrepen de Oude Stad). Het Jordaanse leger en luchtmacht werden vernietigd dan wel vanuit de “West Bank” teruggedreven over de Jordaan naar de . . . . eh . . . . “East-Bank”. Als Israël de hele “West-Bank” definitief in bezit had genomen en zelfs als het Jordanië helemaal bezet zou hebben, dan zou dat volgens elk oorlogsrecht en elke normale moraal legitiem zijn geweest.

Toen de oorlog van 1967 eindigde met een overwinning van Israël, werd de blijvende onwil tot vrede van de Arabische haat-elite al zichtbaar in augustus 1967. Op een conferentie van Arabische landen in Khartoem (Soedan) werd het beruchte “drie keer nee van Khartoem”  tegen Israël geformuleerd door de verzamelde Arabische hoofden van staat: geen erkenning van Israël, geen onderhandelingen en geen vrede met Israël. Abba Eban, op dat moment ambassadeur voor Israël bij de VN zei: “Dit is de eerste oorlog waarbij de winnaar vrede zoekt en de verliezer onvoorwaardelijke overgave eist.”

Na 1967 ging de PLO pas een prominente rol spelen. De PLO was in 1964 opgericht met het openlijk verklaarde doel “de Joden de zee in te drijven”, om “de zionistische en imperialistische invasie terug te drijven uit het grotere Arabische vaderland en de zionistische aanwezigheid in Palestina te liquideren” om “volledige bevrijding van Palestina” te bereiken en “de uitroeiing van het zionistische economische, politieke, militaire en culturele bestaan.” De vette cursivering is van mij. Dit Handvest is nooit aangepast ondanks beloftes daartoe.

Het officiële statuut van 1964 van de PLO zegt dat de organisatie geen soevereiniteit heeft of zoekt over Gaza of “de Westbank” (Samaria-Judea) en rept niet van een “Palestijns volk”. Ik citeer David Meir-Levi:

“De Jordaanse bezetting van de Westbank en de Egyptische controle van de Gazastrook waren gekenmerkt door totalitaire repressie. In de woorden van Arafat zelf, voerden de Egyptenaren de Palestijnen in 1948 in vluchtelingenkampen, sloten ze op achter prikkeldraad, zonden spionnen naar binnen om de Palestijnse leiders te vermoorden en executeerden degenen die probeerden te vluchten. Er was geen enkel Palestijns protest tegen deze onderdrukking in naam van enige zelfbeschikking die hen zou zijn geweigerd.” [mijn cursivering]

Maar na 1967, na de overwinning van Israël in de juni-oorlog, na de bezetting van minimale lapjes grond voor de veiligheid van Israël, werd het statuut van de PLO ineens veranderd, toen was er dus ineens die “nationale bevrijdingsstrijd” tegen het “Zionistisch imperialisme”. De bijbehorende “bevrijdingsideologie” was echter al sinds de oprichting in de maak. Arafat had al in 1964 zijn vertrouweling Abu Jihad naar Noord Vietnam gestuurd om te leren hoe Ho Chi Minh zijn “bevrijdingsstrijd” voerde. Fatah vertaalde toen al de revolutionaire handboeken van generaal Giap, van Mao en Che Guevarra, van wie we inmiddels toch wel allemaal kunnen weten dat het massamoordenaars waren. Ja, inclusief “Che”, de Jezus van de guerrilla. Arafat was vooral benieuwd naar het geheim van het succes waarmee Ho Chi Minh de aanval van Noord-Vietnam op Zuid-Vietnam in de ogen van Westers “links” had omgetoverd in een “nationale bevrijdingsstrijd”. Giap schreef aan Arafat: “Stop met praten over de vernietiging van Israël en verander in plaats daarvan je terreuroorlog in een worsteling om mensenrechten. Dan zal het Amerikaanse volk uit je hand eten.” Na 1967 bleek steeds meer hoezeer Giap gelijk had.

Arafat, die door de Sovjets werd gezien als een bruikbare pion in de Koude Oorlog tegen het Westen, werd door de Russische KGB in de leer gedaan bij “het genie van de Karpaten”, Nicolai Ceauçescu. Vanaf midden jaren 1960 waren Arafat en zijn entourage meermalen te gast bij deze megalomane moordenaar. Het opvoedende werk werd in de praktijk gedaan door Ion Mihai Pacepa, hoofd van de militaire inlichtingendienst in Roemenië. In een ook in het Nederlands vertaald boek vertelt Pacepa wat voor een type Arafat was. Pacepa: “Arafat heeft een politieke carrière gemaakt middels het voorwenden dat hij niet betrokken was bij zijn eigen terroristische daden.”

Ik vertaal en citeer nu David Meir-Levi in “History Upside Down: The Roots of Palestinian Fascism and the Myth of Israeli Aggression” (2007):

“Maar terwijl Arafat tenslotte de lessen die hij had geleerd van zijn Roemeense en Noord-Vietnamese gastheren en coaches oppikte en toepaste, waren de Sovjets, zoals Pacepa het beschrijft in ‘Red Horizons’, nog steeds niet zeker van zijn betrouwbaarheid. Dus maakten ze, met Pacepa’s hulp een zeer speciale ‘verzekerings-polis’ Gebruik makend van de goede diensten van de Roemeense ambassadeur in Egypte, filmden de Sovjets Arafats bijna elke avond plaats vindende homoseksuele interactie met zijn lijfwachten en met de ongelukkige weesjongetjes, jonger dan tien, die Ceauçescu aan Arafat leverde als onderdeel van de ‘Roemeense gastvrijheid’. Met videotapes van Arafats gulzige pedofilie in hun kluizen, en op de hoogte van de traditionele houding jegens homoseksualiteit in de islam, was de KGB van gevoelen dat Arafat een betrouwbare aanwinst was voor het Kremlin.”

Zal ik ook nog één keer zo beknopt mogelijk uiteenzetten hoe het zit met die door Israël “bezette gebieden”? Want daarop richt zich vaak de verontwaardiging van de politiek “correcte” Gutmensch. Dan roept zo’n onbenul: “Ja, wat wil je als je een ander zijn land inpikt!” En dan doelen ze op de terreur van de Palestijnse maffia, die in “landjepik” zijn rechtvaardiging zou vinden. Of zo’n onbenul roept: “Ja, wat wil je als je zoveel geweld op de Palestijnen loslaat!” En dan doelen ze op het feit dat Israël wel eens noodgedwongen terugslaat. En dat er dan wel eens onbedoeld burgerdoden vallen. Tsja, dat komt omdat de PLO en Hamas zich achter hun eigen burgerbevolking verschuilen. Omdat het sterven van hun eigen mensen de “Palestijnse” maffia onverschillig laat. Nee, sterker nog: die maffia is belust de lijken als trofeeën door een haatschreeuwende meute door de straten te laten voeren, speculerend dat de Westerse pers Israël maximaal zal belasteren.

De “bezette gebieden”, veroverd dus door Israël in de verdedigingsoorlog van 1967, zijn minieme stukjes grond aan de uiterste grens van Israël met die “West-Bank” (Samaria & Judea). Israël, dat dus het recht had in deze verdedigingsoorlog de hele Westbank (Samaria-Judea) te bezetten en zelfs heel Jordanië, beperkte zich tot een paar lapjes terrein tegen de zogenaamde “Groene Lijn” aan – (dat is de bestandslijn met Jordanië van 1948) –  die militair-strategisch nodig zijn om Israël goed te kunnen verdedigen. Die lapjes terrein heeft Israël na 1967 in talloze vredesonderhandelingen ruim willen compenseren met stukken land die voor Israël niet van militair strategisch belang zijn. Dat strategisch belang is groot:  twee keer, in 1948 en in 1967 was die “West-Bank” (Samaria & Judea) de springplank voor de Jordaanse legers om Israël aan te vallen.

De “bezette gebieden” zijn dus pas in 1967 als zodanig door de PLO gedefinieerd, middels een wijziging van de statuten, waarin ook ineens van een “Palestijns volk” sprake was.  Blijkbaar was er geen “bezetting” en geen “Palestijns volk” toen Egypte en Jordanië van 1948 tot 1967 respectievelijk Gaza en “de Westbank” (Samaria-Judea) niet alleen bezet hielden, maar dat op een wrede manier deden. Pas na 1967, toen de wreedheid plaats maakte voor het relatief (voorzover de omstandigheden dat toelieten) humane, tolerante en open bewind van de Israëli’s, sprak de Palestijnse maffia pas van “bezetting” en was er ook ineens sprake van een “Palestijns volk”.

De kwestie van de “bezette gebieden”wordt David Meir Levi in zijn “History Upside Down”: fundamenteel behandeld.  Hetzelfde geldt voor zijn Big Lies: Demolishing The Myths of the Propaganda War Against Israel”. In die laatste tekst zegt Meir-Levi:

“Na terrein te hebben veroverd in een defensieve oorlog en nadat zijn aanbod om veel van dat terrein terug te geven in ruil voor vrede was versmaad, werd Israël de legale soeverein over de veroverde gebieden.”

“Legaal”, zegt Meir-Levi. En hij onderbouwt dat met argumenten waarvan het voornaamste argument hierboven al gegeven is: na defensieve oorlogen! Zowel De Conventie van Genève als het Charter van de Verenigde Naties maken dat onderscheid en lopen parallel in dit opzicht. Volgens de internationale rechtsregels mag men geen gebieden koloniseren na een offensieve oorlog onder deportatie van de oorspronkelijke bevolking. Israël heeft de nederzettingen gebouwd na twéé defensieve oorlogen en heeft nooit een oorspronkelijke bevolking “gedeporteerd”. Dat is overigens wel pervers uitgedrukt  “niet gedeporteerd”. Het omgekeerde is gebeurd! Vanwege het “open-bruggen-beleid” van Israël langs de rivier de Jordaan migreerden van1967 tot 1994 grote aantallen Arabieren naar Israël. En in Samaria & Judea (op de “Westbank”) verdriedubbelde  de Arabische bevolking van 650.000 tot 2.000.000,  kwamen er honderden nieuwe Arabische nederzettingen bij (!) en was de welvaart van deze streek ongekend. Dit dus ondanks dat Jordanië tot 1994 in staat van oorlog met Israël wenste te blijven. Tegen deze achtergrond moet het actuele gezeur (2010) van Mahmoud Abbas en zijn PLO gezien worden, namelijk dat de Joden zouden moeten stoppen met bouwen van huizen in Samaria en Judea en vooral in Jeruzalem.

Zelfs de hele zogenaamde heiligheid van Jeruzalem is altijd politiek gemotiveerd geweest in de islam. Het is een schoolvoorbeeld van een “invented tradition”. De mythische Mohammed (572 – 632) probeerde aanvankelijk de Joden voor zijn geloof te winnen en beval dat de bidrichting (“kibla”) naar Jeruzalem moet zijn. Toen de Joden hem afwezen, werd het toch maar richting Mekka. Jeruzalem wordt overigens niet één keer in de Koran genoemd. Vijftig jaar na de dood in 632 A.D.van de mythische Mohammed, in 682 A. D. dus, werd door een moslimse rebel, in opstand tegen de islamitische kalief Abd al-Malik in Damascus, de hadj (pelgrimstocht) naar Mekka voor de onderdanen onmogelijk gemaakt. De geblokkeerde kalief Abd al-Malik maakte toen van de nood een deugd: omdat hij toevallig Jeruzalem in bezit had, beval hij dat de hadj en dus ook de bidrichting opnieuw naar Jeruzalem moest wezen. Daarbij haakte geblokkeerde kalief Abd al-Malik aan bij een mededeling in de koran dat Mohammed zijn vliegend-paard-met-het-vrouwenhoofd (Baraq) bij de “verste moskee” zou hebben aangebonden. (Soera 17:1) en die “verste moskee” zou dan de al-Aqsa-moskee bij Jeruzalem geweest moeten zijn. Echter! Dit was een verzinsel van die geblokkeerde kalief Abd al-Malik in Damascus. Als de ”verste moskee” gold en geldt , in de communis opinio van zowel islamitische als westerse deskundigen, de moskee bij Mekka. Kortom: dat was weer net zo’n staaltje van politiek opportunisme in 682 van deze geblokkeerde kalief Abd al-Malik als in 632 van de mythische Mohammed, toen hij de bidrichting van Jeruzalem in Mekka veranderde. De laatste daad van politiek opportunisme rond Jeruzalem dateert van 1967. Tot dat jaar was Jeruzalem nog illegaal bezet door Jordanië en werd aan Jeruzalem geen bijzondere status gegeven. Maar nadat “de Westbank” (Samaria en Judea) en Jeruzalem in Israëlische handen kwamen, begonnen de islamitische ideologen die opvatting over Jeruzalem van 1250 jaar geleden, uit het jaar 682 dus, weer te recyclen. Dus driemaal politiek opportunisme rond Jeruzalem: door de mythische Mohammed (572 – 632) zelf, in 682 door de geblokkeerde kalief en vervolgens na 1967.

Jacques Gauthier heeft meer dan 20 jaar besteed aan een onderzoek naar de vraag “Van wie is Jerusalem”, maar dan in de puur juridische en volken-rechtelijke zin. Hij kwam tot de conclusie: Jeruzalem is van de Joden, Jeruzalem is van Israël. En ik zou daar aan willen toevoegen: en dus van de Hele Mensheid met een Geweten. Gauthier vervatte zijn betoog en conclusies in een promotie-these van zo’n 1000 pagina’s, die hij succesvol verdedigde aan het “Graduate Institute of International Studies of the University of Geneva”. Hier is een televisie-interview met hem onder de titel “Who owns Jerusalem?

De “bezetting”-schreeuwers wijzen altijd op resolutie 242 van de plenaire vergadering van de Verenigde Naties van november 1967 en beweren dat Israël daarin verplicht wordt zich terug te trekken achter de zogenaamde “groene lijn”, de bestandslijn die na de oorlog van 1948 met Jordanië werd overeengekomen. Maar die resolutie 242 roept niet op tot terugtrekking uit dé bezette gebieden, maar roept op tot terugtrekking uit “bezette gebieden” zonder “de”. En bovendien zodanig dat Israël “erkende en veilige grenzen” krijgt. Veilig: dat betekent dat eindelijk de “Palestijnen” zouden moeten ingaan op de ruilvoorstellen van Israël, minimale lapjes land die maximaal strategische belang hebben voor Israël tegen lapjes die dat belang niet hebben. Erkenning: probeer daar maar eens een ondubbelzinnige verklaring voor te vinden van de kant van de Palestijnse maffia! Barry Rubin: ”Op de een of andere manier schijnen de nieuwsreporters nooit het verhaal te pakken te krijgen hoe de PA dagelijks omroept, onderwijst en predikt dat heel Israël  onderdeel is van Palestina. Zoals in de herhaaldelijk uitgezonden aardrijkskundeles op de officiële PA-televisie.” En dan zie je inderdaad hoe de hele kuststreek met Jaffa, Ashkelon en Acre, eigenlijk heel Israël gedefinieerd wordt als bezet gebied.

De totale “Westbank” (Samaria & Judea) inclusief natuurlijk Jeruzalem, is legitiem Israëlisch gebied, niet alleen die paar vlekjes tegen de “groene lijn” aan. Desondanks neemt Israël met die paar strategisch belangrijke vlekjes genoegen en is bereid de hele verdere West-Bank (Samaria en Judea) op te geven.

Toch is de term “bezette gebieden” in verband met Israël na 1967 steeds vertrouwder in de oren gaan klinken. Waarom?  Omdat de “Palestijnse” propaganda  zo succesvol is geweest dat zelfs degenen die beter weten noodgedwongen de term zijn gaan overnemen. Het alternatief? Men zou van “betwiste gebieden” gebieden kunnen spreken zoals Meir Levi doet, of zelfs van bevrijde gebieden, namelijk van een terroristische cultuur. Ik heb het liever over geperverteerde gebieden. Omdat alles rond deze gebieden pervers is: de “Palestijnse” propaganda en de werkelijkheid

Israël verdedigt zich dus minimaal. Maar er is méér. Binnen dat kader is Israël ook nog eens microscopisch fatsoenlijk. Ten eerste, nogmaals, zijn de geperverteerde gebieden moreel en juridisch gerechtvaardigd onder Israëlische soevereiniteit gebracht. Voor zover de Joodse nederzettingen niet puur militaire noodzaak zijn, gaat het steeds om door Jordanië in een aanvalsoorlog (1948) en dus illegaal (1950) geannexeerd land. En het kan niet genoeg herhaald worden: in 1967 werd dit illegaal geannexeerde land opnieuw door Jordanië gebruikt als springplank in wat in feite een aanvalsoorlog was. Omdat dit land illegaal door Jordanië en dus door het Jordaanse koningshuis werd geannexeerd, wordt het wel “kroonland” genoemd.

Dat voormalige Jordaanse “kroonland” was dus, als het na 1967 al geen rechtmatig Israëlisch land was geworden, toch minimaal niemandsland. Israël had daarom na 1967, na een tweede aanval van Jordanië, alle recht (óók volgens de Conventie van Genève) om dit land tot ontwikkeling te brengen en er Joden te huisvesten. Waar nodig werden particuliere eigenaren betaald. Het kopen door Joden van land in Samaria & Judea (de “Westbank”) verliep zo succesvol dat Arafat in 1994, toen de “Palestijnse Autoriteit” na de Oslo-Acoorden van 1993 het gezag kreeg over het gebied (behalve over de “nederzettingen” natuurlijk), op verkoop van land aan de Joden de doodstraf (!) zette. Sommige “Palestijnse” families die ooit land hadden verkocht aan de Joden, vluchtten weg uit Samaria en Judea (van de “West-Bank”). Tot op de dag van vandaag worden “verraders” informeel geëxecuteerd. Bij dit sinds 1967 verkochte “kroon-land” ging het bovendien vooral om Jeruzalem en omstreken, om dus de millennia-oude spirituele en materiële hoofdstad van de Joden.

Meir Levi onderscheidt nog een paar soorten  nederzettingen. Je zou deze “terugkeer-nederzettingen” dan wel “culturele nederzettingen” kunnen noemen. Dan ging het om Joden die terugkeerden naar plekken waar Joden al millennia hadden geleefd (bijvoorbeeld Hebron en Jeruzalem) en waar ze verjaagd waren door pogroms. Nog eens: het gaat hier steeds om illegaal door Jordanië in 1948 bezet en in 1950 geannexeerd  “kroonland” maar alleen betreft het nu niet nederzettingen vlak tegen de “groene lijn” met militaire betekenis, maar dieper Samaria & Judea  (de Westbank”) in en dan meestal rond oude, “heilige”vestigingsplaatsen van de Joden, bijvoorbeeld Nabloes. Het zal duidelijk zijn dat deze Joden alle morele recht hadden naar deze plekken terug te keren. En nogmaals: volgens alle juridische codes hadden ze dat recht ook.

Natuurlijk heeft de “Palestijnse” propaganda ook hier geclaimd dat het land zonder betaling in bezit is genomen, maar dat hoort bij het routinematig liegen in de Arabische en islamitische cultuur, ook in eigen kring, maar vooral in de strijd tegen “ongelovigen” waarin “taqiyya” voorgeschreven is. Israël claimt dat het land tegen marktprijzen is gekocht en ik geloof de Joden, want die spreken vanuit hun eigen ethiek de waarheid en ze weten dat elke ontdekte leugen, zelfs op een detail, maximaal door de propaganda uitgebuit zou worden. Er is in de Israëlische maatschappij strijd over de vraag of deze militair niet strikt noodzakelijke, dus die terugkeer- annex-cultuur-nederzettingen “verstandig” zijn, maar alle regeringen hebben vanaf het aantreden van de eerste regering Rabin (1974) als beleidslijn gehad om eventueel deze nederzettingen te gebruiken als “bargaining chips” in komende onderhandelingen. Dat was nog in een tijd, dus, dat de illusie bestond dat er ueberhaupt met de Palestijnse “elite” te onderhandelen viel. Echter! Op de vredesovereenkomt van Oslo van 1993 antwoordde Arafat al met geïntensiveerde terreur. Een instructieve film van een uurRelentless: the Struggle for Peace in the Middle East”, laat zien hoe Arafat en zijn PLO  na Oslo 1993 consequent de vredesovereenkomsten bewust hebben geschonden en de terreur juist opgevoerd.

De “Palestijnse” maffia wil geen vrede! Net zo min als “de Arabische landen” en Iran. Waar zouden ze vervolgens heen moeten met hun haatpotentieel? Nadat Oslo 1993 door Arafat gesaboteerd was, kreeg Arafat in Camp David 2000 voor bijna 100 % zijn zin aangaande Gaza,  de “West-Bank” (Samaria en Judea) en Jeruzalem. Plus het recht op terugkeer van een nader te bepalen aantal “Palestijnse vluchtelingen”. Arafat antwoordde met bloedige zelfmoordaanslagen in Israël op willekeurige burgers. En met het aan de macht komen van Hamas is het nóg definitiever duidelijk geworden dat de “Palestijnse” maffia geen vrede wil en kan sluiten. Die aanduiding maffia is geen woordspel. Het zijn in feite echte maffia-bendes die van afpersing van de internationale gemeenschap leven. Ze zijn alleen in staat tot haatpropaganda, terreur en corruptie. Ze zijn mentaal niet geschikt tot een normaal leven en om leiding te geven aan een normale sociaal-economische structuur, die gericht is op verbetering van de levensomstandigheden van een bevolking. Hun eerste premisse is, zegt Barry Rubin: het regime moet aan de macht blijven, de economie staat in dienst  van het bestraffen van vijanden en het belonen van vrienden. Het geestelijke leven staat in het teken van het kweken van zoveel mogelijk haat tegen een “aussere Feind”.

Er is één soort nederzettingen dat problematisch is. Meir-Levi noemt ze “rogue settlements”. Een moeilijk te vertalen term. “Piraten-nederzettingen” dan maar,  gezien de zanderige omstandigheden? Meir-Levi noemt deze nederzettingen zonder meer illegaal, maar levert niet zoveel onderbouwing bij dat standpunt. Het is namelijk de vraag in hoeverre deze nederzettingen volgens internationaal recht illegaal genoemd zouden kunnen worden. Volgens oorlogsrecht, zoals hij zelf uitlegt, in elke geval niet, want Israël zou volgens dat recht zich soeverein mogen verklaren over de hele “West-Bank” (Samaria en Judea).  In elk geval gaat de discussie in Israël vooral over dit type nederzettingen. De kolonisten die ze bemannen worden, ook in de Israëlische Gutmenschen-pers beschuldigd van de meest vreselijke dingen. Israël een slechte naam bezorgen is het minste verwijt. Land bezetten zonder betalen en “terreur” tegen de “Palestijnen” zijn de zwaardere. De Westerse media zijn, in samenwerking met de “Palestijnse”propaganda, hongerig gespitst op het brengen van elke misstap van deze kolonisten. Maar beelden en beschrijvingen die zelfs maar in verre verte kunnen wedijveren met de “Palestijnse” terreur zijn desondanks nog niet opgedoken.

We hebben de Yom-Kippoeroorlog nog niet genoemd. In 1973, toen Israël door Syrië en Egypte werd overvallen op Grote Verzoendag, een van de dagen waarop de Joodse geest wel het allerminst naar oorlog staat, bleef koning Hoessein van Jordanië alleen om opportunistische redenen buiten de strijd. Dat de koning niet meedeed, was te wijten aan zijn zwakke positie. Hij had drie jaar eerder, in september 1970 (in de mythologie van het Palestinisme “Zwarte September” geheten)  met grof geweld en ten koste van heel veel doden Arafat en zijn terreurbendes, die de staat Jordanië dreigden over te nemen, van de West-Bank (Samaria en Judea) verjaagd. Hij volstond in 1973 met één symbolische pantserdivisie naar het Syrische front op de Golan-hoogte te sturen. Maar hij had eerst wel aan Israël toestemming gevraagd of hij op deze manier zijn gezicht mocht redden in de Arabische wereld en of er geen sancties van de kant van Israël zouden volgen. “Dat kan alleen in het Midden Oosten”, commentarieerde Henry Kissinger.

De Golan-hoogte is een apart verhaal. Deze hoogvlakte op de grens met Syrië is pas in de Yom-Kippoer oorlog van 1973 bezet door Israël. De noodzaak van de blijvende bezetting van de Golan-hoogte om pure redenen van lijfsbehoud door Israël, heb ik beschreven in een stuk getiteld  “Le Fever en het nos-journaal: kwaadaardig of alleen dom?”

Israël heeft nooit “doorgepakt”. Het had bijvoorbeeld forse delen van Syrië legaal kunnen bezetten, nadat in 1973 met deze Yom Kippoer-oorlog de derde aanval door de Arabische landen was gepleegd. Men zegt wel dat met name Hitlerbewonderaar Sadat beperkte doelstellingen had  – de Sinaï terugveroveren en de Arabische “eer” redden –  maar dat had nog bezien moeten worden als partner Syrië op de Golan-hoogte was doorgebroken. Zou massamoord op de Joden zijn uitgebleven?

Het “expansionisme” van Israël, zo kan men concluderen na dit overzicht, is non-existent. Het is omgekeerd: Israël heeft minimale stukjes grond terug veroverd van veel grotere gebieden waarop het alle morele recht heeft. Ook volgens het oorlogsrecht en het verdere internationale recht is wat Israël doet volkomen legitiem. Dat Israël nooit heeft “doorgepakt”, zelfs niet nadat in 1973 met de Yom Kippoer-oorlog de derde aanval was uitgevoerd, komt niet alleen voort uit Israëls edelmoedigheid, maar – ik heb het al gezegd – is ook welbegrepen eigenbelang. Wat moet Israël als democratische rechtstaat met een moslimbevolking van “Palestijnen” die door hun eigen “elites” doordrenkt zijn met leugens, rancune tegen de Joden en de haat-ideologie van de islam? De terreur vanaf de “Westbank” is nooit opgehouden en werd zelfs door Arafat versterkt na de “Oslo-accoorden” van 1993,  toen hij op de “Westbank” (Samaria & Judea)  en in Gaza de “Palestijnse Autoriteit” mocht vestigen. De moordaanslagen verminderden pas toen Israël daar in 2003 een anti-terreurhek plaatste.

Maar de perverse “Palestijnse” propaganda wordt gevréten door alle Westerse mainstream-media. Bij het volgend citaat moet men voor ogen houden dat het grondgebied van Israël 15 duizendste is van het omringende Arabische land. Oftewel: de Arabieren hebben 640 keer meer land dan de Joden.  Wim Kortenoeven citeert in zijn “Kern van de Zaak” uit het “Arab Human Development Report” van 2002, uitgegeven door de VN:

“Israëls illegale bezetting van Arabische gebieden is een van de belangrijkste obstakels voor veiligheid en vooruitgang in de regio; in geografisch opzicht (omdat het de hele regio treft; in tijdsduur (de bezetting is al decennia aan de gang); en op het gebied van de ontwikkeling (de bezetting beïnvloedt vrijwel alle aspecten van menselijke ontwikkeling en menselijke veiligheid.”

Dit gaat dus over een microscopisch gebied in vergelijking met de Arabische landen en het illustreert het kosmisch-huichelachtige, totaal irrationele rancunisme in de wereld van de islam. In datzelfde boek van Wim Kortenoeven wordt de in België als linkse Gutmensch bekend staande Rudi Rotthier geciteerd. In 2004 zei hij na een tocht door de Arabische wereld:

“Het gigantische vermogen om de schuld niet bij zichzelf te zoeken, het gebrek aan zelfkritiek. ( . . .) Ik heb er zeker geen dag rondgelopen zonder te horen dat Hitler gelijk had, dat Israël moet verdwijnen, dat Joden verantwoordelijk waren voor 11 september. Ik begrijp nu beter hoe de Israëliërs zich bedreigd voelen in die haatdragende mensenzee. ( . . .) Wat ik niet voor mogelijk hield is gebeurd: zeven maanden in moslimgebied hebben mijn sympathie voor Israël hersteld.”

Israël moet hier het laatste woord zijn. Het woord betekent: “hij die vocht met de engel”.  “Wij”, de hele Christelijke beschaving, ook degenen die het niet weten of het niet waar willen hebben, zijn net zo Joods als “Israël”. “Onze” Joods-Christelijke beschaving staat in het teken van de menselijke dialoog met “God”. Het woord van die God komt tot ons via mensen, die het onderling vaak oneens zijn, en zelfs God soms tegenspreken. In de Joodse traditie is dat tegenspreken het sterkst. Wij hebben het van de Joden geleerd: irritant zijn en zelfrelativerend. Twee Joden, drie meningen, luidt niet voor niks het gevleugelde woord. Een van de mythische Joodse oervaders, Jacob, vecht een hele nacht met een engel, die misschien wel God zelf was en anders toch zeker wel Zijn Afgezant. Jacob wint dat gevecht en laat de engel niet gaan voor deze hem, Jacob, gezegend heeft. Nadien heet Jacob voortaan Israël. Dat wil zoveel zeggen als: de mens die worstelt met God. In deze Joodse “anekdote” en in de Gouden Regel ligt de essentie besloten van “onze” Joods-Christelijke traditie, die van de Rede, die van de worsteling met het religieuze en aldus van de Menselijke Verantwoordelijkheid en het Geweten.

Waar Allah in volstrekte willekeur elke seconde de wereld herschept, daar is de God van de Joden in voortdurende dialoog met de mensen. In het Nieuwe Testament, de basis van de grootste Joodse secte, het christendom, krijgt de Oudtestamentische ethiek haar radicaalste interpretatie: die van het liefdesgebod. De beschavende, humaniserende, onderzoekende, welvaart scheppende en vooral Redelijke Kern van het christendom is nooit verloren gegaan en vooral in de kloosters bewaard gebleven. De islam is echter een oceaan van bloed, lijden, onderdrukking, racisme, fanatisme, hypocrisie, manipulatie, machtsmisbruik, massamoord en slavernij. In de islam is niets goeds te vinden. Niets. Het Goede moeten we zoeken in “Israël”.

Op 16 mei 1948, dus twee dagen ná de onafhankelijkheidsverklaring, zond de officiële Israëlische radio de volgende verklaring uit in het Hebreeuws en Arabisch, terwijl de “elites” van vijf Arabische naties een genocidaal bedoelde aanval hadden losgelaten op de twee dagen oude staat:

“Hoewel wij tot een woeste oorlog zijn gedwongen, behoren wij niet te vergeten, dat binnen onze grenzen leden van het Arabische volk de rechten behoren te genieten van burgers en dat de meesten deze oorlog haten. Wij moeten hun rechten op een gelijk niveau handhaven met die van alle burgers. Wij zien uit naar vrede en strekken onze hand uit om hun medewerking te verkrijgen bij het opbouwen van ons vaderland. Burgers, laat ons de integriteit van ons jonge vaderland handhaven.” (Efraim Karsh, “Palestine Betrayed”, p. 236)

Dat vaderland was Israël.

______________________

*** Die inmiddels met de site van Joost Niemöller voorlopig verdwenen zijn en afhankelijk van het antwoord op de vraag of Joost nog ooit de ruzie met zijn provider oplost, komen die misschien weer eens on-line. Intussen verwijs ik naar de paragraaf: “De Moefti van Jeruzalem: Jodenmoord in de geest van Hitler en Mohammed”.

UPDATE: inmiddels is het stuk eveneens on line op Artikel 7, de site waarop Joost Niemöller vroeger zijn stukken “doorplaatste” en waarop ook ik enige tijd “rechtstreeks” heb geschreven.

UPDATE 2: Barry Rubin komt in de loop van 2012 met een nieuw boek dat op grond van nieuw bronnenmateriaal van de CIA aantoont dat de connectie tussen de islamitische wereld en de nazi’s nóg veel sterker was dan tot nu toe werd aangenomen: http://bit.ly/HqWXbW:

“My next book is already completed and I think it is going to have a big impact. It is entitled, Nazis, Islamists and the Making of the Modern Middle East, written with Dr. Wolfgang Schwanitz, and based on newly released CIA and never before translated German documents. Basically, it shows how the alliance was stronger and more important than previously understood and also how individuals, ideologies, and groups that collaborated with the Axis have ruled the Arabic-speaking world for the last sixty years and will continue to do so in the current Islamist wave.”

Uit een recensie van Rubins boek op Amazon:

“Contrary to what has been written in other reviews, the authors do not portray Hajj Amin al-Husaini as the architect of the Final Solution or responsible for conditions that led to the creation of Israel. However, they argue, by making his alliance and (in Nazi eyes) the alliance of the Arab world conditional on stopping Jewish immigration to Palestine, a ploy his Arab Higher Committee also offered to the British, he was likely the catalyst in the change of German policy from expulsion to extermination. Backed generously by the Nazis he and Rashid al-Kalaini ran espionage and recruitment networks. Hitler made it clear that after a Nazi victory al-Kalaini, the lesser partner, would be given control of Iraq and that al-Husaini not only Palestine but much of the Arab world (with a degree of imprecision excluding territories promised to Italy and Vichy France), with a license to do to the Jews there what Hitler was doing in Europe – this they had as a common interest. They were also quite prolific in creating general propaganda and training material for military imams articulating a common ground between Islam and National Socialism, (pp182-183), even to the point of mixing Islamic eschatology and Nazi ideology by portraying the current war as the final jihad between Muslims and non-believers. (pp156).” [mijn rooie vet]

Dit komt overeen met de bevindingen van de in mijn opstel genoemde Gord McFee. Deze zegt “Het nieuwe bewijs wekt sterk de indruk dat Hitler vroeg in december 1941 besloot alle Europese Joden uit te roeien.” Waarop ik concludeer: “Als McFee gelijk heeft dan hebben er slechts dagen gezeten tussen de ontmoeting met de moefti en het definitieve besluit.”

Natuurlijk is de moefti niet “de architect” van de Holocaust geweest, maar in zijn gesprek met Hitler, die een groot bewonderaar van de islam was, heeft de Jodenhaat van de Moefti natuurlijk in druk gemaakt op Hitler en dat zal ook een factor geweest zijn in Hitlers besluit tot de “Endlösung”.

UPDATE 3:

In een artikel op Liberales van 28 november 2014 wordt aandacht besteed aan een speciale herdenkingsdag die de Joodse wereldgemeenschap wil instellen in VN-verband naar de ethnische zuiveringen in de Arabische landen en Iran naar aanleiding van het uitroepen van de staat Israël op 5 mei 1948. Die zuiveringen waren gepland al vóór 5 mei. Ik citeer Liberales:

 “According to UN records the Egyptian delegate, Heykal Pasha, was already warning on 24 November 1947 about the consequences of establishing a Jewish state in Palestine:

“the United Nations…should not lose sight of the fact that the proposed solution might endanger a million Jews living in Muslim countries…creating anti-Semitism in those countries even more difficult to root out than the anti-Semitism which the Allies tried to eradicate in Germany…making the UN…responsible for very grave disorders and for the massacre of a large number of Jews.”

Heykal Pasha’s words were prefaced with talk of ‘massacre’ ‘riots’ and ‘war between two races’. According to Yaakov Meron, Pasha’ s threats were not confined to Egypt but repeatedly mentioned Jews in other Muslim countries. They were not uttered on the intiative of Egypt but were ‘the outcome of prior coordination between Arab states then represented at the UN and the Arab league.” [mijn schuine vet]

Hier wordt het “avant” in de titel van mijn opstel nog eens onderstreept: “even more difficult to root out than the anti-Semitism which the Allies tried to eradicate in Germany”.De Egyptenaar gebruikt het woord “creating” maar hij bedoelt natuurlijk “aanwakkeren”, want het is onvoorstelbaar dat out of the blue een antisemitisme in de Arabische landen gecreëerd zou kunnen worden sterker dan dat in nazi-Duitsland. De ondergrond lag er al 1300 jaar.

Advertenties