Screenshot_5
Martin Kramer

(Door: Martien Pennings)

UPDATE 10 SEPTEMBER 2016:

Ik realiseer me een beetje laat dat ik in dit artikel misschien te hard oordeel over Kramer: hij heeft een uitstekende analyse geschreven waarin een belangrijk element in het landverraderlijke boek van Ari Shavit, “My Promised Land” wordt geneutraliseerd. Shavit gebruikt het beleg en de verovering van Lydda als bewijs voor de zogenaamd zwarte kanten van het Zionisme. Kramer bewijst dat zijn redeneringen op weinig tot niks zijn gebaseerd. Zie mijn stuk van 4 november 2014: “Ari Shavit, Martin Kramer, Efraim Karsh, Benny Morris en . . . . . Lydda, Lydda, Lydda !!!”

************************************************

Historiografie

Ik ga het hebben over een artikel van Martin Kramer dat de inleiding vormt van een boek uit 1999, getiteld “The Jewish Discovery of Islam”. Het boek behandelt 19e en 20ste eeuwse Joodse historici die vóór 1920 zijn geboren en die zich met de islam hebben bezig gehouden.

Inleiding en boek betreffen dus de wetenschap van de historiografie: de geschiedschrijving van de geschiedschrijving. Want geschiedkundige teksten gaan óver een bepaalde periode en óver een bepaald milieu, maar ze zijn ook geschreven ín een bepaalde periode en ín een bepaald milieu. Een 17e eeuwse Poolse edelman die het Turkse beleg van Wenen in 1683 nog lijfelijk mede heeft beëindigd, zal anders schrijven over de islam dan een student die anno 2013 in Nederland onder Maurits Berger en Petra Stienen studeert.

Martin Kramer, het Moshe Dayan Center en de officiële Israëlische verzoeningstoon

In dat bewustzijn dien ik mij dus af te vragen wie Martin Kramer is evenals in welk milieu hij thuishoort. Want ik had nog nooit van hem gehoord. Als ik Professor-Doctor Martin Kramer en zijn lange academische carrière recht wil doen, moet ik me natuurlijk een paar jaar in hem verdiepen en een proefschrift over hem schrijven. Dat gaat niet lukken en ik zal dus mijn forse oordeel over zijn inleidende artikel in dat boek baseren op alléén dat betreffende artikel. Het is behelpen, maar het is niet anders en we moeten verder.

Ik had dus nog nooit van Kramer gehoord en ook niet van het onderzoekscentrum onder welks auspiciën het boek is uitgegeven, namelijk het Moshe Dayan Center for Middle Eastern and African Studies, een onderdeel van de universiteit van Tel Aviv. In het profielschetsje dat dit Centrum van zichzelf geeft, heet het:

“The Center does not take positions or recommend policies. Through research, publications, conferences, documentary collections, and public service, it seeks to inform civil society and promote dialogue on the complexities of the ever-changing Middle East. In doing so, the Center hopes to advance peace through understanding.”

Dat zet meteen de beschaafd-verzoenende toon. Het is de toon die bureaucratisch, officieel-politiek en academisch Israël inzake de islamitische wereld altijd hanteert. In het artikel van Kramer dat ik hieronder zal behandelen, klinkt die toon nog veel extremer. Men is zogenaamd a-politiek, maar wat mij betreft zitten die drie regeltjes hier boven vol illusies over islamitische maatschappijen. Namelijk dat ze veranderen, dat je er dialoog mee kan voeren, en dat je er vrede mee kan bereiken als je maar genoeg “begrip” hebt. Behalve illusoir vind ik dat immoreel: je dient geen “begrip” te hebben voor een seksueel aangedreven roofmoordenaarsideologie als de islam.

Natuurlijk is het allemaal best te begrijpen. Zelfs als je beter weet, moet je als “officieel Israël” naar buiten toe de illusie hoog houden. Maar als de meest genereuze vredesvoorstellen richting “Palestijnen” en “Arabische wereld” al sinds 1920 beantwoord worden met Jodenhaat, moord, oorlog en pogingen tot genocide en sabotage dan mogen er toch wel grenzen zijn aan  “diplomatieke taal”. En dan brengen we niet eens 1400 jaar islamitische bloeddorst en racistische agressie in het geding. Bovenstaande drie regels zijn dom en naïef. Love, Peace & Understanding: het lijken wel fokking hippies daar op het Moshe Dayan Center.

Ik denk dat, als Moshe Dayan nog leefde, hij allang lering zou hebben getrokken uit eerdere vergissingen. Volgens zijn weduwe kon hij erg goed met “de Palestijnen” opschieten en hij is degene geweest die het beheer over de Tempelberg in 1967 aan de Waqf, een islamitische organisatie gaf.  Ook daaruit is alleen maar terreur voortgekomen.

Martin Kramer overdrijft de verzoeningstoon

En zoals gezegd: de toon van het inleidende artikel dat Martin Kramer schreef bij het boek dat door dat Moshe Dayan Center in 1999 werd uitgegeven is nog vele malen erger.  Het boek bevat een groot aantal beschrijvingen door verschillende auteurs van Joden die ongeveer tussen 1820 en 1948 (stichting van Israël) zich hebben bezig gehouden met de islam.  Het zwaartepunt ligt bij Joden die schreven ongeveer tussen 1850 en 1900. Onder invloed van een aantal factoren oordeelden die Joden zeer positief over de islam. Dat is vergeeflijk, ook al ontbraken stemmen die de ware en onveranderlijke aard van de islam wél kenden ook in  de 19e  eeuw niet.

Er is een enorme bloemlezing samen te stellen van 19e en vroeg 20ste eeuwers die het zwarte hart van de islam uitstekend in het vizier hadden: Snouck Hurgronje (1857 -1936) Manfred Halpern (1924 – 2001), Maxime Rodinson (1915 -2004), Carl Jung (1875 – 1961), Bertrand Russell (1872 – 1970), Karl Barth (1886 – 1968), Winston Churchill (1874 – 1965), Gustave Flaubert (1821- 1880), Arthur Schopenhauer (1788 – 1860), Jacob Burkhardt (1818 – 1897). De lijst is bij lange na niet uitputtend, maar er is ook een constante stroom van naïviteit omtrent het Mohammedanisme, die tot op heden krachtig doorkabbelt en zelfs aanzwelt.

Maar deze emanciperende en assimilerende Europese Joden hemelden “de nobele Arabier” en zijn verfijnde en tolerante islamitische cultuur op om zichzelf als “semitische broeders” mede te kunnen verheffen. In 1865 publiceert een zekere W. G. Palgrave een boek over een van de meest fanatieke en achterlijke sektes in de islam, de Wahabitische stichters van Saoedi-Arabië en geeft als zijn mening dat deze barbaren “The Englishmen of the East” zijn. Deze 19e eeuwse Joden stelden geïdealiseerde islamitische landen ten voorbeeld aan Europa, zeggende als het ware: kijk, als je Joden gelijkberechtigd laat zijn zoals dat in moslimlanden gebruikelijk is, dan kunnen wij Joden een geweldige hulp zijn om van Europa dezelfde luisterrijke beschaving te maken. Met name Joden, zegt Kramer, uit Duitsland en Oost-Europa, die geen enkele concrete historische ervaring hadden met de islam, waren vatbaar. En dan waren er natuurlijk de impulsen waaraan ook niet-Joden bloot stonden: bijvoorbeeld de exoten-verering van de Romantiek. Een belangrijk element dat Kramer niet noemt: de aanzwellende pogrom-stemming in de tweede helft van de 19 e eeuw in Oost-Europa.

Kramer vat het zelf aldus samen:

“( . . .) in the aggregate, their approaches rested upon a heightened empathy and sympathy for Islam, conveyed to the rest of Europe through literature, exploration, and scholarship. And the common rationale, reduced to a sentence, was this: a Europe respectful of Islam and Muslims was more likely to show respect for Judaism and Jews.

19e eeuwse Joden waren al heel postmodern!

Die “verzoenende” neiging bij deze Joden is inderdaad plausibel, maar Kramer maakt bijna post-moderne relativisten van zijn 19e eeuwse Joods islamofielen:

“Jews found themselves in a Europe constructed upon a series of evolving dichotomies: Christendom and Islam, Europe and Asia, West and East, Aryan and Semite. The Jews posed a challenge to these dichotomies on practically every level. ( . . .) By the nineteenth century, Jews had entered the debate, questioning not just their classification but the very validity of the dichotomies. Such dichotomies were regarded as obstacles to assimilation, which remained the dominant project of central and western European Jewry from the French Revolution to the Holocaust.”

“In myriad ways, they sought to emphasize Islam’s splendor, as a strategy to remind Europe of the multiple origins of its own civilization, and its debt to Islam and Judaism. This meant a deliberate effort to associate Jews with those periods, places, and elements in Islamic civilization most admired by Europe. The message was straightforward: Jews had helped to bring the civilization of medieval Islam to its apex. Given the chance, they could do the same for the civilization of modern Europe.”

Men ziet: het is heel erg multipleus en toch allemaal even prachtig en een beetje hetzelfde. Postmodern absoluut-relatief-veelkleurig-monochroom-divers-eenvormig dus.

Nergens inhoud

Ik heb buiten Kramers inleiding geen van de vele essays in het boek gelezen, want daarvoor zou ik het moeten aanschaffen en de prijs van 250 dollar is me toch echt te gortig.  Wel ben ik zeer nieuwsgierig naar die opstellen en met name naar de manieren waarop de beschreven 19e eeuwse Joodse auteurs tot hun prettige oordeel over de islam kwamen.  Kramer benadrukt wel voortdurend die islamofilie, maar op welke concrete grond die 19-eeuwers verliefd raakten op de islam wordt op geen enkel moment duidelijk. Elke inhoudelijke argumentatie ontbreekt. Want ik zou wel eens willen weten hoe Benjamin Disraeli (ja, die Engels premier) erbij kwam om het onderstaande te schrijven:

“ ( . . .) the children of Ishmael rewarded the children of Israel with equal rights and privileges with themselves. During these halcyon centuries, it is difficult to distinguish the followers of Moses from the votary of Mahomet. Both alike built palaces, gardens, and fountains; filled equally the highest offices of the state, competed in an extensive and enlightened commerce, and rivalled each other in renowned universities.”

Als ik bij Kramer lees dat het thema van

“Islam’s debt to Judaism would be a recurrent one in the Jewish study of Islam, precisely because Jewish scholarship, following Hegel, had settled upon monotheism as the great contribution of the Jews to world civilization. In 1833, Abraham Geiger (1810-74), a brilliant young rabbi from Frankfurt, published a book entitled Was hat Mohammed aus dem Judenthume aufgenommen?, analyzing the Prophet Muhammad’s adaptations from Judaism. (The original Latin thesis was written for a competition at the University of Bonn, where it took the prize.) Geiger’s adept handling of the sources and his careful analysis won him widespread praise among the handful of scholars then devoted to the academic study of Islam.”

dan zou ik graag twee of drie elementjes opgesomd zien van wat Mohammed behalve het monotheïsme nog meer van de Joden heeft overgenomen.

En als ik bovengenoemde Geiger als volgt geciteerd zie over een islam die “always left itself favorable to the cultivation of science and philosophy, with a Christian Church that increasingly nourished a repugnance of science and reason”, dan zou ik graag iets meer commentaar van Kramer krijgen dan dat deze Geiger “a clear voice of dissent” vormde  in “a Europe where Islam continued to be regarded as inimical to science and reason”.

Maar, zoals gezegd: nergens in het voze gebabbel van de professor-doctor ook maar een klein stukje inhoud.

Dat ontbreken van inhoud is des te onvergeeflijker omdat Kramer deze Joodse islamofielen onomwonden en zonder terughouding prijst om hun positieve benadering. Want Kramer kan en moet beter weten.

Bernard Lewis

Het boek is ontstaan uit lezingen die gehouden werden aan de universiteit van Tel Aviv in 1996 en die lezingen werden gehouden om Bernard Lewis (geboren 1916) te eren ter gelegenheid van zijn 80ste verjaardag. Natuurlijk is Lewis het grootste deel van zijn leven zeer “genuanceerd” geweest over de islam. Lewis eigen boek terzake van Joden & Islam getiteld  “The Jews of Islam” wordt op Amazon aldus aangeprezen: Bernard Lewis demolishes two competing stereotypes: the fanatical warrior, sword in one hand and Qur’ an in the other, and the Muslim designer of an interfaith utopia.” Altijd mooi, zo’n middenpositie, maar ik ben toch bang dat het ene “stereotype” veel meer waarheid bevat dan het andere.

Volgens Kramer heeft Lewis ooit gerept van medieval prejudice against Islam” en hij  geeft ook ruimere citaten van Lewis waaruit Lewis’ empathie voor de islam blijkt:

“Jewish scholars ( . . .) less affected by nostalgia for the Crusades, preoccupation with imperial policy, or the desire to convert the ‘heathen’. Jewish scholars ( . . .) played a key role in the development of an objective, nonpolemical, and positive evaluation of Islamic civilization.” (1979)

[Joodse onderzoekers zijn zeer belangrijk geweest] “in the enrichment of the Western view of Oriental religion, literature, and history, by the substitution of knowledge and understanding for prejudice and ignorance.” [1993]

“Jewish scholars were among the first who attempted to present Islam to European readers as Muslims themselves see it and to stress, to recognize, and indeed sometimes to romanticize the merits and achievements of Muslim civilization in its great days.” (2009)

Dat klinkt allemaal inderdaad zeer islam-empathief. Maar ik hoop toch dat de Lewis van de uitspraak “er zijn gematigde moslims, maar de islam is niet gematigd” niet erg blij is geworden van het voorwoord bij dit boek van Kramer.  Kramer is een leerling van Lewis geweest, maar ik heb de indruk dat de oude Lewis in de jaren 1990 zich beter bewust is geworden van de ware aard van de islam dan Kramer. Zelf zit Kramer samen met zijn 19e eeuwers, zoals gezegd, onverkort op de lijn van de islam als “an interfaith utopia”, terwijl inmiddels toch wel duidelijk is dat, ten eerste, christenen en vooral Joden in de islam altijd een inferieure dhimmi-status hadden en hun leven en positie nooit zeker waren, en, ten tweede, de islam als  zelfstandige cultuur nooit iets positiefs heeft voorgebracht, maar altijd slechts heeft geparasiteerd  op de culturen die zij bloedig onderwierpen en vervolgens leegzogen. Dat geldt voor Byzantium en ook met name voor het sprookje van “el Andaloes”. (Ik ontsla me even van links en voetnoten: ik ben een beetje moe en het helpt niet.)

Heinrich Graetz en Judah Magnes ontbreken

Kramer noemt in zijn inleiding niet de Duitse historicus Heinrich Graetz (1817 – 1891) en ik neem dus aan dat hij ook niet in het boek behandeld wordt. Graetz was wel degelijk Joods en volgens Paul Berman heeft hij een grote rol heeft gespeeld bij het vormen van een geïdealiseerd beeld van de islam bij de 19e eeuwse Joodse burgerij, waardoor de Joden met te veel optimisme inzake het Mohammedanisme aan het experiment ”Israël” begonnen.

Berman schrijft in zijn “The Flight of the Intellectuals” (p. 81) over de tijd rond 1900, toen

“( . . .) elke Joodse familie met  een boekenkast en een claim op progressieve en liberale waarden een editie plachten te hebben van het magistrale “ History of the Jews” door een Duitse historicus genaamd Heinrich Graetz. ( . . .) De historicus schrijft, ‘De eerste Mohammedanen behandelden de Joden als hun gelijken; ( . . .) De Joden voelden zichzelf vrijer onder het nieuwe bewind van de islam dan in de christelijke landen.’ ‘Deze religie’ ( . . .) heeft een prachtige invloed uitgeoefend op de loop van de Joodse geschiedenis en op de evolutie van het Judaïsme.’ “

Het moeten mooie, waarschijnlijk vetlederen banden zijn geweest, dat “geschiedkundige” werk van Graetz in al die deftige Joodse boekenkasten. Berman schrijft dat er behoorlijk wat historici in de 20ste eeuw deze lijn van Greatz hebben gevolgd.

Wie ook ontbreekt in de Hallelujah-verzameling van Kramer is Judah Magnes (1877 – 1948). Hij was de eerste bestuursvoorzitter van de in 1925 in Jeruzalem geopende “Hebrew University”. De universiteit was bedoeld voor Joden en Arabieren. Magnes zocht vijftien jaar lang naar een mogelijkheid om zich intellectueel met de Arabieren te verstaan, maar moest uiteindelijk concluderen dat de kloof onoverbrugbaar was. (Martin Gilbert: “The Story of Israel”, p. 16)

Islamologie als Stockholm-syndroom

Misschien is Martin Kramer heel gezond, want positief denken schijnt heel heilzaam te werken op het hele menselijk organisme. Zie al onze linkse politici: realiteits-ontkenning maakt gelukkig, zolang je de gevolgen niet zelf hoeft te ondervinden. Ik zag positivist Alexander Pechtold (D66), pas terug van vakantie, in de laatste week van augustus 2013 bij Knevel en Van den Brink zitten. Hij blaakte van kalme en energieke evenwichtigheid. Kunnen we dit jaar weer veel plezier van hebben.

Misschien is Martin Kramer ook gewoon handig, weet hij best wel waar Abraham de mosterd haalt en hoe je een gladde carrière in het officiële Israëlische academische circuit moet opbouwen. En dus doet hij net of de islam een gewone religie is en niet een seksueel aangedreven roofmoordenaarsideologie. Maar zelfs in dat wegkijken van het ware karakter van de islam heb je nuances. En ik vind dat Kramer wel heel erg meejubelt met zijn 19e eeuwers over de islam. En dan begin ik toch te denken aan een gevalletje psychiatrie. Men weet: het Stockholmsyndroom is de angst van de gegijzelde die zich omzet in “begrip” en zelfs liefde voor de gijzelnemer. Israël wordt al vanaf 1920 door de islam geterroriseerd en genocidaal belaagd. Daaraan hebben vele “linkse” Israëli’s een oprecht Stockholmsyndroom overgehouden. Je hebt ook een onoprecht, een geveinsd Stockholmsyndroom. Premier Netanyuahu bijvoorbeeld veinst regelmatig dat hij in “onderhandelingen” en in “het vredesproces” met de genocidale Palmaffia’s van Abbas en Hamas en in “economische sancties tegen Iran” gelooft. Maar in zijn hart is hij realist en weet hij beter. Deze Martin Kramer echter lijdt aan het echte en oprechte Stockholmsyndroom. Want als dat niet zo was, zou hij iets minder dan honderd procent Hallelujah hebben gezongen over de islam. Dat Kramer een doodgewone domme lul is, mogen we immers niet aannemen van een academische universiteits-professor-doctor.
_______________________________
Link naar dit stuk bij E. J. Bron

Advertenties