DOOR ERIK MOKUM

LEES OOK:
1) Over mijn razernij en mijn schelden
2) Femke Halsema’s catch 22: als je d’r niet uitscheldt hoort ze je niet en als je wel scheldt,  praat ze alleen over dat schelden
3) Die scheldende Pennings is ook nog eens gewelddadig

Martien wordt nogal eens verweten verbaal te emotioneel – zelfs soms met scheldwoorden: oh jee! – te werk te gaan. Waardoor de geloofwaardigheid, de redelijkheid van zijn eigen standpunt ondermijnd zou worden. Onder een artikel waarin Martien ene mijnheer Marcel Hulspas enige pittige woorden toevoegt, was weer eens commentaar op zijn “toon”. Ik denk echter, dat je op een bepaald punt kunt komen, waarop morele verontwaardiging zich slechts als machteloze woede kan uiten. Waarbij ik aanteken dat de woede van Martien natuurlijk niet zo machteloos is, want hij blijft zelfs scheldend altijd feiten en argumenten aandragen.

Hieronder een stuk van Simon Carmiggelt van 1959 uit de bundel “Een toontje lager” waarin óók een “machteloze” scheldpartij beschreven wordt.

Ik citeer Carmiggelt:

Een schoolblad in de provincie heeft mij verzocht te willen deelnemen aan een enquête. Ik hoef maar één vraag te beantwoorden: Wie heeft u in uw leven het meest bewonderd?

Tussen haakjes staat erachter: ’t Mag ook een vrouw zijn, waaruit blijkt dat de redactie moderne beginselen huldigt.

Ja, wie heb ik eigenlijk het meest bewonderd?

De wereld bezit een paar mensen die zich daarvoor erg goed lenen. Ik kan gewoon Schweitzer invullen, dan ben ik er zonder kleerscheuren af. Maar als ik, met de brief in mijn hand, in mijn herinnering ga graven, kom ik toch tot de conclusie, dat ik eigenlijk zou moeten antwoorden: Degene die ik in mijn leven het meest heb bewonderd, is een juffrouw wier naam ik niet ken.

Ik kan mij nader verklaren.

In de oorlog moest ik eens met de trein naar Utrecht. Het Centraal Station stond eivol, want er waren weer allerlei treinen uitgevallen, zodat het aantal wachtende reizigers was aangegroeid tot een onafzienbare menigte.

Op het tweede perron stond een klein transport joden. Het waren oude, terneergeslagen mensen, met voddige bagage en ze werden bewaakt door Schalkhaaragenten – botte boerenkinkels, die voor de Duitse heren het vuile werk opknapten.

Alle wachtende reizigers keken. Naar de oude mensen, die gelaten bijeenstonden. En naar de bewakers, die probeerden een bruikbare houding te vinden. Tevergeefs – want er viel niets te krachtpatsen en er gaat een enorme dreigende kracht uit van zo’n menigte, die alleen maar zwijgt en toekijkt.

Ik stond vlak bij de trap.

Er kwam een aardig, blond meisje van een jaar of zestien naar boven. Zij wandelde het perron op, bleef staan en zag het tafereel. Lang bedacht ze zich niet. Met grote, vastberaden stappen liep zij naar voren, zette haar handen in de zij en riep met een stem als een klok op z’n plat Mokums tegen de agenten: ‘Fuile rotzakken! Kennen jullie wel? Ouwe mensen vangen, he? Je mot naar ’t Oostfront gaan, dan ken je dik op je donder krijgen.’ Ze was zó driftig dat tranen van woede over haar wangen stroomden.

Uit de zwijgende menigte op het perron kwam een golf van sympathie op haar af. Iedereen beminde haar, omdat ze, zo maar, zonder zich te bedenken dééd, wat we geen van allen dorsten.

En ze was nog láng niet uitgesproken. Een vloed van de meest vindingrijke, hier moeilijk te reproduceren verwensingen stortte ze uit over de hoofden van de politiekerels, die wonderlijk genoeg alleen maar grijnsden. Ze konden de situatie niet aan. De haat en verachting, waardoor ze zich omringd wisten, hadden hun houding al zo ondergraven, dat ze met dit schreeuwende meisje eenvoudig geen raad wisten.

‘Een beetje op je woorden letten, hè’, zei er een, maar hij probeerde er flirterig bij te lachen.

Het meisje opende haar mond voor een nieuwe reeks vervloekingen, maar een man met een aktentas trok haar mee. Ik liep het tweetal na. Achter de krantenkiosk, waar zij aan het oog onttrokken was, zei hij vaderlijk tegen haar: ‘Dat moet je niet doen, kind. Dat is gevaarlijk.’

Het meisje droogde haar tranen. ‘Ik ken me toch soms zo kwaad maken op die etters,’ sprak zij, ten overvloede.

De man opende zijn tas.

‘Hier – een boterham,’ zei hij. ‘Met kaas.’

Dat was een heel geschenk in die dagen. Welwillend keken we toe, hoe ze het opat.

Kijk, geachte schoolbladredactie – déze juffrouw heb ik, in mijn leven, eigenlijk het meest bewonderd. Maar haar naam weet ik niet. Soms zie ik haar nog wel eens in de stad lopen. Ze is al lang geen meisje meer, maar een vrouw met drie kinderen. Misschien zou ze ’t nu niet meer durven. Maar ik groet haar altijd met de eerbied van een schuldenaar en dan knikt ze terug met een glimlach, die bewijst dat ze ’t zich nog wel herinnert.

Kijk, Martien staat steeds op dat perron – (en ik met hem, want ten tijde van dat meisje van 16 was ik er óók al) – zijn machteloze woede uit te schreeuwen, maar tegelijk zijn morele woede met argumenten – evenals het meisje: “Vuile lafbekken, ouwe mensen vangen, naar het Oostfront moet je gaan!” – ondersteunend.

De Hulspassen en nog talloos veel anderen zouden graag zien dat de Israeliërs-annex-Joden van nu gelijk die  “oude, terneergeslagen mensen, met voddige bagage” bij de pakken zouden gaan neerzitten, de handen in de schoot zouden leggen en over zich zouden laten komen wat komen moet. Maar zo zijn we niet getrouwd.

Martiens moreel gemotiveerde woede is van dezelfde orde als van dat onbekende meisje van 16 bijna 70 jaar geleden. Maar de ‘morele’ verontwaardiging en woede van de Gaza-vaarders en van de Hulspassen van nu stel ik gelijk aan gelijk aan . . . . . . ja, ik ga sterke termen gebruiken . . . . . . de golven van emotie tijdens de Neurenberger Partijdagen van meer dan 70 jaar geleden.

Ik veronderstel overigens dat “de man met de aktentas” Carmiggelt zelf was.

__________________________

Erik Mokum

Link naar het oorspronkelijke artikel op AmsterdamPost