Onderstaand artikel verscheen in Letter & Geest (Trouw) van 21 mei 1994. Hier is het origineel te zien in fotokopie. Ik was vergeten dat ik ’t ooit publiceerde en stuit er nu toevallig op. Uit dit stuk blijkt dat ik in de huidige discussie over “voltooid leven” nog steeds hetzelfde standpunt heb. In 1994 schreef ik:

“Niemand heeft het recht, vanuit een hang naar bevoogding, of vanuit een behoefte eigen angsten te bezweren, suïcidale medemensen een zachte dood te onthouden. Zelfdoding, zegt A. Alvarez, die het zelf ook probeerde, kan in laatste instantie niet door sociale en psychologische hulp voorkomen worden en ligt in laatste instantie ook buiten het bereik van de moraal.”

Dit zijn mijn stukken over de wet “voltooid leven” van Pia Dijkstra.

Hé, Kees van der Staaij! Sterf ’s met JOUW gelul over de waarde van MIJN leven! (28 oktober 2017)

Het egoïstische en dwaze verzet van Sietske Bergsma en Amanda Kluveld tegen de “Wet Voltooid Leven” van Pia Dijkstra (30 september 2017)

Fleur Agema (PVV) wil ongewenste intimiteiten met doodswens-bejaarden (27 oktober2016)

Open mail aan Martin Bosma over de “Wet Voltooid leven” (14 oktober 2016)

*************************************************

LEVEN IS EEN RAMP

Een suïcidaal mens kan de dood als enige uitweg ervaren. Wie dit erkent, hoeft daarom medische hulp bij zelfdoding nog niet goed te keuren. Dit standpunt verdedigde althans J. F. Goud in Letter & Geest van 26 maart. Martien Pennings is het er volstrekt mee oneens: wat Goud vergeet, zijn de gevolgen voor de betrokkene – verplicht doorleven, in eenzaamheid met stiekem gespaarde middelen proberen jezelf de dood in te prutsen of een gewelddadige wanhoopsdaad plegen.“Niemand heeft het recht, vanuit een hang naar bevoogding, of vanuit een behoefte eigen angsten te bezweren, suïcidale medemensen een zachte dood te onthouden.” Adriaan Venema heeft het gedaan. Al bij zijn leven was hij doeltreffend vernederd door Neerlands meest gevreesde literaire reuzendoder, Gerrit Komrij. Waarna Venema, aan gene zijde van het graf, nog een trap na kreeg van de polemische duivelskunstenaar, middels een valse column in de deftige NRC. Komrij, een echte Nietzscheaan, die alleen tegenstanders van zijn eigen postuur aanpakt, reageerde op Venema’s zelfmoord als een latent homosexuele macho op de verschijning van een manifeste nicht. Komrij heeft blijkbaar iets met zelfmoord. Net zoals zovelen van ons. En inderdaad: een paar maanden voor Venema’s dood had Komrij nog publiekelijk uitgeroepen dat ook voor hem, Gerrit Komrij, altijd nog de uitweg van de zelfmoord openstond.

FOTO SPRONG BIJ LEVEN IS EEN RAMP

Zelfdoding wekt onder verklaarde levensgenieters meestal angst, afwijzing en verwarring. Meestal, niet altijd. Er zijn periodes en milieus geweest, bij de Romeinen, bij de Vikingen, bij de Grieken, waarin zelfmoord gezien werd als de eervolste manier van sterven op een na, namelijk die op het slagveld. De vroege christenen vormden een dermate hysterische zelfmoordsekte, dat het zelfs de Romeinen soms te gortig werd. Maar vanaf de vijfde eeuw na Christus is Europa voortaan afkerig van zelfbevrijding.

Natuurlijk heeft het in geen enkele tijd aan verdedigers van de suicide ontbroken. Maar dan spreken we steeds over onafhankelijk denkende individuen, over geleerden, schrijvers en kunstenaars. De overheden, gesteund door de publieke moraal, bestraften in het algemeen de ketterij tegen het leven zwaar. Vaak met de dood.

Een staaltje publieke gerechtigheid uit het Engeland van 1860: “Er is een man opgehangen die zich de keel had doorgesneden, maar weer tot leven was gebracht. Ze hebben hem opgehangen wegens zelfmoord. De dokter had ze gewaarschuwd dat het onmogelijk was hem te hangen omdat de wond weer zou opengaan en hij door de opening zou ademhalen. Ze luisterden niet naar zijn raad en hingen de man toch. De wond in de nek ging onmiddellijk open en hij kwam weer tot leven hoewel hij opgehangen was. Er was tijd nodig om de authoriteiten bijeen te roepen om te besluiten wat er moest gebeuren. Eindelijk kwamen die bij elkaar en ze bonden zijn nek af onder de wond tot hij stierf.”

Dergelijk moralisme inzake zelfdoding is extreem. En ik verdenk theoloog en pastor J. F. Goud er volstrekt niet van zover te willen gaan. Maar in zijn artikel in Letter & Geest van 26 maart plaatste hij zich wel degelijk in een eeuwenoude moraliserende traditie. Gouds grondstelling luidt dat zelfmoord een ramp is en dat het bij die constatering maar moet blijven. Het katastrofale van het doodzijn schuilt voor Goud blijkbaar vooral in het ontbreken van een Hiernamaals, want hij zegt: “Het concept van een rationele zelfdoding acht ik dubieus (..). Het dood willen zijn is een wens van totaal en definitief karakter (…). De eventuele rationaliteit van deze wens is een oppervlakkig (…) aspect.’

Dit lijkt mij voorbarig geredeneerd, want wat weet Goud, wat weten wij eigenlijk van Gene Zijde? Mij is alleen bekend dat Gerrit Komrij er nog wel eens vol inknalt op de achillespezen van een zwakkere geest. Dus blijft, lijkt mij, als enige intelligente geesteshouding tegenover het doodzijn de agnostische over, waarbij de mogelijkheid wordt opengehouden dat de dood geen absoluut einde is en dat in een betere wereld de zin van de aardse waanzin geopenbaard zou kunnen worden. Dat zou het mooiste zijn. En mocht de dood wel het absolute einde betekenen, dan zou mij ook dat zeer conveniëren.

Dat de rationaliteit van de door een aspirant-suïcidant geuite doodswens een oppervlakkig aspect van het probleem vormt, zoals Goud schrijft, ben ik van harte met hem eens. Immers: onder elk redelijk klinkend betoog van de aspirantsuïcidant blijft de redeloze wanhoop woordeloos. De zich quasi-redelijk presenterende doodskandidaat kan de vraag naar de mate van rationaliteit van het leven overigens geen lor schelen. Hij bedenkt alleen redelijke verhalen, meet zich een doelbewuste houding aan, omdat de maatschappij, omdat de hulpverlening zulks eist.

Zo’n wanhopige mens zegt dan bijvoorbeeld tegen de cynische buitenwereld: ik ben klaar met leven. En hoopt dan dat de wereld zich even no nonsense zal gedragen als ze tegenwoordig voorgeeft te zijn. Maar juist hier besluit de wereld dan heel precies de puntjes op de morele i te zetten.

In de persoon, bij voorbeeld, van Goud. Hij kan, zegt hij, respecteren dat het voor een suïcidaal mens subjectief evident is dat de enige uitweg die in de dood is. Dat wel.

Maar Gouds respect is slechts theoretisch. Want, zo meent hij, ‘het gaat werkelijk te ver om op deze subjectieve evidentie een plicht tot medische bijstand te baseren.’ Goud ziet hier ‘ongefundeerde grensoverschrijding’ en ‘verabsoluteerd ideaal van zelfbeschikking’.

‘Subjectieve evidentie’. Waarom krijg ik van dit soort plechtige geleerdheid nou zo’n galsmaak in mijn mond? Omdat het woorden zijn met veel bedachtzame ponteneur, maar waarin vergeten wordt wat de consequentie van dit taalvertoon voor de betrokkenen kan zijn: verplicht doorleven, in eenzaamheid met stiekem gespaarde middelen proberen jezelf de dood in te prutsen of een gewelddadige wanhoopsdaad plegen. Met het risico van mislukking en invaliditeit, geestelijk en lichamelijk.

Goud respecteert doodswensen blijkbaar alleen als je hem er niet mee lastig valt. En om die solidaire houding nog wat meer pit te geven, haalt hij een geestverwant aan, namelijk de voorzitter van de VPRO, A. J. Heerma van Voss, die er in zijn vrije tijd ook het eindredacteurschap bij doet van, let wel, het Maandblad Geestelijke Volksgezondheid: “Er is een ontwikkeling gaande waarbij over zelfdoding gepraat wordt alsof het godsonmogelijk is om dat in je eentje te doen.”

Mijn primaire reactie is, als ik zulk flink proza lees, de auteur ervan een mislukte zelfmoordpoging met amateuristische middelen toe te wensen. Of een week lang aan een stuk dat allereenzaamste laatste moment.

Angst voor het verschijnsel zelfmoord bleek niet uit het stuk van Goud. Daarvoor heeft hij klaarblijkelijk te weinig affiniteit met de hel waarin de suïcidale mens verkeert. Hij meldt alleen dat zelfmoord hem vaak een gewelddaad jegens de omgeving toeschijnt. En haalt die bekende uitspraak van Ter Braak uit 1927 aan, die vaak zo interessanterig geciteerd wordt door al diegenen die helemaal nooit een werkelijke suïcidale aanvechting gehad hebben: ‘De ontsnapping in de dood is een ontsnapping van niets.’ Dat dit een uitspraak van niets is, moest Ter Braak dertien jaar later zelf ervaren.

Wel heeft Goud behoefte de potentiële zelfmoordenaar, van wie hij niets begrijpt, te bevoogden. Diens beweegredenen ziet Goud graag moreel beoordeeld: “Dubieus en aanvechtbaar is voorts de nadrukkelijk niet-morele beoordeling van de door de hulpvrager aangevoerde goede redenen.”

En: “Wie zichzelf wil doden velt een oordeel over de zin van zijn hele leven. Op grond van welke competentie zou wie dan ook dit oordeel kunnen bevestigen?”

Op grond van geen enkele competentie, zou ik aan Goud willen antwoorden. Maar die bevestiging wordt van een hulpverlener dan ook niet gevraagd. Die moet alleen op een gegeven rijp ogenblik niet de pretentie hebben competent te zijn te kunnen ontkennen wat voor een medemens met doodsverlangen ‘subjectief evident’ is. Die hulpverlener dient op dat gegeven rijpe moment slechts zijn mond verder te houden en de pillen te verstrekken.

En waarvandaan haal je, om het eens om te draaien, als hulpverlener de legitimatie om te besluiten dat er doorgeleefd moet worden? Al helemaal nergens. Want de stelling dat het leven ellende is, lijkt mij in het algemeen beter onderbouwbaar dan Gouds bewering dat zelfmoord een ramp is. In dat kader laat zich bovendien de vraag stellen hoe verantwoord het is om het leven ongevraagd cadeau te doen. Ik ben er persoonlijk niet zo blij mee.

De enigen voor wie de zelfmoord vaak een ramp is, zijn nabestaanden. Alleen tegenover hen en zijn eigen geweten is de zelfmoordenaar verantwoording schuldig. Maar niet tegenover zelfbenoemde moralisten van de levensplicht.

De titelsong van MASH is grappig:

Suicide is painless It brings on many changes# And I can take or leave it as I please The game of life is hard to play# Gonna lose it anyway…#

Leuk, maar op twee punten onjuist: zelfmoord is niet pijnloos. Nooit in de aanloop op lange termijn, in het leven dat naar zelfmoord leidt. Nooit in de aanloop op korte termijn, zeker niet als die aanloop richting sneltrein of dakrand is. Het moment zelf kan wel pijnloos zijn, maar alleen voor wie de juiste middelen kan bemachtigen. Bij voorbeeld het fel begeerde Vesperax. Adriaan Venema had er, naar men zegt, ruim de beschikking over.

Zelfmoord is evenmin een vrije keuze. Daarin kan ik Goud bijvallen. Een mens wordt geboren met een bepaalde biologische aanleg, die in een onvoorspelbare wisselwerking treedt met zijn natuurlijke en sociale omgeving. Die wisselwerking pakt soms zo uit dat mensen niet meer willen leven. Dat noemen wij noodlot. Dat noemen wij tragiek. En in het aangezicht van dat soort mysteries zwijgen wij liefst.

En als we toch spreken, doen we dat met piëteit en wijsheid. Onze neiging tot moraliseren en preken onderdrukken wij, wanneer wij staan voor het ultieme raadsel. Net als onze angstige hang naar flink doen over het lot van anderen.

Niemand heeft het recht, vanuit een hang naar bevoogding, of vanuit een behoefte eigen angsten te bezweren, suïcidale medemensen een zachte dood te onthouden. Zelfdoding, zegt A. Alvarez, die het zelf ook probeerde, kan in laatste instantie niet door sociale en psychologische hulp voorkomen worden en ligt in laatste instantie ook buiten het bereik van de moraal.

Ik weet ook wel dat er mensen zijn die met hun tanden een rolstoel besturen en toch willen leven. Maar wat gaat mij dat aan? Ik lijk voor de buitenwereld niks te mankeren, maar toch zou ik een stuk geruster zijn als ik ergens in mijn huis de dodelijke pillen zou weten. Voor dat moment waarop ik zeker weet dat ik de de volgende vijf minuten van het leven niet meer verdraag. Ja dokter, ik heb alle zelfhulpboekjes van René Diektra gelezen en mijn gevoel voor humor heeft er niet onder geleden. Laatst nog glimlachte mijn ziel toen ik op de achterflap van ‘Als Leven Pijn Doet’ las: “Dit boek erkent de pijn van de werkelijkheid, maar beschouwt die niet als onoverkomelijk.”

Ik ben niet eens depressief. Daarvoor sport ik teveel. Ik ren voor de bui uit. Maar ik heb de echte depressie wel gekend. Wat is dat nou, mijnheer Pennings, echte depressie? Het spijt me, mevrouw, mijnheer, maar dat kan ik alleen vertellen aan mensen die het hebben ervaren. En die weten het al.

William Styron, de auteur van Sophie’s Choice heeft een boekje geschreven. Het heet Darkness Visible. Zoals de titel suggereert, kan men daaruit leren dat de duisternis niet zichtbaar gemaakt kan worden, de depressie niet beschreven. Styron’s woorden leren dat woorden tekort schieten. Maar zij die er geweest zijn, weten toch waarover hij spreekt. Anderen niet. Styron leeft nog steeds. Hij is er uitgekomen. Dat is een aansporing niet te snel en te gemakkelijk met het zelfhulppakket klaar te staan. Maar wie, al dan niet klinisch gediagnosticeerd als depressief, gedurende langere tijd volhoudt prijs te stellen op een zachte dood en daarbij graag professionele hulp wil, moet die hulp kunnen krijgen. Al het andere is wreed, respectloos en paternalistisch.

Wij weten niet of er een Gene Zijde bestaat en al helemaal niet of ze daar goed en kwaad kennen. Wij weten van ons eigen gezond niet, laat staan van dat van een ander. We kunnen proberen zo ver mogelijk te komen, maar toch laat de allerlaatste kern zich niet raken. Daarom moeten we heel goed luisteren naar de ander. En tenslotte bereid zijn te zwijgen.

Misschien moet ik eindigen met een woord van troost. Want aan de pastores kan je dat tegenwoordig blijkbaar niet meer overlaten.

De Bijna-Dood-Ervaring is ruim geboekstaafd. Best mogelijk dat het geluksgevoel, het licht en de wenkende gestalten waarvan velen reppen die op de rand zijn geweest, een product van onze eigen hersenactiviteit is. Best mogelijk. Maar toch.

Laatst was een goede bekende van mij erg grieperig. Hij is in de tachtig. Een skeptische geleerde, geverseerd zowel in de exacte als de menswetenschap. Hij is erg pessimistisch geworden over de kansen van de menselijke soort. “Ik kan de geschiedenis van de mensen niet veranderen, maar ook niet accepteren,” hoorde ik hem eens verzuchten.

Maar toen hij dus laatst met die forse griep worstelde, gleed hij op een gegeven moment weg. Nou gaat-ie, dacht de vriendin die bij hem zat. Nou ga ik, dacht hij zelf ook. En er was een groot geluksgevoel over hem gekomen. Tot hij op een barrière stuitte en het gevoel kreeg dat hij terug moest. Dat had hij heel jammer gevonden. Een ramp eigenlijk.
______________

Advertenties